Скачать fb2
Het spel der tronen

Het spel der tronen

Аннотация

    Ver voorbij de machtige ijsmuur die de noordgrens van het koninkrijk sinds mensenheugenis beschermt, roert zich een vergeten vijand. Maar ieders blik is naar het zuiden gericht: naar het van intriges vergeven hof. De macht van de koning is tanende, zijn Hand is een verdachte dood gestorven en velen zijn uit op eigen gewin.
    Toch zijn er nog trouwe onderdanan. De Starks van Winterfell, hard en onverzettelijk zoals hun bevroren domein, zijn niet de minsten van hen. Als de koning Eddard Stark benoemt tot zijn nieuwe Hand, dreigt dit zowel zijn familie als het rijk te splijten. Edelvrouwen en moordenaars, soldaten en tovenaars, vogelvrijen en bastaards — niemand kan afzijdig blijven in het dodelijkste aller conflicten: het spel der tronen.


George R.R. Martin Spel der tronen

Proloog

    ‘We moeten terug,’ drong Gared aan toen in de bossen rondom hen het donker inviel. ‘De wildlingen zijn dood.’
    ‘Vrees je de doden?’ vroeg ser Waymar Roys met een nauwelijks merkbaar glimlachje.
    Gared liet zich niet provoceren. Hij was een oude man van boven de vijftig en hij had de jonkertjes zien komen en gaan. ‘Dood is dood,’ zei hij. ‘Met de doden hebben we niets te maken.’
    ‘Zijn ze wel dood?’ vroeg Roys zachtjes. ‘Welk bewijs hebben we daarvoor?’
    ‘Wil heeft ze gezien,’ zei Gared. ‘Als hij zegt dat ze dood zijn is dat voor mij voldoende bewijs.’
    Wil had al zien aankomen dat ze hem vroeg of laat bij hun twistgesprek zouden betrekken. Helaas was het vroeg in plaats van laat geworden. ‘Mijn moeder zei altijd dat de doden geen liederen zingen,’ riep hij uit.
    ‘Dat zei mijn min ook, Wil,’ kaatste Roys terug. ‘Geloof nooit wat je hoort aan de tiet van een vrouw. Zelfs van de doden valt nog iets te leren.’ Ook zijn stem galmde luid door het schemerige woud.
    ‘We hebben een lange rit voor ons,’ merkte Gared op. ‘Acht dagen, misschien negen. En de nacht valt.’
    Ser Waymar Roys wierp een ongeïnteresseerde blik op de hemel.
    ‘Dat gebeurt elke dag om deze tijd. Verlies je de moed als het donker wordt, Gared?’
    Wil zag de verbeten trek om Gareds mond, de nauwelijks onderdrukte woede in diens ogen, onder de stevige, zwarte kap van zijn mantel. Gared was al veertig jaar lid van de Nachtwacht, als jongen en man, en hij was niet gewend om zo weinig serieus genomen te worden. Maar er stak meer achter. Behalve gekwetste trots bespeurde Wil bij de oude man nog iets anders. Je kon het ruiken: een nerveuze spanning die gevaarlijk veel op angst leek.
    Wil deelde die onrust. Hij stond nu vier jaar op de Muur. De eerste keer dat hij naar buiten was gezonden hadden al die oude verhalen ineens weer de kop opgestoken, en hij had er een wee gevoel van in zijn buik gekregen. Naderhand had hij erom gelachen. Inmiddels was hij een veteraan met zo’n honderd tochten achter de rug en de eindeloze, duistere wildernis die door de zuiderlingen het spookwoud werd genoemd had voor hem geen verschrikkkingen meer. Tot vanavond. Vanavond was het anders. De duisternis had iets onguurs waarvan zijn nekharen recht overeind gingen staan. Negen dagen waren ze nu onderweg, naar het noorden en noordwesten en daarna weer naar het noorden, steeds verder bij de Muur vandaan. Ze zaten een bende roofzuchtige wildlingen op de hielen. Elke dag was erger geweest dan de voorgaande. Vandaag was het erger dan ooit. Er stond een gure noordenwind die de bladeren liet ritselen als levende wezens. Wil had al de hele dag het gevoel dat hij werd gadegeslagen door iets kils en onverzoenlijks, iets dat hem geen goed hart toedroeg. Gared had het ook bespeurd. Wil zou niets liever doen dan als een bezetene terugrijden naar de veiligheid van de Muur, maar van een dergelijk gevoel kon je je aanvoerder beter geen deelgenoot maken.
    Vooral deze aanvoerder niet.
    Ser Waymar Roys was de jongste zoon uit een oeroud geslacht met te veel erfgenamen. Hij was een knappe jongeman van achttien jaar met grijze ogen, elegant en slank als een mes. Gezeten op zijn enorme zwarte strijdros torende de ridder hoog boven Wil en Gared op hun kleinere garrons uit. Hij droeg zwart leren laarzen, een zwarte wollen broek, zwarte handschoenen van mollenvel en een fraaie, glanzend zwarte maliënkolder over lagen zwarte wol en verhard leer. Ser Waymar behoorde nog geen halfjaar tot de Gezworen Broeders van de Nachtwacht, maar geen mens kon beweren dat hij zich niet op zijn roeping had voorbereid. In elk geval niet wat zijn uitrusting betrof.
    Zijn mantel was de kroon op het werk: sabelbont, dik, zwart en zacht als de zonde. ‘Wedden dat hij ze allemaal zelf om zeep heeft geholpen?’ had Gared achter de wijn tegen de manschappen gezegd.
    ‘Hun dunne nekjes omgedraaid, onze dappere krijger.’ Ze hadden allemaal meegelachen.
    Het is moeilijk bevelen aan te nemen van iemand om wie je met een dronken kop hebt gelachen, peinsde Wil huiverend op zijn garron. Gared zou er wel net zo over denken.
    ‘Mormont zei dat we hun spoor moesten volgen, en dat hebben we gedaan,’ zei Gared. ‘Ze zijn dood. Ze zullen ons niet meer lastig vallen. We hebben nog een stevige rit voor ons. Dit weer bevalt me niets. Als het sneeuwt kan het wel veertien dagen duren voor we terug zijn, en op iets beters dan sneeuw hoeven we zeker niet te hopen. Hebt u ooit een ijsstorm meegemaakt, heer?’
    Het jonkertje leek hem niet te horen. Op die half verveelde, half verstrooide manier van hem bestudeerde hij de dichter wordende schemering. Wil verkeerde nu lang genoeg in het gezelschap van de ridder om te weten dat het beter was om hem niet te storen als hij zo keek. ‘Vertel me nog maar eens wat je gezien hebt, Wil. Tot in de kleinste bijzonderheden, zonder iets weg te laten.’
    Wil was jager geweest voor hij zich bij de Nachtwacht had aangesloten. Nu ja, eigenlijk stroper. Mallister-vrijruiters hadden hem op heterdaad betrapt in een bos dat van de Mallisters was, bezig met het villen van een hertenbok die ook van de Mallisters was, en hij had kunnen kiezen: óf het zwart aannemen, óf een hand verliezen. Niemand kon zich zo geluidloos door de bossen voortbewegen als Wil, en de zwarte broeders hadden zijn talent al snel ontdekt.
    ‘Het kamp ligt twee mijl verderop, achter die heuvelkam, pal naast een beek,’ zei Wil. ‘Ik ben zo dichtbij geweest als ik durfde. Er zijn er acht, mannen en vrouwen. Geen kinderen, voor zover ik kon zien. Ze hadden een afdak tegen de rots gebouwd. Dat zal nu wel zo’n beetje ondergesneeuwd zijn, maar ik kon het nog onderscheiden. Er brandde geen vuur, maar de vuurkuil lag er nog duidelijk zichtbaar bij. Niemand verroerde zich. Ik heb een hele tijd gekeken. Levende mensen liggen nooit zo stil.’
    ‘Heb je ook bloed gezien?’
    ‘Nou, nee,’ gaf Wil toe.
    ‘Heb je ook wapens gezien?’
    ‘Een paar zwaarden, een paar bogen. Eén man had een bijl. Zag er zwaar uit, dubbel blad, een gemeen stuk ijzer. Lag naast hem op de grond, vlak bij zijn hand.’
    ‘Is de houding van de lichamen je ook opgevallen?’
    Wil haalde zijn schouders op. ‘Een paar leunen er tegen de rots. De meesten liggen op de grond. Gevallen, waarschijnlijk.’
    ‘Of ze slapen,’ opperde Roys.
    ‘Gevallen,’ hield Wil vol. ‘Een van de vrouwen zit in een ijzerboom, half verscholen in de takken. Een speuroog.’ Hij glimlachte flauwtjes. ‘Ik zorgde ervoor dat ze me niet zag. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat zij evenmin bewoog.’ Onwillekeurig moest hij huiveren.
    ‘Heb je het koud?’ vroeg Roys.
    ‘Een beetje,’ prevelde Wil. ‘De wind, heer.’
    De jonge ridder wendde zich weer tot zijn vergrijsde wapenknecht. Losgevroren bladeren knisperden langs hen heen en het strijdros van Roys bewoog onrustig. ‘Hoe denk jij dat die mensen omgekomen zijn, Gared?’ vroeg ser Waymar losjes. Hij herschikte de plooien van zijn lange mantel van sabelbont.
    ‘Door de kou,’ zei Gared met rotsvaste overtuiging. ‘Ik heb de vorige winter mensen zien bevriezen, en ook die daarvoor, toen ik nog half een jongen was. Iedereen heeft het over veertig voet sneeuw, en hoe de ijzige wind uit het noorden komt aanfluiten, maar de echte vijand is de kou. Die besluipt je nog geluidlozer dan Wil, en eerst ga je huiveren en klappertanden, en je stampt met je voeten en droomt van warme kruidenwijn en een lekker heet vuur. Het brandt ook. Niets brandt zoals kou. Maar niet lang. Daarna neemt de kou bezit van je en raak je erdoor bevangen, en na een poosje heb je de kracht niet meer om ertegen te vechten. Gewoon gaan zitten of slapen is makkelijker. Ze zeggen dat je aan het eind geen pijn meer voelt. Eerst word je slap en suf en begint alles te vervagen, en dan is het of je wegzakt in een zee van warme melk. Heel vredig, zogezegd.’
    ‘Wat een welsprekendheid, Gared,’ merkte ser Waymar op. ‘Ik wist niet dat je dat in je had.’
    ‘Ik ben ook bevangen geweest door de kou, jonge heer.’ Gared trok zijn kap naar achteren, zodat ser Waymar uitvoerig zicht had op de stompjes van zijn oren. ‘Twee oren, drie tenen, en de pink van mijn linkerhand. Ik ben er nog goed van afgekomen. Mijn broer hebben we bevroren op zijn post aangetroffen, met een glimlach op zijn gezicht.’
    Ser Waymar haalde zijn schouders op. ‘Je zult je warmer moeten kleden, Gared.’
    Gared keek het jonkertje woedend aan. De littekens rond de gaten waar Maester Aemon zijn oorschelpen had weggesneden werden rood van woede. ‘We zullen nog wel eens zien hoe warm u zich kunt kleden als de winter komt.’ Hij trok zijn kap over zijn hoofd en boog zich zwijgend en mokkend over zijn garron heen.
    ‘Als Gared zegt dat het van de kou komt…’ begon Wil.
    ‘Heb jij de week hiervoor nog wacht geloot, Wil?’
    ‘Ja heer.’ Er ging geen week voorbij of hij lootte die ellendige wacht meer dan tien keer. Waar wilde de kerel naartoe?’
    ‘En hoe trof je de Muur aan?’
    ‘Huilend,’ zei Wil met een frons. Nu het jonkertje hem erop gewezen had zag hij het maar al te duidelijk voor zich. ‘Ze kunnen niet doodgevroren zijn. Niet als de Muur huilde. Het is niet koud genoeg geweest.’
    Roys knikte. ‘Slim, hoor. We hebben de afgelopen week een paar keer lichte vorst gehad, en zo nu en dan een kort sneeuwbuitje, maar toch zeker geen kou die streng genoeg was om acht man het leven te kosten! In bont en leer geklede mensen, weet je nog, met beschutting bij de hand, en de middelen om vuur te maken.’ De ridder glimlachte laatdunkend. ‘Wil, breng ons erheen. Ik wil die doden graag zelf zien.’
    En toen viel er niets meer aan te doen. Het bevel was uitgesproken, en de eer gebood hun te gehoorzamen. Wil reed voorop; zijn ruige kleine garron baande zich behoedzaam een weg door het kreupelhout. De vorige nacht was er wat sneeuw gevallen, en vlak onder die sneeuwkorst loerden stenen, boomwortels en kuilen op de onoplettenden en argelozen. Ser Waymar Roys was de volgende. Zijn grote, zwarte paard brieste ongeduldig. Een strijdros was geen geschikt rijdier voor een wachtersrit, maar probeer dat een jonkertje maar eens uit te leggen. Gared sloot de rij. De oude wapenknecht zat al rijdend voor zich uit te prevelen. De schemering verdichtte zich. De wolkeloze hemel werd donkerpaars als een oude kneuzing en ging toen in zwart op. De sterren werden zichtbaar. Wil was blij met het licht.
    ‘We kunnen toch wel sneller?’ zei Roys toen de maan helemaal op was.
    ‘Niet met dit paard,’ zei Wil. Zijn angst maakte hem vrijpostig.
    ‘Misschien dat u voorop wilt rijden, heer?’
    Ser Waymar Roys verwaardigde zich niet te antwoorden. Ergens verderop in het woud huilde een wolf.
    Wil reed zijn garron tot onder een oeroude, knoestige ijzerboom. Daar steeg hij af.
    ‘Waarom hou je halt?’ vroeg ser Waymar.
    ‘We kunnen de rest van de weg beter te voet afleggen, heer. Het is vlak achter die heuvelkam.’
    Roys zweeg even en staarde met een peinzend gezicht in de verte. Een kille wind fluisterde door de bomen. Achter hem fladderde zijn grote mantel van sabelbont als een wezen dat half leefde.
    ‘Er is hier iets niet pluis,’ prevelde Gared.
    De jonge ridder wierp hem een minachtend lachje toe. ‘O nee?’
    ‘Voelt u het niet?’ vroeg Gared. ‘Luister maar naar het donker.’
    Wil voelde het. Vier jaar bij de Nachtwacht, en hij was nog nooit zo bang geweest. Wat was er aan de hand?
    ‘De wind. Ritselende bomen. Een wolf. Welk geluid jaagt je zo’n angst aan, Gared?’ Toen Gared geen antwoord gaf liet Roys zich elegant uit het zadel glijden. Hij bond het strijdros goed vast aan een laaghangende tak, op veilige afstand van de andere paarden, en trok zijn slagzwaard uit de schede. Juwelen glinsterden op het gevest, en het maanlicht flitste over het glanzende staal. Het was een schitterend wapen, gesmeed in een kasteel en zo te zien splinternieuw. Wil betwijfelde of het ooit in woede was gezwaaid.
    ‘Het geboomte is hier dicht,’ waarschuwde hij. ‘Met dat zwaard komt u straks nog vast te zitten, heer. Een mes is beter.’
    ‘Als ik om raad verlegen zit vraag ik er wel om,’ zei het jonkertje. ‘Gared, jij blijft hier. Hou de wacht over de paarden.’
    Gared steeg af. ‘We hebben vuur nodig. Daar zorg ik wel voor.’
    ‘Hoe kom je zo dwaas, oude man? Als er vijanden in dit woud zijn is een vuur wel het laatste dat we kunnen gebruiken.’
    ‘Sommige vijanden kun je met vuur op een afstand houden,’ zei Gared. ‘Beren en schrikwolven en… nog andere dingen…’
    Ser Waymars mond werd een smalle streep. ‘Geen vuur.’
    Gareds kap overschaduwde zijn gezicht, maar Wil zag dat hij de ridder met nijdig fonkelende ogen aanstaarde. Even was hij bevreesd dat de oudere man naar zijn zwaard zou grijpen. Dat was een kort, lelijk geval, het gevest door zweet verkleurd, de kling ingekerfd door intensief gebruik, maar Wil zou geen ijzeren duit voor het leven van het jonkertje gegeven hebben als Gared het uit de schede had getrokken. Ten slotte sloeg Gared zijn ogen neer. ‘Geen vuur,’ prevelde hij op gedempte toon.
    Roys zag het voor berusting aan en keerde zich af. ‘Ga voor,’ zei hij tegen Wil.
    Wil zocht zich voor hen beiden behoedzaam een weg door een bosje kreupelhout en begon toen de helling te beklimmen van de lage richel waarop hij van onder een wachtboom de open plek had bespied. Onder de dunne sneeuwkorst was de grond vochtig en modderig, een glibberige ondergrond van rotsblokken en onzichtbare boomwortels om over te struikelen. Tijdens de klim maakte Wil geen enkel geluid. Achter zich hoorde hij het zachte, metalige getinkel van de maliënkolder van het jonkertje, het geritsel van bladeren en een gesmoord gevloek wanneer uitstekende takken naar het slagzwaard graaiden en aan de prachtige sabelbontmantel rukten. Daar, precies volgens verwachting, stond de enorme wachtboom, boven op de heuvelkam, de laagste takken nauwelijks één voet boven de grond. Wil kroop eronder, plat op zijn buik in de sneeuw en de modder, en keek neer op de open plek.
    Zijn hart stond stil. Eén ogenblik lang stokte zijn adem. Maanlicht bescheen de open plek, de as in de vuurkuil, het besneeuwde afdak, de grote rots, het kleine, half bevroren beekje. Alles zag er nog net zo uit als een paar uur geleden.
    Ze waren weg. Alle lichamen waren weg.
    ‘Goden nog aan toe!’ klonk het achter hem. Een zwaard haalde uit naar een tak toen ser Waymar Roys de kam van de heuvel bereikte. Daar stond hij naast de wachtboom, slagzwaard in de hand, mantel opbollend in de wind die van beneden aan kwam waaien, nobel afgetekend tegen de sterren — en voor iedereen zichtbaar.
    ‘Zoek dekking!’ fluisterde Wil op dringende toon. ‘Er klopt iets niet.’ Roys verroerde zich niet. Hij keek neer op de lege open plek en lachte. ‘Die doden van jou hebben kennelijk hun kamp opgebroken, Wil.’
    Wils stem begaf het. Hij zocht naar woorden die niet wilden komen. Dit was onmogelijk. Zijn ogen vlogen heen en weer over de verlaten plek waar het kamp was geweest en bleven steken bij de bijl. Een enorme strijdbijl met een dubbel blad, die nog lag waar hij hem voor het laatst had gezien, onaangeroerd. Een waardevol wapen…
    ‘Sta op, Wil,’ beval ser Waymar. ‘Er is hier geen mens. Ik wil niet hebben dat je je onder een struik verschuilt.’
    Wil gehoorzaamde met tegenzin.
    Ser Waymar bekeek hem met onverholen afkeuring. ‘Op mijn eerste wachtersrit ga ik niet als een mislukkeling naar Slot Zwart terug. We zullen die lui vinden.’ Hij tuurde om zich heen. ‘Die boom in. En snel. Kijk of je ergens een vuur ziet.’
    Wil keerde zich zwijgend van hem af. Redetwisten was zinloos. Een windvlaag sneed dwars door hem heen. Hij liep naar de boom, een grijsgroene wachtboom met een gewelfde kruin, en klom omhoog. Al snel waren zijn handen kleverig van het sap en raakte hij gedesoriënteerd tussen de naalden. De angst lag als een steen op zijn maag. Hij fluisterde een gebed tot de naamloze goden van het woud, trok zijn dolk uit de schede en klemde die tussen zijn tanden om zijn handen vrij te hebben voor de klim. De smaak van het koude ijzer in zijn mond gaf hem troost.
    Beneden riep het jonkertje plotseling: ‘Wie daar?’ Wil bespeurde onzekerheid in de vraag. Hij klom niet verder, hij luisterde en keek toe.
    De wouden gaven antwoord: het geritsel van bladeren, het klateren van de ijzige beek, de verre roep van een sneeuwuil. De Anderen maakten geen geluid.
    Vanuit een ooghoek zag Wil iets bewegen. Bleke gedaanten die door het woud gleden. Hij keek opzij en ontwaarde een witte schim in het duister. Het volgende moment was die weg. Takken wiegden zachtjes in de wind en schraapten met houten vingers langs elkaar heen. Wil opende zijn mond om een waarschuwing omlaag te roepen, maar de woorden bleven als ijs in zijn keel steken. Misschien had hij zich vergist. Misschien was het alleen maar een vogel geweest, een weerkaatsing op de sneeuw, een speling van het maanlicht. Wat had hij nu eigenlijk gezien?
    ‘Wil, waar ben je?’ riep ser Waymar omhoog. ‘Zie je iets?’ Hij draaide traag in een cirkel rond, plotseling op zijn hoede, zijn zwaard in zijn hand. Hij moest ze bespeurd hebben, zoals Wil ze bespeurde. Er was niets te zien. ‘Geef antwoord! Waarom is het zo koud?’
    Het was koud. Huiverend klemde Wil zich nog steviger vast op zijn hoge plek, zijn gezicht dicht tegen de stam van de schildwachtboom gedrukt. Hij voelde het zoete, kleverige sap op zijn wang. Vanuit de duisternis van het woud dook een schim op die recht voor Roys bleef staan. Hij was lang en mager, hard als oude beenderen, met lijkbleek vlees. Zijn wapenrusting verschoot bij elke beweging van kleur en was nu eens wit als vers gevallen sneeuw, dan weer zwart als de schaduw, met overal de donkergroene vlekken van het geboomte. Bij elke stap rimpelde het patroon als maanlicht op het water. Wil hoorde ser Waymar Roys’ adem ontsnappen met een langgerekt gesis. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde het jonkertje. Zijn stem sloeg over als die van een jongen. Hij wierp de lange mantel van sabelbont over zijn schouders naar achteren om zijn armen vrij te hebben voor het gevecht en greep met beide handen zijn zwaard beet. De wind was gaan liggen. Het was heel koud. De Ander gleed op geluidloze voeten naar voren. In zijn hand rustte een lang zwaard zoals Wil nog nooit had gezien. Aan het smeden van die kling was geen metaal van menselijke herkomst te pas gekomen. Maanlicht bezielde het wapen, een doorschijnende kristalsplinter, zo dun dat hij van opzij bijna onzichtbaar was. Er hing een vaag blauw waas omheen, een spookachtig licht dat langs de randen speelde, en op de een of andere manier wist Wil dat het scherper was dan enig scheermes. Ser Waymar trad hem dapper tegemoet. ‘Dans dan met mij.’ Tartend hief hij zijn zwaard hoog op. Zijn handen trilden onder het gewicht, of misschien beefden ze van de kou. Toch, dacht Wil, was hij op dat moment geen jongen meer, maar een nian van de Nachtwacht. De Ander bleef staan. Wil zag zijn ogen: blauw, diepliggender en blauwer dan mensenogen, een blauw dat brandde als ijs. Ze richtten zich op het slagzwaard dat daar in de hoogte trilde en keken toe hoe kil maanlicht over het metaal flitste. Eén hartslag lang durfde hij te hopen.
    Zwijgend doken ze op vanuit de schaduwen, identiek aan de eerste. Het waren er drie… vier… vijf… ser Waymar voelde misschien de kou die ze meebrachten, maar hij zag ze niet, hij hoorde ze niet. Wil moest iets roepen. Dat was zijn plicht. En als hij het deed was dat zijn dood. Hij huiverde, sloeg zijn armen om de boom en hield zijn mond.
    Het bleke zwaard doorkliefde sidderend de lucht.
    Ser Waymar pareerde het met staal. Toen de klingen elkaar raakten weerklonk niet de galm van metaal op metaal, maar slechts een hoog, dun geluid op de rand van het gehoor, als van een dier dat het uitschreeuwt van de pijn. Roys weerde een tweede slag af, en een derde, en deed toen een stap naar achteren. Weer een wisseling van slagen, en opnieuw week hij terug.
    Achter hem, rechts, links, overal rondom hem, keken de overigen geduldig toe, gezichtsloos, zwijgend, door de verspringende patronen van hun sierlijke wapenrusting bijna onzichtbaar in het woud. Nog maakten ze geen aanstalten om tussenbeide te komen. Telkens opnieuw kruisten de zwaarden elkaar, totdat Wil zijn oren het liefst dichtgestopt had om de vreemde, gekwelde jammerklacht waarmee ze tegen elkaar sloegen niet te hoeven horen. Ser Waymar hijgde nu van inspanning, zijn adem dampte in het maanlicht. Zijn kling was wit uitgeslagen van de rijp. Over die van de ander danste een bleekblauw licht. Toen kwam Roys afweerslag een fractie te laat. Het bleke zwaard beet onder zijn arm door de maliën heen. De jonge ridder slaakte een kreet van pijn. Tussen de ijzeren ringen welde bloed op, dat dampte in de kou. Toen de druppels op de sneeuw vielen leken ze rood als vuur. Ser Waymars vingers streken langs zijn zij, en bloed doordrenkte zijn handschoen van mollenvel.
    De Ander zei iets in een taal die Wil niet kende; zijn stem deed aan het knarsen van ijs op een winters meer denken, en de woorden klonken spottend.
    Ser Waymar Roys werd eindelijk razend. ‘Voor Robert!’ schreeuwde hij, en met een grauw sprong hij naar voren. Met beide handen hief hij zijn slagzwaard en haalde uit voor een vlakke, zijwaartse slag waar hij al zijn gewicht achter legde. Bijna loom weerde de Ander hem af.
    Toen de klingen elkaar raakten sprong het staal in stukken. Een kreet galmde door het nachtelijke woud, en het slagzwaard trilde kapot in honderden brosse stukjes. Als een regen van naalden spatten de splinters in het rond. Schreeuwend ging Roys door de knieën en sloeg zijn handen voor zijn ogen. Tussen zijn vingers welde bloed op. Degenen die hadden toegekeken traden gezamenlijk naar voren, als op een teken. Zwaarden rezen op en daalden neer, alles onder een doodse stilte. Een slachtpartij in koelen bloede. De bleke klingen doorsneden de maliënkolder alsof die van zijde was. Wil sloot zijn ogen. Ver beneden zich hoorde hij hun stemmen, en gelach, scherp als ijspegels.
    Toen hij de moed opbracht om weer te kijken, was er een lange tijd verstreken en was de heuvelkam beneden hem leeg. Hij bleef in de boom en durfde nauwelijks adem te halen, terwijl ondertussen de maan langzaam langs de zwarte hemel schoof. Toen hij ten slotte kramp kreeg en zijn vingers verdoofd raakten van de kou klom hij omlaag.
    Het lijk van Roys lag met het gezicht naar beneden in de sneeuw, een arm opzij gestrekt. De dikke mantel van sabelbont was op meer dan tien plaatsen gescheurd. Nu hij dood op de grond lag zag je pas hoe jong hij was. Een knaap nog.
    Wil vond de restanten van het zwaard een paar voet verderop, het uiteinde verbrijzeld en verwrongen als een boom die door de bliksem getroffen is. Het gebroken zwaard zou zijn bewijs zijn. Gared zou wel weten wat hij ervan moest denken, en anders de oude beer Mormont wel, of Maester Aemon. Zou Gared nog bij de paarden wachten? Hij moest haast maken.
    Hij kwam overeind. Ser Waymar Roys stond over hem heen gebogen. Zijn fraaie kleren waren aan flarden, zijn gezicht verminkt. Een splinter van zijn zwaard doorboorde de blinde, witte pupil van zijn linkeroog. Het rechter was open, de pupil vurig blauw. Een oog dat zag.
    Het gebroken zwaard gleed uit krachteloze vingers. Wil sloot zijn ogen om te bidden. Lange, elegante handen streken langs zijn wang en knepen vervolgens zijn keel dicht. Ze waren bekleed met het mooiste mollenvel en kleverig van het bloed, en toch voelden ze ijskoud aan.

Bran

    De ochtend gloorde helder en koud, met iets tintelends in de lucht dat op het einde van de zomer duidde. Ze vertrokken met de dageraad om getuige te zijn van een onthoofding, twintig man in totaal. Bran reed tussen hen in, een en al nerveuze opwinding. Voor het eerst was hij oud genoeg bevonden om zijn heer vader en zijn broers te vergezellen, om te zien hoe in naam des konings de gerechtigheid werd voltrokken. Het was het negende zomerjaar en het zevende van Brans leven. De man was gegrepen buiten een kleine hofstede in de heuvels. Robb dacht dat het een wildling was, een gezworene van Mans Roover, de Koning-achter-de-Muur. Bran kreeg kippenvel als hij eraan dacht. Hij herinnerde zich de verhalen die Ouwe Nans hem bij het haardvuur had verteld. De wildlingen waren wreed, zei ze, slavendrijvers, slagers en dieven. Ze verkeerden met reuzen en demonen, roofden kleine meisjes in het holst van de nacht en dronken bloed uit gepolijste drinkhoorns. En hun vrouwen sliepen in de Lange Nacht met de Anderen, waarna ze gruwelijke, half menselijke kinderen baarden. Maar de man die ze bij de hofstede aantroffen, met handen en voeten aan de muur gebonden, was oud en schriel, niet veel langer dan Robb. Allebei zijn oren en één vinger waren afgevroren en hij was geheel in het zwart gekleed, net als een broeder van de Nachtwacht, behalve dan dat zijn bontvacht voddig en vettig was. De adem van mens en paard vermengde zich dampend in de kille morgenlucht terwijl zijn vader de man van de muur los liet snijden en vóór hen liet slepen. Robb en Jon zaten hoog en bewegingloos op hun paarden, met Bran op zijn pony tussen zich in. Hij probeerde ouder te lijken dan zeven en te doen alsof hij het allemaal al eens had meegemaakt. Een zuchtje wind blies door de poort van de hofstede. Boven hun hoofden wapperde de banier van de Starks van Winterfel: een grauwe schrikwolf die over een berijpt veld rende. Brans vader zat plechtig op zijn paard. De wind speelde door zijn lange bruine haar. Zijn kortgeknipte baard was wit dooraderd, waardoor hij er ouder uitzag dan zijn tweeëndertig jaar. Zijn ogen stonden vandaag grimmig en hij leek in niets op de man die ’s avonds bij de haard zachtjes placht te vertellen over het heldentijdperk en de kinderen van het woud. Hij had zijn vadergezicht afgelegd en het gezicht van heer Stark van Winterfel opgezet, dacht Bran.
    Er werden vragen gesteld en antwoorden gegeven, daar in de ochtendkou, maar naderhand kon Bran zich niet veel van het gezegde herinneren. Ten slotte gaf zijn heer vader een bevel, en twee van zijn wachters sleurden de haveloze man naar de stronk ijzerhout midden op het binnenplein. Ze drukten zijn hoofd tegen het harde, zwarte hout. Heer Eddard Stark steeg af en zijn pupil Theon Grauwvreugd haalde het zwaard te voorschijn. IJs, zo heette dat zwaard. Het was zo breed als een mannenhand en nog langer dan Robb. De kling was van Valyrisch staal, onder bezweringen gesmeed, en donker als rook. Niets was zo scherp als Valyrisch staal.
    Zijn vader stroopte zijn handschoenen af en gaf ze aan Jory Cassel, het hoofd van zijn hofwacht. Hij nam IJs in beide handen en zei: ‘Sprekend namens Robert van het Huis Baratheon, Eerste van die Naam, Koning van de Andalen, de Rhoynar en de Eerste Mensen, Heer der Zeven Koninkrijken en Beschermer van het Rijk, veroordeel ik, Eddard van het Huis Stark, Heer van Winterfel en Landvoogd van het Noorden, u ter dood.’ Hij hief het grote zwaard hoog boven zijn hoofd.
    Brans bastaardbroer Jon Sneeuw kwam dichter bij hem staan.
    ‘Hou je pony goed in bedwang,’ fluisterde hij. ‘En niet de andere kant op kijken. Dat merkt vader.’
    Bran hield zijn pony goed in bedwang en keek niet de andere kant op.
    Zijn vader hieuw met één enkele, vaste slag het hoofd van de man af. Bloed, als zomerwijn zo rood, spoot als een fontein over de sneeuw. Een van de paarden steigerde en moest worden gegrepen om niet op hol te slaan. Bran kon zijn blikken niet van het bloed afwenden. De sneeuw rond de stronk zoog het gretig op en werd rood terwijl hij toekeek.
    Het hoofd stuiterde van een dikke wortel af en rolde weg. Het bleef liggen voor de voeten van Grauwvreugd. Theon was een magere, donkere jongeman van negentien die alles vermakelijk vond. Hij lachte, zette zijn laars op het hoofd en schopte het weg.
    ‘Ezel,’ pruttelde Jon, zo zacht dat Grauwvreugd het niet hoorde. Hij legde een hand op Brans schouder en Bran keek zijn bastaardbroer aan. ‘Goed gedaan,’ verklaarde Jon plechtig. Jon was veertien, een oudgediende op het punt van terechtstellingen.
    Op de lange terugtocht naar Winterfel leek het kouder, al was de wind inmiddels gaan liggen en stond de zon hoger aan de hemel. Bran reed met zijn broers mee, een eind voor de groep uit, en zijn pony moest zich inspannen om hun paarden bij te houden.
    ‘Die deserteur hield zich goed,’ zei Robb. Hij was lang en fors en werd met de dag groter. Zijn lichte huidskleur en roodblonde haar had hij van zijn moeder, een Tulling van Stroom vliet. ‘Moed bezat hij in elk geval wel.’
    ‘Nee,’ zei Jon Sneeuw kalm. ‘Het was geen moed. Die man was als de dood. Je kon het aan zijn ogen zien, Stark.’ Jons ogen waren zo donkergrijs dat ze bijna zwart leken, maar er was weinig wat ze ontging. Hij was even oud als Robb, maar ze leken niet op elkaar. Jon was tenger waar Robb gespierd was, donker waar Robb blond was, en elegant en vlot waar zijn halfbroer sterk en snel was. Robb was niet onder de indruk. ‘De Anderen mogen zijn ogen halen,’ vloekte hij. ‘Hij stierf als een man. Rijden we om het hardst naar de brug?’
    ‘Best,’ zei Jon en zette zijn paard aan. Robb uitte een verwensing en volgde hem. Ze galoppeerden het pad af, Robb lachend en joelend, Jon zwijgend en geconcentreerd. Een regen van sneeuw spatte op onder de hoeven van hun paarden.
    Bran deed geen poging hen te volgen. Zijn pony was niet snel genoeg. Hij had de ogen van de haveloze man gezien en dacht er nu over na. Na een poosje stierf het geluid van Robbs gelach weg en werd het weer stil in het bos.
    Hij was zo in gedachten verzonken dat hij de rest van het gezelschap pas hoorde toen zijn vader naast hem kwam rijden. ‘Alles goed, Bran?’ vroeg hij niet onvriendelijk.
    ‘Ja vader,’ zei Bran. Hij keek op. Gehuld in bont en leer en gezeten op zijn grote strijdros torende zijn heer vader als een reus boven hem uit. ‘Robb zegt dat de man moedig stierf, maar Jon zegt dat hij bang was.’
    ‘Wat denk jij?’vroeg zijn vader.
    Bran dacht erover na. ‘Als je bang bent, kun je dan toch moedig zijn?’
    ‘Dat is het enige moment waarop je moedig kunt zijn,’ zei zijn vader tegen hem. ‘Begrijp je waarom ik het gedaan heb?’
    ‘Het was een wildling,’ zei Bran. ‘Die ontvoeren vrouwen en verkopen ze aan de Anderen.’
    Zijn heer vader glimlachte. ‘Ouwe Nans heeft je weer eens bakersprookjes verteld. In werkelijkheid was de man een eedbreker die uit de Nachtwacht was gedeserteerd. Gevaarlijker lieden zijn er niet. Een deserteur weet dat zijn leven verbeurd is als hij wordt gegrepen, dus deinst hij voor geen enkele misdaad, hoe laag ook, terug. Maar je begrijpt me verkeerd. De vraag was niet waarom de man moest sterven, maar waarom ik het moest doen.’
    Daar had Bran geen antwoord op. ‘Koning Robert heeft een scherprechter,’ zei hij onzeker.
    ‘Inderdaad,’ gaf zijn vader toe. ‘Net als de Targaryen-koningen vóór hem. Maar onze manier is ouder. Door de aderen van de Starks stroomt nog het bloed van de Eerste Mensen, en wij geloven dat wie het vonnis velt ook het zwaard moet voeren. Als je iemands leven wilt nemen ben je het aan hem verplicht, hem in de ogen te zien en zijn laatste woorden aan te horen. Als je dat niet kunt verdragen, verdient de man misschien niet te sterven.
    Op een dag, Bran, zul jij Robbs baanderman zijn en voor je broer en je koning een eigen ridderhof beheren. Dan zul jij de rechtspraak uitoefenen. Als die dag komt, schep dan geen plezier in de taak, maar wend evenmin je hoofd af. Een heerser die zich achter betaalde beulen verschuilt zal snel vergeten wat sterven is.’
    Dat was het moment dat Jon weer opdook, recht voor hen op de heuveltop. Hij zwaaide en riep omlaag: ‘Vader, Bran, kom snel! Kijk eens wat Robb heeft gevonden!’ Toen was hij weer verdwenen. Jory kwam naast hen rijden. ‘Moeilijkheden, heer?’
    ‘Ongetwijfeld,’ zei zijn vader. ‘Laten we maar gaan kijken wat mijn zonen nu weer uitgespookt hebben.’ Hij zette zijn paard tot een sukkeldrafje aan. Jory, Bran en de overigen volgden. Ze troffen Robb op de rivieroever ten noorden van de brug aan, met Jon nog te paard naast zich. Er was deze maanwende een flink pak nazomersneeuw gevallen. Robb stond tot zijn knieën in het wit. Hij had zijn kap afgedaan, zodat de zon op zijn haren scheen. Hij hield iets in zijn armen, terwijl de jongens opgewonden tegen elkaar fluisterden.
    De ruiters baanden zich behoedzaam een weg tussen de sneeuwbanken door, zoekend naar houvast op de onzichtbare, oneffen bodem. Jory Cassel en Theon Grauwvreugd bereikten de jongens als eersten. Grauwvreugd zat op zijn paard te lachen en grappen te maken. Bran hoorde hoe hij zijn adem liet ontsnappen. ‘Goden!’ riep hij, worstelend om zijn paard in bedwang te houden en tastend naar zijn zwaard.
    Jory had het zijne al getrokken. ‘Robb, weg daar!’ riep hij vanaf zijn steigerende paard.
    Robb grijnsde en keek op van het bundeltje in zijn armen. ‘Ze kan geen kwaad meer,’ zei hij. ‘Ze is dood, Jory.’
    Inmiddels barstte Bran van nieuwsgierigheid. Hij wilde zijn pony tot meer snelheid aanzetten, maar zijn vader liet hen naast de brug afstijgen en te voet verder lopen. Bran sprong van zijn pony en begon te hollen. Ondertussen waren Jon, Jory en Theon Grauwvreugd alle drie afgestegen. ‘Bij de zevenvoudige hel, wat is dit?’ zei Grauwvreugd net.
    ‘Een wolf,’ verklaarde Robb.
    ‘Een speling der natuur,’ zei Grauwvreugd. ‘Wat een gigantisch beest.’
    Met bonzend hart werkte Bran zich door een sneeuwbank heen die tot zijn middel kwam. Toen stond hij naast zijn broer. Half begraven in de met bloed besmeurde sneeuw lag iets reusachtigs op zijn kant, dood. In de ruige, grijze vacht zat ijs geklonterd, en er kleefde een vage geur van verrotting aan, als vrouwenparfum. Bran ving een glimp op van blinde ogen waarin de maden krioelden, en van een brede bek vol vergeelde tanden. Maar het was de omvang die hem naar adem deed happen. Het beest was groter dan zijn pony, twee keer zo groot als de grootste jachthond uit zijn vaders meute.
    ‘Het is geen speling der natuur,’ zei Jon kalm. ‘Dat is een schrikwolf. Die worden groter dan de andere soort.’
    Theon Grauwvreugd zei: ‘Er is al in geen tweehonderd jaar een schrikwolf ten zuiden van de Muur gezien.’
    ‘Ik zie er nu een,’ antwoordde Jon.
    Bran rukte zich los van de aanblik van het monster. Op dat ogenblik zag hij het bundeltje in Robbs armen. Hij slaakte een kreet van verrukking en kwam dichterbij. Het jong was een grijs bontballetje, de oogjes nog dicht. Terwijl Robb het tegen zijn borst hield snuffelde het onder zijn leren kledingstukken blindelings naar melk en jankte zacht en zielig. Aarzelend stak Bran een hand uit. ‘Toe maar,’ zei Robb tegen hem. ‘Je kunt hem aanraken.’
    Bran gaf het jong snel een nerveuze aai. Toen draaide hij zich om, want Jon zei: ‘Alsjeblieft.’ Zijn halfbroer duwde hem een tweede jong in de armen. ‘Er zijn er vijf.’ Bran ging in de sneeuw zitten en drukte het jong tegen zijn gezicht. De vacht voelde zacht en warm aan op zijn wang.
    ‘Schrikwolven die loslopen in het rijk, na al die jaren,’ prevelde Hullen, de stalmeester. ‘Dat bevalt me niets.’
    ‘Het is een voorteken,’ zei Jory.
    Vader fronste zijn voorhoofd. ‘Dit is alleen maar een dood beest, Jory,’ zei hij. Toch leek hij verontrust te zijn. Hij liep om het lichaam heen, en de sneeuw kraakte onder zijn laarzen. ‘Weten we waaraan ze gestorven is?’
    ‘Er steekt iets in haar keel,’ lichtte Robb hem in, trots dat hij het antwoord wist voordat zijn vader de vraag zelfs maar had gesteld.
    ‘Daar, vlak onder de kaak.’
    Zijn vader knielde en voelde onder de kop van het beest. Hij gaf een ruk en stak iets omhoog zodat iedereen het kon zien. Een afgebroken stuk gewei, de stangen geknapt, helemaal nat van het bloed. Een plotselinge stilte daalde over het gezelschap neer. De mannen keken naar het gewei, niet op hun gemak. Niemand durfde iets te zeggen. Zelfs Bran bespeurde hun vrees, al begreep hij die niet. Zijn vader smeet het gewei weg en veegde zijn handen af aan de sneeuw. ‘Het verbaast me dat ze lang genoeg is blijven leven om te jongen,’ zei hij. Zijn stem verbrak de beklemming.
    ‘Misschien was dat niet zo,’ zei Jory. ‘Ik heb horen vertellen… misschien was de teef al dood toen de jongen kwamen.’
    ‘Geboren uit een lijk,’ bracht een ander te berde. ‘Des te erger.’
    ‘Doet er niet toe,’ zei Hullen. ‘Zij zijn er binnenkort ook geweest.’
    Bran slaakte een woordeloze kreet van ontsteltenis.
    ‘Hoe eerder, hoe beter,’ beaamde Theon Grauwvreugd. Hij trok zijn zwaard. ‘Geef dat beest eens hier, Bran.’
    Het dingetje kronkelde tegen hem aan alsof het alles gehoord en begrepen had. ‘Nee!’ riep Bran heftig. ‘Hij is van mij.’
    ‘Doe dat zwaard weg, Grauwvreugd,’ zei Robb. Even klonk hij net zo bevelend als hun vader, als de heer die hij eens zou zijn. ‘We houden ze.’
    ‘Dat kun je niet doen, jongen,’ zei Harwin, de zoon van Hullen.
    ‘Het is niet meer dan barmhartig om ze te doden,’ zei Hullen. Bran keek hulpzoekend naar zijn vader maar stuitte slechts op een frons, een voorhoofd vol rimpels. ‘Hullen spreekt een waar woord, zoon. Beter een snel einde dan een wrede dood door kou en honger.’
    ‘Nee!’ Hij voelde hoe de tranen hem in de ogen sprongen en keek de andere kant op. Hij wilde niet huilen waar zijn vader bij was. Robb bood koppig weerstand. ‘Ser Rodriks rode teef heeft afgelopen week weer gejongd,’ zei hij. ‘Een klein nest, twee levende jongen maar. Zij zal wel melk genoeg hebben.’
    ‘Ze scheurt ze aan stukken zodra ze proberen te drinken.’
    ‘Heer Stark,’ zei Jon. Het was vreemd om hem vader op die manier te horen aanspreken, zo formeel. Bran keek hem aan, hopend tegen zijn wanhoop in. ‘Er zijn vijf jongen,’ zei hij tegen vader. ‘Drie mannetjes, twee wijfjes.’
    ‘Ja, en wat dan nog, Jon?’
    ‘U hebt vijf wettige kinderen,’ zei Jon. ‘Drie zonen, twee dochters. Het wapenteken van uw Huis is een schrikwolf. Uw kinderen zijn voorbestemd om die jongen te hebben, heer.’
    Bran zag de verandering op zijn vaders gezicht, zag hoe de andere mannen elkaar aankeken. Op dat moment hield hij met heel zijn hart van Jon. Al was hij pas zeven, Bran begreep wat zijn broer had gedaan. De rekensom klopte alleen omdat Jon zichzelf had weggecijferd. Hij had de meisjes meegeteld, hij had zelfs de peuter Rickon meegeteld, maar niet de bastaard die de toenaam Sneeuw droeg, de naam waarvan de gewoonte voorschreef dat hij werd gegeven aan iedereen in het noorden die de pech had zonder eigen naam geboren te worden. Hun vader begreep het ook. ‘Je wilt geen jong voor jezelf, Jon?’ vroeg hij zachtjes.
    ‘De schrikwolf tooit de banieren van het Huis Stark,’ bracht Jon naar voren. ‘Ik ben geen Stark, vader.’
    Hun heer vader keek Jon peinzend aan. Robb haastte zich om de stilte die hij liet vallen op te vullen. ‘Ik zal hem zelf verzorgen, vader,’ beloofde hij. ‘Ik drenk een doek in warme melk en laat hem daaraan zuigen.’
    ‘Ik ook!’ echode Bran.
    Heer Stark mat zijn zonen lang en zorgvuldig met zijn blikken.
    ‘Dat is makkelijk gezegd. Maar ik wil niet dat jullie de tijd van de bedienden hiermee verspillen. Als jullie deze jongen willen hebben, dan voeren jullie ze zelf. Begrepen?’
    Bran knikte gretig. Het jong kronkelde in zijn greep en likte met een warme tong zijn gezicht.
    ‘Jullie moeten ze ook africhten,’ zei hun vader. ‘Jullie richten ze af. Ik voorspel jullie dat de kennelmeester niets met deze monsters te maken zal willen hebben. En de goden zij jullie genadig als jullie ze verwaarlozen of ruw bejegenen of slecht africhten. Dit zijn geen honden die om lekkers bedelen en na één trap met de staart tussen de poten afdruipen. Een schrikwolf rukt even makkelijk een arm van een volwassen man af als een hond een rat doodbijt. Weten jullie zeker dat je dit wilt?’
    ‘Ja, vader,’ zei Bran.
    ‘Ja,’ beaamde Robb.
    ‘De jongen sterven misschien toch, ongeacht wat jullie allemaal doen.’
    ‘Ze gaan niet dood,’ zei Robb. ‘We laten ze niet doodgaan.’
    ‘Hou ze dan maar. Jory, Desmond, nemen jullie de overige jongen mee. Het wordt tijd dat we naar Winterfel teruggaan.’
    Pas toen ze opgestegen en onderweg waren stond Bran zichzelf toe, het zoet van de overwinning te proeven. Tegen die tijd was zijn wolfsjong onder het leer van zijn kleding gekropen en had zich warm tegen hem aan genesteld, veilig opgeborgen voor de lange rit naar huis. Bran vroeg zich af hoe hij hem moest noemen.
    Halverwege de brug hield Jon abrupt halt.
    ‘Wat is er, Jon?’ vroeg hun heer vader.
    ‘Horen jullie het niet?’
    Bran hoorde de wind in de bomen, hun hoefgetrappel op de ijzerhouten planken, het zachte gejank van zijn hongerige wolfsjong, maar Jon luisterde naar iets anders.
    ‘Daar,’ zei Jon. Hij wendde zijn paard en galoppeerde terug over de brug. Ze keken toe hoe hij afsteeg op de plek waar de dode schrikwolf in de sneeuw lag, keken toe hoe hij neerknielde. Even later kwam hij glimlachend terugrijden.
    ‘Hij moet bij de andere vandaan zijn gekropen,’ zei Jon.
    ‘Of hij was verstoten,’ zei zijn vader met een blik op het zesde jong. De vacht was wit, terwijl de rest van het nest grijs was. De ogen waren rood als het bloed van de haveloze man die vanmorgen gestorven was. Bran vond het vreemd dat alleen dit jong de oogjes geopend had terwijl zijn nestgenoten nog blind waren.
    ‘Een albino,’ zei Theon Grauwvreugd met een scheef lachje. ‘Die gaat nog eerder dood dan de rest.’
    Jon Sneeuw wierp zijn vaders pupil een lange, ijzige blik toe. ‘Ik denk het niet, Grauwvreugd,’ zei hij. ‘Deze is van mij.’

Catelyn

    Catelyn had zich nooit prettig gevoeld in dit godenwoud. Ze was een Tulling, geboren in het zuidelijke Stroomvliet, aan de Rode Vork van de Drietand. Daar was het godenwoud een lichte, luchtige tuin waarin hoge sequoia’s gevlekte schaduwen over klaterende beekjes wierpen, vogels in verborgen nesten zongen en de lucht vervuld was van bloemengeuren.
    De goden van Winterfel hielden er een ander soort woud op na. Dit was een duister oord van eeuwen oud, een drie are tellend oerbos dat tienduizend jaar ongerept was gebleven terwijl daaromheen het sombere kasteel verrees. Het rook er naar vochtige aarde en verrotting. Hier groeiden geen sequoia’s. Dit was een woud van weerbarstige wachtbomen, gewapend met grijsgroene naalden, van machtige eiken en ijzerbomen, zo oud als het rijk zelf. Hier dromden dikke zwarte stammen dicht op elkaar terwijl kromgegroeide takken zich bovenin tot een ondoordringbaar gewelf vervlochten en wanstaltige wortels onder de aarde worstelden. Dit was een oord van diepe stilte en broeierige schaduwen, en de goden die hier huisden waren naamloos. Maar zij wist dat ze hier vanavond haar echtgenoot zou vinden. Altijd als hij een leven had genomen zocht hij naderhand de rust van het godenwoud.
    Catelyn was gezalfd met de zeven oliën en had haar naam gekregen in de regenboog van licht die in de Grote Sept van Stroomvliet scheen. Zij hing het Geloof aan, zoals haar vader en haar grootvader en diens vader vóór hem. Haar goden hadden een naam, en hun gelaat was haar even vertrouwd als dat van haar ouders. Godsdienst was een septon met een reukvat, het was wierookgeur, een kristal met zeven vlakken, vol levend licht, en stemmen die zich verhieven in gezang. Net als alle andere grote huizen hielden de Tullings er weliswaar een godenwoud op na, maar dat was uitsluitend om in te wandelen of te lezen, of in de zon te liggen. Godsdienst was een zaak van de sept.
    Omwille van haar had Ned een kleine sept laten bouwen waarin ze de zeven gezichten van de god kon toezingen, maar door de aderen van de Starks stroomde nog het bloed van de Eerste Mensen, en zijn goden waren de oude, naamloze, gezichtsloze goden van het groenewoud die de Starks gemeen hadden met de verdwenen kinderen van het woud. Midden in het woud stond een oeroude weirboom peinzend over een kleine vijver vol zwart, koud water gebogen. De hartboom, noemde Ned die. De bast van de weirboom was spierwit, de bladeren donkerrood, als een duizendtal bebloede handen. In de stam van de reusachtige boom was een gezicht uitgesneden, de gelaatstrekken lang en zwaarmoedig, de diepliggende ogen rood van het opgedroogde sap, en eigenaardig waakzaam. Ze waren oud, die ogen, ouder dan Winterfel zelf. Als de verhalen waar waren hadden ze Brandon de Bouwheer de eerste steen zien leggen. Ze hadden de granieten slotmuren rondom zich zien verrijzen. Men zei dat de kinderen van het woud die gezichten in de bomen hadden gekerfd in de eeuwen van de dageraad, vóór de komst van de Eerste Mensen over de Zee-engte.
    In het zuiden waren de laatste weirbossen al duizend jaar geleden gekapt of platgebrand, behalve op het Eiland der Gezichten, waar de groene mannen zwijgend de wacht hielden. Hier in het noorden was het anders. Hier had elk kasteel zijn godenwoud, en elk godenwoud had zijn hartboom, en elke hartboom zijn gezicht. Catelyn vond haar echtgenoot onder de weirboom, gezeten op een met mos begroeide steen. Het grote zwaard IJs lag over zijn knieën, en hij was bezig de kling te reinigen in het nachtzwarte water. Op de bodem van het godenwoud lag een duizendjarige humuslaag die het geluid van haar voetstappen opzoog, maar de rode ogen van de weirboom leken haar bij haar nadering te volgen. ‘Ned,’ riep ze zachtjes.
    Hij hief zijn hoofd op en keek haar aan. ‘Catelyn,’ zei hij. Zijn stem klonk afstandelijk en formeel. ‘Waar zijn de kinderen?’
    Dat vroeg hij haar altijd. ‘In de keuken, aan het bedisselen welke namen ze de wolfsjongen zullen geven.’ Ze spreidde haar mantel op de bosgrond uit en ging naast de poel zitten met haar rug naar de weirboom toe. Ze voelde hoe de ogen haar gadesloegen maar deed haar best er geen acht op te slaan. ‘Arya is nu al smoorverliefd, en Sansa stelt zich gecharmeerd en welwillend op, maar Rickon weifelt.’
    ‘Is hij bang?’ vroeg Ned.
    ‘Een beetje,’ gaf ze toe. ‘Hij is pas drie.’
    Ned fronste zijn wenkbrauwen. ‘Hij moet leren zijn angsten onder ogen te zien. Hij blijft niet altijd drie. En het wordt winter.’
    ‘Ja,’ beaamde Catelyn. Zoals altijd bezorgden die woorden haar kippenvel. De woorden van de Starks. Ieder adellijk geslacht had zijn eigen woorden. Als familiespreuken, toetsstenen en in zekere zin gebeden bazuinden ze roem en eer uit, beloofden ze verbondenheid en waarachtigheid en zwoeren ze moed en trouw. Op die van de Starks na. De winter komt, luidden de woorden van de Starks. Niet voor het eerst peinsde ze erover wat een vreemd volk deze noorderlingen waren.
    ‘De man wist te sterven, dat moet ik hem nageven,’ zei Ned. Hij had een lap geolied leer in zijn ene hand die hij al sprekend losjes langs het grote zwaard omhoog liet glijden, zodat het metaal een donkere gloed kreeg. ‘Omwille van Bran was ik daar blij om. Je zou trots op Bran geweest zijn.’
    ‘Ik ben altijd trots op Bran,’ antwoordde Catelyn, haar ogen gericht op het zwaard dat hij oppoetste. Ze zag de rimpeling diep in het staal ontstaan doordat het metaal bij het smeden talloze malen dubbelgevouwen was. Catelyn droeg zwaarden geen warm hart toe, maar ze kon niet ontkennen dat IJs een geheel eigen schoonheid bezat. Het was gesmeed in Valyria, voordat het noodlot de aloude vrijburg getroffen had, toen de ijzersmeden hun metaal zowel met hamers als spreuken plachten te bewerken. Vierhonderd jaar oud was het, en zo scherp als op de dag dat het gesmeed werd. De naam die het droeg was nog ouder, een erfenis uit het heldentijdperk, toen de Starks de koningen van het Noorden waren.
    ‘Hij was de vierde dit jaar,’ zei Ned grimmig. ‘De oude man was half buiten zinnen. Iets joeg hem zo’n peilloze angst aan dat mijn woorden niet tot hem doordrongen.’ Hij zuchtte. ‘Ben schrijft dat de Nachtwacht minder dan duizend man sterk is. Dat ligt niet alleen aan de deserteurs. Ze raken ook mannen kwijt op hun tochten achter de Muur.’
    ‘Doen de wildlingen dat?’ vroeg ze.
    ‘Wie anders?’ Ned hief IJs op en tuurde in de lengterichting langs het koele staal. ‘En dat wordt alleen maar erger. Ik zie de dag nog komen dat ik geen andere keus heb dan de banieren bijeen te roepen en naar het noorden op te trekken om voor eens en altijd af te rekenen met die Koning-achter-de-Muur.’
    ‘Achter de Muur?’ De gedachte bezorgde Catelyn de koude rillingen. Ned zag de vrees op haar gezicht. ‘Wij hebben niets van Mans Roover te duchten.’
    ‘Er zijn duisterder zaken achter de Muur.’ Ze gluurde over haar schouder naar de hartboom met zijn bleke bast en rode ogen, die keek, luisterde en zijn lange, trage gedachten dacht. Hij glimlachte vriendelijk. ‘Je hebt te veel sprookjes van Ouwe Nans gehoord. De Anderen zijn even dood als de kinderen van het woud. Ze zijn al achtduizend jaar verdwenen. Maester Luwin zal je vertellen dat ze nooit bestaan hebben. Geen levend mens heeft er ooit een gezien.’
    ‘Tot vanochtend was er ook geen levend mens die ooit een schrikwolf had gezien.’
    ‘Ik had kunnen weten dat ik niet met een Tulling in discussie moest gaan,’ zei hij met een spijtig lachje. Hij liet IJs weer in de schede glijden. ‘Je bent hier niet gekomen om me bakerpraatjes te vertellen. Ik weet hoezeer deze plek je tegenstaat. Wat is er, mijn vrouwe?’
    Catelyn greep de hand van haar echtgenoot. ‘Er is vandaag treurig nieuws gekomen, heer. Ik wilde u er niet mee belasten vóór u zich gereinigd had.’ De klap viel op geen enkele manier te verzachten, dus zei ze het hem onomwonden. ‘Het spijt me zo, mijn lief. Jon Arryn is dood.’
    Zijn ogen zochten de hare en ze zag hoezeer het hem trof, precies zoals ze geweten had. Als jongen had Ned als pleegzoon in het Adelaarsnest vertoefd, en de kinderloze heer Arryn was voor hem en zijn mede pupil Robert Baratheon tot een tweede vader geworden. Toen de krankzinnige koning Aerys il Targaryen hun hoofd eiste had de heer van het Adelaarsnest zijn banieren met de maan en de valk in rebellie gehesen, liever dan degenen uit te leveren die hij gezworen had te beschermen.
    En op een dag, nu veertien jaar geleden, was die tweede vader tevens een broer geworden toen hij en Ned samen in de Sept van Stroomvliet stonden om in het huwelijk te treden met twee zusters, de dochters van heer Hoster Tulling.
    ‘Jon…,’ zei hij. ‘Is dat zeker?’
    ‘Het zegel was van de koning en de brief is in Roberts eigen handschrift geschreven. Ik heb hem bewaard. Hij zei dat heer Arryn snel werd weggerukt. Zelfs Maester Pycelle stond machteloos, maar hij heeft het melksap van de papaver toegediend, zodat Jon niet lang pijn geleden heeft.’
    ‘Dat zal ik dan maar als een schrale troost beschouwen,’ zei hij. Ze kon zijn verdriet van zijn gezicht aflezen, maar zelfs nu dacht hij in de eerste plaats aan haar. ‘Je zuster,’ zei hij. ‘En Jons zoon. Wat is er voor nieuws over hen?’
    ‘Het bericht vermeldde alleen dat ze het goed maakten en dat ze naar het Adelaarsnest waren teruggekeerd,’ zei Catelyn. ‘Maar ik had liever gezien dat ze naar Stroomvliet waren gegaan. Het Adelaarsnest ligt hoog en eenzaam, en haar man was daar altijd meer thuis dan zij. ledere steen is doortrokken van de herinnering aan heer Jon. Ik ken mijn zuster. Ze moet familie en vrienden om zich heen hebben om haar te troosten.’
    ‘Je oom waakt toch in de Vallei? Ik hoorde dat Jon hem tot Ridder van de Poort had aangesteld.’
    Catelyn knikte. ‘Brynden zal doen wat hij kan voor haar en de jongen. Dat is in zekere zin een geruststelling, maar toch…’
    ‘Ga naar haar toe,’ drong Ned aan. ‘Neem de kinderen mee. Vul haar zalen met lawaai, geschreeuw en gelach. Haar zoon heeft het gezelschap van andere kinderen nodig, en Lysa mag niet alleen zijn met haar verdriet.’
    ‘Ik wou dat het kon,’ zei Catelyn. ‘Er stond ook nog ander nieuws in de brief. De koning komt op bezoek in Winterfel.’
    Ned had even tijd nodig om haar woorden tot zich door te laten dringen, maar toen het begrip daagde week de duisternis uit zijn blik. ‘Komt Robert hierheen?’ Toen ze knikte brak er een glimlach door op zijn gezicht.
    Catelyn wilde dat ze in zijn vreugde kon delen. Maar ze had het gepraat op de binnenplaatsen opgevangen: een dode schrikwolf in de sneeuw met een gebroken gewei door de keel. De vrees lag als een slang in haar hart op de loer, maar ze dwong zich te glimlachen tegen de man die ze liefhad, de man die niet in voortekens geloofde. ‘Ik wist wel dat dat je plezier zou doen,’ zei ze. ‘We moeten je broer op de Muur bericht sturen.’
    ‘Ja, natuurlijk,’ beaamde hij. ‘Ben wil er ongetwijfeld bij zijn. Ik zal tegen Maester Luwin zeggen dat hij zijn snelste vogel moet zenden.’ Ned stond op en trok haar op haar voeten. ‘Verdomd, hoeveel jaar geleden is het? En meer krijgen we van tevoren niet te horen?
    Hoe groot is zijn gezelschap, stond dat ook in het bericht?’
    ‘Minstens honderd ridders, schat ik, met hun hele gevolg, en nog eens anderhalf keer zoveel vrijruiters. Cersei en de kinderen komen ook mee.’
    ‘Dan zal Robert met het oog op hen wel een rustig tempo aanhouden,’ zei hij. ‘Dat komt wél zo goed uit, want dan hebben we meer tijd om ons voor te bereiden.’
    ‘De broers van de koningin zijn ook van de partij,’ vertelde ze hem.
    Ned trok een gezicht. Hij en de familie van de koningin waren elkaar niet echt toegenegen, wist Catelyn. De Lannisters van de Rots van Casterling hadden zich pas laat achter Roberts zaak geschaard, toen de overwinning al bijna zeker was, en dat had hij hun nimmer vergeven. ‘Ach, als de prijs voor Roberts gezelschap een, Lannisterplaag is, het zij zo. Het lijkt wel alsof Robert zijn halve hofhouding meebrengt.’
    ‘Waar de koning gaat, volgt het rijk,’ zei ze.
    ‘Het zal goed zijn om de kinderen te zien. Toen ik hem voor het laatst zag lag de jongste nog aan de borst van dat Lannister-wijf. Hij zal nu, eens kijken, een jaar of vijf zijn?’
    ‘Prins Tommen is zeven,’ lichtte ze hem in. ‘Net zo oud als Bran. Let alsjeblieft op je woorden, Ned. Dat Lannister-wijf is onze koningin, en haar trots schijnt met het jaar te groeien.’
    Ned gaf een kneepje in haar hand. ‘We moeten uiteraard een feest houden, met zangers en al, en Robert zal wel op jacht willen. Ik zal Jory met een erewacht naar het zuiden sturen om ze op de Koningsweg op te wachten en hierheen te escorteren. Goden nog aan toe, hoe moeten we al die lui te eten geven? Hij is al onderweg, zei je? De ellendige kerel! De koninklijke ellendeling!’

Daenerys

    Haar broer hield de japon ter inspectie omhoog. ‘Dit is pure schoonheid. Raak maar aan. Toe dan. Voel eens aan de stof.’
    Dany raakte de japon aan. Het weefsel was zo glad dat het als water door haar vingers leek te vloeien. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zoiets zachts had gedragen. Het beangstigde haar. Ze trok haar hand terug. ‘Is dat echt voor mij?’
    ‘Een geschenk van magister Illyrio,’ zei Viserys glimlachend. Haar broer was vanavond uitermate goedgeluimd. ‘Deze kleur doet het violet van je ogen goed uitkomen. En je krijgt ook goud, en allerhande juwelen. Illyrio heeft het beloofd. Vanavond moet je eruitzien als een prinses.’
    Een prinses, dacht Dany. Ze was vergeten hoe dat voelde. Misschien had ze het nooit echt geweten. ‘Waarom krijgen we zo veel van hem?’ vroeg ze. ‘Wat wil hij van ons?’ Ze woonden nu al bijna een half jaar in het huis van de magister, aten zijn maaltijden en werden door zijn bedienden verwend. Dany was dertien, oud genoeg om te weten dat zulke geschenken hier in de vrij stad Pentos vrijwel altijd een prijs hadden.
    ‘Illyrio is niet gek,’ zei Viserys. Hij was twintig, een broodmagere jongeman met nerveuze handen en een koortsige blik in zijn lichtpaarse ogen. ‘De magister weet dat ik mijn vrienden niet zal vergeten wanneer ik mijn troon bestijg.’
    Dany zweeg. Magister Illyrio handelde in kruiden, cameeën, drakenbeen en andere, minder appetijtelijke zaken. Men zei dat hij vrienden had in alle negen Vrijsteden en zelfs daarbuiten, in Vaes Dothrak en de legendarische landen aan de Jaden Zee. Men zei ook dat hij nog nooit een vriend had gehad die hij niet vrolijk en wel zou verkopen als de prijs maar hoog genoeg was. Dany luisterde naar de roddels op straat, en daar hoorde ze dat soort dingen, maar ze wachtte zich er wel voor, haar broers woorden in twijfel te trekken als hij aan zijn web van dromen weefde. Zijn woede, eenmaal tot uitbarsting gekomen, was vreselijk. Viserys noemde dat de Draak wekken. Haar broer hing de japon naast de deur. ‘Illyrio stuurt straks de slaven om je te baden. Zorg ervoor dat je de stank van de stallen afwast. Khal Drogo heeft wel duizend paarden, vanavond zoekt hij een ander soort rijdier.’ Hij bekeek haar kritisch. ‘Je staat er nog steeds zo ingezakt bij. Rug recht.’ Hij duwde haar schouders naar achteren. ‘Laat zien dat je inmiddels vrouwelijke vormen hebt.’ Zijn vingers streken vluchtig over haar ontluikende borsten en sloten zich om een tepel. ‘Je laat me vanavond niet in de steek. Als je dat wel doet zal het je niet glad zitten. Wil je de Draak wekken? Nee toch?’
    Hij draaide haar tepel om, een gemeen harde kneep door de ruwe stof van haar tuniek heen. ‘’Nee toch f” herhaalde hij.
    ‘Nee,’ zei Dany gedwee.
    Haar broer glimlachte. ‘Goed zo.’ Hij streelde haar bijna hartelijk over het haar. ‘Wanneer ze de geschiedenis van mijn heerschappij schrijven, lieve zuster, dan zullen ze zeggen dat die deze avond is begonnen.’
    Toen hij weg was liep Dany naar haar raam en staarde weemoedig over het water van de baai. De vierkante bakstenen torens van Pentos tekenden zich als zwarte silhouetten af tegen de ondergaande zon. Dany hoorde het gezang van de rode priesters die hun nachtvuren aanstaken, en het geschreeuw van haveloze kinderen die buiten de muren van de villa aan het spelen waren. Even verlangde ze ernaar om mee te doen, blootsvoets, ademloos en in lompen gehuld, zonder verleden, zonder toekomst en zonder een feest in de residentie van Khal Drogo te hoeven bijwonen.
    Ergens voorbij de zonsondergang, achter de zee-engte, lag een land van groene heuvels, bloeiende velden en brede, snelstromende rivieren, waar torens van donkere steen oprezen in prachtige, blauwgrijze bergen, en waar geharnaste ridders onder de banieren van hun heren ten strijde trokken. Rhaesh Andahli, noemden de Dothraki het, het land der Andalen. In de Vrijsteden spraken ze van Westeros en de Rijken van de Zonsondergang. Haar broer had er een eenvoudiger naam voor. ‘Ons land,’ noemde hij het. Die woorden waren voor hem een soort gebed. Als hij ze maar vaak genoeg uitsprak moesten de goden hem wel verhoren. ‘Rechtens van ons, op grond van afstamming, ons door verraad ontnomen, maar desondanks van ons, voorgoed van ons. Je steelt niet van de Draak, o nee. De Draak vergeet niet.’
    En misschien was het de Draak ook wel bijgebleven, maar Dany niet. Ze had dat land dat volgens haar broer aan hen behoorde nooit gezien, dat rijk achter de zee-engte. Die plaatsen waar hij over sprak, de Rots van Casterling en het Adelaarsnest, Hooggaarde en de Vallei van Arryn, Dorne en het Eiland der Gezichten, voor haar waren het louter woorden. Viserys was een jongen van acht geweest toen ze Koningslanding waren ontvlucht om aan de oprukkende legers van de usurpator te ontkomen, maar Daenerys was nog slechts een kiem in de schoot van hun moeder.
    Toch zag Dany het soms voor zich zoals het geweest was, zo vaak had haar broer haar de verhalen verteld. De middernachtelijke vlucht naar Drakensteen, het maanlicht dat glom op de zwarte zeilen van het schip. Haar broer Rhaegar, die streed tegen de usurpator in de bloedige wateren van de Drietand, en die stierf voor de vrouw die hij liefhad. De plundering van Koningslanding door de mannen die Viserys de honden van de usurpator noemde, de heren Lannister en Stark. Prinses Elia van Dorne, smekend om genade terwijl ze Rhaegars erfgenaam van haar borst rukten en voor haar ogen vermoordden. De gepolijste schedels van de laatste draken, die zonder iets te zien van de wanden van de troonzaal omlaagstaarden toen de Koningsmoordenaar haar vader met een gouden zwaard de keel doorsneed.
    Zij was negen maanden na hun vlucht op Drakensteen geboren, terwijl een loeiende zomerstorm de vesting op het eiland aan stukken dreigde te rijten. Men zei dat die storm verschrikkelijk was geweest. De vloot van de Targaryens was vernietigd terwijl hij voor anker lag en grote blokken steen waren van de tinnen gerukt en in het wilde water van de zee-engte gesmeten. Haar moeder was bij de bevalling gestorven, en dat had haar broer Viserys haar nooit vergeven. Van Drakensteen wist ze ook niets meer. Ze waren nogmaals gevlucht, kort voordat de broer van de usurpator was uitgevaren met zijn pas gebouwde vloot. Inmiddels was Drakensteen zelf, de aloude zetel van hun Huis, het enige dat nog restte van de Zeven Koninkrijken die eens van hen waren geweest. Niet lang meer. Het garnizoen had hen aan de usurpator willen verkopen, maar op een nacht was ser Willam Darring met vier getrouwen de kinderkamer binnengedrongen en had hen allebei ontvoerd, samen met haar min, waarna ze onder dekking van het duister naar de veilige kust van Braavos waren gevaren.
    Ze had een vage herinnering aan ser Willam, een grote, grijze beer van een vent, half blind, die vanaf zijn ziekbed met donderende stem bevelen gaf. De bedienden waren doodsbang voor hem, maar voor Dany was hij altijd aardig. Hij noemde haar ‘prinsesje’, en soms ‘Vrouwe’, en zijn handen waren zo zacht als oud leer. Maar hij kwam zijn bed nooit uit en wasemde dag en nacht een ziekenlucht uit, een warme, vochtige, weezoete stank. Dat was toen ze in Braavos woonden, in het grote huis met de rode deur. Daar had Dany haar eigen kamer gehad, met een citroenboom voor haar raam. Na ser Willams dood hadden de bedienden het beetje geld dat hun nog restte gestolen, en al snel daarop waren ze het grote huis uitgezet. Dany had gehuild toen de rode deur voorgoed achter hen dichtging. Sindsdien hadden ze rondgezworven, van Braavos naar Myr, van Myr naar Tyrosh, en vandaar naar Qohor, Volantis en Lys. Ze waren nooit lang op één plaats gebleven. Dat wilde haar broer niet. De sluipmoordenaars van de usurpator zaten hen op de hielen, beweerde hij, al had Dany er nog nooit een gezien.
    Aanvankelijk hadden de magisters en archons en handelsvorsten de laatste der Targaryens met genoegen in hun huis en aan hun tafel verwelkomd, maar toen de usurpator met het verstrijken der jaren op de ijzeren troon bleef zitten, gingen de deuren dicht en werd hun leven armoediger. Al jaren geleden hadden ze hun laatste, luttele schatten moeten verkopen, en nu was zelfs het geld dat moeders kroon had opgeleverd op. In de stegen en wijnkroegen van Pentos werd haar broer ‘de bedelaar-koning’ genoemd. Hoe ze haar noemden wilde Dany niet weten.
    ‘Op een dag krijgen we het allemaal terug, lief zusje,’ placht hij haar te beloven. Soms trilden zijn handen als hij het daarover had.
    ‘De juwelen, de zijden stoffen, Drakensteen en Koningslanding, de ijzeren troon en de Zeven Koninkrijken, alles wat ze ons ontnomen hebben krijgen we terug.’ Voor die dag leefde Viserys. Het enige dat Daenerys terug wilde was het grote huis met de rode deur, de citroenboom voor haar raam, de kindertijd die ze nooit had gehad. Er werd zachtjes op haar deur geklopt. ‘Binnen,’ zei Dany terwijl ze het raam de rug toekeerde. Illyrio’s bedienden kwamen binnen, maakten een buiging en togen aan het werk. Het waren slavinnen, een geschenk van een van de vele Dothraki waarmee de magister bevriend was. De vrijsteden van Pentos kenden de slavernij niet. Toch waren het slavinnen. De oude vrouw, klein en muisgrijs, sprak nooit een woord, maar dat werd gecompenseerd door het meisje. Zij was Illyrio’s favoriete, een blond, blauwogig wicht van zestien dat onder het werken aan één stuk door kletste.
    Ze vulden haar bad met heet water uit de keuken en parfumeerden het met geurige oliën. Het meisje trok de tuniek van grof katoen over Dany’s hoofd en hielp haar in de badkuip. Het water was gloeiend heet, maar Dany gaf geen krimp en slaakte geen kreet. Ze hield van die hitte. Die gaf haar een schoon gevoel. Bovendien had haar broer haar vaak verteld dat voor een Targaryen nooit iets te heet was. ‘Wij zijn van het huis van de Draak,’ zei hij altijd. ‘Wij hebben het vuur in ons bloed.’
    De oude vrouw waste haar lange, zilverblonde haar en kamde voorzichtig de klitten eruit, al die tijd zwijgend. Het meisje boende haar rug en haar voeten en vertelde haar hoeveel geluk ze had. ‘Drogo is zo rijk dat zelfs zijn slaven gouden banden om hun nek dragen. In zijn khalasar rijden honderdduizend man en zijn paleis in Vaes Dothrak heeft tweehonderd kamers en deuren van massief zilver.’ En meer van dien aard, veel meer: wat een knappe man de khal was, zo rijzig en vurig, onbevreesd in de strijd, de beste ruiter die ooit te paard had gezeten, een griezelig goed schutter. Daenerys zei niets. Ze was er altijd van uitgegaan dat ze met Viserys zou trouwen wanneer ze mondig werd. Eeuwenlang hadden de Targaryens broer aan zuster gekoppeld sinds Aegon de Veroveraar zijn zuster Rhaenys tot bruid had genomen. Het geslacht moest zuiver blijven, had Viserys haar wel duizendmaal voorgehouden. Hun bloed was koningsbloed, het gouden bloed van het oude Valyria, het bloed van de Draak. Draken paarden niet met de dieren des velds, en Targaryens versneden hun bloed niet met dat van mindere mensen. Toch was Viserys nu aan het intrigeren om haar aan een vreemde te verkopen, een barbaar. Toen ze schoon was hielpen de slavinnen haar uit het water en droogden haar af. Het meisje borstelde haar haren tot ze glansden als gesmolten zilver, terwijl de oude vrouw haar inwreef met het parfum van de kruidbloem, afkomstig van de vlakten van Dothrak, een tipje op haar polsen, een achter haar oren, een op elke tepel en een laatste, die koel aanvoelde op haar onderste lippen, tussen haar benen. Ze hulden haar in de flinterdunne dingetjes die magister Illyrio naar boven had laten brengen, en vervolgens in de japon van donkere, pruimkleurige zijde die het violet van haar ogen zo goed deed uitkomen. Het meisje schoof de vergulde sandalen aan haar voeten terwijl de oude vrouw de tiara in haar haren vastzette en een met amethisten bezette gouden armband om haar polsen schoof. Het laatst van alles kwam de halsring, een zware gouden torc, gesierd met oeroude Valyrische schrifttekens.
    ‘Nu ziet u er helemaal als een prinses uit,’ zei het meisje ademloos toen ze klaar waren. Dany gluurde naar haar spiegelbeeld in de verzilverde spiegel die Illyrio zo attent geweest was te verstrekken. Een prinses, dacht ze, maar ze herinnerde zich wat het meisje had gezegd: dat Khal Drogo zo rijk was dat zelfs zijn slaven gouden halsbanden droegen. Plotseling kreeg ze het koud, en op haar naakte armen kwam kippenvel. Haar broer wachtte in de koelte van de hal. Hij zat op de rand van het bassin en liet zijn hand in het water hangen. Toen zij verscheen stond hij op en bezag haar kritisch. ‘Stilstaan,’ beval hij.
    ‘Draai je om. Ja. Goed. Je ziet er…’
    ‘Koninklijk uit,’ zei magister Illyrio terwijl hij onder een zuilengang uit stapte. Voor zo’n gezette man bewoog hij zich opvallend elegant. Onder de losse gewaden van gevlamde zij deinden zijn vetrollen tijdens het lopen op en neer. Aan al zijn vingers blonken sierstenen, en zijn persoonlijke bediende had zijn gevorkte gele baard geolied tot die glansde als puur goud. ‘Moge de Heer des Lichts u op deze hoogst fortuinlijke dag met zegeningen overstelpen, prinses Daenerys,’ zei de magister terwijl hij haar hand greep. Hij boog zijn hoofd, en even schemerden zijn scheve, gele tanden door zijn gouden baard heen. ‘Ze is net een droom, Uwe Genade, net een droom,’ zei hij tegen haar broer. ‘Drogo zal in vervoering raken.’
    ‘Ze is te mager,’ zei Viserys. Zijn haar, evenals het hare zilverblond, was strak naar achteren getrokken en vastgepind met een speld van drakenbeen. Hij kreeg er een streng uiterlijk door, en de scherpe lijnen van zijn holle gezicht werden erdoor benadrukt. Hij legde zijn hand op het gevest van het zwaard dat Illyrio hem had geleend en zei: ‘Weet je zeker dat Khal Drogo van zulke jonge vrouwen houdt?’
    ‘Haar bloed heeft gevloeid. Ze is oud genoeg voor de khal,’ verklaarde Illyrio niet voor het eerst. ‘Kijk eens naar haar. Dat zilvergouden haar, die purperen ogen… ze is van het bloed van het oude Valyria, geen twijfel aan, geen twijfel aan… en hooggeboren als ze is, als dochter van de oude koning en zuster van de nieuwe, kan het niet anders of onze Drogo zal verrukt van haar zijn.’ Toen hij haar hand losliet merkte Daenerys dat ze beefde.
    ‘Dat zal dan wel,’ zei haar broer, weinig overtuigd. ‘Die wilden hebben een rare smaak. Jongens, paarden, schapen…’
    ‘Zegt u dat liever niet waar Khal Drogo bij is,’ zei Illyrio. De ogen van haar broer fonkelden van woede. ‘Hoe dwaas denk je dat ik ben?’
    De magister maakte een lichte buiging. ‘Ik denk dat u een koning bent. Het ontbreekt koningen aan de behoedzaamheid van de gewone man. Verschoning als ik u beledigd heb.’ Hij wendde zich af en klapte in zijn handen om zijn dragers te ontbieden. Toen ze zich in Illyrio’s fraai bewerkte palankijn op weg begaven was het pikdonker in de straten van Pentos. Twee bedienden liepen voorop om hen bij te lichten met sierlijke olielantaarns met bleekblauwe glazen ruitjes, terwijl een twaalftal sterke mannen de draagstokken op hun schouders hesen. Binnen achter de gordijnen was het warm en bedompt. Dany kon de stank van Illyrio’s pafferige lijf door zijn zware parfums heen ruiken.
    Haar broer, die naast haar languit op zijn kussens lag, merkte er niets van. Hij was in gedachten ver weg, aan de overkant van de zeeengte. ‘We zullen niet zijn hele khalasar nodig hebben,’ zei Viserys. Zijn vingers speelden met het gevest van zijn geleende wapen, maar Dany wist dat hij nog nooit in ernst een zwaard had gevoerd. ‘Tienduizend, dat zou voldoende zijn. Ik zou de Zeven Koninkrijken met tienduizend krijsende Dothraki kunnen schoonbezemen. Het rijk zal in opstand komen voor zijn rechtmatige koning. Tyrell, Roodweyn, Darring, Grauwvreugd, zij dragen de usurpator geen warmer hart toe dan ik. De mannen van Dorne branden van verlangen om Elia en haar kinderen te wreken. En de gewone lieden zullen onze kant kiezen. Ze schreeuwen om hun koning.’ Hij keek Illyrio gespannen aan. ‘Zo is dat toch?’
    ‘Het is uw volk, en dat heeft u van harte lief,’ zei magister Illyrio beminnelijk. ‘In hofsteden alom in het rijk drinken mannen heimelijk op uw gezondheid en zijn vrouwen bezig drakenbanieren te borduren die ze verborgen houden voor de dag waarop u weerkeert van over het water.’ Hij haalde zijn massieve schouders op. ‘Dat is althans wat mijn agenten me vertellen.’
    Dany had geen agenten, geen enkele manier om erachter te komen wat men zoal deed of dacht aan de overkant van de zee-engte, maar ze wantrouwde de mooie woorden van Illyrio, zoals ze alles aan Illyrio wantrouwde. Haar broer daarentegen knikte gretig. ‘Ik zal de usurpator eigenhandig doden,’ beloofde hij, die nog nooit iemand had gedood, ‘zoals hij mijn broer Rhaegar heeft gedood. En ook Lannister, de Koningsmoordenaar, voor wat hij met mijn vader heeft gedaan.’
    ‘Dat zou uitermate gepast zijn,’ zei magister Illyrio. Dany zag een minuscuul zweempje van een glimlach om zijn volle lippen spelen, maar haar broer merkte het niet. Hij knikte, schoof een gordijn opzij en staarde de nacht in, en Dany wist dat hij weer eens de Slag van de Drietand uitvocht.
    De negen torens tellende state van Khal Drogo was gelegen aan het water van de baai, de hoge bakstenen muren overwoekerd met bleke klimop. Het gebouw was een geschenk aan de khal van de magisters van Pentos, vertelde Illyrio. De Vrijsteden waren altijd vrijgevig jegens de paardenvorsten. ‘Niet dat we die barbaren vrezen,’ placht Illyrio glimlachend te verklaren. ‘De Heer des Lichts zou onze stadsmuren zelfs tegen een miljoen Dothraki beschermen, althans, dat is wat de rode priesters ons verzekeren… maar waarom zou je risico’s nemen als hun vriendschap voor zo weinig te koop is?’
    Hun palankijn werd aangehouden bij de poort, en een van de wachters trok de gordijnen ruw opzij. Hij had de koperkleurige huid en de donkere, amandelvormige ogen van een Dothraki, maar zijn gezicht was onbehaard en hij droeg de bronzen spijkerkap van de Onbevlekten. Hij bekeek hen met kille ogen. Magister Illyrio gromde hem iets toe in de ruwe taal van de Dothraki, en de wacht antwoordde op diezelfde toon en wuifde hen door. Dany zag dat de hand van haar broer het gevest van zijn geleende zwaard omknelde. Hij keek bijna even bang als zij zich voelde.
    ‘Onbeschaamde eunuch,’ pruttelde Viserys terwijl de palankijn naar de state schommelde.
    Magister Illyrio’s woorden waren als honing zo zoet. ‘Vele belangrijke mannen zullen vanavond het feest bijwonen. Zulke mannen hebben vijanden. De khal moet bescherming bieden aan zijn gasten, van wie u de voornaamste bent, Uwe Genade. De usurpator zou ongetwijfeld goed voor uw hoofd betalen.’
    ‘O ja,’ zei Viserys duister. ‘Hij heeft het geprobeerd, Illyrio, dat kan ik je wel vertellen. Zijn sluipmoordenaars volgen ons overal. Ik ben de laatste Draak, en zolang ik leef zal hij niet rustig slapen.’
    De palankijn minderde snelheid en hield stil. De gordijnen werden opzij geschoven en een slaaf hielp Daenerys naar buiten. Zijn halsband was van doodgewoon brons, zag ze. Haar broer volgde, één hand nog steeds om het gevest van zijn zwaard geklemd. Er waren twee sterke mannen nodig om magister Illyrio weer recht overeind te zetten. Binnen in de state was de lucht bezwangerd met de geur van specerijen, reukvuur en zoete citroen met kaneel. Ze werden begeleid door de entreehal, waar een mozaïek van gekleurd glas de Doem van Valyria voorstelde. Overal langs de wanden brandden olielantaarns van zwart ijzer. Onder een boog van verstrengelde stenen bladeren zong een eunuch hun komst uit. ‘Viserys van het Huis Targaryen, Derde van die Naam,’ riep hij met hoge, welluidende stem, ‘Koning van de Andalen, de Rhoynar en de Eerste Mensen, Heer van de Zeven Koninkrijken en Beschermer van het Rijk. Zijn zuster Daenerys Stormgeboren, prinses van Drakensteen. Zijn achtenswaardige gastheer Illyrio Mopatis, magister van de Vrij stad Pentos.’
    Voorbij de eunuch betraden ze een omzuild binnenhof, met bleke klimop overwoekerd. In het maanlicht namen de bladeren de kleur van been en zilver aan. Daartussen bewogen zich de gasten, vele van hen hooggeplaatste Dothraki-ruiters, forse mannen met een roodbruine huid en beringde hangsnorren, hun zwarte haar geolied, gevlochten en met belletjes versierd. Maar er waren ook desperado’s en huurlingen uit Pentos, Myr en Tyrosh bij, een rode priester die nog dikker was dan Illyrio, harige mannen uit de Haven van Ibben en heren van de Zomereilanden met een huid zo zwart als ebbenhout. Daenerys bekeek hen allemaal vol verwondering… en besefte toen met een plotselinge steek van angst dat zij hier de enige vrouw was.
    Illyrio fluisterde hun toe: ‘Die drie daar zijn Drogo’s bloedruiters. Die bij die pilaar is Khal Moro, met zijn zoon Rhogoro. De man met de groene baard is een broer van de Archon van Tyrosh, en de man achter hem is ser Jorah Mormont.’
    De laatste naam viel Daenerys op. ‘Een ridder?’
    ‘Niet minder,’ Illyrio glimlachte in zijn baard. ‘Door de Hoge septon persoonlijk gezalfd met de zeven oliën.’
    ‘Wat doet hij hier?’ flapte ze eruit.
    ‘De usurpator eiste zijn hoofd,’ lichtte Illyrio hen in. ‘Een of andere onbeduidende belediging. Hij had een paar stropers aan een slavenhandelaar uit Tyrosh verkocht in plaats van ze aan de Nachtwacht te geven. Belachelijke wet. Iemand moet toch kunnen doen wat hij wil met zijn levende have?’
    ‘Voor de avond om is wens ik ser Jorah te spreken,’ zei haar broer. Dany merkte dat ze nieuwsgierig naar de ridder stond te staren. Het was een oudere man, de veertig gepasseerd en kalend, maar nog sterk, en in goede conditie. In plaats van zijde en katoen droeg hij wol en leer. Zijn tuniek was donkergroen, en er was een klimmende zwarte beer op geborduurd. Ze keek nog steeds naar die vreemde man uit het vaderland dat ze nooit had gekend toen magister Illyrio een klamme hand op haar naakte schouder legde. ‘Daar, liefste prinses,’ fluisterde hij, ‘daar is de khal zelf.’
    Dany was het liefst weggerend om zich te verstoppen, maar haar broer hield haar in het oog en als ze hem mishaagde zou ze de Draak wekken, wist ze. Gespannen keerde ze zich om en keek naar de man die haar, naar Viserys hoopte, ten huwelijk zou vragen voor de avond om was.
    Het slavinnetje had er niet ver naast gezeten, dacht ze. Khal Drogo was een kop groter dan de langste man in het vertrek, en toch op de een of andere manier lichtvoetig, gracieus als een panter uit Illyrio’s menagerie. Hij was jonger dan ze gedacht had, niet ouder dan dertig. Zijn huid had de kleur van gepolijst koper en om zijn dikke snor zaten gouden en bronzen ringen.
    ‘Ik moet naar hem toe om mijn onderdanigheid te betuigen,’ zei magister Illyrio. ‘Wacht hier. Ik breng hem naar u toe.’
    Terwijl Illyrio naar de khal waggelde greep haar broer haar bij de arm. Zijn vingers knepen zo hard dat het pijn deed. ‘Zie je zijn vlecht, lieve zuster?’
    Drogo’s vlecht was nachtzwart en zwaar van de geurige olie, volgehangen met kleine belletjes die zachtjes tinkelden als hij bewoog. De vlecht hing tot ver over zijn gordel, zelfs tot onder zijn zitvlak. Het uiteinde streek langs de achterkant van zijn dijen.
    ‘Zie je hoe lang die is?’ zei Viserys. ‘Als de Dothraki in het gevecht verslagen worden snijden ze uit schaamte hun vlecht af opdat de wereld weet heeft van hun schande. Khal Drogo heeft nog nooit één gevecht verloren. Met hem is Aegon de Drakenvorst weergekeerd, en jij zult zijn vorstin zijn.’
    Dany keek naar Khal Drogo. Zijn gezicht was hard en wreed, zijn ogen waren koud en donker als onyx. Haar broer deed haar wel eens pijn als ze de Draak had gewekt, maar hij joeg haar geen angst aan en deze man wel. ‘Ik wil zijn vorstin niet zijn,’ hoorde ze zichzelf met een dun stemmetje zeggen. ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, Viserys, ik wil niet, ik wil naar huis.’
    ‘Naar huis?’ Hij bleef zachtjes praten, maar ze hoorde hoe razend hij klonk. ‘Hoe had jij naar huis gewild, lief zusje? Ze hebben ons huis van ons afgenomen!’ Hij trok haar de schaduwen in, uit het gezicht, en zijn vingers boorden zich in haar huid. ‘Hoe had jij naar huis gewild?’ herhaalde hij, en daarmee bedoelde hij Koningslanding, en Drakensteen, en het hele rijk dat ze verloren hadden. Dany had alleen maar hun kamers in Illyrio’s villa bedoeld, niet echt een thuis en toch het enige dat ze hadden. Maar daar wilde haar broer niet van horen. Hij had hier geen thuis. Zelfs het grote huis met de rode deur was voor hem geen thuis geweest. Zijn vingers groeven zich in haar arm en dwongen haar een antwoord af. ‘Ik weet het niet…’ zei ze ten slotte, en haar stem brak. Haar ogen schoten vol tranen.
    ‘Maar ik wel,’ zei hij vinnig. ‘Wij gaan naar huis met een leger, lief zusje. Met het leger van Khal Drogo, dat is hoe we naar huis gaan. En als je daarvoor zijn bruidsbed in moet, dan gebeurt dat ook!’ Hij glimlachte tegen haar. ‘Als het moest zou ik je door zijn complete khalasar laten naaien, lieve zuster, alle veertigduizend man en hun paarden erbij, als ik langs die weg aan mijn leger moest komen. Wees blij dat het bij Drogo blijft. Wie weet ga je hem wel aardig vinden. En droog nu je tranen. Illyrio is met hem onderweg, en hij zal je niet zien huilen.’
    Dany keerde zich om en zag dat het zo was. Magister Illyrio, een en al pluimstrijkerij, leidde Khal Drogo naar hen toe. Ze veegde de niet vergoten tranen af met de rug van haar hand.
    ‘Glimlachen,’ fluisterde Viserys nerveus en zijn hand daalde af naar het gevest van zijn zwaard. ‘En rug recht. Laat hem zien dat je borsten hebt. De goden weten dat je toch al niet rijk voorzien bent.’
    Daenerys glimlachte en rechtte haar rug.

Eddard

    De bezoekers stroomden de slotpoort door, een rivier van goud, zilver en blinkend staal, driehonderd man sterk, een fier leger van baandermannen en ridders, gezworen zwaarddragers en vrijruiters. Boven hun hoofden flapperde een twaalftal gouden banieren in de noordenwind, getooid met de gekroonde hertenbok van de Baratheons. Ned kende veel van die ruiters. Daar kwam ser Jaime Lannister, met haren die glansden als gedreven goud, en daar Sandor Clegane, met dat afschuwelijke verbrande gezicht. Die lange jongen naast hem kon, alleen maar de kroonprins zijn, en het onvolgroeide mannetje daarachter moest de Kobold zijn, Tyrion Lannister.
    Maar de enorme kerel die geflankeerd door twee ridders in de sneeuwwitte mantels van de koningsgarde aan het hoofd van de stoet reed, leek Ned bijna een vreemde toe… tot hij met een welbekend gebrul van zijn strijdros sprong en hem tegen zijn borst drukte in een omhelzing die zijn botten deed kraken. ‘Goden, wat ben ik blij om dat bevroren bakkes van jou te zien.’ De koning bekeek Ned van top tot teen en lachte. ‘Je bent geen zier veranderd.’
    Had Ned maar hetzelfde kunnen zeggen. Veertien jaar geleden, toen ze eropuit waren getrokken om een troon te veroveren, was de heer van Stormeinde nog gladgeschoren, helder van oog, en gespierd als een meisjesdroom. Met zijn zesenhalve voet torende hij hoog boven zijn minderen uit, en als hij zich in zijn wapenrusting hulde en de enorme familiehelm met de geweistangen opzette groeide hij waarlijk uit tot een reus. Hij was ook zo sterk als een reus, en zijn favoriete wapen was een scherpgepunte strijdhamer die Ned nauwelijks kon tillen. In die dagen placht de geur van leer en bloed als parfum om hem heen te hangen.
    Nu was het parfum dat als parfum om hem heen hing en was hij even breed als hoog. Ned had de koning zeven jaar geleden voor het laatst gezien, bij de opstand van Balon Grauwvreugd, toen de hertenbok en de schrikwolf gezamenlijk hadden afgerekend met de aanmatigende man die zich tot koning van de Ijzereilanden had uitgeroepen. Sinds de nacht waarin ze zij aan zij in Grauwvreugds gevallen vesting hadden gestaan en Robert de overgave van de opstandeling had aanvaard terwijl Ned diens zoon Theon als gijzelaar en pupil had meegenomen, was de koning minstens vijftig kilo aangekomen. Ter maskering van zijn onderkin en koninklijke hangwangen waren zijn kaken begroeid met een baard, zo ruig en zwart als ijzerdraad, maar niets kon zijn buik of de donkere wallen onder zijn ogen verhullen. Desondanks was Robert nu Neds koning en niet alleen maar zijn vriend, dus zei hij slechts: ‘Uwe Genade, Winterfel behoort u toe.’
    Ondertussen stegen de anderen ook af, en paardenknechten snelden toe om hun rijdieren over te nemen. Roberts koningin, Cersei Lannister, kwam te voet binnen met haar jongste kinderen. De huiswagen waarin ze hadden gereisd, een groot, dubbeldeks rijtuig van geolied eikenhout en verguld metaal, door veertig zware karrenpaarden getrokken, was te breed om door de kasteelpoort te kunnen. Ned knielde in de sneeuw om de ring van de koningin te kussen terwijl Robert Catelyn omhelsde als een lang verloren zuster. Toen werden de kinderen naar voren geleid en voorgesteld, tot wederzijdse goedkeuring. De begroetingsceremonie was nog maar net achter de rug of de koning zei tegen zijn gastheer: ‘Breng me naar je crypte, Eddard. Ik wil daar graag mijn eer bewijzen.’
    Ned stelde het erg op prijs van hem dat hij na al die jaren nog steeds aan haar dacht. Hij riep om een lantaarn. Meer woorden waren niet nodig. De koningin begon te protesteren. Ze waren al sinds het ochtendkrieken onderweg, iedereen had het koud en was moe, ze konden zich toch beter eerst opfrissen? De doden konden wel wachten. Meer zei ze niet. Robert keek haar aan en haar tweelingbroer Jaime pakte haar onopvallend bij de arm, en ze zei niets meer. Ze daalden samen af in de crypte, Ned en deze koning die hij nauwelijks terug kende. De stenen wenteltrap was smal. Ned ging met de lantaarn voorop. ‘Ik begon al te denken dat we Winterfel nooit meer zouden bereiken,’ klaagde Robert terwijl ze naar beneden liepen. ‘Zoals ze in het zuiden over mijn Zeven Koninkrijken praten zou je bijna vergeten dat jouw stuk even groot is als de overige zes bij elkaar.’
    ‘U hebt hopelijk een aangename reis gehad, Uwe Genade?’
    Robert snoof. ‘Moerassen, wouden en velden, en nauwelijks één fatsoenlijke herberg ten noorden van de Nek. Ik heb nog nooit zo’n uitgestrekte leegte gezien. Waar zijn al je inwoners?’
    ‘Misschien waren ze te verlegen om hun huis uit te komen,’ schertste Ned. Hij voelde de kou langs de trap omhoogkruipen, een kille adem uit de diepten van de aarde. ‘In het noorden is zelden een koning te zien.’
    Robert snoof nogmaals. ‘Het lijkt me waarschijnlijker dat ze onder de sneeuw verstopt zaten. Sneeuw, Ned!’ De koning steunde met een hand tegen de muur om bij het afdalen zijn evenwicht niet te verliezen.
    ‘Nazomersneeuw komt vaker voor,’ zei Ned. ‘Ik hoop dat u er geen last van hebt gehad. Doorgaans zijn de buien mild.’
    ‘De Anderen mogen die milde buien van jou halen!’ vloekte Robert. ‘Hoe moet het er hier ’s winters dan niet uitzien? Ik huiver als ik eraan denk.’
    ‘De winters zijn streng,’ gaf Ned toe. ‘Maar de Starks slaan zich er wel doorheen. Dat hebben we altijd gedaan.’
    ‘Je moet naar het zuiden komen,’ zei Robert. ‘Om nog een vleugje zomer te proeven voordat die ten einde is. In Hooggaarde strekken de velden met gouden rozen zich uit zover het oog reikt. De vruchten zijn zo rijp dat ze openbarsten in je mond — meloenen, perziken, vuurpruimen, je hebt nog nooit zoiets zoets geproefd. Je zult het wel merken, ik heb er een paar voor je meegebracht. Zelfs in Stormeinde is het met die aflandige wind zo warm dat je bijna geen vin verroeren kunt. En je moet de steden eens zien, Ned! Overal bloemen, markten die overlopen van het voedsel, zomerwijnen, zo goedkoop en goed dat je alleen al beneveld raakt van de lucht. Iedereen is dik, dronken en rijk.’ Hij lachte en klopte op zijn omvangrijke buik. ‘En de meisjes, Ned!’ riep hij met glinsterende ogen. ‘Ik zweer je, in die hitte laten de vrouwen alle preutsheid varen. Ze zwemmen naakt in de rivier, pal onder de muren van het kasteel. Zelfs op straat is het veel en veel te heet voor wol of bont, dus lopen ze rond in van die korte jurken, van zijde als ze daar het zilver voor hebben, of anders van katoen. Niet dat het wat uitmaakt. Zodra ze gaan zweten en de stof tegen hun huid plakt kunnen ze net zo goed naakt zijn.’
    De koning lachte blijmoedig.
    Robert Baratheon was altijd al een begerig man geweest, iemand die wist wat genieten was. Geen mens die Eddard Stark van zoiets zou kunnen betichten. Desondanks ontging het Ned niet dat al die geneugten bij de koning hun tol eisten. Tegen de tijd dat ze de voet van de trap bereikten ademde Robert zwaar, en toen ze de donkere crypte betraden was zijn gezicht rood in het licht van de lantaarn.
    ‘Uwe Genade,’ zei Ned eerbiedig. Hij beschreef een weidse halve cirkel met zijn lantaarn. De schaduwen deinden en dansten. Het flakkerende licht beroerde de stenen onder hun voeten en streek langs een lange stoet granieten zuilen die twee aan twee de duisternis binnenschreden. Tussen de zuilen zaten de doden op hun stenen tronen tegen de muur, met hun rug naar het graf dat hun stoffelijke resten bevatte. ‘Zij is daar aan het eind, samen met vader en Brandon.’
    Hij ging voorop tussen de zuilen en Robert volgde hem zonder iets te zeggen, huiverend in de onderaardse kilte. Het was hier beneden altijd koud. Ze liepen tussen de doden van het Huis Stark door, en hun voetstapen galmden op de stenen en werden teruggekaatst van de gewelven boven hen. De heren van Winterfel sloegen hen gade. Hun beeltenissen waren uitgehouwen in de stenen die hun graftomben verzegelden. In lange rijen zaten ze daar, met blinde ogen die in een eeuwig duister tuurden en met grote stenen schrikwolven opgerold aan hun voeten. In de verspringende schaduwen leek het net of de stenen gestalten bewogen als de levenden langsliepen. Ouder gewoonte lag er een ijzeren slagzwaard over de knieën van iedereen die heer van Winterfel was geweest, om de wraakzuchtige geesten in hun crypten te houden. De oudste waren al lang geleden weggeroest. Het metaal had slechts wat rode vlekken achtergelaten waar het op de steen had gerust. Ned vroeg zich af of dat inhield dat die geesten nu vrij in het kasteel konden rondwaren. Hij hoopte van niet. De eerste heren van Winterfel waren even hard geweest als het land waarover ze heersten. In de eeuwen voordat de Drakenvorsten van overzee kwamen hadden ze niemand trouw gezworen en zich koningen van het Noorden genoemd. Ten slotte bleef Ned staan en hief de olielantaarn op. Voor hen uit liep de crypte nog verder het duister in, maar voorbij dit punt waren de tomben leeg en onverzegeld; zwarte gaten die op hun doden wachtten, op hem en zijn kinderen. Ned stond er niet graag bij stil. ‘Hier,’ zei hij tegen zijn koning.
    Robert knikte zwijgend, knielde en boog het hoofd.
    Er waren drie graftomben, zij aan zij. Heer Rickard Stark, Neds vader, had een lang, streng gezicht. De steenhouwer had hem goed gekend. Hij zat daar rustig en waardig, zijn stenen vingers stevig rond het zwaard op zijn knieën geklemd. Maar bij zijn leven hadden alle zwaarden hem in de steek gelaten. In twee kleinere graven aan weerszijden rustten zijn kinderen.
    Brandon was gestorven toen hij twintig was, gewurgd in opdracht van de krankzinnige koning Aerys Targaryen, luttele dagen voor hij met Catelyn Tulling van Stroomvliet zou trouwen. Ze hadden zijn vader gedwongen om te kijken hoe hij stierf. Hij was de ware erfgenaam, de oudste, geboren om te heersen. Lyanna was pas zestien geweest, half vrouw, half kind, en lieftallig als geen ander. Ned had met heel zijn hart van haar gehouden. Robert had haar zelfs nog inniger liefgehad. Zij had zijn bruid moeten worden.
    ‘In het echt was ze mooier,’ zei de koning na een stilte. Zijn blikken bleven op Lyanna’s gezicht rusten alsof hij haar door wilskracht tot leven kon wekken. Ten slotte stond hij op, wat hem vanwege zijn gewicht moeizaam afging. ‘Verdraaid, Ned, moest je haar perse begraven op een plaats als deze? De herinnering aan zijn verdriet maakte zijn stem schor. ‘Ze had beter verdiend dan deze duisternis…’
    ‘Ze was een Stark van Winterfel,’ zei Ned kalm. ‘Hier hoort ze thuis.’
    ‘Ze hoort ergens op een heuvel te liggen, onder een vruchtboom, met boven haar de zon en de wolken, en de regen om haar schoon te wassen.’
    ‘Ik was erbij toen ze stierf,’ bracht Ned de koning in herinnering.
    ‘Ze wilde naar huis om naast Brandon en vader te rusten.’ Soms kon hij haar stem nog horen. Beloof het me, had ze gehuild, in een vertrek dat naar bloed en rozen rook. Beloof het me, Ned. De koorts had haar krachten ondermijnd en haar stem was een zwakke fluistering geweest, maar toen hij zijn zuster zijn woord had gegeven was de angst uit haar blik geweken. Ned zag nog voor zich hoe ze toen glimlachte, hoe haar vingers de zijne omklemden terwijl ze haar greep op het leven liet varen en de rozenblaadjes zwart en verdord uit haar handpalm dwarrelden. Dat was het laatste dat hij zich herinnerde. Ze hadden hem gevonden met zijn armen om haar lichaam, sprakeloos van verdriet. De kleine paalbewoner Howland Riet had haar hand uit de zijne losgemaakt. Ned wist er niets meer van. ‘Ik breng haar bloemen wanneer ik maar kan,’ zei hij. ‘Lyanna was… dol op bloemen.’
    De koning raakte haar wang aan. Zijn vingers streelden over de steen, zo zacht alsof die een levende huid was. ‘Ik heb gezworen Rhaegar te vermoorden om wat hij haar heeft aangedaan.’
    ‘Dat heb je toch ook gedaan?’ bracht Ned hem in herinnering.
    ‘Maar één keer,’ zei Robert verbitterd.
    Ze hadden tegenover elkaar gestaan bij de voorde van de Drietand terwijl rondom hen de veldslag woedde, Robert met zijn strijdhamer en zijn grote helm met de geweistangen, de Targaryen-prins in zijn pikzwarte wapenrusting. Op zijn borstharnas stond de driekoppige draak van zijn Huis, geheel van robijnen gemaakt die fonkelden in de zon. Rood stroomde het water van de Drietand rond de hoeven van hun strij drossen toen ze om elkaar heen draaiden en op elkaar inhakten, telkens weer, totdat ten slotte een mokerslag van Roberts hamer de draak en de borst daaronder had verbrijzeld. Toen Ned na afloop ten tonele verscheen lag Rhaegar dood in de stroom en krabbelden manschappen uit beide legers door het kolkende water rond, graaiend naar de robijnen die uit zijn harnas waren geslagen.
    ‘In mijn dromen sla ik hem nog elke nacht dood,’ bekende Robert. ‘Duizend doden zijn minder dan wat hij verdient.’
    Daar wist Ned niets op te zeggen. Na een stilte zei hij: ‘We kunnen beter teruggaan, Uwe Genade. Uw vrouw wacht op u.’
    ‘De Anderen mogen mijn vrouw halen,’ prevelde Robert nors, maar hij begon met zware stappen aan de terugweg. ‘En als ik je nog één keer “Uwe Genade” hoor zeggen laat ik je hoofd op een paal spietsen. Wij betekenen toch zeker méér voor elkaar?’
    ‘Dat was ik niet vergeten,’ antwoordde Ned bedaard. Toen de koning geen antwoord gaf zei hij: ‘Vertel me over Jon.’
    Robert schudde zijn hoofd. ‘Ik heb nog nooit iemand zo plotseling ziek zien worden. We hadden ter ere van mijn zoons naamdag een toernooi gegeven. Als je Jon toen had gezien zou je gezworen hebben dat hij het eeuwige leven bezat. Twee weken later was hij dood. De ziekte verteerde zijn ingewanden als vuur en brandde dwars door hem heen.’ Naast een zuil, voor de tombe van een lang gestorven Stark, bleef de koning staan. ‘Ik hield van die oude man.’
    ‘En anders ik wel.’ Ned zweeg even. ‘Catelyn vreest voor haar zuster. Hoe houdt Lysa zich?’
    Om Roberts mond verscheen een bitter trekje. ‘Niet best, om eerlijk te zijn,’ bekende hij. ‘Ned, ik denk dat het verlies van Jon die vrouw gek heeft gemaakt. Ze heeft de jongen mee teruggenomen naar het Adelaarsnest. Tegen mijn wens in. Ik had hem als pleegkind willen onderbrengen bij Tywin Lannister op de Rots van Casterling. Jon had geen broers en ook geen andere zonen. Had ik moeten goedvinden dat hij door vrouwen werd opgevoed?’
    Ned zou een kind nog eerder aan een kuiladder dan aan heer Tywin toevertrouwen maar hield zijn twijfels voor zich. Sommige oude wonden genezen nooit echt en beginnen bij de geringste opmerking weer te bloeden. ‘De vrouw had haar echtgenoot verloren,’ zei hij behoedzaam. ‘Misschien was de moeder bang haar zoon te verliezen. De knaap is nog erg jong.’
    ‘Zes, ziekelijk, en heer van het Adelaarsnest, genadige goden,’ vloekte de koning. ‘Heer Tywin heeft nog nooit een pleegkind bij zich opgenomen. Lysa had vereerd moeten zijn. De Lannisters zijn een groot en nobel geslacht. Ze wilde er zelfs niet van horen. En toen vertrok ze in het holst van de nacht zonder zelfs maar verlof te vragen. Cersei was razend.’ Hij zuchtte diep. ‘Het jong is mijn naamgenoot, wist je dat? Robert Arryn. Ik heb gezworen hem te beschermen. Hoe kan dat nou als zijn moeder er met hem vandoor gaat?’
    ‘Als je wilt neem ik hem als pleegkind op,’ zei Ned. ‘Daar stemt Lysa vast wel mee in. Zij en Catelyn stonden elkaar als meisjes heel na, en zij is hier ook welkom.’
    ‘Een royaal aanbod, vriend,’ zei de koning, ‘maar te laat. Heer Tywin heeft al ja gezegd. Hij zou diep beledigd zijn als de jongen elders werd opgevoed.’
    ‘Het welzijn van mijn neef gaat mij meer ter harte dan Lannisters trots,’ verklaarde Ned.
    ‘Dat komt omdat jij niet met een Lannister naar bed hoeft.’ Robert lachte. Het geluid schetterde tussen de tomben door en weerkaatste van het gewelfde plafond. Zijn lach was een blikkering van witte tanden in het struweel van zijn enorme zwarte baard. Hij sloeg een vlezige arm om Neds schouders. ‘Ik was van plan om een paar dagen te wachten voor ik je erover aansprak, maar ik zie nu dat dat niet hoeft. Kom, loop met me op.’
    Ze liepen tussen de zuilen door terug. Blinde stenen ogen leken hen te volgen op hun weg. De koning hield zijn arm om Neds schouders geslagen. ‘Je moet je hebben afgevraagd waarom ik na al die tijd eindelijk eens naar het noorden kom, naar Winterfel.’
    Ned had zijn vermoedens maar sprak ze niet uit. ‘Om van mijn gezelschap te genieten toch zeker?’ zei hij luchtig. ‘En dan is de Muur er nog. U moet erheen, Uwe Genade, om over de weergang te lopen en te spreken met degenen die hem bemannen. De Nachtwacht is nog slechts een schim van wat hij vroeger was. Benjen zegt…’
    ‘Ik zal ongetwijfeld gauw genoeg te horen krijgen wat je broer te zeggen heeft,’ zei Robert. ‘De Muur staat er al, hoe lang, achtduizend jaar? Dan zal hij er nog wel een paar dagen langer staan ook. Ik heb dringender zorgen. Dit zijn moeilijke tijden. Ik moet de juiste mensen om me heen hebben. Mensen als Jon Arryn. Hij diende mij als heer van het Adelaarsnest, als landvoogd van het Oosten en als Hand des Konings. Hij zal niet makkelijk te vervangen zijn.’
    ‘Zijn zoon…’ begon Ned.
    ‘Zijn zoon erft het Adelaarsnest en alle inkomsten die daaraan verbonden zijn,’ zei Robert bruusk. ‘Meer niet.’
    Dat overviel Ned. Stomverbaasd bleef hij staan en keek opzij naar zijn koning. De woorden kwamen ongevraagd. ‘De Arryns zijn van oudsher landvoogd van het Oosten. De titel is aan de heerlijkheid verbonden.’
    ‘Misschien dat die eer hem weer toevalt als hij meerderjarig wordt,’ zei Robert. ‘Maar ik moet met dit jaar rekening houden, en met het volgende. Een zesjarig kind hoort niet aan het hoofd van de strijdkrachten, Ned.’
    ‘In vredestijd is dat alleen maar een eretitel. Laat de jongen die toch houden. Al is het maar vanwege zijn vader. Dat ben je Jon toch zeker wel voor zijn diensten verschuldigd?’
    De koning was misnoegd. Hij haalde zijn arm van Neds schouders. ‘Het was Jons plicht zijn leenheer te dienen. Ik ben niet ondankbaar, Ned. Uitgerekend jij zou dat toch moeten weten. Maar de zoon is de vader niet. Een kind kan niet over het Oosten heersen.’ Zijn toon werd milder. ‘Genoeg hierover. We moeten het over een belangrijker ambt hebben en ik maak liever geen ruzie met je.’
    Robert greep Ned bij zijn elleboog. ‘Ik heb je nodig, Ned.’
    ‘U kunt over mij beschikken, Uwe Genade. Altijd.’ Dat moest hij wel zeggen, dus zei hij het, bevreesd voor wat er nu misschien zou komen.
    Robert leek hem nauwelijks te horen. ‘Die jaren dat we in het Adelaarsnest woonden… alle goden, dat waren nog eens jaren. Ik wil je weer aan mijn zij hebben, Ned. Ik wil je in Koningslanding hebben, niet hier aan het einde van de wereld waar geen mens iets aan je heeft, verdomme.’ Robert staarde het duister in, en even keek hij zo melancholiek als een Stark. ‘Ik zweer je, op een troon zitten is duizendmaal zo moeilijk als er een veroveren. Wetten zijn saaie dingen, en kopergeld tellen is nog erger. En de mensen… er komt geen eind aan. Ik zit op die verrekte ijzeren stoel hun klachten aan te horen tot mijn hoofd leeg en mijn achterste rauw is. Allemaal willen ze wat, of het nu geld, land of gerechtigheid is. De leugens die ze debiteren… en de edele heren en dames zijn al geen haar beter. Ik word door vleiers en dwazen omringd. Het is om gek van te worden, Ned. De helft durft me de waarheid niet te zeggen en de andere helft weet niet wat die is. Er zijn nachten dat ik wou dat we verloren hadden, daar bij de Drietand. Nou ja, niet echt, maar…’
    ‘Ik begrijp het,’ zei Ned zachtjes.
    Robert keek hem aan. ‘Ik geloof je. Maar dan ben je wel de enige, ouwe vriend van me.’ Hij glimlachte. ‘Heer Eddard Stark, ik zou u graag tot Hand des koning benoemen.’
    Ned liet zich op één knie zinken. Het aanbod verraste hem niet: waarom zou Robert anders helemaal hierheen zijn gekomen? De Hand des Konings was de op één na machtigste man in de Zeven Koninkrijken. Hij sprak namens de koning, voerde ’s konings leger aan en stelde ’s konings wetten op. Soms zat hij zelfs op de ijzeren troon om namens de koning recht te spreken als deze zelf afwezig of ziek of om een andere reden niet beschikbaar was. Robert bood hem een verantwoordelijkheid aan die even groot was als het rijk zelf.
    Het was het laatste dat hij wilde.
    ‘Uwe Genade,’ zei hij. ‘Ik ben die eer onwaardig.’
    Robert gaf een goedaardige grom van ongeduld. ‘Als ik je wilde eren zou ik het goedvinden dat je je terugtrok. Maar ik ben van plan jou het rijk te laten besturen en zijn oorlogen te laten uitvechten terwijl ik me voortijdig het graf in eet en drink en naai.’ Grijnzend sloeg hij tegen zijn onderbuik. ‘Je kent het gezegde over de koning en zijn Hand?’
    Ned kende het gezegde. ‘Wat de koning droomt, dat bouwt de Hand.’
    ‘Ik ben eens naar bed geweest met een vissersmeisje, en zij vertelde me dat de lagere standen het wat bloemrijker formuleren. De koning eet, zeggen ze, en de Hand vangt de schijt op.’ Hij wierp zijn hoofd naar achteren en bulderde van het lachen. De echo’s galmden door het donker, en het leek of overal om hen heen de doden van Winterfel met kille, afkeurende blikken toekeken.
    Ten slotte verflauwde het gelach en stierf weg. Ned lag nog op één knie geknield, met opgeheven blikken. ‘Verdomme, Ned,’ klaagde de koning. ‘Je zou me tenminste het plezier kunnen doen om te glimlachen.’
    ‘Ze zeggen dat het hier ’s winters zo koud wordt dat je gelach in je keel bevriest, zodat je erin stikt,’ zei Ned op effen toon. ‘Wie weet hebben de Starks daarom zo weinig gevoel voor humor.’
    ‘Kom met me mee naar het zuiden, dan leer ik je weer lachen,’ beloofde de koning. ‘Je hebt me geholpen die verdomde troon te veroveren, dus help me dan nu om hem te houden. Wij zijn voorbestemd om samen te heersen. Als Lyanna nog had geleefd waren we broers geweest. Niet alleen vriendschapsbanden zouden ons binden, ook banden des bloeds. Maar het is nog niet te laat. Ik heb een zoon. Jij hebt een dochter. In mijn Joff en jouw Sansa zullen onze geslachten zich verenigen, zoals dat eens had moeten gebeuren met Lyanna en mij.’
    Dat aanbod overviel hem wél. ‘Sansa is pas elf.’
    Robert wuifde ongeduldig met een hand. ‘Oud genoeg om zich te verloven. Het huwelijk kan wel een paar jaar wachten.’ De koning glimlachte. ‘En nu opstaan en ja zeggen, vervloekt nog aan toe.’
    ‘Ik zou niets liever doen, Uwe Genade,’ antwoordde Ned. Hij aarzelde. ‘Al die eerbewijzen komen zo onverwachts. Mag ik er een tijdje over denken? Ik moet het aan mijn vrouw vertellen…’
    ‘Ja, ja, natuurlijk, zeg het tegen Catelyn, slaap er een nachtje over als je dat per se wilt.’ De koning boog zich naar voren, greep Neds hand en trok hem ruw overeind. ‘Maar laat me niet te lang wachten. Ik ben geen al te geduldig man.’
    Even kreeg Eddard Stark een onheilspellend voorgevoel. Hij hoorde hier thuis, in het noorden. Hij keek naar de stenen gestalten rondom hen en haalde diep adem in de kiSe stilte van de crypte. Hij voelde dat de ogen van de doden op hem gericht waren. Hij wist dat ze allemaal luisterden. En het werd winter.

Jon

    Het kwam voor — niet vaak, maar zo nu en dan — dat Jon Sneeuw blij was dat hij een bastaard was. Toen hij zijn wijnbeker weer eens bijvulde uit een passerende schenkkan bedacht hij dat dit misschien zo’n gelegenheid was. Hij ging weer op zijn bank tussen de jongere pages zitten en nam een slok. De zoete, fruitige smaak van zomerwijn vulde zijn mond en bracht een glimlach op zijn lippen.
    De grote zaal van Winterfel was bedompt van de rook en doortrokken van de lucht van geroosterd vlees en versgebakken brood. De grauwe stenen muren waren met banieren behangen. Wit, goud en karmozijnrood: de schrikwolf van Stark, de gekroonde hertenbok van Baratheon, de leeuw van Lannister. Een zanger bespeelde de hoge harp en droeg een ballade voor, maar aan dit uiteinde van de zaal kwam zijn stem nauwelijks boven het geloei van de vlammen, het gekletter van aardewerken borden en het geroezemoes van honderd dronkemansgesprekken uit.
    Dit was het vierde uur van het welkomstfeest voor de koning. Jons broers en zusters zaten bij de koningskinderen, onder aan de verhoging waarop heer en vrouwe Stark de koning en des koningin gastvrij onthaalden. Ter ere van deze gelegenheid zou zijn heer vader elk kind ongetwijfeld één glas wijn toestaan, maar meer ook niet. Hier op de banken weerhield niemand Jon ervan zijn dorst te lessen zoveel hij wilde. En hij ontdekte dat hij de dorst van een man had, tot het luidruchtige plezier van de jongelieden rondom hem, die hem aanmoedigden bij elke beker die hij leegde. Ze vormden aangenaam gezelschap, en Jon genoot van de verhalen die ze vertelden over vechtpartijen, liefdesavontuurtjes en de jacht en wist zeker dat zijn metgezellen onderhoudender waren dan het kroost van de koning. Hij had zijn nieuwsgierigheid naar de gasten bevredigd toen ze de zaal betraden. De stoet was de bank waarop hij zat op minder dan een voet gepasseerd, en hij had hen allemaal uitvoerig kunnen bekijken. Zijn heer vader had vooropgelopen als tafelheer van de koningin. Die was even mooi als de mannen beweerden. In haar lange, gouden haar blonk een met juwelen bezette tiara waarvan de smaragden precies bij het groen van haar ogen pasten. Zijn vader hielp haar Sde treden naar de verhoging op en leidde haar naar haar zetel, maar de koningin bekeek hem niet eens. Jon keek dwars door haar glimlach heen, al was hij pas veertien. Daarna was koning Robert zelf gekomen, met vrouwe Stark aan zijn arm. De koning was een enorme teleurstelling voor Jon. Zijn vader had vaak over hem gepraat: de onvergelijkelijke Robert Baratheon, de duivel van de Drietand, de vurigste strijder van het rijk, een reus onder de vorsten. Alles wat Jon zag was een dikke kerel met een rood, baardig gezicht die door zijn zijden kleren heen zweette. Hij liep erbij alsof hij half aangeschoten was. Na hen kwamen de kinderen. Voorop de kleine Rickon, die de lange tocht aflegde met alle waardigheid die een driejarige kan opbrengen. Jon moest hem aansporen om door te lopen toen hij bleef staan om even te buurten. Pal na hem kwam Robb, gehuld in grijze wol met witte boorden, de kleuren van de Starks. Hij had prinses Myrcella aan de arm, een spichtig kind van nog geen acht met een waterval van gouden krullen onder een met juwelen bezet haarnet. Jon zag hoe ze Robb verlegen blikken toewierp terwijl ze tussen de tafels doorliepen, en hoe ze timide naar hem glimlachte. Hij vond haar nietszeggend. Robb had niet eens het benul om te beseffen hoe stompzinnig ze was; hij grijnsde als een dwaas. Zijn halfzusters begeleidden de prinsen. Arya vormde een paar met de mollige kleine Tommen, wiens witblonde haar langer was dan het hare. Sansa, twee jaar ouder, had de kroonprins naast zich, Joffry Baratheon. Die was twaalf, jonger dan Jon of Robb, maar tot Jons grandioze ontsteltenis langer dan zij. Prins Joffry had het haar van zijn zuster en de intens groene ogen van zijn moeder. Een dikke, verwarde bos blonde krullen welde over zijn gouden halsketting en fluwelen kraag heen. Sansa zag er stralend uit zoals ze daar naast hem liep, maar Jon vond Joffry’s pruillip en de verveelde minachting waarmee hij de grote zaal van Winterfel bekeek, maar niets. Het paar dat daarachter liep interesseerde hem meer: de broers van de koningin, de Lannisters van de Rots van Casterling. De Leeuw en de Kobold, en het leed geen twijfel wie wie was. Ser Jaime Lannister was de tweelingbroer van koningin Cersei, rijzig en goudharig, met flitsende groene ogen en een messcherpe glimlach. Hij ging gekleed in karmozijnrode zijde, hoge zwarte laarzen en een zwartsatijnen mantel. Op de voorkant van zijn tuniek was in gouddraad de uitdagend brullende leeuw van zijn geslacht geborduurd. In zijn gezicht werd hij de Leeuw van Lannister genoemd en achter zijn rug fluisterend als ‘Koningsmoordenaar’ betiteld.
    Jon kon zijn ogen nauwelijks van hem afhouden. Zo hoort een koning eruit te zien, dacht hij bij zichzelf terwijl de man langsliep. Toen zag hij de ander langswaggelen, half onzichtbaar achter zijn broer. Tyrion Lannister, de jongste van heer Tywins gebroed en verreweg de lelijkste. Alles wat de goden Cersei en Jaime vergund hadden, hadden ze Tyrion onthouden. Hij was een dwerg, half zo lang als zijn broer, en had moeite het tempo bij te houden op zijn onvolgroeide beentjes. Zijn hoofd was te groot voor zijn lijf en had een dierlijk platgedrukt gezicht met daarboven een sterk vooruitstekend voorhoofd. Onder zijn steile haar dat zo blond was dat het bijna wit leek gluurden één groen en één zwart oog uit. Jon bekeek hem gefascineerd. De laatste van de edele heren die binnenkwamen waren zijn oom, Benjen Stark van de Nachtwacht, en zijn vaders pupil, Theon Grauwvreugd. Benjen wierp Jon in het voorbijgaan een warme glimlach toe. Theon negeerde hem volledig, maar dat was niets nieuws. Nadat iedereen was gaan zitten werden er heildronken uitgebracht en wederzijdse dankbetuigingen uitgesproken, en daarna kon het feest beginnen.
    Daarna was Jon gaan drinken, en dat deed hij nog steeds. Onder tafel streek er iets langs zijn been. Jon zag rode ogen die naar hem omhoogstaarden. ‘Alweer honger?’ vroeg hij. Midden op de tafel lag nog een halve kip met honing. Jon stak een hand uit om er een poot af te trekken maar bedacht toen iets beters. Hij reeg het gevogelte in zijn geheel aan zijn mes en liet het karkas tussen zijn benen op de vloer vallen. Spook viel er fel en geluidloos op aan. Zijn broers en zusters hadden hun wolven niet mee mogen nemen naar het banket, maar aan deze kant van de zaal waren meer honden dan Jon kon tellen, en niemand had iets van zijn welp gezegd. Hij hield zichzelf voor dat hij ook in dat opzicht gelukkig was. Zijn ogen prikten. Jon wreef er heftig in en vervloekte de rook. Hij sloeg nog een teug wijn achterover en keek toe hoe zijn schrikwolf de kip verslond. Tussen de tafels liepen honden die de diensters op de voet volgden. Een daarvan, een zwarte bastaardteef met gele spleetjes van ogen, ving de geur van de kip op. Ze bleef staan en kroop onder de bank om een hapje mee te pikken. Jon sloeg de confrontatie gade. De teef gromde met een laag keelgeluid en kwam dichterbij. Spook keek in stilte op en richtte die vurige rode ogen van hem op de hond. De teef grauwde uitdagend en boos. Spook verroerde zich niet. Hij stond opgericht boven zijn buit, sperde zijn muil open en ontblootte zijn gebit. De teef verstrakte, blafte nogmaals en zag toen van het gevecht af. Ze draaide zich om en sloop weg, met een laatste uitdagende grauw om haar figuur te redden. Spook hervatte zijn maaltijd. Jon grijnsde en stak een hand onder de tafel om door de ruige witte vacht te woelen. De schrikwolf keek naar hem op, beet zachtjes in zijn hand en at weer door.
    ‘Is dat een van die schrikwolven waar ik zo veel over gehoord heb?’ vroeg een welbekende stem vlak bij hem.
    Verheugd keek Jon op toen zijn oom Ben een hand op zijn hoofd legde en door zijn haar woelde, ongeveer zoals Jon bij de wolf had gedaan. ‘Ja,’ zei hij. ‘Hij heet Spook.’
    Een van de pages onderbrak het schuine verhaal dat hij aan het vertellen was om aan tafel ruimte te maken voor de broer van hun heer. Benjen Stark ging met zijn lange benen schrijlings op de bank zitten en pakte de wijnbeker uit Jons hand. ‘Zomerwijn,’ zei hij na ervan genipt te hebben. ‘Niets is zo zoet. Hoeveel bekers heb je al op, Jon?’
    Jon glimlachte.
    Ben Stark schoot in de lach. ‘Ik was er al bang voor. Ach, ja. Ik geloof dat ik nog jonger was dan jij toen ik voor het eerst echt goed dronken werd.’ Uit een schaal naast hem greep hij een geroosterde ui waar de bruine jus van afdroop en beet erin. De ui kraakte. De gelaatstrekken van zijn oom waren scherp en somber als een bergpiek, maar in zijn blauwgrijze ogen glom altijd een zweem van vrolijkheid. Hij was in het zwart gekleed, zoals het een man van de Nachtwacht betaamde. Vanavond was het kostbaar zwart fluweel, met hoge leren laarzen en een brede riem met een zilveren gesp. Rond zijn nek hing een zware, zilveren halsketen. Benjen sloeg Spook geamuseerd gade terwijl hij zijn ui at. ‘Een heel rustige wolf,’ merkte hij op.
    ‘Hij lijkt niet op de andere,’ zei Jon. ‘Hij laat nooit enig geluid horen. Daarom heb ik hem Spook genoemd. Daarom, en omdat hij wit is. De andere zijn allemaal donker, grijs of zwart.’
    ‘Achter de Muur zijn nog schrikwolven. We horen ze op onze wachtritten.’ Benjen Stark keek Jon langdurig aan. ‘Eet je gewoonlijk niet bij je broers aan tafel?’
    ‘Meestal wel,’ antwoordde Jon met vlakke stem. ‘Maar deze avond meende vrouwe Stark dat de koninklijke familie beledigd zou kunnen zijn als er een bastaard tussen hen in werd gezet.’
    ‘Ik begrijp het.’ Zijn oom gluurde over zijn schouder naar de hoge tafel aan het andere uiteinde van de zaal. ‘Mijn broer verkeert vanavond zo te zien niet in feeststemming.’
    Dat was Jon ook opgevallen. Een bastaard leerde vanzelf op zulke dingen te letten en de waarheid te lezen die in de ogen van de mensen school. Zijn vader nam weliswaar de vormen in acht, maar hij was zo gespannen als Jon hem maar zelden had meegemaakt. Hij zei weinig en staarde met omfloerste blikken de zaal in zonder iets te zien. Twee zetels verderop had de koning al de hele avond stevig zitten drinken. Zijn brede gezicht boven de grote zwarte baard had een kleur als vuur. Hij bracht vele heildronken uit, lachte luidkeels om elke grap en viel als een uitgehongerd man op elke schotel aan. Maar de koningin naast hem leek als uit ijs gehouwen. ‘De koningin is ook boos,’ zei Jon op gedempte, kalme toon tegen zijn oom.
    ‘Vader heeft de koning vanmiddag meegenomen naar de crypte. De koningin wilde niet dat hij ging.’
    Benjen mat Jon behoedzaam met zijn blik. ‘Jou ontgaat niet veel, hè Jon? We zouden een man als jij op de Muur goed kunnen gebruiken.’
    Jon zwol van trots. ‘Robb voert zijn lans met meer kracht dan ik, maar ik ben een beter zwaardvechter, en Hullen zegt dat ik als ruiter voor niemand in het kasteel onderdoe.’
    ‘Opmerkelijke prestaties.’
    ‘Neem me mee als u teruggaat naar de Muur,’ zei Jon in een plotselinge opwelling. ‘Als u het vraagt zal vader wel toestemming geven. Ik weet dat hij dat zal doen.’
    Oom Benjen bestudeerde zorgvuldig zijn gezicht. ‘Voor een jongen is de Muur een hard oord.’
    ‘Ik ben bijna volgroeid,’ wierp Jon tegen. ‘Op mijn eerstvolgende naamdag word ik vijftien, en Maester Luwin zegt dat bastaarden eerder volwassen worden dan andere kinderen.’
    ‘Dat is maar al te waar,’ zei Benjen, en zijn mondhoeken krulden omlaag. Hij greep Jons beker van de tafel, schonk hem weer vol uit een emmer die bij hem in de buurt stond en nam een diepe teug.
    ‘Daeren Targaryen was pas veertien toen hij Dorne veroverde,’ zei Jon. De Jonge Draak was een van zijn helden.
    ‘Een verovering die één zomer standhield,’ bracht zijn oom naar voren. ‘Die gekroonde knaap van jou verloor vijfduizend man toen hij Dorne innam en nog eens twintigduizend toen hij het probeerde te verdedigen. Iemand had hem moeten vertellen dat oorlog geen spelletje is.’ Hij nam nog een slokje wijn. ‘Bovendien,’ zei hij en veegde zijn mond af, ‘was Daeren Targaryen pas achttien toen hij stierf. Of was je dat gedeelte vergeten?’
    ‘Ik vergeet niets,’ pochte Jon. De wijn maakte hem stoutmoedig. Hij probeerde kaarsrecht te gaan zitten om langer te lijken. ‘Ik wil in de Nachtwacht dienen, oom.’
    Hij had er lang en intens over nagedacht, ’s nachts in bed, terwijl zijn broers om hem heen lagen te slapen. Robb zou op een dag Winterfel erven en als landvoogd van het Noorden het bevel over grote legers voeren. Bran en Rickon zouden Robbs baandermannen zijn en in zijn naam over ridderhoven heersen. Zijn zusters Arya en Sansa zouden met de erfgenamen van andere grote huizen trouwen en naar het zuiden trekken om de vrouwe te worden van een eigen kasteel. Maar wat voor positie kon een bastaard hopen te verwerven?
    ‘Je weet niet wat je vraagt, Jon. De Nachtwacht is een gezworen broederschap. We hebben geen gezinnen. Niemand van ons zal ooit een zoon verwekken. Onze vrouw is de plicht. Onze geliefde is de eer.’
    ‘Ook een bastaard kan eer bezitten,’ zei Jon. ‘Ik ben bereid uw eed te zweren.’
    ‘Je bent een jongen van veertien,’ zei Benjen. ‘Geen man, nog niet. Als je nog nooit een vrouw hebt gehad heb je er geen benul van wat je opgeeft.’
    ‘Kan me niet schelen!’ zei Jon verhit.
    ‘Vast wel, als je zou weten wat het inhield,’ zei Benjen. ‘Als je wist wat die eed je zou kosten zou je niet zo begerig zijn de prijs te betalen, zoon.’
    Jon merkte dat hij kwaad werd. ‘Ik ben uw zoon niet!’
    Benjen Stark stond op. ‘Des te erger.’ Hij legde een hand op Jons schouder. ‘Kom nog eens bij me als je zelf een paar bastaarden hebt verwekt, dan zien we wel hoe je er dan over denkt.’
    Jon trilde. ‘Ik zal nooit een bastaard verwekken.’ Hij sprak de woorden zorgvuldig uit. ‘Nooit!’ Hij spuwde het uit als vergif. Plotseling drong het tot hem door dat er rond de tafel een stilte was gevallen en dat iedereen naar hem keek. Hij merkte hoe de tranen hem in de ogen sprongen en duwde zichzelf overeind.
    ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij met zijn laatste restje waardigheid. Met een ruk draaide hij zich om en ging ervandoor voordat ze zouden zien dat hij huilde. Hij moest meer wijn op hebben dan hij zelf besefte. Toen hij wilde weglopen struikelde hij over zijn eigen benen. Hij sloeg zijwaarts tegen een dienster aan en smeet met een klap een kan kruidenwijn tegen de vloer. Overal rondom hem dreunde gelach, en Jon voelde de tranen op zijn wangen branden. Iemand probeerde hem te ondersteunen. Hij rukte zich uit diens greep los en rende half verblind naar de deur. Spook volgde hem op de voet toen hij naar buiten liep, de nacht in.
    De binnenplaats was stil en leeg. Een eenzame wachtpost stond hoog op de borstwering van de binnenmuur, zijn mantel dicht om zich heen getrokken tegen de kou. Hij keek verveeld en ongelukkig zoals hij daar ineengedoken stond, helemaal alleen, maar Jon had zó met hem van plaats willen ruilen. Verder was het kasteel donker en verlaten. Jon had eens een verlaten hofstede gezien, een akelig oord waar niets anders bewoog dan de wind en waar de stenen zwegen over de mensen die er gewoond hadden. Daar deed Winterfel hem vannacht aan denken.
    Het geluid van muziek en zang drong door de open ramen achter hem naar buiten. Het was het laatste dat Jon wilde horen. Hij veegde met de mouw van zijn hemd zijn tranen af, woedend dat hij ze niet had kunnen inhouden. Toen maakte hij aanstalten om weg te gaan.
    ‘Jongen,’ riep een stem tegen hem. Jon draaide zich om. Op de bovenrand van de deur naar de grote zaal zat Tyrion Lannister. Hij leek sprekend op een groteske waterspuwer. De dwerf grijnsde hem toe. ‘Is dat beest een wolf?’
    ‘Een schrikwolf,’ zei Jon. ‘Hij heet Spook.’ Hij staarde omhoog naar het kleine mannetje, zijn teleurstelling plotseling vergeten. ‘Wat doet u daar? Waarom bent u niet op het feest?’
    ‘Te heet, te veel herrie, en ik heb te veel wijn op,’ zei de dwerg tegen hem. ‘En het is me al lang geleden ingeprent dat het onbeschoft is om je broer onder te kotsen. Mag ik je wolf eens van dichterbij bekijken?’
    Jon aarzelde. Toen knikte hij langzaam. ‘Kunt u naar beneden klimmen of moet ik een ladder halen?’
    ‘Om de dooie dood niet,’ zei de kleine man. Hij duwde zich van de richel af het niets in. Jon hapte naar adem en keek toen vol ontzag toe hoe Tyrion Lannister als een balletje ronddraaide, met gemak op zijn handen neerkwam en toen met een achterwaartse salto op zijn voeten sprong.
    Onzeker deinsde Spook voor hem terug.
    De dwerg klopte zich af en lachte. ‘Ik geloof dat ik je wolf heb laten schrikken. Neem me niet kwalijk.’
    ‘Hij is niet bang,’ zei Jon. Hij knielde neer en riep: ‘Spook, kom hier. Kom. Ja, braaf zo.’
    De wolvenwelp kwam aanstappen en drukte zijn snuit tegen Jons gezicht, maar met één waakzaam oog op Tyrion Lannister gericht, en toen de dwerg een hand uitstak om hem te aaien week hij achteruit en ontblootte zijn gebit in een geluidloze grauw. ‘Verlegen, hè?’ merkte Lannister op.
    ‘Zitten, Spook!’ beval Jon. ‘Braaf zo. Zit stil.’ Hij keek op naar de dwerg. ‘U kunt hem nu wel aanraken. Hij zal zich niet verroeren voor ik het zeg. Ik ben bezig hem af te richten.’
    ‘Dat zie ik,’ zei Lannister. Hij woelde door de sneeuwwitte vacht tussen Spooks oren en zei: ‘Brave wolf.’
    ‘Als ik er niet bij was zou hij u de keel openrijten,’ zei Jon. Dat was eigenlijk nog niet zo, maar eens zou het zo zijn.
    ‘Blijf dan maar in de buurt,’ zei de dwerg. Hij draaide zijn bovenmaatse hoofd naar één kant en bekeek Jon met zijn ongelijke ogen. ‘Ik ben Tyrion Lannister.’
    ‘Dat weet ik,’ zei Jon. Hij kwam overeind. Rechtopstaand was hij langer dan de dwerg. Dat was een vreemde gewaarwording.
    ‘Jij bent Ned Starks bastaard, hè?’
    Jon voelde een rilling door zijn lijf gaan. Hij klemde zijn lippen op elkaar en zei niets.
    ‘Heb ik je gekwetst?’ zei Lannister. ‘Wat jammer. Dwergen hoeven niet tactvol te zijn. Generaties buitelende dwazen in narrenpak hebben me het recht verschaft om me slecht te kleden en de eerste de beste rotopmerking te maken die in mijn hoofd opkomt.’ Hij grijnsde. ‘Maar je bent dus de bastaard.’
    ‘Heer Eddard Stark is mijn vader,’ gaf Jon stijfjes toe. Lannister bestudeerde zijn gezicht. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik kan het zien. Je hebt meer van een noorderling dan je broers.’
    ‘Halfbroers,’ verbeterde Jon hem. De opmerking van de dwerg deed hem goed, maar hij probeerde het niet te laten merken.
    ‘Laat me je dan een goede raad geven, bastaard,’ zei Lannister.
    ‘Vergeet nooit wat je bent, want de wereld doet het zeker niet. Put er kracht uit, dan wordt het nooit een zwakke plek. Gebruik het als schild, dan zal het nooit als wapen tegen je gebruikt worden.’
    Jon was niet in de stemming om van wie ook goede raad aan te nemen. ‘Wat weet u ervan hoe het is om een bastaard te zijn?’
    ‘Alle dwergen zijn bastaarden in de ogen van hun vader.’
    ‘U bent uw moeders wettig geboren zoon, een Lannister.’
    ‘O ja?’ kaatste de dwerg sardonisch terug. ‘Dat moet je mijn vader vertellen. Mijn moeder is bij mijn geboorte gestorven, en hij heeft nooit zekerheid gehad.’
    ‘Ik weet niet eens wie mijn moeder was,’ zei Jon.
    ‘Ongetwijfeld een vrouw. Dat is meestal zo.’ Jon kreeg een wrang lachje toegeworpen. ‘Bedenk dit wel, jongen. Alle dwergen mogen dan bastaarden zijn, maar niet alle bastaarden hoeven dwergen te zijn.’ En met die woorden draaide hij zich om en drentelde fluitend terug naar het feest. Toen hij de deur opende werd zijn schaduw door het licht van binnenuit duidelijk zichtbaar over de binnenplaats geworpen, en even was Tyrion Lannister zo lang als een koning.

Catelyn

    Van alle kamers in de Grote Donjon van Winterfel waren de slaapkamers van Catelyn het warmst. Ze hoefde zelden de haard aan te steken. Het kasteel was boven natuurlijke hete bronnen gebouwd, en het gloeiende water stroomde door de muren en kamers als bloed door een menselijk lichaam. Het verdreef de kilte uit de stenen kamers, vulde de tuinkassen met een vochtige warmte en voorkwam dat de grond bevroor. In een twaalftal kleine binnenhoven steeg dag en nacht de stoom van open vijvers op. ’s Zomers was dat een onbeduidend detail, ’s winters het verschil tussen leven en dood.
    Catelyns bad was altijd dampend heet en haar muren voelden warm aan. Die warmte deed haar aan Stroomvliet denken, aan zonnige dagen met Lysa en Edmar, maar Ned kon de hitte niet verdragen. De Starks waren op kou berekend, placht hij tegen haar te zeggen, en dan zei ze lachend tegen hem dat ze in dat geval hun kasteel beslist op de verkeerde plaats hadden gebouwd.
    Dus na afloop rolde Ned van haar af en klom van haar bed, zoals hij al duizendmaal had gedaan. Hij liep de kamer door, trok de zware wandkleden opzij en gooide een voor een de hoge, smalle raampjes open om de nachtlucht binnen te laten.
    De wind blies om hem heen terwijl hij met zijn gezicht naar het donker stond, naakt en met lege handen. Catelyn trok de bontvellen op tot haar kin en sloeg hem gade. Om de een of andere reden zag hij er kleiner en kwetsbaarder uit, net de jongeling met wie ze veertien lange jaren geleden in de sept van Stroomvliet was getrouwd. Haar lendenen waren nog pijnlijk, zo heftig had hij de liefde met haar bedreven. Het was een aangename pijn. Ze voelde zijn zaad binnen in zich. Ze bad dat het daar tot leven zou komen. Sinds Rickon waren er drie jaar verstreken. Ze was nog niet te oud. Ze zou hem nog een zoon kunnen schenken.
    ‘Ik ga nee tegen hem zeggen,’ zei Ned terwijl hij zich weer naar haar toekeerde. Zijn blik was opgejaagd, zijn stem schor van twijfel. Catelyn ging rechtop in het bed zitten. ‘Dat kan niet. Dat mag je niet doen.’
    ‘Mijn plichten liggen hier in het noorden. Ik wens Roberts Hand niet te zijn.’
    ‘Dat zal hij niet begrijpen. Hij is nu koning, en koningen zijn anders dan andere mannen. Als je weigert hem te dienen zal hij zich afvragen waarom, en vroeg of laat gaat hij je ervan verdenken dat je tegen hem bent. Zie je niet in welk gevaar je ons daarmee zou brengen?’
    Ned schudde zijn hoofd, want dat weigerde hij te geloven. ‘Robert zou mij of de mijnen nooit iets aandoen. We stonden elkaar nader dan broers. Ik ben hem dierbaar. Als ik weiger zal hij brullen, vloeken en tieren, en een week later zullen we er samen om lachen. Ik ken de man!’
    ‘Je kende de man,’ zei ze. ‘De koning is een vreemde voor je.’ Catelyn moest denken aan de schrikwolvin die dood in de sneeuw had gelegen, met die afgebroken geweistang diep in haar keel. Ze moest ervoor zorgen dat hij het begreep. ‘Trots is alles voor een koning, heer. Robert is helemaal hierheen gekomen om u te bezoeken, om u al die eer te bewijzen. Die kunt u niet botweg van de hand slaan.’
    ‘Eer?’ Ned lachte bitter.
    ‘In zijn ogen wel,’ zei ze.
    ‘En in de jouwe?’
    ‘Én in de mijne,’ stoof ze op, woedend nu. Waarom begreep hij het niet? ‘Hij biedt onze dochter de hand van zijn eigen zoon aan, hoe wilt u dat anders noemen? Op een dag wordt Sansa misschien koningin. Haar zonen kunnen heersen van de Muur tot de bergen van Dorne. Wat is daar zo verkeerd aan?’
    ‘Goden nog aan toe, Catelyn, Sansa is pas elf,’ zei Ned. ‘En Joffry… Joffry is…’
    Zij maakte de zin voor hem af ‘… de kroonprins, en erfgenaam van de ijzeren troon. En ik was pas twaalf toen ik door mijn vader aan jouw broer Brandon werd beloofd.’
    Bij die woorden vertrok Ned verbitterd zijn mond. ‘Brandon. Ja. Brandon zou wel weten wat hem te doen stond. Dat wist hij altijd. Het was allemaal voor Brandon bestemd. Jij, Winterfel, alles. Hij was voorbestemd om Hand des Konings en vader van vorstinnen te worden. Ik heb er nooit om gevraagd uit deze beker te drinken.’
    ‘Misschien niet,’ zei Catelyn. ‘Maar Brandon is dood, en de beker is in jouw handen overgegaan en je moet eruit drinken, of je wilt of niet.’
    Ned keerde zich van haar af, naar de nacht toe. Hij tuurde het duister in en keek misschien naar de maan en de sterren, of misschien wel naar de wachtposten op de muur. De aanblik van zijn pijn vermurwde Catelyn. Eddard Stark was met haar getrouwd in plaats van Brandon, zoals het gebruik voorschreef, maar de schaduw van zijn dode broer lag nog tussen hen in, net als die andere, de schaduw van de vrouw wier naam hij nooit noemde, de vrouw die hem zijn bastaardzoon had gebaard. Ze stond op het punt naar hem toe te gaan toen de klop op de deur kwam, luid en onverwacht. Ned draaide zich met gefronste wenkbrauwen om. ‘Wat is er?’
    Desmonds stem klonk door de deur heen. ‘Heer, Maester Luwin staat buiten en verzoekt dringend om gehoor.’
    ‘Weet hij dat ik uitdrukkelijk heb gezegd dat ik niet gestoord wilde worden?’
    ‘Ja heer. Maar hij staat erop.’
    ‘Goed. Laat hem binnenkomen.’
    Ned liep naar de garderobe en schoot een dik kledingstuk aan. Ineens merkte Catelyn hoe koud het geworden was. Ze ging rechtop in bed zitten en trok de bentvellen op tot haar kin. ‘Misschien moeten we de ramen sluiten,’ opperde ze.
    Ned knikte afwezig. Maester Luwin werd binnengelaten. De maester was een kleine, grijze man. Zijn ogen waren grijs en vlug, en ze zagen veel. Zijn haar was grijs, dat wil zeggen, het beetje dat hij in de loop der jaren had overgehouden. Zijn gewaad was van grijze wol en omzoomd met wit bont, de kleuren van de Starks. In de grote, wijde mouwen zaten zakken verborgen. Luwin stopte er altijd van alles in, om er weer andere dingen uit te halen: boeken, berichten, vreemde artefacten, speelgoed voor de kinderen. Met al die spullen die in zijn mouwen verstopt zaten verbaasde het Catelyn dat Maester Luwin zijn armen nog op kon tillen.
    De maester wachtte tot de deur achter hem gesloten was voordat hij het woord nam. ‘Heer,’ zei hij tegen Ned, ‘vergeef me dat ik uw rust verstoor. Maar er is een bericht bij mij achtergelaten.’
    Ned keek geërgerd. ‘Achtergelaten? Door wie? Is er een ruiter geweest? Daar heb ik niets over gehoord.’
    ‘Er is geen ruiter geweest, heer. Slechts een bewerkt houten kistje dat op een tafel in mijn observatorium is achtergelaten terwijl ik een dutje deed. Mijn bedienden hebben niemand gezien, maar iemand uit het gezelschap van de koning moet het hebben gebracht. We hebben geen ander bezoek uit het zuiden gehad.’
    ‘Een houten kistje, zei u?’ vroeg Catelyn.
    ‘Er zat een fraaie nieuwe lens voor het observatorium in, zo te zien uit Myr. De lenzenslijpers van Myr zijn niet te evenaren.’
    Ned fronste zijn wenkbrauwen. Hij kon weinig geduld opbrengen voor zulke dingen, wist Catelyn. ‘Een lens,’ zei hij. ‘Wat heb ik daar mee te maken?’
    ‘Die vraag was ook al bij mij opgekomen,’ zei Maester Luwin. ‘Er stak duidelijk meer achter dan het leek.’
    Catelyn huiverde onder het loden gewicht van haar bentvellen.
    ‘Een lens is een instrument dat ons helpt om beter te zien.’
    ‘Inderdaad.’ Hij betastte de band van zijn orde, een zware kraag die onder het gewaad dicht om de nek gedragen werd en waarvan elke schakel van een ander metaal was gesmeed.
    Catelyn voelde opnieuw hoe een bange vrees de kop opstak. ‘Wat moeten we beter zien?’
    ‘Precies datzelfde heb ik mij ook afgevraagd.’ Maester Luwin haalde een stevig opgerold stuk papier uit zijn mouw. ‘Toen ik het kistje waarin de lens was bezorgd uit elkaar haalde trof ik in de dubbele bodem de echte boodschap aan. Maar hij is niet voor mijn ogen bestemd.’
    Ned stak zijn hand uit. ‘Geef hem dan aan mij.’
    Luwin verroerde zich niet. ‘Vergeef me, heer. Het bericht is evenmin voor u. Er staat op dat het uitsluitend voor vrouwe Catelyn bestemd is, en voor niemand anders. Mag ik dichterbij komen?’
    Catelyn knikte, want ze vertrouwde haar stem niet. De maester legde het papier op de tafel naast het bed. Het was verzegeld met een kleine klodder blauwe was. Luwin boog en maakte aanstalten om zich terug te trekken.
    ‘Blijf hier,’ beval Ned hem ernstig. Hij keek Catelyn aan. ‘Wat is het voor iets? Vrouwe, u beeft.’
    ‘Ik ben bang,’ bekende ze. Ze stak een hand uit en pakte met trillende handen de brief aan. Vergeten gleden de bentvellen van haar naakte lichaam af. In de blauwe was zweefde een valk voor een volle maan langs. Het wapenteken van het Huis Arryn. ‘Hij komt van Lysa.’ Catelyn keek haar echtgenoot aan. ‘Dit zal ons niet blij maken,’ zei ze tegen hem. ‘Er schuilt verdriet in dit bericht, Ned. Ik voel het.’
    Ned fronste zijn voorhoofd en zijn gezicht versomberde. ‘Maak open.’
    Catelyn verbrak het zegel.
    Ze liet haar ogen over de woorden glijden. Aanvankelijk kwamen ze haar inhoudsloos voor. Toen schoot het haar weer te binnen. ‘Lysa heeft geen enkel risico genomen. Toen we nog kinderen waren hadden we een geheimtaal, zij en ik.’
    ‘Kun je die lezen?’
    ‘Ja,’ gaf Catelyn toe.
    ‘Vertel het ons dan.’
    ‘Zal ik me niet liever terugtrekken?’ zei Maester Luwin.
    ‘Nee,’ zei Catelyn. ‘We zullen uw raad nodig hebben.’ Ze gooide de bontvellen van zich af en klom uit bed. De nachtlucht op haar naakte huid was kil als het graf toen ze door de kamer liep. Maester Luwin wendde zijn ogen af. Zelfs Ned keek geschokt.
    ‘Wat doe je nou?’ vroeg hij.
    ‘Ik ga vuur maken,’ zei Catelyn. Ze pakte een kamerjapon en schoot die aan. Toen knielde ze bij de koude haard.
    ‘Maester Luwin…’ begon Ned.
    ‘Maester Luwin heeft al mijn kinderen gehaald,’ zei Catelyn. ‘Dit is niet het juiste moment voor valse bescheidenheid.’ Ze schoof het papier tussen het aanmaakhout en legde de zwaardere blokken daar bovenop.
    Ned liep de kamer door, greep haar bij een arm en trok haar overeind. Zo hield hij haar vast, zijn gezicht maar een paar duim van het hare af. ‘Vertel me, vrouwe, wat behelsde dat bericht?’
    Catelyn verstrakte in zijn greep. ‘Een waarschuwing,’ zei ze zacht.
    ‘Als we oren hebben om te horen.’
    Zijn blikken gingen onderzoekend over haar gezicht. ‘Ga door.’
    ‘Lysa zegt dat Jon Arryn vermoord is.’
    Zijn vingers omknelden haar arm nog steviger. ‘Door wie?’
    ‘De Lannisters,’ zei ze. ‘De koningin.’
    Ned liet haar arm los. Er zaten donkerrode striemen op haar huid.
    ‘Bij de goden,’ fluisterde hij. Zijn stem was schor. ‘Je zuster is gek geworden van verdriet. Ze weet niet wat ze zegt.’
    ‘Dat weet ze wel,’ zei Catelyn. ‘Lysa is inderdaad impulsief, maar dit bericht was zorgvuldig voorbereid en goed verborgen. Ze wist dat het haar dood zou zijn als het bericht in verkeerde handen viel. Als ze slechts verdenking koesterde zou ze zo’n risico niet genomen hebben.’ Catelyn keek haar man aan. ‘Nu hebben we echt geen andere keus meer. Je moet Roberts Hand worden. Je moet met hem naar het zuiden gaan om de waarheid te achterhalen.’
    Ze zag meteen dat Ned tot een heel andere slotsom was gekomen.
    ‘De enige waarheid die ik ken ligt hier. Het zuiden is een addernest dat ik beter kan mijden.’
    Luwin pulkte aan zijn halsketen waar die tegen de zachte huid van zijn keel schuurde. ‘De Hand des Konings heeft een grote macht, heer. De macht om de waarheid over heer Arryns dood te achterhalen en koninklijke gerechtigheid aan de moordenaars te voltrekken. De macht om vrouwe Arryn en haar zoon te beschermen, mocht het allerergste waar zijn.’
    Hulpeloos keek Ned het slaapvertrek rond. Catelyns hart ging naar hem uit, maar ze wist dat ze hem op dat moment niet in haar armen kon nemen. Eerst moest de overwinning bevochten worden, omwille van haar kinderen. ‘Je zegt dat je Robert liefhebt als een broer. Zou je je broer midden tussen de Lannisters achterlaten?’
    ‘De Anderen mogen jullie beiden halen,’ prevelde Ned duister. Hij keerde zich van hen af en liep naar het raam. Zij zei niets, en de maester evenmin. Ze stonden rustig te wachten terwijl Eddard Stark het thuis dat hem zo dierbaar was stilzwijgend vaarwel zei. Toen hij zich ten slotte van het raam afkeerde was zijn stem moe en vol melancholie, en in zijn ooghoeken was vaag een vochtige glinstering te zien. ‘Mijn vader is ooit eens op bevel van een koning naar het zuiden gegaan. Hij kwam niet meer terug.’
    ‘Een andere tijd,’ zei Maester Luwin. ‘Een andere koning.’
    ‘Ja,’ zei Ned dof. Hij ging in een stoel bij de haard zitten. ‘Catelyn, jij blijft hier in Winterfel.’
    Zijn woorden sneden als een ijzige tochtvlaag door haar hart.
    ‘Nee,’ zei ze, plotseling bang. Was dit haar straf? Dat ze zijn gezicht nooit meer zou zien, noch zijn armen om zich heen zou voelen?
    ‘Ja,’ zei Ned, en zijn woorden duldden geen tegenspraak. ‘Jij moet in mijn plaats het noorden besturen, terwijl ik Roberts zaakjes opknap. Er hoort altijd een Stark in Winterfel te zijn. Robb is veertien. Binnenkort is hij volwassen. Hij moet leren heersen, en ik zal er niet voor hem zijn. Maak hem deelgenoot van je overleggingen. Als zijn tijd komt moet hij goed voorbereid zijn.’
    ‘Als de goden willen duurt dat nog vele jaren,’ mompelde Maester Luwin.
    ‘Maester Luwin, ik vertrouw u als mijn eigen vlees en bloed. Sta mijn vrouw in alle dingen, groot en klein, met uw raadgevingen terzijde. Leer mijn zoon wat hij moet weten. De winter komt.’
    Maester Luwin knikte ernstig. Toen viel er een stilte, tot Catelyn moed vatte en de vraag stelde waarop ze het antwoord het meest vreesde. ‘En de andere kinderen?’
    Ned stond op, nam haar in zijn armen en hield haar gezicht dicht tegen het zijne. ‘Rickon is nog erg jong,’ zei hij vriendelijk. ‘Hij kan beter hier blijven, bij jou en Robb. De anderen neem ik liever mee.’
    ‘Dat kan ik niet verdragen,’ zei Catelyn sidderend.
    ‘Maar het moet,’ zei hij. ‘Sansa moet met Joffry trouwen, dat is nu wel duidelijk. We mogen ze geen aanleiding geven, onze toewijding in twijfel te trekken. En het wordt hoog tijd dat Arya de omgangsvormen van een zuidelijk hof leert. Over een paar jaar heeft zij ook de leeftijd om te trouwen.’
    Sansa zou schitteren in het zuiden, dacht Catelyn bij zichzelf, en de goden wisten dat Arya wel enig raffinement kon gebruiken. In haar hart liet ze hen aarzelend los. Maar niet Bran. Dat nooit. ‘Ja,’ zei ze, ‘maar alsjeblieft Ned, omwille van de liefde die je voor me voelt, laat Bran hier in Winterfel blijven. Hij is pas zeven.’
    ‘Ik was acht toen mijn vader me als pleegkind naar het Adelaarsnest zond,’ zei Ned. ‘Ik hoor van ser Rodrik dat Robb en prins Joffry elkaar niet mogen. Dat is een kwalijke zaak. Bran kan die kloof overbruggen. Hij is een beste jongen, goedlachs en innemend. Laat hem opgroeien met de prinsen, laat hem vriendschap met hen sluiten zoals Robert met mij. Des te veiliger voor ons Huis.’
    Catelyn wist dat hij gelijk had. Het maakte de pijn er niet draaglijker op. Dus ze raakte hen alle vier kwijt: Ned, de beide meisjes, en haar lieve, aanhankelijke Bran. Ze zou alleen nog Robb en de kleine Rickon overhouden. Ze voelde zich nu al eenzaam. Winterfel was zo uitgestrekt. ‘Hou hem dan wel van de muren vandaan,’ zei ze dapper. ‘Je weet hoe dol Bran op klimmen is.’
    Ned kuste de tranen van haar ogen voordat ze konden vallen.
    ‘Heb dank, mijn vrouwe,’ fluisterde hij. ‘Ik weet hoe moeilijk dit is.’
    ‘En Jon Sneeuw, heer?’ vroeg Maester Luwin.
    Catelyn verstijfde bij het horen van de naam. Ned voelde haar boosheid en deed een stap achteruit.
    Veel mannen verwekten bastaardkinderen. Catelyn was met die wetenschap opgegroeid. Het was in haar eerste huwelijksjaar niet als een verrassing voor haar gekomen dat Ned een kind had verwekt bij een meisje dat hij toevallig tijdens een veldtocht had ontmoet. Hij had uiteindelijk de behoeften van een man, en ze hadden dat jaar gescheiden doorgebracht, Ned in de oorlog in het zuiden en zij veilig in haar vaders kasteel in Stroomvliet. Ze had vaker aan Robb gedacht, de zuigeling aan haar borst, dan aan de man die ze nauwelijks kende. Hij moest tussen de veldslagen door maar zo veel mogelijk vertroosting zoeken. En als zijn zaad ontkiemde zou hij wel in de behoeften van het kind voorzien, nam ze aan.
    Hij had meer gedaan. De Starks waren anders dan andere mannen. Ned had zijn bastaard mee naar huis genomen en hem ten overstaan van heel het noorden zijn zoon genoemd. Toen de oorlogen eindelijk voorbij waren en Catelyn naar Winterfel reisde hadden Jon en zijn min al hun intrek in de kinderkamer genomen. Dat had haar diep gekwetst. Ned weigerde ook maar met één woord over de moeder te spreken, maar een kasteel kent geen geheimen, en Catelyn hoorde haar dienstmeiden de verhalen doorvertellen die ze uit de mond van de soldaten van haar man hadden vernomen. Ze fluisterden over ser Arthur Dayn, het Zwaard van de Morgen, de dodelijkste van alle zeven ridders van Aerys’ koningsgarde, en hoe hun jeugdige heer hem in een tweegevecht had verslagen. En ze vertelden hoe Ned na afloop ser Arthurs zwaard had teruggebracht bij diens knappe jonge zuster, die hem opwachtte in een kasteel genaamd Sterrenval aan de oever van de Zomerzee. Vrouwe Ashara Dayn, rijzig en schoon, met betoverende purperen ogen. Ze had twee weken nodig gehad om haar moed te verzamelen, maar ten slotte had Catelyn haar man op een avond in bed naar de waarheid gevraagd, zonder omwegen. In alle jaren dat ze samen waren was dat de enige keer geweest dat Ned haar bang had gemaakt. ‘Stel nooit vragen over Jon,’ had hij ijzig gezegd. ‘Hij is bloed van mijn bloed. Meer hoef je niet te weten. En nu vertel je me waar je die naam hebt gehoord, vrouwe.’
    Ze had beloofd te gehoorzamen en ze had het hem verteld, en sinds die dag was er een eind gekomen aan het gefluister en werd de naam van Ashara Dayn in Winterfel nimmer meer vernomen.
    Wie Jons moeder ook geweest mocht zijn, hij moest haar vurig hebben bemind, want wat Catelyn ook zei, niets kon hem ertoe brengen de jongen weg te sturen. Het was het enige dat ze hem niet kon vergeven. Ze was haar echtgenoot van ganser harte gaan liefhebben, maar ze had zich er nooit toe kunnen brengen van Jon te gaan houden. Omwille van Ned had ze wel een dozijn bastaarden door de vingers willen zien, zo lang ze maar uit het gezicht bleven. Jon was nooit uit het gezicht, en toen hij groter werd leek hij meer op Ned dan de wettige zonen die zij hem had gebaard. Om de een of andere reden maakte dat het erger. ‘Jon moet mee,’ zei ze nu.
    ‘Hij en Robb staan elkaar erg na,’ zei Ned. ‘Ik had gehoopt…’
    ‘Hij kan hier niet blijven,’ onderbrak Catelyn hem. ‘Hij is jouw zoon, niet de mijne. Ik wil hem niet.’ Dat was hard, wist ze, maar desondanks waar. Ned zou de jongen geen dienst bewijzen door hem hier in Winterfel achter te laten.
    Ned wierp haar een gekwelde blik toe. ‘Je weet dat ik hem niet mee naar het zuiden kan nemen. Voor hem is aan het hof geen plaats. Een jongen met een bastaardnaam… je weet hoe hij over de tong zal gaan. Hij zal gemeden worden.’
    Catelyn staalde haar hart tegen het onuitgesproken pleidooi in de ogen van haar man. ‘Ze zeggen dat je vriend Robert zelf meer dan tien bastaarden heeft verwekt.’
    ‘En geen van hen is ooit aan het hof gezien!’ voer Ned uit. ‘Daar heeft dat mens van Lannister voor gezorgd. Hoe kun je zo afgrijselijk wreed zijn, Catelyn? Hij is nog maar een jongen. Hij…’
    Hij was aan woede ten prooi. Hij had misschien nog meer gezegd, en nog ergere dingen, als Maester Luwin hem niet in de rede gevallen was. ‘Er doet zich een andere oplossing voor,’ zei hij kalm. ‘Uw broer Benjen wilde me een paar dagen geleden spreken over Jon. Het schijnt dat de jongen zijn zinnen op het zwart heeft gezet.’
    Ned keek geschokt. ‘Heeft hij gevraagd om bij de Nachtwacht te mogen?’
    Catelyn zei niets. Hierover moest Ned met zichzelf in het reine zien te komen. Haar inbreng zou nu niet welkom zijn. Toch had ze de maester op dat moment het liefst omhelsd. Zijn oplossing was volmaakt. Benjen Stark was een Gezworen Broeder. Jon zou als een zoon voor hem zijn, het kind dat hij nooit zou hebben. En te zijner tijd zou de jongen ook de eed afleggen. Hij zou geen zonen verwekken die op een dag met Catelyns eigen kleinkinderen om Winterfel zouden strijden. Maester Luwin zei: ‘Het is heel eervol om op de Muur te dienen, heer.’
    ‘En zelfs een bastaard kan het bij de Nachtwacht ver brengen,’ peinsde Ned. Maar toch klonk zijn stem bezwaard. ‘Jon is nog zo jong. Als hij hier als volwassen man om had gevraagd zou het anders liggen, maar een jongen van veertien…’
    ‘Een zwaar offer,’ beaamde Maester Luwin. ‘Maar het zijn zware tijden, heer. Zijn lot is niet wreder dan het uwe of dat van uw vrouwe.’
    Catelyn dacht aan de drie kinderen die ze noodgedwongen zou verliezen. Op dat ogenblik was het niet eenvoudig om te blijven zwijgen. Ned wendde zich van hen af en staarde uit het raam, zijn lange gezicht onbeweeglijk en peinzend. Ten slotte zuchtte hij en keerde zich weer om. ‘Goed dan,’ zei hij tegen Maester Luwin. ‘Het zal wel het beste zijn. Ik zal met Ben spreken.’
    ‘Wanneer zullen we het tegen Jon zeggen?’ vroeg de maester.
    ‘Als het moet. Er moeten voorbereidingen worden getroffen. Het duurt nog twee weken voor we klaarstaan om te vertrekken. Ik laat Jon liever nog van deze laatste dagen genieten. De zomer zal snel genoeg voorbij zijn, net als zijn kindertijd. Als het ogenblik daar is zal ik het hem zelf vertellen.’

Arya

    Arya’s steken waren alweer scheef.
    Ze keek er met een wanhopige frons op neer en gluurde haar zuster, die tussen de andere meisjes in zat. Sansa’s borduurwerk was exquisiet. Dat zei iedereen. ‘Sansa’s werk ziet er net zo aantrekkelijk uit als zijzelf,’ had Septa Mordane eens tegen hun moeder gezegd. ‘Ze heeft van die fijne, delicate handen.’ Toen vrouwe Catelyn had gevraagd hoe het met Arya was had de septa haar neus opgetrokken. ‘Arya heeft de handen van een smid.’
    Arya wierp een vluchtige blik door het vertrek, bang dat Septa Mordane misschien haar gedachten zou lezen, maar de septa sloeg vandaag geen acht op haar. Ze zat naast prinses Myrcella, een en al glimlach en bewondering. De septa genoot niet vaak het voorrecht, een koningsdochter in de vrouwelijke vaardigheden te mogen onderrichten, zoals ze had gezegd toen de koningin Myrcella bij hen had gebracht. Arya vond dat Myrcella’s steken ook enigszins scheef waren, maar dat zou je bepaald niet zeggen als je op het gekoer van Septa Mordane afging.
    Opnieuw bekeek ze haar eigen werk, zoekend naar een manier om er nog iets van te maken. Toen zuchtte ze en legde de naald weg. Mistroostig keek ze naar haar zuster. Sansa kletste er onder het werken opgeruimd op los. Bet Cassel, het dochtertje van ser Rodrik, zat aan haar voeten en luisterde naar alles wat ze zei, en Jeane Poel boog zich naar haar toe om haar iets in het oor te fluisteren.
    ‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg Arya plotseling. Jeane keek haar geschrokken aan en begon toen te giechelen. Sansa keek betrapt. Bet kreeg een kleur. Niemand gaf antwoord.
    ‘Vertel op,’ zei Arya.
    Jeane gluurde naar Septa Mordane om er zeker van te zijn dat die niet luisterde. Op dat moment zei Myrcella iets, en de septa lachte, net als de overige dames.
    ‘We hadden het over de prins,’ zei Sansa, haar stem fluweelzacht als een kus.
    Arya wist welke prins ze bedoelde: Joffry natuurlijk. Die lange knappe. Sansa had op het feest naast hem mogen zitten. Arya had naast de kleine dikke moeten zitten. Natuurlijk.
    ‘Joffry vindt je zuster aardig,’ fluisterde Jeane vol trots, alsof zij daartoe bijgedragen had. Ze was de dochter van de rentmeester van Winterfel en Sansa’s beste vriendin. ‘Hij zei tegen haar dat ze heel mooi was.’
    ‘Hij gaat met haar trouwen,’ zei de kleine Bet dromerig terwijl ze haar armen om zichzelf heen sloeg. ‘Dan wordt Sansa koningin van het hele rijk.’
    Sansa was zo fatsoenlijk om te blozen. Het stond haar snoezig. Alles wat Sansa deed was snoezig, dacht Arya, een en al doffe rancune. ‘Bet, je moet geen verzinsels vertellen,’ corrigeerde Sansa het jongere meisje en streek haar over het haar om de strengheid van haar woorden te verzachten. Ze keek naar Arya. ‘Wat vond jij van prins Joff, zusje? Hij is erg charmant, vind je ook niet?’
    ‘Jon vindt dat hij net een meisje lijkt,’ zei Arya.
    Sansa ging door met borduren en zuchtte. ‘Arme Jon,’ zei ze. ‘Hij is jaloers, omdat hij een bastaard is.’
    ‘Hij is onze broer,’ zei Arya, veel te luid. Haar stem sneed door de namiddagstilte in de torenkamer.
    Septa Mordane keek op. Ze had een knokig gezicht, priemende ogen en een dunne streep van een mond die ervoor gemaakt was om afkeurend te staan. Dat was nu ook zo. ‘Waar hebben jullie het over, kinderen?’
    ‘Onze halfbroer,’ verbeterde Sansa haar zuster, zacht en onberispelijk. Ze glimlachte tegen de septa. ‘Arya en ik hadden het erover hoe prettig het was dat we vandaag de prinses bij ons hadden,’ zei ze.
    Septa Mordane knikte. ‘Inderdaad. Een grote eer voor ons allen.’
    Prinses Myrcella glimlachte onzeker over het compliment. ‘Arya, waarom ben je niet aan het werk?’ vroeg de septa. Ze stond op en liep de kamer door. Haar gesteven rokken ritselden. ‘Laat me je borduurwerk eens zien.’
    Arya was het liefst gaan gillen. Net iets voor Sansa om de aandacht van de septa te trekken. ‘Hier,’ zei ze en overhandigde haar werk.
    De septa bestudeerde de lap. ‘Arya, Arya, Arya,’ zei ze. ‘Dit kan niet. Dit kan gewoon niet.’
    Iedereen keek naar haar. Het werd haar te veel. Sansa was te welopgevoed om te glimlachen over haar zusters schande, maar Jeane zat plaatsvervangend te meesmuilen. Zelfs prinses Myrcella keek meewarig. Arya voelde hoe de tranen haar in de ogen sprongen. Ze duwde zich omhoog uit haar stoel en vloog op de deur af.
    ‘Ayra, kom terug!’ riep Septa Mordane haar achterna. ‘Geen stap verder! Hier zal je moeder van horen. En dat waar onze prinses bij is! Je maakt ons allemaal te schande!’
    Bij de deur bleef Arya staan en keerde zich om. Ze beet op haar lip, en de tranen stroomden nu over haar wangen. Ze slaagde erin, een stijf buiginkje voor Myrcella te maken. ‘Met uw welnemen, hoogheid.’
    Myrcella knipperde met haar ogen en keek hulp zoekend naar haar hofdames. Maar zij mocht dan onzeker zijn, Septa Mordane was dat niet. ‘En waar had je gedacht dat je heen ging, Arya?’ wilde de septa weten. Arya keek haar vuil aan. ‘Ik moet een paard beslaan,’ zei ze liefjes, en schepte een kortstondige bevrediging in de geschokte uitdrukking op het gezicht van de septa. Toen keerde ze zich met een ruk om en liep weg. Zo snel haar voeten haar dragen konden rende ze de trap af. Het was niet eerlijk. Sansa had alles. Sansa was een jaar ouder, dus wie weet was er niets meer over geweest toen Arya geboren werd. Daar leek het vaak wél op. Sansa kon borduren, dansen en zingen. Ze schreef gedichten. Ze wist zich te kleden. Ze bespeelde de hoge harp én het klokkenspel. Erger nog, ze was mooi. Sansa had haar moeders fijn besneden hoge jukbeenderen en het dikke, kastanjebruine haar van de Tullings geërfd. Arya leek op hun vader. Haar haren waren dof en bruin en haar gezicht was lang en saai. Jeane noemde haar altijd Arya Paardenhoofd en hinnikte zodra ze in de buurt kwam. Tot overmaat van ramp was paardrijden het enige dat Arya beter deed dan haar zuster. Dat, en het bestieren van een huishouding. Sansa was nooit een rekenwonder geweest. Als ze met prins Joff trouwde hoopte Arya voor hem dat hij een goede rentmeester had.
    Nymeria zat in het wachtlokaal onder aan de trap op haar te wachten. Ze sprong overeind zodra ze Arya in het oog kreeg. Arya grijnsde. Ook al was ze de enige, de kleine wolvin was dol op haar. Ze gingen overal samen naar toe, en Nymeria sliep in haar kamer, aan de voet van haar bed. Als moeder het niet verboden had zou Arya de wolf dolgraag meegenomen hebben als ze ging borduren. Eens kijken of Septa Mordane het dan waagde over haar steken te klagen!
    Toen Arya haar losmaakte beet Nymeria eventjes gretig naar haar hand. Ze had gele ogen. Als de zon ze bescheen glommen ze als twee gouden munten. Arya had haar naar de krijgshaftige koningin van de Rhoyne genoemd, die haar volk over de zee-engte had geleid. Ook dat was een groot schandaal geweest. Sansa had haar welp natuurlijk ‘Dame’ genoemd. Arya trok een gezicht en knuffelde de welp. Nymeria likte haar oor, en ze giechelde.
    Inmiddels had Septa Mordane vast en zeker haar moeder laten inlichten. Als ze naar haar kamer ging zouden ze haar vinden. Arya wilde niet gevonden worden. Ze had een beter idee. De jongens waren op de binnenplaats aan het oefenen. Ze wilde zien hoe Robb de galante prins Joffry plat op zijn rug zou krijgen. ‘Kom,’ fluisterde ze tegen Nymeria. Ze stond op en begon te rennen, de wolf op haar hielen.
    In de overdekte brug die de wapenkamer met de Grote Donjon verbond zat een raam dat over de hele binnenplaats uitkeek. Daar gingen ze heen.
    Toen ze daar verhit en buiten adem aankwamen zat Jon in de vensterbank, zijn kin lui op één knie gesteund. Hij sloeg het gebeuren beneden gade en ging daar zo in op dat hij haar komst pas leek op te merken toen zijn witte wolf op hen afkwam. Nymeria sloop op behoedzame poten dichterbij. Spook, die nu al groter was dan zijn nestgenoten, besnuffelde haar, beet voorzichtig in haar oor en ging weer zitten.
    Jon bekeek haar nieuwsgierig. ‘Moet je niet borduren, zusje?’
    Arya trok een gezicht. ‘Ik wilde ze zien vechten.’
    Hij glimlachte. ‘Kom dan maar hier.’
    Arya klom in het raam en ging naast hem zitten, begeleid door de doffe dreunen en het gegrom op de binnenplaats beneden. Tot haar teleurstelling waren het de jongere jongens die aan het oefenen waren. Bran was in zoveel beschermende lagen gehuld dat het leek alsof hij een veren dekbed om had, en prins Tommen, die van zichzelf al mollig was, leek net een bal. Ze hijgden en puften en hakten met omwikkelde houten zwaarden op elkaar in onder het toeziend oog van de oude ser Rodrik Cassel, de wapenmeester, een grote, forse ton van een man met schitterende witte bakkebaarden. Een stuk of twaalf toeschouwers, mannen en jongens, stonden aanmoedigingen te schreeuwen. Robbs stem klonk boven alles uit. Naast hem zag ze Theon Grauwvreugd staan, zijn zwart wambuis getooid met de gouden inktvis van zijn Huis en zijn mondhoeken laatdunkend omlaaggetrokken. De beide vechtersbazen wankelden op hun benen. Arya had de indruk dat ze al een poosje bezig waren.
    ‘Net iets inspannender dan borduren,’ merkte Jon op.
    ‘Net iets leuker dan borduren,’ kaatste Arya terug. Jon grijnsde, stak een hand naar haar uit en woelde door haar haren. Arya bloosde. Ze hadden elkaar altijd erg na gestaan. Jon had hun vaders gezicht, net als zij. Ze waren de enigen. Robb, Sansa en Bran en zelfs de kleine Rickon leken allemaal op de Tullings: goedlachs en met vuur in hun haar. Toen Arya nog klein was, was ze bang geweest dat zij daarom dus ook wel een bastaard zou zijn. Het was Jon tot wie ze zich in haar angst had gewend, en Jon die haar gerustgesteld had.
    ‘Waarom ben jij niet op de binnenplaats?’ vroeg Arya hem. Hij wierp haar een vaag lachje toe. ‘Het is verboden voor bastaarden om jeugdige prinsen te beschadigen,’ zei hij. ‘Die mogen bij het oefenen alleen maar blauwe plekken van wettig geboren zwaarden oplopen.’
    ‘O.’ Arya was uit het veld geslagen. Dat had ze moeten beseffen. Voor de tweede keer die dag stelde ze vast dat het in het leven niet eerlijk toeging.
    Ze keek hoe haar jongere broertje Tommen een mep gaf. ‘Ik zou het net zo goed kunnen als Bran,’ zei ze. ‘Hij is pas zeven. Ik ben negen.’
    Jon bekeek haar met al de wijsheid van zijn veertien jaren. ‘Je bent te mager,’ zei hij en greep haar arm om haar spieren te voelen. Toen schudde hij met een zucht zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat je niet eens zo’n lang zwaard kunt opheffen, zusje, laat staan hanteren.’
    Arya rukte haar arm los en keek hem woedend aan. Jon woelde nog eens door haar haren. Ze keken toe hoe Bran en Tommen om elkaar heen cirkelden.
    ‘Zie je prins Joffry?’ vroeg Jon.
    Ze had hem niet gezien, althans niet meteen, maar toen ze nog eens keek vond ze hem achterin, in de schaduw van de hoge stenen muur. Hij werd omringd door mannen die ze niet kende, jonge schildknapen in de livreien van Lannister en Baratheon, allemaal vreemden. Er stonden wat oudere mannen bij, ridders, naar ze aannam.
    ‘Kijk eens naar de wapens op zijn rok,’ ried Jon haar aan. Arya keek. Op de gewatteerde wapenrok van de prins was een rijk versierd schild geborduurd. Geborduurd met exquise steken. Het was in tweeën gedeeld. Aan één kant stond de gekroonde hertenbok van het koninklijk huis, aan de andere kant de leeuw van Lannister.
    ‘De Lannisters zijn trots,’ merkte Jon op. ‘Je zou toch denken dat het koninklijk wapen voldoende zou zijn, maar nee. Hij bewijst zijn moeders huis evenveel eer als dat van de koning.’
    ‘De vrouw is ook belangrijk!’ protesteerde Arya.
    Jon grinnikte. ‘Misschien zou jij hetzelfde moeten doen, zusje, en in jouw wapen Tulling aan Stark koppelen.’
    ‘Een wolf met een vis in zijn bek?’ Ze schoot in de lach. ‘Dat zou een gek gezicht zijn. Trouwens, als een meisje niet mag vechten, waarom zou ze er dan een wapen op na houden?’
    Jon schokschouderde. ‘Meisjes krijgen wel een familiewapen, maar geen zwaard. Bastaarden krijgen wel een zwaard, maar geen wapen. Ik heb de regels niet gemaakt, zusje.’
    Vanaf de binnenplaats klonk een kreet. Prins Tommen rolde door het stof en deed een vergeefse poging om overeind te komen. Door al die beschermlagen leek hij net een schildpad die op zijn rug lag. Bran stond met zijn houten zwaard opgeheven over hem heen gebogen, klaar om hem een nieuwe klap toe te dienen zodra hij weer op zijn benen stond. De mannen barstten in lachen uit.
    ‘Genoeg!’ riep ser Rodrik. Hij greep de prins bij een hand en trok hem overeind. ‘Prima gevochten. Lew, Donnis, help ze uit hun wapenrusting.’ Hij keek om zich heen. ‘Prins Joffry, Robb, nog een ronde?’
    Robb, die al bezweet was van een vorig oefengevecht, stapte gretig naar voren. ‘Graag.’
    In reactie op Rodriks oproep ging Joffry in de zon staan. Zijn haar glansde als gesponnen goud. Hij keek verveeld. ‘Dit is een kinderspelletje, ser Rodrik.’
    Theon Grauwvreugd schoot plotseling hard in de lach. ‘Jullie zijn kinderen,’ zei hij spottend.
    ‘Robb misschien wel,’ zei Joffry. ‘Ik ben een prins. En ik ben het zat met een speelgoedzwaard op Starks in te hakken.’
    ‘Je hebt meer klappen opgelopen dan uitgedeeld, Joff,’ zei Robb.
    ‘Ben je bang?’
    Prins Joffry keek hem aan. ‘O, als de dood,’ zei hij. ‘Je bent ook zo’n stuk ouder.’ Een paar van de Lannister-mannen lachten. Jon keek met een frons op het tafereel neer. ‘Joffry is echt een ettertje,’ zei hij tegen Arya. Ser Rodrik trok peinzend aan zijn witte bakkebaarden. ‘Wat stelt u dan voor?’ vroeg hij aan de prins.
    ‘Ontbloot staal.’
    ‘Prima,’ kaatste Robb terug. ‘Daar zal je spijt van krijgen!’
    De wapenmeester legde een hand op Robbs schouder om hem te kalmeren. ‘Ontbloot staal is te gevaarlijk. Maar stompe toernooizwaarden kan ik wel toestaan.’
    Joffry zei niets, maar een man die Arya niet kende, een lange ridder met zwart haar en littekens van brandwonden op zijn gezicht, drong zich naar voren en ging voor de prins staan. ‘Je hebt het tegen je eigen prins. Wie ben jij om hem voor te schrijven dat hij niet met scherp mag vechten, ser?’
    ‘De wapenmeester van Winterfel, Clegane, en dat kun je maar beter niet vergeten.’
    ‘Leid je hier soms vrouwen op?’ wilde de verbrande man weten. Hij was gespierd als een os.
    ‘Ik leid ridders op,’ zei ser Rodrik nijdig. ‘Ze krijgen staal als ze daar klaar voor zijn. Als ze meerderjarig zijn.’
    De verbrande man keek naar Robb. ‘Hoe oud ben jij, jongen?’
    ‘Veertien,’ zei Robb.
    ‘Ik heb een man gedood op mijn twaalfde. En niet met een stomp zwaard, dat kan ik je verzekeren.’
    Arya zag dat Robb zijn stekels opzette. Hij was in zijn trots gekwetst. Hij keerde zich naar ser Rodrik toe. ‘U moet het goedvinden. Ik kan van hem winnen.’
    ‘Doe dat dan met een toernooizwaard,’ zei ser Rodrik. Joffry haalde zijn schouders op. ‘Kom nog maar eens terug als je ouder bent, Stark. Als je dan niet te oud bent.’ Gelach bij de Lannisters. Robbs gevloek echode over de binnenplaats. Arya sloeg geschokt een hand voor haar mond. Theon Grauwvreugd greep Robbs arm om hem bij de prins vandaan te houden. Ser Rodrik trok gekweld aan zijn bakkebaarden.
    Joffry deed of hij geeuwde en wendde zich tot zijn jongere broer.
    ‘Kom, Tommen,’ zei hij. ‘Het speelkwartier is voorbij. Laat het stoeien verder maar aan de kleintjes over.’
    Dat ontlokte de Lannisters nog meer gelach en Robb nog meer gevloek. Het gezicht van ser Rodrik stak vuurrood af tegen het wit van zijn bakkebaarden, zo woedend was hij. Theon hield Robb in een ijzeren greep totdat de prinsen en hun gezelschap veilig vertrokken waren. Jon keek hen na, en Arya sloeg Jon gade. Zijn gezicht was even roerloos geworden als de poel in het hart van het godenwoud. Ten slotte klauterde hij uit het raam omlaag. ‘Einde van de voorstelling,’ zei hij en boog zich naar voren om Spook achter de oren te krabben. De witte wolf stond op en schurkte tegen hem aan. ‘Ga jij maar terug naar je kamer, zusje. Septa Mordane ligt vast op de loer. Hoe langer je je verstopt, hoe strenger de straf. Straks zit je de hele winter te borduren. Als de voorjaarsdooi komt vinden ze je lijk met de naald nog tussen je bevroren vingers geklemd.’
    Arya vond dat niet leuk. ‘Ik heb de pest aan borduren!’ zei ze heftig. ‘Het is niet eerlijk!’
    ‘Niets is eerlijk,’ zei Jon. Hij woelde nog eens door haar haren en liep weg. Spook ging geluidloos naast hem lopen. Ook Nymeria maakte aanstalten om hem te volgen, maar bleef staan en kwam teruglopen toen ze zag dat Arya niet meeging. Met tegenzin liep ze de andere kant op.
    Het was nog erger dan Jon had gedacht. In haar kamer werd ze niet opgewacht door Septa Mordane, maar door Septa Mordane en haar moeder.

Bran

    De jacht vertrok met zonsopgang. De koning wilde die avond everzwijn bij het banket. Prins Joffry reed naast zijn vader en dus mocht ook Robb de jagers vergezellen. Oom Benjen, Jory, Theon Grauwvreugd, ser Rodrik, en zelfs die rare kleine broer van de koningin waren allemaal meegegaan. Het was per slot van rekening de laatste jacht. De volgende ochtend vertrokken ze naar het zuiden.
    Bran was achtergebleven met Jon, de meisjes en Rickon. Maar Rickon was maar een peuter en de meisjes waren maar meisjes en Jon en zijn wolf waren nergens te vinden. Bran zocht hem niet al te ijverig. Hij dacht dat Jon boos op hem was. Jon scheen de laatste dagen boos op iedereen te zijn. Bran wist niet waarom. Hij ging met Oom Ben naar de Muur om bij de Nachtwacht te gaan. Dat was bijna net zo goed als met de koning naar het zuiden gaan. Robb was degene die achterbleef, niet Jon.
    Bran popelde al dagen om te vertrekken. Hij zou op een eigen paard over de Koningsweg rijden, geen pony, maar op een echt paard. Zijn vader werd de Hand des Konings en ze gingen wonen in het rode kasteel in Koningslanding, het kasteel dat de Drakenheren hadden gebouwd. Ouwe Nans zei dat het er spookte, en dat er kerkers waren waarin vreselijke dingen waren gebeurd, en drakenkoppen aan de wanden. Bran huiverde alleen al als hij eraan dacht, maar hij was niet bang. Hoe kon dat ook? Zijn vader zou bij hem zijn, en ook de koning met al zijn ridders en gezworen zwaarddragers. Op een dag zou Bran zelf ridder worden, en lid van de koningsgarde. Ouwe Nans zei dat dat de beste zwaardvechters van het hele rijk waren. Er waren er maar zeven, en ze droegen een witte wapenrusting en hadden vrouw noch kind, maar leefden slechts om de koning te dienen. Bran kende alle verhalen. Hun namen klonken hem als muziek in de oren. Serwyn van het Spiegelschild. Ser Ryam Roodweyn. Prins Aemon de Drakenridder. De tweelingen ser Erryk en ser Arryk, die elkaar aan het zwaard hadden geregen, honderden jaren geleden, toen broeder tegen zuster vocht in de oorlog die door de zangers de Drakendans werd genoemd. De Witte Stier, Gerold Hoogteren. Ser Arthur Dayn, het Zwaard van de Ochtend. Barristan de Boude. Twee leden van de koningsgarde waren met koning Robert meegekomen naar het noorden. Bran had hen gefascineerd gadegeslagen maar net niet de moed opgebracht om hen aan te spreken. Ser Boros was een kale man met een onderkin en ser Meryn had neerhangende oogleden en een roestkleurige baard. Ser Jaime Lannister leek meer op de ridders uit de verhalen, en ook hij was lid van de koningsgarde, maar Robb zei dat hij de vorige koning had gedood, die gek was, en dat hij daarom niet meer meetelde. De grootste nog levende ridder was ser Barristan Selmy, Barristan de Boude, het hoofd van de koningsgarde. Vader had beloofd dat ze ser Barristan zouden ontmoeten als ze Koningslanding bereikten, en Bran streepte de dagen af op de muur, verlangend om te vertrekken, om een wereld te zien waarvan hij alleen nog maar had gedroomd en aan een leven te beginnen dat hij zich nauwelijks kon voorstellen. Maar nu de laatste dag daar was, voelde Bran zich plotseling verloren. Winterfel was zijn enige thuis. Zijn vader had gezegd dat hij vandaag van iedereen afscheid moest nemen, en dat had hij geprobeerd. Na het vertrek van het jachtgezelschap zwierf hij door het kasteel rond met zijn wolf naast zich, van plan iedereen op te zoeken die hier zou blijven, Ouwe Nans en de kok Gies, Mikken in zijn smidse, de staljongen Hodor, die zo vaak glimlachte en voor zijn pony zorgde en nooit iets anders dan ‘Hodor’ zei, de man in de kassen die hem een zwarte bes gaf als hij op bezoek kwam… Maar het hielp niet. Hij was eerst naar de stal gegaan om een kijkje te nemen bij de box met zijn pony, alleen was het zijn pony niet meer, want hij kreeg een echt paard en de pony zou achterblijven, en plotseling wilde Bran alleen nog maar gaan zitten en huilen. Hij keerde zich om en rende weg voordat Hodor en de andere staljongens de tranen in zijn ogen konden zien. Het was uit met het afscheid nemen. In plaats daarvan bracht Bran de ochtend alleen in het godenwoud door, waar hij probeerde zijn wolf een stok te leren apporteren, maar zonder succes. De kleine wolf was slimmer dan alle honden in zijn vaders kennel en Bran zou gezworen hebben dat hij ieder woord verstond dat tegen hem gezegd werd, maar hij had heel weinig belangstelling voor het achternarennen van stokken. Hij moest nog steeds besluiten hoe het dier moest heten. Robb noemde de zijne Grijze Wind, omdat hij zo snel liep. Sansa had de hare de naam Dame gegeven, Arya had een of andere oude heksenkoningin uit de liederen gekozen en de kleine Rickon noemde de zijne Ruige Hond, wat Bran een nogal stompzinnige naam voor een schrikwolf vond. Jons wolf, de witte, was Spook. Bran wilde wel dat hij daar het eerste aan had gedacht, ook al was zijn wolf niet wit. Hij had de laatste twee weken wel honderd namen uitgeprobeerd, maar geen daarvan klonk goed.
    Ten slotte was hij het spelletje met de stok beu en besloot te gaan klimmen. Er was zoveel gebeurd dat hij al weken niet in de bouwvallige toren was geweest, en dit was misschien zijn laatste kans. Hij rende het godenwoud uit, via een omweg, om de poel met de hartboom te mijden. De hartboom joeg hem altijd angst aan. Bomen hoorden geen ogen te hebben, vond Bran, of bladeren die op handen leken. Zijn wolf schoot achter hem aan. ‘Jij blijft hier,’ beval hij het dier aan de voet van de wachtboom bij de muur van de wapenkamer. ‘Lig. Goed zo. En blijf.’
    De wolf deed wat hem gezegd werd. Bran krabde hem achter de oren. Toen draaide hij zich om, sprong, greep een laaghangende boomtak en trok zich op. Hij bewoog zich met gemak van tak naar tak en was al halverwege de boom toen de wolf opstond en begon te huilen.
    Bran keek omlaag. Zijn wolf zweeg en staarde met gele spleetjes van ogen naar hem op. Een vreemde huivering doorvoer hem. Hij klom verder. Weer begon de wolf te huilen. ‘Stil!’ schreeuwde hij.
    ‘Zit. Blijf. Je bent nog erger dan moeder.’ Het gehuil achtervolgde hem tot boven in de boom, totdat hij eruit sprong, het dak van de wapenkamer op en uit het zicht.
    De daken van Winterfel waren Brans tweede thuis. Zijn moeder zei vaak dat Bran al kon klimmen voor hij kon lopen. Bran wist niet meer wanneer hij voor het eerst was gaan lopen, maar hij wist ook niet meer wanneer hij was gaan klimmen, dus hij nam maar aan dat het waar was.
    Voor een jongen was Winterfel één grauwe, stenen doolhof van muren, torens, binnenhoven en tunnels die alle kanten op liepen. In de oudere stukken van het kasteel liepen de zalen schuin omhoog en omlaag, zodat je niet eens zeker wist op welke verdieping je was. Het gebouw was door de eeuwen heen gegroeid als een monsterlijke stenen boom, had Maester Luwin hem eens verteld, met dikke, knoestige kronkeltakken en wortels die diep in de aarde verzonken lagen.
    Toen hij daaronder vandaan dook en dicht bij de hemel overeind krabbelde kon Bran in één oogopslag heel Winterfel overzien. Het beviel hem wel zoals hij het daar aan zijn voeten uitgespreid zag liggen. Boven hem cirkelden slechts vogels rond, terwijl het hele leven in het kasteel zich beneden hem afspeelde. Bran kon daarboven uren doorbrengen tussen de vormeloze, door regen verweerde gargouilles die boven aan de Eerste Burcht peinzend op alles neerzagen: op de mannen die met hout en staal op de binnenplaats aan het oefenen waren, de koks die in de kas hun groenten verzorgden, de honden die in de kennels rusteloos heen en weer liepen, de stilte van het godenwoud, het geroddel van de meisjes bij de wasplaats. Dan voelde hij zich heer over het kasteel zoals zelfs Robb nooit zou doen. Hij leerde zo ook de geheimen van Winterfel kennen. De bouwers hadden de grond niet eens vlak gemaakt: achter de muren van Winterfel lagen heuvels en dalen. Vanaf de derde verdieping van de klokkentoren liep een overdekte brug naar de eerste verdieping van het roekenhuis, wist Bran. Hij wist ook dat je bij de zuidpoort m de binnenmuur kon komen, drie verdiepingen kon klimmen en dan via een nauwe tunnel door de steen helemaal om Winterfel heen kon rennen om vervolgens bij de noordpoort op de begane grond uit te komen, waar de muur honderd voet hoog boven je uitrees. Dat wist zelfs Maester Luwin niet, daarvan was Bran overtuigd. Zijn moeder was doodsbang dat Bran op een dag van een muur zou tuimelen en dood zou vallen. ‘Dat doe ik niet,’ zei hij altijd, maar ze geloofde hem nooit. Eens had ze hem laten beloven om op de grond te blijven. Hij had die belofte bijna een maand lang weten te houden en zich er elke dag ellendig bij gevoeld, totdat hij op een avond uit zijn slaapkamerraam was geklauterd toen zijn broers vast in slaap waren.
    De dag daarop had hij in een vlaag van berouw zijn misdaad bekend. Heer Eddard had hem ter zuivering naar het godenwoud gestuurd. Er waren wachten geposteerd om ervoor te zorgen dat Bran de hele nacht alleen bleef om over zijn ongehoorzaamheid na te denken. De volgende morgen was Bran nergens te vinden. Ze troffen hem ten slotte vast in slaap in de bovenste takken van de grootste wachtboom van het bos aan.
    Zo boos als hij was moest zijn vader toch lachen. ‘Jij bent geen zoon van mij,’ zei hij tegen Bran toen ze hem naar beneden hadden gehaald. ‘Jij bent een eekhoorn. Het zij zo. Klim dan, als je het niet laten kunt, maar probeer te voorkomen dat je moeder je ziet.’
    Bran deed zijn best, al had hij niet het idee dat ze zich ooit serieus voor de gek liet houden. Omdat zijn vader het niet wilde verbieden wendde ze zich tot anderen. Ouwe Nans vertelde hem een verhaal over een stoute kleine jongen die te hoog klom en door de bliksem getroffen werd, en hoe naderhand de kraaien zijn ogen uit kwamen pikken. Bran was niet onder de indruk. Boven op de bouwvallige toren, waar alleen hijzelf ooit kwam, zaten kraaiennesten. Soms stopte hij zijn zakken vol maïs voor hij omhoogklom, en dat aten de kraaien dan uit zijn hand. Geen ervan had ooit enige neiging vertoond zijn ogen te willen uitpikken. Later had Maester Luwin eens een jongetje van aardewerk gemaakt en dat in Brans kleren gehuld en van de muur af op de binnenplaats gesmeten om te laten zien wat er met Bran zou gebeuren als hij viel. Dat was grappig, maar na afloop had Bran de maester alleen maar aangekeken en gezegd: ‘Ik ben niet van klei. En bovendien val ik nooit.’
    Daarna werd hij een tijdlang door de wachten achtervolgd zodra ze hem op de daken zagen. Dan probeerden ze hem naar beneden te trekken. Dat was heel leuk geweet. Het was net of hij een spelletje met zijn broers deed, behalve dan dat Bran altijd won. Geen van de wachten kon ook maar half zo goed klimmen als Bran, zelfs Jory niet. Meestal zagen ze hem trouwens niet eens. De mensen keken nooit omhoog. Dat was nog een reden waarom hij graag klom: het was bijna of je onzichtbaar was.
    Hij hield ervan, zich steen voor steen langs een muur omhoog te trekken en zijn vingers en tenen stevig in de kleine spleetjes te klemmen. Hij klom altijd blootsvoets, met zijn laarzen uit, want dan had hij het gevoel dat hij vier in plaats van twee handen had. Hij hield van de aangename pijn die na afloop zijn spieren zwaar maakte, en van de smaak van de lucht daarboven, zoet en koud als een winterse perzik. Hij hield van de vogels: de kraaien in de bouwvallige toren, de musjes die in de kieren tussen de stenen nestelden, de oeroude uil die op de stoffige zolder boven de vroegere wapenkamer sliep. Bran kende ze allemaal.
    Wat hij het liefste deed was naar plaatsen gaan die voor niemand anders bereikbaar waren en naar de grauwe massa van Winterfel kijken zoals niemand anders die ooit zag. Zo werd het hele kasteel Brans geheime plek.
    Zijn favoriete schuilplaats was de bouwvallige toren. Dat was vroeger een wachttoren geweest, de hoogste van Winterfel. Lang geleden, honderd jaar voor de geboorte van zijn vader zelfs, was hij bij een blikseminslag in brand gevlogen. Het bovenstuk, een derde van het geheel, was ingestort, en de toren was nooit herbouwd. Soms stuurde zijn vader rattenvangers naar de voet van de toren om de nesten te verwijderen die altijd te vinden waren in de chaos van gevallen stenen en verkoolde en verrotte balken. Maar niemand kwam ooit nog bij de gehavende bovenkant van het gebouw, behalve Bran en de kraaien.
    Hij kende twee manieren om er te komen. Je kon recht omhoogklimmen langs de toren zelf, maar omdat de mortel die de stenen bijeenhield allang tot stof vergaan was zaten ze los, en Bran vond het geen prettig idee er met zijn volle gewicht aan te gaan hangen. De beste manier was om in het godenwoud te beginnen, je op te hijsen via de hoge wachtboom, en de wapenkamer en de wachtzaal over te steken, springend van dak tot dak, blootsvoets, zodat de wachten je niet boven hun hoofd hoorden lopen. Zo bereikte je de blinde kant van de Eerste Burcht, het oudste stuk van het kasteel, een logge, ronde versterking die hoger was dan hij leek. Daar woonden nu nog slechts ratten en spinnen, maar de oude stenen waren nog heel geschikt om te klimmen. Je kon recht omhoog naar de oude gargouilles die blind boven de lege ruimte uitstaken, en aan je handen van de ene kop naar de andere zwaaien tot je de noordkant bereikte. Als je je dan helemaal uitrekte kon je van daaruit het overhellende stuk van de bouwvallige toren grijpen en je eraan optrekken. Het laatste gedeelte was de klim langs de zwartgeblakerde stenen naar de top, niet meer dan tien voet, en daarna kwamen de kraaien kijken of je maïs had meegebracht.
    Bran zwaaide zich juist met geoefende bewegingen van de ene gargouille naar de andere toen hij de stemmen hoorde. Hij schrok zo dat hij bijna zijn greep verloor. De Eerste Burcht was al zo lang hij leefde leeg.
    ‘Het bevalt me niet,’ zei een vrouw. Pal onder hem was een rij ramen, en de stem kwam uit het laatste raam aan deze kant naar buiten zweven. ‘Jij zou de Hand moeten zijn.’
    ‘Dat mogen de goden verhoeden,’ antwoordde een lome mannenstem. ‘Ik ambieer die baan niet. Veel te veel werk.’
    ‘Stark mag niet zoveel macht krijgen. Dan gaat het weer net zo als met Jon Arryn. Waarom moest de man zo nodig ja zeggen?’
    Bran bleef hangen om te luisteren, plotseling bang om verder te gaan. Ze zouden zijn voeten kunnen zien als hij probeerde voorbij te zwaaien.
    ‘Je zou blij moeten zijn,’ zei de man. ‘Je echtgenoot had zich evengoed tot een van zijn broers kunnen wenden, of zelfs tot Pinkje. Ik heb liever een eerzame vijand dan een eerzuchtige, en ik ga vannacht rustig slapen.’
    ‘Ik had erop moeten staan dat hij jou benoemde,’ zei de vrouw.
    ‘Robert had vast toegegeven als ik meer mijn best had gedaan. Ik was ervan overtuigd dat Stark zou weigeren.’
    ‘De raad zal Ned Stark met huid en haar verslinden. Als hij maar even nadacht zou hij in het noorden blijven. Dit is de zetel van zijn macht.’
    Ze hadden het over zijn vader, besefte Bran. Hij wilde meer horen. Nog een paar voet… maar ze zouden hem zien als hij langs het raam zwaaide.
    ‘We zullen hem zorgvuldig in het oog moeten houden,’ zei de vrouw.
    ‘Ik richt het oog liever op jou,’ zei de man. Hij klonk verveeld.
    ‘Kom maar weer hier.’
    ‘De Starks hebben nooit enig belang gesteld in iets wat ten zuiden van de Nek gebeurde,’ zei de vrouw. ‘Nooit. Ik denk dat hij in het geniep een spelletje speelt. Waarom zou hij anders ja zeggen?’
    ‘Misschien vindt hij dat hij dat aan zijn koning verplicht is. Misschien wil hij zijn naam met hoofdletters in de annalen schrijven of wil hij bij zijn vrouw weg, of allebei. Hij kan zoveel redenen hebben. Het kan zelfs zijn dat hij het eindelijk eens warm wil hebben, weet ik veel.’
    ‘Robert houdt van hem als een broer. Zie je niet hoe gevaarlijk dat is? Stannis en Renling zijn al erg genoeg, maar Robert zal naar Stark luisteren. En zijn vrouw is de zuster van Lysa Arryn. Twijfel je er ook maar één moment aan dat ze iets tegen ons in hun schild voeren? Het verbaast me dat zij hier niet is.’
    Bran keek omlaag. Beneden het raam was een smalle richel, niet meer dan een paar duim breed. Hij probeerde zich erop te laten zakken. Te ver weg. Hij zou er nooit bij kunnen.
    ‘Wat dat wijf van Arryn ook weet of vermoedt, ze heeft geen bewijzen,’ zei de man. Hij zweeg even. ‘Of wel?’
    ‘Natuurlijk niet,’ zei de vrouw. ‘Denk je dat dat een belemmering voor haar zal zijn? Ze heeft zelf een zoon. Denk je dat zij voor de hare ook maar iets minder zal doen dan ik voor de mijne heb gedaan?’
    De man lachte, een verbitterd geluid. ‘Moeders,’ zei hij. Uit zijn mond klonk het als een vloek. ‘Ik denk wel eens dat kinderen baren jullie geest aantast. Jullie zijn allemaal gek.’
    Bran bestudeerde het richeltje. Hij kon zich erheen laten vallen. Het was te smal om op te landen, maar als hij zich vast kon grijpen terwijl hij erlangs viel, en zich kon optrekken… ware het niet, dat zoiets misschien lawaai zou maken, zodat ze naar het raam zouden komen. Hij wist niet precies wat hij eigenlijk hoorde, maar hij wist wel dat het niet voor zijn oren bestemd was.
    ‘Je bent net zo koppig en blind als Robert,’ zei de vrouw.
    ‘Ja, als je bedoelt dat ik hetzelfde zie,’ zei de man. ‘Ik zie een man die liever sterft dan zijn koning te verraden.’
    ‘Hij heeft er al eens een verraden, of ben je dat vergeten?’ zei de vrouw. ‘Ik zeg je, ik heb het in mijn dromen duidelijk gezien. Een wolf zo groot als een paard die van het rottende karkas van een hertenbok zit te schranzen. Wat denk je dat dat betekent?’
    ‘Dat betekent dat je minder belang aan dromen moet hechten,’
    hield de man vol. Hij geeuwde. ‘Weet je zeker dat je van een wolf hebt gedroomd, en niet van een leeuw? Ik zweer je dat Stark trouw is.’
    ‘O, ik zal niet ontkennen dat hij Robert trouw is, dat is zo duidelijk als wat. Wat gebeurt er als Robert sterft en Joff de troon bez stijgt? En hoe eerder dat gebeurt, hoe veiliger we allemaal zijn. Mijn echtgenoot wordt met de dag rustelozer. Met Stark naast hem zal dat alleen maar erger worden. Hij is nog steeds verliefd op die zuster, dat onbeduidende, dooie, zestienjarige wicht. Hoe lang nog voordat hij me afdankt voor een nieuwe Lyanna?’
    Bran was plotseling heel bang. Hij zou niets liever doen dan teruggaan via de weg waarlangs hij gekomen was en zijn broers opzoeken. Maar wat moest hij hun zeggen? Hij moest dichterbij zien te komen, besefte Bran. Hij moest zien wie daar praatten. De man zuchtte. ‘Je moet minder aan de toekomst denken, en meer aan de geneugten van het ogenblik.’
    ‘Hou op,’ zei de vrouw. Bran hoorde plotseling het petsende geluid van vlees dat op vlees slaat, en toen het gelach van de man. Bran trok zichzelf op, klom over de gargouille en kroop het dak op. Dit was de makkelijke manier. Hij schoof over het dak naar de volgende gargouille, pal boven het raam van de kamer waarin ze spraken.
    ‘Al dat gepraat begint me de keel uit te hangen, zusje,’ zei de man.
    ‘Kom hier en wees stil.’
    Bran zat schrijlings op de gargouille, kneep zijn benen er stevig omheen en zwaaide rond tot hij ondersteboven hing. Hangend aan zijn benen strekte hij langzaam zijn hoofd naar het raam uit. Omgekeerd zag de wereld er vreemd uit. Onder hem deinde duizelingwekkend diep een binnenplaats waarvan de stenen nog nat waren van de gesmolten sneeuw.
    Bran keek door het raam naar binnen.
    In de kamer waren een man en een vrouw aan het worstelen, allebei naakt. Bran kon niet zien wie. De rug van de man was naar hem toegekeerd, en zijn lichaam schermde dat van de vrouw af terwijl hij haar tegen een muur drukte. Er klonken zachte, natte geluiden. Bran besefte dat ze elkaar kusten. Hij keek met grote, bange ogen toe, en de adem bleef in zijn keel steken. De man had een hand tussen haar bovenbenen gestoken, en hij moest haar daar pijn doen, want de vrouw begon met een zacht keelgeluid te kreunen. ‘Hou op,’ zei ze, ‘hou op, hou op. O, alsjeblieft…’ Maar haar stem klonk zacht en zwak, en ze duwde hem niet weg. Haar handen groeven zich in zijn haar, zijn verwarde gouden haar, en trokken zijn gezicht tegen haar borst. Bran zag haar gezicht. Haar ogen waren dicht en haar mond hing kreunend open. Haar gouden haar zwiepte naar links en rechts doordat haar hoofd heen en weer ging, maar toch herkende hij de koningin. Hij moest een geluid hebben gemaakt. Plotseling gingen haar ogen open en staarde ze hem recht in het gezicht. Ze gilde. Toen gebeurde alles tegelijkertijd. De vrouw duwde de man woest van zich af, schreeuwend en wijzend. Bran probeerde zich op te trekken en vouwde zich dubbel om de gargouille te grijpen. Hij was te gehaast. Zijn handen schraapten nutteloos over gladde steen, en in zijn paniek gleden zijn benen weg en ineens viel hij. Er volgde een moment van duizeling, een misselijkmakende slingerbeweging terwijl het raam langsflitste. Hij stak vliegensvlug een hand uit, greep de richel, liet hem los en wist hem met zijn andere hand weer vast te grijpen. Hij sloeg hard tegen het gebouw aan. De klap benam hem de adem. Hijgend bleef Bran aan één hand bungelen.
    In het raam boven hem verschenen gezichten.
    De koningin. En nu zag Bran wie de man naast haar was. Ze waren elkaars spiegelbeeld.
    ‘Hij heeft ons gezien,’ zei de vrouw schel.
    ‘Zeg dat wel,’ zei de man.
    Brans vingers begonnen los te laten. Hij greep de richel met zijn andere hand. Zijn nagels stuitten op keiharde steen. De man stak een hand uit. ‘Pak beet,’ zei hij. ‘Voordat je valt.’
    Bran greep zijn arm en hield die uit alle macht vast. De man trok hem de richel op. ‘Wat doe je?’ wilde de vrouw weten. De man negeerde haar. Hij was heel sterk. Hij zette Bran rechtop in de vensterbank. ‘Hoe oud ben jij, jongen?’
    ‘Zeven,’ zei Bran, sidderend van opluchting. Zijn vingers hadden diepe voren getrokken in de onderarm van de man. Schaapachtig liet hij hem los.
    De man wierp de vrouw een blik toe. ‘Wat ik al niet doe uit liefde,’ zei hij walgend. Hij gaf Bran een duw. Schreeuwend viel Bran achterwaarts het raam uit, het niets in. Er was geen enkel houvast. De binnenplaats kwam naar hem omhoogsuizen. Ergens in de verte huilde een wolf. Kraaien cirkelden om de bouwvallige toren heen, wachtend op maïs.

Tyrion

    Ergens in de grote stenen doolhof van Winterfel huilde een wolf. Het geluid hing als een rouwvlag over het kasteel heen. Tyrion Lannister keek huiverend op van zijn boeken, al was het aangenaam warm in de bibliotheek. Er was iets met wolvengehuil waardoor een man abrupt uit het hier en nu werd weggerukt en alleen in een duister woud van de geest werd achtergelaten, waar hij naakt voor het wolvenpak uit rende. Toen de schrikwolf nogmaals huilde klapte Tyrion de zware leren boekband dicht waarin hij had zitten lezen, een honderd jaar oude verhandeling over de wisseling der seizoenen van een lang gestorven maester. Hij geeuwde en sloeg de rug van zijn hand voor zijn mond. Zijn leeslampje, waarvan de olie bijna op was, flakkerde, en het ochtendlicht sijpelde door de hoge vensters. Hij was de hele nacht bezig geweest, maar dat was niets bijzonders. Tyrion Lannister was niet iemand die veel sliep.
    Toen hij zich van de bank liet glijden waren zijn benen stijf en pijnlijk. Hij masseerde het leven er weer enigszins in en hinkte moeizaam naar de tafel waaraan de septon zachtjes zat te snurken, het boek dat opengeslagen vóór hem lag als hoofdkussen. Tyrion gluurde naar de titel. Een biografie van grootmaester Aethelmure, geen wonder. ‘Cheyl,’ zei hij zachtjes. De jongeman schoot overeind, beduusd en met knipperende ogen. Het kristal van zijn orde slingerde woest heen en weer aan zijn zilveren ketting. ‘Ik ga ontbijten. Zet de boeken terug in de kast. Voorzichtig met die Valyrische boekrollen, het perkament is erg droog. Ayrmidons Oorlogsmachines is vrij zeldzaam, en jullie hebben hier het enige complete afschrift dat ik ooit heb gezien.’
    Cheyl staarde hem met open mond aan, nog steeds half in slaap. Geduldig herhaalde Tyrion zijn instructies, gaf de septon een schouderklopje en liet hem alleen met zijn taken. Buiten zoog Tyrion zijn longen vol met de kille ochtendlucht en begon aan de inspannende afdaling van de steile stenen trap die als een kurkentrekker om de buitenkant van de bibliotheek draaide. Het ging langzaam, want de treden waren hoog en smal en zijn benen kort en krom. De opkomende zon kwam nog niet boven de muren van Winterfel uit, maar de mannen op de binnenplaats beneden waren al hard aan het werk. De raspende stem van Sandor Clegane zweefde naar hem omhoog. ‘Die jongen heeft een hoop tijd nodig om dood te gaan. Ik wou dat hij wat opschoot.’
    Tyrion keek naar beneden en zag de Jachthond bij de jonge Joffry staan, met een zwerm schildknapen om hen heen. ‘Maar hij gaat tenminste in stilte dood,’ antwoordde de prins. ‘Het is de wolf die zo’n herrie maakt. Ik kon er vannacht bijna niet van slapen.’
    Clegane wierp een langgerekte schaduw over de aangestampte grond toen zijn schildknaap de zwarte helm over zijn hoofd liet zakken. ‘Ik kan dat beest wel het zwijgen opleggen, als ik u daarmee een plezier doe,’ zei hij door zijn open vizier heen. Zijn page reikte hem een slagzwaard aan. Hij doorkliefde de koude ochtendlucht om de balans uit te testen. Achter hem galmde het geluid van staal op staal over de binnenplaats.
    De prins leek verrukt van het idee. ‘Een hond sturen om een hond dood te slaan!’ riep hij uit. ‘Winterfel is zo vergeven van de wolven dat de Starks die ene vast niet zullen missen.’
    Tyrion sprong van de onderste tree de binnenplaats op. ‘Veroorloof me met je van mening te verschillen, neef,’ zei hij. ‘De Starks kunnen tot zes tellen, anders dan sommige prinsen die ik met name zou kunnen noemen.’
    Joffry was tenminste zo fatsoenlijk om te blozen.
    ‘Een stem uit het niets,’ zei Sandor. Hij tuurde door zijn helm alle kanten op. ‘Luchtgeesten!’
    De prins lachte, zoals hij altijd deed als zijn lijfwacht deze pantomime opvoerde. Tyrion was eraan gewend. ‘Hierbeneden.’
    De lange man tuurde naar de grond en deed net of hij hem zag.
    ‘De kleine heer Tyrion,’ zei hij. ‘Verschoning. Ik had u niet zien staan.’
    ‘Ik ben vandaag niet in de stemming voor uw vrijpostigheden.’
    Tyrion wendde zich tot zijn neef. ‘Joffry, het is hoog tijd dat je bij heer Eddard en zijn vrouwe langsgaat om hun je medeleven te betuigen.’
    Joffry trok het soort pruilgezicht dat alleen een jongen kan trekken die tevens een prins is. ‘Wat hebben ze aan mijn medeleven?’
    ‘Niets,’ zei Tyrion. ‘Maar het wordt wel van je verwacht. Je afwezigheid valt op.’
    ‘Die zoon van Stark laat me koud,’ zei Joffry. ‘Ik kan niet tegen het gejammer van vrouwen.’
    Tyrion Lannister bracht zijn hand omhoog en sloeg zijn neef hard in het gezicht. De wang van de jongen werd rood.
    ‘Nog één woord,’ zei Tyrion, ‘en je krijgt weer een klap.’
    ‘Ik zeg het tegen mijn moeder hoor!’ riep Joffry uit. Tyrion gaf hem nog een klap. Nu waren allebei zijn wangen vuurrood.
    ‘Doe moet je vooral doen,’ zei Tyrion tegen hem. ‘Maar maak eerst dat je bij heer en vrouwe Stark komt. En daar val je voor hen op de knieën en je zegt hoe erg je het vindt, en dat je tot hun dienst bereid bent als er ook maar iets is dat je voor hun en de hunnen kunt doen in dit uur van vertwijfeling, en dat je hen in al je gebeden gedenkt. Begrepen? Begrepen?’
    De jongen keek of hij in huilen uitbarsten zou. In plaats daarvan slaagde hij erin, zwakjes te knikken. Toen draaide hij zich om en vluchtte halsoverkop de binnenplaats af met zijn hand tegen zijn wang. Tyrion keek hem na terwijl hij wegrende.
    Er viel een schaduw over zijn gezicht. Toen hij omkeek zag hij Clegane als een rotswand boven zich uittorenen. De roetzwarte wapenrusting leek de zon te verduisteren. Hij had zijn helmvizier neergeslagen. Dat had de vorm van een zwarte hond die zijn tanden liet zien, een angstaanjagende aanblik, maar in Tyrions ogen een grote verbetering vergeleken bij Cleganes afschuwelijk verbrande gezicht.
    ‘Dat zal de prins niet vergeten, kleine heer,’ waarschuwde de Jachthond hem. De helm veranderde zijn lach in een hol gerommel.
    ‘Dat mag ik hopen,’ antwoordde Tyrion Lannister. ‘Als hij het wel doet, wees dan een goeie hond en herinner hem eraan.’ Hij keek de binnenplaats rond. ‘Weet u waar ik mijn broer kan vinden?’
    ‘Aan het ontbijten met de koningin.’
    ‘Ach. Natuurlijk,’ zei Tyrion. Hij gaf Sandor Clegane een vluchtig knikje en liep fluitend weg, zo energiek als zijn korte beentjes hem toestonden. Hij had erg te doen met de eerste ridder die het vandaag tegen de Jachthond zou opnemen. Wat was die man opvliegend. In de ochtendzaal van het gasten verblijf stond een koud en vreugdeloos maal op tafel. Jaime zat aan met Cersei en de kinderen. Ze spraken zachtjes, met gedempte stemmen.
    ‘Ligt Robert nog in bed?’ vroeg Tyrion terwijl hij ongenood aan tafel ging zitten.
    Cersei tuurde naar hem met die uitdrukking van lichte weerzin die ze zich al sinds zijn geboorte aanmat. ‘De koning heeft helemaal niet geslapen,’ zei ze tegen hem. ‘Hij is bij heer Eddard. Hij trekt zich hun verdriet erg aan.’
    ‘Hij heeft een groot hart, onze Robert,’ zei Jaime met een loom lachje. Er was heel weinig dat Jaime serieus nam. Tyrion kende dat trekje van zijn broer en vergaf het hem. Heel zijn afschuwelijke kindertijd lang was Jaime de enige geweest die hem ooit het geringste zweempje genegenheid of respect had geschonken, en daarvoor was Tyrion bereid hem vrijwel alles te vergeven.
    Er naderde een bediende. ‘Brood,’ zei Tyrion tegen hem, ‘en twee van die kleine visjes, en een kroes van dat lekkere donkere bier om ze weg te spoelen. O ja, en wat spek. Verbranden tot het zwart wordt.’ De man boog en verwijderde zich. Tyrion wendde zich weer tot zijn broer en zuster. Een tweeling, mannelijk en vrouwelijk. Zo zagen ze er vandaag ook in hoge mate uit. Ze hadden allebei een kleur donkergroen uitgezocht die precies bij hun ogen paste. Hun blonde lokken waren één modieuze krullenpracht en om hun polsen, vingers en hals blonken gouden sieraden. Tyrion vroeg zich af hoe het was om de helft van een tweeling te zijn en besloot dat hij het liever niet wilde weten. Het was al erg genoeg dat hij elke dag zichzelf in de spiegel zag. Nog zo iemand als hij, daar moest hij niet aan denken.
    Prins Tommen nam het woord. ‘Hebt u nog nieuws van Bran, oom?’
    ‘Ik ben gisteravond bij de ziekenkamer langsgegaan,’ gaf Tyrion te kennen. ‘Er was geen verandering. Dat leek de maester een hoopvol teken.’
    ‘Ik wil niet dat Brandon doodgaat,’ zei Tommen timide. Hij was een lieve jongen. Heel anders dan zijn broer, maar Jaime en Tyrion waren per slot van rekening ook niet elkaars evenbeeld.
    ‘Heer Eddard had ook een broer die Brandon heette,’ peinsde Jaime. ‘Een van de gijzelaars die door Targaryen vermoord werden. Een onfortuinlijke naam, naar het schijnt.’
    ‘Toch niet zó onfortuinlijk,’ zei Tyrion. De bediende bracht zijn bord. Hij brak een homp zwart brood af.
    Cersei sloeg hem bedachtzaam gade. ‘Wat bedoel je?’
    Tyrion wierp haar een scheve glimlach toe. ‘Ach, alleen dat Tommen wel eens zijn zin zou kunnen krijgen. De maester denkt dat de jongen misschien blijft leven.’ Hij nam een slok bier. Myrcella hapte van blijdschap naar adem en Tommen glimlachte nerveus, maar het waren niet de kinderen op wie Tyrion lette. De blik die Jaime en Cersei wisselden duurde slechts één tel, maar ontging hem niet. Toen sloeg zijn zuster haar ogen neer naar het tafelblad. ‘Dat is geen opluchting. Die noordelijke goden zijn wreed dat ze het kind met die pijn verder laten leven.’
    ‘Wat zei de maester precies?’ vroeg Jaime.
    Het spek kraakte toen hij erin beet. Tyrion kauwde even bedachtzaam en zei toen: ‘Hij denkt dat de jongen anders al dood zou zijn geweest. Het duurt nu al vier dagen zonder dat er verandering optreedt.’
    ‘Wordt Bran weer beter, oom?’ vroeg de kleine Myrcella, die qua schoonheid sprekend op haar moeder leek en qua karakter volstrekt niet.
    ‘Zijn rug is gebroken, kleintje,’ zei Tyrion tegen haar. ‘Door de val zijn ook zijn benen verbrijzeld. Ze houden hem met honing en water in leven, anders zou hij sterven van de honger. Als hij bijkomt kan hij misschien echt voedsel eten, maar hij zal nooit meer lopen.’
    ‘Als hij bijkomt,’ herhaalde Cersei. ‘Is dat waarschijnlijk?’
    ‘Dat weten slechts de goden,’ zei Tyrion. ‘De maester kan alleen maar hopen.’ Hij werkte nog wat brood weg. ‘Ik zou zweren dat de jongen in leven wordt gehouden door die wolf van hem. Het beest zit dag en nacht voor zijn raam te huilen. Telkens als ze het wegjagen komt het weer terug. De maester vertelde me dat ze een keer het raam dichtgedaan hadden om het lawaai buiten te sluiten, en dat Bran toen zwakker leek te worden. Toen ze het weer openden werd zijn hartslag krachtiger.’
    De koningin huiverde. ‘Die beesten hebben iets onnatuurlijks,’ zei ze. ‘Ze zijn gevaarlijk. Ik wil niet dat er ook maar ééntje mee naar het zuiden gaat.’
    Jaime zei: ‘Dan zal het je nog moeilijk vallen om ze tegen te houden, zuster. Ze volgen die meisjes overal.’
    Tyrion begon aan zijn vis. ‘Gaan jullie dan al snel weg?’
    ‘Nog lang niet snel genoeg,’ zei Cersei. Toen fronste ze haar voorhoofd. ‘Gaan wij weg?’ echode ze. ‘En jij dan? Alle goden, je wilt toch niet beweren dat je hier blijft?’
    Tyrion haalde zijn schouders op. ‘Benjen Stark gaat met de bastaard van zijn broer naar de Nachtwacht terug. Ik heb zin om mee te gaan en die Muur waar we allemaal zo veel over gehoord hebben eens te bekijken.’
    Jaime glimlachte. ‘Ik hoop niet dat je overweegt ons te verruilen voor het zwart, lieve broer.’
    Tyrion lachte. ‘Wat, ik als celibatair? Dan zouden de hoeren van Dorne tot de Rots van Casterling aan de bedelstaf raken. Nee, ik wil gewoon boven op de Muur staan en van de rand van de wereld pissen.’
    Abrupt stond Cersei op. ‘De kinderen hoeven die smeerpijperij niet te horen. Tommen, Myrcella, kom mee.’ Ze beende energiek het ochtendvertrek uit met haar sleep en haar kroost achter zich aan. Jaime Lannister bekeek zijn broer peinzend met die koele groene ogen van hem. ‘Stark weigert vast om Winterfel te verlaten nu zijn zoon tussen leven en dood zweeft.’
    ‘Niet als Robert het beveelt,’ zei Tyrion. ‘En dat zal Robert doen ook. Heer Eddard kan hoe dan ook niets voor de jongen doen.’
    ‘Hij zou een einde aan zijn lijden kunnen maken,’ zei Jaime. ‘Dat zou ik doen als het mijn zoon was. Het zou barmhartig zijn.’
    ‘Ik raad je aan zoiets niet ten overstaan van heer Eddard te suggereren, lieve broer,’ zei Tyrion. ‘Hij zou het je niet in dank afnemen.’
    ‘Ook al blijft de jongen leven, hij zal verlamd blijven. Nog erger dan verlamd: mismaakt. Ik ga liever meteen dood.’
    Tyrion reageerde door zijn schouders op te halen, wat zijn bochel nog eens extra accentueerde. ‘Namens de mismaakten ben ik zo vrij om met je van mening te verschillen. De dood is zo vreselijk definitief, terwijl het leven vol mogelijkheden is.’
    Jaime glimlachte. ‘Jij bent een verdorven kleine kobold, hè?’
    ‘O ja,’ gaf Tyrion toe. ‘Ik hoop echt dat die jongen bijkomt. Het zou me heel erg interesseren om te horen wat hij te zeggen heeft.’
    De glimlach van zijn broer stremde als zure melk. ‘Tyrion, lieve broer,’ zei hij somber, ‘soms vraag ik me af aan wiens kant je eigenlijk staat.’
    Tyrions mond zat vol met brood en vis. Hij nam een slok sterk zwart bier om alles weg te spoelen. Toen wierp hij Jaime een wolfachtige grijns toe. ‘Maar Jaime, lieve broer van me,’ zei hij. ‘Nu kwets je me. Je weet hoe dierbaar mijn familie me is.’

Jon

    Jon klom traag de trap op en probeerde er niet bij stil te staan dat dit misschien de allerlaatste maal was. Spook stapte geluidloos naast hem voort. Buiten wervelde de sneeuw door de kasteelpoorten en de binnenplaats was een en al luidruchtige chaos, maar achter de stenen muren was het nog warm en rustig. Te rustig, naar Jons zin. Hij bereikte de overloop en talmde even, enigszins huiverig. Spook duwde zijn snuit tegen Jons hand. Dat gaf hem moed. Hij rechtte zijn rug en ging de kamer binnen.
    Daar zat vrouwe Stark naast zijn bed. Ze zat er nu al bijna twee weken dag en nacht. Ze was geen ogenblik van Brans zijde geweken. Ze liet daar haar maaltijden naartoe brengen, en ook kamerpotten, en ze had er een smal, hard bed laten neerzetten om op te slapen, al werd er gezegd dat ze nauwelijks een oog dichtdeed. Ze voerde hem zelf, het mengsel van honing, water en kruiden dat hem in leven hield. Ze verliet de kamer geen ogenblik. Dus was Jon weggebleven. Maar nu kon dat niet meer.
    In de deuropening bleef hij even staan, bang om iets te zeggen, bang om dichterbij te komen. Het raam stond open. Daarbuiten huilde een wolf. Spook hoorde het en hief zijn kop op. Vrouwe Stark keek zijn kant op. Een ogenblik lang leek ze hem niet te herkennen. Eindelijk knipperde ze met haar ogen. ‘Wat kom jij hier doen?’ vroeg ze op merkwaardig vlakke en emotieloze toon.
    ‘Ik kwam Bran opzoeken,’ zei Jon. ‘Om afscheid te nemen.’
    Haar gezicht veranderde niet. Haar lange, kastanjebruine haar was dof en zat in de war. Ze zag er twintig jaar ouder uit. ‘Dat heb je dan nu gedaan. Ga maar weer weg.’
    Een deel van hem wilde niets liever dan vluchten, maar als hij dat deed zou hij Bran misschien nooit meer zien, wist hij. Hij deed een nerveuze stap in de richting van het bed. ‘Alstublieft,’ zei hij. In haar ogen roerde zich iets kils. ‘Ik zei toch dat je weg moest gaan?’ zei ze. ‘We kunnen je hier niet gebruiken.’
    Vroeger zou hij na zoiets de benen hebben genomen. Vroeger had zoiets hem misschien zelfs aan het huilen gebracht. Nu werd hij er alleen maar kwaad om. Binnenkort zou hij een Gezworen Broeder van de Nachtwacht zijn en grotere gevaren dan Catelyn Tulling Stark het hoofd moeten bieden. ‘Hij is mijn broer,’ zei hij.
    ‘Moet ik de wacht roepen?’
    ‘Doet u dat gerust,’ zei Jon uitdagend. ‘U kunt toch niet voorkomen dat ik hem zie.’ Hij liep de kamer door, waarbij hij het bed tussen hen in hield, en keek neer op de liggende Bran. Ze hield een van zijn handen vast. Die leek op een klauw. Dit was niet de Bran die hij zich herinnerde. Al het vlees was eraf: hij was een strak vel over stakerige botten. De benen onder de dekens waren verwrongen op een manier die Jon onpasselijk maakte. Zijn ogen waren diep weggezonken in zwarte gaten. Ze waren open maar zagen niets. Door de val was hij op de een of andere manier gekrompen. Hij leek half op een blad dat door de eerste de beste harde wind het graf ingeblazen zou worden.
    Maar onder de breekbare welving van die verbrijzelde ribben rees en daalde zijn borst bij iedere oppervlakkige ademhaling.
    ‘Bran,’ zei hij, ‘het spijt me dat ik niet eerder ben gekomen. Ik durfde niet.’ Jon merkte dat de tranen hem over de wangen liepen. Het kon hem niets meer schelen. ‘Ga niet dood, Bran. Alsjeblieft. We wachten allemaal tot je wakker wordt. Ik en Robb en de meisjes, iedereen…’
    Vrouwe Stark keek toe. Ze had geen alarm geslagen. Jon hield het voor aanvaarding. Buiten het raam huilde de schrikwolf weer. De wolf die Bran geen naam meer had kunnen geven.
    ‘Ik moet nu weg,’ zei Jon. ‘Oom Benjen wacht. Ik ga naar het noorden, naar de Muur. We moeten vandaag vertrekken, voor de sneeuwval begint.’ Hij herinnerde zich hoe opgewonden Bran was geweest bij het vooruitzicht om op reis te gaan. De gedachte, hem zo te moeten achterlaten was meer dan hij kon verdragen. Jon veegde zijn tranen af, boog zich voorover en kuste zijn broer vluchtig op de lippen.
    ‘Ik wilde dat hij hier bij mij bleef,’ zei vrouwe Stark zacht. Jon sloeg haar gade, op zijn hoede. Ze keek hem zelfs niet aan. Ze sprak wel tegen hem, maar een deel van haar erkende zijn aanwezigheid in de kamer niet eens.
    ‘Ik heb erom gebeden,’ zei ze met doffe stem. ‘Hij nam een speciale plaats bij mij in. Ik ben naar de sept gegaan en daar heb ik zevenmaal tot de zeven aangezichten van god gebeden dat Ned van gedachte zou veranderen en hem hier bij mij zou laten. Soms worden gebeden vervuld.’
    Jon wist niet wat hij moest zeggen. ‘Het was uw schuld niet,’ wist hij na een pijnlijke stilte uit te brengen.
    Haar blikken vonden hem. Ze waren vol venijn. ‘Jouw absolutie is wel het laatste dat ik nodig heb, bastaard.’
    Jon sloeg zijn ogen neer. Ze hield een van Brans handen tussen de hare. Hij nam de andere en kneep erin. Vingers als vogelbotjes. ‘Vaarwel,’ zei hij. Hij was al bij de deur toen ze hem riep. ‘Jon,’ zei ze. Hij had door moeten lopen, maar ze had hem nog nooit eerder bij zijn naam genoemd. Hij keerde zich om en ontdekte dat ze naar zijn gezicht keek alsof ze het voor het eerst zag.
    ‘Ja?’ zei hij.
    ‘Het had jou moeten overkomen,’ zei ze tegen hem. Toen keerde ze zich weer naar Bran toe en begon te snikken zodat haar hele lichaam ervan schokte. Jon had haar nog nooit eerder zien huilen. De terugweg naar de binnenplaats was heel lang.
    Buiten heerste een en al rumoer en verwarring. Wagens werden geladen, mannen schreeuwden, paarden werden opgetuigd en gezadeld en uit de stallen geleid. Het was zachtjes gaan sneeuwen, en iedereen was druk doende om te vertrekken.
    Robb stond er middenin en deed voor niemand onder in het schreeuwen van bevelen. Het leek of hij de afgelopen weken gegroeid was, alsof Brans val en de instorting van zijn moeder hem op de een of andere manier sterker hadden gemaakt. Grijze Wind stond naast hem.
    ‘Oom Benjen zoekt je,’ zei hij tegen Jon. ‘Hij had al een uur geleden willen vertrekken.’
    ‘Weet ik,’ zei Jon. ‘Straks.’ Hij nam het lawaai en de verwarring rondom hem in zich op. ‘Vertrekken is moeilijker dan ik dacht.’
    ‘Voor mij ook,’ zei Robb. Er zat sneeuw in zijn haar die door zijn lichaamswarmte was gaan smelten. ‘Heb je hem gezien?’
    Jon knikte, zwijgend, want hij vertrouwde zijn stem niet.
    ‘Hij gaat niet dood,’ zei Robb. ‘Dat weet ik zeker.’
    ‘Jullie Starks zijn een taai stelletje,’ beaamde Jon. Zijn stem klonk vlak en vermoeid. Het bezoek had hem al zijn kracht gekost. Robb begreep dat er iets mis was. ‘Mijn moeder…’
    ‘Ze was… heel vriendelijk,’ zei Jon tegen hem.
    Robb keek opgelucht. ‘Fijn.’ Hij glimlachte. ‘Als ik je weer zie ben je helemaal in het zwart.’
    Jon dwong zichzelf om terug te lachen. ‘Dat is altijd al mijn favoriete kleur geweest. Wanneer is dat, denk je?’
    ‘Al vrij gauw,’ beloofde Robb. Hij trok Jon naar zich toe en omhelsde hem stevig. ‘Vaarwel, Sneeuw.’
    Jon drukte hem op zijn beurt tegen zich aan. ‘Insgelijks, Stark. Zorg goed voor Bran.’
    ‘Dat zal ik zeker.’ Ze lieten elkaar los en keken elkaar verlegen aan. ‘Oom Benjen zei dat ik je naar de stallen moest sturen zodra ik je zag,’ zei Robb ten slotte.
    ‘Ik moet nog van één persoon afscheid nemen,’ zei Jon tegen hem.
    ‘Dan heb ik je niet gezien,’ antwoordde Robb. Jon liet hem in de sneeuw achter, omringd door wagens, wolven en paarden. Het was niet ver lopen naar de wapenzaal. Hij tilde zijn bepakking op en liep via de overdekte brug naar de burcht.
    Arya was in haar kamer, bezig met het inpakken van een gladgepolijste ijzerhouten kist die groter was dan zijzelf. Nymeria hielp haar. Arya hoefde maar te wijzen en de wolf sprong de kamer al door, nam een zijden frutseltje tussen haar kaken en kwam ermee aandragen. Maar toen ze de lucht van Spook opsnoof ging ze op haar achterpoten zitten en begon tegen hen te blaffen. Arya wierp een blik over haar schouder, zag Jon, en sprong overeind. Ze sloeg haar magere armen stevig om zijn nek. ‘Ik was bang dat je al weg was,’ zei ze, en haar adem stokte. ‘Ze wilden me niet naar buiten laten om afscheid te nemen.’
    ‘Wat was je daarnet aan het doen?’ zei Jon tegen haar. Arya maakte zich van hem los en trok een gezicht. ‘Niets. Ik was allang klaar met pakken.’ Ze gebaarde naar de enorme kist, die maar voor een derde gevuld was, en naar de kleren die door de hele kamer verspreid lagen. ‘Septa Mordane zegt dat ik alles opnieuw moet doen. Mijn spullen waren niet netjes opgevouwen, zegt ze. Een echte jonkvrouw uit het zuiden smijt haar kleren niet zomaar in haar kist alsof het ouwe lorren zijn, zegt ze.’
    ‘Had je dat dan gedaan, zusje?’
    ‘Nou ja, ze raken toch allemaal door elkaar,’ zei ze. ‘Wie maalt erom hoe ze opgevouwen zijn?’
    ‘Septa Mordane,’ zei Jon tegen haar. ‘Ik denk ook niet dat ze het leuk vindt dat Nymeria je helpt.’ De wolvin bekeek hem zwijgend met haar donkere gouden ogen. ‘Maar goed. Ik heb iets voor je om mee te nemen, en dat moet heel zorgvuldig ingepakt worden.’
    Haar gezicht klaarde op. ‘Een cadeautje?’
    ‘Zo zou je het kunnen noemen. Doe de deur eens dicht.’
    Behoedzaam maar opgewonden keek Arya de hal rond. ‘Nymeria, hier. Waak.’ Ze liet de wolf buiten blijven om te waarschuwen als er indringers waren en sloot de deur. Inmiddels had Jon de lompen verwijderd die hij eromheen had gewonden. Hij stak het haar toe.
    Arya’s ogen werden groot. Donkere ogen, net als de zijne. ‘Een zwaard,’ zei ze met een gedempt fluisterstemmetje.
    De schede was van soepel, grijs leer, zacht als de zonde. Jon trok de kling er langzaam uit, zodat ze de diepblauwe glans van het staal kon zien. ‘Dit is geen speelgoed,’ drukte hij haar op het hart. ‘Zorg dat je jezelf er niet mee snijdt. De randen zijn scherp genoeg om je te scheren.’
    ‘Meisjes scheren zich niet,’ zei Arya.
    ‘Misschien zouden ze dat moeten doen. Heb je de benen van de septa wel eens gezien?’
    Ze giechelde. ‘Vel over been.’
    ‘Dat ben jij ook,’ zei Jon tegen haar. ‘Ik heb dit speciaal door Mikken laten maken. De huurmoordenaars uit Pentos en Myr en de andere Vrijsteden gebruiken zulke zwaarden. Je kunt er geen hoofden mee afslaan, maar als je snel genoeg bent kun je er iemand wel vol gaten mee prikken.’
    ‘Ik kan snel zijn,’ zei Arya.
    ‘Je zult iedere dag moeten oefenen.’ Hij gaf haar het zwaard aan, liet haar zien hoe ze het vast moest houden en deed een stap naar achteren. ‘Hoe voelt het aan? Ligt het goed in de hand?’
    ‘Ik geloof het wel,’ zei Arya.
    ‘Eerste les,’ zei Jon. ‘Je steekt met de punt.’
    Arya sloeg hem op zijn arm met het plat van het zwaard. De klap deed zeer, maar Jon merkte dat hij grijnsde als een dwaas. ‘Ik weet welk uiteinde ik moet gebruiken,’ zei Arya. Er sloop twijfel in haar blik. ‘Septa Mordane zal het afpakken.’
    ‘Niet als ze niet weet dat je het hebt,’ zei Jon.
    ‘Met wie moet ik oefenen?’
    ‘Je vindt wel iemand,’ stelde Jon haar gerust. ‘Koningslanding is een echte stad, duizend keer zo groot als Winterfel. Tot je iemand vindt om mee te oefenen moet je kijken hoe ze op het binnenhof vechten. Ga hardlopen, rijden, zorg dat je sterk wordt. En wat je ook doet…’
    Arya wist wat er komen zou. Ze zeiden het tegelijk: ‘… niet… tegen… Sansa… zeggen!’
    Jon woelde door haar haren. ‘Ik zal je missen, zusje.’
    Plotseling leek het of ze in huilen zou uitbarsten. ‘Ik wou dat je met ons meeging.’
    ‘Soms leiden er meer wegen naar hetzelfde kasteel. Wie zal het zeggen?’ Hij begon zich al beter te voelen. Hij wilde niet aan zijn verdriet toegeven. ‘Ik kan nu beter gaan. Als ik oom Benjen nog langer laat wachten krijg ik straks in mijn eerste jaar op de Muur alleen maar kamerpotten te legen.’
    Arya rende op hem af om hem nog één keer te omhelzen. ‘Eerst dat zwaard neerleggen,’ waarschuwde Jon haar lachend. Ze legde het bijna verlegen weg en overstelpte hem met kussen. Toen hij zich bij de deur omdraaide had ze het alweer opgepakt om de balans uit te testen. ‘Dat was ik bijna vergeten,’ zei hij tegen haar. ‘De beste zwaarden hebben allemaal een naam.’
    ‘Zoals IJs,’ zei ze. Ze keek naar de kling in haar hand. ‘Heeft dit een naam? Zeg het alsjeblieft!’
    ‘Kun je het niet raden?’ plaagde Jon haar. ‘Je lievelingsvoorwerp.’
    Eerst leek Arya het niet te begrijpen. Toen ging haar een licht op. Zo snel dacht ze. Ze zeiden het allebei tegelijk:
    ‘Naald!’
    Tijdens de lange rit naar het noorden koesterde hij de hartverwarmende herinnering aan haar gelach.

Daenerys

    Daenerys Targaryen huwde Khal Drogo met een bang hart en barbaarse pracht op een veld buiten de muren van Pentos, want de Dothraki geloofden dat alles wat van belang was in het leven van een man onder de open hemel hoorde te gebeuren. Drogo had zijn kbalasar ontboden, en ze waren gekomen, veertigduizend Dothraki-krijgers en ontelbare vrouwen, kinderen en slaven. Ze bivakkeerden met hun uitgestrekte kudden buiten de stadsmuren, waar ze paleizen van gevlochten gras bouwden en alles wat los en vast zat verslonden, zodat de brave burgers van Pentos met de dag ongeruster werden.
    ‘Mijn mede magisters hebben de bezetting van de stadswacht verdubbeld,’ vertelde Illyrio hun op een avond achter schalen met eend in honingsaus en oranje knalpepers in de state die van Drogo was geweest. De khal had zich bij zijn khalasar gevoegd en zijn woning tot het huwelijk aan Daenerys en haar broer ter beschikking gesteld.
    ‘We kunnen prinses Daenerys maar beter snel laten trouwen, vóór de helft van Pentos’ rijkdommen aan soldeniers en huurmoordenaars wordt gespendeerd,’ schertste ser Jorah Mormont. De avond dat Dany aan Khal Drogo was verkocht had de balling zijn zwaard aan haar broer opgedragen en Viserys had het volgaarne aanvaard. Sindsdien was Mormont niet van hun zijde geweken. Magister Illyrio lachte luchtig door zijn gevorkte baard heen, maar bij Viserys kon er zelfs geen glimlachje af. ‘Als hij wil kan hij haar morgen krijgen,’ zei haar broer. Hij wierp een blik op Dany, en zij sloeg haar ogen neer. ‘Zolang hij de prijs maar betaalt.’
    Illyrio wuifde traag met zijn hand, en de ringen aan zijn dikke vingers fonkelden. ‘Ik heb u toch gezegd dat alles geregeld is? Vertrouwt u op mij. De khal heeft u een kroon beloofd, en die zult u krijgen ook.’
    ‘Ja, maar wanneer?’
    ‘Als de khal dat wenst,’ zei Illyrio. ‘Hij wil eerst het meisje, en na het huwelijk moet hij in plechtige optocht over de vlakten trekken om haar aan de doshkhaleen in Vaes Dothrak voor te stellen. Daarna misschien. Indien de voortekens voor een oorlog gunstig zijn.’
    Ziedend van ongeduld zei Viserys: ‘Ik heb lak aan de voortekens van de Dothraki. De usurpator houdt mijn vaders troon bezet. Hoe lang moet ik nog wachten?’
    Illyrio haalde zijn vlezige schouders op. ‘U wacht al het grootste deel van uw leven, grote koning. Wat maken een paar luttele maanden of jaren méér dan nog uit?’
    Ser Jorah, die ver naar het oosten was gereisd, tot aan Vaes Dothrak toe, knikte instemmend. ‘Ik raad u aan om geduld te oefenen, Uwe Genade. De Dothraki houden hun woord, maar ze doen alles op hun eigen tijd. Een mindere man mag de khal misschien om een gunst smeken maar mag zich nooit aanmatigen hem de les te lezen.’
    Viserys zette zijn stekels op. ‘Zet een wacht voor je tong, Mormont, of ik laat hem afsnijden. Ik ben geen mindere man. Ik ben de rechtmatige heer van de Zeven Koninkrijken. De Draak smeekt niet.’
    Ser Jorah sloeg eerbiedig zijn blik neer. Illyrio glimlachte mysterieus en trok een vleugel van de eend. Terwijl hij aan het malse vlees knabbelde dropen de honing en het vet van zijn vingers in zijn baard. Er zijn geen draken meer, dacht Dany terwijl ze naar haar broer staarde, al durfde ze dat niet hardop te zeggen.
    Toch droomde ze die nacht van een draak. Viserys sloeg haar en deed haar pijn. Ze was naakt, en haar vrees maakte haar onbeholpen. Ze rende voor hem weg, maar haar lichaam voelde lomp en log aan. Hij sloeg haar opnieuw. Ze struikelde en viel. ‘Je hebt de Draak gewekt!’ schreeuwde hij terwijl hij haar sloeg. ‘Je hebt de Draak gewekt, je hebt de Draak gewekt!’ Haar dijen waren glibberig van het bloed. Ze sloot haar ogen en kreunde. Bij wijze van antwoord klonk er een afschuwelijk, scheurend geluid, en het geknetter van een groot vuur. Toen ze weer keek was Viserys verdwenen. Overal in het rond rezen hoge vuurzuilen op, en in het midden daarvan was de draak. Traag draaide hij zijn grote kop. Toen zijn gesmolten ogen de hare vonden werd ze wakker, sidderend, en met een dun laagje zweet overdekt. Ze was nog nooit zo bang geweest…. totdat ten slotte de dag van haar huwelijk aanbrak. De ceremonie begon met de dageraad en duurde tot de avondschemering, een eindeloze dag van drinken, feestvieren en vechten. Temidden van de paleizen van gras was een enorme aarden wal opgeworpen, en daarop zat Dany naast Khal Drogo, hoog boven de kolkende zee van Dothraki. Ze had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien, en ook nooit mensen die zo vreemd en angstaanjagend waren. De ruiterheren mochten dan in kostbare stoffen en welriekende parfums gehuld gaan als ze de Vrijsteden bezochten, onder de open hemel hielden ze vast aan hun aloude gewoonten. Zowel mannen als vrouwen droegen vesten van geverfd leer over hun naakte torso, en leggings van paardenhaar, bijeengesnoerd met gordels van bronzen penningen, en de krijgers hadden hun lange vlechten ingesmeerd met vet uit de smeltputten. Ze propten zich vol met in honing en peper geroosterd paardenvlees, dronken zichzelf laveloos aan de gegiste merriemelk en Illyrio’s uitgelezen wijnen en bestookten elkaar over de vuren heen met grappen. Hun stemmen klonken Dany ruw en wezensvreemd in de oren.
    Viserys zat recht beneden haar. Hij zag er prachtig uit in zijn nieuwe tuniek van zwarte wol met een scharlakenrode draak op de borst. Illyrio en ser Jorah zaten naast hem. Een uiterst eervolle plaats, vlak onder de bloedruiters van de khal zelf, maar Dany zag de woede in de lila ogen van haar broer. Het beviel hem niets dat hij lager zat dan zij, en toen de slaven iedere schotel eerst aan de khal en zijn bruid aanboden en hem de stukken aanboden die zij hadden geweigerd, kookte hij van razernij. Hij kon niets anders doen dan zijn wrok koesteren, dus koesterde hij die, zodat zijn stemming naarmate de uren verstreken bij iedere belediging van zijn persoon verder verduisterde. Dany had zich nog nooit zo alleen gevoeld als nu in het hart van die uitgestrekte horde. Haar broer had haar opgedragen om te glimlachen, dus glimlachte ze tot haar gezicht er pijn van deed en de ongewenste tranen haar in de ogen sprongen. Ze deed haar best ze te verbijten, wetend hoe kwaad Viserys zou zijn als hij haar zag huilen, en als de dood voor de reactie van Khal Drogo. Ze kreeg voedsel voorgeschoteld, dampende stukken vlees en dikke zwarte worsten en Dothraki-bloedpasteien, en later vruchten en stoofschotels van zoetgras, en fijn gebak uit de keukens van Pentos, maar ze wuifde alles weg. Haar maag was in opstand, en ze wist dat ze er niets van binnen zou houden.
    Ze had geen mens om mee te praten. Khal Drogo riep zijn bloedruiters bevelen en grappen toe en lachte om hun antwoorden, maar de naast hem zittende Dany keurde hij nauwelijks een blik waardig. Ze hadden geen gemeenschappelijke taal. Dothraki was onverstaanbaar voor haar, en de khal sprak maar een paar woorden bastaard-Valyrisch uit de Vrijsteden en niet één woord uit de gewone omgangstaal van de Zeven Koninkrijken. Ze zou zelfs een gesprek met Illyrio en haar broer hebben toegejuicht, maar die zaten te ver beneden haar om haar te verstaan.
    Dus zat ze daar in haar zijden trouwkleren met handen om een beker honingwijn geklemd, bang om te eten, en in stilzwijgend gesprek met zichzelf. Ik ben van het bloed van de Draak, hield ze zichzelf voor. Ik ben Daenerys Stormgeboren, prinses van Drakensteen, van het bloed en het zaad van Aegon de Veroveraar.
    De zon had nog maar een kwart van zijn weg omhoog afgelegd of ze zag de eerste man al sterven. Begeleid door tromgeroffel waren een paar vrouwen voor de khal aan het dansen. Drogo keek met een uitdrukkingsloos gezicht toe, maar zijn ogen volgden hun bewegingen, en nu en dan smeet hij een bronzen penning naar beneden waar de vrouwen vervolgens om vochten. Ook de krijgers keken toe. Ten slotte stapte een van hen de kring in, greep een danseres bij de arm, drukte haar tegen de grond en besteeg haar ter plaatse als een hengst een merrie. Illyrio had haar al verteld dat zoiets zou kunnen gebeuren. ‘De Dothraki paren als de beesten in hun kudden. Een khalasar kent geen afzondering, en zij hebben ons besef van zonde of schaamte niet.’
    Toen ze besefte wat er gebeurde wendde Dany haar ogen geschrokken van het copulerende paar af, maar een tweede krijger kwam naar voren, en een derde, en weldra wist ze niet meer waar ze kijken moest. Toen grepen twee mannen dezelfde vrouw. Ze hoorde een kreet, zag hoe iemand een zet kreeg, en in een oogwenk waren de arakhs getrokken, lange klingen, zo scherp als een scheermes, half zwaard en half zeis. Een dodendans begon waarbij de krijgers om elkaar heen cirkelden en op elkaar inhakten, elkaar besprongen en hun wapens boven hun hoofd rondzwaaiden, terwijl ze bij elke slag beledigingen uitkraamden. Niemand maakte aanstalten om in te grijpen.
    Het eindigde even snel als het begonnen was. De arakhs zoefden op elkaar af, sneller dan Dany’s oog kon volgen. Eén man stapte mis, de ander beschreef met zijn kling een vlakke boog. Staal sneed door vlees, vlak boven het middel van de Dothraki, en reet hem aan de zijkant van zijn ruggengraat tot zijn navel open, zodat zijn ingewanden in het stof vielen. Terwijl de verliezer stierf greep de winnaar de dichtstbijzijnde vrouw — niet eens degene om wie ze gevochten hadden — en nam haar ter plekke. Slaven droegen het lijk weg en het dansen ging weer verder.
    Ook hiervoor had magister Illyrio Dany gewaarschuwd. ‘Voor de Dothraki is een huwelijk waarbij niet minstens drie doden vallen een saaie bedoening,’ had hij gezegd. Haar huwelijk moest wel bijzonder gezegend zijn, want vóór de dag om was hadden meer dan tien mannen de dood gevonden.
    Met het verstrijken van de uren groeide Dany’s ontzetting, tot het haar de grootste moeite kostte om het niet uit te schreeuwen. Ze was bang voor de Dothraki, wier gebruiken haar wezensvreemd en monsterlijk voorkwamen, alsof het beesten in mensengedaante waren, en geen echte mensen. Ze was bang voor haar broer, voor wat hij zou kunnen doen als zij tekort zou schieten. En het meest bevreesd was ze voor wat er vannacht onder de sterren zou gebeuren nadat haar broer haar aan die kolossale kerel had uitgeleverd die naast haar zat te drinken met een gezicht dat onbeweeglijk en wreed was als een bronzen masker.
    Ik ben van het bloed van de Draak, hield ze zichzelf opnieuw voor. Toen de zon ten slotte laag aan de hemel stond klapte Khal Drogo in zijn handen, en het trommelen, schreeuwen en feesten was plotseling voorbij. Drogo stond op en trok Dany naast zich overeind. Het was tijd voor haar bruidsgaven.
    En na die gaven, wist ze, na zonsondergang, zou het tijd zijn voor haar eerste rit en de vleselijke voltrekking van haar huwelijk. Dany probeerde de gedachte van zich af te zetten, maar dat lukte niet. Ze sloeg haar armen om zich heen en deed haar best om niet te trillen. Haar broer Viserys gaf haar drie dienstmaagden ten geschenke. Dany wist dat ze hem niets hadden gekost. De meisjes waren ongetwijfeld door Illyrio verschaft. Irri en Jhiqui waren Dothraki, met een koperkleurige huid, zwart haar en amandelvormige ogen. Doreah was een blond, blauwogig meisje uit Lysene. ‘Dit zijn geen gewone bedienden, lieve zuster,’ zei haar broer tegen haar toen ze een voor een naar voren werden geleid. ‘Illyrio en ik hebben ze persoonlijk voor je uitgezocht. Irri zal je leren rijden, Jhiqui zal je de taal van de Dothraki leren en Doreah zal je instrueren in de vrouwelijke liefdeskunsten.’ Hij glimlachte flauwtjes. ‘Ze is heel goed, daar kunnen Illyrio en ik allebei een eed op doen.’
    Ser Jorah Mormont verontschuldigde zich voor zijn geschenk.
    ‘Het is slechts een kleinigheid, hoogheid, maar alles wat een arme balling zich kon veroorloven,’ zei hij terwijl hij een klein stapeltje oude boeken voor haar neerlegde. Het waren verhalen en liederen uit de Zeven Koninkrijken, zag ze, geschreven in de gewone omgangstaal. Ze bedankte hem uit het diepst van haar hart. Magister Illyrio mompelde een bevel en vier stevige slaven haastten zich naar voren met een grote, met brons beslagen cederhouten kist tussen zich in. Toen ze die opende trof ze stapels van het kostbaarste fluweel en damast aan dat de Vrijsteden konden maken… en bovenop, in de zachte stof gevlijd, drie enorme eieren. Dany’s adem stokte. Ze had nog nooit zoiets moois gezien. De eieren waren alle drie verschillend. Hun tekening was zo intens van kleur dat ze aanvankelijk dacht dat ze met juwelen bezet waren, en ze waren zo groot dat ze ze met beide handen moest vasthouden. Voorzichtig tilde ze er een op, in de verwachting dat het van fijn porselein, broos emailIe of zelfs geblazen glas was gemaakt, maar het was veel zwaarder, alsof het van massieve steen was. De buitenkant van de schaal was met kleine schubben overdekt. Toen ze het ei in haar vingers ronddraaide blonk het als gepolijst metaal in het licht van de ondergaande zon. Eén ei was donkergroen, met glanzende bronzen spikkels die oplichtten en vervaagden, al naar gelang Dany het heen en weer draaide. Het tweede was roomwit, met goud dooraderd. Het laatste was zwart, zwart als de middernachtszee, maar doorgloeid met scharlakenrode golven en spiralen. ‘Wat zijn dat?’ vroeg ze, haar stem omfloerst en vol verwondering.
    ‘Drakeneieren uit de schaduwlanden achter Asshai,’ zei magister Illyrio. ‘In de loop van vele eonen versteend, maar nog altijd van een stralende schoonheid.’
    ‘Ik zal ze altijd koesteren.’ Dany had wel eens over zulke eieren horen vertellen, maar er nog nooit een gezien, en dat ook nooit verwacht. Het was waarlijk een schitterend geschenk, al wist ze wel dat Illyrio het zich kon veroorloven vrijgevig te zijn. Hij had op zijn beurt een fortuin aan paarden en slaven opgestreken door haar aan Khal Drogo te verkopen.
    De bloedruiters van de khal boden haar de traditionele drie wapens aan, en fraai waren ze. Haggo schonk haar een grote leren zweep met een zilveren handvat, Cohollo een schitterende arakh met een gouden schede en Qotho een samengestelde boog van drakenbeen die langer was dan zijzelf. Magister Illyrio en ser Jorah hadden haar geleerd hoe ze hun aanbod overeenkomstig de traditie moest afslaan. ‘Dit is een gave, een grote krijger waardig, o bloed van mijn bloed, en ik ben slechts een vrouw. Laat mijn heer gemaal deze in mijn plaats dragen.’ En zo ontving ook Khal Drogo zijn ‘bruidsgaven’. Van andere Dothraki kreeg ze een overvloed aan andere giften: slippers, juwelen en zilveren haarringen, penninggordels, beschilderde vesten en zachte bonthuiden, zandzijden stoffen en kruikjes parfum, naalden, veren en flesjes van purper glas, en een japon, gemaakt van duizend muizenvelletjes. ‘Een fraai geschenk, khaleesi,’ zei magister Illyrio daarover, nadat hij haar had verteld wat het was.
    ‘Dat brengt veel geluk.’ De gaven hoopten zich in grote bergen rondom haar op, zoveel dat ze het met geen mogelijkheid allemaal kon bevatten, en veel meer dan ze wilde of kon gebruiken. En als laatste van allen leidde Khal Drogo zijn eigen bruidsgave voor haar. Toen hij wegliep verspreidde een verwachtingsvolle stilte zich vanuit het hart van het kamp en breidde zich uit tot de hele khalasar erdoor was opgeslokt. Toen hij terugkeerde week de dichte drom van Dothraki-gevers voor hem uiteen, en hij leidde het paard naar haar toe.
    Het was een jonge merrie, vurig en fraai. Dany wist net voldoende van paarden af om te beseffen dat dit geen gewoon dier was. De merrie had iets adembenemends. Ze was grijs als de winterzee, met manen als zilveren rook.
    Aarzelend stak Dany een hand uit, streelde het paard over de nek en liet haar vingers door het zilver van de manen glijden. Khal Drogo zei iets in het Dothraki en magister Illyrio vertaalde: ‘Zilver voor het zilver van je haar, zegt de khal.’
    ‘Ze is mooi,’ prevelde Dany.
    ‘Ze is de trots van de khalasar,’ zei Illyrio. ‘De zede schrijft voor dat de khaleesi een rijdier heeft dat haar plaats aan de zijde van de khal waardig is.’
    Drogo trad naar voren en legde zijn handen om haar middel. Hij tilde haar even gemakkelijk op als een kind en zette haar in het smalle Dothraki-zadel, dat zoveel kleiner was dan wat ze gewend was. Even bleef Dany onzeker zitten. Over dit onderdeel had niemand haar ingelicht. ‘Wat moet ik doen?’ vroeg ze aan Illyrio. Het was Ser Jorah Mormont die antwoord gaf. ‘Neem de teugels en rij. Je hoeft niet ver weg te gaan.’
    Nerveus nam Dany de teugels in handen en liet haar voeten in de korte stijgbeugels glijden. Haar rijkunst ging niet boven het gemiddelde uit, want ze had veel vaker op schepen en in wagens en draagstoelen gereisd dan op een paardenrug. Ze bad dat ze er niet af zou vallen en zich te schande zou maken. Toen zette ze de merrie heel zacht en bedeesd met haar knieën aan.
    En voor het eerst sinds uren, of misschien wel voor het eerst van haar leven, vergat ze om bang te zijn.
    De zilvergrijze merrie had een soepele, vloeiende gang, en de menigte week voor haar uiteen. Alle ogen waren op hen gericht. Dany merkte dat ze sneller reed dan ze van plan was geweest, maar dat dat om de een of andere reden eerder opwindend dan beangstigend was. Het paard ging in draf over, en ze glimlachte. Dothraki haastten zich om een pad vrij te maken. De lichtste druk van haar benen, het kleinste rukje aan de teugels en de merrie reageerde al. Ze zette haar tot galop aan, en nu joelden, lachten en schreeuwden de Dothraki als ze opzij sprongen. Toen ze het paard wendde om terug te rijden doemde er recht voor haar een vuur kuil op, midden op haar pad. Ze waren aan weerszijden ingesloten en voor halt houden was geen ruimte meer. Toen werd Daenerys vervuld van een nooit gekende stoutmoedigheid. Ze gaf de merrie de vrije hand. Het zilveren paard sprong over de vlammen heen alsof het vleugels had. Toen ze voor magister Illyrio de teugels inhield zei ze: ‘Zeg tegen Khal Drogo dat hij me de wind heeft geschonken.’ De dikzak uit Pentos streek over zijn gele baard terwijl hij haar woorden herhaalde in het Dothraki, en Dany zag haar nieuwe echtgenoot voor het eerst glimlachen.
    Net op dat moment verdween het laatste zilver van de zon in het westen achter de hoge muren van Pentos. Dany was ieder besef van tijd kwijtgeraakt. Khal Drogo gelastte zijn bloedruiters om zijn eigen paard te brengen, een slanke, rode hengst. Terwijl de khal de paarden zadelde sloop Viserys naar Dany op haar zilveren merrie toe, boorde zijn vingers in haar been en zei: ‘Behaag hem, lieve zuster, of ik zweer je dat je de Draak zult zien ontwaken zoals hij nog nooit eerder is ontwaakt.’
    Met die woorden van haar broer keerde de vrees terug. Ze voelde zich weer een kind, pas dertien jaar, moederziel alleen en niet voorbereid op wat haar te wachten stond.
    Ze reden samen weg toen de sterren verschenen en lieten de khalasar en de paleizen van gras achter zich. Khal Drogo sprak geen woord tegen haar, maar dreef zijn hengst in gestrekte draf door de dichter wordende schemering. De zilveren belletjes in zijn lange vlecht rinkelden zachtjes onder het rijden. ‘Ik ben van het bloed van de Draak,’ fluisterde ze hardop terwijl ze achter hem aanreed en probeerde moed te houden. ‘Ik ben van het bloed van de Draak. Ik ben van het bloed van de Draak.’ De Draak was nooit bang. Naderhand wist ze niet meer hoe ver of hoe lang ze hadden gereden, maar toen ze stopten bij een grazig veld naast een smal stroompje was het volledig donker. Drogo sprong van zijn paard en tilde haar van het hare. In zijn handen voelde ze zich breekbaar als glas en haar ledematen waren vloeibaar als water. Ze stond hulpeloos te huiveren in haar zijden bruidsgewaad terwijl hij de paarden vastbond, en toen hij zich omkeerde en haar aankeek barstte ze in huilen uit. Khal Drogo staarde naar haar tranen, zijn gezicht vreemd onaangedaan. ‘Nee,’ zei hij. Hij hief een hand op en veegde de tranen ruw weg met een vereelte duim.
    ‘U spreekt de gewone omgangstaal,’ zei Dany verwonderd.
    ‘Nee,’ zei hij weer.
    Misschien kent hij alleen dat woord, dacht ze, maar het was één woord meer dan zij geweten had dat hij kende, en dat was toch bemoedigend. Drogo raakte vluchtig haar haren aan, liet de zilverblonde lokken door zijn vingers glijden en mompelde zachtjes iets in het Dothraki. Dany verstond de woorden niet, maar de toon was warm, van een tederheid die ze van deze man nooit had verwacht. Hij stak een vinger onder haar kin en tilde die op, zodat ze hem in de ogen keek. Drogo torende boven haar uit zoals hij boven iedereen uittorende. Hij nam haar zachtjes onder haar armen, tilde haar op en zette haar op een afgeslepen rots naast het stroompje. Toen ging hij tegenover haar op de grond zitten, zijn benen onder zich gekruist, hun gezichten eindelijk op gelijke hoogte. ‘Nee,’ zei hij.
    ‘Is dat het enige woord dat u kent,’ vroeg ze hem.
    Drogo gaf geen antwoord. Zijn lange, zware vlecht sleepte naast hem door het stof. Hij trok hem over zijn rechterschouder en begon een voor een de belletjes uit zijn haar te halen. Na een ogenblik boog Dany zich naar voren om hem te helpen. Toen ze klaar waren maakte Drogo een gebaar. Ze begreep het. Langzaam en voorzichtig begon ze zijn haar los te vlechten. Dat duurde lang. Al die tijd zat hij zwijgend naar haar te kijken. Toen ze klaar was schudde hij zijn hoofd, en zijn haar waaierde achter hem uit als een donkere rivier, geolied en glanzend. Ze had nog nooit zulk lang, zwart en dik haar gezien.
    Toen was het zijn beurt. Hij begon haar uit te kleden. Zijn vingers waren handig en merkwaardig teder. Een voor een verwijderde hij behoedzaam haar zijden gewaden terwijl Dany roerloos en zwijgend naar zijn ogen keek. Toen hij haar kleine borsten ontblootte wendde ze onwillekeurig haar gezicht af en bedekte zichzelf met haar handen. ‘Nee,’ zei Drogo. Hij trok haar handen van haar borsten, behoedzaam, maar vastberaden, en hief toen haar gezicht weer op, zodat ze hem moest aankijken. ‘Nee,’ herhaalde hij.
    ‘Nee,’ herhaalde ze.
    Toen zette hij haar overeind en trok haar naar zich toe om het laatste zijden kledingstuk te verwijderen. De nachtlucht voelde kil aan op haar naakte huid. Ze huiverde en kreeg kippenvel op haar armen en benen. Ze was bang voor wat er nu zou komen, maar een tijdlang gebeurde er niets. Khal Drogo zat met gekruiste benen naar haar te kijken en dronk haar lichaam met zijn ogen in. Na verloop van tijd begon hij haar aan te raken. Eerst vluchtig, toen nadrukkelijker. Ze voelde de ruige kracht van zijn handen, maar hij deed haar absoluut geen pijn. Hij nam haar hand in de zijne en streek een voor een over haar vingers. Hij liet één hand zachtjes over haar been glijden. Hij streelde haar gezicht, tekende de welving van haar oorschelpen na en liet één vinger voorzichtig rond haar mond gaan. Hij schoof allebei zijn handen in haar haren en begon het met zijn vingers te kammen. Hij keerde haar om en kneedde haar schouders, en liet een knokkel langs haar ruggengraat glijden. Het leek alsof er uren verstreken waren voor zijn handen ten slotte naar haar borsten tastten. Hij streelde de zachte huid aan de onderkant totdat die tintelde. Hij omcirkelde haar tepels met zijn duimen, nam ze tussen duim en wijsvinger en begon te trekken, eerst heel zacht, toen harder, tot haar tepels stijf werden en begonnen te schrijnen.
    Toen hield hij op en trok haar op zijn schoot. Dany was warm en ademloos en het hart klopte haar in de keel. Hij nam haar gezicht tussen zijn brede handen en keek haar recht aan. ‘Nee?’ zei hij, en ze wist dat het een vraag was.
    Ze nam zijn hand en bracht die naar de vochtige plek tussen haar dijen. ‘Ja,’ fluisterde ze terwijl ze zijn vinger bij zich naar binnen schoof.

Eddard

    Het bevel kwam in het uur voor het ochtendgloren, toen de wereld stil en grijs was.
    Alyn rukte hem ruw uit zijn dromen en Ned struikelde slaapdronken de kilte voor de dageraad in. Hij trof zijn paard gezadeld aan, en de koning was al opgestegen. Robert droeg dikke bruine handschoenen en een zware bontmantel waarvan de kap over zijn oren getrokken was, en hij leek sprekend op een beer te paard.
    ‘Opstijgen, Stark!’ bulderde hij. ‘Schiet op! We hebben staatszaken te bespreken.’
    ‘Maar Uwe Genade,’ zei Ned, ‘komt u dan liever binnen.’ Alyn tilde de tentflap op.
    ‘Nee, nee, nee,’ zei Robert. Zijn adem dampte bij ieder woord.
    ‘Het kamp barst van de oren. Bovendien wil ik een rit maken om eens een kijkje te nemen in dat land van jou.’ Achter hem stonden ser Boros en ser Meryn klaar met een twaalftal wachters, zag Ned. Er zat niets anders voor hem op dan de slaap uit zijn ogen te wrijven, zich aan te kleden en op te stijgen. Robert gaf het tempo aan en liet zijn grote zwarte strijdros er flink de pas in zetten. Ned galoppeerde naast hem en deed zijn best hem bij te houden. Hij riep hem al rijdend een vraag toe, maar zijn woorden verwaaiden in de wind en de koning hoorde hem niet. Daarna reed Ned maar zwijgend verder. Al snel verlieten ze de Koningsweg en sloegen af naar de golvende vlakten waarboven een donkere mist hing. Intussen was de wacht wat teruggezakt, veilig buiten gehoorsafstand, maar Robert ging nog steeds niet langzamer rijden. De ochtend gloorde toen ze de top van een lage heuvel bereikten, en ten langen leste hield de koning halt. Inmiddels waren ze mijlen ten zuiden van de hoofdstoet. Toen Ned naast hem de teugels inhield had Robert een kleur van plezier en opwinding. ‘Alle goden,’ vloekte hij lachend, ‘wat is het heerlijk om er eens uit te zijn en te rijden, echt te rijden! Ik zweer je Ned, die slakkengang is om gek van te worden.’ Hij had nooit veel geduld gehad, Robert Baratheon.
    ‘Die verrekte huiswagen, zoals die knarst en kreunt en elke hobbel in de weg beklimt alsof het een berg is… Ik kan je wel vertellen, als dat rotding nog eens een as breekt steek ik er de brand in, en dan kan Cersei gaan lopen!’
    Ned lachte. ‘Ik zal met genoegen de fakkel voor je aansteken.’
    ‘Beste kerel!’ De koning gaf hem een klap op zijn schouder. ‘Weet je dat ik overweeg om ze allemaal achter te laten en gewoon door te rijden?’
    Om Neds lippen zweemde een lachje. ‘Ik geloof dat je het nog meent ook.’
    ‘Doe ik ook,’ zei de koning. ‘Hoe denk je erover, Ned. Alleen jij en ik, twee ridders die over de Koningsweg zwerven, ons zwaard opzij en de goden weten wat voor onbekende zaken vóór ons, en misschien een boerendochter of een kroegmeid om vannacht ons bed te warmen.’
    ‘Ik wou dat het kon,’ zei Ned, ‘maar we hebben nu verplichtingen, heer koning… jegens het rijk, jegens onze kinderen, ik tegenover mijn vrouwe en u tegenover uw koningin. We zijn niet meer de jongens van vroeger.’
    ‘Jij bent nooit de jongen van vroeger geweest,’ mopperde Robert.
    ‘Des te erger. En toch, die ene keer… hoe heette ze, dat volksmeisje van je? Becca? Nee, dat was er eentje van mij, de goden hebben haar lief, zwarte haren en van die lieve, grote ogen, je kon erin verdrinken. De jouwe was… Aleena? Nee. Je hebt het me een keer verteld. Was het Merryl? Je weet wie ik bedoel, de moeder van je bastaard?’
    ‘Die heette Wylla,’ antwoordde Ned kil en beleefd, ‘en ik praat liever niet over haar.’
    ‘Wylla. Ja.’ De koning grijnsde. ‘Dat moet een opmerkelijke meid zijn geweest, dat ze lord Eddard Stark zijn eer kon doen vergeten, al was het maar voor een uur. Je hebt me nooit verteld hoe ze eruitzag…’
    Neds mond werd een boze streep. ‘En dat doe ik niet ook. Als ik je zo dierbaar ben als je zegt praat je er niet meer over, Robert. Ik heb mezelf onteerd en ik heb Catelyn onteerd, voor het aangezicht van goden en mensen.’
    ‘Barmhartige goden, je kende Catelyn nauwelijks.’
    ‘Ik had haar tot vrouw genomen. Ze droeg mijn kind.’
    ‘Je valt jezelf te hard, Ned. Dat heb je altijd gedaan. Verdorie nog aan toe, geen enkele vrouw wil Baelor de Gezegende in haar bed.’
    Hij sloeg met een hand op zijn knie. ‘Nou ja, ik zal niet langer aandringen als je er zo over denkt. Maar ik zweer je, soms ben je zo prikkelbaar dat je een egel als wapenteken zou moeten nemen.’
    De rijzende zon stak vingers van licht door de bleekwitte ochtendmist. Beneden hen strekte zich een weidse vlakte uit, kaal en bruin. De eentonigheid ervan werd hier en daar onderbroken door langwerpige, lage bulten. Ned wees ernaar. ‘De grafterpen van de Eerste Mensen.’
    Robert fronste zijn voorhoofd. ‘Zijn we op een kerkhof beland?’
    ‘Overal in het noorden zijn grafterpen, Uwe Genade,’ zei Ned.
    ‘Dit land is oud.’
    ‘En koud,’ gromde Robert terwijl hij zijn mantel dichter om zich heen trok. De wacht had een flink eind achter hen halt gehouden, aan de voet van de heuvel. ‘Nou ja, ik heb je niet meegenomen om over graven te praten of over je bastaard te bekvechten. Er is vannacht een ruiter gearriveerd, van heer Varys in Koningslanding. Hier.’
    De koning trok een papier uit zijn gordel en stak het Ned toe. De eunuch Varys was de meester van de koninklijke fluisteraars. Hij was nu in dienst van Robert, zoals hij vroeger Aerys Targaryen had gediend. Vol vrees en beven rolde Ned het papier uit, denkend aan Lysa en haar vreselijke beschuldiging, maar het bericht ging niet over vrouwe Arryn. ‘Wat is de bron van deze informatie?’
    ‘Herinner je je ser Jorah Mormont?’
    ‘Ik wou dat ik hem kon vergeten,’ zei Ned onomwonden. De Mormonts van Bereneiland waren een oud geslacht, trots en eerzaam, maar hun gebied was koud, veraf en arm. Ser Jorah had geprobeerd de familiegeldkist te spekken door een paar stropers aan een slavenhandelaar uit Tyros te verkopen. Omdat de Mormonts baanderheren van de Starks waren, was het noorden door deze misdaad onteerd. Ned had heel de lange weg naar het Bereneiland in het westen afgelegd om na aankomst te ontdekken dat Jorah per schip de zeeengte was overgestoken en zich buiten bereik van IJs en ’s konings gerechtigheid bevond. Sindsdien waren er vijf jaar verstreken.
    ‘Ser Jorah is nu in Pentos en zou dolgraag een koninklijke begenadiging verdienen, zodat hij uit zijn ballingschap kan terugkeren,’ legde Robert uit. ‘Heer Varys maakt een goed gebruik van hem.’
    ‘Dus de slavenhandelaar is een spion geworden,’ zei Ned vol afkeer. Hij gaf de brief terug. ‘Ik zou hem liever als lijk zien.’
    ‘Varys verzekert me dat spionnen nuttiger zijn dan lijken,’ zei Robert. ‘Maar Jorah even buiten beschouwing gelaten, wat maak jij uit zijn verslag op?’
    ‘Daenerys Targaryen is met de een of andere ruitervorst van de Dothraki getrouwd. En wat dan nog? Moeten we haar een bruidsgave sturen?’
    De koning fronste zijn voorhoofd. ‘Een mes misschien. Goed scherp, en een stoutmoedig man om het te hanteren.’
    Ned veinsde geen verrassing. Roberts haat jegens de Targaryens grensde aan krankzinnigheid. Hij herinnerde zich de woedende woorden die ze hadden gewisseld nadat Tywin Lannister Robert de lijken van Rhaegars vrouw en kinderen had getoond als teken van verbondenheid. Ned had dat moord genoemd, Robert noemde het oorlog. Toen hij had tegengeworpen dat de prins en prinses nog maar kleine kinderen waren geweest had zijn nieuwbakken koning geantwoord: ‘Ik zie geen kleine kinderen. Alleen maar drakengebroed.’
    Zelfs Jon Arryn had de storm niet tot bedaren kunnen brengen. Eddard Stark was die dag in kille razernij weggereden om de laatste veldslagen van de oorlog in het zuiden in zijn eentje te vechten. Er was nog een dood nodig geweest om hen te verzoenen: die van Lyanna, en hun gedeelde smart over haar sterven. Ditmaal was Ned vastbesloten zich te beheersen. ‘Uwe Genade, het meisje is nauwelijks meer dan een kind. U bent geen Tywin Lannister die onschuldigen afslacht.’ Er werd gezegd dat Rhaegars dochtertje huilend van onder haar bed naar de zwaarden gesleept was. Het jongetje was nog maar een zuigeling geweest, maar toch hadden heer Tywins soldaten hem van zijn moeders borst gerukt en met zijn hoofd tegen een muur geslagen.
    ‘En hoe lang zal ze onschuldig blijven?’ Roberts mond werd hard.
    ‘Dat kind zal gauw genoeg haar benen spreiden om nog meer drakengebroed voort te brengen dat mij het leven zuur maakt.’
    ‘Maar toch,’ zei Ned. ‘Kinderen vermoorden… dat zou laaghartig zijn… onuitsprekelijk…’
    ‘Onuitsprekelijk?’ brulde de koning. ‘Wat Aerys jouw broer Brandon heeft aangedaan was onuitsprekelijk. Zoals je vader de dood heeft gevonden, dat is onuitsprekelijk. En Rhaegar… hoe vaak denk je dat hij je zuster verkracht heeft? Hoe vele honderden keren?’ Zijn stem was zo luid geworden dat zijn paard zenuwachtig onder hem begon te hinniken. De koning rukte hard aan de teugels om het dier stil te krijgen en wees met een boze vinger naar Ned. ‘Ik vermoord iedere Targaryen die ik tussen mijn vingers krijg, totdat ze net zo dood zijn als hun draken, en daarna zal ik op hun graf pissen.’
    Ned was wel wijzer dan hem in zijn toorn te tarten. Als Roberts wraakzucht in veertien jaar niet was gedoofd zou geen enkel woord van zijn kant iets uithalen. ‘Maar deze krijg je niet in handen, nietwaar?’ zei hij kalm. De mond van de koning vertrok tot een verbitterde grimas. ‘Nee, de goden mogen vervloekt zijn. De een of andere pokkenkaasboer uit Pentos had haar broer en haar in zijn residentie ingemetseld, aan alle kanten omringd door van die eunuchen met puntmutsen, en nu heeft hij ze aan de Dothraki uitgeleverd. Ik had ze allebei al jaren geleden moeten laten vermoorden, toen ik er nog bij kon, maar Jon was al even erg als jij. En ik was des te dwazer door naar hem te luisteren.’
    ‘Jon Arryn was een wijs man en een goede Hand.’
    Robert snoof. Zijn woede zakte even plotseling weg als ze was opgekomen. ‘Die Khal Drogo schijnt een horde van honderdduizend man aan te voeren. Wat zou Jon daar wel van gezegd hebben?’
    ‘Hij zou gezegd hebben dat zelfs een miljoen Dothraki geen bedreiging voor het rijk vormen zolang ze achter de zee-engte blijven,’ antwoordde Ned bedaard. ‘Die barbaren hebben geen schepen. Ze haten en vrezen de open zee.’
    De koning ging ongemakkelijk verzitten in het zadel. ‘Misschien. Maar in de Vrijsteden zijn schepen te koop. Ik zeg je, Ned, dit huwelijk bevalt mij niets. In de Zeven Koninkrijken zijn nog altijd lieden die mij voor usurpator uitmaken. Ben je vergeten hoe vele duizenden er in de oorlog aan Targaryens kant hebben gevochten? Die beiden op dit moment hun tijd, maar geef ze maar een halve kans en ze vermoorden me in bed, en mijn zonen ook. Als de bedelaarkoning met een horde Dothraki achter zich aan de oversteek maakt zullen die verraders zich achter hem scharen.’
    ‘Hij steekt niet over,’ beloofde Ned. ‘En als hij dat per ongeluk toch doet drijven we hem de zee weer in. Zodra u een nieuwe landvoogd van het Oosten aanwijst…’
    De koning kreunde. ‘Voor de laatste keer, ik benoem die jongen van Arryn niet tot landvoogd. Ik weet dat hij je neefje is, maar nu de Targaryens bij de Dothraki in bed kruipen zou ik wel gek zijn als ik een kwart van het rijk op de schouders van een ziekelijk kind leg.’
    Daar was Ned op voorbereid. ‘Toch hebben we in het oosten een landvoogd nodig. Als Robert Arryn niet in aanmerking komt, benoem dan een van uw broers. Stannis heeft zichzelf toch bewezen bij de belegering van Stormeinde?’
    Hij liet de naam een poosje in de lucht hangen. De koning fronste zijn wenkbrauwen en zei niets. Hij keek ongemakkelijk.
    ‘Dat wil zeggen,’ vervolgde Ned rustig terwijl hij hem in het oog hield, ‘tenzij u een ander die eer al hebt toegezegd.’
    Robert was zo fatsoenlijk om één moment geschrokken te kijken. Maar de irritatie volgde even snel. ‘En als dat zo is?’
    ‘Het is Jaime Lannister, nietwaar?’
    Robert bracht zijn paard met een schop weer in beweging en begon naar de grafterpen af te dalen. Ned hield gelijke tred met hem. Met zijn blik recht vooruit reed de koning door. ‘Ja,’ zei hij ten slotte. Eén enkel hard woord om de kwestie af te doen.
    ‘De Koningsmoordenaar,’ zei Ned. Dus de geruchten waren waar. Hij begaf zich nu op glad ijs, wist hij. ‘Ongetwijfeld een bekwaam en dapper man,’ zei hij voorzichtig, ‘maar zijn vader is landvoogd van het Westen, Robert. Ser Jaime zal hem te zijner tijd op die hoge post opvolgen. Het is niet goed als één man zowel het Westen als het Oosten beheerst.’ Hij liet zijn werkelijke vrees onuitgesproken: dat het halve leger van het rijk door deze benoeming in handen van Lannisters zou vallen.
    ‘Die strijd vecht ik wel uit zodra de vijand te velde verschijnt,’ zei de koning koppig. ‘Voorlopig lijkt heer Tywin even onverwoestbaar als de Rots van Gasterling, dus ik betwijfel of Jaime hem binnen afzienbare tijd zal opvolgen. Val me hier niet over lastig, Ned. De teerling is geworpen.’
    ‘Uwe Genade, mag ik vrijuit spreken?’
    ‘Ik heb niet het idee dat ik je kan tegenhouden,’ gromde Robert. Ze reden nu door hoog, bruin gras.
    ‘Kunt u Jaime Lannister vertrouwen?’
    ‘Hij is de tweelingbroer van mijn vrouw en een Gezworen Broeder van de koningsgarde. Zijn leven, fortuin en eer zijn met de mijne verweven.’
    ‘Zoals ze met die van Aerys Targaryen verweven waren,’ merkte Ned op.
    ‘Waarom zou ik hem wantrouwen? Alles wat ik hem ooit heb gevraagd heeft hij gedaan. Zijn zwaard heeft geholpen de troon te veroveren waarop ik zit.’
    Zijn zwaard heeft geholpen een smet te werpen op de troon waarop je zit, dacht Ned, maar hij liet de woorden niet over zijn lippen komen. ‘Hij had een eed afgelegd om het leven van de koning met het zijne te verdedigen. En toen sneed hij met een zwaard de keel van die koning door.’
    ‘Bij de zevenvoudige hel, iemand moest Aerys toch doden!’ zei Robert terwijl hij naast een oeroude grafterp abrupt zijn paard inhield. ‘Als Jaime het niet had gedaan zou het op jou of mij zijn neergekomen.’
    ‘Wij waren geen Gezworen Broeders van de koningsgarde,’ zei Ned. Het werd tijd dat Robert eens de hele waarheid te weten kwam, besloot hij toen op die plaats. ‘Herinnert u zich de Drietand, Uwe Genade?’
    ‘Alle goden! Hoe zou ik die kunnen vergeten?’
    ‘Rhaegar had u een wond toegebracht,’ bracht Ned hem in herinnering. ‘Dus toen de krijgsmacht van Targaryen de benen nam liet u de achtervolging aan mij over. De restanten van Rhaegars leger vluchtten naar Koningslanding. Wij achtervolgden ze. Aerys had zich met een paar duizend getrouwen in de Rode Burcht verschanst. Ik verwachtte dat we op gesloten poorten zouden stuiten.’
    Robert schudde vol ongeduld zijn hoofd. ‘In plaats daarvan ontdekte je dat onze mannen de stad al hadden ingenomen. En wat dan nog?’
    ‘Niet onze mannen,’ zei Ned geduldig. ‘Die van Lannister. Op de tinnen wapperde de Leeuw van Lannister, niet de gekroonde hertenbok. En ze hadden de stad ingenomen door middel van verraad.’
    De oorlog had ruim een jaar gewoed. Grote en kleine heren hadden zich onder Roberts banieren geschaard, anderen waren Targaryen trouw gebleven. De machtige Lannisters van de Rots van Casterling, de landvoogden van het Westen, hadden zich verre van de strijd gehouden en het bevel tot heervaart van zowel de rebellen als de royalisten naast zich neergelegd. Aerys Targaryen moest hebben gedacht dat zijn goden zijn gebeden hadden beantwoord toen heer Tywin Lannister en zijn oudste zoon met een leger van twaalfduizend man sterk voor de poorten van Koningslanding verschenen om hun trouw te betuigen. En dus had de krankzinnige koning opdracht gegeven tot zijn laatste krankzinnige daad. Hij had zijn stad geopend voor de leeuwen aan zijn poort.
    ‘Verraad was een vertrouwd betaalmiddel voor de Targaryens,’ zei Robert. Opnieuw stak zijn woede de kop op. ‘Lannister heeft hun met gelijke munt terugbetaald. Dat was niet meer dan verdiend. Ik lig er niet wakker van.’
    ‘U was er niet bij,’ zei Ned verbitterd. Hem was een gestoorde nachtrust niet vreemd. Hij leefde al veertien jaar met zijn leugens, maar ze spookten ’s nachts nog steeds door zijn hoofd. ‘Die verovering had niets eervols.’
    ‘Moge de Anderen die eer van jou halen!’ vloekte Robert. ‘Heeft ook maar één Targaryen ooit geweten wat eer was? Ga naar je crypte en vraag Lyanna naar de eer van de Draak!’
    ‘U hebt Lyanna bij de Drietand gewroken,’ zei Ned, terwijl hij naast de koning halt hield. Beloof het me, Ned, had ze gefluisterd.
    ‘Dat heeft haar niet teruggebracht,’ Robert staarde de andere kant op, naar de grauwe verten. ‘Vervloekte goden. De overwinning die ze me schonken was hol. Een kroon… en ik had ze om het meisje gebeden. Jouw zuster, veilig en wel… en opnieuw de mijne, want zo was het voorbestemd. Vertel me eens, Ned, wat heeft een mens aan een kroon? De goden drijven net zo hard de spot met koningen als met koeherders.’
    ‘Voor de goden kan ik niet instaan, Uwe Genade… maar wel voor wat ik aantrof toen ik die dag de troonzaal binnenreed,’ zei Ned.
    ‘Aerys lag dood op de vloer, gesmoord in zijn eigen bloed. Zijn drakenschedels staarden van de wanden op hem neer. Lannisters mannen waren overal. Jaime droeg de witte mantel van de koningsgarde nog over zijn gouden wapenrusting heen. Ik zie hem nóg voor me. Zelfs zijn zwaard was verguld. Hij zat op de ijzeren troon, hoog boven zijn ridders, met een helm op zijn hoofd in de vorm van een leeuwenkop. En glimmen dat hij deed!’
    ‘Dat is allemaal allang bekend,’ klaagde de koning.
    ‘Ik zat nog te paard. Zwijgend reed ik de hele lengte van de zaal door, tussen de lange rij drakenschedels. Ik had een gevoel alsof ze me gadesloegen. Vóór de troon hield ik halt. Ik keek naar hem op. Zijn gouden zwaard lag over zijn knieën, de kling rood van het bloed van een koning. Achter me vulde de zaal zich met mijn manschappen. Die van Lannister weken terug. Ik sprak al die tijd geen woord. Ik keek hoe hij daar op die troon zat en wachtte. Ten slotte begon Jaime te lachen en stond op. Hij zette zijn helm af en zei tegen me:
    “Wees maar niet bang, Stark. Ik heb hem alleen maar warm gehouden voor onze vriend Robert. Het is geen makkelijke stoel, vrees ik.” ’
    De koning wierp het hoofd in de nek en brulde van de lach, zo luid dat een zwerm kraaien opvloog uit het hoge gras. Onder woest geklapwiek kozen ze het luchtruim. ‘Bij de zeven goden, Ned! Vind je echt dat ik Lannister moet wantrouwen omdat hij even op mijn troon heeft gezeten?’ Hij schuddebuikte weer van het lachen. ‘Jaime was welgeteld zeventien, Ned. Nog niet veel meer dan een jongen.’
    ‘Jongen of man, hij had geen recht op die troon.’
    ‘Wie weet was hij wel moe,’ opperde Robert. ‘Koningen vermoorden is heel uitputtend werk. De goden weten dat er in die ellendige zaal niet één andere plek is om je achterwerk op te laten zakken. En hij sprak de waarheid: die stoel i’s in meer dan één opzicht beestachtig ongemakkelijk.’ De koning schudde zijn hoofd. ‘Nou ja, ik ben nu op de hoogte van Jaimes zwarte zonde, dus we kunnen de kwestie verder vergeten. Ik ben al die geheimen en dat gekrakeel en die staatszaken zo zat, Ned. Het is allemaal even vervelend als kopergeld tellen. Kom, rijden, jij kon er vroeger wat van. Ik wil de wind weer door mijn haar voelen.’ Hij gaf zijn paard de sporen en galoppeerde de grafterp over. Achter hem daalde een regen van aarde neer. Het duurde even voordat Ned hem volgde. Hij was uitgepraat, en vervuld van een enorm gevoel van machteloosheid. Niet voor het eerst vroeg hij zich af wat hij hier deed en waarom hij was meegegaan. Hij was geen Jon Arryn, dat hij deze wilde koning zou kunnen beteugelen en hem wijsheid leren. Robert zou doen wat hij zelf wilde, zoals hij altijd had gedaan, en niets wat Ned zei of deed zou daar verandering in brengen. Hij hoorde in Winterfel thuis. Hij hoorde bij Catelyn in haar verdriet, en bij Bran. Maar een man kon niet altijd zijn waar hij thuishoorde. Berustend drukte Eddard Stark zijn laarzen in de flanken van zijn paard en ging de koning achterna.

Tyrion

    Er kwam geen einde aan het noorden.
    Tyrion Lannister kende de kaarten net zo goed als wie ook, maar na twee weken op het onherbergzame pad dat hier voor Koningsweg doorging was hij ervan doordrongen dat een kaart bepaald niet het gebied was. Ze waren tegelijk met de koning uit Winterfel vertrokken, midden onder alle commotie van de koninklijke afreis, begeleid door het geluid van roepende mensen en briesende paarden, het geratel van karren en het gekreun van de reusachtige huiswagen waarin de koningin reisde, terwijl rondom hen de sneeuw zachtjes omlaagdwarrelde. De Koningsweg liep vlak achter de vormeloze massa van het kasteel en het stadje langs. Daar sloegen de banieren, de wagens en de rijen ridders en vrijruiters naar het zuiden af met medeneming van het tumult, terwijl Tyrion met Benjen Stark en diens neef naar het noorden afsloeg.
    Daarna was het kouder geworden, en heel wat rustiger. Ten westen van de weg lagen vuursteenheuvels, grauw en ruig, met hoge wachttorens op de stenige toppen. In het oosten was het land lager en ging het over in een golvende vlakte die zich uitstrekte zover het oog reikte. Stenen bruggen overspanden snelstromende, smalle rivieren en kleine boerderijen lagen in cirkels verspreid rond met hout en steen omwalde hofsteden. De weg was druk begaan en ’s nachts vonden ze onderdak in eenvoudige herbergen. Maar drie dagreizen van Winterfel ging het boerenland in dichte bossen over en werd de Koningsweg eenzaam. De vuursteenheuvels werden met elke mijl hoger en ruiger, totdat ze op de vijfde dag in bergen veranderd waren, koude, blauwgrijze reuzen met uitstekende klippen en sneeuw op de flank. Als de wind uit het noorden kwam golfden er lange pluimen van ijskristal als banieren aan de hoge pieken. Omdat de bergen als een muur in het westen oprezen boog de weg naar het noordoosten af, dwars door het bos, een woud van eiken, altijdgroene bomen en zwarte doornstruiken die ouder en donkerder leken dan Tyrion ooit had gezien. ‘Het Wolfswoud,’ noemde Benjen Stark het, en hun nachten werden inderdaad verlevendigd door het gehuil van troepen wolven, veraf en soms ook dichterbij. Jon Sneeuws schrikwolf, de albino, spitste de oren bij dat nachtelijke gehuil maar verhief nooit zijn eigen stem om antwoord te geven. Dat beest had iets heel verontrustends, vond Tyrion.
    Ze waren inmiddels met z’n achten, de wolf niet meegerekend. Tyrion reisde met twee van zijn eigen mannen, zoals het een Lannister betaamde. Benjen Stark had alleen zijn bastaardneef en een aantal verse paarden voor de Nachtwacht bij zich, maar aan de rand van het Wolfswoud hadden ze een nacht achter de houten wanden van een woudhof doorgebracht, en daar had zich nog een zwarte broeder bij hen aangesloten, een zekere Yoren. Yoren liep krom en zag er onheilspellend uit, en zijn gezicht ging schuil achter een baard die net zo zwart was als zijn kleren, maar hij leek taai als een oude boomwortel en hard als steen. Hij had een paar voddige boerenjongens uit de Vingers onder zijn hoede. ‘Verkrachters,’ zei Yoren terwijl hij met een kille blik naar hen keek. Tyrion begreep het. Het leven op de Muur had de reputatie hard te zijn, maar verdiende ongetwijfeld de voorkeur boven castratie. Vijf mannen, drie jongens, één schrikwolf, twintig paarden en een kooi met raven die Benjen Stark van Maester Lu win had meegekregen. Ongetwijfeld een eigenaardig gezelschap voor de Koningsweg, of voor welke weg dan ook.
    Tyrion merkte dat Jon Sneeuw Yoren en zijn norse metgezellen gadesloeg met een eigenaardige uitdrukking op zijn gezicht die verontrustend dicht in de buurt van ontzetting kwam. Yoren had een misvormde schouder en rook zuur, zijn haren en baard waren verward en vettig en zaten vol luizen, zijn kleren waren oud en opgelapt en zelden gewassen. Zijn twee jeugdige rekruten roken nog smeriger en leken even dom als wreed. Die jongen had ongetwijfeld de vergissing begaan om te denken dat de Nachtwacht uit mannen als zijn oom bestond. Als dat zo was werd hij nu ruw wakker geschud door Yoren en diens metgezellen. Tyrion had met de jongen te doen. Hij had voor een hard leven gekozen… of wie weet moest je zeggen dat er een hard leven voor hem gekozen was.
    De oom was hem heel wat minder sympathiek. Benjen Stark leek de afkeer van Lannisters met zijn broer gemeen te hebben, en hij was niet blij geweest toen Tyrion hem van zijn plannen op de hoogte had gesteld. ‘Ik waarschuw je, Lannister. Bij de Muur zul je geen herbergen vinden,’ had hij gezegd terwijl hij op Tyrion neerkeek.
    ‘Je zult me ongetwijfeld wel ergens weten onder te brengen,’ had Tyrion teruggekaatst. ‘Het zal je niet ontgaan zijn dat ik klein ben.’
    Nee zeggen tegen de broer van de koningin was natuurlijk onmogelijk, dus daarmee was de kous af, maar het zat Stark wel dwars.
    ‘De reis zal je niet bevallen,’ had hij kortweg gezegd en sinds hun vertrek had hij er alles aan gedaan om die belofte waar te maken. Na de eerste week waren Tyrions dijen rauw van het ingespannen rijden, had hij ernstige kramp in zijn benen en was hij tot op het merg verkild. Hij klaagde niet. Dat genoegen gunde hij Benjen Stark voor geen goud.
    De affaire van de vacht, een aftands, sterk riekend en gerafeld berenvel, schonk hem een zekere genoegdoening. Stark had hem het ding overdreven galant geoffreerd als geste van de Nachtwacht, ongetwijfeld in de verwachting dat hij beleefd zou weigeren. Tyrion had het glimlachend geaccepteerd. Hij had bij het vertrek uit Winterfel zijn warmste kleren meegenomen en al snel ontdekt dat ze op geen stukken na warm genoeg waren. Het was hier koud, en het werd alsmaar kouder, ’s Nachts was het nu ruim beneden het vriespunt, en als het waaide leek het of er een mes dwars door zijn warmste wollen kledingstukken sneed. Stark zou al wel spijt hebben van zijn opwelling van ridderlijkheid. Wie weet had hij zijn lesje geleerd. De Lannisters sloegen nooit iets af, al dan niet beleefd. De Lannisters namen wat hun aangeboden werd. Boerderijen en ridderhoven werden schaarser naarmate ze verder in het noorden doordrongen, steeds dieper het donkere Wolfswoud in, totdat er ten slotte geen daken meer waren om onder te schuilen en ze op zichzelf teruggeworpen werden.
    Aan Tyrion hadden ze weinig bij het opslaan of opbreken van een kamp. Te klein, te slecht ter been, te veel in de weg. Dus mat hij zich de gewoonte aan om telkens als Stark, Yoren en de rest van de mannen eenvoudige schuilhutten oprichtten, de paarden verzorgden en vuur maakten, zijn vacht en een wijnzak te nemen om ergens in zijn eentje te gaan zitten lezen.
    Op de achttiende reisdag was de wijn een kostelijke, zoete witte soort van de Zomereilanden, helemaal meegesjouwd van de Rots van Casterling, en het boek een diepgravende verhandeling over de geschiedenis en de eigenschappen van draken. Met toestemming van heer Eddard Stark had Tyrion een paar zeldzame delen uit de bibliotheek van Winterfel geleend en ze bij zijn bagage voor het noorden gestopt. Hij vond een comfortabel plekje buiten gehoorsafstand van de herrie in het kamp, naast een snelstromend beekje met helder, ijskoud water. Een eik die kromgegroeid was van ouderdom bood beschutting tegen de snijdende wind. Tyrion nestelde zich in zijn vacht met zijn rug tegen de stam, nam een slokje wijn en boog zich over de eigenschappen van drakenbeen. Drakenbeen is zwart vanwege het hoge ijzergehalte, deelde het boek mee. Het is sterk als staal, maar lichter en veel buigzamer, en natuurlijk volkomen ongevoelig voor vuur. Tegenwoordig worden bogen van drakenbeen hooglijk gewaardeerd door de Dothraki, en dat is niet verwonderlijk. Een boogschutter die ermee bewapend is, schiet verder dan met welke houten boog ook.
    Tyrion koesterde een ziekelijke fascinatie voor draken. Toen hij voor het eerst in Koningslanding was, ter gelegenheid van zijn zusters huwelijk met Robert Baratheon, had hij per se de drakenschedels willen zien die aan de wanden van Targaryens troonzaal hadden gehangen. Koning Robert had ze door vaandels en wandtapijten vervangen, maar Tyrion had volgehouden tot hij de schedels aantrof in de vochtige kelder waarin ze waren opgeslagen.
    Hij had verwacht dat hij ze indrukwekkend zou vinden, misschien zelfs angstaanjagend. Hij had nooit gedacht dat hij ze mooi zou vinden. Zwart als onyx, zo glad gepolijst dat het been leek te glanzen in het licht van zijn toorts. Hij had bespeurd dat ze het vuur aangenaam vonden. Hij had de toorts in de muil van een van de grotere schedels gestoken en de schaduwen laten springen en dansen op de muur achter hem. De tanden waren lang, kromme messen van zwart diamant. De toortsvlam had er geen uitwerking op: ze hadden gebaad in de hitte van veel groter vuren. Toen hij weg was gegaan had Tyrion kunnen zweren dat de lege oogkassen van het beest hem nastaarden. Er waren negentien schedels. De oudste was ruim drieduizend jaar oud, de jongste maar anderhalve eeuw. De meest recente waren tevens de kleinste, een identiek stel, niet groter dan de schedel van een buldog, en vreemd misvormd, alles wat er restte van de laatste twee draakjes die in Drakensteen uit het ei gekropen waren. Dit waren de laatste draken van de Targaryens en misschien de laatste draken ter wereld, en ze hadden niet erg lang geleefd.
    Van daaraf namen de afmetingen van de schedels steeds toe, met aan het eind de drie grote monsters uit de liederen en verhalen, de draken die door Aegon Targaryen en zijn zusters op de Zeven Koninkrijken van weleer waren afgehitst. De zangers hadden hun de namen van goden gegeven: Balerion, Meraxes, Vhaghar. Sprakeloos van ontzag had Tyrion tussen hun wijd open kaken gestaan. Je had te paard Vhaghars keelgat kunnen binnenrijden, al zou je er nooit meer uitgekomen zijn. Meraxes was nog groter. En de grootste, Balerion, de Zwarte Verschrikking, had een complete oeros kunnen verzwelgen, of zelfs een van de harige mammoets die naar men zei door de koude woestenijen achter de Haven van Ibben zwierven. Lange tijd had Tyrion in die vochtige kelder naar Balerions reusachtige, oogloze schedel staan staren, totdat zijn toorts bijna opgebrand was, en een poging gedaan de afmetingen van het levende beest te bevatten, zich voor te stellen hoe het eruitgezien moest hebben als het zijn grote, zwarte vleugels spreidde en vuur spuwend door de hemel scheerde.
    Zijn eigen verre voorvader, koning Loren van de Rots, had getracht dat vuur te weerstaan toen hij zich bij koning Mern van de Vlakte had gevoegd om de binnenvallende Targaryens te weerstaan. Dat was bijna driehonderd jaar geleden, toen de Zeven Koninkrijken nog koninkrijken waren, niet slechts provincies van een groter geheel. Samen hadden de Twee Koningen zeshonderd banieren bijeengeroepen, vijfduizend ridders te paard en nog tienmaal zoveel vrijruiters en krijgsknechten. Aegon de Drakenvorst had misschien een vijfde van dat aantal, zeiden de kroniekschrijvers, en het merendeel daarvan had hij ingelijfd uit het leger van de koning die hij het laatst had gedood, zodat hun loyaliteit niet vaststond. De legermachten waren samengekomen op de weidse vlakten van het Rak, temidden van gulden tarwevelden die rijp waren om te oogsten. Toen de Twee Koningen in de aanval gingen waren de soldaten van Targaryen sidderend alle kanten op gevlucht. Kortstondig, schreven de kroniekschrijvers, was de inval gestuit… maar slechts even, totdat Aegon Targaryen en zijn zusters zich in de strijd mengden. Dat was de enige keer dat Vhaghar, Meraxes en Balerion alle drie tegelijk ontketend waren. De zangers hadden dat het Veld van Vuur genoemd.
    Bijna vierduizend man waren die dag verbrand, onder wie koning Mern van de Vlakte. Koning Loren was ontkomen en lang genoeg blijven leven om zich over te geven, de Targaryens onderworpenheid te zweren en een zoon te verwekken, waarvoor Tyrion naar behoren dankbaar was.
    ‘Waarom leest u zoveel?’
    Bij het horen van de stem keek Tyrion op. Jon Sneeuw stond een paar voet verderop nieuwsgierig naar hem te kijken. Hij sloeg het boek dicht met een vinger ertussen en zei: ‘Kijk naar me en zeg dan wat je ziet.’
    De jongen keek hem wantrouwig aan. ‘Is dit een of ander trucje?
    Ik zie u. Tyrion Lannister.’
    Tyrion zuchtte. ‘Voor een bastaard ben je opvallend beleefd, Sneeuw. Wat je ziet is een dwerg. Hoe oud ben jij, twaalf?’
    ‘Veertien,’ zei de jongen.
    ‘Veertien, en nu al langer dan ik ooit zal zijn. Mijn benen zijn kort en krom en ik loop moeilijk. Ik heb een speciaal zadel nodig om niet van mijn paard te vallen. Een zadel dat ik zelf ontworpen heb, voor het geval het je interesseert. Ik kon kiezen: of dat, of op een pony rijden. Mijn armen zijn vrij sterk, maar alweer te kort. Ik zal nooit een zwaardvechter worden. Als ik als boer geboren was hadden ze me misschien ergens buiten neergelegd om dood te gaan of me aan een of andere slavenhandelaar met een curiositeitenkabinet verkocht. Helaas, ik ben als Lannister van de Rots van Casterling geboren, wat jammer is voor de curiositeitenkabinetten. Er worden dingen van me verwacht. Mijn vader was twintig jaar lang de Hand des Konings. Het geval wil dat mijn broer die koning later heeft vermoord, maar het leven is vol van zulke kleine ironische gebeurtenissen. Mijn zuster is met de nieuwe koning getrouwd en mijn weerzinwekkende neefje zal de volgende koning zijn. Ik moet mijn steentje bijdragen aan de eer van mijn Huis, lijkt je ook niet? Maar hoe dan? Welnu, mijn benen mogen dan te kort zijn voor mijn lijf, mijn hoofd is weer te groot, al denk ik zelf liever dat het precies groot genoeg is voor mijn geest. Ik heb een realistische kijk op mijn eigen sterke en zwakke punten. Mijn geest is mijn wapen. Mijn broer heeft zijn zwaard, koning Robert heeft zijn strijdhamer, en ik heb mijn geest… en een geest heeft boeken nodig zoals een zwaard een wetsteen, wil het zijn scherpte behouden.’ Tyrion tikte op het leren omslag van het boek.
    ‘Daarom lees ik zoveel, Jon Sneeuw.’
    De jongen nam het allemaal zwijgend in zich op. Hij had het gezicht van de Starks, al droeg hij de naam niet: lang, plechtig, waakzaam, een gezicht dat niets verried. Wie zijn moeder ook geweest mocht zijn, ze had weinig van zichzelf aan haar zoon nagelaten.
    ‘Waar leest u over?’ vroeg hij.
    ‘Draken,’ lichtte Tyrion hem in.
    ‘Waar is dat goed voor? Er zijn geen draken meer,’ zei de jongen met de gladde zelfverzekerdheid van de jeugd.
    ‘Dat zeggen ze,’ antwoordde Tyrion. ‘Treurig, nietwaar? Toen ik zo oud was als jij droomde ik ervan een eigen draak te hebben.’
    ‘O ja?’ zei de jongen achterdochtig. Misschien dacht hij dat Tyrion de draak met hem stak.
    ‘Jazeker. Zelfs een onvolgroeid, mismaakt, lelijk jongetje kan vanaf een drakenrug op de wereld neerkijken.’ Tyrion schoof het berenvel van zich af en krabbelde overeind. ‘Ik stak altijd vuren aan in de ingewanden van de Rots van Casterling, en dan staarde ik urenlang in de vlammen en deed of het dr aken vuur was. Soms zag ik mijn vader branden. Andere keren mijn zuster.’ Jon Sneeuw staarde hem aan met een blik waarin ontzetting en fascinatie om het hardst streden. Tyrion lachte ruw. ‘Kijk me niet zo aan, bastaard. Ik ken je geheim. Jij hebt net zulke dromen gehad.’
    ‘Nee,’ zei Jon Sneeuw ontzet. ‘Ik zou geen…’
    ‘Nee? Nooit?’ Tyrion trok een wenkbrauw op. ‘Nou, dan zijn de Starks ongetwijfeld verschrikkelijk goed voor je geweest. Vrouwe Stark behandelt je vast en zeker alsof je haar eigen kind bent. En je broer Robb, die is altijd aardig geweest, en waarom ook niet? Hij krijgt Winterfel en jij de Muur. En je vader… die moet een goede reden hebben gehad om je bij de Nachtwacht op te bergen…’
    ‘Hou op,’ zei Jon Sneeuw, zijn gezicht donker van woede. ‘De Nachtwacht is een nobele roeping!’
    Tyrion lachte. ‘Je bent veel te slim om dat te geloven. De Nachtwacht is een beerput voor al het vuilnis van het Rijk. Ik heb je naar Yoren en zijn jongens zien kijken. Dat zijn je nieuwe broers, Jon Sneeuw. Hoe bevallen ze je? Stuurse boeren, schuldenaars, stropers, verkrachters, dieven en bastaarden zoals jij eindigen allemaal op de Muur om daar rond te neuzen naar gnurkers en snaaien en al die andere monsters waarvoor je baker je gewaarschuwd heeft. Het pluspunt is dat gnurkers en snaaien niet bestaan, dus dat het werk niet echt gevaarlijk is. Het minpunt is dat je ballen eraf vriezen, maar aangezien je je toch niet mag voortplanten denk ik niet dat dat iets uitmaakt.’
    ‘Hou op!’ schreeuwde de jongen. Hij deed een stap naar voren, zijn handen tot vuisten gebald, bijna in tranen.
    Absurd genoeg voelde Tyrion zich plotseling schuldig. Hij deed ook een stap naar voren, van plan de jongen een geruststellend schouderklopje te geven of een verontschuldiging te prevelen. Hij zag absoluut niet waar de wolf vandaan kwam, of hoe hij besprongen werd. Het ene ogenblik liep hij naar Sneeuw en het volgende ogenblik lag hij plat op zijn rug op de harde rotsgrond. Het boek was bij zijn val uit zijn hand geslingerd, de harde klap had hem de adem benomen en zijn mond zat vol met aarde, bloed en rottende bladeren. Toen hij wilde opstaan schoot er een pijnscheut door zijn rug. Hij moest hem bij zijn val verdraaid hebben. Hij knarsetandde van frustratie, greep een boomwortel en trok zich tot zithouding op. ‘Help eens,’ zei hij tegen de jongen en stak een hand uit.
    En plotseling stond de wolf tussen hen in. Hij gromde niet. Het rotbeest liet niet één geluid horen, het keek hem alleen maar aan met die felrode ogen en liet hem zijn tanden zien, en dat was meer dan genoeg. Met een grom liet Tyrion zich weer achteroverzakken. ‘Help me dan maar niet. Ik blijf wel zo liggen tot jij weg bent.’
    Jon Sneeuw streelde de dikke witte vacht van Spook. Nu glimlachte hij. ‘Als u het vriendelijk vraagt.’
    Tyrion Lannister voelde hoe de razernij zich in hem samenbalde en drukte die met kracht de kop in. Het was niet de eerste keer in zijn leven dat hij vernederd werd, en het zou ook de laatste niet zijn. Misschien had hij dit zelfs verdiend. ‘Ik zou je heel dankbaar zijn als je zo vriendelijk zou willen zijn me te helpen, Jon,’ zei hij op milde toon.
    ‘Zit, Spook,’ zei de jongen. De schrikwolf ging op zijn achterpoten zitten. De rode ogen lieten Tyrion geen ogenblik uit het oog. Jon liep achter hem om, stak zijn handen onder zijn armen en zette hem met gemak overeind. Toen raapte hij het boek op en gaf het terug.
    ‘Waarom heeft hij me aangevallen?’ vroeg Tyrion terwijl hij tersluiks naar de schrikwolf gluurde. Hij veegde met de rug van zijn hand het bloed en de aarde van zijn mond.
    ‘Misschien dacht hij dat u een gnurker was.’
    Tyrion keek hem scherp aan. Toen schoot hij in de lach, een rauw gesnork van vrolijkheid dat geheel buiten zijn wil door zijn neus naar buiten barstte. ‘O goden,’ zei hij, hoofdschuddend en stikkend van de lach. ‘Ik zal er ook wel als een gnurker uitzien. En wat doet hij met een snaai?’
    ‘Dat wilt u vast niet weten.’ Jon raapte de wijnzak op en gaf hem aan Tyrion.
    Tyrion trok de stop eruit, boog zijn hoofd achterover en liet een flinke stroom in zijn mond spuiten. De wijn klokte als verkoelend vuur zijn keelgat in en verwarmde hem vanbinnen. Hij hield Jon Sneeuw de zak voor. ‘Jij ook wat?’
    De jongen pakte de wijnzak aan en nam behoedzaam een slokje.
    ‘Het is waar, hè?’ zei hij toen hij klaar was. ‘Wat u over de Nachtwacht zei.’
    Tyrion knikte.
    De mond van Jon Sneeuw werd een grimmige streep. ‘Als dat zo is, dan is het zo.’
    Tyrion grijnsde naar hem. ‘Goed zo, bastaard. De meeste mensen ontkennen een harde waarheid liever dan dat ze die onder ogen zien.’
    ‘De meeste mensen wel,’ zei de jongen. ‘Maar u niet.’
    ‘Nee,’ beaamde Tyrion, ‘ik niet. Ik droom zelfs nog maar zelden van draken. Er zijn geen draken.’ Hij raapte het gevallen berenvel op. ‘Kom, laten we naar het kamp teruggaan voor je oom de banieren bijeenroept.’
    Het was een korte wandeling, maar de bodem was oneffen, en tegen de tijd dat ze terug waren had hij ernstige beenkramp. Jon Sneeuw stak een hand uit om hem over een verwarde massa wortels heen te helpen, maar die schudde Tyrion af. Hij kwam er zelf wel. Dat deed hij zijn hele leven al. Maar toch bood het kamp een welkome aanblik. De schuilhutten waren opgezet tegen de afgebrokkelde muur van een lang geleden verlaten hofstede die beschutting bood tegen de wind. De paarden waren gevoederd en er was vuur gemaakt. Yoren zat op een steen een eekhoorn te villen. Een aanlokkelijke stamppotgeur bereikte Tyrions neusgaten. Hij sleepte zich naar de pot waarin zijn knecht Morrec stond te roeren. Morrec stak hem zwijgend de grote lepel toe. Tyrion proefde ervan en gaf hem terug. ‘Meer peper,’ zei hij.
    Uit de schuilhut die hij met zijn neef deelde dook Benjen Stark op. ‘Dus daar ben je Jon, verdomme, je moet er niet zo in je eentje vandoor gaan. Ik dacht dat de Anderen je gegrepen hadden.’
    ‘Het waren de gnurkers,’ informeerde Tyrion hem grijnzend. Jon Sneeuw glimlachte. Stark wierp Yoren een verwonderde blik toe. De oude man knorde, haalde zijn schouders op en wijdde zich weer aan zijn bloederige klus.
    Dankzij de eekhoorn werd de stamppot wat substantiëler. Ze aten hem ’s avonds rond het kampvuur, met zwart brood en harde kaas. Tyrion liet zijn wijnzak rondgaan totdat zelfs Yoren ontdooide. Een voor een zochten de leden van het gezelschap hun schuilhut op om te gaan slapen, behalve Jon Sneeuw, die de eerste wacht van die nacht had getrokken.
    Tyrion was zoals altijd de laatste die zich terugtrok. Toen hij de hut instapte die zijn mannen voor hem opgezet hadden bleef hij staan en keek om naar Jon Sneeuw. De jongen stond bij het vuur in de vlammen te staren, zijn gezicht strak en onbeweeglijk. Tyrion Lannister glimlachte treurig en ging naar bed.

Catelyn

    Ned en de meisjes waren acht dagen weg toen Maester Luwin op een dag in Brans ziekenkamer bij haar kwam met een leeslamp en de boekhouding. ‘Hoog tijd om de financiën naTe kijken, vrouwe,’ zei hij. ‘U wilt vast wel weten wat het koninklijk bezoek ons heeft gekost.’
    Catelyn keek naar Bran op zijn ziekbed en streek het haar van zijn voorhoofd. Ze realiseerde zich dat het erg was gegroeid. Ze zou het binnenkort moeten knippen. ‘Ik heb geen cijfers nodig, Maester Luwin,’ zei ze tegen hem, zonder haar ogen van Bran af te wenden.
    ‘Ik weet wat dat bezoek ons heeft gekost. Neem die boeken maar weer mee.’
    ‘Vrouwe, het gezelschap van de koning had een gezonde eetlust. We moeten onze voorraden aanvullen voordat…’
    Ze liet hem niet uitspreken. ‘Neem die boeken maar weer mee, zei ik. De rentmeester zorgt wel dat er in onze behoeften voorzien wordt.’
    ‘We hebben geen rentmeester,’ bracht Maester Luwin haar in herinnering. Net zo’n kleine, grijze rat die niet loslaat, dacht ze. ‘Poel is meegegaan naar het zuiden om in Koningslanding de hofhouding voor heer Eddard op te zetten.’
    Catelyn knikte afwezig. ‘O ja. Ik weet het weer.’ Bran zag zo bleek. Ze vroeg zich af of zijn bed voor het raam gezet kon worden, zodat hij ’s morgens zon had.
    Maester Luwin zette de lamp in een nis naast de deur en prutste aan de pit. ‘Er zijn verscheidene benoemingen die uw onmiddellijke aandacht vragen, vrouwe. Behalve een rentmeester hebben we iemand nodig om Jory’s plaats als hoofd van de wacht in te nemen, een nieuwe stalmeester…’
    Met een ruk richtte ze haar fonkelende ogen op hem. ‘Een stalmeester? zei ze met een stem als een zweepslag. Beverig zei de maester: ‘Ja, vrouwe. Hullen is met heer Eddard meegegaan naar het zuiden, dus…’
    ‘Mijn zoon ligt hier verminkt en wel op zijn sterfbed, en jij wilt het over een nieuwe stalmeester hebben? Denk je dat het me iets kan schelen wat er in de stallen gebeurt? Denk je dat ik daar ook maar een zier om geef? Ik zou met liefde ieder paard in Winterfel eigenhandig slachten als Bran daardoor zijn ogen op zou slaan, begrijp je dat? Begrijp je dat?’
    Hij boog zijn hoofd. ‘Ja vrouwe, maar de benoemingen…’
    ‘Ik doe die benoemingen wel,’ zei Robb.
    Catelyn had hem niet horen binnenkomen, maar daar stond hij, in de deuropening, en hij keek naar haar. Ze had zitten schreeuwen, besefte ze plotseling met een kleur van schaamte. Wat was er met haar aan de hand? Ze was zo moe, en ze had aan één stuk door hoofdpijn. Maester Luwin keek van Catelyn naar haar zoon. ‘Ik heb alvast een lijst opgesteld van personen die voor de vrijgekomen posities in aanmerking zouden kunnen komen,’ zei hij en reikte Robb een papier aan dat hij uit zijn mouw getrokken had. Haar zoon wierp een blik op de namen. Hij kwam van buiten, zag Catelyn; zijn wangen waren rood van de kou, zijn haar stond recht overeind door de wind. ‘Prima kerels,’ zei hij. ‘We hebben het er morgen over.’ Hij gaf de lijst met namen terug.
    ‘Uitstekend, heer.’ Het papier verdween in zijn mouw.
    ‘U kunt nu gaan,’ zei Robb. Maester Luwin boog en vertrok. Robb deed de deur achter hem dicht en keerde zich naar haar toe. Hij droeg een zwaard, zag ze. ‘Moeder, waar ben je mee bezig?’
    Catelyn had altijd gedacht dat Robb op haar leek. Net als Bran, Rickon en Sansa had hij de teint van de Tullings, hun kastanjebruine haar, hun blauwe ogen. Nu zag ze voor het eerst iets van Eddard Stark in zijn gezicht, iets dat streng en hard was als het noorden.
    ‘Waar ik mee bezig ben?’ herhaalde ze niet-begrijpend. ‘Hoe kun je dat nu vragen? Waar denk je dat ik mee bezig ben? Ik zorg voor je broer. Ik zorg voor Bran.’
    ‘O, noemt u dat zo? U bent zijn kamer niet uit geweest sinds hij hier gewond ligt. U bent niet eens naar de poort gekomen toen vader en de meisjes naar het zuiden vertrokken.’
    ‘Ik heb hier afscheid van ze genomen en door dat raam hun vertrek gadegeslagen.’ Ze had Ned gesmeekt om niet te gaan, niet nu, niet na wat er gebeurd was, alles was anders geworden, begreep hij dat niet? Het had niets uitgehaald. Hij had haar voorgehouden dat hij geen keus had, en toen was hij weggegaan en had daarmee zijn keus gemaakt. ‘Ik kan niet bij hem weg, zelfs geen ogenblik, niet nu elk ogenblik zijn laatste kan zijn. Ik moet bij hem zijn als… als…’ Ze nam de slappe hand van haar zoon en liet zijn vingers door de hare glijden. Hij was zo breekbaar en dun en zijn hand was volkomen krachteloos geworden, maar door zijn huid heen was zijn levenswarmte nog te voelen. Robbs toon verzachtte zich. ‘Hij gaat niet dood, moeder. Maester Luwin zegt dat het grootste gevaar al geweken is.’
    ‘En gesteld dat Maester Luwin het mis heeft? Als Bran me nodig heeft en ik ben er niet?’
    ‘Rickon heeft je nodig,’ zei Robb scherp. ‘Hij is pas drie, hij begrijpt niet wat er aan de hand is. Hij denkt dat iedereen hem in de steek gelaten heeft, dus loopt hij de hele dag achter me aan en grijpt me huilend bij mijn been. Ik weet niet wat ik met hem aan moet.’
    Hij zweeg even en beet op zijn onderlip, zoals hij altijd gedaan had toen hij nog klein was. ‘Moeder, ik heb u ook nodig. Ik doe mijn best, maar ik… ik kan niet alles alleen af.’ Zijn stem sloeg plotseling over van emotie, en Catelyn bedacht dat hij pas veertien was. Ze wilde opstaan en naar hem toelopen, maar Bran hield nog steeds haar hand vast, en ze kon zich niet verroeren.
    Buiten de toren begon een wolf te huilen. Catelyn beefde, één tel maar, niet meer.
    ‘Die van Bran.’ Robb deed het raam open en liet de nachtlucht de bedompte torenkamer binnen. Het gehuil werd luider. Het was een koud en eenzaam geluid, vol melancholie en wanhoop.
    ‘Niet doen,’ zei ze tegen hem. ‘Bran moet warm blijven.’
    ‘Hij moet ze horen zingen,’ zei Robb. Ergens verderop in Winterfel begon een tweede wolf te huilen, in koor met de eerste. Toen een derde, dichterbij. ‘Ruige Hond en Grijze Wind,’ zei Robb terwijl de stemmen gezamenlijk rezen en daalden. ‘Als je goed luistert kun je ze uit elkaar houden.’
    Catelyn huiverde. Van verdriet, van de kou, van het wolvengehuil. Nacht aan nacht dat gehuil en die koude wind en dat grauwe, lege kasteel, en het ging maar door en werd nooit eens anders, en haar jongen lag daar verminkt, haar liefste kind, haar zachtaardigste, Bran, die zo graag had gelachen en geklommen en van het ridderschap had gedroomd, allemaal voorbij nu, ze zou hem nooit meer horen lachen. Snikkend trok ze haar hand uit de zijne en stopte haar oren dicht voor dat verschrikkelijke gehuil. ‘Laat ze ophouden!’ riep ze. ‘Ik kan er niet tegen, laat ze ophouden, laat ze ophouden, maak ze desnoods allemaal af, maar laat ze ophouden!’
    Ze wist niet meer hoe ze op de grond gevallen was, maar daar lag ze, en Robb tilde haar overeind en ondersteunde haar met sterke armen. ‘Niet bang zijn, moeder. Ze zullen hem nooit iets doen.’ Hij hielp haar naar het smalle bed in de hoek van de ziekenkamer. ‘Sluit uw ogen,’ zei hij zacht. ‘Rust wat uit. Maester Luwin zegt dat u sinds Brans val nauwelijks een oog dichtgedaan hebt.’
    ‘Dat kan ik niet,’ huilde ze. ‘Mogen de goden het me vergeven, Robb, maar ik kan het niet. Wat moet ik als hij doodgaat terwijl ik slaap, wat moet ik als hij doodgaat, wat moet ik als hij doodgaat…’
    De wolven huilden nog steeds. Ze gilde en hield haar handen weer voor haar oren. ‘O goden, doe het raam dicht!’
    ‘Als u zweert dat u gaat slapen.’ Robb liep naar het raam, maar toen hij naar de luiken reikte voegde zich een ander geluid bij het klaaglijke gehuil van de schrikwolven. ‘Honden,’ zei hij al luisterend.
    ‘Alle honden blaffen. Dat hebben ze nog nooit gedaan…’ Catelyn hoorde hoe zijn adem stokte. Ze keek op en zag zijn bleke gezicht in het licht van de lamp. ‘Brand,’ fluisterde hij. Brand, dacht ze, en toen: Bran! ‘Help me,’ zei ze dringend en ging zitten. ‘Help me met Bran.’
    Robb scheen het niet te horen. ‘De bibliotheektoren staat in brand,’ zei hij.
    Nu zag Catelyn door het open raam de flakkerende, rossige gloed. Haar knieën knikten van opluchting. Bran was veilig. De bibliotheek lag aan de overkant van het grote binnenplein, ze waren hier volstrekt onbereikbaar voor het vuur. ‘De goden zij dank,’ fluisterde ze. Robb keek haar aan alsof ze gek geworden was. ‘Moeder, blijf hier. Ik kom terug zodra het vuur geblust is.’ Toen rende hij weg. Ze hoorde hem iets roepen tegen de wachtposten voor de deur, en toen hoorde ze hen gezamenlijk in allerijl met twee of drie treden tegelijk de trap afstormen.
    Buiten in de hof werd ‘Brand!’ geroepen, er klonk gegil, het gedraaf van voetstappen, het gehinnik van geschrokken paarden en het verwoede geblaf van de kasteelhonden. Het gehuil was opgehouden, realiseerde ze zich toen ze naar die kakofonie luisterde. De schrikwolven waren stilgevallen. Terwijl Catelyn naar het raam liep zond ze een zwijgend dankgebed op tot de zeven aangezichten van god. Aan de overkant van het binnenplein schoten uit de ramen van de bibliotheek langgerekte vuurtongen omhoog. Ze zag de rook naar de hemel opstijgen en dacht treurig aan alle boeken die de Starks door de eeuwen heen hadden verzameld. Toen sloot ze de luiken.
    Toen ze zich van het raam afkeerde stond de man bij haar in de kamer.
    ‘U had ‘r niet moeten zijn,’ pruttelde hij nors. ‘D’r had niemand moeten zijn.’
    Het was een klein, vuil mannetje in smerige bruine kleren, en hij stonk naar paarden. Catelyn kende alle mannen die bij hen in de stallen werkten, en hij hoorde daar niet bij. Hij was broodmager, met slap blond haar en fletse, holle ogen in een knokig gezicht, en in zijn hand had hij een dolk.
    Catelyn keek naar het mes en toen naar Bran. ‘Nee,’ zei ze. Het woord bleef in haar keel steken, niet meer dan een fluistering. Hij moest haar gehoord hebben. ‘Dat is barmhartig,’ zei hij. ‘Hij is al dood.’
    ‘Nee,’ zei Catelyn, luider nu, want ze had haar stem terug. ‘Nee, dat kun je niet doen.’ Met een ruk keerde ze zich weer naar het raam toe en wilde om hulp schreeuwen, maar de man was sneller dan ze voor mogelijk had gehouden. Eén hand werd voor haar mond geslagen en trok haar hoofd naar achteren, de andere zette de dolk op haar luchtpijp. Zijn stank was overweldigend.
    Ze bracht haar beide handen omhoog, greep met al haar kracht het mes en trok het weg bij haar keel. Ze hoorde hem vloeken in haar oor. Haar vingers waren glibberig van het bloed, maar ze liet de dolk niet los. De hand werd nog harder tegen haar mond gedrukt en benam haar de adem. Catelyn draaide haar hoofd opzij en slaagde erin een stukje van zijn hand tussen haar tanden te krijgen. Ze beet keihard in zijn handpalm. De man gromde van de pijn. Ze klemde haar kaken op elkaar en rukte, en plotseling liet hij los. Ze proefde de smaak van zijn bloed in haar mond. Ze zoog lucht binnen en gilde, en hij greep haar bij haar haren en rukte haar van zich af. Ze struikelde en viel, en het volgende ogenblik stond hij over haar heen gebogen, hijgend en trillend, de dolk, die glibberig was van het bloed, nog stevig in zijn rechterhand geklemd. ‘U had ‘r niet moeten zijn,’ herhaalde hij dom.
    Catelyn zag de schaduw achter hem door de open deur glippen. Er klonk een zacht gegrom, minder dan een grauw, een zweem van een dreigement slechts, maar hij moest iets gehoord hebben, want net toen de wolf sprong begon hij zich om te keren. Ze vielen samen op de grond, half over de gevallen Catelyn heen. De wolf had hem tussen de kaken. Het gekrijs van de man duurde nog geen tel, en toen had het dier zijn hoofd achterover geknakt en de helft van zijn strot afgebeten.
    Zijn bloed dat op haar gezicht spatte voelde aan als warme regen. De wolf stond naar haar te kijken. Zijn kaken waren rood en nat en zijn ogen gloeiden goudkleurig in de donkere kamer. Het was Brans wolf, drong het tot haar door. Natuurlijk. ‘Dank je,’ fluisterde Catelyn met een dun, klein stemmetje. Ze hief een trillende hand op, want ze wilde hem aanraken. Ze moest hem aanraken. De wolf stapte naar haar toe, besnuffelde haar vingers en likte met een natte, ruwe tong het bloed weg. Toen haar hele hand schoon was keerde het dier zich geluidloos om, sprong op Brans bed en ging naast hem liggen. Catelyn begon hysterisch te lachen.
    Zo werden ze aangetroffen toen Robb, Maester Luwin en ser Rodrik met de halve wacht van Winterfel naar binnen stormden. Toen haar gelach ten slotte stokte wikkelden ze haar in warme dekens en brachten haar naar haar eigen vertrekken in de hoofdburcht. Ouwe Nans kleedde haar uit, stopte haar in een gloeiend heet bad en waste met een zachte doek het bloed van haar af. Daarna kwam Maester Luwin om haar wonden te verbinden. De sneden in haar vingers waren diep en gingen bijna tot op het bot, en op haar hoofdhuid zat een rauwe, bloedende plek waar hij een handvol haar had uitgerukt. De maester zei dat de pijn nu pas opkwam en gaf haar melksap van de papaver om haar in slaap te helpen. Ten langen leste vielen haar ogen dicht.
    Toen ze ze weer opende kreeg ze te horen dat ze vier dagen geslapen had. Catelyn knikte en ging rechtop in bed zitten. Het leek nu allemaal een nachtmerrie, alles wat zich sinds Brans val had afgespeeld, een afschuwelijke droom vol bloed en tranen, maar de pijn in haar handen herinnerde haar eraan dat het werkelijkheid was geweest. Ze voelde zich slap en licht in het hoofd, maar eigenaardig vastberaden, alsof er een groot gewicht van haar schouders was genomen.
    ‘Breng me wat brood met honing,’ zei ze tegen haar bedienden, ‘en laat Maester Luwin weten dat mijn verbanden vernieuwd moeten worden.’ Ze keken haar verrast aan en haastten zich om te doen wat ze gezegd had.
    Catelyn dacht eraan hoe ze zich daarvoor had gedragen en schaamde zich. Ze had hen allemaal in de steek gelaten, haar kinderen, haar man, haar Huis. Het zou niet nog eens gebeuren. Ze zou die noorderlingen eens laten zien hoe sterk een Tulling van Stroomvliet kon zijn. Robb arriveerde nog vóór haar maaltijd. Rodrik Cassel kwam met hem mee, de pupil van haar echtgenoot, Theon Grauwvreugd, en ten slotte Hallis Mollen, een gespierde wachter met een vierkante bruine baard. Hij was het nieuwe hoofd van de wacht, zei Robb. Haar zoon was in verhard leer en maliën gehuld, zag ze, en om zijn middel hing een zwaard.
    ‘Wie was hij?’ vroeg Catelyn.
    ‘Niemand weet hoe hij heet,’ zei Hallis Mollen tegen haar. ‘Hij hoorde niet in Winterfel thuis, vrouwe, maar sommigen zeggen dat ze hem de afgelopen weken in en om het kasteel hebben gezien.’
    ‘Dus een van de mannen van de koning,’ zei ze, ‘of van de Lannisters. Hij kan achtergebleven zijn toen de rest vertrok.’
    ‘Misschien,’ zei Hal. ‘Met al die vreemden waar Winterfel de laatste tijd vol mee zat valt absoluut niet te zeggen bij wie hij hoorde.’
    ‘Hij had zich verborgen gehouden in uw stallen,’ zei Grauwvreugd. ‘Dat kon je ruiken.’
    ‘En hoe kwam het dat hij ongemerkt kon rondlopen?’ vroeg ze scherp.
    Hallis Mollen keek verlegen. ‘Zonder de paarden die heer Eddard mee naar het zuiden heeft genomen en degene die we naar het noorden hebben meegegeven voor de Nachtwacht, waren de stallen halfleeg. Dan is het niet zo’n karwei om je voor de staljongens te verstoppen. Wie weet heeft Hodor hem wel gezien. Het gerucht gaat dat die knaap nogal raar deed, maar zwakzinnig als hij is…’ Hal schudde zijn hoofd.
    ‘We hebben zijn slaapplaats gevonden,’ kwam Robb ertussen. ‘Hij had een leren zak met negentig zilveren hertenbokken in het stro verstopt.’
    ‘Goed om te weten dat het leven van mijn zoon niet voor een habbekrats verkocht is,’ zei Catelyn verbitterd. Onthutst staarde Hallis Mollen haar aan. ‘Verschoning, vrouwe, maar wilt u zeggen dat hij eropuit was uw zoon te doden?’
    Grauwvreugd keek sceptisch. ‘Dat is waanzin.’
    ‘Hij had het op Bran gemunt,’ zei Catelyn. ‘Hij bleef maar mompelen dat ik er niet had moeten zijn. Hij heeft de brand in de bibliotheek gesticht, in de veronderstelling dat ik naar buiten zou rennen om die te blussen, met alle aanwezige wachtposten achter me aan. Als ik niet halfgek van verdriet geweest was zou het gelukt zijn.’
    ‘Waarom zou iemand Bran willen vermoorden?’ zei Robb. ‘Goden nog aan toe, het is een kleine jongen die hulpeloos ligt te slapen.’
    Catelyn wierp haar eerstgeborene een uitdagende blik toe. ‘Als jij over het noorden wilt heersen moet je doordenken, Robb. Beantwoord je eigen vraag maar. Waarom zou iemand een slapend kind willen vermoorden?’
    Voordat hij antwoord kon geven kwamen de bedienden met een schaal vers eten uit de keuken. Het was veel meer dan waarom ze had gevraagd: warm brood, boter, honing, ingemaakte zwarte bessen, een zij spek en een zachtgekookt ei, een punt kaas, een pot muntthee. En Maester Luwin kwam ook mee.
    ‘Hoe is het met mijn zoon, maester?’ Catelyn keek naar al het eten en merkte dat ze geen trek had.
    Maester Luwin sloeg zijn ogen neer. ‘Nog hetzelfde, vrouwe.’
    Het antwoord dat ze had verwacht, niet meer en niet minder. Haar handen bonsden van de pijn, alsof het mes er nog diep in sneed. Ze zond de bedienden weg en keek Robb weer aan. ‘Heb je het antwoord al?’
    ‘Iemand is bang dat Bran bijkomt,’ zei Robb, ‘bang voor wat hij gaat zeggen of doen, bang voor iets dat hij weet.’
    Catelyn was trots op hem. ‘Heel goed.’ Ze wendde zich tot het nieuwe hoofd van de wacht. ‘We moeten Bran beschermen. Waar één moordenaar is kunnen er meer zijn.’
    ‘Hoeveel wachters wilt u hebben, vrouwe?’ vroeg Hal.
    ‘Zolang heer Eddard weg is, is mijn zoon de meester van Winterfel,’ zei ze tegen hem. Robb groeide een stukje. ‘Zet dag en nacht één man in de ziekenkamer, één voor de deur, en twee onder aan de trap. Niemand mag zonder mijn toestemming of die van mijn moeder bij Bran naar binnen.’
    ‘Zoals u zegt, heer.’
    ‘Doe het nu,’ stelde Catelyn voor.
    ‘En laat zijn wolf bij hem in de kamer blijven,’ voegde Robb eraan toe.
    ‘Ja,’ zei Catelyn. En toen nog eens: ‘Ja.’
    Hallis Mollen boog en verliet het vertrek.
    ‘Vrouwe Stark,’ zei ser Rodrik toen de wacht weg was, ‘hebt u misschien de dolk gezien die de moordenaar heeft gebruikt?’
    ‘De omstandigheden lieten niet toe dat ik die nauwkeurig onderzocht, maar voor de scherpte ervan kan ik instaan,’ antwoordde Catelyn droogjes en glimlachte. ‘Waarom vraagt u dat?’
    ‘De schurk hield het mes nog in zijn hand. Het leek mij een veel te mooi wapen voor zo’n kerel, en dus heb ik het langdurig en nauwkeurig bekeken. Het lernmet is van Valyrisch staal, het heft van drakenbeen. Zo’n wapen hoort niet in dergelijke handen thuis. Hij heeft het van iemand gekregen.’
    Catelyn knikte peinzend. ‘Robb, sluit de deur.’
    Hij keek haar bevreemd aan maar deed wat hem gezegd werd.
    ‘Wat ik nu ga zeggen mag niet buiten deze kamer komen,’ zei ze tegen hen. ‘Daar wil ik jullie eed op. Als zelfs maar een deel van mijn vermoedens op waarheid berust hebben Ned en mijn dochters zich in dodelijk gevaar begeven en kan één woord in de verkeerde oren hun het leven kosten.’
    ‘Voor mij is heer Eddard een tweede vader,’ zei Theon Grauwvreugd. ‘Dus ik zweer het.’
    ‘U hebt mijn eed,’ zei Maester Luwin.
    ‘En de mijne, vrouwe,’ echode ser Rodrik.
    Ze keek haar zoon aan. ‘En jij, Robb?’
    Hij knikte bevestigend.
    ‘Mijn zuster Lysa gelooft dat de Lannisters haar echtgenoot heer Arryn, de Hand des Konings, hebben vermoord,’ zei Catelyn. ‘Ik bedenk nu dat Jaime Lannister op de dag van Brans val niet mee op jacht is geweest. Hij is hier op het kasteel gebleven.’ Het was doodstil in de kamer. ‘Ik denk niet dat Bran van die toren is gevallen,’ zei ze in de stilte. ‘Ik denk dat hij eraf is gegooid.’
    Ze keken zichtbaar geschokt. ‘Maar vrouwe, wat een monsterlijke gedachte,’ zei Rodrik Cassel. ‘Zelfs de Koningsmoordenaar zou ervoor terugdeinzen een onschuldig kind te vermoorden.’
    ‘O ja?’ vroeg Theon Grauwvreugd. ‘Dat vraag ik me af.’
    ‘Er is geen grens aan de trots en de eerzucht van de Lannisters,’ zei Catelyn.
    ‘De jongen heeft tot nog toe altijd een vaste hand gehad,’ zei Maester Luwin peinzend. ‘Hij kende elke steen van Winterfel.’
    ‘Alle goden!’ vloekte Robb, zijn jeugdige gezicht donker van woede. ‘Als dit waar is zal hij ervoor boeten.’ Hij trok zijn zwaard en zwaaide het door de lucht. ‘Ik sla hem eigenhandig dood!’
    Ser Rodrik stoof op. ‘Doe dat wapen weg! De Lannisters zijn honderden mijlen ver weg. Trek nooit en te nimmer je zwaard, behalve om het meteen te gebruiken. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen, dwaze jongen die je bent?’
    Beteuterd stak Robb zijn zwaard in de schede, ineens weer een kind. Catelyn zei tegen ser Rodrik: ‘Ik zie dat mijn zoon inmiddels staal draagt.’
    De oude wapenmeester zei: ‘Dat leek mij tijd worden.’
    Robb stond haar gespannen aan te kijken. ‘Hoog tijd,’ zei ze. ‘Het kan zijn dat Winterfel binnenkort al zijn zwaarden nodig heeft, en die kunnen beter niet van hout zijn.’
    Theon Grauwvreugd legde een hand op het gevest van zijn zwaard en zei: ‘Vrouwe, als het zover komt is mijn huis het uwe veel verschuldigd.’
    Maester Luwin trok aan zijn halsketen op de plek waar die tegen zijn nek schuurde. ‘We hebben alleen maar vermoedens. Het is de geliefde broer van de koningin die we willen beschuldigen. Dat zal ze ons niet in dank afnemen. We moeten bewijzen hebben of voorgoed zwijgen.’
    ‘Je bewijs is die dolk,’ zei ser Rodrik. ‘Zo’n fraai wapen is vast niet onopgemerkt gebleven.’
    Er was maar één plaats waar ze achter de waarheid konden komen, besefte Catelyn. ‘Er moet iemand naar Koningslanding.’
    ‘Ik ga wel,’ zei Robb.
    ‘Nee,’ zei ze tegen hem. ‘Jouw plaats is hier. Er moet altijd een Stark in Winterfel zijn.’ Ze keek naar ser Rodrik met zijn grote witte bakkebaarden, naar Maester Luwin in zijn grijze gewaden, naar de jonge Theon Grauwvreugd, mager, donker en heetgebakerd. Wie moest ze sturen? Wie zou geloofwaardig zijn? Toen wist ze het. Het kostte Catelyn moeite de dekens van zich af te schuiven, want haar verbonden vingers waren stijf en even onbuigzaam als steen. Ze stapte uit bed. ‘Ik moet zelf gaan.’
    ‘Vrouwe,’ zei Maester Luwin, ‘is dat verstandig? Zullen de Lannisters uw komst niet met achterdocht bezien?’
    ‘En Bran dan?’ vroeg Robb. De arme jongen leek nu compleet in de war. ‘U wilt hem toch niet in de steek laten?’
    ‘Voor Bran heb ik alles gedaan wat in mijn macht ligt,’ zei ze en legde een gewonde hand op zijn arm. ‘Zijn leven ligt in de handen van de goden en die van Maester Luwin. Zoals je zelf gezegd hebt, ik heb nog andere kinderen waar ik nu om moet denken.’
    ‘U zult een flink escorte nodig hebben, vrouwe,’ zei Theon.
    ‘Ik zal Hal meesturen met een eenheid van de wacht,’ zei Robb.
    ‘Nee,’ zei Catelyn. ‘Een groot gezelschap trekt ongewenste aandacht. De Lannisters mogen niet weten dat ik eraan kom.’
    Ser Rodrik protesteerde. ‘Vrouwe, laat mij u dan tenminste begeleiden. De Koningsweg kan heel gevaarlijk zijn voor een vrouw alleen.’
    ‘Ik ga niet via de Koningsweg,’ antwoordde Catelyn. Ze dacht even na en knikte toen instemmend. ‘Twee ruiters reizen even snel als één, en heel wat sneller dan een lange stoet die door karren en huiswagens wordt opgehouden. Uw gezelschap zal mij welkom zijn, ser Rodrik. We rijden langs de Witte Knijf naar zee en huren in Withaven een schip. Met sterke paarden en een stijve bries zullen we ruim vóór Ned en de Lannisters in Koningslanding arriveren.’ En dan, dacht ze, zien we wel wat we zullen zien.

Sansa

    Eddard Stark was voor de dageraad vertrokken, lichtte Septa Mordane Sansa tijdens het ontbijt in. ‘De koning had hem ontboden. Ik geloof dat ze weer op jacht gingen. Ze zeggen dat er in deze streken nog wilde oerossen leven.’
    ‘Ik heb nooit een oeros gezien,’ zei Sansa terwijl ze Dame onder tafel een stuk spek voerde. Verfijnd als een koningin nam de schrikwolf het uit haar hand. Septa Mordane snoof afkeurend. ‘Een edele jonkvrouw zit aan tafel geen honden te voeren,’ zei ze, brak nog een stuk honingraat af en liet de honing op haar brood druipen.
    ‘Ze is geen hond, ze is een schrikwolf,’ merkte Sansa op terwijl Dame met een ruwe tong haar vingers aflikte. ‘En vader zegt dat we ze bij ons mogen houden als we willen.’
    Daar nam de septa geen genoegen mee. ‘Je bent een lief kind, Sansa, maar wat dat beest betreft ben je net zo eigengereid als je zuster Arya, dat zweer ik.’ Ze trok een gezicht. ‘Waar is Arya vanmorgen eigenlijk?’
    ‘Die had geen honger,’ zei Sansa, in de stellige overtuiging dat haar zuster al uren geleden naar de keuken was geslopen om bij een van de keukenjongens een ontbijt te bietsen.
    ‘Herinner haar eraan dat ze zich vandaag netjes moet aankleden. Die jurk van grijs fluweel misschien. We zijn allemaal uitgenodigd om met de koningin en prinses Myrcella mee te rijden in de koninklijke huiswagen, en we moeten er op ons best uitzien.’
    Sansa zag er al op haar best uit. Ze had haar lange, kastanjekleurige haar geborsteld tot het glansde en haar fraaiste japon uitgezocht, die van blauwe zij. Ze keek al meer dan een week naar deze dag uit. Het was een grote eer om met de koningin mee te rijden, en bovendien zou prins Joffry er misschien bij zijn. Haar verloofde. Bij het idee alleen al kreeg ze vlinders in haar buik, al zouden ze nog in geen jaren trouwen. Sansa kende Joffry nog niet echt, maar ze was nu al verliefd op hem. Hij was precies zoals ze zich haar droomprins had voorgesteld, lang, knap en sterk, en met gouden haar. Ze koesterde iedere kans om in zijn nabijheid te verkeren, al deed die zich nog zo zelden voor. Het enige waar ze zich wat vandaag betrof zorgen over maakte was Arya. Arya had er een handje van om alles te bederven. Je wist nooit wat ze zou doen. ‘Ik zal het tegen haar zeggen,’ zei Sansa onzeker, ‘maar ze zal zich wel net zo kleden als altijd.’ Ze hoopte dat ze zich niet te veel voor haar zou hoeven schamen. ‘Wilt u mij excuseren?’
    ‘Jawel.’ Septa Mordane nam nog wat brood met honing, en Sansa liet zich van de bank glijden. Toen ze de gelagkamer van de herberg uitrende volgde Dame haar op de voet. Buiten bleef ze even staan te midden van het geschreeuw en gevloek en het gekraak van houten wielen. De mannen waren bezig de tenten en paviljoens af te breken en de karren in te laden voor de volgende dagreis. De herberg was een slordig gebouw van kleurloze steen, drie verdiepingen hoog en groter dan Sansa ooit had gezien, maar toch kon er niet meer dan een derde van het koninklijke gezelschap in ondergebracht worden. Dat was inmiddels uitgegroeid tot meer dan vierhonderd mensen, haar vaders hofhouding en de vrijruiters die zich onderweg bij hen hadden aangesloten incluis. Ze trof Arya op de oever van de Drietand aan, waar ze probeerde Nymeria stil te houden, zodat ze de opgedroogde modder uit haar vacht kon borstelen. De schrikwolf vond het niet prettig. Arya had weer dezelfde leren rij kleding aan die ze gisteren en de dag daarvoor had gedragen.
    ‘Je kunt beter iets moois aantrekken,’ zei Sansa tegen haar. ‘Dat heeft Septa Mordane gezegd. We rijden vandaag mee in de huiswagen van de koningin en prinses Myrcella.’
    ‘Ik niet,’ zei Arya terwijl ze probeerde een klit uit Nymeria’s verwarde grijze vacht te borstelen. ‘Mycah en ik zijn van plan stroomopwaarts naar de voorde te rijden om daar naar robijnen te zoeken.’
    ‘Robijnen?’ zei Sansa niet-begrijpend. ‘Wat voor robijnen?’
    Arya keek haar aan alsof ze inderdaad zo dom was. ‘Rhaegars robijnen. Dat is waar koning Robert hem heeft gedood en de kroon heeft veroverd.’
    Sansa keek haar magere zusje ongelovig aan. ‘Je kunt geen robijnen gaan zoeken, de prinses verwacht ons. De koningin heeft ons allebei uitgenodigd.’
    ‘Mij een zorg,’ zei Arya. ‘Die huiswagen heeft niet eens ramen, je ziet niks.’
    ‘Waarom zou je iets willen zien?’ zei Sansa geërgerd. Zij was helemaal opgewonden dat ze waren uitgenodigd, en nu zou die stompzinnige zus van haar alles bederven, precies zoals ze had gevreesd.
    ‘Hier zijn alleen maar velden, boerderijen en ridderhoven.’
    ‘Niet waar,’ zei Arya koppig. ‘Als je zo nu en dan met ons meekwam zou je het zelf zien.’
    ‘Ik heb een hekel aan rijden,’ zei Sansa heftig. ‘Je wordt er alleen maar smerig, stoffig en stijf van.’
    Arya haalde haar schouders op. ‘Stilzitten!’ snauwde ze tegen Nymeria. ‘Ik doe je geen pijn.’ Toen zei ze tegen Sansa: ‘Tijdens de tocht door de Nek heb ik zesendertig bloemen geteld die ik nog nooit had gezien, en Myca heeft me een leeuwhagedis aangewezen.’
    Sansa huiverde. Ze hadden er twaalf dagen over gedaan om de Nek door te trekken, hobbelend over een bochtige, verhoogde weg door een eindeloos zwart moeras, en ze had het van het begin tot het einde vreselijk gevonden. De lucht was er vochtig en klam geweest, de weg zo smal dat ze ’s nachts niet eens een fatsoenlijk kamp konden opslaan en midden op de Koningsweg moesten blijven staan. Rondom hen groeiden dichte kluwens half verdronken boompjes, de takken behangen met gordijnen van bleke zwammen. Reusachtige bloemen bloeiden in de modder en dreven in poelen met stilstaand water, maar als je zo dom was van de weg af te wijken om ze te plukken wachtte het drijfzand om je naar beneden te trekken, loerden de slangen in de bomen en dobberden de leeuwhagedissen in het water, half ondergedoken zwarte houtblokken met ogen en tanden.
    Natuurlijk was Arya door niets van dat alles te stuiten. Op een dag was ze teruggekomen met die paardengrijns op haar gezicht, haren in de war, kleren onder de modder en een slordige bos purperen en groene bloemen voor vader in haar vingers geklemd. Sansa bleef maar hopen dat hij tegen Arya zou zeggen dat ze zich hoorde te gedragen als de hooggeboren jonkvrouw die ze geacht werd te zijn, maar hij deed niets van dat alles. Alles wat hij deed was haar omhelzen en haar bedanken voor de bloemen. Dat maakte haar nog onuitstaanbaarder. Toen bleken de purperen bloemen gifkussen te heten en kreeg Arya uitslag op haar armen. Sansa dacht dat dat een goede les voor haar zou zijn, maar Arya lachte erom, en de dag daarop wreef ze haar armen helemaal met modder in, als zo’n moeraswijf, alleen maar omdat haar vriendje Myca haar had gezegd dat de jeuk daar minder van werd. Ze had ook schrammen op haar armen en schouders, donkerpaarse striemen en vage, geelgroene vlekken. Sansa had ze gezien toen haar zuster zich uitkleedde om naar bed te gaan. Hoe ze daaraan kwam wisten alleen de zeven goden.
    Arya was nog steeds bezig met het uitborstelen van Nymeria’s klitten en het kletsen over dingen die ze onderweg naar het zuiden had gezien. ‘Vorige week vonden we die spooktoren, en de dag daarvoor hebben we op een kudde wilde paarden gejaagd. Je had ze moeten zien rennen toen ze Nymeria’s lucht roken.’ De wolf kronkelde in haar greep en Arya foeterde: ‘Ophouden, ik moet de andere kant nog doen, je zit helemaal onder de modder.’
    ‘Je hoort de stoet niet te verlaten,’ bracht Sansa haar in herinnering. ‘Dat heeft vader gezegd.’
    Arya haalde haar schouders op. ‘Ik ben niet ver weg geweest. En Nymeria was trouwens al die tijd bij me. Ik ben ook niet de hele tijd weg. Soms is het leuk om gewoon tussen de wagens in te rijden en met mensen te praten.’
    En wat voor mensen. Sansa wist er alles van: pages en paardenknechten en dienstmeisjes, oude mannen en naakte kindertjes, vrijruiters van onduidelijke afkomst die grof in de mond waren. Arya papte met iedereen aan. Die Myca was nog het ergst: een slagerszoon, een ongetemde dertienjarige die in de vleeswagen sliep en naar het slachtblok stonk. Sansa werd al misselijk als ze hem alleen maar zag, maar Arya leek zijn gezelschap boven het hare te verkiezen. Sansa’s geduld was inmiddels op. ‘Je moet meekomen,’ zei ze op ferme toon tegen haar zusje. ‘Je kunt geen nee zeggen tegen de koningin. Septa Mordane verwacht je.’
    Arya negeerde haar. Ze gaf een harde ruk met de borstel. Nymeria gromde en dook beledigd weg. ‘Kom terug!’
    ‘We krijgen citroenkoeken en thee,’ vervolgde Sansa, een en al volwassen redelijkheid. Dame streek langs haar been. Sansa krabde haar achter de oren op de manier die ze zo lekker vond, en Dame ging naast haar op haar achterpoten zitten en keek toe hoe Arya Nymeria achternazat. ‘Waarom zou je op zo’n vies ruikend oud paard willen rijden en overal pijn krijgen en bezweet raken, als je op veren kussens kunt liggen en koeken kunt eten met de koningin?’
    ‘Ik moet de koningin niet,’ zei Arya nonchalant. Sansa hapte naar adem, want dat was zelfs voor Arya’s doen schokkend. Maar haar zuster ratelde verder zonder iets te merken. ‘Ik mag Nymeria niet eens van haar meenemen.’ Ze schoof haar borstel onder haar gordel en sloop op haar wolf af. Nymeria keek toe hoe ze dichterbij kwam, op haar hoede.
    ‘Een koninklijke huiswagen is geen plaats voor een wolf,’ zei Sansa. ‘En prinses Myrcella is bang voor ze, dat weet je.’
    ‘Myrcella is een klein kind.’ Arya greep Nymeria bij de nek, maar zodra ze haar borstel weer trok worstelde de schrikwolf zich los en rende ervandoor. Gefrustreerd smeet Arya de borstel op de grond.
    ‘Stoute wolf!’ schreeuwde ze.
    Onwillekeurig moest Sansa een beetje glimlachen. De kennelmeester had eens tegen haar gezegd dat een dier op zijn baas leek. Snel drukte ze Dame even tegen zich aan. Dame likte haar over haar wang. Sansa giechelde. Arya hoorde het, draaide zich met een ruk om en keek haar boos aan. ‘Het kan me niet schelen wat je zegt, ik ga uit rijden.’ Op haar lange paardengezicht verscheen de koppige uitdrukking die inhield dat ze iets eigengereids ging doen.
    ‘Goden, waarachtig, Arya, soms ben je toch zó kinderachtig,’ zei Sansa. ‘Dan ga ik alleen, dat is wél zo aangenaam. Dame en ik zullen de citroenkoeken allemaal opeten en ons kostelijk amuseren zonder jou.’
    Ze draaide zich om en liep weg, maar Arya schreeuwde haar achterna: ‘Ze zullen ook niet goedvinden dat jij Dame meeneemt.’ Voordat Sansa een antwoord kon bedenken was ze weg, langs de rivier achter Nymeria aan.
    Alleen en vernederd aanvaardde Sansa de lange terugweg naar de herberg, waar Septa Mordane op haar zou zitten wachten. Dame trippelde rustig met haar mee. Ze was bijna in tranen. Het enige dat ze wilde was dat alles prettig en aangenaam was, zoals in de liederen. Waarom kon Arya niet lief, verfijnd en vriendelijk zijn, zoals prinses Myrcella?
    Sansa kon er met haar verstand niet bij hoe twee zusjes die maar twee jaar scheelden zo verschillend konden zijn. Het zou makkelijker zijn als Arya een bastaard was, net als hun halfbroer Jon. Ze leek zelfs op Jon, met dat lange hoofd en dat bruine Stark-haar, zonder een zweem van hun moeders trekken of teint. En Jons moeder was van gewone komaf geweest, dat werd althans gefluisterd. Eens, toen ze nog klein was, had Sansa haar moeder zelfs gevraagd of er soms een vergissing in het spel was. Wie weet hadden de gnurkers haar echte zusje wel gestolen. Maar moeder had alleen maar gelachen en nee gezegd: Arya was haar dochter en Sansa’s wettig geboren zuster, bloed van hun bloed. Sansa zou niet weten waarom haar moeder daarover zou liegen, dus nam ze aan dat het waar was. Toen ze het midden van het kamp naderde vergat ze al snel haar ellende. Rond de huiswagen van de koningin had zich een menigte verzameld. Sansa hoorde opgewonden stemmen zoemen als een bijenkorf. De deuren waren opengegooid, zag ze, en boven aan de houten trap stond de koningin glimlachend op iemand neer te kijken. Ze hoorde haar zeggen: ‘De Raad bewijst ons een grote eer, waarde heren.’
    ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze aan een page die ze kende.
    ‘De Raad heeft ruiters uit Koningslanding gezonden om ons de rest van de weg te escorteren,’ zei hij tegen haar. ‘Een erewacht voor de koning.’
    Sansa, die dolgraag wilde kijken, liet Dame een pad door de menigte banen. Haastig deinsden de mensen voor de schrikwolf naar achteren. Toen ze dichterbij kwam zag ze twee ridders voor de koningin neerknielen, in zulke fraaie en rijkversierde wapenrustingen dat ze met haar ogen knipperde.
    Eén ridder droeg een ingewikkeld schubbenjak van wit email, glinsterend als versgevallen sneeuw, met zilveren drijfwerk en gespen die blonken in de zon. Toen hij zijn helm afzette zag Sansa dat het een oude man was, met haar dat even wit was als zijn wapenrusting, maar toch zag hij er sterk en elegant uit. Van zijn schouders hing de zuiver witte mantel van de koningsgarde.
    Zijn metgezel was een jongeman van tegen de twintig met een harnas van mosgroene stalen platen. Hij was de knapste man die Sansa ooit had gezien, rijzig en krachtig gebouwd, met gitzwart haar dat tot op zijn schouders viel en een gladgeschoren gezicht omlijstte, en lachende groene ogen in de kleur van zijn harnas. Onder één arm hield hij een helm met geweistangen waarvan de top glansde als goud.
    De derde vreemdeling had Sansa niet meteen gezien. Anders dan de anderen knielde hij niet. Hij stond aan een kant, naast de paarden, een broodmagere, grimmige man die het gebeuren in stilte gadesloeg. Zijn gezicht was pokdalig en baardeloos, met diepliggende ogen en holle wangen. Ook al was hij niet oud, hij had alleen nog wat haar slierten boven zijn oren groeien, maar die waren dan ook lang als bij een vrouw. Hij droeg een grauwe maliënkolder over vele lagen verhard leer, eenvoudig en onopgesmukt en getuigend van een jarenlang intensief gebruik. Boven zijn rechterschouder stak het bevlekte leren gevest uit van het wapen dat op zijn rug was vastgesnoerd, een tweehandig slagzwaard dat te lang was om opzij gedragen te worden.
    ‘De koning is op jacht, maar ik weet dat hij verheugd zal zijn u te zien als hij terugkeert,’ zei de koningin net tegen de twee ridders die voor haar neerknielden, maar Sansa kon haar ogen niet van de derde man afhouden. Hij leek het gewicht van haar blikken te bespeuren en draaide langzaam zijn hoofd haar kant op. Dame gromde. Sansa werd plotseling van een ongekende ontzetting vervuld. Ze deinsde achteruit en botste tegen iemand op.
    Sterke handen grepen haar bij haar schouders. Even dacht Sansa dat het haar vader was, maar toen ze zich omdraaide keek het verbrande gezicht van Sandor Clegane op haar neer, zijn mond verwrongen in een afschuwelijke karikatuur van een glimlach. ‘Je staat te trillen op je benen, meisje,’ zei hij met knarsende stem. ‘Jaag ik je zoveel schrik aan?’
    Dat deed hij, al sinds ze voor het eerst de puinhoop had gezien die het vuur van zijn gezicht had gemaakt, ook al vond ze hem op dit moment niet half zo angstaanjagend als die ander. Toch rukte Sansa zich los uit zijn greep. De Jachthond lachte, en Dame ging tussen hen in staan en gromde een waarschuwing. Sansa zonk op haar knieën en sloeg haar armen om de wolf heen. Iedereen stond met open mond om haar heen, ze voelde hoe ze naar haar staarden, en hier en daar hoorde ze gemompeld commentaar en onderdrukt gelach.
    ‘Een wolf,’ zei een man, en iemand anders zei: ‘Bij de zevenvoudige hel, dat is een schrikwolf,’ en de eerste man zei: ‘Wat doet die hier in het kamp?’ en de knarsende stem van de Jachthond antwoordde: ‘Die gebruiken de Starks als min,’ en Sansa besefte dat de twee vreemde ridders op haar en Dame neerkeken, hun zwaarden getrokken, en weer was ze bang, en beschaamd. De tranen sprongen haar in de ogen. Ze hoorde de koningin zeggen: ‘Joffry, ga naar haar toe.’
    En daar was haar prins.
    ‘Laat haar met rust,’ zei Joffry. Hij rees boven haar uit en bood een fraaie aanblik met die blauwe wol en dat zwarte leer en zijn gouden krullen die in de zon fonkelden als een kroon. Hij reikte haar de hand en hielp haar overeind. ‘Wat is er, lieflijke jonkvrouw? Waarom bent u bevreesd? Niemand zal u kwaad doen. Steekt u allemaal uw zwaard weg. Die wolf is haar huisdier, meer niet.’ Hij keek naar Sandor Clegane. ‘Af, hond, je maakt mijn verloofde bang.’
    De Jachthond, immer getrouw, boog en verdween onopvallend in de menigte. Sansa deed haar best zich te beheersen. Ze voelde zich een dwaas. Zij was een Stark van Winterfel, een edele vrouwe, en op een dag zou ze koningin zijn. ‘Het kwam niet door hem, mijn lieve prins,’ probeerde ze te verklaren. ‘Het was die ander.’
    De twee vreemde ridders wisselden een blik. ‘Peyn?’ grinnikte de jongeman in het groene harnas.
    De oudere man in het wit zei vriendelijk tegen Sansa: ‘Ser Ilyn jaagt mij ook vaak angst aan, lieflijke jonkvrouw. Zijn aanblik is vreeswekkend.’
    ‘En zo hoort het ook.’ De koningin was uit haar huiswagen afgedaald. De omstanders weken voor haar uiteen. ‘Als de verdorvenen de gerechtigheid des konings niet vrezen hebt u de verkeerde man tot dat ambt beroepen.’
    Eindelijk vond Sansa haar tong terug. ‘Dan hebt u zeker de juiste man gekozen, Uwe Genade,’ zei ze, en rondom haar barstte een storm van gelach los.
    ‘Goed gezegd, kind,’ zei de oude man in het wit. ‘Zoals het de dochter van Eddard Stark betaamt. Het is mij een eer je te leren kennen, al vindt onze ontmoeting dan niet volgens de regels plaats. Ik ben ser Barristan Selmy, van de koningsgarde.’ Hij boog. Sansa kende de naam, en nu schoten de hoofse manieren die Septa Mordane haar door de jaren heen had bijgebracht haar weer te binnen. ‘De bevelhebber van de koningsgarde,’ zei ze, ‘en de raadgever van onze koning Robert en van Aerys Targaryen vóór hem. De eer is geheel aan mij, waarde ridder. Zelfs in het verre noorden prijzen de zangers de daden van Barristan de Boude.’
    De groene ridder lachte nogmaals. ‘Barristan de Oude, zul je bedoelen. Vlei hem niet te zeer, kind, hij heeft toch al zo’n hoge dunk van zichzelf.’ Hij glimlachte haar toe. ‘Welaan, wolvenmeisje, als je ook mij een naam kunt geven zal ik moeten toegeven dat je waarlijk de dochter van onze Hand bent.’
    Naast haar verstijfde Joffry. ‘Let op uw woorden… spreekt u zo mijn verloofde toe?’
    ‘Ik ken het antwoord,’ zei Sansa snel om de woede van haar prins in de kiem te smoren. Ze glimlachte tegen de groene ridder. ‘Uw helm draagt gouden geweistangen, heer. De hertenbok is het zegel van het koninklijk huis. Omdat u nog zo heel jong bent moet u Renling Baratheon zijn, heer van Stormeinde en raadgever van de koning, en zo noem ik u.’
    Ser Barristan grinnikte. ‘Omdat hij nog zo heel jong is kan hij niet meer dan een rondspringende snotaap zijn, en zo noem ik hem.’
    Iedereen schoot in de lach, heer Renling voorop. De spanning van zoeven was gebroken, en Sansa begon zich net weer op haar gemak te voelen… toen ser Ilyn Peyn twee man opzij schoof en zonder te glimlachen voor haar kwam staan. Hij sprak geen woord. Dame ontblootte haar tanden en begon te grommen, een zacht, dreigend gebrom, maar ditmaal legde Sansa de wolf het zwijgen op door een hand lichtjes op haar kop te leggen. ‘Het spijt me als ik u heb gekwetst, ser Ilyn,’ zei ze. Ze verwachtte een antwoord, maar dat bleef uit. De scherprechter keek op haar neer, en het leek net of zijn fletse, kleurloze ogen de kleren van haar af stroopten, en vervolgens haar huid, zodat haar ziel naakt voor hem stond. Nog steeds zwijgend draaide hij zich om en wandelde weg.
    Sansa begreep het niet. Ze keek haar prins aan. ‘Heb ik iets miszegd, Uwe Genade? Waarom spreekt hij niet tegen me?’
    ‘Ser Ilyn is al veertien jaar niet zo spraakzaam meer,’ merkte heer Renling met een lichtelijk boosaardig lachje op.
    Joffry wierp zijn oom een blik vol pure afkeer toe en nam toen Sansa’s hand in de hare. ‘Aerys Targaryen heeft met gloeiende tangen zijn tong laten uitrukken.’
    ‘Maar hij spreekt duidelijke taal met zijn zwaard,’ zei de koningin, ‘en zijn toewijding aan ons rijk is boven alle twijfel verheven.’
    Toen glimlachte ze aanvallig en zei: ‘Sansa, onze waarde raadslieden en ik hebben samen het een en ander te bespreken voordat de koning en jouw vader terugkomen. Ik vrees dat we je dagje met Myrcella moeten uitstellen. Wees zo goed je lieve zusje mijn verontschuldigingen over te brengen. Joffry, misschien wil jij zo goed zijn onze gast vandaag bezig te houden?’
    ‘Het zal me een genoegen zijn, moeder,’ zei Joffry vormelijk. Hij nam haar bij de arm en leidde haar bij de huiswagen vandaan, en Sansa’s humeur kreeg vleugels. Een hele dag met haar prins! Ze keek Joffry vol aanbidding aan. Hij was zo dapper, dacht ze. De manier waarop hij haar van ser Ilyn en de Jachthond had gered — waarachtig, het was net als in de liederen, zoals toen Serwyn van het Spiegelschild prinses Daeryssa van de reuzen bevrijdde, of toen prins Aemon de Drakenridder de eer van Koningin Naerys gewapenderhand tegen de laster van de boze ser Morgil verdedigde.
    De aanraking van Joffry’s hand op haar mouw deed haar hart sneller kloppen. ‘Wat wilt u het liefst?’
    Bij jou zijn, dacht Sansa, maar ze zei: ‘Wat u maar wilt, mijn prins.’
    Joffry dacht even na. ‘We kunnen uit rijden gaan.’
    ‘Oh, ik ben dol op rijden,’ zei Sansa.
    Joffry keek achterom naar Dame, die hun op de voet volgde. ‘Die wolf van u zal hoogstwaarschijnlijk de paarden bang maken, en mijn hond maakt u blijkbaar bang. Laten we ze allebei achterlaten en er samen op uitgaan, wat vindt u?’
    Sansa aarzelde. ‘Als u dat wilt,’ zei ze onzeker. ‘Ik kan Dame wel vastbinden, denk ik.’ Maar ze begreep het niet helemaal. ‘Ik wist niet dat u een hond had…’
    Joffry lachte. ‘Om eerlijk te zijn is het mijn moeders hond. Ze heeft hem opgedragen mij te bewaken, en dat doet hij ook.’
    ‘U bedoelt de Jachthond,’ zei ze. Ze kon zich wel voor haar kop slaan dat ze zo traag van begrip was. Haar prins zou nooit van haar gaan houden als ze een domme indruk maakte. ‘Is het veilig om hem achter te laten?’
    Het leek prins Joffry te ergeren dat ze dat zelfs maar vroeg. ‘Weest u maar niet bang, jonkvrouwe. Ik ben bijna volwassen en ik vecht niet met hout, zoals uw broers. Ik heb Clegane niet nodig. Alles wat ik nodig heb is dit.’ Hij trok zijn zwaard en toonde het haar: een slagzwaard dat op handige wijze was verkort om geschikt te zijn voor een jongen van twaalf, glanzend blauw staal, gesmeed in een slotsmidse, tweesnijdend, met een leren gevest en een gouden knop in de vorm van een leeuwenkop. Sansa slaakte een bewonderende kreet, en Joffry keek vergenoegd. ‘Ik noem het Leeuwentand,’ zei hij.
    En zo lieten ze haar schrikwolf en zijn lijfwacht achter en reden langs de noordelijke oever van de Drietand naar het oosten, slechts vergezeld door Leeuwentand.
    Het was een prachtige dag, een betoverende dag. De lucht was warm en zwaar, vol bloemengeuren, en de bossen hier waren van een lieflijke schoonheid die Sansa in het noorden nooit had gezien. Prins Joffry’s rijdier was een volbloed vossenhengst, snel als de wind. Hij liet hem met roekeloze overgave voortstuiven, zo snel dat Sansa grote moeite had het tempo op haar merrie bij te houden. De dag leek gemaakt voor avonturen. Ze onderzochten de grotten langs de rivieroever en volgden de sporen van een schaduwkat tot aan zijn leger, en toen ze honger kregen vond Joffry door op de rook af te gaan een hofstede, waar hij bevel gaf de prins en zijn jonkvrouw van voedsel en wijn te voorzien. Ze aten verse forel uit de rivier, en Sansa dronk meer wijn dan ze ooit tevoren had gedaan. ‘Mijn vader laat ons maar één beker drinken, en dan alleen nog maar op feesten,’ bekende ze tegen haar prins.
    ‘Mijn verloofde kan drinken zoveel ze wil,’ zei Joffry en vulde haar beker bij.
    Na de maaltijd gingen ze wat langzamer. Joffry zong voor haar onder het rijden, zijn stem hoog, lieflijk en zuiver. Sansa was een beetje duizelig van de wijn, ‘Moeten we zo langzamerhand niet terug?’ vroeg ze.
    ‘Zo meteen,’ zei Joffry. ‘Het slagveld ligt vlak voor ons, bij de bocht in de rivier. Daar heeft mijn vader Rhaegar Targaryen gedood, je weet wel. Hij heeft zijn borst ingeslagen, krak, dwars door zijn wapenrusting heen.’ Joffry zwaaide met een denkbeeldige strijdhamer om haar te laten zien hoe dat in zijn werk ging. ‘Daarna sloeg mijn oom Jaime de ouwe Aerys dood en werd mijn vader koning. Wat is dat voor geluid?’
    Sansa hoorde het ook. Het kwam aanzweven door het geboomte, een soort geratel van hout, klak, klak, klak. ‘Ik weet het niet,’ zei ze. Maar ze werd er nerveus van. ‘Laten we teruggaan, Joffry?’
    ‘Ik wil weten wat het is.’ Joffry keerde zijn paard in de richting van de geluiden, dus Sansa was wel gedwongen hem te volgen. De geluiden werden luider en duidelijker, het geklak van hout op hout, en toen ze nog dichterbij kwamen hoorden ze ook een zwaar gehijg, en zo nu en dan gegrom.
    ‘Er is daar iemand,’ zei Sansa nerveus. Ze merkte dat ze aan Dame dacht en wenste dat de schrikwolf bij haar was.
    ‘Bij mij ben je veilig.’ Joffry trok zijn Leeuwentand uit de schede. De klank van staal tegen leer bezorgde haar de rillingen. ‘Deze kant op,’ zei hij en reed een bosje door.
    Daarachter, op een open plek met uitzicht over de rivier, troffen ze een jongen en een meisje aan die riddertje speelden. Hun zwaarden waren houten stokken, zo te zien bezemstelen, en ze draafden over het gras en hakten met verve op elkaar in. De jongen was jaren ouder, een kop groter en een stuk sterker, en hij was in de aanval. Het meisje, een spichtig geval, in smerig leer gehuld, week telkens uit en wist met haar stok de meeste klappen van de jongen af te weren, maar niet allemaal. Toen ze naar hem wilde uithalen ving hij haar stok op met de zijne, zwiepte hem opzij en liet zijn hout hard op haar vingers neerkomen. Ze slaakte een kreet en liet haar wapen los.
    Prins Joffry lachte. Geschrokken en met grote ogen keek de jongen om en liet zijn stok in het gras vallen. Het meisje keek hen woedend aan terwijl ze op haar knokkels zoog om de pijn te verzachten, en Sansa was ontzet. ‘Arya?’ riep ze ongelovig.
    ‘Ga weg!’ schreeuwde Arya terug met tranen van boosheid in haar ogen. ‘Wat doen jullie hier? Laat ons met rust!’
    Joffry keek van Arya naar Sansa en terug. ‘Jouw zusje?’ Ze knikte en kreeg een kleur. Joffry bestudeerde de jongen, een lompe knaap met een grof sproetengezicht en dik rood haar. ‘En wie ben jij, jongen?’ vroeg hij op een bevelende toon die geen rekening hield met het feit dat de ander verscheidene jaren ouder was dan hij.
    ‘Myca,’ prevelde de jongen. Hij had de prins herkend en wendde zijn blik af. ‘Heer.’
    ‘Hij is de zoon van de slager,’ zei Sansa.
    ‘Hij is mijn vriend,’ zei Arya vinnig. ‘Laat hem met rust.’
    ‘Een slagersjongen die ridder wil worden, hè?’ Joffry sprong van zijn paard met zijn zwaard in de hand. ‘Raap dat zwaard op, slagerszoon,’ zei hij, en zijn ogen glommen van plezier. ‘We zullen eens zien wat je kunt.’
    Versteend van schrik bleef Myca staan.
    Joffry liep op hem af. ‘Toe dan, raap op. Of vecht je alleen met kleine meisjes?’
    ‘Ik dee ‘et omdat zij ‘et wou, heer,’ zei Myca. ‘Zij wou ‘t.’
    Sansa hoefde Arya maar aan te kijken en de blos op het gezicht van haar zusje te zien om te weten dat de jongen de waarheid sprak, maar Joffry was niet in de stemming om te luisteren. De wijn had hem wild gemaakt. ‘Raap je dat zwaard nog op of hoe zit dat?’
    Myca schudde zijn hoofd. ‘Het is maar een stok, heer. ’t Is niks geen zwaard, alleen maar een stok.’
    ‘En jij bent alleen maar een slagerszoon, en geen ridder.’ Joffry hief Leeuwentand op en zette de punt tegen Myca’s wang, vlak onder zijn oog. De jongen stond te beven. ‘Je hebt zojuist de zuster van mijn jonkvrouw geslagen, weet je dat?’ Een helderrode bloesemknop van bloed bloeide op waar zijn zwaard in Myca’s huid prikte, en een trage rode streep sijpelde over de wang van de jongen omlaag.
    ‘Hou op!’ gilde Arya. Ze greep haar gevallen stok. Sansa was bang. ‘Arya, hou je erbuiten.’
    ‘Ik zal hem niet… al te veel pijn doen,’ zei prins Joffry tegen Arya, zonder zijn blik ook maar een ogenblik van de slagerszoon af te wenden. Arya ging in de aanval.
    Sansa liet zich van haar merrie glijden, maar ze was te langzaam. Arya haalde met beide handen uit. Luid krakend spleet het hout op het achterhoofd van de prins kapot, en toen gebeurde alles tegelijkertijd ten aanschouwen van de ontzette Sansa. Joffry wankelde en draaide zich abrupt om, luid vloekend. Myca rende zo snel zijn voeten hem dragen konden naar het bosje. Arya haalde opnieuw naar de prins uit, maar nu weerde Joffry de slag met Leeuwentand af, zodat de gebroken stok uit haar handen vloog. Zijn achterhoofd zat onder het bloed en zijn ogen spuwden vuur. Sansa krijste: ‘Nee, nee, hou op, hou op, allebei, jullie bederven alles,’ maar niemand luisterde. Arya raapte een steen op en smeet hem naar Joffry’s hoofd. In plaats van hemzelf raakte ze zijn paard, en de volbloed vos steigerde en galoppeerde ervandoor, achter Myca aan. ‘Ophouden, niet doen, ophouden!’ gilde Sansa. Joffry haalde met zijn zwaard naar Arya uit en braakte ondertussen obsceniteiten uit, afschuwelijke woorden, smerige woorden. Arya sprong achteruit, bang geworden, maar Joffry achtervolgde haar en dreef haar naar het bos tot ze met haar rug tegen een boom stond. Sansa wist niet wat ze moest doen. Hulpeloos keek ze toe, bijna verblind door haar tranen. Toen flitste er een grijze vlek voorbij, en plotseling was Nymeria daar. Ze sprong, en haar kaken sloten zich rond Joffry’s zwaardarm. Het staal viel uit zijn vingers toen de wolf hem tegen de grond smeet, en ze rolden door het gras. De wolf gromde en rukte aan hem, de prins krijste het uit van de pijn. ‘Haal dat beest weg,’ schreeuwde hij. ‘Haal hem van me af!’
    Arya’s stem knalde als een zweep. ‘Nymeria!’
    De schrikwolf liet Joffry los en kwam naast Arya staan. De prins lag in het gras te piepen en hield zijn gehavende arm vast. Zijn wambuis was met bloed doordrenkt. Arya zei: ‘Ze heeft je niet… al te veel pijn gedaan.’ Ze raapte Leeuwentand op en kwam naast hem staan, het zwaard in beide handen.
    Joffry keek met een bang piepgeluid naar haar op. ‘Nee,’ zei hij.
    ‘Je mag me niets doen. Ik zal het tegen mijn moeder zeggen.’
    ‘Laat hem met rust!’ schreeuwde Sansa tegen haar zuster. Arya keerde zich met een ruk om en smeet met inzet van haar heIe lichaam het zwaard weg. Toen het boven de rivier zeilde blikkerde het blauwe staal in de zon. Het kwam op het water neer en verdween met een plons. Joffry kreunde. Arya rende op haar paard af, op de voet gevolgd door Nymeria.
    Toen ze weg waren liep Sansa naar prins Joffry toe. Hij had zijn ogen dichtgeknepen van de pijn en zijn ademhaling gierde. Sansa knielde naast hem neer. ‘Joffry,’ snikte ze. ‘O, kijk toch eens wat ze gedaan hebben, kijk eens wat ze gedaan hebben. Mijn arme prins. Niet bang zijn. Ik zal naar de hofstede rijden om hulp te halen.’ Teder stak ze een hand uit en streek zijn zachte blonde haar opzij. Zijn ogen schoten open en staarden haar aan. Er school niets dan afkeer in, niets dan de diepste verachting. ‘Ga dan,’ beet hij haar toe. ‘En raak me niet aan.’

Eddard

    Ze hebben haar gevonden, heer.’
    Ned schoot overeind. ‘Onze mannen of die van Lannister?’
    ‘Jory,’ antwoordde zijn rentmeester Vayon Poel. ‘Ze mankeert niets.’
    ‘De goden zij dank,’ zei Ned. Zijn mannen waren nu vier dagen naar Arya op zoek, maar ook de mensen van de koningin hadden jacht op haar gemaakt. ‘Waar is ze? Zeg tegen Jory dat hij haar meteen hier brengt.’
    ‘Het spijt me, heer,’ zei Poel. ‘De poortwachters waren Lannisters, en toen Jory haar binnenbracht hebben ze de koningin ingelicht. Ze wordt meteen voor de koning geleid…’
    ‘Dat ellendige mens!’ zei Ned terwijl hij naar de deur beende. ‘Ga Sansa zoeken en neem haar mee naar de gehoorzaal. Misschien heeft zij ook iets te zeggen.’ Laaiend van woede daalde hij de torentrap af. De eerste drie dagen had hij de zoektochten zelf aangevoerd, en sinds Arya’s verdwijning had hij nauwelijks een oog dichtgedaan. Vanmorgen was hij zo neerslachtig en uitgeput geweest dat hij bijna niet op zijn benen kon staan, maar nu was hij in woede ontstoken, en dat gaf hem kracht. Toen hij de binnenplaats van het kasteel overstak riep iemand iets tegen hem, maar in zijn haast negeerde hij het. Hij zou het liefst zijn gaan rennen, maar hij was nog altijd de Hand des Konings, en die moest zijn waardigheid bewaren. Hij was zich bewust van de blikken die hem volgden, van de mompelende stemmen die zich afvroegen wat hij zou doen. Het kasteel was een bescheiden sterkte, een halve dagreis ten zuiden van de Drietand. Het koninklijke gezelschap had zich ongenood aan de kasteelheer, ser Reimon Darring, opgedrongen. Ondertussen werd er langs beide rivieroevers jacht gemaakt op Arya en de slagerszoon. Ze waren geen welkome gasten. Ser Reimon leefde onder de koningsvrede, maar zijn geslacht had bij de Trident onder Rhaegars drakenbanieren gestreden, en zijn drie oudere broers hadden daar de dood gevonden, iets wat noch Robert, noch ser Reimon vergeten was. Nu de mannen van de koning, die van Darring, die van Lannister en die van Stark met z’n allen in een veel te klein kasteel opeengepakt zaten liepen de spanningen hoog op.
    De koning had zich de gehoorzaal van ser Reimon toegeëigend, en dat was waar Ned hen aantrof. Toen hij binnen kwam stormen was de zaal stampvol. Te vol, dacht hij. Onder vier ogen hadden hij en Robert de zaak misschien in der minne kunnen schikken. Robert hing in de hoge zetel van Darring aan het andere eind van de zaal, zijn gezicht nors en gesloten. Cersei Lannister en haar zoon stonden naast hem. De hand van de koningin rustte op Joffry’s schouder. Diens arm was nog steeds met dikke zijden verbanden omwikkeld. Arya stond midden in de zaal, met alleen Jory Cassel naast zich en aller ogen op zich gericht. ‘Arya!’ riep Ned luidkeels. Hij liep naar haar toe, en zijn laarzen galmden op de stenen vloer. Toen ze hem zag slaakte ze een kreet en barstte in snikken uit.
    Ned liet zich op één knie zakken en sloeg zijn armen om haar heen. Ze stond te trillen op haar benen. ‘Het spijt me,’ snikte ze.
    ‘Het spijt me, het spijt me.’
    ‘Dat weet ik,’ zei hij. Wat leek ze nietig, zo in zijn armen, niet meer dan een spichtig klein meisje. Het was bijna niet te bevatten hoe zij zoveel moeilijkheden had kunnen veroorzaken. ‘Ben je gewond?’
    ‘Nee.’ Haar gezicht was vuil, en haar tranen trokken roze sporen over haar wangen. ‘Ik heb wel een beetje honger. Ik heb wat bessen gegeten, maar verder was er niets.’
    ‘Je krijgt straks iets te eten,’ beloofde Ned. Hij kwam overeind en keek de koning aan. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Zijn ogen gleden de zaal door, op zoek naar welwillende blikken. Op die van zijn eigen mannen na waren dat er bar weinig. Ser Reimon Darring hield zijn gezicht strak in de plooi. Dat van heer Renling vertoonde een klein lachje dat van alles kon betekenen en de oude ser Barristan keek ernstig. De overigen waren mannen van Lannister, en die keken vijandig. Hun enige geluk was dat zowel Jaime Lannister als Sandor Clegane ontbrak, omdat ze allebei een zoektocht ten noorden van de Drietand leidden. ‘Waarom is mij niet verteld dat mijn dochter gevonden was?’ vroeg hij op hoge toon. ‘Waarom is ze niet onmiddellijk bij mij gebracht?’
    Hij richtte zich tot Robert, maar het was Cersei Lannister die antwoord gaf. ‘Hoe waag je het je koning op die manier toe te spreken!’
    De koning kwam in beweging. ‘Zwijg, vrouw!’ snauwde hij en ging rechtop in zijn zetel zitten. ‘Het spijt me, Ned. Het was echt niet mijn bedoeling om het meisje bang te maken. Het leek mij het beste haar hier te brengen en de kwestie zo snel mogelijk af te handelen.’
    ‘En welke kwestie mag dat wel wezen?’ Ned zorgde dat zijn stem ijzig klonk.
    De koningin deed een stap naar voren. ‘Dat weet je heel goed, Stark. Dat kind van jou heeft mijn zoon aangevallen. Zij en die slagersjongen van haar. Dat beest van haar heeft geprobeerd zijn arm af te rukken.’
    ‘Dat is niet waar,’ zei Arya luid. ‘Ze heeft hem alleen maar een beetje gebeten. Hij deed Myca pijn.’
    ‘Joff heeft ons verteld wat er is gebeurd,’ zei de koningin. ‘Jij en die slagersjongen hebben hem met stokken geslagen en tegelijkertijd heb je je wolf op hem afgehitst.’
    ‘Zo is het niet gegaan,’ zei Arya, weer bijna in tranen. Ned legde een hand op haar schouder.
    ‘Wel degelijk!’ zei Joffry met klem. ‘Ze vielen me met z’n allen aan en zij heeft Leeuwentand in de rivier gesmeten!’ Het viel Ned op dat hij onder het spreken zelfs niet naar Arya gluurde.
    ‘Leugenaar!’ gilde Arya.
    ‘Hou je mond!’ gilde de prins terug.
    ‘Genoeg!’ brulde de koning terwijl hij uit zijn zetel oprees. Zijn stem was schor van ergernis. Er viel een stilte. Boven zijn dichte baard keek hij Arya boos aan. ‘En nu vertel je me wat er is gebeurd, kind. Je vertelt alles, en naar waarheid. Het is een ernstige misdaad om tegen een koning te liegen.’ Toen keek hij zijn zoon aan. ‘Als ze uitgesproken is kom jij aan de beurt. Tot dan hou je je mond.’
    Toen Arya van wal stak hoorde Ned hoe de deur achter hem openging. Hij keek over zijn schouder en zag Vayon Poel binnenkomen met Sansa. Terwijl Arya aan het woord was bleven ze rustig achter in de zaal staan. Toen ze het gedeelte bereikte waarin ze Joffry’s zwaard pardoes in de Drietand gooide schoot Renling Baratheon in de lach. De koning zette zijn stekels op. ‘Ser Barristan, wilt u mijn broer naar buiten begeleiden voordat hij stikt?’
    Heer Renling onderdrukte zijn lach. ‘Mijn broer is al te vriendelijk. Ik kan de deur zelf wel vinden.’ Hij boog naar Joffry. ‘Misschien hoor ik later nog eens van je hoe een negenjarig meisje dat niet groter is dan een verzopen rat, erin geslaagd is je met een bezemsteel te ontwapenen en je zwaard in de rivier te smijten.’ Terwijl de deur achter hem dichtviel hoorde Ned hem met een hernieuwd geproest.
    ‘Leeuwentand’ zeggen.
    Met een bleek gezicht begon Joffry aan zijn nogal afwijkende versie van de gebeurtenissen. Toen zijn zoon uitgesproken was kwam de koning zwaar uit zijn zetel overeind. Hij keek alsof hij overal liever zou zijn dan hier. ‘Bij de zevenvoudige hel, wat moet ik hier nu mee? Hij zegt zus en zij zegt zo.’
    ‘Zij waren niet de enige aanwezigen,’ zei Ned. ‘Sansa, kom hier.’
    Ned had de avond na Arya’s verdwijning haar versie van het verhaal gehoord. Hij kende de waarheid. ‘Vertel ons wat er gebeurd is.’
    Aarzelend stapte zijn oudste dochter naar voren. Ze was gekleed in met wit omzoomd blauw fluweel en had een zilveren halsketting om. Haar dikke, kastanjebruine haar was geborsteld tot het glansde. Met knipperende ogen keek ze naar haar zuster en toen naar de jonge prins. ‘Ik weet het niet,’ zei ze betraand en zag eruit alsof ze zich het liefst uit de voeten had gemaakt. ‘Ik weet het niet meer. Het ging allemaal zo snel, ik heb het niet gezien…’
    ‘Rotmeid!’ krijste Arya. Als een pijl uit de boog schoot ze op haar zuster af, smeet Sansa tegen de grond en begon haar te stompen.
    ‘Liegbeest, liegbeest, liegbeest!’
    ‘Arya, ophouden!’ schreeuwde Ned. Jory trok haar schoppend en trappend van haar zuster af. Ned hielp Sansa, die bleek en beverig was, op de been. ‘Heeft ze je pijn gedaan?’ vroeg hij, maar zij staarde naar Arya en leek hem niet te horen.
    ‘Die meid is al net zo wild als dat rotbeest van haar,’ zei Cersei Lannister. ‘Robert, ik wil dat ze gestraft wordt.’
    ‘Zevenvoudige hel,’ vloekte Robert. ‘Kijk naar haar, Cersei. Ze is nog een kind. Wat had je gewild dat ik deed, haar de straten door laten geselen? Kinderen vechten altijd, verdorie nog aan toe. Het is afgelopen. Er is geen blijvend letsel toegebracht.’
    De koningin was razend. ‘Joff zal die littekens de rest van zijn leven houden.’
    Robert Baratheon keek naar zijn oudste zoon. ‘Dat moet dan maar. Wie weet leert hij er iets van. Ned, zorg dat je je dochter de les leest. Dan neem ik mijn zoon voor mijn rekening.’
    ‘Gaarne, Uwe Genade,’ zei Ned met enorme opluchting. Robert wilde wegwandelen, maar de koningin was nog niet klaar.
    ‘En die schrikwolf?’ riep ze hem achterna. ‘Het beest dat je zoon te grazen heeft genomen?’
    De koning bleef staan, keerde zich om en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik was die ellendige wolf alweer vergeten.’
    Ned zag Arya verstijven in Jory’s armen. Snel zei Jory. ‘We hebben geen spoor van de schrikwolf gevonden, Uwe Genade.’
    Daar leek Robert niet ongelukkig mee. ‘Nee? Het zij zo.’
    Met stemverheffing zei de koningin: ‘Honderd gouden draken voor de man die me zijn huid brengt!’
    ‘Een duur pelsje,’ gromde Robert. ‘Ik wens hier part noch deel aan te hebben, vrouw. Je koopt je bont maar met het goud van de Lannisters.’
    De koningin keek hem koeltjes aan. ‘Ik wist niet dat je zo krenterig was. Ik dacht dat ik getrouwd was met een koning die voor zonsondergang een wolvenvacht over mijn bed zou leggen.’
    Roberts gezicht werd donker van woede. ‘Dat zou een fraai staaltje zijn, zo zonder wolf.’
    ‘We hebben een wolf,’ zei Cersei Lannister. Ze zei het doodkalm, maar haar groene ogen fonkelden triomfantelijk.
    Het duurde even voor iedereen haar begreep, maar toen het eenmaal zover was haalde de koning geërgerd zijn schouders op. ‘Zoals je wilt. Laat ser Ilyn daar maar voor zorgen.’
    ‘Dat kun je niet menen, Robert,’ protesteerde Ned.
    De koning was niet in de stemming om nog verder te redetwisten. ‘Genoeg, Ned. Ik wil er niets meer over horen. Een schrikwolf is een wild beest. Vroeg of laat zou deze zich op jouw dochter hebben gestort zoals die andere zich op mijn zoon heeft gestort. Geef haar een hond, daar zal ze gelukkiger mee zijn.’
    Toen leek het eindelijk tot Sansa door te dringen. Met bange ogen zocht ze haar vaders gezicht. ‘Hij heeft het toch niet over Dame?
    Nee toch?’ Ze las de waarheid op zijn gezicht. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nee, niet Dame. Dame heeft niemand gebeten, ze is braaf…’
    ‘Dame was er niet bij,’ schreeuwde Arya boos. ‘Laat haar met rust!’
    ‘Hou ze tegen,’ smeekte Sansa. ‘Zorg dat ze het niet doen, alstublieft, alstublieft, het was Dame niet, het was Nymeria, Arya heeft het gedaan, dat kunt u niet doen, het was Dame niet, laat ze Dame geen kwaad doen, ik zorg ervoor dat ze braaf is, ik beloof het, ik beloof het…’ Ze begon te huilen.
    Het enige dat Ned kon doen was haar in zijn armen nemen en vasthouden terwijl ze huilde. Dwars door de zaal heen keek hij Robert aan. Zijn oude vriend, die hem nader stond dan een broer. ‘Alsjeblieft Robert. Omwille van de liefde die je mij toedraagt. Omwille van je liefde die je mijn zuster toedroeg. Alsjeblieft.’
    De koning keek hen één langdurig ogenblik aan en richtte zijn ogen toen op zijn vrouw. ‘Ellendige Cersei,’ zei hij vol weerzin. Terwijl hij zich voorzichtig uit Sansa’s greep losmaakte stond Ned op. Alle vermoeidheid van de afgelopen vier dagen was teruggekomen. ‘Doe het dan zelf, Robert,’ zei hij met een stem, koud en scherp als staal. ‘Breng dan tenminste de moed op om het zelf te doen.’
    Robert keek Ned met nietszeggende, lege ogen aan en liep weg zonder een woord, met loodzware stappen. Stilte vulde de zaal.
    ‘Waar is die schrikwolf?’ vroeg Cersei Lannister toen haar echtgenoot weg was. Naast haar stond prins Joffry te glimlachen.
    ‘Het beest is vastgelegd buiten het poortgebouw, Uwe Genade,’ antwoordde ser Barristan Selmy aarzelend.
    ‘Laat Ilyn Peyn halen.’
    ‘Nee,’ zei Ned. ‘Jory, breng de meisjes terug naar hun kamers en kom dan met IJs naar mij toe.’ De woorden waren als gal op zijn tong, maar hij wist ze over zijn lippen te krijgen: ‘Als het dan moet, zal ik het doen.’
    Cersei Lannister bekeek hem wantrouwig. ‘Jij, Stark? Is dit een slimmigheidje? Waarom zou jij zoiets doen?’
    Ze staarden hem allemaal aan, maar het was Sansa’s blik die door zijn ziel sneed. ‘Ze komt uit het noorden. Ze heeft beter verdiend dan een slager.’
    Hij liep de zaal uit met brandende ogen en de jammerklachten van zijn dochter in de oren, en trof de jonge schrikwolf vasgeketend op de aangewezen plek aan. Ned ging een poosje naast haar zitten. ‘Dame,’ zei hij en proefde de naam op zijn tong. Hij had nooit veel aandacht geschonken aan de namen die de kinderen hadden uitgezocht, maar nu hij naar haar keek besefte hij dat Sansa een goede keus had gedaan. Dit was de kleinste uit het nest, de leukste om te zien, de liefste en de goedaardigste. Ze keek hem met glanzende gouden ogen aan, en hij woelde door haar dikke grijze vacht.
    Kort daarop bracht Jory hem IJs.
    Nog nooit was iets Eddard Stark zo zwaar gevallen. Na afloop zei hij: ‘Kies vier mannen uit en gelast hun het lichaam naar het noorden te brengen. Laat haar in Winterfel begraven.’
    ‘Dat hele eind?’ zei Jory verwonderd.
    ‘Dat hele eind,’ bevestigde Ned. ‘Deze vacht zal dat mens van Lannister nooit krijgen.’
    Hij was net onderweg naar de toren om zich eindelijk aan de slaap over te geven toen Sandor Clegane en zijn ruiters door de slotpoort kwamen daveren, terug van hun jachtpartij.
    Achter hem hing iets over zijn strijdros, iets zwaars, in een bebloede mantel gewikkeld. ‘Geen spoor van je dochter, Hand,’ raspte de Jachthond hem toe, ‘maar het was niet helemaal een verloren dag. We hebben haar speeltje te pakken gekregen.’ Hij reikte met een hand naar achteren en schoof de last van zijn paard. Die viel met een plof voor Ned op de grond.
    Ned boog zich voorover en trok de mantel weg. Het werd hem bang te moede bij de gedachte wat hij tegen Arya zou moeten zeggen, maar het bleek toch niet Nymeria te zijn. Het was de slagerszoon Myca. Zijn lichaam was met geronnen bloed overdekt. Hij was van zijn schouder tot zijn middel met één vreselijke houw van bovenaf vrijwel in tweeën gekliefd.
    ‘Jullie hebben hem opgejaagd als wild,’ zei Ned.
    Door het staal van zijn weerzinwekkende hondenkophelm heen leken de ogen van de Jachthond te fonkelen. ‘Hij rende weg.’ Hij keek naar Neds gezicht en lachte. ‘Maar niet al te hard.’

Bran

    Het leek of hij al jaren viel.
    Vlieg, fluisterde een stem in het donker, maar Bran wist niet hoe dat moest, dus was vallen het enige dat erop zat. Maester Luwin maakte een jongetje van klei, bakte het tot het hard en bros was, trok het Brans kleren aan en smeet het van een dak. Bran wist nog hoe het verbrijzeld was. ‘Maar ik val nooit,’ zei hij al vallend.
    De grond was zo ver onder hem dat hij nauwelijks zichtbaar was door de grauwe nevel die om hem heen wolkte, maar Bran voelde wel hoe snel hij viel, en hij wist wat hem beneden te wachten stond. Zelfs in je dromen kon je niet eeuwig vallen. Hij wist dat hij wakker zou worden vlak voor hij de grond raakte. Je werd altijd wakker vlak voor je de grond raakte. En zo niet? vroeg de stem.
    De grond was nu dichterbij, nog steeds ver weg, duizend mijl ver, maar dichterbij dan eerst. Het was koud in het donker. Geen zon en sterren, alleen de grond beneden die omhoogkwam om hem te verpletteren, en grauwe nevels, en die fluisterstem. Hij wilde huilen. Niet grienen. Vliegen.
    ‘Ik kan niet vliegen,’ zei Bran. ‘Dat kan ik niet, dat kan ik niet…’
    Hoe weet je dat? Heb je het ooit geprobeerd?
    De stem was hoog en ijl. Bran keek om zich heen om te zien wie er sprak. Een rondcirkelende kraai volgde zijn val, net buiten bereik.
    ‘Help me,’ zei hij.
    Ik doe mijn best, antwoordde de kraai. Zeg, heb je ook maïs?
    Terwijl het donker duizelingwekkend om hem heen draaide stak Bran een hand in zijn zak. Toen hij hem eruit trok gleden de gouden korrels door zijn vingers de lucht in. Ze vielen met hem mee. De kraai streek neer op zijn hand en begon te eten.
    ‘Ben jij echt een kraai?’ vroeg Bran.
    Ben jij echt aan het vallen? kaatste de kraai terug.
    ‘Het is maar een droom,’ zei Bran.
    O ja? vroeg de kraai.
    ‘Als ik straks de grond raak word ik wakker,’ zei Bran tegen de vogel.
    Als jij straks de grond raakt ga je dood, zei de kraai en ging verder met maïs eten. Bran keek omlaag. Hij zag nu bergen met wit besneeuwde pieken, en het zilveren lint van rivieren in donkere wouden. Hij sloot zijn ogen en begon te huilen.
    Daar heb je niets aan, zei de kraai. Ik zei toch dat je moest vliegenin plaats van te grienen. Zo moeilijk is dat toch niet? Ik doe het ook. De kraai schoot de lucht in en vloog om Brans hand.
    ‘Jij hebt vleugels,’ merkte Bran op.
    Jij misschien ook.
    Bran betastte zijn schouders op zoek naar vleugels.
    Je hebt vleugels en vleugels, zei de kraai. Bran staarde naar zijn armen en benen. Hij was mager, vel over been. Was hij altijd al zo dun geweest? Hij groef in zijn herinnering. Vanuit de grauwe nevel kwam een gezicht bovendrijven dat een gouden licht uitstraalde. ‘Wat ik al niet doe uit liefde,’ zei het. Bran gilde het uit.
    De kraai vloog krassend op. Dat niet, krijste die tegen hem. Dat moet je vergeten, daar heb je nu niets aan, zet het van je af, zet het van je af. De vogel landde op Brans schouder en pikte naar hem, en het goud glanzende gezicht was weg.
    Bran viel sneller dan ooit. Hij suisde omlaag naar de aarde en de grauwe nevels floten om hem heen. ‘Wat doe je met me?’ vroeg hij in tranen aan de kraai.
    Ik leer je vliegen.
    ‘Ik kan niet vliegen!’
    Je vliegt nu.
    ‘Ik val!’
    Elke vlucht begint met een val, zei de kraai. Kijk omlaag.
    ‘Ik ben bang…’
    KIJK OMLAAG!
    Bran keek omlaag en werd helemaal slap van angst. De grond schoot nu op hem af. De hele wereld lag onder hem uitgespreid, een gobelin van wit, bruin en groen. Hij kon alles zo duidelijk zien dat hij even vergat om bang te zijn. Hij kon het hele rijk zien, en iedereen die erin was. Hij zag Winterfel zoals de adelaars het zien, de hoge torens, die van boven af stomp en gedrongen leken, de kasteelmuren niet meer dan streepjes in het stof. Hij zag Maester Luwin op zijn balkon de hemel bestuderen door een buis van gepolijst brons en met gefronste wenkbrauwen aantekeningen maken in een boek. Hij zag zijn broer Robb, langer en sterker dan hij hem zich herinnerde, op de binnenplaats met een zwaard van echt staal oefenen. Hij zag Hodor, de simpele reus uit de stallen, een aambeeld op zijn schouder tillen zoals een ander een baal hooi en het naar Mikkens smidse dragen. In het hart van het godenwoud stond de grote witte weirboom peinzend over zijn spiegelbeeld in de zwarte poel gebogen, en een kille wind ritselde door zijn bladeren. Toen de boom bespeurde dat Bran hem gadesloeg wendde hij zijn ogen van het roerloze water af en staarde welbewust terug.
    Bran keek naar het oosten en zag een galei over het water van de Beet scheren. Hij zag zijn moeder alleen in een kooi zitten, haar blik gericht op een bebloed mes dat voor haar op een tafel lag, terwijl de roeiers aan de riemen rukten en ser Rodrik rillend en schokkend over een reling hing. Voor hen uit stak een storm op, een enorme, brullende duisternis, opgezweept door bliksemschichten, maar om de een of andere reden zagen zij die niet.
    Hij keek naar het zuiden en zag de brede, blauwgroene Drietand bruisen. Hij zag zijn vader pleiten bij de koning, zijn gezicht smartelijk doorgroefd. Hij zag hoe Sansa zich ’s nachts in slaap huilde en hoe Arya zwijgend toekeek en haar geheimen inkapselde in haar hart. Overal rondom hen hingen schaduwen. Eén schaduw was asgrauw, met een afschuwelijke hondenkop. Een andere had een harnas als de zon, goudglanzend en prachtig. Een reus in stenen wapenrusting torende boven die twee uit, maar toen hij zijn vizier opsloeg was daarbinnen niets dan duisternis en dik, zwart bloed. Hij hief zijn ogen op en kon duidelijk de overkant van de zee-engte zien: de Vrijsteden en de groene zee van de Dothraki, en daarachter Vaes Dothrak onder aan de berg, de fabuleuze landen van de Jaden Zee, Asshai bij de Schaduw, waar draken zich roerden onder de rijzende zon.
    Ten slotte keek hij naar het noorden. Hij zag de kristalblauwe fonkeling van de Muur, en zijn bastaardbroer Jon, die alleen in een koud bed sliep en wiens huid bleek en ruw werd omdat elke herinnering aan warmte hem ontglipte. En hij keek voorbij de Muur, voorbij de eindeloze, besneeuwde wouden, voorbij de bevroren kust en de grote, blauwwitte ijsrivieren, en de dode vlakten waar niets groeide en bloeide. Steeds verder noordwaarts ging zijn blik, naar het gordijn van licht aan het einde van de wereld, en toen daarachter. Hij keek diep in het hart van de winter en schreeuwde het uit van angst, en de gloed van zijn tranen brandde op zijn wangen.
    Nu weet je bet, fluisterde de kraai vanaf zijn schouder. Nu weet je waarom je moet blijven leven.
    ‘Waarom?’ zei Bran zonder het te begrijpen, en hij viel en viel. Omdat het winter wordt.
    Bran keek naar de kraai op zijn schouder en de kraai keek terug. Hij had drie ogen, en het derde was vol van een gruwelijk weten. Bran keek omlaag. Onder hem was nu niets dan sneeuw, kou en dood, een bevroren woestenij waar hem een omhelzing van scherpgepunte, blauwwitte pinakels van ijs wachtte. Ze schoten als speren naar hem omhoog. Hij zag de beenderen van duizenden andere dromers die op de punten waren gespietst. Hij was afgrijselijk bang.
    ‘Als je bang bent, kun je dan toch moedig zijn?’ hoorde hij zijn eigen stem vragen, dun en ver weg.
    En zijn vaders stem antwoordde: ‘Dat is het enige moment waarop je moedig kunt zijn.’
    Nu, Bran, drong de kraai aan. Je moet kiezen. Vliegen of sterven. Krijsend sloeg de dood zijn klauwen naar hem uit.
    Bran spreidde zijn armen uit en vloog.
    Onzichtbare vleugels dronken de wind in, welfden zich en stuwden hem omhoog. De verschrikkelijke ijsnaalden onder hem werden kleiner. Boven hem ging de hemel open. Bran zweefde. Dit was beter dan klimmen. Het was beter dan wat ook. De wereld onder hem werd klein.
    ‘Ik vlieg!’ riep hij vol verrukking uit.
    Ik zie het, zei de kraai met de drie ogen. Hij vloog op en fladderde met zijn vlerken tegen Brans gezicht, zodat hij werd afgeremd en verblind. Toen de slagpennen tegen zijn wangen zwiepten viel hij stil in de lucht. De snavel van de kraai hakte fel op hem in en Bran voelde een plotselinge, verblindende pijn midden op zijn voorhoofd, tussen zijn ogen.
    ‘Wat doe je?’ schreeuwde hij.
    De kraai opende zijn snavel en kraste tegen hem, een schrille kreet van angst, en de grauwe nevels huiverden en kolkten om hem heen en werden als een sluier opzij gerukt, en hij zag dat de kraai in werkelijkheid een vrouw was, een dienstmeid met lang, zwart haar, en dat hij haar ergens van kende, van Winterfel, ja, dat was het, nu wist hij weer wie ze was, en toen realiseerde hij zich dat hij in Winterfel was, in een bed hoog in een kille torenkamer, en de zwartharige vrouw liet een schaal water op de vloer aan scherven vallen en rende de trap af onder het roepen van: ‘Hij is wakker, hij is wakker, hij is wakker.’
    Bran raakte zijn voorhoofd aan, tussen zijn ogen. De plek waar de kraai hem had gepikt brandde nog steeds, maar er zat niets, geen bloed en geen wond. Hij voelde zich slap en duizelig. Hij probeerde uit bed te stappen, maar er gebeurde niets. Toen was er beweging naast het bed, en er landde iets licht op zijn benen. Hij voelde niets. Een paar gele ogen keken in de zijne, blinkend als de zon. Het raam stond open en het was koud in de kamer, maar de warmte die zijn wolf uitstraalde omspoelde hem als een heet bad. Zijn welp, besefte Bran… ja toch zeker? Hij was al zo groot. Hij stak een hand uit om hem te aaien, een hand die trilde als een espenblad.
    Toen zijn broer Robb de kamer binnenstormde, buiten adem, omdat hij de torentrap was opgerend, was de schrikwolf Brans gezicht aan het likken. Kalm keek Bran op. ‘Deze heet Zomer,’ zei hij.

Catelyn

    We zijn binnen een uur in Koningslanding.’
    Catelyn keerde zich van de reling af en dwong zichzelf te glimlachen. ‘Uw roeiers hebben ons goede diensten bewezen, kapitein. Als dankbetuiging krijgen ze van mij allemaal een zilveren hertenbok.’
    Kapitein Moreo Tumitis vereerde haar met een halve buiging. ‘U bent al te vrijgevig, vrouwe Stark. Een edele vrouwe als u te mogen vervoeren is al een dermate grote eer dat ze verder geen beloning nodig hebben.’
    ‘Maar ze zullen het zilver toch wel accepteren.’
    Moreo glimlachte. ‘Wat u zegt.’ Hij sprak de gewone omgangstaal vloeiend, met maar een zweem van een Tyroshi-accent. Hij voer al dertig jaar rond over de zee-engte, had hij haar verteld, als roeier, kwartiermeester en ten slotte als kapitein van zijn eigen handelsgalei. De Stormdanser was zijn vierde en snelste schip, een tweemaster-galei met zestig riemen. Het was in elk geval het snelste van de beschikbare schepen geweest toen Catelyn en ser Rodrik Cassel na hun haastige rit stroomafwaarts in Withaven waren gearriveerd. De Tyroshi waren berucht om hun inhaligheid, en ser Rodrik had ervoor gepleit, vanuit de Drie Zusters een visserssloep te huren, maar Catelyn had per se met de galei gewild. Dat was maar goed ook. Ze hadden het grootste deel van hun reis tegenwind gehad, en zonder de riemen van de galei zouden ze nu nog steeds zwoegen om de Vingers voorbij te komen in plaats van op Koningslanding en het einde van de reis af te snellen. Het had niet veel gescheeld, dacht ze. Onder de linnen windsels bonsden de messneden in haar vingers nog steeds. Catelyn had het gevoel dat die pijn haar straf was, zodat ze niet zou vergeten. De twee laatste vingers van haar linkerhand kon ze niet buigen, en de rest zou nooit meer soepel worden. Maar dat was een geringe prijs voor het leven van Bran.
    Dat was het ogenblik dat ser Rodrik uitkoos om aan dek te verschijnen. ‘Waarde vriend,’ zei Moreo door zijn gevorkte groene baard heen — de Tyroshi waren verzot op felle kleuren, ook voor hun gezichtshaar — ‘wat fijn dat u er weer wat beter uitziet.’
    ‘Ja,’ beaamde ser Rodrik. ‘Ik wil nu al twee dagen niet meer dood.’
    Hij boog voor Catelyn. ‘Vrouwe.’
    Hij zag er inderdaad beter uit. Een pietsje magerder dan dan toen ze uit Withaven vertrokken, maar weer bijna de oude. De stijve bries in de Beet en het woelige water van de zee-engte waren hem slecht bekomen, en toen ze buiten Drakensteen door die storm overvallen waren was hij bijna overboord geslagen, maar hij had zich toch kunnen vastklampen aan een touw totdat Moreo’s mannen erin waren geslaagd hem te redden en hem veilig benedendeks te brengen.
    ‘De kapitein vertelde me net dat onze reis bijna ten einde is,’ zei ze.
    Bij ser Rodrik kon er een wrang glimlachje af. ‘Zo gauw al?’ Zonder zijn grote witte bakkebaarden zag hij er vreemd uit: kleiner, niet zo geducht, en tien jaar ouder. Maar op de Beet had het verstandiger geleken het scheermes van een bemanningslid te gebruiken toen hij zijn bakkebaarden voor de derde keer hopeloos had bevuild door zich over de reling te buigen en tegen de zwiepende wind in te braken.
    ‘Ik zal u verder niet storen bij uw overleg,’ zei kapitein Moreo. Hij boog en liet hen alleen.
    De galei scheerde als een libelle over het water. De riemen rezen en daalden in een volmaakte cadans. Ser Rodrik hield zich aan de reling vast en staarde naar de voorbijglijdende kust. ‘Ik ben niet het toonbeeld van een dappere beschermer geweest.’
    Catelyn raakte zijn arm aan. ‘We zijn hier, ser Rodrik, en veilig. Dat is het enige dat er echt toe doet.’ Haar hand tastte met stijve, onhandige vingers onder haar mantel. De dolk hing nog aan haar zij. Ze merkte dat ze er behoefte aan had die zo nu en dan ter geruststelling aan te raken. ‘Nu moeten we de wapenmeester van de koning zien te bereiken en hopen en bidden dat hij betrouwbaar is.’
    ‘Ser Aron Santagar is een ijdeltuit, maar wel eerlijk.’ Ser Rodriks hand ging naar zijn gezicht om over zijn bakkebaarden te strijken en ontdekte voor de zoveelste keer dat ze weg waren. Hij keek verlegen. ‘Het kan zijn dat hij de dolk herkent, ja… maar vrouwe, zodra we aan land gaan zijn we in gevaar. En aan het hof zijn vele lieden die u van gezicht kennen, dat is iets dat zeker is.’
    Catelyns mond verstrakte. ‘Pinkje,’ mompelde ze. Zijn gezicht kwam bij haar bovendrijven, een jongensgezicht, al was hij geen jongen meer. Omdat zijn vader een paar jaar geleden was overleden was hij nu heer Baelish, maar toch werd hij nog altijd Pinkje genoemd. Haar broer Edmar had hem die naam lang geleden in Stroomvliet gegeven. De bescheiden landerijen van zijn familie lagen op de kleinste van de Vingers, en Petyr was tenger en klein voor zijn leeftijd.
    Ser Rodrik schraapte zijn keel. ‘Heer Baelish heeft eens, eh…’ Onzeker onderbrak hij zijn gedachtegang, zoekend naar een hoffelijke omschrijving.
    Catelyn was de fijngevoeligheid voorbij. ‘Hij was mijn vaders pupil. We zijn samen opgegroeid in Stroomvliet. Ik beschouwde hem als een broer, maar zijn gevoelens jegens mij waren… meer dan broederlijk. Nadat bekend was gemaakt dat ik met Brandon Stark zou trouwen bestreed Petyr hem het recht op mijn hand. Dat was waanzin. Brandon was twintig, Petyr nauwelijks vijftien. Brandon liet hem er met een litteken vanaf komen. Daarna stuurde mijn vader hem weg. Sinds die tijd heb ik hem nooit meer gezien.’ Ze hief haar gezicht naar de stuifnevel op, alsof de frisse wind de herinneringen kon uitbannen. ‘Toen Brandon vermoord was stuurde hij mij in Stroomvliet een brief, maar die heb ik ongelezen verbrand. Ik wist inmiddels dat Ned in zijn broers plaats met mij zou trouwen.’
    De vingers van ser Rodrik voelden opnieuw aan een paar niet-bestaande bakkebaarden. ‘Pinkje zit nu in de kleine raad.’
    ‘Ik wist dat hij het ver zou brengen,’ zei Catelyn. ‘Hij was altijd al slim, als jongen al, maar slimheid en wijsheid zijn twee. Ik vraag me af hoe de tand des tijds met hem omgesprongen is.’
    Hoog boven hen galmde de uitkijk iets vanuit het kraaiennest. Kapitein Moreo kwam aanstiefelen over het dek om bevelen uit te delen, en overal op de Stormdanser braken koortsachtige activiteiten los toen Koningslanding op zijn drie hoge heuvels hun gezichtsveld binnengleed.
    Driehonderd jaar geleden, wist Catelyn, waren die hoogten nog met bos begroeid en woonde er slechts een handvol vissers op de noordoever van de Zwartwaterstroom, daar waar deze diepe, snelstromende rivier in zee uitmondde. Toen was Aegon de Veroveraar komen aanvaren uit Drakensteen. Hier was zijn leger aan land gegaan, en daar op die hoogste heuvel had hij zijn eerste, primitieve versterking van hout en aarde gebouwd.
    Nu strekte de stad zich op de oever uit zover Catelyns oog reikte: states, tuinen en graanschuren, bakstenen pakhuizen, houten herbergen, kraampjes van kooplieden, kroegen, begraafplaatsen en bordelen, allemaal op een kluitje. Zelfs van deze afstand kon ze het lawaai van de vismarkt horen. Tussen de bebouwing door liepen met bomen omzoomde brede lanen, kronkelende, hobbelige straatjes en stegen die zo nauw waren dat er geen twee man naast elkaar konden lopen. De heuvel van Visenya werd bekroond door de Grote Sept van Baelor met zijn zeven kristallen torens. Aan de andere kant van de stad, op de heuvel van Rhaenys, stonden de geblakerde muren van de Drakenkuil, de grote koepel tot een ruïne vervallen, de bronzen deuren nu al een eeuw lang dicht. Daartussenin liep de Straat der Zusters, recht als een pijl. In de verte verrezen de stadsmuren hoog en sterk.
    Langs het water waren wel honderd aanlegplaatsen, en in de haven wemelde het van de schepen. Diepzee-vissersboten en riviervletten kwamen en gingen, veerlieden boomden af en aan over de Zwartwaterstroom, handelsgaleien laadden goederen uit Braavos, Pentos en Lys uit. Catelyn ontdekte de sierbark van de koningin, aangemeerd naast een bolbuikige walsvisvaarder uit de Haven van Ibben met een zwartgeteerde romp, terwijl stroomopwaarts een twaalftal gouden oorlogsschepen met gestreken zeilen in hun dokken lagen. Hun gemene ijzeren rammeien likten als tongen aan het water.
    En hoog boven dat alles staarde de Rode Burcht grimmig omlaag vanaf Aegons hoge heuvel: zeven enorme bloktorens, bekroond met ijzeren borstweringen, een reusachtige, grimmige vestingtoren, gewelfde zalen en overdekte bruggen, soldatenverblijven, kerkers, graanschuren en massieve wallen, bezaaid met boogschuttersnesten, alles uit lichtrode natuursteen opgetrokken. Aegon de Veroveraar had bevel gegeven tot de bouw, zijn zoon Maegor de Wrede had die voltooid. Na afloop had hij de koppen van alle metselaars, houtbewerkers en bouwarbeiders die eraan gewerkt hadden, laten rollen. Slechts het bloed van de draak zou de geheimen kennen van de vesting die de drakenheren hadden gebouwd, zwoer hij. Maar nu waren de banieren die van de tinnen wapperden goudkleurig in plaats van zwart, en waar eens de driekoppige draak zijn vuur had gespuwd danste nu de gekroonde hertenbok van het Huis Baratheon.
    Een hoogmastig zwanenschip van de Zomereilanden laveerde de haven uit, de witte zeilen opbollend in de wind. De Stormdanser voer er langs óp zijn vaste koers naar de wal.
    ‘Vrouwe,’ zei ser Rodrik, ‘terwijl ik in mijn kooi lag heb ik erover nagedacht hoe we het beste te werk kunnen gaan. U moet het kasteel niet betreden. Ik zal namens u gaan en ser Aron bij u brengen, ergens waar het veilig is.’
    Terwijl de galei een van de havenhoofden naderde keek ze de oude ridder onderzoekend aan. Moreo was aan het schreeuwen in het platte Valyrisch van de Vrijsteden. ‘U loopt evenveel risico als ik.’
    Ser Rodrik glimlachte. ‘Ik denk het niet. Toen ik daarnet naar mijn spiegelbeeld in het water keek herkende ik mezelf nauwelijks. Moeder was de laatste die me ooit zonder bakkebaarden heeft gezien, en zij is al veertig jaar dood. Volgens mij ben ik veilig genoeg, vrouwe.’
    Moreo brulde een bevel. Zestig riemen werden precies tegelijk uit de rivier getild en toen tegen het water in gehouden. De galei minderde vaart. Hernieuwd geroep. De riemen gleden de romp in. Toen ze tegen de kade stootten sprongen de zeelieden uit Tyrosh van het schip om het vast te leggen. Moreo kwam gejaagd aanlopen, een en al glimlach. ‘Koningslanding, vrouwe, volgens opdracht, en geen schip heeft de overtocht ooit sneller of veiliger gemaakt. Hebt u hulp nodig om uw eigendommen naar het kasteel te brengen?’
    ‘We gaan niet naar het kasteel. Misschien weet u een herberg die schoon en comfortabel is en niet te ver van de rivier ligt?’
    De man uit Tyrosh plukte aan zijn gevorkte groene baard. ‘Juist ja. Ik ken diverse lokaliteiten die aan uw wensen voldoen. Maar als ik zo vrij mag zijn is daar eerst nog de kwestie van de tweede helft van de overeengekomen vergoeding. En natuurlijk het extra zilver dat u zo vriendelijk was te beloven. Zestig hertenbokken, meen ik.’
    ‘Voor de roeiers,’ bracht Catelyn hem in herinnering.
    ‘Uiteraard,’ zei Moreo. ‘Al moet ik dat misschien voor hen in beheer houden totdat we in Tyrosh terug zijn. Omwille van hun vrouwen en kinderen. Wanneer u hun het zilver hier geeft, vrouwe, dan zullen ze het vergokken of het allemaal uitgeven voor één nachtje plezier.’
    ‘Er zijn slechtere zaken om je geld aan uit te geven,’ kwam ser Rodrik ertussen. ‘De winter komt.’
    ‘Een man moet zijn keuzen zelf maken,’ zei Catelyn. ‘Ze hebben het zilver verdiend. Hoe ze het uitgeven is mijn zaak niet.’
    ‘Wat u wilt, vrouwe,’ antwoordde Moreo met een buiging en een glimlach.
    Voor alle zekerheid betaalde Catelyn de roeiers zelf uit, één hertenbok de man, en een koperstuk voor de twee mannen die hun kisten tot halverwege de heuvel van Visenya droegen, naar de door Moreo opgegeven herberg. Het was een grillig oud gebouw aan de Aalsteeg. De waardin was een nors oud wijf met een scheel oog dat hen wantrouwig bezag en in het muntstuk beet dat Catelyn haar gaf om de echtheid te controleren. Maar haar kamers waren ruim en fris, en Moreo had hun bezworen dat haar gestoofde vispot de smakelijkste in de Zeven Koninkrijken was. Het grootste pluspunt was, dat ze niet in hun namen geïnteresseerd was.
    ‘Het lijkt mij het beste als u zich verre van de gelagkamer houdt,’ zei ser Rodrik nadat ze zich hadden geïnstalleerd. ‘Zelfs op een plek als deze kun je nooit weten wie er naar je kijkt.’ Onder een donkere mantel waarvan hij de kap over zijn hoofd kon trekken droeg hij een maliënkolder, een dolk en een zwaard. ‘Ik ben terug voor de nacht valt, met ser Aron,’ beloofde hij. ‘Gaat u nu maar rusten, vrouwe. Catelyn was inderdaad moe. De reis was lang en vermoeiend geweest, en ze was niet meer zo jong als ze geweest was. Haar ramen keken uit op het steegje en de daken van de huizen, met zicht op de Zwartwaterstroom daarachter. Ze keek de vertrekkende ser Rodrik, die met ferme pas door de drukke straten beende, na totdat hij was opgegaan in de menigte. Toen besloot ze zijn advies te volgen. De matras was met stro gevuld in plaats van met veren, maar ze had geen enkele moeite om in te slapen.
    Ze werd wakker doordat er op haar deur werd gebonsd. Met een ruk ging Catelyn rechtop zitten. Buiten het raam waren de daken van Koningslanding rood in het licht van de ondergaande zon. Ze had langer geslapen dan ze van plan was geweest. Een vuist hamerde nogmaals op haar deur, en een stem riep: ‘In naam van de koning, doe open.’
    ‘Eén ogenblik,’ riep ze. Ze sloeg haar mantel om. De dolk lag op het tafeltje naast het bed. Ze graaide hem eraf voordat ze de zware houten deur ontgrendelde.
    De mannen die de kamer binnendrongen droegen de zwarte maliën en de goudkleurige mantels van de stadswacht. Hun aanvoerder glimlachte toen hij de dolk in haar hand zag. ‘Die hebt u niet nodig, vrouwe. Wij moeten u naar het kasteel begeleiden.’
    ‘Op wiens gezag?’ zei ze.
    Hij liet haar een lint zien. Catelyns adem stokte. Het zegel was een spotvogel van grijze was. ‘Petyr,’ zei ze. Zo snel al. Er moest ser Rodrik iets overkomen zijn. Ze keek naar de aanvoerder van de wacht. ‘Weet u wie ik ben?’
    ‘Nee, vrouwe,’ zei hij. ‘Heer Baelish heeft alleen gezegd dat ik u bij hem moest brengen en ervoor moest zorgen dat u goed behandeld werd.’
    Catelyn knikte. ‘U kunt buiten wachten terwijl ik mij kleed.’
    Ze dompelde haar handen in de waskom en wond er schoon linnen om. Met die dikke, onhandige vingers had ze moeite haar lijfje vast te rijgen en een vaalbruine mantel om haar nek te knopen. Hoe wist Pinkje dat ze hier was? Ser Rodrik zou het hem zeker niet hebben verteld. Hij mocht dan oud zijn, maar hij was koppig en bijna overdreven trouw. Waren ze te laat, hadden de Lannisters Koningslanding eerder bereikt dan zij? Nee, als dat zo was zou Ned hier ook zijn, en dan zou hij toch zeker naar haar toe zijn gekomen?
    Hoe…?
    Toen dacht ze: Moreo. Die vervloekte kerel uit Tyrosh wist wie ze waren en waar ze waren. Ze hoopte dat hij een aardig bedrag voor die informatie had opgestreken.
    Ze hadden een paard voor haar meegebracht. Toen ze op weg gingen werden op straat de lantarens aangestoken, en Catelyn had het gevoel dat de ogen van de hele stad op haar gericht waren zoals ze daar langsreed, omringd door de wachters in hun goudkleurige mantels. Toen ze de Rode Burcht bereikten was het valhek neer en waren de enorme poorten voor de nacht verzegeld, maar achter de verlichte vensters van het kasteel heerste leven. De wacht liet de paarden buiten de muur achter en leidde haar een smal uitvalsdeurtje door, en toen een eindeloze trap naar een toren op.
    Hij was alleen in het vertrek en zat achter een zware houten tafel bij het licht van een olielamp te schrijven. Toen ze haar naar binnen loodsten legde hij zijn pen neer en keek haar aan. ‘Cat,’ zei hij zachtjes.
    ‘Waarom word ik op die manier hierheen gebracht?’
    Hij stond op en gebaarde bruusk naar de wachters. ‘Laat ons alleen.’ De mannen vertrokken. ‘Ik neem aan dat ze je goed behandeld hebben,’ zei hij toen ze weg waren. ‘Dat had ik ten strengste bevolen.’ Zijn blik viel op haar verbanden. ‘Je handen…’
    Catelyn negeerde zijn onuitgesproken vraag. ‘Ik ben niet gewend om als een dienstmeid ontboden te worden,’ zei ze ijzig. ‘Als jongen wist u nog wat hoofsheid inhield.’
    ‘Ik heb uw toorn gewekt, vrouwe. Dat was volstrekt niet mijn bedoeling.’ Hij keek berouwvol. Die blik bracht bij Catelyn levendige herinneringen boven. Als kind was hij een leperd geweest, maar na ieder kattenkwaad trok hij steeds weer een berouwvol gezicht. Dat talent bezat hij. Door de jaren heen was hij niet erg veranderd. Petyr was een kleine jongen geweest en hij was uitgegroeid tot een kleine man, een duim of twee korter dan Catelyn en slank en kwiek. Hij had de scherp gesneden trekken die met haar herinneringen overeenstemden, en diezelfde lachende grijsgroene ogen. Tegenwoordig had hij er een puntbaardje bij, en door zijn donkere haar liepen zilveren draden, al was hij nog geen dertig. Ze pasten goed bij de zilveren spotvogel die zijn mantel bijeenhield. Zelfs als kind was hij altijd dol geweest op zijn zilver.
    ‘Hoe wist u dat ik in de stad was?’ vroeg ze hem.
    ‘Heer Varys weet alles,’ zei Petyr met een sluw lachje. ‘Hij zal zich straks bij ons voegen, maar ik wilde je eerst alleen spreken. Het is al veel te lang geleden, Cat. Hoe lang eigenlijk?’
    Catelyn negeerde zijn gemeenzaamheid. Er waren belangrijker vragen. ‘Dus de Spin van de koning heeft me gevonden.’
    Pinkje kromp ineen. ‘Noem hem liever niet zo. Hij is overgevoelig. Komt omdat hij een eunuch is, denk ik. In deze stad gebeurt niets waar Varys niet van op de hoogte is. Dikwijls weet hij het al voordat het gebeurt. Hij heeft overal informanten. Zijn kleine vogeltjes, noemt hij ze. Een van die kleine vogeltjes ving iets over jouw bezoek op. Gelukkig is Varys eerst naar mij tóe gekomen.’
    ‘Waarom naar jou?’
    Hij haalde zijn schouders op. ‘Waarom niet? Ik ben de muntmeester, en raadgever van de koning zelf. Selmy en heer Renling zijn noordwaarts gereden, Robert tegemoet, en heer Stannis is naar Drakensteen vertrokken, zodat alleen Maester Pycelle en ik overbleven. Ik was de voor de hand liggende keus. Ik ben altijd bevriend gebleven met je zuster Lysa. Dat weet Varys.’
    ‘Weet Varys van…’
    ‘Heer Varys weet alles… behalve de reden van je aanwezigheid hier.’ Hij trok een wenkbrauw op. ‘Waarom bén je hier eigenlijk?’
    ‘Mag een vrouw naar haar echtgenoot verlangen? En als een moeder dicht bij haar dochters wil zijn, wie zal het haar dan verbieden?’
    Pinkje lachte. ‘Die is goed. Maar verwacht alsjeblieft niet dat ik dat geloof. Daar ken ik je te goed voor. Hoe luidt de spreuk van Tulling ook weer?’
    Haar keel was droog. ‘Geslacht, Plicht, Eer,’ zei ze stijfjes op. Hij kende haar inderdaad te goed.
    ‘Geslacht, Plicht, Eer,’ herhaalde hij. ‘En die vereisten allemaal dat je in Winterfel bleef, waar onze Hand je had achtergelaten. Nee, er is iets gebeurd. Die plotselinge reis wijst op iets dringends. Wees zo goed en laat mij een handje helpen. Oude, dierbare vrienden moeten nooit aarzelen op elkaar te bouwen.’ Er werd zacht op de deur geklopt. ‘Binnen!’ riep Pinkje.
    De man die binnenstapte was gezet, geparfumeerd, gepoederd, en haarloos als een ei. Hij droeg een hes van geweven gouddraad over een loshangend gewaad van purperen zijde en aan zijn voeten zaten zachte, fluwelen puntslippers. ‘Vrouwe Stark,’ zei hij terwijl hij haar hand in zijn handen nam, ‘wat een vreugde u na al die jaren weer te zien.’ Zijn huid voelde week en klam aan en zijn adem geurde naar seringen. ‘Och arm, uw handen. Hebt u zich gebrand, lieftallige vrouwe? Die vingertjes zijn zo kwetsbaar… Onze goede Maester Pycelle brouwt een fantastische zalf, wil ik een kruikje laten komen?’
    Catelyn trok haar vingers los. ‘Dank u, heer, maar mijn eigen Maester Luwin heeft mijn kwetsuren al verzorgd.’
    Varys bewoog zijn hoofd op en neer. ‘Het was diep triest wat ik over uw zoon heb vernomen. En zo jong nog. De goden zijn wreed.’
    ‘Daar zijn we het dan over eens, heer Varys,’ zei ze. De titel was niet meer dan een beleefdheidsfrase die hem toekwam als lid van de raad, want Varys was slechts heer over zijn spinnenweb en heerste over niemand anders dan zijn fluisteraars.
    De eunuch spreidde zijn weke handjes uit. ‘En niet alleen daarover, mag ik hopen, lieftallige vrouwe. Ik acht uw echtgenoot, onze nieuwe Hand, zeer hoog, en ik weet dat we beiden koning Robert liefhebben.’
    ‘Ja,’ was ze gedwongen te zeggen. ‘Dat is zeker zo.’
    ‘Nog nimmer is een koning zo bemind geweest als onze Robert,’ zei Pinkje spottend. Hij glimlachte sluw. ‘Althans binnen gehoorsafstand van heer Varys.’
    ‘Waarde vrouwe,’ zei Varys met grote bezorgdheid, ‘er zijn mannen in de Vrijsteden die een wonderbaarlijke geneeskracht bezitten. U hoeft het slechts te zeggen, en ik zal zo iemand laten halen voor uw dierbare Bran.’
    ‘Maester Luwin doet al het mogelijke voor Bran,’ zei ze tegen hem. Ze wilde niet over Bran praten, niet hier, niet met deze mannen. Ze vertrouwde Pinkje maar een klein beetje en Varys helemaal niet. Tegenover hen wilde ze haar verdriet niet laten blijken. ‘Heer Baelish vertelt mij dat ik het aan u te danken heb dat ik hierheen ben gebracht.’
    Varys giechelde als een klein meisje. ‘O ja. Het zal mijn schuld wel zijn. Hopelijk bent u zo vriendelijk het mij te vergeven, vrouwe.’ Hij liet zich in een stoel zakken en plaatste zijn handen tegen elkaar. ‘Mogen we u lastig vallen met het verzoek, de dolk te tonen?’
    Verbijsterd en ongelovig staarde Catelyn Stark de eunuch aan. Hij was inderdaad een spin, dacht ze onthutst, een tovenaar, of nog erger. Hij wist dingen die een mens met geen mogelijkheid kon weten, tenzij… ‘Wat hebt u met ser Rodrik gedaan?’ wilde ze weten. Pinkje kon het niet volgen. ‘Ik voel me net de ridder die zonder zijn lans op het slagveld verschijnt. Over welke dolk hebben we het? Wie is ser Rodrik?’
    ‘Ser Rodrik is de wapenmeester van Winterfel,’ lichtte Varys hem in. ‘Ik verzeker u, vrouwe Stark, dat de goede ridder volstrekt niets is overkomen. Hij meldde zich hier vroeg in de middag. Hij bezocht ser Aron Santagar in de wapenzaal, en ze hebben over een bepaalde dolk gesproken. Rond zonsondergang verlieten ze samen het kasteel en liepen naar dat vreselijke hol toe waar u verblijf hield. Ze zijn er nog steeds en zitten in de gelagkamer te drinken in afwachting van uw terugkeer. Ser Rodrik was erg ontdaan toen hij ontdekte dat u weg was.’
    ‘Hoe weet u dat allemaal?’
    ‘Dat is me door kleine vogeltjes ingefluisterd,’ zei Varys glimlachend. ‘Ik weet dingen, lieftallige vrouwe. Dat is waar ik voor dien.’
    Hij haalde zijn schouders op. ‘U hebt die dolk toch bij u?’
    Catelyn trok het wapen onder haar mantel uit en smeet het voor hem op de tafel. ‘Hier. Misschien dat die kleine vogeltjes van u de naam van de eigenaar kunnen fluisteren.’
    Varys tilde het mes overdreven omzichtig, op en liet een duim langs de snede glijden. Er welde bloed op, en hij slaakte een gilletje en liet de dolk weer op de tafel vallen.
    ‘Voorzichtig,’ zei Catelyn, ‘hij is scherp.’
    ‘Niets is zo scherp als Valyrisch staal,’ zei Pinkje terwijl Varys op zijn bloedende duim zoog en Catelyn gemelijk en berispend aankeek. Pinkje pakte het mes, woog het lichtjes op zijn hand en testte de greep uit. Hij gooide het de lucht in en ving het met zijn andere hand weer op. ‘Wat een zalige balans. Dus je zoekt de eigenaar, is dat de reden van je bezoek? Daar heb je ser Aron niet voor nodig. Je had meteen naar mij toe moeten komen.’
    ‘En als ik dat had gedaan,’ zei ze, ‘wat had je dan tegen me gezegd?’
    ‘Ik had tegen je gezegd dat er in Koningslanding maar één mes als dit is.’ Hij nam het wapen tussen zijn duim en wijsvinger, bracht het over zijn schouder heen naar achteren en wierp het met een geoefend polsgebaar de kamer door. Het trof de deur en boorde zich diep in het eikenhout, waar het bleef natrillen. ‘Het is van mij.’
    ‘Van JOU?’ Dat raakte kant noch wal. Petyr was niet in Winterfel geweest.
    ‘Tot het toernooi op prins Joffry’s naamdag,’ zei hij terwijl hij naar de andere kant van de kamer liep om de dolk uit het hout te wrikken. ‘Ik had bij het steekspel op ser Jaime gewed, samen met het halve hof.’ Peter grijnsde schaapachtig, waardoor hij weer half een jongen leek. ‘Toen Loras Tyrell hem uit het zadel lichtte werden velen onder ons er een pietsje armer op. Ser Jaime verloor honderd gouden draken, de koningin verloor een smaragden hanger en ik verloor mijn mes. Hare Genade kreeg de hanger terug, maar de winnaar hield de rest.’
    ‘Wie?’ wilde Catelyn weten, haar mond droog van angst. De herinnering aan de pijn deed haar vingers bonzen.
    ‘De kobold,’ zei Pinkje terwijl heer Varys haar gezicht gadesloeg.
    ‘Tyrion Lannister.’

Jon

    Het zingen van de zwaarden galmde over de binnenplaats. Onder zwarte wol, verhard leer en maliën sijpelde het ijskoude zweet Jon over de borst terwijl hij zijn aanval inzette. Grenn struikelde naar achteren in zijn moeizame verweer. Toen hij zijn zwaard ophief dook Jon eronderdoor met een zwiepende slag die tegen de achterkant van Grenns been knarste en hem aan het wankelen bracht. De andere jongen haalde naar beneden uit, maar het antwoord was een slag van boven af die een deuk in zijn helm maakte. Toen hij het met een zijwaartse zwieper probeerde zwiepte Jon zijn kling opzij en ramde een gemaliede onderarm tegen zijn borst. Grenn verloor zijn evenwicht en plofte met zijn zitvlak hard in de sneeuw. Met een mep op zijn pols die hem een kreet van pijn ontlokte sloeg Jon het zwaard uit zijn vingers.
    ‘Genoeg!’ De stem van ser Alliser Doren was zo scherp als Valyrisch staal. Grenn wiegde zijn hand heen en weer. ‘Die bastaard heeft mijn pols gebroken.’
    ‘Die bastaard heeft je pezen doorgesneden, het dak van je holle schedel geslagen en je hand afgehakt. Dat was althans gebeurd als deze zwaarden scherp waren geweest. Gelukkig voor jou heeft de Wacht staljongens even hard nodig als wachtruiters.’ Ser Alliser gebaarde naar Jeren en Pad. ‘Help die oeros eens op zijn benen, hij moet zijn begrafenis nog regelen.’
    Terwijl de andere jongens Grenn overeind hielpen deed Jon zijn helm af. De vorstige ochtendlucht voelde aangenaam aan op zijn gezicht. Hij leunde op zijn zwaard, haalde diep adem en gunde zich een ogenblik de tijd om van zijn overwinning te genieten.
    ‘Dat is een slagzwaard, geen ouwemannenstok,’ zei ser Alliser op scherpe toon. ‘Heb je pijn aan je benen, heer Sneeuw?’
    Jon had een hekel aan die titel, een spotnaam waarmee ser Alliser hem op zijn eerste oefeningsdag had opgezadeld. De jongens hadden hem overgenomen, en nu hoorde hij hem overal. Hij schoof het zwaard terug in de schede. ‘Nee,’ antwoordde hij.
    Doren beende op hem af. Het harde zwarte leer van zijn kleding knerpte zacht bij elke beweging. Hij was een forsgebouwde man van vijftig, schraal en hard, met grijzend zwart haar en ogen als schilfers onyx. ‘En nu de waarheid,’ beval hij.
    ‘Ik ben moe,’ gaf Jon toe. Zijn arm brandde van het gewicht van het grote zwaard, en nu het gevecht voorbij was begon hij zijn zere plekken te voelen.
    ‘Wat jij bent, is zwak.’
    ‘Ik heb gewonnen.’
    ‘Nee. Die oeros heeft verloren.’
    Een van de andere jongens gniffelde. Jon gaf geen antwoord. Hij wist wel beter. Hij had iedereen verslagen die ser Alliser op hem had afgestuurd, maar toch baatte het hem niets. De wapenmeester trakteerde hem slechts op hoon. Jon was tot de slotsom gekomen dat Doren hem haatte. De overige jongens haatte hij natuurlijk nog meer.
    ‘Dat is alles,’ zei Doren tegen hen. ‘Meer onhandigheid kan ik op één enkele dag niet verstouwen. Als de Anderen ons ooit overvallen hoop ik dat ze boogschutters hebben, want jullie zijn alleen maar goed om als pijlenvoer te dienen.’
    Jon ging achter de rest aan naar de wapenkamer terug. Hij liep alleen. Dat deed hij hier vaak. De groep waarmee hij oefende bestond uit bijna twintig jongens, maar er was niemand bij die hij zijn vriend kon noemen. De meesten waren twee of drie jaar ouder dan hij. Toch kon niet een van hen zelfs maar half zo goed vechten als Robb op zijn veertiende. Dareon was snel, maar bang om geraakt te worden. Pyp hanteerde zijn zwaard als een dolk, Jeren was zo zwak als een meid, Grenn was traag en lomp. Halders klappen kwamen gruwelijk hard aan, maar zodra je aanviel liep hij recht in je zwaard. Hoe meer tijd hij met hen doorbracht, hoe meer Jon hen verachtte.
    Binnen hing Jon zijn zwaard en schede aan een haak in de stenen muur en negeerde de anderen rondom hem. Methodisch begon hij zijn maliën, leer en doorgezwete wol af te stropen. In ijzeren komforen aan weerskanten van het lange vertrek gloeiden brokken houtskool, maar Jon merkte dat hij huiverde. De kou was hier alomtegenwoordig. Over een paar jaar zou hij vergeten zijn hoe het was om het warm te hebben.
    Plotseling, terwijl hij de ruw geweven zwarte spullen aantrok die hun dagelijkse kledij vormden, werd de vermoeidheid hem te machtig. Hij zonk neer op een bank en zijn vingers prutsten aan de koorden van zijn mantel. Zo koud, dacht hij, en herinnerde zich de warme zalen van Winterfel, waar het hete water door de muren stroomde als bloed door een menselijk lichaam. In Slot Zwart was de warmte schaars. Hier waren de muren koud en de mensen nog kouder. Niemand had hem verteld dat de Nachtwacht zo zou zijn, niemand op Tyrion Lannister na. De dwerg had hem onderweg naar het noorden de waarheid verteld, maar toen was het al te laat geweest. Jon vroeg zich af of zijn vader geweten had hoe de Muur zou zijn. Het moest wel, dacht hij, en dat maakte de pijn er alleen maar erger op.
    Zelfs zijn oom had hem in dit kille oord aan het eind van de wereld in de steek gelaten. Hier was de vriendelijke Benjen Stark die hij had gekend een ander mens geworden. Hij was de eerste Wachtruiter, en hij bracht zijn dagen en nachten door met de bevelhebber, heer Mormont, en met Maester Aemon en de overige hoge officieren, terwijl Jon aan de bepaald niet tedere zorgen van ser Alliser Doren werd toevertrouwd. Drie dagen na hun aankomst was het Jon ter ore gekomen dat Benjen Stark een stel mannen zou aanvoeren op een wachtrit naar Het Spookwoud. Die avond had hij in de grote houten gemeenschapszaal zijn oom opgezocht en hem gesmeekt of hij mee mocht. Benjen had kortweg nee gezegd. ‘Dit is Winterfel niet,’ had hij gezegd terwijl hij met dolk en vork zijn vlees sneed. ‘Op de Muur krijgt een man alleen wat hij verdient. Jij bent geen wachtruiter, Jon, alleen maar een groen knaapje dat nog naar de zomer ruikt.’
    Dom genoeg was Jon ertegenin gegaan. ‘Op mijn naamdag word ik vijftien,’ had hij gezegd. ‘Bijna een volwassen man.’
    Benjen Stark had zijn wenkbrauwen gefronst. ‘Een jongen ben je, en een jongen blijf je tot ser Alliser je geschikt acht om een man van de Nachtwacht te worden. Als je gedacht had dat je vanwege je Starkbloed een beentje voor zou hebben, dan zit je ernaast. Als we onze geloften afleggen zetten we onze vroegere familie opzij. Jouw vader zal altijd een plaats in mijn hart blijven innemen, maar dit zijn nu mijn broeders.’ Hij had met zijn dolk naar de mannen om hem heen gewezen, al die harde, koude mannen in het zwart.
    De volgende dag stond Jon bij het ochtendkrieken op om zijn oom te zien vertrekken. Een van zijn wachtruiters, een forse, lelijke man, zong onder het zadelen van zijn garron een schuin liedje, en zijn adem dampte in de koude morgenlucht. Dat ontlokte Ben Stark een glimlach, maar voor zijn neef kon er geen lachje af. ‘Hoe vaak moet ik nog nee tegen je zeggen, Jon? We praten wel als ik terug ben.’
    Terwijl hij toekeek hoe zijn oom zijn paard de tunnel in leidde kwamen de dingen die Tyrion Lannister hem op de Koningsweg had verteld weer bij Jon boven, en voor zijn geestesoog zag hij een dode Ben Stark liggen, zijn bloed rood in de sneeuw. Hij werd misselijk bij de gedachte. Wat voor iemand was hij bezig te worden? Naderhand zocht hij Spook op in de eenzaamheid van zijn cel en begroef zijn gezicht in de dikke witte vacht.
    Als hij dan alleen moest zijn zou hij van de eenzaamheid zijn wapen maken. Slot Zwart had geen godenwoud, alleen een kleine sept en een dronken septon, maar Jon bracht het niet op om tot welke goden dan ook te bidden, oud of nieuw. Als ze echt waren, zei hij bij zichzelf, dan waren ze even wreed en onverbiddelijk als de winter. Hij miste zijn echte broers: de kleine Rickon, wiens heldere oogjes schitterden als hij om iets lekkers bedelde, Robb, zijn rivaal, beste vriend en permanente metgezel, en Bran, koppig en nieuwsgierig, altijd verlangend om mee te gaan en te doen wat Jon en Robb deden. Hij miste ook de meisjes, zelfs Sansa, die hem alleen nog maar ‘mijn halfbroer’ had genoemd sinds ze oud genoeg was om te begrijpen wat bastaard betekende. En Arya… haar miste hij zelfs meer dan Robb, mager en klein als ze was, een en al geschramde knieën en verwarde haren en gescheurde kleren, zo temperamentvol en eigenzinnig. Arya leek er nooit echt bij te passen, evenmin als hij… en toch had ze Jon altijd een glimlach kunnen ontlokken. Hij zou er alles voor geven om nu bij haar te zijn, om nog eens door haar haren te woelen en te zien hoe ze een gezicht trok, om te horen hoe ze een zin voor hem afmaakte.
    ‘Jij hebt mijn pols gebroken, bastaardjong.’
    Jon keek op toen hij de gemelijke stem hoorde. Grenn torende boven hem uit met zijn dikke nek en zijn rode gezicht met drie van zijn vrienden achter zich. Padder kende hij, een kleine, lelijke jongen met een onaangename stem. Alle rekruten noemden hem Pad. De twee anderen waren degenen die Yoren naar het noorden had meegebracht, herinnerde Jon zich, verkrachters die in de Vingers waren betrapt. Hun namen wist hij niet meer. Als het niet nodig was praatte hij bijna nooit met hen. Het waren bruten en bullebakken die geen van tweeën een greintje eergevoel hadden.
    Jon stond op. ‘Als je het vriendelijk vraagt wil ik de andere ook wel voor je breken.’ Grenn was zestien en een kop groter dan Jon. Ze waren alle vier groter dan hij, maar hij was niet bang voor hen. Op de binnenplaats had hij hen stuk voor stuk verslagen.
    ‘Misschien breken we jou wel,’ zei een van de verkrachters.
    ‘Probeer het maar,’ zei Jon en stak een hand naar achteren om zijn zwaard te pakken, maar een van hen greep zijn arm en draaide die achter zijn rug.
    ‘Door jou maken wij een slechte indruk,’ klaagde Pad.
    ‘Dat deden jullie al voordat ik jullie ooit had ontmoet,’ zei Jon tegen hem. De jongen die zijn arm beet had rukte die hard naar boven. Pijn vlijmde door hem heen, maar Jon weigerde te schreeuwen. Pad kwam vlak naast hem staan. ‘Het jonkertje heeft praatjes,’ zei hij. Hij had varkensoogjes, klein en glimmend. ‘Heb je dat van je moeder, bastaard? Wat was ze voor iemand, een hoer? Vertel ons eens hoe ze heette. Misschien heb ik haar wel een paar keer gehad.’
    Hij lachte.
    Jon kronkelde als een aal en stampte met zijn hiel hard op de wreef van de jongen die hem vasthield. Een abrupte kreet van pijn en hij was los. Hij vloog Pad aan, smeet hem ruggelings over een bank, landde boven op zijn borst met beide handen om zijn keel en ramde zijn hoofd tegen de aangestampte aarde.
    De twee uit de Vingers trokken hem eraf en smeten hem ruw op de grond. Grenn begon hem te schoppen. Jon rolde juist onder zijn trappen vandaan toen een bulderende stem door het schemerdonker van de wapenkamer sneed. ‘OPHOUDEN! NU!’
    Jon krabbelde overeind. Donal Nooy stond met een boos gezicht naar hen te kijken. ‘Vechten doe je maar op de binnenplaats,’ zei de wapensmid. ‘Hou je ruzies uit mijn wapenkamer, of het worden mijn ruzies. En dat zullen jullie niet leuk vinden.’
    Pad zat op de vloer en betastte uiterst voorzichtig zijn achterhoofd. Toen hij zijn vingers wegtrok zat er bloed aan. ‘Hij wou me vermoorden.’
    ‘Klopt. Ik zag het zelf,’ deed een van de verkrachters een duit in het zakje.
    ‘Hij heeft mijn pols gebroken,’ zei Grenn weer en stak hem ter inspectie naar Nooy uit. De wapensmid wierp een uiterst summiere blik op de hem aangeboden pols. ‘Een blauwe plek. Misschien ver stuikt. Maester Aemon geeft je wel een zalfje. Ga jij met hem mee, Padder. Er moet naar dat hoofd van jou gekeken worden. De rest gaat terug naar zijn cel. Jij niet, Sneeuw. Jij blijft hier.’
    Terwijl de anderen wegliepen liet Jon zich zwaar op de lange houten bank zakken, zonder notitie te nemen van de blikken die hem toegeworpen werden, de stilzwijgende beloften van een toekomstige vergelding. Zijn arm bonsde.
    ‘Bij de Wacht hebben we elke man nodig die we krijgen kunnen,’ zei Donal Nooy toen ze alleen waren. ‘Zelfs mannen als Pad. Als je hem doodslaat leg je daar niet veel eer mee in.’
    Jons boosheid laaide op. ‘Hij zei dat mijn moeder…’
    ‘… een hoer was. Ik heb het gehoord. En wat dan nog?’
    ‘Heer Eddard Stark ging niet met hoeren naar bed,’ zei Jon ijzig.
    ‘Zijn eer…’
    ‘… heeft hem er niet van weerhouden een bastaard te verwekken. Of wel soms?’
    Jon werd koud van woede. ‘Kan ik weg?’
    ‘Je gaat pas weg als ik het zeg.’
    Jon staarde nors naar de rook die van het komfoor opsteeg, tot Nooy hem bij zijn kin greep en met vlezige vingers zijn hoofd omdraaide. ‘Kijk me aan als ik tegen je praat, jongen.’
    Jon keek. De wapensmid had een torso als een bierton, met de bijbehorende eetlust. Zijn neus was plat en breed en hij zag er altijd uit alsof hij zich nodig moest scheren. De linkermouw van zijn zwarte wollen tuniek was aan de schouder bevestigd met een zilveren speld in de vorm van een zwaard. ‘Woorden maken van je moeder nog geen hoer. Ze was wat ze was, en niets wat Pad zegt kan daar iets aan veranderen. Weet je, we hebben mannen op de Muur van wie de moeders inderdaad hoeren waren.’
    De mijne niet, dacht Jon hardnekkig. Hij wist niets van zijn moeder af. Eddard Stark praatte nooit over haar. Toch droomde hij regelmatig van haar, zo vaak dat hij bijna haar gezicht kon zien. In zijn dromen was ze mooi, en van hoge geboorte, met vriendelijke ogen.
    ‘Denk je dat jij het moeilijk hebt, als bastaard van een hoge edelman?’ ging de wapensmid verder. ‘Die Jeren is het buitenbeentje van een septon, en Cottaar Piek is de buitenechtelijke zoon van een kroegmeid. Nu voert hij het bevel over Oostwacht aan Zee.’
    ‘Daar maal ik niet om,’ zei Jon. ‘Niet om hen, en niet om u, en niet om Doren, of Benjen Stark, of wat dan ook. Ik vind het hier vreselijk. Het is te… het is koud.’
    ‘Ja. Koud, hard en schraal, zo is de Muur, en zo zijn de mannen die er wachtlopen. Heel anders dan de verhalen die je van je min hebt gehoord. Nou, heb dan maar schijt aan die verhalen en schijt aan je min. Het is zoals het is, en je bent hier voor het leven, net als wij allemaal.’
    ‘Voor het leven,’ herhaalde Jon verbitterd. De wapensmid had makkelijk praten. Hij had een leven gehad. Hij had het zwart pas aangenomen nadat hij bij de belegering van Stormeinde een arm had verloren. Daarvoor was hij de smid van Stannis Baratheon geweest, de broer van de koning. Hij had de Zeven Koninkrijken gezien van het ene eind tot het andere, hij had feestgevierd en vrouwen gehad en in honderd veldslagen gevochten. Ze zeiden dat Donal Nooy de man was die de strijdhamer van koning Robert had gesmeed, het wapen dat bij de Drietand het leven uit Rhaegar Targaryen had geslagen. Hij had alles gedaan wat Jon nooit zou doen, en toen hij oud was, ver boven de dertig, had een bijl hem geschampt, de wond was gaan zweren en ten slotte had zijn hele arm eraf gemoeten. Pas toen, verminkt en wel, was Donal Nooy naar de Muur gekomen, op het moment dat zijn leven bijna voorbij was.
    ‘Ja, voor het leven,’ zei Nooy. ‘Een lang of een kort leven, de keus is aan jou, Sneeuw. Zoals jij je opstelt snijdt een van je broeders je ’s nachts nog eens de keel door.’
    ‘Ze zijn mijn broeders niet,’ snauwde Jon. ‘Ze haten me, omdat ik beter ben dan zij.’
    ‘Nee. Ze haten je omdat je doet alsof je beter bent dan zij. Ze kijken naar je en zien een bastaard die is grootgebracht in een kasteel en denkt dat hij een jonkertje is.’ De wapensmid boog zich dicht naar hem toe. ‘Jij bent geen jonkertje. Bedenk dat wel. Je bent een Sneeuw, geen Stark. Je bent een bastaard en een bullebak.’
    ‘Een bullebak?’ Jon stikte bijna in het woord. De beschuldiging was zo onrechtvaardig dat hij naar adem hapte. ‘Zij hadden het op mij gemunt. Met z’n vieren.’
    ‘En jij hebt ze op de binnenplaats alle vier vernederd. Alle vier zijn ze waarschijnlijk bang voor je. Ik heb je zien vechten. Met jou is dat geen oefenen meer. Als je met scherp vocht waren ze er allemaal geweest, dat weet jij, dat weet ik en dat weten zij. Je gunt ze niets. Je maakt ze te schande. Ben je daar trots op?’
    Jon aarzelde. Hij was er inderdaad trots op als hij won. Waarom niet? Maar ook dat werd hem door de wapensmid ontnomen. Zoals die het voorstelde was het verkeerd wat hij deed. ‘Ze zijn allemaal ouder dan ik,’ verdedigde hij zich.
    ‘Ouder, groter en sterker, dat is zo. Maar ik wed dat je wapenmeester je in Winterfel heeft leren vechten met mannen die groter waren dan jij. Wie was het, een of andere oude ridder?’
    ‘Ser Rodrik Cassel,’ zei Jon op zijn hoede. Hij had het gevoel dat hij in een val trapte. Hij voelde het net rond zich sluiten. Donal Nooy boog zich naar Jons gezicht toe. ‘Sta dan hier eens bij stil, jongen. Niemand van de anderen heeft vóór ser Alliser ooit een wapenmeester gehad. Hun vaders waren boeren en voerlui, stropers en smeden, mijnwerkers, roeiers op een handelsgalei. Wat zij van vechten af weten hebben ze op het tussendek geleerd, in de stegen van Oudstee en Lannispoort, in bordelen en taveernes langs de Koningsweg. Ze hebben misschien wat stokken tegen elkaar geslagen voor ze hier kwamen, maar ik verzeker je dat niet een op de twintig ooit rijk genoeg is geweest om een echt zwaard te bezitten.’
    Hij keek grimmig. ‘Dus hoe smaken je overwinningen nu, heer Sneeuw?’
    ‘Noem me niet zo!’ zei Jon op scherpe toon, maar de angel was uit zijn woede getrokken. Plotseling schaamde hij zich en voelde zich schuldig. ‘Ik wilde niet… Ik had nooit gedacht…’
    ‘Begin dan maar liever wél te denken,’ waarschuwde Nooy hem.
    ‘Of neem anders een dolk mee naar bed. En nu kun je gaan.’
    Toen Jon de wapenkamer verliet was het bijna midden op de dag. De zon was door de wolken heen gebroken. Hij keerde hem de rug toe en sloeg zijn ogen op naar de Muur, die kristalblauw schitterde in het zonlicht. Zelfs na al die weken huiverde hij nog als hij ernaar keek. Door het stof der eeuwen dat de wind had aangevoerd was de Muur verweerd en ruw geworden, zodat hij vaak flets grijs leek, de kleur van een bewolkte hemel… maar als de zon hem bij mooi weer in zijn stralen ving glansde hij en was hij bijna lichtgevend, een kolossale, blauwwitte klip die de halve hemel vulde. Het grootste bouwwerk ooit door mensenhand gebouwd, had Benjen Stark op de Koningsweg tegen Jon gezegd toen ze de Muur voor het eerst in de verte hadden gezien. ‘En ongetwijfeld het meest nutteloze,’ had Tyrion Lannister er met een grijns aan toegevoegd. Maar toen ze dichterbij kwamen werd zelfs de Kobold zwijgzaam. De Muur was al van mijlenver te zien, een bleekblauwe streep aan de noordelijke horizon die zich oostwaarts en westwaarts uitstrekte en in de verte vervaagde, immens en ononderbroken. Hier houdt de wereld op, leek hij te zeggen.
    Toen ze ten slotte Slot Zwart in het oog kregen leken de houten bolwerken en stenen torens nog het meest op een handjevol speelgoedblokken die onder aan die uitgestrekte ijsmuur in de sneeuw waren gestrooid. De aloude sterkte van de zwarte broeders was geen Winterfel, geen echt kasteel. Omdat ze geen muren had was ze niet te verdedigen, noch naar het zuiden, noch naar het oosten of westen toe. Maar de Nachtwacht bekommerde zich slechts om het noorden, en in het noorden rees de Muur op. Bijna zevenhonderd voet hoog was hij, driemaal zo hoog als de hoogste toren van de sterkte die hij beschutting bood. Zijn oom zei dat hij van boven zo breed was dat een dozijn gewapende ridders er naast elkaar overheen kon rijden. De grimmige contouren van enorme blijden en monsterlijke houten hijskranen die boven de wacht hielden, leken net geraamten van grote vogels, en daartussen liepen mannen in het zwart, zo klein als mieren.
    Terwijl hij buiten de wapenkamer omhoog stond te staren werd Jon bijna evenzeer overweldigd als die dag op de Koningsweg toen hij de Muur voor het eerst had gezien. Die uitwerking had de Muur. Soms kon hij het bestaan ervan bijna vergeten, zoals je de hemel of de aarde onder je voeten kunt vergeten, maar andere keren leek het alsof er niets anders op de wereld was. De Muur was ouder dan de Zeven Koninkrijken, en als hij beneden stond en omhoogkeek werd Jon er duizelig van. Hij voelde de druk van dat enorme gewicht aan ijs, alsof de Muur op het punt stond, om te vallen, en op een of andere manier wist Jon dat de wereld meegesleept zou worden in die val.
    ‘Je vraagt je af wat erachter ligt,’ zei een welbekende stem. Jon keek om. ‘Lannister. Ik had niet gezien — ik bedoel, ik dacht dat ik alleen was.’
    Tyrion Lannister zat zo dik in het bont dat hij op een piepklein beertje leek. ‘Het heeft zo zijn voordelen om mensen te overvallen. Je weet nooit wat je zo te weten komt.’
    ‘Van mij zult u niets te weten komen,’ zei Jon tegen hem. Sinds hun reis ten einde was had hij de dwerg amper nog gezien. Als broer van de koningin was Tyrion Lannister de eregast van de Nachtwacht. De bevelhebber had hem kamers toegewezen in de koningstoren zo genoemd ondanks het feit dat er in geen honderd jaar een koning op bezoek was geweest — en hij at aan Mormonts eigen tafel en bracht zijn dagen door met rijden over de Muur en zijn avonden met dobbelen en drinken met ser Alliser en heer Rykken en de overige hoge officieren.
    ‘O, ik kom overal wel iets te weten.’ Het mannetje wees met een knoestige zwarte wandelstok omhoog naar de Muur. ‘Zoals ik zei… hoe komt het dat als één man een muur bouwt, de volgende onmiddellijk moet weten wat er aan de andere kant is?’ Hij hield zijn hoofd scheef en keek Jon met dat vreemde, ongelijke stel ogen aan.
    ‘Je wilt toch zeker wel weten wat er aan de andere kant is?’
    ‘Niks bijzonders,’ zei Jon. Hij wilde met Benjen Stark mee als die op zijn wachtritten in het geheimzinnige Spookwoud doordrong, hij wilde tegen de wildlingen van Mans Roover vechten en het rijk tegen de Anderen verdedigen, maar je kon je verlangens beter voor je houden. ‘De wachtruiters zeggen dat er alleen maar bergen en bevroren meren zijn, met een heleboel sneeuw en ijs.’
    ‘En gnurkers en snaaien,’ zei Tyrion. ‘Laten we die niet vergeten, heer Sneeuw, of waar is dat grote ding anders goed voor?’
    ‘Noem me geen heer Sneeuw.’
    De dwerg trok een wenkbrauw op. ‘Wou je liever Kobold heten?
    Laat merken dat ze je met hun woorden kunnen kwetsen, en je komt nooit meer van het gespot af. Als ze je een naam willen geven, neem die dan aan en maak hem tot de jouwe. Dan kunnen ze je er niet meer mee kwetsen.’ Hij gebaarde met zijn stok. ‘Kom, ga je mee? In de gemeenschapszaal zullen ze inmiddels wel weer zo’n smerige stoof pot opdienen, en ik kan wel een warme hap gebruiken.’
    Jon had ook honger, dus liep hij met Lannister mee en paste zijn tempo aan de moeizame waggelpas van de dwerg aan. De wind stak op. Rondom zich hoorden ze het gekraak van de oude houten gebouwen en verderop het herhaalde geklepper van een zwaar luik dat vergeten was. Éénmaal klonk er een gedempte plof toen een deken van sneeuw van een dak gleed en vlak bij hen neerkwam.
    ‘Ik zie je wolf niet,’ zei Lannister al wandelend.
    ‘Ik leg hem tijdens de oefening vast in de oude stallen. Tegenwoordig brengen ze alle paarden in de oostelijke stal onder, dus valt niemand hem lastig. De rest van de tijd blijft hij bij mij. Mijn slaapcel is in Hardins Toren.’
    ‘Is dat niet die met de kapotte kantelen? Brokken steen op het binnenhof beneden en scheef als onze edele koning Robert na een nacht lang drinken? Ik dacht dat al die gebouwen allang verlaten waren.’
    Jon schokschouderde. ‘Het kan geen mens wat schelen waar je slaapt. De meeste oude torens zijn leeg, je kunt elke cel nemen die je wilt.’ Eens had Slot Zwart vijfduizend krijgslieden geherbergd, met al hun paarden, bedienden en wapens. Tegenwoordig bood het slechts onderdak aan een tiende daarvan, en grote stukken vervielen tot ruïnes. Het gelach van Tyrion Lannister dampte in de koude lucht. ‘Laat ik niet vergeten tegen je vader te zeggen dat hij meer metselaars arresteert, voordat jouw toren instort.’
    Jon proefde de spot in die woorden, maar ze waren onmiskenbaar waar. De Wacht had langs de Muur negentien grote sterkten gebouwd, maar er waren er nog maar drie bezet: Oostwacht aan zijn grauwe, winderige kust, de Schaduwtoren aan de voet van de bergen waar de Muur eindigde, en daar tussenin Slot Zwart aan het eindpunt van de Koningsweg. De andere forten, allang verlaten, waren eenzame oorden waar het spookte en waar een kille wind door zwarte vensters blies en de geesten der doden de borstwering bemanden.
    ‘Ik kan beter alleen blijven,’ zei Jon koppig. ‘De anderen zijn bang voor Spook.’
    ‘Verstandige knapen,’ zei Lannister. Toen veranderde hij van onderwerp. ‘Ze zeggen dat je oom te lang wegblijft.’
    Jon herinnerde zich wat hij in zijn boosheid had gewenst, het visioen van Ben Stark die dood in de sneeuw lag, en snel keek hij de andere kant op. De dwerg was geneigd dingen aan te voelen, en Jon wilde niet laten merken dat hij schuldig keek. ‘Hij zei dat hij op mijn naamdag terug zou zijn,’ gaf hij toe. Zijn naamdag was onopgemerkt gekomen en gegaan, nu twee weken geleden. ‘Ze waren op zoek naar ser Waymar Roys, zijn vader is baanderman van heer Arryn. Oom Benjen zei dat ze misschien helemaal tot de Schaduwtoren zouden zoeken. Dat is boven in de bergen.’
    ‘Ik heb gehoord dat er de laatste tijd nogal wat wachtruiters verdwenen zijn,’ zei Lannister terwijl ze de treden naar de gemeenschapszaal beklommen. Hij grijnsde en trok de deur open. ‘Misschien hebben de gnurkers dit jaar honger.’
    De zaal binnen was reusachtig en tochtig, zelfs al brulde er een vuur in de grote haard. Kraaien nestelden tussen de balken van de hoge zoldering. Jon beluisterde hun kreten terwijl hij van de dagkoks een portie stoofpot en een homp zwart brood in ontvangst nam. Grenn, Pad en een paar van de anderen zaten op de bank het dichtst bij de warmte te lachen en elkaar uit te schelden met hun ruwe stemmen. Jon bleef even peinzend naar ze staan kijken. Toen koos hij een plekje aan het andere eind van de zaal uit, op veilige afstand van de overige eters.
    Tyrion Lannister ging tegenover hem zitten en rook achterdochtig aan de stoofschotel. ‘Gerst, uien en wortels,’ pruttelde hij. ‘Iemand zou eens tegen de koks moeten zeggen dat rapen geen vlees zijn.’
    ‘Er zit schapenvlees in.’ Jon trok zijn handschoenen uit en warmde zijn handen aan de damp die uit zijn kom opsteeg. De geur maakte dat het water hem in de mond liep.
    ‘Sneeuw.’
    Jon herkende de stem van Alliser Doren, maar die had een eigenaardige klank die hij nog niet eerder had gehoord. Hij draaide zich om.
    ‘De bevelhebber wil je spreken. Nu.’
    Even was Jon te zeer geschrokken om zich te verroeren. Waarom wilde de bevelhebber hem spreken? Ze hebben nieuws over Benjen, dacht hij verward, hij is dood, mijn visioen is uitgekomen. ‘Is het mijn oom?’ flapte hij eruit. ‘Is hij veilig teruggekomen?’
    ‘De bevelhebber is niet gewend om te wachten,’ luidde het antwoord van ser Alliser. ‘En ik ben niet gewend dat bastaarden vragen stellen als ik hun iets beveel.’
    Tyrion Lannister sprong van de bank en richtte zich op. ‘Hou op, Doren. Je maakt de jongen bang.’
    ‘Bemoei je niet met zaken die je niet aangaan, Lannister. Jij hoort hier niet.’
    ‘Maar ik hoor wel aan het hof,’ zei de dwerg met een lachje. ‘Een woord in het juiste oor, en je sterft als een verzuurde ouwe kerel vóór je ooit nog één jongen te trainen krijgt. Vertel Sneeuw nu maar waarom de ouwe beer hem wil spreken. Is er nieuws van zijn oom?’
    ‘Nee,’ zei ser Alliser. ‘Het gaat om iets heel anders. Er is vanmorgen een vogel uit Winterfel gearriveerd met nieuws over zijn broer.’ Hij verbeterde zichzelf. ‘Zijn halfbroer.’
    ‘Bran,’ prevelde Jon terwijl hij haastig opstond. ‘Er is iets met Bran gebeurd.’
    Tyrion Lannister legde een hand op zijn arm. ‘Jon,’ zei hij. ‘Dit vind ik echt heel naar.’
    Jon hoorde hem nauwelijks. Hij schoof Tyrions hand opzij en beende de zaal door. Tegen de tijd dat hij bij de deuren was liep hij hard. Hij rende naar de toren van de bevelhebber en stoof daarbij dwars door bergen oude sneeuw heen. Zodra de wachters voorbij waren nam hij de torentrap met twee treden tegelijk. Toen hij bij de bevelhebber naar binnen stormde waren Jons laarzen doorweekt en liep hij te hijgen, met verwilderde blikken. ‘Bran,’ zei hij. ‘Wat schrijven ze over Bran?’
    Jeor Mormont, de bevelhebber van de Nachtwacht, was een barse oude man met een reusachtig kaal hoofd en een ruige grijze baard. Er zat een raaf op zijn arm die hij maïskorrels voerde. ‘Ik heb gehoord dat je kunt lezen.’ Hij schudde de raaf af. Die klapwiekte met zijn vleugels en vloog naar het raam, waar hij bleef zitten kijken hoe Mormont een opgerold papier uit zijn mouw trok en het aan Jon overhandigde. ‘Maïs,’ mompelde hij met een rauwe stem, ‘maïs, maïs.’
    Jons vingers tekenden de omtrek van de schrikwolf in de witte was van het verbroken zegel na. Hij herkende Robbs handschrift, maar toen hij ze wilde lezen leken de letters te vervagen en door te lopen. Hij realiseerde zich dat hij huilde. En toen ontdekte hij door zijn tranen heen de betekenis van de woorden en hief hij zijn hoofd op. ‘Hij is wakker,’ zei hij. ‘De goden hebben hem teruggegeven.’
    ‘Verminkt,’ zei Mormont. ‘Het spijt me, jongen. Lees de rest van de brief.’
    Hij keek naar de woorden, maar die deden er niet toe. Niets deed ertoe. Bran zou blijven leven. ‘Mijn broer blijft leven,’ vertelde hij aan Mormont. De bevelhebber schudde zijn hoofd, nam een handvol maïs en floot. De raaf vloog naar zijn schouder en riep: ‘Leven! Leven!’
    Jon rende de trap af, een lach op zijn gezicht en Robbs brief in zijn hand. ‘Mijn broer blijft leven,’ vertelde hij de wachters. Ze wisselden een blik. Hij rende terug naar de gemeenschapszaal, waar Tyrion Lannister net zijn maaltijd beëindigde. Hij greep het mannetje onder de armen, tilde hem de lucht in en draaide hem in een cirkel rond. ‘Bran blijft leven!’ riep hij uitbundig. Lannister keek stomverbaasd. Jon zette hem neer en duwde hem het papier in de hand.
    ‘Hier, lees maar,’ zei hij.
    Anderen verzamelden zich om hen heen en keken hem nieuwsgierig aan. Jon zag Grenn een paar passen verderop staan. Om zijn ene hand zat een dik, wollen verband. Hij keek zorgelijk en ongemakkelijk en absoluut niet dreigend. Jon liep op hem af. Grenn deinsde achteruit en bracht zijn handen omhoog. ‘Blijf uit mijn buurt, bastaard!’
    Jon glimlachte tegen hem. ‘Het spijt me van je pols. Robb heeft mij eens net zo’n klap gegeven, maar dan met een houten zwaard. Bij de zevenvoudige hel, wat deed dat pijn, maar de jouwe moet nog erger zijn. Hoor eens, als je wilt kan ik je laten zien hoe je zoiets moet afweren.’
    Alliser Doren had het opgevangen. ‘Zo, dus heer Sneeuw wil mijn plaats innemen,’ snierde hij. ‘Het zou mij minder moeite kosten om een wolf te leren goochelen dan jou om die oeros te trainen.’
    ‘Die weddenschap neem ik aan, ser Alliser,’ zei Jon. ‘Ik zou Spook wat graag zien goochelen.’
    Hij hoorde Grenn geschokt naar adem happen. Er viel een stilte. Toen begon Tyrion Lannister te brullen van de lach. Drie zwarte broeders aan een tafel in de buurt volgden zijn voorbeeld. Het gelach verspreidde zich langs alle banken totdat zelfs de koks meededen. De vogels onder de dakspanten ritselden, en ten slotte begon zelfs Grenn te grinniken.
    Ser Alliser hield zijn blikken al die tijd op Jon gericht. Terwijl het gelach om hen heen golfde verduisterde zijn gezicht, en zijn zwaardhand balde zich tot een vuist. ‘Dat was een heel ernstige vergissing, heer Sneeuw,’ zei hij ten slotte op de bijtende toon van een vijand.

Eddard

    Doodmoe, hongerig en prikkelbaar reed Eddard Stark de torenhoge bronzen deuren van de Rode Burcht door. Hij zat nog op zijn paard te dromen van een lang, warm bad, geroosterd gevogelte en een veren bed, toen de hofmeester van de koning hem kwam vertellen dat grootmaester Pycelle de kleine raad voor een brandende kwestie bijeengeroepen had. De Hand werd verzocht, de raad met zijn aanwezigheid te vereren zodra het hem schikte. ‘Het schikt me morgen,’ snauwde Ned terwijl hij afsteeg. De hofmeester boog heel diep. ‘Ik zal de leden van de raad zeggen dat het u spijt, heer.’
    ‘Nee, verdomme,’ zei Ned. Het ging niet aan dat hij de raad al beledigde vóór hij goed en wel begonnen was. ‘Ik ga er wel heen. Wees zo goed en gun me even de tijd om wat presentabelers aan te trekken.’
    ‘Ja, heer,’ zei de hofmeester. ‘U krijgt de voormalige vertrekken van heer Arryn in de Toren van de Hand, met uw welnemen. Ik laat uw bezittingen erheen brengen.’
    ‘Mijn dank,’ zei Ned terwijl hij zijn rij handschoenen uittrok en achter zijn riem stak. De rest van zijn hofhouding reed achter hem aan de poort door. Ned zag Vayon Poel, zijn eigen hofmeester, en riep: ‘De raad schijnt me dringend nodig te hebben. Zorg dat mijn dochters hun slaapkamers vinden en zeg tegen Jory dat hij ze binnenhoudt. Arya mag niet op onderzoek uit.’ Poel boog. Ned wendde zich weer tot de koninklijke hofmeester. ‘Mijn wagens zwoegen nog door de stad. Ik heb passende kleding nodig.’
    ‘Het zal mij een groot genoegen zijn,’ zei de hofmeester. En zo kwam Ned de raadszaal binnenstappen, zo moe als een hond en in geleende kleren, om daar vier leden van de kleine raad aan te treffen die op hem zaten te wachten.
    De zaal was rijk gemeubileerd. In plaats van met biezen was de vloer met Myrische tapijten bedekt en in één hoek dartelde een groot aantal felgekleurde fabeldieren op een bewerkt kamerscherm van de Zomereilanden. De wanden waren behangen met gobelins uit Norvos, Qohor en Lys, en aan weerszijden van de deur stond een stel Valyrische sfinxen met gloeiende ogen van gepolijst granaat in zwartmarmeren gezichten. De raadgever die Ned het onsympathiekst vond, de eunuch Varys, begroette hem zodra hij binnenkwam. ‘Heer Stark, ik was ten diepste bedroefd toen ik van uw moeilijkheden op de Koningsweg hoorde. We hebben allemaal de sept bezocht om kaarsen voor prins Joffry op te steken. Ik bid voor zijn herstel.’ Zijn hand liet poedersporen achter op Neds mouw en hij wasemde eenzelfde weezoete geur van verrotting uit als bloemen op een graf.
    ‘Uw goden hebben u verhoord,’ antwoordde Ned koeltjes maar beleefd. ‘De prins komt dagelijks meer op krachten.’ Hij maakte zich los uit de greep van de eunuch en liep de kamer door naar heer Renling, die bij het kamerscherm op gedempte toon praatte met een kleine man die alleen maar Pinkje kon zijn. Renling was een jongen van acht geweest toen Robert de troon veroverde, maar nu hij volwassen was leek hij verontrustend veel op Robert. Telkens als Ned hem zag was het of de tussenliggende jaren wegvielen en Robert voor hem stond, pal na zijn overwinning bij de Drietand.
    ‘Ik zie dat u veilig aangekomen bent, heer Stark,’ zei Renling.
    ‘En u eveneens,’ antwoordde Ned. ‘Vergeeft u mij, maar soms bent u het evenbeeld van uw broer Robert.’
    ‘Een armzalige kopie,’ zei Renling schouderophalend.
    ‘Zij het veel beter gekleed,’ zei Pinkje spottend. ‘Heer Renling geeft meer uit aan kleren dan de helft van de hofdames.’
    Dat was maar al te waar. Heer Renling was gehuld in donkergroen fluweel, met een twaalftal gouden hertenbokken op zijn wambuis geborduurd. Een halflange mantel van gouddraad was nonchalant over één schouder gedrapeerd en met een smaragden broche bevestigd. ‘Er zijn ergere misdaden,’ zei Renling lachend. ‘De manier waarop u zich kleedt, bijvoorbeeld.’
    Pinkje negeerde de schimpscheut. Hij bekeek Ned met een lachje om zijn mond dat grensde aan het onbeschofte. ‘Ik had al een paar jaar gehoopt u eens te ontmoeten, heer Stark. Ongetwijfeld heeft vrouwe Catelyn mijn naam wel eens bij u laten vallen.’
    ‘Inderdaad,’ antwoordde Ned kil. De gladde arrogantie van de opmerking stak hem. ‘Ik heb begrepen dat u ook mijn broer Brandon hebt gekend.’
    Renling Baratheon lachte. Varys kwam aanschuifelen om te luisteren.
    ‘Te goed gekend,’ zei Pinkje. ‘Ik draag het teken van zijn hoogachting nog steeds met me mee. Heeft Brandon het ook over mij gehad?’
    ‘Vaak, en op nogal verhitte toon,’ zei Ned in de hoop er daarmee een eind aan te maken. Hij had het geduld niet voor dit spelletje, dit steekspel met woorden.
    ‘Ik dacht dat hitte de Starks slecht bekwam,’ zei Pinkje. ‘Hier in het zuiden zeggen ze dat u allemaal van ijs bent, en dat u smelt zodra u de Nek voorbij bent.’
    ‘Ik ben niet van plan binnen afzienbare tijd te smelten, heer Baelish. Daar kunt u van op aan.’ Ned liep naar de raadstafel en zei:
    ‘Alles goed met u, mag ik hopen, Maester Pycelle?’
    De grootmaester glimlachte vriendelijk vanuit zijn hoge zetel aan het uiteinde van de tafel. ‘Goed genoeg voor een man van mijn jaren, heer,’ antwoordde hij, ‘al vrees ik dat ik snel vermoeid raak.’
    Dunne slierten wit haar omlijstten het brede, kale voorhoofd dat zich boven zijn goedaardige gezicht welfde. Zijn maesterskraag was geen eenvoudig, nauwsluitend metalen boord zoals Luwin dat droeg, maar bestond uit twee dozijn zware ketens die waren samengewonden tot een massieve metalen halsketting die hem van keel tot borst bedekte. De schakels waren van alle bekende metalen vervaardigd: zwart ijzer en rood goud, glanzend koper en dof lood, staal en tin en wit zilver, messing, brons en platina. Het metaal werd door granaten, amethisten en zwarte parels verfraaid, met hier en daar een smaragd of een robijn. ‘Misschien kunnen we nu snel beginnen,’ zei de grootmaester en schoof zijn handen op zijn ampele buik ineen. ‘Ik ben bang dat ik in slaap val als we nog veel langer wachten.’
    ‘Zoals u wilt.’ De zetel van de koning stond leeg aan het hoofd van de tafel, met de gekroonde hertenbok van Baratheon in gouddraden op de kussens geborduurd. Als rechterhand van zijn koning nam Ned de stoel daarnaast. ‘Heren,’ zei hij formeel, ‘het spijt mij dat ik u heb laten wachten.’
    ‘U bent de Hand des Konings,’ zei Varys. ‘Wij dienen u al naar het u behaagt, heer Stark.’
    Toen de anderen hun gebruikelijke plaatsen innamen trof het besef dat hij niet in dit vertrek en bij deze mannen thuishoorde, Eddard Stark als een mokerslag. Hij herinnerde zich wat Robert hem in de crypte onder Winterfel had verteld. Ik word omringd door vleiers en dwazen, had de koning nadrukkelijk gezegd. Ned keek de raadstafel langs en vroeg zich af wie de vleiers en wie de dwazen waren. Hij meende het al te weten. ‘We zijn maar met vijf man,’ merkte hij op.
    ‘Heer Stannis is naar Drakensteen gegaan, niet lang nadat de koning naar het noorden was vertrokken,’ zei Varys, ‘en onze dappere ser Barristan rijdt ongetwijfeld naast de koning op diens intocht in de stad, zoals het de bevelhebber van de koningsgarde betaamt.’
    ‘Misschien kunnen we beter wachten tot ser Barristan en de koning zich bij ons voegen,’ opperde Ned. Renling Baratheon lachte hardop, ‘Als we moeten wachten tot mijn broer ons met zijn koninklijke aanwezigheid vereert kan het een lange zit worden.’
    ‘Onze goede koning Robert heeft vele zorgen,’ zei Varys. ‘Hij vertrouwt enkele kleinigheden aan ons toe om zijn lasten te verlichten.’
    ‘Wat heer Varys bedoelt is dat alles wat met geld, graanopbrengsten en gerechtigheid te maken heeft mijn broeder tot tranen toe verveelt,’ zei heer Renling, ‘zodat het onze taak is om het rijk te regeren. Zo nu en dan doet hij ons een bevel toekomen.’ Hij trok een stevig opgerold papier uit zijn mouw en legde het op tafel. ‘Vanmorgen gelastte hij mij, in allerijl vooruit te rijden en grootmaester Pycelle te vragen, onmiddellijk deze raadsvergadering bijeen te roepen. Hij heeft een dringende opdracht voor ons.’
    Pinkje glimlachte en reikte Ned het papier aan. Het koninklijk zegel stond erop. Ned brak de was met zijn duim en rolde het papier uit om het dringende bevel des konings in ogenschouw te nemen. Met stijgend ongeloof las hij de inhoud. Kwam er dan geen eind aan Roberts dwaasheden? En dat hij dit namens hem deed, was zout in de wonde. ‘Goeie goden,’ vloekte hij.
    ‘Wat heer Eddard bedoelt te zeggen,’ verkondigde heer Renling, is dat Zijne Genade ons opdraagt een groot toernooi te organiseren ter ere van zijn benoeming als Hand des Konings.’
    ‘Hoeveel?’ vroeg Pinkje op milde toon.
    Ned las het antwoord op uit de brief. ‘Veertigduizend gouden draken voor de winnaar. Twintigduizend voor nummer twee. Nog eens twintig voor de winnaar van de mêlee, en tienduizend voor de winnaar van de schutterswedstrijd.’
    ‘Negentigduizend goudstukken,’ zuchtte Pinkje. ‘En niet te vergeten de overige kosten. Robert zal wel een uitbundig feest willen. Dat betekent koks, timmerlieden, dienstmeisjes, zangers, goochelaars, narren…’
    ‘Narren hebben we genoeg,’ zei heer Renling.
    Grootmaester Pycelle keek naar Pinkje en vroeg: ‘Kan de schatkist die uitgaven dekken?’
    ‘Welke schatkist?’ antwoordde Pinkje en trok een gezicht. ‘Bespaart u mij die onzin, maester. U weet net zo goed als ik dat de schatkist al jaren leeg is. Ik zal het geld moeten lenen. De Lannisters zullen ons ongetwijfeld ter wille zijn. We zijn heer Tywin op het moment toch al drie miljoen draken schuldig, dus wat doen die extra honderdduizend ertoe?’
    Ned was verbijsterd. ‘Wilt u zeggen dat de Kroon drie miljoen goudstukken te kort komt?’
    ‘De kroon komt meer dan zes miljoen goudstukken te kort, heer Stark. Het meeste daarvan is aan de Lannisters verschuldigd, maar we hebben ook geleend bij heer Tyrel, bij de Ijzeren Bank van Braavos en bij diverse handelskartels uit Tyrosh. Laatstelijk heb ik mijn heil nog bij het Geloof moeten zoeken. De Hoge septon pingelt nog erger dan een visboer uit Dorne.’
    Vol afkeer zei Ned: ‘Aerys Targaryen liet een schatkist na die overliep van het goud. Hoe hebt u het zover kunnen laten komen?’
    Pinkje haalde zijn schouders op. ‘De muntmeester schraapt het geld bij elkaar. De koning en de Hand geven het uit.’
    ‘Ik weiger te geloven dat Jon Arryn Robert het rijk tot de bedelstaf heeft laten brengen,’ zei Ned heftig. Grootmaester Pycelle schudde zijn grote, kale hoofd, en zijn kettingen rinkelden zachtjes. ‘Heer Arryn was een verstandig man, maar Zijne Genade luistert niet altijd naar wijze raad, vrees ik.’
    ‘Mijn koninklijke broeder houdt van toernooien en feesten,’ zei Renling Baratheon, ‘en heeft een hekel aan wat hij als kopergeld tellen betitelt.’
    ‘Ik zal met Zijne Genade spreken,’ zei Ned. ‘Zoiets extravagants als dit toernooi kan het rijk zich niet veroorloven.’
    ‘Gaat u vooral met hem praten,’ zei heer Renling, ‘maar laten we toch maar onze voorbereidingen treffen.’
    ‘Een andere keer,’ zei Ned. Iets te scherp misschien, te oordelen naar de manier waarop ze hem aankeken. Hij moest eraan leren denken dat hij niet meer in Winterfel was, waar alleen de koning boven hem stond. Hier was hij slechts de eerste onder zijns gelijken. ‘Vergeef me, mijne heren,’ zei hij op een gematigder toon. ‘Ik ben vermoeid. Laten we hier voor vandaag een eind aan maken en de kwestie hervatten als we wat helderder zijn.’ Hij vroeg niet om hun instemming maar stond abrupt op, knikte iedereen toe en stevende op de deur af.
    Buiten stroomden de wagens en ruiters nog steeds de kasteelpoort door, en de binnenplaats was een chaos van modder, paardenlijven en schreeuwende mannen. De koning was nog niet gearriveerd, werd hem verteld. Na de narigheid bij de Drietand waren de Starks en hun hofhouding een heel eind voor de hoofdstoet uit gereisd om een grotere afstand tot de Lannisters en de stijgende spanning te scheppen. Robert had zich nauwelijks meer vertoond. Het heette dat hij in de grote huiswagen reisde en vaker dronken dan nuchter was. Als dat klopte was hij misschien uren achterop. Maar hij zou toch nog eerder hier zijn dan Ned lief was. Hij hoefde alleen maar naar Sansa’s gezicht te kijken om zijn woede weer te voelen oplaaien. De laatste twee weken van hun reis waren een en al ellende geweest. Sansa gaf Arya de schuld en zei dat Nymeria gedood had moeten worden. En Arya was nergens meer sinds ze wist wat er met haar slagersjongen was gebeurd. Sansa huilde zich in slaap, Arya zat de hele dag broeierig te zwijgen, en Eddard Stark droomde van een ijskoude hel, speciaal bestemd voor de Starks van Winterfel.
    Hij stak het buitenhof over, liep via een poortgewelf naar het binnenhof en was net op weg naar wat hij voor de Toren van de Hand hield, toen Pinkje voor hem opdook. ‘Je gaat de verkeerde kant op, Stark. Kom mee.’
    Aarzelend volgde Ned hem. Pinkje leidde hem een toren binnen, een trap af, een kleine, verzonken binnenplaats over en een verlaten gang door waarin langs de wanden lege wapenrustingen op wacht stonden. Dat waren restanten van het Targaryen-tijdperk, zwart staal met drakenschubben op de helmen, bestoft en vergeten. ‘Dit is niet de weg naar mijn vertrekken,’ zei Ned.
    ‘Zei ik dat dan? Ik breng u naar de kerkers om u de keel af te snijden en uw lijk achter de muur in te metselen,’ antwoordde Pinkje met een stem waar het sarcasme van afdroop. ‘We hebben hier geen tijd voor, Stark. Uw vrouw wacht op u.’
    ‘Wat voor spelletje is dit, Pinkje? Catelyn is in Winterfel, vele honderden mijlen hiervandaan.’
    ‘O ja?’ Pinkjes grijsgroene ogen glinsterden geamuseerd. ‘Dan kan iemand haar verbazingwekkend goed imiteren. Voor de laatste keer, kom mee. Of niet, dan hou ik haar voor mezelf.’ Hij haastte zich de trap af.
    Ned volgde hem behoedzaam. Hij vroeg zich af of er ooit een eind aan deze dag zou komen. Dit geïntrigeer was niet naar zijn smaak, maar hij begon te beseffen dat het voor iemand als Pinkje eten en drinken was.
    Aan de voet van de trap was een zware eikenhouten deur met ijzerbeslag. Petyr Baelish tilde de balk op en gebaarde dat Ned erdoorheen moest lopen. In de rossige gloed van de schemering betraden ze een vooruitstekende rots hoog boven de rivier. ‘We zijn buiten het kasteel,’ zei Ned.
    ‘U laat zich ook niets wijsmaken, Stark,’ zei Pinkje gnuivend. ‘Zag u dat aan de zon, of aan de lucht? Kom maar achter mij aan. In de rotswand zijn uitsparingen aangebracht. Doe uw best om niet dood te vallen, daar zou Catelyn geen begrip voor opbrengen.’ Met die woorden was hij de rand van de klip over, en snel als een aap daalde hij af. Even bestudeerde Ned de stenige wand van de klip, toen ging hij in een langzamer tempo achter hem aan. De door Pinkje beloofde uitsparingen waren er inderdaad, oppervlakkige inkepingen die van beneden af alleen te zien waren als je wist waar je ze moest zoeken. De rivier lag duizelingwekkend ver beneden hem. Ned hield zijn gezicht tegen de rots gedrukt en probeerde niet vaker naar beneden te kijken dan strikt noodzakelijk was.
    Toen hij eindelijk vaste grond bereikte, een smal modderspoor langs de waterkant, hing Pinkje lui tegen een rots en at een appel. Hij was al bijna bij het klokhuis. ‘U wordt oud en traag, Stark,’ zei hij, en smeet de appel nonchalant in het snelstromende water. ‘Maar dat geeft niet, want de rest van de weg rijden we.’ Hij had twee paarden klaarstaan. Ned steeg op en reed op een drafje achter hem aan, het pad af en de stad in.
    Ten slotte hield Baelish de teugels in voor een gammel houten gebouw van drie verdiepingen. Uit de ramen straalde helder lamplicht de dichter wordende avondschemering in. Het geluid van muziek en rauw gelach zweefde naar buiten en dreef het water over. Naast de deur bungelde een sierlijke olielamp aan een zware ketting, met een rood gebrandschilderde glazen bol.
    Furieus steeg Ned af. ‘Een bordeel,’ zei hij terwijl hij Pinkje bij een schouder greep en hem ruw naar zich toekeerde. ‘U hebt me dat hele eind meegesleept om me naar een bordeel te brengen.’
    ‘Uw vrouw is hierbinnen,’ zei Pinkje.
    Die belediging deed de deur dicht. ‘Brandon is nog veel te vriendelijk voor je geweest,’ zei Ned, ramde de kleine man achterwaarts tegen de muur en bracht zijn opgeheven dolk tot onder het kleine, puntige kinbaardje.
    ‘Nee, heer,’ riep een stem dringend. ‘Hij spreekt de waarheid.’
    Achter hem klonken voetstappen.
    Ned draaide zich met een ruk om, het mes in de hand. Een oude man met wit haar haastte zich hun kant op. Hij was in bruin baai gehuld en de losse huid onder zijn kin zwabberde heen en weer bij het lopen. ‘Dit is uw zaak niet,’ begon Ned, maar ineens kwam de herkenning. Stomverbaasd liet hij de dolk zakken. ‘Ser Rodrik?’
    Rodrik Cassel knikte. ‘Uw vrouwe wacht boven op u.’
    Ned kon het niet meer volgen. ‘Is Catelyn echt hier? Dus dit is geen rare streek van Pinkje?’ Hij schoof zijn mes in de schede.
    ‘Was het maar waar, Stark,’ zei Pinkje. ‘Volg mij en probeer er iets losbandiger en iets minder als de Hand des Konings uit te zien. We kunnen niet hebben dat ze u herkennen. Misschien kunt u wat borsten aaien, gewoon in het voorbijgaan.’
    Ze liepen naar binnen, door een volle gelagkamer waar een dik vrouwmens schuine liedjes zong terwijl knappe jonge meisjes, gehuld in linnen hemden en vliesdunne gekleurde zij, zich tegen hun minnaars aanvlijden en zich bij hen op schoot nestelden. Niemand schonk Ned ook maar enige aandacht. Ser Rodrik bleef beneden wachten terwijl Pinkje hem naar de tweede verdieping leidde, een gang over en een deur door.
    Binnen zat Catelyn te wachten. Toen ze hem zag slaakte ze een kreet, rende op hem af en omhelsde hem heftig.
    ‘Vrouwe,’ fluisterde Ned verwonderd.
    ‘Mooi zo,’ zei Pinkje en sloot de deur. ‘U herkent haar.’
    ‘Ik was bang dat u nooit meer zou komen, heer,’ fluisterde ze tegen zijn borst. ‘Petyr heeft me verslag uitgebracht. Hij heeft verteld van de problemen met Arya en de jonge prins. Hoe is het met mijn meisjes?’
    ‘Allebei in de rouw en razend,’ informeerde hij haar. ‘Cat, ik begrijp het niet. Wat doe je in Koningslanding? Wat is er gebeurd?’ vroeg Ned aan zijn vrouw. ‘Is het Bran. Is hij…’ Dood was het woord dat hem op de lippen lag, maar hij kon het niet uitbrengen.
    ‘Het is Bran, maar niet wat jij denkt,’ zei Catelyn. Ned begreep er niets van. ‘Hoe dan? Waarom ben je hier, mijn lief? Wat is dit voor huis?’
    ‘Precies wat het lijkt,’ zei Pinkje, die zich in een stoel bij het raam liet zakken, ‘een bordeel. Kunt u een nog onwaarschijnlijker vindplaats voor Catelyn Tulling bedenken?’ Hij glimlachte. ‘Het geval wil, dat ik de eigenaar van deze specifieke lokaliteit ben, dus de zaak was eenvoudig te regelen. Er is me veel aan gelegen te voorkomen dat de Lannisters op de hoogte raken van Cats aanwezigheid in Koningslanding.’
    ‘Waarom?’ vroeg Ned. Toen zag hij haar handen, hoe vreemd ze ze hield, de rauwe, rode littekens, de stijfheid van de laatste twee vingers van haar linkerhand. ‘Je bent gewond.’ Hij nam haar handen in de zijne en draaide ze om. ‘Goden. Dat zijn diepe sneden… opengehaald door een zwaard, of… hoe komt dit, vrouwe?’
    Catelyn viste een dolk van onder haar mantel en legde die in zijn hand. ‘Dit lemmet was gestuurd om Bran de keel door te snijden en zijn levensbloed te vergieten.’
    Met een ruk ging Neds hoofd omhoog. ‘Maar… wie… waarom zou…’
    Ze legde een vinger op zijn lippen. ‘Laat mij alles maar vertellen, mijn lief. Dan gaat het sneller. Luister.’
    Zodoende luisterde hij, en zij vertelde het allemaal, vanaf de brand in de bibliotheektoren tot en met Varys, de wachters en Pinkje. Toen ze klaar was zat Eddard Stark verdwaasd naast de tafel met de dolk in zijn hand. Brans wolf had het leven van de jongen gered, dacht hij dof. Wat had Jon ook weer gezegd toen ze de welpen in de sneeuw hadden gevonden? Uw kinderen zijn voorbestemd om die jongen te hebben, heer. En hij had die van Sansa gedood, en om welke reden?
    Was het schuld wat hij voelde? Of vrees? Als deze wolven door de goden waren gezonden, wat voor dwaasheid had hij dan begaan?
    Met veel pijn en moeite richtte Ned zijn gedachten weer op de dolk en de betekenis daarvan. ‘De dolk van de Kobold,’ herhaalde hij. Het leek onzinnig. Zijn hand sloot zich om het gladde heft van drakenbeen. Hij ramde het lemmet in de tafel en voelde hoe het in het hout drong. ‘Waarom zou Tyrion Lannister op Brans dood uit zijn? De jongen heeft hem nooit een strobreed in de weg gelegd.’
    ‘Hebben de Starks dan niets anders dan sneeuw tussen hun oren?’ vroeg Pinkje. ‘De Kobold heeft het heus niet alleen gedaan.’
    Ned rees overeind en beende naar het andere einde van de kamer.
    ‘Als de koningin hierin een rol heeft gespeeld, of, goden bewaar me, de koning zelf… nee, dat weiger ik te geloven.’ Toch, terwijl hij die woorden sprak, moest hij denken aan die koude ochtend tussen de grafheuvels, toen Robert had gesproken over sluipmoordenaars om op de Targaryen-prinses af te sturen. Hij zag het zoontje van Rhaegar weer voor zich, de bloedige resten van diens schedel, en Robert die de andere kant op had gekeken, zoals hij nog niet zo lang geleden de andere kant op had gekeken in Darrings gehoorzaal. Hij kon Sansa’s smeekbede nog steeds horen, net als de smeekbede van Lyanna, al die jaren geleden.
    ‘Hoogstwaarschijnlijk wist de koning het niet? zei Pinkje. ‘Dat zou niet voor het eerst zijn. Onze brave Robert is doorkneed in het sluiten van zijn ogen voor dingen die hij liever niet ziet.’
    Daar had Ned geen antwoord op. Het gezicht van de slagerszoon kwam bij hem bovendrijven, bijna in tweeën gekliefd, en naderhand had de koning geen woord gezegd. Zijn hoofd bonsde.
    Pinkje slenterde naar de tafel en wrikte het mes uit het hout. ‘ledere beschuldiging is hoe dan ook verraad. Beschuldig de koning, en u danst met Ilyn Peyn voor de woorden over uw lippen zijn. De koningin… als u het kunt bewijzen, en als u Robert zover krijgt dat hij luistert, wie zal het dan zeggen…’
    ‘We hebben een bewijs,’ zei Ned. ‘We hebben de dolk.’
    ‘Dit?’ Nonchalant liet Pinkje het mes in de lengte ronddraaien.
    ‘Een fraai stukje staal, maar het snijdt naar twee kanten, heer Stark. De Kobold zal ongetwijfeld zweren dat deze dolk tijdens zijn verblijf op Winterfel is gestolen of zoek geraakt, en wie zal hem voor leugenaar zetten nu zijn gehuurde moordenaar dood is?’ Luchtig wierp hij Ned het mes toe. ‘Mijn raad is, dit in de rivier te smijten en te vergeten dat het ooit gesmeed is.’
    Ned keek hem kil aan. ‘Heer Baelish, ik ben een Stark van Winterfel. Mijn zoon is verlamd en misschien stervende. Zonder dat wolvenjong dat we in de sneeuw hebben gevonden zou hij dood zijn, en Catelyn met hem. Als u echt denkt dat ik dat kan vergeten bent u nog net zo’n dwaas als toen u het zwaard tegen mijn broer opnam.’
    ‘Het kan zijn dat ik een dwaas ben, Stark… maar ik ben er nog, terwijl uw broer nu al zo’n veertien jaar ligt te rotten in zijn ijskoude graf. Als u zo graag naast hem wilt rotten dan zal ik u niet tegenhouden, maar zelf bedank ik feestelijk voor dat genoegen.’
    ‘U bent wel de laatste die ik vrijwillig een genoegen zou doen, heer Baelish.’
    ‘U kwetst mij diep.’ Pinkje legde een hand op zijn hart. ‘Ik voor mij heb de Starks altijd een vervelend stel gevonden, maar om redenen die ik niet kan bevatten is Cat blijkbaar aan u gehecht geraakt. Omwille van haar zal ik proberen u in leven te houden. Toegegeven, een dwaze onderneming, maar ik heb uw vrouw nooit iets kunnen weigeren.’
    ‘Ik heb Petyr verteld van onze vermoedens omtrent Jon Arryns dood,’ zei Catelyn. ‘Hij heeft beloofd dat hij je de waarheid zal helpen achterhalen.’
    Dat was geen nieuws dat Eddard Stark toejuichte, maar het was maar al te waar dat ze hulp nodig hadden, en Cat had Pinkje vroeger bijna als een broer beschouwd. Het zou niet voor het eerst zijn dat Ned gedwongen werd gemene zaak te maken met een man die hij verachtte. ‘Goed dan,’ zei hij en stak de dolk achter zijn riem. ‘U had het over Varys. Heeft de eunuch het hele verhaal gehoord?’
    ‘Niet van mij,’ zei Catelyn. ‘Je bent niet met een halvegare getrouwd, Eddard Stark. Maar Varys heeft zo zijn manier om dingen te ontdekken die geen mens kan weten. Ik zweer je, Ned, die man doet aan zwarte kunst.’
    ‘Het is alom bekend dat hij spionnen heeft,’ zei Ned smalend.
    ‘Dat is het niet alleen,’ hield Catelyn vol. ‘Ser Rodrik heeft in het diepste geheim met ser Aron Santagar gesproken, maar toch wist de Spin op de een of andere manier van hun gesprek af. Ik ben bang voor die man.’
    Pinkje glimlachte. ‘Laat heer Varys maar aan mij over, lieve vrouwe. Als u mij een kleine obsceniteit veroorlooft — en waar beter dan op deze plaats — ik heb de man bij zijn ballen.’ Glimlachend kneep hij zijn vingers dicht. ‘Althans, dat zou ik hebben als hij een man was en ballen had. Weet u, als de pastei wordt aangesneden beginnen de vogeltjes te zingen, en dat zou Varys niets bevallen. Als ik u was zou ik me wat meer zorgen maken over de Lannisters, en minder over de eunuch.’
    Ned had Pinkje niet nodig om dat te beseffen. Hij dacht weer aan de dag dat Arya was gevonden, aan de blik op het gezicht van de koningin toen ze zei: We hebben een wolf, zo zacht en kalm. Hij dacht aan de jongen, Myca, aan de plotselinge dood van Jon Arryn, aan Brans val, aan de oude, krankzinnige Aerys Targaryen, stervend op de vloer van zijn troonzaal terwijl zijn levensbloed opdroogde op een vergulde kling. ‘Vrouwe,’ zei hij en keerde zich naar Catelyn toe, ‘hier kunt u niets meer doen. Ik wil dat u onmiddellijk naar Winterfel teruggaat. Waar één sluipmoordenaar is kunnen er meer zijn. Degene die bevel heeft gegeven Bran te doden zal er snel genoeg achter komen dat de jongen nog leeft.’
    ‘Ik had gehoopt de meisjes te zien…’ zei Catelyn.
    ‘Dat zou heel onverstandig zijn,’ kwam Pinkje ertussen. ‘De Rode Burcht zit vol nieuwsgierige ogen, en kinderen kletsen.’
    ‘Het is waar wat hij zegt, mijn lief,’ zei Ned tegen haar. Hij omhelsde haar. ‘Rijd met ser Rodrik naar Winterfel. Ik waak over de meisjes. Keer terug naar onze zonen om hen goed te beschermen.’
    ‘Zoals u wilt, heer.’ Catelyn hief haar gezicht op en Ned kuste haar. Haar verminkte vingers groeven met wanhopige kracht in zijn rug, alsof ze hem voor altijd veilig wilde bewaren in de beschutting van haar armen.
    ‘Hebben mijn heer en zijn vrouwe soms behoefte aan een slaapkamer?’ vroeg Pinkje. ‘Maar dan moet ik u wel waarschuwen, Stark, dat we zulke dingen hier doorgaans in rekening brengen.’
    ‘Een ogenblik onder vier ogen, dat is alles wat ik vraag,’ zei Catelyn.
    ‘Goed dan.’ Pinkje kuierde naar de deur. ‘Maar maak het niet te lang. Het is hoog tijd dat de Hand en ik naar het slot teruggaan, voordat onze afwezigheid begint op te vallen.’
    Catelyn liep naar hem toe en nam zijn handen in de hare. ‘Ik zal de hulp die je me geboden hebt niet vergeten, Petyr. Toen je mannen me kwamen halen wist ik niet of ik naar een vriend of een vijand werd gebracht. In jou heb ik meer dan een vriend gevonden. Ik heb een broer hervonden die ik verloren waande.’
    Petyr Baelish glimlachte. ‘Ik ben vreselijk sentimenteel, lieve vrouwe. Vertel het aan niemand. Het heeft me jaren gekost het hof ervan te overtuigen dat ik verdorven en wreed ben, en ik zou het afschuwelijk vinden als al die moeite voor niets was geweest.’
    Ned geloofde er geen woord van, maar hij zorgde dat zijn stem beleefd klonk toen hij zei: ‘Ook mijn dank, heer Baelish.’
    ‘Ah, dat is nog eens iets om te koesteren,’ zei Pinkje en verdween van het toneel.
    Nadat de deur achter hem was dichtgegaan wendde Ned zich weer tot zijn vrouw. ‘Zodra je thuis bent, stuur dan onder mijn zegel een boodschap naar Heiman Langhart en Galbart Hanscoe. Laat ze elk honderd boogschutters op de been brengen en de Motte van Cailin fortificeren. Tweehonderd vastberaden schutters kunnen de Nek tegen een heel leger verdedigen. Draag heer Manderling op, al zijn vestingwerken in Withaven te versterken en te herstellen, en ervoor te zorgen dat ze goed bemand zijn. En vanaf deze dag wil ik dat Theon Grauwvreugd goed in het oog gehouden wordt. Als er oorlog komt zullen we zijn vaders vloot hard nodig hebben.’
    ‘Oorlog?’ De angst stond duidelijk op Catelyns gezicht te lezen.
    ‘Zover komt het niet,’ beloofde Ned haar, en hij bad dat het waar was. Hij nam haar weer in zijn armen. ‘De Lannisters zijn meedogenloos tegenover alles wat zwak is, zoals Aerys Targaryen tot zijn smart heeft ervaren. Maar ze zullen zich niet tegen het Noorden durven keren zonder de hele legermacht van het rijk achter zich, en die krijgen ze niet. Ik moet dit narrenspel ten einde spelen alsof er niets mis is. Bedenk waarom ik hierheen gegaan ben, mijn lief. Als ik kan bewijzen dat de Lannisters Jon Arryn hebben vermoord…’
    Hij merkte dat Catelyn stond te trillen in zijn armen. De handen met de littekens klampten zich aan hem vast. ‘En zo ja,’ zei ze, ‘wat dan, mijn lief?’
    Dat was het gevaarlijkste onderdeel, wist Ned. ‘Alle gerechtigheid gaat van de koning uit,’ zei hij tegen haar. ‘Als ik de waarheid ken moet ik naar Robert toe.’ En dan hoop ik dat hij de man is voor wie ik hem houd, besloot hij stilzwijgend, en niet de man die ik vrees dat hij geworden is.

Tyrion

    Weet u zeker dat u al zo snel weer weg moet?’ vroeg de bevelhebber hem.
    ‘Meer dan zeker, heer Mormont,’ antwoordde Tyrion.
    ‘Mijn broer Jaime zal zich afvragen wat er van me geworden is. Wie weet komt hij wel tot de conclusie dat u mij hebt overgehaald het zwart aan te nemen.’
    ‘Ik wou dat ik dat kon.’ Mormont pakte een krabbenschaar en kraakte die in zijn vuist. Ondanks zijn hoge leeftijd was de bevelhebber nog altijd zo sterk als een beer. ‘U bent een geslepen man, Tyrion. Zulke mensen kunnen we op de Muur goed gebruiken.’
    Tyrion grijnsde. ‘Dan zal ik de Zeven Koninkrijken uitkammen op dwergen en ze allemaal naar u verschepen, heer Mormont.’ Terwijl ze daarover lachten zoog hij het vlees uit een krabbenpoot en nam er nog een. De krabben waren die ochtend nog uit Oostwacht gearriveerd, verpakt in een vat sneeuw, en ze waren heerlijk sappig. Ser Alliser Doren was de enige aan tafel bij wie er zelfs geen zweem van een glimlach af kon. ‘Lannister drijft de spot met ons.’
    ‘Alleen met u, ser Alliser,’ zei Tyrion. Ditmaal had het gelach rond de tafel iets onzekers en zenuwachtigs.
    Dorens zwarte ogen werden vol weerzin op Tyrion gericht. ‘U durft wél, voor iemand die nog geen halve man is. Misschien moeten wij eens samen naar de binnenplaats.’
    ‘Waarom?’ vroeg Tyrion. ‘De krabben zijn hier.’
    Die opmerking ontlokte de overigen nog meer gegrinnik. Ser Alliser stond op. Zijn mond was een dunne streep. ‘Kom mee en deel uw steken onder water uit met staal in de hand.’
    Tyrion keek nadrukkelijk naar zijn rechterhand. ‘Maar ik heb toch staal in mijn hand, ser Alliser, ook al lijkt het net een krabbenvork?
    Hoe denkt u over een duel?’ Hij sprong op zijn stoel en begon met het vorkje naar Dorens borst te prikken. Bulderend gelach vulde de torenkamer. De bevelhebber stikte bijna en hapte naar adem, zodat de stukjes krab uit zijn mond vlogen. Zelfs zijn raaf deed een duit in het zakje en kraste luid vanaf zijn plekje boven het raam. ‘Duel! Duel! Duel!’
    Ser Alliser Doren beende met zulke stijve passen het vertrek uit dat het leek alsof er een dolk in zijn achterste stak. Mormont zat nog te hijgen. Tyrion klopte hem op zijn rug. ‘De buit is voor de overwinnaar,’ riep hij. ‘Ik eis Dorens deel van de krabben op.’
    Eindelijk had de bevelhebber zich hersteld. ‘U bent een slecht mens, om onze ser Alliser zo te provoceren,’ zei hij berispend. Tyrion ging zitten en nam een slokje wijn. ‘Als iemand een schietschijf op zijn borst schildert kan hij verwachten dat iemand vroeg of laat een pijl op hem afschiet. Ik heb doden gezien die meer gevoel voor humor hadden dan uw ser Alliser.’
    ‘Nee hoor,’ wierp de hofmeester tegen, Bouwen Mars, een man zo rood en rond als een granaatappel. ‘U zou eens moeten horen wat een lollige namen hij geeft aan de jongens die hij traint.’
    Tyrion had een paar van die lollige namen gehoord. ‘Wedden dat die jongens ook een paar namen voor hem hebben?’ zei hij. ‘Hak het ijs voor uw ogen weg, waarde heren. Ser Alliser Doren zou bij u de stallen moeten uitmesten in plaats van uw jeugdige krijgslieden te trainen.’
    ‘Bij de Wacht is geen tekort aan staljongens,’ gromde heer Mormont. ‘Dat is het enige dat ze ons tegenwoordig nog sturen, lijkt het wel. Staljongens, gauwdieven en verkrachters. Ser Alliser is een gezalfde ridder, een van de weinigen die het zwart hebben aangenomen sinds ik hier bevelhebber ben. Hij heeft dapper gevochten in Koningslanding.’
    ‘Aan de verkeerde kant,’ was het droge commentaar van ser Jeremie Rykker. ‘Ik kan het weten, want ik stond naast hem op de borstwering. Een mooie keus die Tywin Lannister ons liet: óf het zwart aannemen, óf ons hoofd op een piek voor de avond viel. Daar bedoel ik niets kwaads mee, Tyrion.’
    ‘Dat geloof ik onmiddellijk, ser Jeremie. Mijn vader ziet graag hoofden op pieken, vooral van lieden die zijn ergernis hebben gewekt. En zo’n edel gelaat als het uwe boven op de koningspoort leek hem vast een sieraad voor de stadsmuur. U zou daarboven een treffende aanblik hebben geboden, denk ik.’
    ‘Dank u,’ antwoordde ser Jeremie met een sardonisch lachje. Bevelhebber Mormont schraapte zijn keel. ‘Soms vrees ik dat ser Alliser u doorzien heeft, Tyrion. U drijft inderdaad de spot met ons en ons loffelijk streven hier.’
    Tyrion haalde zijn schouders op. ‘We kunnen van tijd tot tijd allemaal wel wat spot gebruiken, heer Mormont, om onszelf niet al te serieus te nemen. Nog wat wijn graag.’ Hij hield zijn beker op. Terwijl Rykker die voor hem vulde zei Bouwen Mars. ‘Voor zo’n kleine man hebt u een grote dorst.’
    ‘O, ik denk dat heer Tyrion een man van formaat is,’ zei Maester Aemon aan het uiteinde van de tafel. Hij sprak op zachte toon, maar toch deden alle hoge officieren van de Nachtwacht er het zwijgen toe om beter te horen wat de hoogbejaarde te zeggen had. ‘Ik denk dat hij een reus is die hier aan het einde van de wereld bij ons op bezoek is gekomen.’
    Op milde toon antwoordde Tyrion: ‘Ik ben al voor veel dingen uitgemaakt, heer, maar reus is daar meestal niet bij.’
    ‘Desondanks,’ zei Maester Aemon terwijl zijn omfloerste, melkwitte ogen zich naar Tyrions gezicht toekeerden, ‘denk ik dat het waar is.’
    Bij hoge uitzondering wist Tyrion Lannister nu eens niet wat hij moest zeggen. Hij kon alleen maar beleefd met zijn hoofd knikken en zeggen: ‘U bent al te vriendelijk, Maester Aemon.’
    De blinde glimlachte. Hij was onbeduidend van gestalte, rimpelig en haarloos, verschrompeld onder het gewicht van zo’n honderd jaren, zodat de maestersband met zijn schakels van vele metalen losjes om zijn hals hing. ‘Ik ben al voor veel dingen uitgemaakt, heer,’ zei hij, ‘maar vriendelijk is daar meestal niet bij.’ Ditmaal was het Tyrion die de anderen voorging in gelach.
    Veel later, toen het serieuze werk van het eten gedaan was en de anderen weg waren, bood Mormont Tyrion een stoel naast het vuur aan, en een beker met een warme drank die zo sterk was dat de tranen hem ervan in de ogen sprongen. ‘Hier in het noorden kan de Koningsweg vol gevaren zijn,’ zei de bevelhebber tegen hem terwijl ze dronken.
    ‘Ik heb Jyck en Morrec,’ zei Tyrion, ‘en Yoren gaat nogmaals naar het zuiden.’
    ‘Yoren is maar alleen. De Wacht begeleidt u tot Winterfel,’ verkondigde Mormont op een toon die geen tegenstand duldde. ‘Drie man is voldoende.’
    ‘Als u erop staat, heer,’ zei Tyrion. ‘Misschien kunt u de jonge Sneeuw zenden. Hij zou dankbaar zijn als hij de kans kreeg zijn broers te bezoeken.’
    Door zijn dikke, grijze baard heen trok Mormont een vragend gezicht. ‘Sneeuw? O, die bastaard van Stark. Beter van niet. De jongeren moeten het leven dat ze achter zich hebben gelaten vergeten, de broers, de moeders en meer van die dingen. Als ze naar huis gaan roept dat alleen maar gevoelens wakker die beter kunnen blijven sluimeren. Mijn eigen bloedverwanten… Mijn zuster Maege heerst nu over Bereneiland, sinds mijn zoon onteerd is. Ik heb nichtjes die ik nog nooit heb gezien.’ Hij nam een slok. ‘Bovendien is Jon Sneeuw nog maar een jongen. U zult drie krachtige zwaarden hebben om u te beschermen.’
    ‘Uw bezorgdheid roert mij, heer Mormont.’ De sterke drank maakte Tyrion licht in het hoofd, maar niet zo dronken dat hij niet besefte dat de oude beer iets van hem wilde. ‘Ik hoop dat ik iets voor u terug kan doen.’
    ‘Dat kunt u,’ zei Mormont onomwonden. ‘Uw zuster zit aan de zijde van de koning. Uw broer is een groot ridder en uw vader de machtigste edelman in de Zeven Koninkrijken. Wees onze pleitbezorger bij hen. Vertel hun van de nood waarin wij hier verkeren. U hebt het zelf gezien, heer. De Nachtwacht is op sterven na dood. Wij zijn nu minder dan duizend man sterk. Zeshonderd hier, tweehonderd in de Schaduwtoren, nog minder in Oostwacht, en nauwelijks een derde daarvan krijgslieden. De Muur is vele honderden mijlen lang. Denkt u erover na. In geval van een aanval heb ik voor iedere mijl van de Muur maar drie verdedigers.’
    ‘Drie en een derde,’ zei Tyrion gapend.
    Mormont leek hem nauwelijks te horen. De oude man warmde zijn handen aan het vuur. ‘U zegt dat ser Alliser niet geschikt is, maar wie zou hem moeten vervangen? Ik heb Benjen Stark erop uitgestuurd om de zoon van Yan Roys op te sporen, die op zijn eerste wachtrit is zoek geraakt met twee prima mannen, en nu is ook Stark weg. Die knaap van Roys was te jong, maar hij eiste de eer van een eigen bevel op, zijn recht als ridder. Ik wilde zijn vader niet voor het hoofd stoten.’ Hij zuchtte diep. ‘Als Benjen niet terugkomt, wie moet ik dan naar hem laten zoeken? Over twee jaar word ik zeventig, te oud en moe voor de last die ik draag. Maar als ik hem afleg, wie neemt hem dan over? Alliser Doren? Bouwen Mars? Ik zou even blind zijn als Maester Aemon als ik niet zag wat zij zijn. De Nachtwacht is een leger van norse jongens en vermoeide ouwe kerels geworden. Afgezien van de mannen die vanavond bij mij aan tafel zaten heb ik er misschien twintig die kunnen lezen, en nog minder die kunnen denken, plannen maken of leiding geven. Eens bracht de Wacht de zomers met bouwen door en liet elke bevelhebber de Muur hoger achter dan hij hem had aangetroffen. Het enige dat we nu nog kunnen is in leven blijven.’
    Hij was doodernstig, besefte Tyrion. De oude man bracht hem een beetje in verlegenheid. Heer Mormont had een aanzienlijk deel van zijn leven op de Muur doorgebracht en moest er wel in geloven, wilden die jaren althans iets betekenen. ‘Ik beloof u dat uw nood de koning ter ore zal komen,’ zei Tyrion ernstig, ‘en ik zal tevens met mijn vader en mijn broer Jaime spreken.’ En dat zou hij doen ook. Tyrion Lannister was een man van zijn woord. De rest liet hij onuitgesproken: dat koning Robert niet naar hem zou luisteren, dat heer Tywin zou vragen of hij zijn verstand verloren had en dat Jaime alleen maar zou lachen. Mormont greep Tyrion stevig bij een hand. ‘Zorgt u dat ze het begrijpen. Ik zeg u, heer, dat de duisternis komt. In de wouden waren wilde schepselen rond, schrikwolven, mammoets en sneeuwberen zo groot als oerossen, en Maester Aemon heeft nog duisterder gestalten gezien in zijn dromen.’
    ‘In zijn dromen,’ echode Tyrion en verlangde vurig naar nog iets te drinken.
    De scherpte in zijn stem ontging Mormont. ‘De vissers nabij Oostwacht hebben witte wezens op de kust zien rondwaren.’
    Nu kon Tyrion zich niet meer inhouden. ‘De vissers van Lannispoort zien wel eens vaker meervolk.’
    ‘Denys Mallister schrijft dat de bergbewoners naar het zuiden trekken en in grotere aantallen dan ooit langs de Schaduwtoren sluipen. Ze zijn op de vlucht, heer… maar waarvoor’}’ Heer Mormont liep naar het raam en staarde de nacht in. ‘Deze botten zijn oud, Lannister, maar zo’n kou als nu hebben ze nog nooit gevoeld. Vertel de koning wat ik gezegd heb, smeek ik u. De winter komt waarlijk, en als de Lange Nacht valt staat slechts de Nachtwacht tussen het rijk en de oprukkende duisternis uit het noorden. Mogen de goden ons allen bijstaan als we niet voorbereid zijn.’
    ‘Mogen de goden mij bijstaan als ik vannacht geen slaap krijg. Yoren is vast van plan om met het ochtendkrieken te vertrekken.’
    Tyrion kwam overeind, slaperig van de wijn, en al dat onheil zat.
    ‘Heb dank voor uw hoffelijke ontvangst, heer Mormont.’
    ‘Zeg het hun, Tyrion. Zeg het hun, en zorg dat ze het geloven. Dat is de enige dank die ik nodig heb.’ Hij floot, en zijn raaf kwam aanvliegen en ging op zijn schouder zitten. Mormont glimlachte en gaf de vogel wat maïs uit zijn zak. En zo liet Tyrion hem achter. Buiten was het bitter koud. Stevig in zijn bentvellen gehuld trok Tyrion Lannister zijn handschoenen aan en knikte de kleumende stakkers toe die buiten de Bevelhebberstoren op wacht stonden. Zo snel zijn beentjes hem konden dragen begon hij het binnenhof naar zijn eigen kamers in de koningstoren over te steken. Krakend trapten zijn laarzen het vers gevallen sneeuwlaagje van die avond plat, en zijn adem stoomde als een vlag voor hem uit. Hij schoof zijn handen onder zijn oksels, versnelde zijn pas en hoopte dat Morrec eraan had gedacht zijn bed met hete bakstenen uit het vuur te verwarmen. Achter de koningstoren glansde de Muur in de maneschijn, onmetelijk en mysterieus. Tyrion bleef even staan om naar boven te kijken. Zijn benen deden pijn van de kou en het haastige lopen. Plotseling werd hij door een vreemd soort waanzin gegrepen, een vurig verlangen om nog één keer vanaf de rand van de wereld te kijken. Het zou zijn laatste kans zijn, dacht hij. Morgen ging hij weer naar het zuiden en hij kon zich niet voorstellen dat hij ooit nog terug zou willen naar deze ijzige verlatenheid. Voor hem stond de koningstoren die hem warmte en een zacht bed beloofde, en toch merkte Tyrion dat hij verderliep, naar de uitgestrekte witte wal die de Muur was.
    Een houten trap voerde langs de zuidkant omhoog, verankerd met enorme, ruwhouten palen die diep in het ijs verzonken en daar vastgevroren waren. Zigzaggend als een bliksemschicht klauwde hij zich omhoog. De zwarte broeders hadden hem verzekerd dat de trap veel sterker was dan hij leek, maar Tyrion had te veel kramp in zijn benen om een beklimming zelfs maar te overwegen. In plaats daarvan liep hij naar de ijzeren kooi naast de muur, klauterde erin en trok hard aan het belkoord, drie snelle rukken.
    Hij had het idee dat hij een eeuwigheid moest wachten, staande tussen de tralies met zijn rug naar de muur. Zo lang, dat Tyrion zich begon af te vragen waarom hij dit deed. Hij had net zo’n beetje besloten om van zijn plotselinge bevlieging af te zien en naar bed te gaan toen de kooi met een schok omhoog begon te gaan. Langzaam steeg hij op, eerst hortend en stotend, toen gelijkmatiger. De grond viel onder hem weg, de kooi deinde en Tyrion sloot zijn vingers rond de ijzeren tralies. Hij kon de kilte van het metaal zelfs door zijn handschoenen heen voelen. Goedkeurend stelde hij vast dat Morrec in zijn kamer het vuur aangemaakt had, maar de toren van de bevelhebber was onverlicht. De oude beer had blijkbaar meer verstand dan hij. Toen was hij boven de torens uit, en nog steeds kroop hij verder omhoog. Slot Zwart lag onder hem, in maneschijn geëtst. Vanaf deze hoogte was te zien hoe onherbergzaam en leeg het was: vensterloze bastions, afbrokkelende muren, binnenhoven die vol met puin lagen. Verderop zag hij de lichtjes van Molstee, het dorpje dat anderhalve mijl naar het zuiden aan de Koningsweg lag, en hier en daar de felle fonkeling van maanlicht op het water van de ijskoude beken die vanuit het hooggebergte de vlakte doorsneden. De rest van de wereld was een vale leegte van winderige heuvels en stenige, met sneeuw besprenkelde velden.
    Ten slotte zei een keelstem achter hem: ‘Bij de zevenvoudige hel, het is de dwerg,’ en vervolgens kwam de kooi abrupt tot stilstand en bleef hangen, traag heen en weer zwaaiend aan krakende touwen.
    ‘Haal hem binnen, verdomme.’ Onder geknars en luid gekreun van hout gleed de kooi opzij, en toen lag de Muur onder hem. Tyrion wachtte tot het zwaaien was gestopt vóór hij het deurtje van de kooi openduwde en op het ijs sprong. Een zware gestalte in het zwart hing over de lier heen terwijl een tweede met een gehandschoende hand de kooi vasthield. Hun gezichten waren in wollen sjaals gewikkeld, zodat alleen hun ogen zichtbaar waren, en vele lagen wol en leer, zwart op zwart, maakten hun gestalte vormeloos. ‘En wat wil je, op dit uur van de nacht?’ vroeg de man bij de lier.
    ‘Nog één keer kijken.’
    De mannen wisselden een norse blik. ‘Kijk maar zoveel je wilt,’ zei de andere. ‘Maar zorg wel dat je er niet afvalt, mannetje, want dan vilt de ouwe beer ons.’ Onder de grote hijskraan stond een kleine keet, en Tyrion ving de doffe gloed van een komfoor op en voelde een kortstondig vleugje warmte toen de mannen die hem hadden opgehesen de deur openden en weer naar binnen gingen. Toen was hij alleen.
    Hierboven was het gemeen koud, en de wind rukte als een opdringerige minnares aan zijn kleren. Vanboven was de Muur breder dan de Koningsweg op vele plaatsen was, dus was Tyrion niet bang om te vallen, al had hij liever een minder gladde ondergrond gehad. De broeders strooiden steengruis over de looproute, maar de Muur smolt onder de druk van talloze voetstappen, zodat het ijs het gruis leek op te zuigen en te verzwelgen totdat het pad weer glad was en de tijd rijp om nog meer steen te vergruizen.
    Desondanks kon Tyrion wel uit de voeten. Hij keek in oostelijke en westelijke richting langs de Muur, die zich voor hem uitstrekte als een brede, witte weg zonder begin of einde en met aan weerskanten een duistere afgrond. Naar het westen, besloot hij zonder duidelijke aanleiding en liep die kant op, over het pad dat het dichtst langs de noordrand voerde, omdat daar het gruis de meest verse aanblik bood. Zijn onbeschermde wangen brandden van de kou en zijn benen klaagden bij elke stap luider, maar Tyrion negeerde ze. De wind blies om hem heen, onder zijn voeten knarste gruis en voor hem uit golfde het witte lint met de heuvels mee, steeds hoger en hoger, tot het achter de westelijke horizon verdween. Hij kwam langs een omvangrijke blijde, hoog als een stadsmuur, de onderkant diep in de muur verzonken. De werparm was eraf gehaald om gerepareerd te worden en toen vergeten, en lag daar nu als een kapot stuk speelgoed, half ingebed in het ijs. Aan de andere kant van de blijde hield een gedempte stem hem aan: ‘Wie daar? Halt!’
    Tyrion bleef staan. ‘Als ik te lang blijf staan bevries ik ter plaatse, Jon,’ zei hij terwijl een ruigharige schim geluidloos op hem af sloop en aan zijn bentvellen snuffelde. ‘Dag Spook.’
    Jon Sneeuw kwam dichterbij. Met al die lagen bont en leer om zich heen en de kap van zijn mantel op leek hij groter en zwaarder.
    ‘Lannister,’ zei hij en trok zijn sjaal opzij om zijn mond vrij te maken. ‘Dit is wel de laatste plaats waar ik u had verwacht.’ Hij had een zware speer met een ijzeren punt in zijn hand die langer was dan hijzelf, en aan zijn zij hing een zwaard in een leren schede. Op zijn borst glom een zwarte krijgshoorn met zilverbeslag.
    ‘Dit is wel de laatste plaats waar ik verwachtte gezien te worden,’
    gaf Tyrion toe. ‘Ik kreeg een bevlieging. Als ik Spook aanraak, bijt hij dan mijn hand af?’
    ‘Niet zolang ik erbij ben,’ beloofde Jon.
    Tyrion krabde de witte wolf achter de oren. Diens rode ogen keken hem onbewogen aan. Het beest kwam hem inmiddels tot de borst. Tyrion had zo’n donkerbruin vermoeden dat hij over nog een jaar tegen hem op zou kijken. ‘Wat doe jij hierboven, zo in de nacht?’ vroeg hij. ‘Behalve dan je ballen eraf laten vriezen…’
    ‘Ik heb de nachtwake getrokken,’ zei Jon. ‘Alweer. Ser Alliser is zo vriendelijk geweest ervoor te zorgen dat het hoofd van de wacht een speciale belangstelling voor mij koestert. Hij schijnt te denken dat ik ’s ochtends tijdens de oefening in slaap zal vallen als ze me de halve nacht wakker houden. Tot nog toe heb ik hem teleurgesteld.’
    Tyrion grijnsde. ‘En heeft Spook al leren goochelen?’
    ‘Nee,’ zei Jon glimlachend, ‘maar Grenn heeft vanmorgen standgehouden tegen Halder, en Pyp laat zijn zwaard niet meer zo vaak vallen als eerst.’
    ‘Pyp?’
    ‘Eigenlijk heet hij Pypar. Die kleine jongen met die grote oren. Hij zag me bezig met Grenn, en toen vroeg hij of ik hem wilde helpen. Doren had hem niet eens fatsoenlijk geleerd een zwaard vast te houden.’ Hij draaide zich om en keek naar het noorden. ‘Ik moet een complete mijl van de muur bewaken. Gaat u mee?’
    ‘Als je langzaam loopt,’ zei Tyrion.
    ‘Het hoofd van de wacht zegt dat ik in beweging moet blijven om te voorkomen dat mijn bloed bevriest, maar hij heeft niet gezegd hoe snel.’
    Ze liepen samen op, en naast Jon stapte Spook als een witte schaduw voort. ‘Morgen vertrek ik,’ zei Tyrion.
    ‘Ik weet het.’ Jon klonk merkwaardig triest.
    ‘Ik ben van plan op weg naar het zuiden Winterfel aan te doen. Misschien kan ik een bericht voor je overbrengen…’
    ‘Zegt u tegen Robb dat ik het bevel over de Nachtwacht krijg en voor zijn veiligheid zal zorgen. Hij kan dus beter met de meisjes gaan naaien en zijn zwaard door Mikken tot hoefijzers laten omsmeden.’
    ‘Je broer is groter dan ik,’ zei Tyrion met een lachje. ‘Ik weiger een bericht over te brengen dat mijn dood kan worden.’
    ‘Rickon zal wel vragen wanneer ik thuiskom. Probeert u hem uit te leggen waar ik heen ben, als het kan. Zegt u maar dat hij al mijn spullen mag hebben zolang ik weg ben, dat zal hij leuk vinden.’
    Ze vroegen vandaag nogal wat van hem, dacht Tyrion Lannister.
    ‘Je weet toch dat je dat allemaal ook in een brief kunt zetten?’
    ‘Rickon kan nog niet lezen. Bran…’ Hij zweeg abrupt. ‘Ik weet niet welk bericht ik Bran moet sturen. Help hem, Tyrion.’
    ‘Wat voor hulp kan ik hem bieden? Ik ben geen maester, dat ik zijn pijn zou kunnen verzachten. Ik ken geen bezweringen die hem zijn benen teruggeven.’
    ‘U hebt mij uw hulp gegeven toen ik die nodig had,’ zei Jon Sneeuw.
    ‘Ik heb je niets gegeven,’ zei Tyrion. ‘Woorden.’
    ‘Geeft u uw woorden dan ook maar aan Bran.’
    ‘Je vraagt een lamme of hij een kreupele wil leren dansen,’ zei Tyrion. ‘Hoe goed bedoeld zo’n les ook is, het resultaat moet haast wel lachwekkend zijn. Toch weet ik wat broederliefde is, heer Sneeuw. Het beetje hulp waartoe ik bij machte ben zal ik Bran geven.’
    ‘Dank u, heer Lannister.’ Hij trok zijn handschoen uit en bood hem zijn ontblote hand aan. ‘Vriend.’
    Tyrion merkte dat hij merkwaardig aangedaan was. ‘Mijn meeste verwanten zijn bastaarden,’ zei hij met een wrange glimlach, ‘maar jij bent de eerste die ik tot vriend heb.’ Met zijn tanden trok hij een handschoen uit en drukte de hand van Sneeuw, naakte huid tegen naakte huid. De greep van de jongen was vast en krachtig. Toen hij zijn handschoen weer had aangetrokken keerde Jon Sneeuw zich abrupt om en liep naar de lage, ijzige borstwering aan de noordkant. Achter hem liep de Muur steil omlaag en daarachter was slechts duisternis en wildernis. Tyrion volgde hem, en naast elkaar stonden ze op de rand van de wereld. De Nachtwacht liet het woud niet dichterbij komen dan tot op een halve mijl van de noordwand van de Muur. Het struikgewas ijzerhout, wachtbomen en eikenhakhout — dat daar eens placht te groeien was al eeuwen geleden gekapt om een brede strook open terrein te creëren die geen vijand onopgemerkt zou kunnen passeren. Tyrion had gehoord dat elders langs de muur, tussen de drie forten in, het wilde woud de laatste decennia sluipend was teruggekeerd, dat er plaatsen waren waar grijsgroene wachtbomen en bleekwitte weirbosjes in de schaduw van de Muur zelf wortelden, maar Slot Zwart verslond enorme massa’s brandhout, en hier hielden de bijlen van de zwarte broeders het woud nog op afstand. Maar het was nergens veraf. Hierboven kon Tyrion ze zien, de donkere bomen die hoog oprezen achter de strook open grond, als een tweede muur die evenwijdig met de eerste was gebouwd, een muur van nacht. Er was nooit veel met bijlen gehakt in dat zwarte woud, waar zelfs het maanlicht niet in de eeuwenoude wirwar van wortels, dorens en grijpende takken doordrong. Daar rezen de bomen als woudreuzen op, en volgens de wachtruiters stonden ze in gepeins verzonken en merkten ze niets van de mensen. Geen wonder dat de Nachtwacht van Het Spookwoud sprak. Terwijl hij daar stond te kijken naar al dat donker waarin nergens een vuur brandde, in de wind, en met de kou als een speer in zijn ingewanden, had Tyrion Lannister het gevoel dat hij die praatjes over de Anderen, de vijanden in de nacht, bijna kon geloven. Zijn grappen over gnurkers en snaaien leken niet meer zo lollig.
    ‘Mijn oom is daar,’ zei Jon Sneeuw zacht terwijl hij op zijn speer geleund in het donker staarde. ‘De eerste nacht dat ze me naar boven stuurden dacht ik: vannacht komt Oom Benjen terug, en dan zie ik hem als eerste en steek ik de hoorn. Maar hij kwam niet. Die nacht niet, en geen enkele andere nacht.’
    ‘Gun hem de tijd,’ zei Tyrion.
    Ver weg in het noorden begon een wolf te huilen. Een tweede stem nam het over, en toen nog een. Spook hield zijn kop scheef en luisterde. ‘Als hij niet terugkomt,’ beloofde Jon Sneeuw, ‘gaan Spook en ik hem zoeken.’ Hij legde zijn hand op de kop van de schrikwolf.
    ‘Dat geloof ik best,’ zei Tyrion, maar wat hij dacht was: en wie gaat jou zoeken? Hij huiverde.

Arya

    Haar vader had weer ruzie gehad met de raad. Arya kon het aan zijn gezicht zien toen hij aan tafel kwam, alweer te laat, zoals zo vaak. De eerste gang, een dikke, zoete pompoenensoep, was al afgeruimd toen Ned Stark de kleine zaal inbeende. Die werd zo genoemd ter onderscheiding van de grote zaal, waar de koning duizend gasten kon onthalen, maar het was een langwerpig vertrek met een hoog, gewelfd plafond, en de banken langs de schraagtafels boden plaats aan tweehonderd mensen.
    ‘Heer,’ zei Jory toen vader binnenkwam. Hij stond op, en de rest van de wacht met hem. Alle mannen droegen een nieuwe mantel van zware, grijze wol, met wit satijn omzoomd. Een hand van gedreven zilver hield de wollen plooien van elke mantel bijeen en kenmerkte de dragers als leden van de hofwacht van de Hand. Er waren er maar vijftig, dus de meeste banken waren leeg.
    ‘Ga zitten,’ zei Eddard Stark. ‘Ik zie dat u zonder mij begonnen bent. Het doet me genoegen dat er hier in de stad nog een paar verstandige mannen zijn.’ Hij gaf het signaal dat de maaltijd hervat kon worden. De bedienden droegen schalen ribstuk binnen met een knapperige korst van knoflook en kruiden.
    ‘Op de binnenplaats wordt beweerd dat er een toernooi komt, heer,’ zei Jory terwijl hij weer plaatsnam. ‘Ze zeggen dat er ridders uit het hele rijk zullen komen om een steekspel te houden en feest te vieren ter ere van uw benoeming als Hand des Konings.’
    Arya zag dat haar vader daar niet erg gelukkig mee was. ‘Zeggen ze ook dat er niets is dat ik minder graag gewild had?’
    Sansa had ogen als schoteltjes gekregen. ‘Een toernooi?’ prevelde ze. Ze zat tussen Septa Mordane en Jeane Poel in, zo ver van Arya verwijderd als ze kon zonder haar vader verwijten te ontlokken. ‘Mogen wij er ook heen, vader?’
    ‘Je weet hoe ik erover denk, Sansa. Naar het schijnt dien ik Roberts spelletjes te organiseren en omwille van hem te doen of ik vereerd ben. Dat wil niet zeggen dat ik mijn dochters aan die idioterie moet blootstellen.’
    ‘O, alstublieft,’ zei Sansa. ‘Ik wil het zien.’
    Septa Mordane nam het woord. ‘Prinses Myrcella gaat ook, heer, en zij is jonger dan jonkvrouwe Sansa. Alle dames van het hof worden geacht bij zo’n groots evenement als dit aanwezig te zijn, en aangezien het toernooi ter ere van u gehouden wordt zou het een vreemde indruk maken als uw gezin het niet bijwoonde.’
    Vader keek gepijnigd. ‘Ja, dat zal wel. Goed dan, ik zal je een plaats bezorgen, Sansa.’ Hij zag Arya. ‘Jullie allebei.’
    ‘Dat stomme toernooi van hun kan me gestolen worden,’ zei Arya. Ze wist dat prins Joffry erbij zou zijn, en ze haatte prins Joffry. Sansa hief haar hoofd op. ‘Het zal een schitterend evenement zijn. Daar hebben ze jou niet bij nodig.’
    De woede flitste over haar vaders gezicht. ‘Genoeg, Sansa. Nog één woord, en ik verander van gedachten. Ik ben doodziek van dat eindeloze gebekvecht van jullie. Jullie zijn zusters en ik verwacht dat jullie je als zodanig gedragen. Is dat duidelijk?’
    Sansa beet op haar lip en knikte. Arya keek nors op haar bord neer. Ze voelde de tranen achter haar ogen prikken. Boos wreef ze vastbesloten om niet te huilen.
    Alleen het gekletter van messen en vorken was nog te horen. ‘Wilt u mij verontschuldigen?’ zei haar vader tegen zijn tafelgenoten. ‘Ik merk dat ik vanavond weinig eetlust heb.’ Hij liep de zaal uit. Toen hij weg was begon Sansa opgewonden tegen Jeane Poel te fluisteren. Verderop aan tafel lachte Jory om een grap, en Hullen sneed het onderwerp paarden aan. ‘Dat strijdros van jou, nou, dat is misschien niet het geschiktste voor het steekspel. Da’s andere koek, hoor, heel andere koek.’ De mannen hadden het allemaal al eens gehoord. Desmond, Jacs en Hullens zoon Harwin legden hem gezamenlijk het zwijgen op, en Porthier riep om meer wijn. Niemand praatte met Arya. Het liet haar koud. Zo had ze het graag. Ze zou haar maaltijden het liefst alleen in haar slaapkamer hebben gebruikt, als dat gemogen had. Soms mocht het inderdaad, als vader met de koning of een of andere edelman of de gezanten uit zus en zo moest dineren. De rest van de tijd aten ze in zijn bovenvertrek, alleen hij, zij en Sansa. Dat waren de keren dat Arya haar broers het meest miste. Ze zou Bran willen plagen en met de kleine Rickon spelen en Robb naar haar willen zien lachen. Ze wilde dat Jon door haar haren woelde en haar ‘zusje’ noemde en haar zinnen voor haar afmaakte. Maar zij waren er geen van allen. Op Sansa na had ze niemand meer, en Sansa wilde niet eens met haar praten, tenzij vader haar ertoe dwong. Thuis in Winterfel hadden ze bijna de helft van de tijd in de grote zaal gegeten. Haar vader zei altijd dat een heer samen met zijn mannen moest eten als hij ze wilde vasthouden. ‘Zorg dat je je volgelingen kent,’ had ze hem eens tegen Robb horen zeggen, ‘en zorg dat ze jou kennen. Vraag niet van je mannen dat ze voor een vreemde sterven.’ In Winterfel had hij altijd een extra stoel bij zich aan tafel laten zetten, en elke dag kreeg een ander het verzoek om bij hem te komen zitten. De ene avond was het Vayon Poel, en dan ging het gesprek over muntgeld, broodvoorraden en bedienden. Een volgende keer was het Mikken, en dan zat haar vader te luisteren naar zijn gepraat over harnassen en zwaarden, en hoe heet een smidsvuur moest zijn, en wat de beste manier was om staal te temperen. Weer een andere dag kon het Hullen zijn met zijn eindeloze geklets over paarden, of Septon Cheyl uit de bibliotheek, of Jory, of ser Rodrik, of zelfs Ouwe Nans met haar verhalen.
    Arya deed niets liever dan bij haar vader aan tafel zitten en naar die gesprekken luisteren. Ze luisterde ook graag naar de mannen op de banken, naar vrijruiters, taai als leer, hoofse ridders en stoutmoedige jonge schildknapen, en vergrijsde wapenknechten. Ze bekogelde hen altijd met sneeuwballen en hielp hen pasteien stelen uit de keuken. Hun vrouwen gaven haar beschuitjes en zij bedacht namen voor hun baby’s en speelde monsters-en-jonkvrouwen, en verberg-de-schat, en kom-in-mijn-kasteel met hun kinderen. Dikke Torn placht haar ‘Arya Onderweg’ te noemen, omdat ze dat volgens hem altijd was. Dat beviel haar heel wat beter dan ‘Arya Paardenhoofd’. Maar dat was Winterfel, aan de andere kant van de wereld, en sindsdien was niets nog hetzelfde. Dit was de eerste keer sinds ze Koningslanding hadden bereikt dat ze met de mannen aten. Arya vond het afschuwelijk. Nu had ze een hekel aan hun stemgeluid, hun gelach, hun verhalen. Ze waren haar vrienden geweest, bij hen had ze zich veilig gewaand, maar ze besefte nu dat dat maar schijn was. Ze hadden de koningin Dame laten vermoorden, dat was al erg genoeg, maar toen had de Jachthond Myca gevonden. Jeane Poel had Arya verteld dat hij hem in zoveel stukjes had gehakt dat ze hem in een zak bij de slager terugbezorgd hadden, en dat de arme man eerst gedacht had dat het een geslacht varken was. En niemand had er iets van gezegd of zijn zwaard getrokken, of wat dan ook, noch Harwin, die altijd zo’n grote mond had, noch Alyn, die ridder zou worden, noch Jory, die het hoofd van de wacht was. Zelfs haar vader niet.
    ‘Hij was mijn vriend,’ fluisterde Arya in haar bord, zo zacht dat geen mens het hoorde. Haar ribstukken lagen daar onaangeroerd, koud geworden, op een dun laagje stollend vet. Arya keek ernaar en voelde zich misselijk. Ze schoof van tafel af.
    ‘En waar ga jij wel niet heen, jongedame?’ vroeg Septa Mordane.
    ‘Ik heb geen honger.’ Het kostte Arya moeite aan haar hoofse manieren te denken. ‘Wilt u mij alstublieft verontschuldigen?’ dreunde ze stijfjes op.
    ‘Zeker niet,’ zei de septa. ‘Je hebt je maaltijd nauwelijks aangeraakt. Ga zitten en eet je bord leeg.’
    ‘Doe dat zelf maar!’ Voordat iemand haar kon tegenhouden schoot Arya op de deur af. De mannen lachten en Septa Mordane riep haar op luide toon, met een stem die steeds hoger werd. Dikke Torn stond op zijn post; hij bewaakte de toegangsdeur tot de Toren van de Hand. Hij knipperde met zijn ogen toen hij Arya op zich af zag stormen en de kreten van de septa hoorde. ‘Hé daar, meisje…’ begon hij en stak een hand uit, maar Arya glipte tussen zijn benen door en rende de wenteltrap op. Haar voeten petsten op de stenen en Tom hijgde en pufte achter haar aan.
    Haar slaapkamer was de enige plaats in heel Koningslanding waar Arya het naar haar zin had, en het beste eraan was de deur van massief donker eiken met zwart ijzerbeslag. Als ze die dichtsmeet en de zware balk ervoor liet zakken kon niemand haar kamer in, Septa Mordane niet, Dikke Tom niet, en ook Sansa, Jory of de Jachthond niet, niemandl En ze smeet hem dicht.
    Toen de balk ervoor zat voelde Arya zich eindelijk veilig genoeg om te huilen.
    Ze liep naar de vensterbank en ging snotterend zitten, kwaad op iedereen en in de eerste plaats op zichzelf. Het was allemaal haar schuld, al die nare dingen die er waren gebeurd. Dat zei Sansa, en Jeane zei het ook.
    Dikke Tom klopte op haar deur. ‘Arya, meisje, wat is er aan de hand?’ riep hij. ‘Ben je daar?’
    ‘Nee!’ riep ze. Het kloppen hield op. Even later hoorde ze hem weggaan. Dikke Tom was altijd gemakkelijk voor de gek te houden. Arya liep naar de kist aan de voet van het bed. Ze knielde, sloeg het deksel open, begon met handen vol haar kleren eruit te graaien, zijde, satijn, fluweel en wol, en smeet alles op de vloer. Daar lag het, op de bodem van de kist, waar ze het verstopt had. Bijna teder haalde Arya het eruit en trok de slanke kling uit de schede. Naald.
    Ze dacht opnieuw aan Myca, en de tranen sprongen haar in de ogen. Haar schuld, haar schuld, haar schuld. Als ze hem nooit had gevraagd met haar te oefenen in het zwaardvechten… Er werd op haar deur gebonsd, harder dan daarnet. ‘Arya Stark, doe onmiddellijk die deur open, hoor je me?’
    Met een ruk keerde Arya zich om, Naald in haar hand. ‘Kom maar liever niet binnen!’ waarschuwde ze. Woest hakte ze op de lucht in.
    ‘Hier zal de Hand van horen!’ raasde Septa Mordane.
    ‘Kan me niet schelen!’ gilde Arya. ‘Ga weg.’
    ‘Je zult nog spijt krijgen van je ongehoorzame gedrag, jongedame,dat beloof ik je.’ Arya luisterde aan de deur tot ze de voetstappen van de septa hoorde wegsterven. Ze liep terug naar het raam met Naald in haar hand en keek neer op de binnenhof beneden. Kon ze maar klimmen zoals Bran, dacht ze, dan kon ze via het raam langs de toren naar beneden en van deze afschuwelijke plaats vandaan, weg van Sansa en Septa Mordane en prins Joffry, van iedereen. Wat eten stelen uit de keukens en Naald meenemen, en haar goede laarzen, en een warme mantel. Ze zou Nymeria kunnen zoeken in de wilde wouden ten zuiden van de Drietand, en samen zouden ze naar Winterfel teruggaan, of weglopen naar Jon op de Muur. Ze betrapte zich erop dat ze wenste dat Jon nu bij haar was. Dan zou ze zich misschien niet zo alleen voelen. Een zacht klopje op de deur achter haar maakte dat Arya het raam en haar ontsnappingsdromen de rug toekeerde. ‘Arya,’ riep haar vaders stem. ‘Doe de deur open. We moeten praten.’
    Arya liep de kamer door en tilde de dwarsbalk op. Vader was alleen. Hij keek eerder bedroefd dan boos, zodat Arya zich nog miserabeler voelde. ‘Mag ik binnenkomen?’ Arya knikte en sloeg toen beschaamd haar ogen neer. Vader sloot de deur. ‘Van wie is dat zwaard?’
    ‘Van mij.’ Arya was bijna vergeten dat ze Naald in haar hand had.
    ‘Geef op.’
    Met tegenzin gaf Arya haar zwaard uit handen en vroeg zich af of ze het ooit weer zou vasthouden. Haar vader keerde het om en om in het licht om het goed te bekijken. Hij testte de punt uit met zijn duim. ‘Het zwaard van een bravo, een sluipmoordenaar,’ zei hij.
    ‘Maar ik geloof dat ik het merkteken van de smid ken. Dit is door Mikken gemaakt.’
    Arya kon niet tegen hem liegen. Ze keek naar de grond. Heer Eddard Stark zuchtte. ‘Mijn negenjarige dochter krijgt een wapen uit mijn eigen smidse zonder dat ik er iets van weet. De Hand des Konings wordt geacht de Zeven Koninkrijken te regeren, maar het lijkt erop dat ik niet eens mijn eigen huishouden kan bestieren. Hoe kom jij aan een zwaard, Arya? Waar heb je dit vandaan?’
    Arya beet op haar lip en zweeg. Ze wilde Jon niet verraden, zelfs niet aan haar vader.
    Na een poosje zei vader: ‘Ach, laat ook maar zitten.’ Hij keek ernstig naar het zwaard in zijn handen. ‘Dit is geen kinderspeelgoed, en al helemaal niet voor een meisje. Wat zou Septa Mordane zeggen als ze wist dat je met zwaarden speelde?’
    ‘Ik speelde niet,’ zei Arya met klem. ‘En ik heb een hekel aan Septa Mordane.’
    ‘Zo is het genoeg.’ Haar vaders stem klonk kortaf en hard. ‘De septa doet niet meer dan haar plicht, al weten de goden dat je het die arme vrouw moeilijk genoeg maakt. Je moeder en ik hebben haar belast met de onmogelijke taak om een dame van je te maken.’
    ‘Ik wil geen dame zijn!’ viel Arya uit.
    ‘Ik zou dit speeltje hier en nu op mijn knieën doormidden moeten breken om een einde te maken aan die onzin.’
    ‘Naald zou niet breken,’ zei Arya uitdagend, maar haar stem logenstrafte haar woorden.
    ‘Het heeft dus een naam?’ Haar vader zuchtte. ‘Arya, Arya. Je hebt zoiets ontembaars over je. Het wolvenbloed, noemde mijn vader het altijd. Lyanna had er een beetje van meegekregen en mijn broer Brandon meer dan een beetje. Het dreef hen allebei vroegtijdig het graf in.’ Arya hoorde hoe treurig zijn stem klonk. Hij sprak niet vaak over zijn vader, of over de broer en zuster die vóór haar geboorte waren gestorven. ‘Lyanna zou misschien een zwaard hebben gedragen als mijn heer vader het had goedgevonden. Jij doet me soms aan haar denken. Je lijkt zelfs op haar.’
    ‘Lyanna was mooi,’ zei Arya verrast. Dat zei iedereen. Het was niet iets wat ooit van Arya werd gezegd.
    ‘Dat was ze,’ beaamde Eddard Stark, ‘mooi, en eigenzinnig, en dood voor haar tijd.’ Hij hief het zwaard op en hield het tussen hen in. ‘Arya, wat had je met… Naald willen doen? Wie had je willen doorklieven? Je zuster? Septa Mordane? Weet je ook maar iets van zwaardvechten af?’
    Het enige dat haar inviel was de les van Jon. ‘Je steekt met de punt,’ flapte ze eruit.
    Haar vader snoof om niet in lachen uit te barsten. ‘Daar komt het in wezen wel op neer, ja.’
    Arya wilde het zo wanhopig graag uitleggen, zodat hij het zou begrijpen. ‘Ik probeerde het te leren, maar…’ Haar ogen schoten vol tranen. ‘Ik had Myca gevraagd om met me te oefenen.’ Ineens werd ze door verdriet overmand, en trillend keerde ze zich af. ‘Ik had het hem gevraagd,’ huilde ze. ‘Het was mijn schuld, het kwam door mij…’
    Ineens voelde ze haar vaders armen om zich heen. Teder hield hij haar vast, terwijl zij zich naar hem omdraaide om uit te huilen tegen zijn borst. ‘Nee, schatje,’ mompelde hij. ‘Rouw gerust om je vriend, maar verwijt jezelf niets. Jij hebt die slagersjongen niet gedood. Die moord komt voor rekening van de Jachthond, en van de wrede vrouw die hij dient.’
    ‘Ik haat ze,’ vertrouwde Arya hem toe en haalde met een rood gezicht haar neus op. ‘De Jachthond en de koningin en de koning en prins Joffry. Ik haat ze allemaal. Joffry loog, het was niet zoals hij zei. Sansa haat ik ook. Zij wist het heus nog wel, ze loog alleen maar omdat Joffry haar dan aardig zou vinden.’
    ‘We liegen allemaal,’ zei haar vader. ‘Of denk je echt dat ik geloof dat Nymeria weggelopen is?’
    Arya bloosde schuldbewust. ‘Jory nad beloofd dat hij het niet verder zou vertellen.’
    ‘Jory heeft woord gehouden,’ zei haar vader glimlachend. ‘Soms weet ik iets zonder dat het me verteld is. Zelfs een blinde kon zien dat die wolf je nooit vrijwillig zou verlaten.’
    ‘We moesten met stenen gooien,’ zei ze ongelukkig. ‘Ik zei tegen haar dat ze weg moest lopen, dat ze vrij kon zijn, dat ik haar niet meer wilde. Er waren andere wolven om mee te spelen, we hoorden ze huilen, en Jory zei dat de bossen vol wild zaten, zodat ze op herten kon jagen. Maar ze bleef ons maar achternalopen, en ten slotre moesten we met stenen gooien. Ik heb haar twee keer geraakt. Ze jankte en keek me aan, en ik schaamde me zo, maar het was toch goed wat ik deed? De koningin zou haar vermoord hebben.’
    ‘Ja, het was goed,’ zei haar vader. ‘En zelfs de leugen was… niet eerloos.’ Hij had Naald weggelegd toen hij naar Arya liep om haar te omhelzen. Nu pakte hij het zwaard weer op en liep naar het raam, waar hij een ogenblik naar de binnenhof bleef kijken. Toen hij zich weer omdraaide stonden zijn ogen peinzend. Hij ging in de vensterbank zitten met Naald over zijn knieën. ‘Arya, ga zitten. Ik moet je een paar dingen uitleggen.’
    Nerveus ging ze op de rand van haar bed zitten. ‘Je bent nog te jong om met al mijn zorgen te worden opgezadeld,’ zei hij tegen haar, ‘maar je bent ook een Stark van Winterfel. Je kent onze woorden.’
    ‘De winter komt,’ fluisterde Arya.
    ‘De harde, wrede tijden,’ zei haar vader. ‘We hebben er een voorproefje van gehad aan de Drietand, kind, en toen Bran viel. Jij bent in de lange zomer geboren, en je hebt nooit iets anders meegemaakt, maar nu wordt het waarlijk winter. Denk aan het wapenteken van ons huis, Arya.’
    ‘De schrikwolf,’ zei ze, en dacht aan Nymeria. Ze trok haar knieën op tot onder haar kin, plotseling bang geworden.
    ‘Laat me je iets over wolven vertellen, kind. Als de sneeuw valt en de witte winden waaien sterft de eenzame wolf, maar de troep blijft in leven. De zomer is de tijd om elkaar in de haren te zitten. ’s Winters moeten we elkaar beschermen en warm houden, onze krachten verenigen. Dus als je per se wilt haten, Arya, haat dan degenen die ons werkelijk een kwaad hart toedragen. Septa Mordane is een goed mens, en Sansa… Sansa is je zuster. Jullie mogen dan even grondig verschillen als de zon en de maan, in jullie beider harten stroomt hetzelfde bloed. Jij hebt haar nodig, net zoals zij jou nodig heeft… en ik heb jullie allebei nodig, mogen de goden mij bijstaan.’
    Hij klonk zo vermoeid dat het Arya treurig te moede werd. ‘Ik haat Sansa niet,’ zei ze tegen hem. ‘Niet echt.’ Het was maar een halve leugen.
    ‘Ik wil je niet bang maken, maar ik wil evenmin tegen je liegen. We zijn op een duistere en gevaarlijke plaats beland, kind. Dit is Winterfel niet. We hebben vijanden die niets goeds met ons voorhebben. Laten we niet tegen elkaar vechten. Die eigenzinnigheid van jou, dat weglopen, die boze woorden, die ongehoorzaamheid… thuis waren dat slechts de zomerse spelletjes van een kind. Hier en nu, met de winter op komst, ligt het anders. Het is tijd dat je volwassen wordt.’
    ‘Dat word ik ook,’ beloofde Arya hem plechtig. Ze had nog nooit zoveel van hem gehouden als op dat moment. ‘Ik kan ook sterk zijn. Ik kan even sterk zijn als Robb.’
    Hij reikte haar Naald aan met het gevest naar voren. ‘Alsjeblieft.’
    Vol verwondering keek ze naar het zwaard. Even was ze bang om het aan te raken, bevreesd dat het weer weggetrokken zou worden als ze haar hand ernaar uitstak, maar toen zei haar vader: ‘Ga je gang, het is van jou,’ en ze pakte het aan.
    ‘Mag ik het houden?’ zei ze. ‘Echt waar?’
    ‘Echt waar.’ Hij glimlachte. ‘Als ik het meenam zou ik ongetwijfeld binnen twee weken een morgenster onder je kussen aantreffen. Doe je best om het niet in je zuster te steken, hoezeer je ook geprovoceerd wordt.’
    ‘Ik zal het niet doen. Dat beloof ik.’ Terwijl haar vader afscheid nam drukte Arya Naald stevig tegen zich aan.
    De volgende ochtend bij het ontbijt bood ze Septa Mordane haar verontschuldigingen aan en vroeg haar om vergiffenis. De septa keek haar met toegeknepen ogen achterdochtig aan, maar vader knikte. Drie dagen daarna, midden op de dag, zond haar vaders rentmeester Vayon Poel Arya naar de kleine zaal. De schraagtafels waren opgeruimd en de banken tegen de muur geschoven. De zaal leek leeg, totdat een onbekende stem zei: ‘Je bent laat, jongen.’ Een onaanzienlijk mannetje met een kaal hoofd en een grote haakneus dook op uit de schaduwen met een paar smalle houten zwaarden in zijn hand. ‘Morgen ben je hier midden op de dag.’ Hij sprak met een accent, de tongval van een van de Vrijsteden, Braavos misschien, of Myr.
    ‘Wie bent u?’ vroeg Arya.
    ‘Ik ben je dansmeester.’ Hij wierp haar een van de houten zwaarden toe. Ze greep ernaar, miste en hoorde het op de vloer kletteren.
    ‘Morgen vang je het. En nu oprapen.’
    Het was niet gewoon maar een stok, maar een echt houten zwaard, compleet met een gevest, een pareerstang en een knop. Arya raapte het op. Zenuwachtig hield ze het met allebei haar handen vast en stak het voor zich uit. Het was zwaarder dan het leek, veel zwaarder dan Naald. De kale man klikte met zijn tanden. ‘Niet op die manier, jongen. Dit is geen slagzwaard dat je met twee handen hanteert. Neem het wapen in één hand.’
    ‘Het is te zwaar,’ zei Arya.
    ‘Het is zwaar omdat dat nodig is om je sterk te maken, en met het oog op de balans. Vanbinnen zit een holte die met lood gevuld is, exact. Eén hand is alles wat je nodig hebt.’
    Arya nam haar rechterhand van het gevest en veegde haar bezwete handpalm aan haar broek af. Het zwaard hield ze in haar linkerhand. Dat scheen hij goed te keuren. ‘De linker is prima. Alles andersom, dat maakt het lastiger voor je vijanden. Nu sta je verkeerd. Keer je lichaam opzij, exact. Je bent zo mager als een speerschacht, weet je dat? Ook prima, dan is het doelwit kleiner. Nu de greep. Laat eens kijken.’ Hij kwam dichterbij en keek nauwkeurig naar haar hand. Toen schoof hij haar vingers uit elkaar en verplaatste ze.
    ‘Exact. Niet zo hard knijpen, nee, je greep moet soepel zijn, subtiel.’
    ‘En als ik het laat vallen?’ zei Arya.
    ‘Het staal moeteen verlengstuk van je arm zijn,’ hield de kale man haar voor. ‘Kun je een stuk van je arm laten vallen? Nee. Negen jaar lang was Syrio Forel het voornaamste zwaard van de Zeeheer van Braavos, hij weet van wanten. Luister naar hem, jongen.’
    Dat was de derde keer dat hij haar jongen noemde. ‘Ik ben een meisje,’ protesteerde Arya.
    ‘Jongen, meisje,’ zei Syrio Forel. ‘Je bent een zwaard, dat is alles.’
    Hij klikte met zijn tanden. ‘Exact, dat is de greep. Je hebt geen strijdbijl in je hand, maar een…’
    ‘… naald,’ voltooide Arya fel.
    ‘Exact. Nu beginnen we aan de dans. En knoop dit in je oren, kind: het is niet de ijzeren dans van Westeros die we leren, de ridderdans, houwen en hakken, nee. Dit is de dans van de bravo, de waterdans, rap en abrupt. Alle mensen zijn van water, wist je dat?
    Als je ze doorboort lekt het water weg en sterven ze.’ Hij deed een stap naar achteren en hief zijn eigen houten kling op. ‘Nu ga je proberen mij te raken.’
    Arya probeerde hem te raken. Ze probeerde het vier uur lang, totdat elke spier in haar lichaam verkrampt was en zeer deed, terwijl Syrio Forel met zijn tanden klikte en haar vertelde wat ze moest doen.
    De volgende dag begon het echte werk.

Daenerys

    De zee van Dothrak,’ zei ser Jorah Mormont tegen haar terwijl hij naast haar op de heuveltop de teugels inhield. Beneden hen strekte de onmetelijke vlakte zich uit, een immense, weidse leegte die tot aan de verre horizon en daarachter reikte. Het was inderdaad een zee, dacht Dany. Van hieraf waren er geen heuvels, geen bergen, geen bomen of steden of wegen meer, maar slechts eindeloze graslanden waarop de halmen zich rimpelden als golven in de wind. ‘Wat groen,’ zei ze.
    ‘Hier en nu wel,’ beaamde ser Jorah. ‘Maar u moet het in bloei zien, een en al donkerrode bloemen, van horizon tot horizon, als een zee van bloed. Bij de komst van het droge seizoen neemt de wereld de kleur van oud brons aan. En dit is alleen nog maar hranna, kind. Er groeien daar honderden grassoorten, geel als citroen en donker als indigo, blauwe grassen, oranje grassen en grassen als de regenboog. Zuidwaarts in de Schaduwlanden achter Asshai zijn oceanen van spookgras, zeggen ze, hoger dan een ruiter te paard, met stelen zo bleek als melkglas. Dat verstikt al het andere gras en straalt in het donker de gloed van verdoemde geesten uit. De Dothraki beweren dat op een dag het spookgras de hele wereld zal overdekken, en dat er dan een einde komt aan al wat leeft.’
    Die gedachte bezorgde Dany de koude rillingen. ‘Daar praat ik nu liever niet over,’ zei ze. ‘Het is hier zo mooi dat ik er niet aan wil denken dat alles doodgaat.’
    ‘Zoals u wilt, khaleesi,’ zei ser Jorah eerbiedig. Ze hoorde stemmen en keek om. Zij en Mormont waren voor de rest van het gezelschap uit gereden, en nu waren de overigen de helling onder hen aan het beklimmen. Haar dienstmaagd Irri en de jonge boogschutters van haar khas bewogen zich vloeiend als centauren, maar Viserys had nog steeds moeite met de korte stijgbeugels en het platte zadel. Haar broer voelde zich hier ellendig. Hij had nooit mee moeten komen. Magister Illyrio had erop aangedrongen dat hij in Pentos zou wachten en hem de gastvrijheid van zijn eigen state aangeboden, maar daar had Viserys niet van willen horen. Hij zou bij Drogo blijven tot de schuld was afbetaald, tot hij de kroon bezat die hem beloofd was. ‘En als hij mij probeert te bedriegen zal hij tot zijn schade merken wat het wil zeggen de Draak te wekken,’ had Viserys gezworen met één hand op zijn geleende zwaard. Daarop had Illyrio met zijn ogen geknipperd en hem veel geluk gewenst. Dany realiseerde zich dat ze op dit ogenblik geen enkele klacht van haar broer wenste aan te horen. De dag was te volmaakt. De hemel was diepblauw, en hoog boven hen cirkelde een jagende havik. De zee van gras deinde en ruiste bij ieder zuchtje wind, de lucht voelde warm aan op haar gezicht, en zelf was ze vredig gestemd. Ze wilde niet dat Viserys dat zou bederven.
    ‘Wacht hier,’ zei Dany tegen ser Jorah. ‘Zeg dat ze allemaal stil moeten staan. Zeg hun dat ik het beveel.’
    De ridder glimlachte. Ser Jorah was geen knappe man. Hij had een stierennek en dito schouders, en zijn armen en borst waren zo dicht begroeid met ruig zwart haar dat er niets voor zijn hoofd was overgebleven. Maar zijn lachjes staken Dany een hart onder de riem.
    ‘U leert al spreken als een vorstin, Daenerys.’
    ‘Geen vorstin,’ zei Dany. ‘Een khaleesi.’ Met een ruk wendde ze haar paard en galoppeerde alleen de heuvel af.
    De afdaling was steil en stenig, maar Dany reed onbevreesd voort met een hart dat zong van vreugde en doodsverachting. Haar leven lang had ze van Viserys te horen gekregen dat ze een prinses was, maar pas sinds ze haar zilveren bereed voelde Daenerys Targaryen zich er een.
    Het was bepaald niet vanzelf gegaan. De khalasar was de ochtend na haar bruiloft opgebroken om naar Vaes Dothrak in het oosten te trekken, en op de derde dag had Dany gedacht dat ze doodging. Ze had afschuwelijke, bloedende wonden op haar billen van het zadel. Haar dijen waren rauw, haar handen zaten onder de blaren van de teugels en haar rug-en beenspieren waren zo gemangeld dat ze bijna niet kon zitten van de pijn. Bij het invallen van de schemering moesten haar dienstmaagden haar van haar paard helpen. Zelfs de nachten brachten geen verlichting. Onderweg negeerde Khal Drogo haar, zoals hij haar tijdens hun bruiloft had genegeerd, en ’s avonds zat hij te drinken met zijn krijgers en bloedruiters, liet hij zijn beste paarden om het hardst draven en keek hij toe hoe vrouwen dansten en mannen stierven. In dat deel van zijn leven was geen plaats voor Dany. Zij moest alleen eten, of met ser Jorah en haar broer, en zichzelf naderhand in slaap huilen. Maar elke nacht, soms vlak voor het ochtendkrieken, kwam Drogo naar haar tent om haar in het donker te wekken en haar even meedogenloos te berijden als zijn hengst. Hij nam haar altijd van achteren, zoals de Dothraki dat deden, waar Dany blij om was, want op die manier kon haar heer gemaal de tranen die haar gezicht nat maakten niet zien, en zij kon haar kreten van pijn in haar kussen smoren. Als hij klaar was deed hij zijn ogen dicht en begon zachtjes te snurken, en dan lag Dany naast hem met haar gekneusde, zere lijf dat te veel pijn deed om te slapen.
    Zo regen de dagen en nachten zich aaneen, totdat Dany besefte dat ze dit geen minuut langer uithouden kon. Op een nacht besloot ze liever zelfmoord te plegen dan nog langer zo door te gaan… Maar toen ze die nacht sliep droomde ze opnieuw de drakendroom. Ditmaal kwam Viserys er niet in voor, alleen zijzelf en de draak. Zijn schubben waren nachtzwart, vochtig en glibberig van het bloed. Haar bloed, besefte Dany onbewust. De ogen waren poelen gesmolten magma, en toen de draak zijn muil opende loeiden de vlammen in een hete straal naar buiten. Ze hoorde hoe hij haar toezong. Ze opende haar armen voor het vuur, omhelsde het, liet zich er volledig door verslinden, reinigen, temperen en schoonbranden. Ze voelde hoe haar vlees verschroeide, verkoolde en van haar afviel, voelde hoe haar bloed kookte en verdampte, en toch deed het geen pijn. Ze voelde zich sterk, nieuw en vurig.
    En de volgende dag leek de pijn vreemd genoeg een beetje minder te zijn. Het was of de goden haar hadden verhoord en mededogen met haar hadden gehad. Zelfs haar dienstmaagden merkten het verschil. ‘Khaleesi,’ zei Jhiqui, ‘wat is er? Bent u ziek?’
    ‘Ziek geweest,’ antwoordde ze terwijl ze zich over de drakeneieren boog die Illyrio haar voor haar huwelijk had gegeven. Ze raakte er een aan, het grootste van de drie, en liet haar hand vluchtig over de eierschaal glijden. Zwart met scharlaken, dacht ze, zoals de draak in mijn droom. Onder haar vingers voelde de steen eigenaardig warm aan… of droomde ze nog? Nerveus trok ze haar hand weg.
    Sindsdien viel elke dag haar lichter dan de vorige. Haar benen werden sterker, haar blaren sprongen en ze kreeg eelt op haar handen; haar zachte dijen verhardden zich en werden soepel als leer. De khal had de dienstmaagd Irri bevolen, Dany te leren rijden zoals de Dothraki dat deden, maar eigenlijk was de merrie haar leermeesteres. Het paard leek haar stemmingen aan te voelen, alsof ze één van geest waren. Naarmate de dagen verstreken zat Dany steeds steviger in het zadel. De Dothraki waren een hard, onsentimenteel volk, en ze waren niet gewoon hun dieren namen te geven, dus noemde Dany haar in gedachten alleen ‘de zilveren’. Nooit eerder was iets haar zo lief geweest.
    Toen het rijden niet meer zo’n beproeving was begon Dany de schoonheid van het land rondom haar op te merken. Ze reed aan het hoofd van de khalasar met Drogo en zijn bloedruiters en dus trof ze ieder gebied fris en onbedorven aan. Achter hen mocht de grote horde de grond omwoelen, de rivieren modderig maken en wolken verstikkend stof opwerpen, de velden vóór hen waren altijd groen en welig.
    Ze staken het golvende heuvelland van Norvos over, langs terrasvormige akkers en kleine dorpjes waarvan de bewoners angstvallig toekeken vanaf hun witgepleisterde muren. Ze doorwaadden drie brede, trage rivieren en een vierde die snel, smal en verraderlijk was, sloegen hun kamp op naast een hoge, blauwe waterval en trokken vlak langs de puinhopen van een uitgestrekte, dode stad, waarin naar men zei de geesten tussen de geblakerde marmeren zuilen klaagden. Ze galoppeerden over Valyrische wegen, duizend jaar oud en kaarsrecht als een Dothraki-pijl. Een halve maan lang reden ze door het Woud van Qohor, waar de bladeren een gulden baldakijn boven hun hoofden vormden en de boomstronken breed als stadspoorten waren. In die bossen leefden grote elanden en gevlekte tijgers en lemuren met een zilverkleurige vacht en enorme, purperen ogen, maar ze vluchtten allemaal voor de naderende khalasar, en Dany ving geen enkele glimp van ze op.
    Inmiddels was haar kwelling nog slechts een vervagende herinnering. Haar lichaam deed nog wel zeer na een lange dag te paard, maar om de een of andere reden was die pijn nu aangenaam, en elke ochtend steeg ze gretig op, begerig om te zien welke wonderen haar nu weer wachtten in de gebieden die voor haar lagen. Ze begon zelfs genoegen te beleven aan de nachten, en als ze nog kreten slaakte als Drogo haar nam was het niet altijd van pijn. Onder aan de heuvel groeide het gras hoog en buigzaam om haar heen. Dany vertraagde haar gang en reed op een drafje de vlakte op. Ze ging helemaal op in het groen, in zalige eenzaamheid. In de khalasar was ze nooit alleen. Khal Drogo kwam pas na zonsondergang bij haar, maar haar dienstmaagden zetten haar de maaltijd voor en deden haar in bad en sliepen voor de ingang van haar tent, Drogo’s bloedruiters en de mannen van haar khas waren nooit ver, en haar broer was dag en nacht haar onwelkome schaduw. Dany hoorde hoe hij boven op de heuvel tegen ser Jorah schreeuwde met een stem die schril was van woede. Ze reed door om zich nog dieper onder te dompelen in de zee van Dothrak.
    Het groen verzwolg haar. De lucht was doortrokken van de geur van aarde en gras, vermengd met het aroma van paardenvlees, Dany’s eigen zweet en de olie in haar haren. Dothraki-luchtjes. Ze leken bij haar te horen. Dany ademde ze allemaal in en lachte. Ineens voelde ze de wens opkomen om de grond onder haar voeten te voelen, met haar tenen in die zware, zwarte aarde om te woelen. Ze sprong uit het zadel en liet de zilveren grazen terwijl ze haar hoge laarzen uittrok.
    Viserys overrompelde haar als een zomerstorm, en hij trok zo hard aan de teugels dat zijn paard steigerde. ‘Hoe durf je!’ krijste hij tegen haar. ‘Jij deelt mij bevelen uit? MIJ?’ Hij stortte zich van het paard en struikelde bij het neerkomen. Met een rood gezicht krabbelde hij overeind. Hij greep haar en schudde haar door elkaar. ‘Ben je vergeten wie je bent? Kijk eens hoe je erbij loopt! Kijk eens!’
    Dany hoefde niet te kijken. Ze was barrevoets en had olie in haar haren, ze droeg de leren rij kleding van de Dothraki, en een beschilderd vest dat ze als bruidsgeschenk had gekregen. Ze zag eruit alsof ze hier hoorde. Viserys was vuil en vlekkerig, in stadse zij en maliën gehuld. Hij krijste nog steeds. ‘De Draak laat zich niet bevelen! Begrepen?
    Ik ben de heer van de Zeven Koninkrijken, en ik neem geen bevelen aan van de slet van een paardenvorst, heb je dat gehoord?’ Zijn hand schoof onder haar vest en zijn vingers boorden zich pijnlijk in haar borst. ‘Heb je dat gehoord?’
    Dany stootte hem hard van zich af.
    Viserys staarde haar aan, een ongelovige blik in zijn lila ogen. Ze had hem nooit eerder getrotseerd. Nooit teruggevochten. Zijn gezicht vertrok van woede. Nu zou ze het voelen, en hard ook, dat wist ze.
    Knal.
    De zweep knalde als een donderslag. Het snoer wond zich om Viserys’ nek en trok hem onderuit. Hij viel languit in het gras, verbijsterd en kokhalzend. De Dothraki-ruiters jouwden hem uit toen hij zich moeizaam probeerde los te maken. De man met de zweep, de jeugdige Jhogo, stelde met knarsende stem een vraag. Dany verstond hem niet, maar inmiddels was Irri gearriveerd, en ser Jorah, en de rest van haar khas. ‘Jhogo wil weten of u zijn dood wenst, khaleesi,’ zei Irri.
    ‘Nee,’ antwoordde Dany. ‘Nee.’
    Dat begreep Jhogo. Een van de anderen blafte een bevel, en de Dothraki lachten. Irri informeerde haar: ‘Quaro vindt dat u hem een oor moet afsnijden om hem respect bij te brengen.’
    Haar broer lag op zijn knieën. Zijn vingers wurmden zich onder de leren lussen en hij stootte onsamenhangende kreten uit, happend naar adem. De zweep zat strak om zijn luchtpijp.
    ‘Zeg dat ik niet wil dat hem iets wordt aangedaan,’ zei Dany. Irri herhaalde haar woorden in het Dothraki. Jhogo gaf een ruk aan de zweep en liet Viserys rondtollen als een marionet. Hij plofte opnieuw languit neer, bevrijd uit de omhelzing van het leer, een dunne, bloedige streep onder zijn kin, waar de zweep een diepe snee had gemaakt.
    ‘Ik had hem gewaarschuwd, vrouwe,’ zei ser Jorah Mormont. ‘Ik had hem gezegd dat hij op de heuveltop moest blijven, zoals u had bevolen.’
    ‘Dat weet ik,’ antwoordde Dany terwijl ze naar Viserys keek. Hij lag op de grond en zoog gierend zijn longen vol, rood aangelopen en snikkend. Hij was meelijwekkend. Hij was altijd meelijwekkend geweest. Waarom had ze dat nooit eerder gemerkt? In haar hart, daar waar haar angst had gehuisd, zat een lege plek.
    ‘Neem zijn paard,’ beval Dany ser Jorah. Viserys staarde haar met open mond aan. Hij kon zijn oren niet geloven, evenmin als Dany haar eigen woorden echt kon geloven. Toch sprak ze ze uit. ‘Laat mijn broer achter ons aan naar de khalasar teruglopen.’ Bij de Dothraki was een man die niet reed helemaal geen man, de minste der minsten, zonder eer of trots. ‘Laat iedereen hem zien zoals hij is.’
    ‘Nee!’ krijste Viserys. Hij keerde zich naar ser Jorah toe, smekend in de gewone omgangstaal, woorden die de ruiters niet zouden verstaan. ‘Sla haar, Mormont. Doe haar pijn. Uw koning beveelt het u. Maak die Dothraki-honden af en geef haar een lesje.’
    De verbannen ridder keek van Dany naar haar broer. Zij, barrevoets, met modder tussen haar tenen en olie in haar haren, hij in zijde en staal gehuld. Dany zag aan zijn gezicht welk besluit hij nam.
    ‘Hij gaat lopen, khaleesi,’ zei hij. Hij nam haar broers paard, terwijl Dany haar zilveren weer besteeg.
    Viserys gaapte hem aan en ging in de modder zitten. Hij zei niets, maar verroerde zich evenmin, en toen ze wegreden waren zijn ogen een en al venijn. Al snel was hij opgeslokt door het hoge gras. Toen hij niet meer te zien was werd Dany bang. ‘Kan hij de terugweg wel vinden?’ vroeg ze onder het rijden aan ser Jorah.
    ‘Zelfs iemand die zo blind is als uw broer moet in staat zijn ons spoor te volgen,’ antwoordde hij.
    ‘Hij is trots. Hij schaamt zich misschien te zeer om terug te komen.’
    Jorah lachte. ‘Waar moet hij anders heen? Als hij de khalasar niet vindt dan vindt de khalasar hem wel. In de zee van Dothrak verdrink je niet licht, mijn kind.’
    Daar zag Dany de juistheid van in. De khalasar was als een stad op mars, maar marcheerde niet blindelings. Er zwierven altijd verkenners ver voor de hoofdstoet uit, gespitst op ieder spoor van wild, buit of vijanden, terwijl hun flanken door de ruiters van de buitenwacht werden bewaakt. Hun ontging niets, niet hier in dit land, waar ze vandaan kwamen. Deze vlakten waren een deel van hen… en nu ook van haar.
    ‘Ik heb hem geslagen,’ zei ze met verbazing in haar stem. Nu het voorbij was leek het net een vreemde droom. ‘Ser Jorah, denkt u… hij zal zo woedend zijn als hij terugkomt…’ Ze huiverde. ‘Ik heb de Draak gewekt, hè?’
    Ser Jorah snoof. ‘Kun je de doden opwekken, meisje? Je broer Rhaegar was de laatste Draak, en hij sneuvelde bij de Drietand. Viserys is minder dan de schaduw van een slang.’
    Zijn onverbloemde taal verbaasde haar. Het leek of alles wat ze ooit had geloofd plotseling aan twijfel onderhevig was. ‘U… u hebt uw zwaard onder ede aan hem opgedragen…’
    ‘Dat heb ik, meisje,’ zei ser Jorah. ‘En als je broer de schaduw van een slang is, wat is dan de man die hem dient?’ Zijn stem klonk verbitterd.
    ‘Hij is nog altijd de ware koning. Hij is…’
    Jorah hield zijn paard in en keek haar aan. ‘De waarheid nu. Zou jij willen dat Viserys op een troon zit?’
    Dany dacht erover na. ‘Hij zou niet zo’n goede koning zijn, hè?’
    ‘Er zijn slechtere geweest… maar niet veel.’ De ridder drukte zijn hielen in zijn paard aan en reed weer door.
    Dany ging vlak naast hem rijden. ‘Toch,’ zei ze, ‘wacht het gewone volk op hem. Magister Illyrio zegt dat ze drakenbanieren naaien en bidden dat Viserys terugkeert van over de zee-engte om hen te bevrijden.’
    ‘Het gewone volk bidt om regen, gezonde kinderen en een zomer zonder eind,’ lichtte ser Jorah haar in. ‘Voor hen maakt het niet uit of de hoge heren het spel der tronen spelen, zolang zijzelf met rust worden gelaten.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘En dat worden ze nooit.’
    Een tijdlang reed Dany zwijgend verder en draaide zijn woorden om en om als een puzzeldoos. Het stond haaks op alles wat Viserys haar ooit had verteld om te denken dat het de mensen zo weinig interesseerde of ze werden geregeerd door de ware koning of door een usurpator. En toch, hoe langer ze over Jorahs woorden nadacht, hoe waarschijnlijker ze klonken.
    ‘Waar bidt u om, ser Jorah?’ vroeg ze hem.
    ‘Om mijn thuiskomst,’ zei hij. Zijn stem was schor van verlangen.
    ‘Daar bid ik ook om,’ zei ze, in de overtuiging dat het waar was. Ser Jorah lachte. ‘Kijk dan maar om u heen, khaleesi.’
    Maar het waren niet de vlakten die Dany toen zag. Het was Koningslanding en de grote Rode Burcht die door Aegon de Veroveraar was gebouwd. Het was Drakensteen, waar zij geboren was. Voor haar geestesoog brandden er duizend lichten, een vlammend vuur achter ieder venster. Voor haar geestesoog waren alle deuren rood.
    ‘Mijn broer zal de Zeven Koninkrijken nooit heroveren,’ zei Dany. Dat had ze al heel lang geweten, besefte ze. Haar hele leven al. Alleen had ze zichzelf nooit toegestaan die woorden zelfs maar te fluisteren. Nu zei ze ze hardop en voor iedereen hoorbaar tegen Jorah Mormont. Ser Jorah nam haar taxerend op. ‘Nee?’
    ‘Hij zou niet eens een leger kunnen aanvoeren als mijn heer gemaal hem er een gaf,’ zei Dany. ‘Hij heeft geen geld, en de enige ridder die hem volgt noemt hem minder dan een slang. De Dothraki drijven de spot met zijn zwakheid. Hij zal ons nooit thuisbrengen.’
    ‘Wijs kind.’ De ridder glimlachte.
    ‘Ik ben geen kind,’ zei ze fel tegen hem. Haar hielen drukten zich in de flanken van haar rijdier en zetten de zilveren tot galop aan. Steeds sneller reed ze, ver voor Jorah en Irri en de anderen uit, de warme wind in haar haren en de ondergaande zon rood op haar gezicht. Tegen de tijd dat ze de khalasar bereikte was het avond en wist Dany wat haar te doen stond.
    De slaven hadden haar tent opgezet aan de oever van een meertje dat in het voorjaar vol water stroomde. Uit het paleis van gevlochten gras op de heuvel hoorde ze ruwe stemmen. Nog even en er zou gelachen worden, als de mannen van haar khas vertelden wat zich vandaag in het gras had afgespeeld. Tegen de tijd dat Viserys terug kwam strompelen zouden alle mannen, vrouwen en kinderen in het kamp weten dat hij iemand was die liep. De khalasar kende geen geheimen.
    Dany gaf de zilveren aan de slaven over om geroskamd te worden en liep haar tent in. Onder de zijde was het koel en schemerig. Toen ze de tentflap achter zich dicht liet vallen zag Dany hoe een vinger van stoffig rood licht haar drakeneieren achter in de tent beroerde. Even deinde er een zee van scharlakenrode vlammetjes voor haar ogen. Toen ze knipperde waren ze weg.
    Steen, hield ze zichzelf voor. Ze zijn maar van steen. Zelfs Illyrio zei het, de draken zijn allemaal dood. Ze legde haar handpalm op het zwarte ei, haar vingers voorzichtig om de welving van de schaal gespreid. De steen was warm. Bijna heet. ‘De zon,’ fluisterde Dany.
    ‘Ze zijn onderweg door de zon opgewarmd.’
    Ze beval haar dienstmaagden een bad voor haar klaar te maken. Doreah stak vóór de tent een vuur aan, terwijl Irri en Jhiqui bij de pakpaarden de grote koperen tobbe — ook een bruidsgeschenk — ophaalden en water uit het meertje aandroegen. Toen het bad dampte hielp Irri haar erin en klom er toen zelf bij.
    ‘Hebben jullie ooit een draak gezien?’ vroeg ze toen Irri haar rug schrobde en Jhiqui het zand uit haar haren spoelde. Ze had gehoord dat de eerste draken uit het oosten waren gekomen, uit de Schaduwlanden achter Asshai en de eilanden in de Jaden Zee. Misschien leefden er daar nog steeds een paar in vreemde, wilde rijken.
    ‘Draken zijn weg, khaleesij zei Irri.
    ‘Dood,’ beaamde Jhiqui. ‘Lang en lang geleden.’
    Viserys had haar verteld dat de laatste draken van de Targaryens pas anderhalve eeuw geleden waren gestorven, tijdens de regering van Aegon m, die de Drakendoder werd genoemd. Dat leek Dany niet zo lang geleden. ‘Overal?’ zei ze teleurgesteld. ‘Zelfs in het oosten?’ In het westen was de magie verdwenen toen de Doem over Valyria en de landen van de Lange Zomer kwam en noch door wapens van betoverd staal, noch door stormzangers, noch door draken te stuiten was, maar Dany had altijd gehoord dat het oosten anders was. Men zei dat er op de eilanden in de Jaden Zee manticora’s rondslopen, dat de oerwouden van Yi Ti wemelden van de basilisken, dat spreukenzangers, heksenmeesters en luchtbezweerders in Asshai openlijk hun vaardigheden beoefenden terwijl schaduwbinders en bloedmagiërs hun gruwelijke zwarte kunsten in het holst van de nacht bedreven. Waarom zouden er niet ook draken zijn?
    ‘Geen draak,’ zei Irri. ‘Dappere mannen doden ze, want draak vreselijke slechte beesten. Dat is bekend.’
    ‘Dat is bekend,’ beaamde Jhiqui.
    ‘Een handelaar uit Quarth heeft me eens verteld dat draken van de maan kwamen,’ zei de blonde Doreah, die bezig was een handdoek te warmen boven het vuur. Jhiqui en Irri waren even oud als Dany, Dothraki-meisjes die slavin waren geworden toen Drogo de khalasar van hun vader had verwoest. Doreah was ouder, bijna twintig. Magister Illyrio had haar aangetroffen in een huis van plezier in Lys.
    Zilverblonde, natte haren vielen voor haar ogen toen Dany nieuwsgierig haar hoofd omdraaide. ‘De maan?’
    ‘Hij zei dat de maan een ei was, khaleesi,’ zei het meisje uit Lys.
    ‘Eens stonden er twee manen aan de hemel, maar de een kwam te dicht bij de zon in de buurt en barstte open door de hitte. Er stroomden duizend en nog eens duizend draken uit, en die dronken het vuur van de zon. Daarom braakt een draak vlammen uit. Op een dag zal ook de andere maan de zon kussen en barsten, en dan komen de draken terug.’
    De twee Dothraki-meisjes giechelden en lachten. ‘Jij bent dwaze strokop-slavin,’ zei Irri. ‘Maan is geen ei. Maan is god, vrouw gemalin van zon. Dat is bekend.’
    ‘Dat is bekend,’ beaamde Jhiqui.
    Dany’s huid was helemaal rozig toen ze uit de tobbe klom. Jhiqui vlijde haar neer om haar lichaam met olie in te wrijven en het vuil uit haar poriën te schrapen, en ten slotte besprenkelde Irri haar met kruidenbloesem en kaneel. Terwijl Doreah haar haren borstelde tot ze glansden als gesponnen zilver dacht ze na over de maan, en eieren, en draken. Haar avondmaaltijd was eenvoudig, fruit, kaas en geroosterd brood met een kruik honingwijn om het weg te spoelen. ‘Doreah, blijf jij bij me eten,’ beval Dany toen ze haar andere dienstmaagden wegzond. Het meisje uit Lys had honingkleurig haar en ogen als de zomerhemel.
    Die sloeg ze neer toen ze alleen waren. ‘U eert mij, khaleesi,’ zei ze, maar het was geen eer, het was slechts een dienst. Nog lang nadat de maan was opgegaan zaten ze samen te praten. Toen Khal Drogo die nacht kwam, wachtte Dany hem op. Hij stond in haar tentopening en keek verrast naar haar. Langzaam kwam ze overeind, opende haar zijden slaapgewaad en liet het op de grond vallen. ‘Vannacht moeten we naar buiten gaan, heer,’ zei ze tegen hem, want de Dothraki geloofden dat alle belangrijke gebeurtenissen in het leven van een man onder de blote hemel dienden plaats te vinden.
    Khal Drogo volgde haar het maanlicht in, en de belletjes in zijn haar rinkelden zachtjes. Een paar passen van haar tent was een bed van zacht gras, en op die plaats trok Dany hem omlaag. Toen hij haar wilde omdraaien legde ze een hand op zijn borst. ‘Nee,’ zei ze.
    ‘Vannacht wil ik u aankijken.’
    Er bestaat geen afzondering in het hart van de khalasar. Terwijl ze hem ontkleedde voelde ze ogen op zich gericht, en ze hoorde gedempte stemmen toen ze deed wat Doreah had gezegd. Het deerde haar niet. Was zij geen khaleesi’} Alleen zijn blikken deden ertoe, en toen ze hem besteeg ontwaarde ze daarin iets dat ze nooit eerder had gezien. Ze had haar zilveren nooit met méér vuur bereden dan ze hem nu deed, en toen zijn genot een hoogtepunt bereikte riep Khal Drogo luidkeels haar naam.
    Ze waren aan het andere uiteinde van de zee van Dothrak toen Jhiqui met haar vingers over de zachte zwelling van Dany’s buik streek en zei: ‘Khaleesi, u krijgt een kind.’
    ‘Dat weet ik,’ zei Dany tegen haar.
    Het was haar veertiende naamdag.

Bran

    Beneden op de binnenplaats rende Rickon met de wolven rond. Bran zat in de vensterbank toe te kijken. Waar het jochie ook heen liep, Grijze Wind was er het eerst. Soepel schoot hij naar voren om hem de pas af te snijden, totdat Rickon hem zag en schaterend van verrukking een andere kant op holde. Ruige Hond rende vlak achter hem aan en draaide grauwend om zijn as als de andere wolven te dicht in de buurt kwamen. Zijn vacht was steeds donkerder geworden en ten slotte helemaal zwart. Zijn ogen straalden een groen vuur uit. Brans Zomer liep achteraan. Zijn tint was zilver met rook en hij had goudgele ogen die alles zagen wat er te zien viel. Hij was kleiner dan Grijze Wind, en meer op zijn hoede. Bran vond dat hij de slimste van het nest was. Hij hoorde Rickon stikkend van de lach op zijn peuterbeentjes over de aangestampte aarde draven.
    Zijn ogen prikten. Hij wilde ook beneden lachen en rondrennen. Toen hij dat dacht werd hij boos en wreef de tranen weg voor ze konden vallen. Zijn achtste naamdag was gekomen en gegaan. Hij was nu bijna een man, te oud om te huilen.
    ‘Het was gewoon een leugen,’ zei hij verbitterd, denkend aan de kraai uit zijn droom. ‘Ik kan niet vliegen. Ik kan niet eens hardlopen.’
    ‘Alle kraaien zijn leugenaars,’ beaamde Ouwe Nans vanaf de stoel waarop ze met haar naalden in de weer was. ‘Ik weet een verhaaltje over een kraai.’
    ‘Ik wil geen verhaaltjes meer,’ beet Bran haar verongelijkt toe. Vroeger was hij dol op Ouwe Nans en haar verhalen geweest. Daarvóór. Nu was het_anders. Nu lieten ze haar de ganse dag bij hem om op hem te passen, hem te verschonen en zijn eenzaamheid te verlichten, maar ze maakte het er alleen maar erger op. ‘Ik heb de pest aan die stomme verhaaltjes van jou.’
    De oude vrouw wierp hem haar tandeloze glimlach toe. ‘Mijn verhaaltjes? Nee jonge heer, niet de mijne. Die verhaaltjes zijn er, vóór mij en na mij, en ook voordat jij er was.’
    Nans was een oerlelijk oud wijf, dacht Bran boosaardig, gekrompen en gerimpeld, bijna blind, te zwak om de trap op te klimmen, met nog maar een paar witte haarslierten als bedekking voor een vlekkerige roze hoofdhuid. Niemand wist hoe oud ze eigenlijk was, maar zijn vader zei dat ze ook al Ouwe Nans werd genoemd toen hij nog een jongen was. Ze was zonder twijfel de oudste bewoner van Winterfel, misschien wel de oudste van de Zeven Koninkrijken. Nans was op het kasteel gekomen als min voor een Brandon Stark wiens moeder bij zijn geboorte was gestorven. Dat was een oudere broer van heer Rickard, Brans grootvader, of misschien een jongere broer, of een broer van heer Rickards vader. Nu eens vertelde Ouwe Nans het zus en dan weer zo. In alle verhalen stierf het jongetje op driejarige leeftijd aan een zomerkou, maar Ouwe Nans bleef met haar eigen kinderen op Winterfel. Ze had allebei haar zonen verloren in de oorlog, toen koning Robert de troon veroverde, en haar kleinzoon was op de wallen van Pyke gesneuveld tijdens de opstand van Balon Grauwvreugd. Haar dochters waren al lang geleden getrouwd, vertrokken en gestorven. De enige bloedverwant die haar nog restte was Hodor, de zwakzinnige reus die in de stallen werkte, maar Ouwe Nans leefde alsmaar door en doodde de tijd met breien en verhalen vertellen.
    ‘Het kan me niet schelen van wie die verhaaltjes zijn,’ zei Bran tegen haar. ‘Ik heb er een hekel aan.’ Hij wilde geen verhaaltjes, en ook geen Ouwe Nans. Hij wilde zijn vader en moeder. Hij wilde rondhollen met Zomer aan zijn zij. Hij wilde in de torenruïne klimmen en de kraaien maïs voeren. Hij wilde weer samen met zijn broers uit rijden op zijn pony. Hij wilde dat alles weer zo werd als het vroeger was.
    ‘Ik ken een verhaaltje over een jongen die niet van verhaaltjes hield,’ zei Ouwe Nans met dat stompzinnige lachje van haar, terwijl haar naalden geen ogenblik stilvielen, klik klik klik, totdat Bran het wel uit kon schreeuwen.
    Het zou nooit meer worden zoals het vroeger was, dat wist hij. De kraai had hem verleid om te vliegen, maar toen hij wakker werd was hij verminkt en de wereld veranderd. Ze hadden hem allemaal in de steek gelaten, zijn vader, zijn moeder, zijn zusjes en zelfs zijn bastaardbroer Jon. Zijn vader had beloofd dat hij op een echt paard naar Koningslanding mocht rijden, maar ze waren zonder hem weggegaan. Maester Luwin had een brief met een bericht achter heer Eddard aan gestuurd, en nog een naar moeder, en een derde naar Jon op de Muur, maar er was geen antwoord op gekomen. ‘Soms raken de vogels weg, kind,’ had de maester tegen hem gezegd. ‘Vele mijlen en vele haviken scheiden hen van Koningslanding, en misschien is het bericht niet aangekomen.’ Maar voor Bran was het alsof ze allemaal waren gestorven terwijl hij sliep… of misschien was Bran wel gestorven en waren zij hem vergeten. Jory en ser Rodrik en Vayon Poel waren ook al weg, en Hullen en Harwin en Dikke Torn en een kwart van de wacht.
    Alleen Robb en de kleine Rickon waren nog hier, en Robb was veranderd. Hij was nu heer Robb, of probeerde dat althans te zijn. Hij droeg een echt zwaard en glimlachte nooit. Hij bracht zijn tijd door met het exerceren van de wacht en met zwaardoefeningen, zodat de klank van staal over de binnenplaats galmde terwijl Bran vanuit zijn raam troosteloos toekeek, ’s Nachts sloot hij zich op met Maester Luwin om te praten of de boekhouding door te nemen. Soms reed hij uit met Hallis Mollen en bleef hij dagen achtereen weg. Dan bezocht hij afgelegen ridderhoven. Telkens als hij meer dan een dag wegbleef begon Rickon te huilen en vroeg hij aan Bran of Robb ooit nog terugkwam. Zelfs als hij thuis in Winterfel was leek heer Robb meer tijd te hebben voor Hallis Mollen en Theon Grauwvreugd dan hij ooit voor zijn broertjes had.
    ‘Ik zou je het verhaal van Brandon de Bouwheer kunnen vertellen,’ zei Ouwe Nans. ‘Dat was altijd je lievelingsverhaal.’
    Vele duizenden jaren geleden had Brandon de Bouwheer Winterfel laten optrekken, en naar sommigen zeiden ook de Muur. Bran kende het verhaal, maar het was nooit zijn favoriet geweest. Misschien had een van de andere Brandons het een leuk verhaal gevonden. Soms praatte Nans tegen hem alsof hij haar Brandon was, de baby die ze al die jaren geleden had gevoed, en soms verwarde ze hem met zijn oom Brandon, die door de Krankzinnige Koning was vermoord voordat Bran zelfs maar was geboren. Ze leefde al zo lang, had moeder eens gezegd, dat alle Brandon Starks in haar hoofd tot één persoon waren versmolten.
    ‘Dat is niet mijn lievelingsverhaal,’ zei hij. ‘Ik hield het meest van griezelverhalen.’ Hij ving buiten enige beroering op en keerde zich weer naar het raam toe. Rickon rende over de binnenplaats naar het poortgebouw met de wolven achter zich aan, maar de toren keek de verkeerde kant op, zodat Bran niet kon zien wat er aan de hand was. Hij sloeg van frustratie met zijn vuist op zijn dij en voelde niets.
    ‘Ach, mijn lieve zomerkind,’ zei Ouwe Nans bedaard, ‘wat weet jij nu van griezelen? Griezelen is voor de winter, jonge heer, als de sneeuw honderd voet hoog ligt en de ijswind huilend uit het noorden blaast. Griezelen is voor de lange nacht waarin de zon jaren achtereen haar aangezicht verbergt en kleine kinderen geboren worden, leven en sterven in het donker, terwijl de schrikwolven mager en hongerig worden en de witte zwervers door de wouden waren.’
    ‘Je bedoelt de Anderen,’ zei Bran op een ruzietoon.
    ‘De Anderen,’ beaamde Ouwe Nans. ‘Vele duizenden jaren geleden geviel het dat er een winter was, kouder, strenger en eindelozer dan enig mens zich kon herinneren. Er kwam een nacht die een generatie duurde, en in hun kastelen huiverden en stierven de koningen net zo goed als de zwijnenhoeders in hun hutten. Vrouwen smoorden hun kinderen liever dan hen te zien verhongeren, en als ze huilden voelden ze de tranen op hun wangen bevriezen.’ Haar stem en haar naalden vielen stil, en ze keek met fletse, wazige ogen naar Bran op en vroeg: ‘En kind, is dit het soort verhaal dat je graag hoort?’
    ‘Nou,’ zei Bran aarzelend, ‘ja, alleen…’
    Ouwe Nans knikte. ‘In die duisternis kwamen de Anderen voor het eerst,’ zei ze, terwijl haar naalden ‘klik klik klik deden. ‘Het waren koude wezens, dode wezens, die ijzer en vuur en de aanraking van de zon haatten, en alle warmbloedige schepselen. Ze liepen ridderhoven, steden en koninkrijken onder de voet, en versloegen helden en legers bij tientallen op hun vale, dode paarden, aan het hoofd van scharen gesneuvelden. Al de zwaarden der mensen konden hun opmars niet stuiten en zelfs jonge meisjes en zuigelingen vonden geen genade in hun ogen. Ze achtervolgden de meisjes door vrieskoude bossen en voedden hun dode dienaren met het vlees van mensenkinderen.’
    Haar stem was heel zacht geworden, bijna een fluistering, en Bran merkte dat hij voorovergebogen zat te luisteren.
    ‘Welnu, dat waren de dagen voordat de Andalen kwamen, en lang voordat de vrouwen uit de steden van de Rhoyne over de zee-engte vluchtten, en de honderd koninkrijken van die tijd waren de koninkrijken der Eerste Mensen, die deze gebieden aan de kinderen van het woud hadden ontnomen. Maar hier en daar in het bolwerk van het woud huisden de kinderen nog in hun houten steden en holle heuvels, en de gezichten in de bomen hielden de wacht. En dus, toen kilte en dood de aarde vervulden, besloot de laatste held die kinderen op te zoeken, in de hoop dat hun oeroude magie terug kon winnen wat de legers der mensen hadden verloren. Hij trok de dode landen in met een zwaard, een paard, een hond en een twaalftal metgezellen. Jarenlang zocht hij, tot hij geen enkele hoop meer had dat hij kinderen van het woud in hun geheime steden ooit zou vinden. Een voor een stierven zijn vrienden, en zijn paard stierf, en ten slotte zelfs zijn hond, en zijn zwaard raakte zo stijf bevroren dat de kling brak toen hij het trachtte te gebruiken. En de Anderen roken het warme bloed in zijn aderen en volgden geluidloos zijn spoor en beslopen hem met troepen witte spinnen, als jachthonden zo groot…’
    De deur vloog met een klap open, en het hart klopte Bran in de keel van schrik, maar het was Maester Luwin maar, en op de trap achter hem doemde Hodor op. ‘Hodor!’ verklaarde de stalknecht gewoontegetrouw en wierp hen allemaal een brede lach toe. Maester Luwin glimlachte niet. ‘We hebben bezoek,’ deelde hij mee, ‘en jouw aanwezigheid wordt vereist, Bran.’
    ‘Ik luister nu naar een verhaal,’ protesteerde Bran.
    ‘Verhalen kunnen wachten, jonge heer, en als je ernaar terugkeert, nou, dan zijn ze er nog,’ zei Ouwe Nans. ‘Bezoekers zijn minder geduldig, en vaak brengen ze hun eigen verhalen mee.’
    ‘Wie is het?’ vroeg Bran aan Maester Luwin.
    ‘Tyrion Lannister en een paar mannen van de Nachtwacht met een bericht van je broer Jon. Robb ontvangt ze nu. Hodor, wil jij Bran omlaag dragen naar de zaal?’
    ‘Hodor!’ bevestigde Hodor blijmoedig. Hij trok zijn grote, ruige hoofd in om onder de deur door te kunnen. Hodor was bijna zeven voet lang. Het was nauwelijks te geloven dat hij een bloedverwant van Ouwe Nans was. Bran vroeg zich af of hij net zo zou krimpen als zijn overgrootmoeder als hij oud werd. Maar al werd Hodor duizend jaar, het leek hem niet waarschijnlijk. Hodor tilde Bran met evenveel gemak op als een baal hooi en drukte hem tegen zijn massieve borst. Hij rook altijd enigszins naar paarden, maar dat was geen onaangename lucht. Zijn armen waren een en al spierbundel en dicht begroeid met bruin haar. ‘Hodor,’ zei hij weer. Hodor wist dan niet veel, had Theon Grauwvreugd eens opgemerkt, maar het stond buiten kijf dat hij zijn eigen naam kende. Ouwe Nans had gekakeld als een kip toen Bran haar dat vertelde en bekend dat Hodors eigenlijke naam Walder luidde. Niemand wist waar ‘Hodor’ vandaan kwam, zei ze, maar toen hij het was gaan zeggen was iedereen hem zo gaan noemen. Het was het enige woord dat hij kende.
    Ze lieten Ouwe Nans in de torenkamer achter met haar breinaalden en haar herinneringen. Toonloos neuriënd droeg Hodor Bran de trap af en de galerij over, gevolgd door Maester Luwin, die zich moest haasten om de stalknecht met zijn grote stappen bij te houden.
    Robb zat in vaders hoge zetel, gehuld in maliën en verhard leer en met het strenge gezicht van heer Robb. Achter hem stonden Theon Grauwvreugd en Hallis Mollen. Langs de grauwe stenen muren onder de lange smalle vensters stond een twaalftal wachters opgesteld. Midden in het vertrek stonden de dwerg met zijn bedienden en vier vreemdelingen in het zwart van de Nachtwacht. Zodra Hodor hem de ‘deuren door droeg merkte Bran dat er in de zaal een sfeer van boosheid hing.
    ‘Alle mannen van de Nachtwacht zijn welkom in Winterfel zolang ze maar willen,’ zei Robb met de stem van heer Robb. Zijn zwaard lag over zijn knieën, het staal heel zichtbaar ontbloot. Zelfs Bran wist wat het wilde zeggen als je met getrokken zwaard een gast ontving.
    ‘Alle mannen van de Nachtwacht,’ herhaalde de dwerg, ‘maar ik niet, heb ik dat goed begrepen, jongen?’
    Robb stond op en wees met zijn zwaard naar het kleine mannetje. ‘Zolang mijn vader en moeder weg zijn ben ik hier heer, Lannister. Ik ben je jongen niet.’
    ‘Als jij een heer bent, leer je dan ook te gedragen als een heer,’ antwoordde het kleine mannetje en negeerde de zwaardpunt voor zijn gezicht. ‘Het lijkt wel of je bastaardbroer al je vaders deugden heeft geërfd.’
    ‘Jon,’ hijgde Bran in Hodors armen.
    De dwerg draaide zich om en keek naar hem. ‘Dus het klopt. De jongen leeft nog. Ik kon het nauwelijks geloven. Jullie Starks zijn een taai stel.’
    ‘Dat moeten jullie Lannisters dan maar goed onthouden,’ zei Robb en liet zijn zwaard zakken. ‘Hodor, breng mijn broer hier.’
    ‘Hodor,’ zei Hodor, en hij sjokte glimlachend naar voren en zette Bran in de hoge zetel van de Starks, waarin de heren van Winterfel hadden gezeten sinds ze zich koningen van het Noorden noemden. De zetel was van koude steen, gladgeschuurd door ontelbare achterwerken. Aan de uiteinden van de massieve armleuningen ontblootten de gebeeldhouwde koppen van schrikwolven hun tanden. Bran greep ze vast toen hij ging zitten, terwijl zijn benen machteloos omlaag bungelden. In deze enorme zetel voelde hij zich half een baby. Robb legde een hand op zijn schouder. ‘Je zei dat je Bran iets te zeggen had. Welnu, hier is hij, Lannister.’
    Bran was zich onaangenaam bewust van Tyrion Lannisters ogen. Het ene was zwart en het andere groen en ze keken hem allebei aan, onderzoekend, taxerend. ‘Ik had gehoord dat je een hele klimmer was, Bran,’ zei het kleine mannetje ten slotte. ‘Vertel eens, hoe komt het dat je die dag gevallen bent?’
    ‘Ik ben niet gevallen,’ zei Bran met klem. Hij viel nooit, nooit, nooit.
    ‘Het kind kan zich niets meer van zijn val herinneren, noch van de klauterpartij die eraan voorafging,’ zei Maester Luwin vriendelijk.
    ‘Eigenaardig,’ zei Tyrion Lannister.
    ‘Mijn broer is hier niet om vragen te beantwoorden, Lannister,’ zei Robb kortaf. ‘Zeg wat je te zeggen hebt en vertrek dan.’
    ‘Ik heb iets voor je meegebracht,’ zei de dwerg tegen Bran. ‘Ga je graag uit rijden, jongen?’
    Maester Luwin kwam naar voren. ‘Heer, het kind kan zijn benen niet meer gebruiken. Hij kan niet op een paard zitten.’
    ‘Onzin,’ zei Lannister. ‘Op het juiste paard en met het juiste zadel kan iedere kreupele rijden.’
    Het woord stak Bran als een mes in het hart. Hij voelde de tranen ongevraagd in zijn ogen springen. ‘Ik ben niet kreupel!’
    ‘Dan ben ik geen dwerg!’ zei de dwerg met een scheve mond. ‘Het zal mijn vader verheugen om dat te horen.’ Grauwvreugd lachte.
    ‘Over wat voor paard en zadel hebt u het?’ vroeg Maester Luwin.
    ‘Een slim paard,’ antwoordde Lannister. ‘De jongen kan zijn benen niet gebruiken om het dier te besturen, dus moet het paard gevormd worden naar de berijder en op de teugels leren reageren, en op de stem. Ik zou beginnen met een ongetemde eenjarige, die niets hoeft af te leren.’ Hij trok een opgerold papier achter zijn riem vandaan. ‘Geef dit maar aan jullie zadelmaker. Dan zorgt hij voor de rest.’
    Maester Luwin nam het papier van de dwerg aan, nieuwsgierig als een grijs eekhoorntje. Hij rolde het uit en bestudeerde het. ‘Ik begrijp het. U kunt heel aardig tekenen, heer. Ja, wie weet lukt het. Ik had dit zelf moeten bedenken.’
    ‘Mij ging dat gemakkelijker af, maester. Het verschilt niet zo heel veel van mijn eigen zadels.’
    ‘Kan ik dan echt rijden?’ vroeg Bran. Hij wilde hen graag geloven, maar hij durfde niet. Misschien was het gewoon wéér een leugen. De kraai had hem beloofd dat hij zou kunnen vliegen.
    ‘Dat klopt,’ zei de dwerg tegen hem. ‘En ik zweer je, jongen, te paard ben je even groot als ieder ander.’
    Robb Stark leek het niet te begrijpen. ‘Is dit een of andere valstrik, Lannister? Wat betekent Bran voor jou? Waarom zou je hem willen helpen?’
    ‘Je broer Jon heeft het me gevraagd. En ik heb een zwakke plek voor kreupelen, bastaarden en kneusjes.’ Tyrion Lannister legde een hand op zijn hart en grijnsde.
    De deur naar de binnenplaats vloog open en het zonlicht stroomde de zaal binnen. Rickon kwam ademloos binnenstuiven. Hij had de schrikwolven bij zich. De jongen bleef met grote ogen bij de deur staan, maar de wolven liepen door. Hun ogen zagen Lannister, of misschien snoven ze zijn lucht op. Zomer begon eerst te grommen. Daarna volgde Grijze Wind. Ze stapten op het kleine mannetje af, een van rechts en een van links.
    ‘Je lucht bevalt de wolven niet, Lannister,’ merkte Theon Grauwvreugd op.
    ‘Misschien wordt het tijd dat ik wegga,’ zei Tyrion. Hij deed een stap achteruit, en vanuit de schaduwen achter hem dook Ruige Hond op en grauwde. Lannister week terug, en Zomer viel van de andere kant naar hem uit. Hij wankelde op onvaste benen opzij, en Grijze Wind hapte naar zijn arm. Tanden rukten aan zijn mouw en rukten een flard stof af.
    ‘Nee!’ schreeuwde Bran in de hoge zetel terwijl Lannisters mannen naar hun wapens grepen. ‘Zomer, af! Hier, Zomer!’
    De schrikwolf hoorde de stem, keek even naar Bran en toen weer naar Lannister. Hij schuifelde naar achteren, bij het kleine mannetje vandaan, en ging onder Brans bungelende benen zitten. Robb had zijn adem ingehouden. Hij liet die met een zucht ontsnappen en riep: ‘Grijze Wind.’ Zijn schrikwolf liep snel en geluidloos naar hem toe. Nu was alleen Ruige Hond er nog, die met vurige groene ogen tegen het kleine mannetje stond te grommen.
    ‘Rickon, roep hem bij je,’ riep Bran tegen zijn broertje, en Rickon kwam tot zichzelf en schreeuwde: ‘Hier, Ruige, kom hier.’ De zwarte wolf grauwde nog een laatste maal naar Lannister en draafde toen naar Rickon, die zijn armen stevig om de nek van het dier sloeg. Tyrion Lannister deed zijn sjaal af, depte daarmee zijn voorhoofd en zei op vlakke toon. ‘Heel interessant.’
    ‘Is alles goed met u, heer?’ vroeg een van zijn mannen met het zwaard in de hand. Terwijl hij het zei gluurde hij nerveus naar de schrikwolven.
    ‘Mijn mouw is gescheurd en mijn broek is onverklaarbaar vochtig, maar afgezien van mijn waardigheid is er niets beschadigd.’
    Zelfs Robb keek geschokt. ‘De wolven… ik begrijp niet waarom ze dat deden…’
    ‘Ze zagen me ongetwijfeld voor hun maaltijd aan.’ Lannister maakte een stijve buiging naar Robb. ‘Dank u dat u ze hebt teruggeroepen, jonge ser. Ik kan u verzekeren dat ze me onverteerbaar hadden gevonden. En nu ga ik echt weg.’
    ‘Een ogenblik nog, heer,’ zei Maester Luwin. Hij liep naar Robb, en ze bogen zich fluisterend naar elkaar toe. Bran probeerde te verstaan wat ze zeiden, maar hun stemmen waren te zacht. Ten slotte stak Robb Stark zijn zwaard op. ‘Ik heb misschien overijld tegen u gesproken,’ zei hij. ‘U hebt Bran een dienst bewezen, en, eh, wel…’ Het kostte Robb moeite om beheerst te klinken. ‘Als u dat wenst bied ik u de gastvrijheid van Winterfel aan, Lannister.’
    ‘Bespaar me je valse beleefdheid, jongen. Je moet me niet en je wilt me hier niet. Ik heb buiten de muren in de winterstad een herberg gezien. Als ik daar een bed kan krijgen slapen we allebei veel rustiger. Wie weet vind ik voor een paar duiten wel een leuke meid om de lakens voor me te warmen.’ Hij richtte zich tot een van de zwarte broeders, een oude man met een kromme rug en een baard vol klitten. ‘Yoren, we vertrekken bij het aanbreken van de dag naar het zuiden. Je zult me onderweg ongetwijfeld weten te vinden.’ En hij waggelde op zijn korte beentjes de zaal door en langs Rickon de deur uit en was vertrokken. Zijn mannen volgden hem. De vier leden van de Nachtwacht bleven. Onzeker richtte Robb zich tot hen. ‘Ik heb kamers voor u in gereedheid laten brengen, en het zal u niet aan warm water ontbreken om het stof van de weg van u af te wassen. Ik hoop dat u ons vanavond de eer aan wilt doen met ons aan te zitten aan de maaltijd.’ Het kwam er zo moeizaam uit dat het zelfs Bran opviel. Hij dreunde een lesje op en zijn woorden kwamen niet uit het hart, maar desondanks uitten de zwarte broeders hun dankbaarheid.
    Toen Hodor Bran naar zijn bed terugbracht liep Zomer over de torentrap achter hen aan. Ouwe Nans zat in haar stoel te slapen. Hodor zei ‘Hodor’, tilde zijn zacht snurkende overgrootmoeder op en droeg haar de kamer uit, terwijl Bran lag na te denken. Robb had hem beloofd dat hij met de Nachtwacht in de grote zaal aan het banket mocht aanzitten. ‘Zomer,’ riep hij. De wolf sprong op zijn bed.
    ‘Ik kan nu rijden,’ fluisterde hij tegen zijn vriend. ‘Binnenkort kunnen we in de bossen op jacht, je zult het zien.’ Na een poosje viel hij in slaap.
    In zijn droom was hij weer aan het klimmen. Hij werkte zich omhoog langs een oeroude toren zonder ramen. Zijn vingers wurmden zich tussen geblakerde stenen, zijn voeten zochten naar weerstand. Steeds hoger klom hij, door de wolken heen de nachthemel in, en nóg bleef de toren voor hem oprijzen. Toen hij even stopte en naar beneden keek duizelde het hem en voelde hij hoe zijn vingers weggleden. Bran schreeuwde het uit en klampte zich uit alle macht vast. De aarde was duizend mijl onder hem en hij kon niet vliegen. Hij kon niet vliegen. Hij wachtte totdat zijn hart was opgehouden met bonzen, totdat hij weer adem kreeg, en klom door. Hij moest omhoog, hij had geen andere keus. Ver boven hem, afgetekend tegen een bleke maan, meende hij de omtrekken van gargouilles te zien. Zijn armen waren verkrampt en pijnlijk, maar hij durfde niet uit te rusten. Hij dwong zichzelf om sneller te klimmen. De gargouilles sloegen zijn klim gade. Hun ogen gloeiden rood als hete kolen in een komfoor. Misschien waren het eens leeuwen geweest, maar nu waren ze verwrongen en grotesk. Bran hoorde hoe ze elkaar toefluisterden met zachte, stenen stemmen die vreselijk waren om aan te horen. Hij hield zichzelf voor dat hij niet moest luisteren, hij mocht hen niet horen, zolang hij hen niet hoorde was hij veilig. Maar toen de gargouilles zich losmaakten van de stenen en langs de zij muur van de toren naar Bran afdaalden wist hij dat hij toch niet veilig was.
    ‘Ik heb het niet gehoord,’ huilde hij terwijl ze steeds dichterbij kwamen. ‘Echt niet, echt niet.’
    Happend naar adem werd hij wakker. In de duisternis wist hij niet waar hij was, en hij zag hoe een enorme schaduw boven hem uittorende. ‘Ik heb het niet gehoord,’ fluisterde hij sidderend van angst, maar toen zei de schaduw: ‘Hodor’ en stak de kaars naast zijn bed aan, en Bran slaakte een zucht van verlichting.
    Hodor waste met een warme, vochtige doek het zweet van hem af en kleedde hem met bekwame, zachte hand aan. Toen het zover was droeg hij hem naar de grote zaal, waar bij de haard een lange schraagtafel was neergezet. De zetel van de heer aan het hoofd van de tafel bleef onbezet, maar Robb zat er rechts naast, met Bran tegenover zich. Ze aten die avond speenvarken, duivenpastei en rapen in botersaus, en daarna had de kok honingraat beloofd. Zomer hapte de restjes van de maaltijd uit Brans hand terwijl Grijze Wind en Ruige Hond in een hoekje om een bot vochten. De honden van Winterfel durfden al niet meer in de buurt van de zaal te komen. Aanvankelijk had Bran dat vreemd gevonden, maar hij begon eraan gewend te raken. Yoren was de oudste van de zwarte broeders, dus had de rentmeester hem tussen Robb en Maester Luwin in geplaatst. De oude man rook zuur, alsof hij zich al heel lang niet had gewassen. Hij rukte het vlees met zijn tanden af, kraakte de ribben om het merg uit de botten te zuigen en haalde zijn schouders op toen Jon Sneeuw ter sprake kwam. ‘Een nagel aan ser Allisers doodskist,’ gromde hij, en twee van zijn metgezellen stieten tegelijkertijd een lach uit zonder dat Bran begreep waarom. Maar toen Robb vroeg of er ook nieuws van hun Oom Benjen was werden de zwarte broeders onheilspellend stil.
    ‘Wat is er?’ vroeg Bran, plotseling bang.
    Yoren veegde zijn vingers af aan zijn vest. ‘Dit is hard nieuws, heren, en een onbarmhartig loon voor uw spijzen en dranken, maar de man die vraagt moet het antwoord verdragen. Stark is verdwenen.’
    Een van de andere mannen zei: ‘De ouwe beer had hem erop uitgestuurd om Waymar Roys te zoeken, en zijn terugkeer laat lang op zich wachten, heer.’
    ‘Te lang,’ zei Yoren. ‘Het ligt voor de hand dat hij dood is.’
    ‘Mijn oom is niet dood,’ zei Robb Stark luidkeels op boze toon. Hij rees op van de bank en legde zijn hand op het gevest van zijn zwaard. ‘Hebt u dat gehoord? Mijn oom is niet dood!’ Zijn stem weerkaatste tegen de stenen muren, en Bran was plotseling bang. De oude, zuur ruikende Yoren keek naar Robb op. Hij was niet onder de indruk. ‘Net wat u wilt, heer,’ zei hij, en zoog op een stukje vlees tussen zijn tanden. De jongste van de zwarte broeders ging ongemakkelijk verzitten.
    ‘Geen man op de Muur kent Het Spookbos beter dan Benjen Stark. Hij komt wel weer terug.’
    ‘Tja,’ zei Yoren. ‘Misschien wel, en misschien niet. Het is al eerder gebeurd dat goeie kerels die wouden binnen zijn gegaan om niet meer terug te komen.’
    Het enige waar Bran aan kon denken was het verhaal van Ouwe Nans over de Anderen en de laatste held, die door de witte wouden werd achtervolgd door doden en spinnen ter grootte van een jachthond. Even was hij bang, tot hij zich herinnerde hoe dat verhaal afliep. ‘De kinderen zullen hem helpen,’ flapte hij eruit, ‘de kinderen van het woud!’
    Theon Grauwvreugd lachte smakelijk en Maester Luwin zei: ‘Bran, de kinderen van het woud zijn al duizenden jaren dood en verdwenen. Het enige dat nog van hen over is zijn de gezichten in de bomen.’
    ‘Hier mag dat waar wezen, maester,’ zei Yoren, ‘maar achter de Muur? Wie zal het zeggen? Daar in het noorden kan een mens niet altijd zien wat leeft en wat dood is.’
    Die avond, nadat de tafel was afgeruimd, droeg Robb Bran zelf naar zijn bed. Grijze Wind liep voorop, en Zomer kwam vlak achter hen aan. Zijn broer was sterk voor zijn leeftijd, en Bran was zo licht als een bundeltje vodden, maar de trap was steil en donker, en tegen de tijd dat ze boven waren liep Robb flink te hijgen. Hij legde Bran in bed, trok de dekens over hem heen en blies de kaars uit. Een poosje bleef zijn broer in het donker naast hem zitten. Bran wilde met hem praten maar wist niet wat hij moest zeggen. ‘We vinden wel een paard voor je, dat beloof ik,’ fluisterde Robb ten slotte.
    ‘Komen ze ooit nog terug?’ vroeg Bran hem.
    ‘Ja,’ zei Robb, op zo’n hoopvolle toon dat Bran wist dat hij zijn broer hoorde, en niet alleen maar heer Robb. ‘Moeder komt weldra thuis. Misschien kunnen we haar dan tegemoet rijden. Zou dat geen verrassing voor haar zijn, als ze jou te paard zag?’ Zelfs in die donkere kamer voelde Bran dat zijn broer glimlachte. ‘En daarna rijden we naar het noorden om de Muur te zien. Maar we vertellen Jon niet dat we komen, we zijn er op een dag gewoon, jij en ik. Dat wordt een avontuur!’
    ‘Een avontuur,’ herhaalde Bran weemoedig. Hij hoorde zijn broer snikken. De kamer was zo donker dat hij de tranen op Robbs gezicht niet kon zien, en dus greep hij zijn hand. Hun vingers verstrengelden zich.

Eddard

    ‘Heer Arryns dood heeft ons allemaal zeer bedroefd, heer,’ zei grootmaester Pycelle. ‘Ik zal u volgaarne vertellen wat ik van zijn heengaan weet. Neemt u toch plaats. Wilt u verversingen gebruiken? Wat dadels misschien? Ik heb ook wat verrukkelijke dadelpruimen. Mijn maag kan geen wijn meer verdragen, vrees ik, maar ik kan u een beker ijsmelk aanbieden, met honing gezoet. Ik vind dat bij deze hitte altijd heel verfrissend.’
    De hitte was onmiskenbaar. Ned voelde de zijden tuniek tegen zijn borst plakken. Een benauwde, vochtige lucht hing als een klamme wollen deken over de stad en aan de waterkant heerste onrust, omdat de armen hun hete, bedompte sloppen ontvlucht waren om elkaar een slaapplaats te bevechten aan het water, waar het enige zuchtje wind waaide. ‘Graag,’ zei Ned en ging zitten. Pycelle nam een zilveren belletje tussen duim en wijsvinger en liet het zachtjes rinkelen. Een slank jong dienstmeisje haastte zich het bovenvertrek binnen. ‘IJsmelk voor de Hand des Konings en mij, wil je, kind? Flink gezoet.’
    Toen het meisje hun drankjes ging halen schoof de grootmaester zijn vingers in elkaar en liet zijn handen op zijn maag rusten. ‘Volgens de gewone man is het laatste jaar van de zomer altijd het heetste. Dat is niet zo, maar het lijkt er soms veel op, nietwaar? Op een dag als deze benijd ik u noorderlingen om uw zomersneeuw.’ De zwaar met juwelen ingelegde keten om de nek van de oude man rinkelde zachtjes toen hij ging verzitten. ‘Koning Maekars zomer was natuurlijk warmer dan deze, en bijna net zo lang. Er waren dwazen, zelfs in de Citadel, die daaruit meenden te kunnen opmaken dat de Grote Zomer eindelijk was aangebroken, de zomer waar geen eind aan komt, maar in het zevende jaar was het plotseling over en kregen we een korte herfst en een afschuwelijke lange winter. Toch was het die hele zomer bloedheet. Overdag was Oudstee net een oven, en pas ’s nachts kwam er leven in de brouwerij. Dan liepen we door de tuinen aan de rivier en discussieerden we over de goden. Ik herinner me zelfs nog hoe die nachten roken, heer, parfum en zweet, overrijpe meloenen, perziken en granaatappels, nachtschade en maanbloesem. Ik was toen een jonge man, nog bezig mijn keten te smeden, en de hitte putte me niet zo uit als nu.’ Pycelles oogleden waren zo zwaar dat het leek of hij half in slaap was. ‘Verschoning, heer Eddard. U bent hier niet om te luisteren naar onzinnige uitweidingen over een zomer die al vergeten was voordat uw vader werd geboren. Wilt u een oude man zijn afdwalingen vergeven? Geesten zijn net zwaarden, vrees ik. Hoe ouder, hoe roestiger. Ah, en daar is onze melk.’ Het dienstmeisje zette het blad tussen hen in, en Pycelle glimlachte haar toe. ‘Lief kind.’ Hij nam een beker, proefde en knikte. ‘Dank je. Je kunt gaan.’
    Toen het meisje was vertrokken tuurde Pycelle met waterige, reumatische oogjes naar Ned. ‘Waar waren we gebleven? O ja. U wilde iets weten over heer Arryn…’
    ‘Dat klopt.’ Ned nipte beleefd van zijn ijsmelk. Die was aangenaam koel, maar te zoet naar zijn smaak.
    ‘Om u de waarheid te zeggen was de Hand al een tijdlang niet meer de oude,’ zei Pycelle. ‘We hadden vele jaren samen in de raad gezeten, hij en ik, en de symptomen waren onmiskenbaar, maar ik schreef ze toe aan de zware lasten die hij al die tijd zo trouw had gedragen. Die brede schouders torsten alle zorgen van het rijk, en nog meer. Zijn zoon was ziekelijk, en zijn vrouwe was zo bezorgd dat ze het kind vrijwel nooit uit het oog liet. Dat zou zelfs een krachtig man hebben uitgeput, en heer Jon was niet jong meer. Geen wonder dat hij melancholiek en moe leek. Of dat dacht ik destijds. Nu ben ik er niet meer zo zeker van.’ Hij schudde zwaarwichtig zijn hoofd.
    ‘Wat kunt u mij over zijn laatste ziekte vertellen?’
    De grootmaester spreidde zijn handen in een gebaar van machteloze smart. ‘Hij kwam op een dag bij me om naar een bepaald boek te vragen, kerngezond als altijd, al kreeg ik de indruk dat hij ernstig over iets inzat. De volgende ochtend lag hij te krimpen van de pijn en was hij te ziek om op te staan. Een kou op de maag, dacht Maester Colemon. Het was warm, en de Hand deed vaak ijs in zijn wijn, iets dat de spijsvertering kan ontregelen. Toen heer Jon steeds zwakker werd ben ik persoonlijk naar hem toe gegaan, maar de goden schonken mij niet de kracht om hem te redden.’
    ‘Ik hoorde dat u Maester Colemon weggestuurd hebt.’
    De grootmaester knikte langzaam en nadrukkelijk als een gletsjer.
    ‘Dat klopt, en ik vrees dat vrouwe Lysa mij dat nooit zal vergeven. Wellicht heb ik er verkeerd aan gedaan, maar toen leek het mij het beste. Maester Colemon is als een zoon voor mij, en niemand die zijn bekwaamheden hoger aanslaat dan ik, maar hij is nog jong, en jongeren onderschatten vaak de kwetsbaarheid van een ouder lichaam. Hij purgeerde heer Arryn met vermageringsdrankjes en pepersap, en ik vreesde dat dat zijn dood zou worden.’
    ‘Heeft heer Arryn gedurende zijn laatste uren nog iets tegen u gezegd?’
    Pycelle fronste zijn wenkbrauwen. ‘Tijdens de laatste koortsfase riep de Hand verscheidene malen de naam Robert, maar ik wist niet of hij om zijn zoon of om de koning vroeg. Vrouwe Lysa liet niet toe dat de jongen de ziekenkamer betrad uit angst dat ook hij ziek zou worden. De koning kwam wel en heeft uren naast het bed zitten praten en schertsen, in de hoop heer Jon daarmee op te monteren. Het was te zien hoe intens hij hem liefhad.’
    ‘En verder niets? Geen laatste woorden?’
    ‘Toen ik zag dat alle hoop vervlogen was gaf ik de Hand het melksap van de papaver om zijn lijden te verzachten. Vlak voordat hij voor de laatste maal zijn ogen sloot fluisterde hij de koning en zijn vrouwe iets toe, mogelijk een zegenwens voor zijn zoon. Het zaad is sterk, zei hij. Aan het einde sprak hij te onduidelijk om verstaanbaar te zijn. De dood kwam pas de volgende ochtend, maar daarna had heer Jon rust. Hij heeft niets meer gezegd.’
    Ned nam nog een slok mierzoete melk en probeerde niet te kokhalzen. ‘Had u de indruk dat er iets onnatuurlijks was aan heer Arryns dood?’
    ‘Iets onnatuurlijks?’ De stem van de bejaarde maester was flinterdun. ‘Nee, dat kan ik niet zeggen. Iets treurigs, dat zonder meer. Maar in zekere zin is de dood de natuurlijkste zaak van de wereld, heer Eddard. Jon Arryn rust nu zacht, eindelijk van zijn lasten bevrijd.’
    ‘Die ziekte die hem het graf in sleurde,’ zei Ned, ‘had u vóór die tijd ooit iets dergelijks meegemaakt, bij andere mensen?’
    ‘Ik ben nu bijna veertig jaar grootmaester van de Zeven Koninkrijken,’ antwoordde Pycelle. ‘Onder onze goede koning Robert, en daarvoor onder Aerys Targaryen, en daarvoor onder zijn vader Jaehaerys de Tweede, en zelfs een paar luttele maanden onder Jaehaerys’ vader, Aegon de Fortuinlijke, vijfde van die naam. Ik heb zoveel ziekten gezien dat ik er ongaarne aan terugdenk, heer. Laat ik er dit van zeggen: elk geval is anders, en elk geval is eender. Heer Jons dood was niet merkwaardiger dan welke andere ook.’
    ‘Zijn vrouwe dacht er anders over.’
    De grootmaester knikte. ‘Ik bedenk me nu dat zijn weduwe de zuster van uw edele vrouwe is. Als u een oud man zijn onverbloemde woorden wilt vergeven, laat mij dan zeggen dat smart zelfs de sterksten en meest gedisciplineerden van geest kan verwarren, en dat is vrouwe Lysa nooit geweest. Sinds haar laatste doodgeboren kind ziet ze in iedere schaduw een vijand, en door de dood van haar heer gemaal is ze volledig uit het lood geslagen.’
    ‘Dus u bent er heel zeker van dat Jon Arryn aan een plotselinge ziekte is overleden?’
    ‘Zeker,’ antwoordde Pycelle ernstig. ‘Als het geen ziekte was, heer, wat zou het dan geweest moeten zijn?’
    ‘Vergif,’ opperde Ned kalm.
    De slaperige ogen van Pycelle schoten open. De bejaarde maester ging verzitten, niet op zijn gemak. ‘Een verontrustend idee. Wij zijn de Vrijsteden niet, waar zulke dingen gewoon zijn. Grootmaester Aethelmure heeft geschreven dat iedereen met moord in zijn hart rondloopt, maar zelfs dan is de gifmenger meer dan verachtelijk.’
    Hij zweeg even, zijn ogen peinzend. ‘Wat u suggereert is mogelijk, heer, maar komt mij toch onwaarschijnlijk voor. Elke hagemaester kent de gewone vergiften, en heer Arryn vertoonde geen enkel symptoom. En de Hand was alom bemind. Wat voor monster in mannengedaante had zo’n edele heer durven vermoorden?’
    ‘Ik heb horen zeggen dat vergif een vrouwenwapen is.’
    Peinzend streek Pycelle over zijn baard. ‘Dat wordt wel gezegd. Vrouwen, lafaards… en eunuchen.’ Hij schraapte zijn keel en spuwde een dikke fluim op de biezen. Ergens boven hen kraste een raaf luidkeels in het roekenhuis. ‘Heer Varys is als slaaf in Lys geboren, wist u dat? Vestig uw vertrouwen niet op spinnen, heer.’
    Dat was eigenlijk een overbodig advies: Varys had iets over zich dat Ned kippenvel bezorgde. ‘Daar zal ik aan denken, maester. En vriendelijk dank voor uw hulp. Ik heb al genoeg van uw tijd in beslag genomen.’ Hij stond op. Grootmaester Pycelle duwde zich langzaam uit zijn stoel omhoog en begeleidde Ned naar de deur. ‘Ik hoop dat ik enigszins tot uw geruststelling heb kunnen bijdragen. Als ik nog iets voor u kan doen, dan zegt u het maar.’
    ‘Nog één ding,’ zei Ned tegen hem. ‘Ik ben zo nieuwsgierig naar dat boek dat u Jon de dag voor zijn dood hebt geleend.’
    ‘Ik vrees dat u dat niet erg interessant zult vinden,’ zei Pycelle.
    ‘Het was een dik boekwerk van grootmaester Malleon over de afstamming van de Grote Huizen.’
    ‘Toch zou ik het graag willen zien.’
    De oude man opende de deur. ‘Zoals u wenst. Ik heb het hier ergens. Als ik het vind zal ik het meteen naar uw vertrekken laten brengen.’
    ‘U bent buitengewoon hoffelijk,’ zei Ned. Toen, bijna terloops, voegde hij eraan toe: ‘Nog een laatste vraag, als u zo goed wilt zijn. U zei dat de koning aan heer Arryns bed zat toen hij stierf. Nu vraag ik me af: was de koningin bij hem?’
    ‘O nee,’ zei Pycelle. ‘Zij was met haar kinderen onderweg naar de Rots van Casterling, vergezeld door haar vader. Heer Tywin was met zijn gevolg naar de stad gekomen voor het toernooi ter ere van prins Joffry’s naamdag, ongetwijfeld in de hoop zijn zoon Jaime de overwinnaarskrans te zien bemachtigen. Daarin werd hij zwaar teleurgesteld. Het was mijn taak de koningin in te lichten over de plotselinge dood van heer Arryn. Ik heb nog nooit met zo’n bezwaard hart een vogel uitgezonden.’
    ‘Duistere wieken, duistere woorden,’ mompelde Ned. Een gezegde dat hij als jongen van Ouwe Nans had geleerd.
    ‘Dat is wat de viswijven zeggen,’ beaamde grootmaester Pycelle, ‘maar wij weten dat het niet altijd zo is. Toen Maester Luwins vogel het nieuws over uw Bran had gebracht sprong elk hart in het kasteel op bij het horen van dat bericht, nietwaar?’
    ‘Inderdaad, maester.’
    ‘De goden zijn barmhartig.’ Pycelle boog het hoofd. ‘U kunt bij mij komen zo vaak u wilt, heer Eddard. Ik ben hier om te dienen.’
    Ja, dacht Ned toen de deur dichtzwaaide, maar wie?
    Toen hij terugliep naar zijn vertrekken trof hij op de wenteltrap van de Toren van de Hand zijn dochter Arya aan. Ze probeerde op één been te staan en draaide haar armen als molenwieken rond. De ruwe steen had haar blote voeten geschaafd. Ned bleef staan en staarde naar haar. ‘Arya, wat doe je?’
    ‘Syrio zegt dat een waterdanser uren op één teen kan staan.’ Ze maaide met haar handen door de lucht om stil te blijven staan. Ned glimlachte onwillekeurig. ‘Welke teen?’ plaagde hij.
    ‘Gewoon, een teen,’ zei Arya, geërgerd door de vraag. Ze sprong van haar rechterbeen op haar linker en zwaaide vervaarlijk heen en weer voordat ze haar evenwicht hervond.
    ‘Moet je dat per se hier doen?’ vroeg hij. ‘Deze trap is hoog en je valt hard.’
    ‘Syrio zegt dat een waterdanser nooit valt.’ Ze liet haar been zakken en ging op twee voeten staan. ‘Vader, komt Bran nu bij ons wonen?’
    ‘Voorlopig nog niet, schatje,’ zei hij tegen haar. ‘Hij moet eerst weer op krachten komen.’
    Arya beet op haar lip. ‘Wat gaat Bran doen als hij meerderjarig wordt?’
    Ned knielde naast haar neer. ‘Hij heeft nog jaren om een antwoord op die vraag te bedenken, Arya. Voorlopig is het voldoende om te weten dat hij blijft leven.’ De avond dat de vogel uit Winterfel was gekomen had Eddard Stark de meisjes meegenomen naar het godenwoud van het slot, een terrein van één are met elzen, olmen en zwarte katoenbomen, en uitzicht op de rivier. De hartboom hier was een enorme eik waarvan de eeuwenoude takken overwoekerd waren met pruikbeswingerd. Ze knielden ervoor neer om dank te zeggen, alsof het een weirboom was. Sansa was in slaap gesukkeld toen de maan opging, Arya ettelijke uren later, opgekruld in het gras onder Neds mantel. Tijdens de donkere uren had hij alleen gewaakt. Toen boven de stad de ochtend gloorde lagen de meisjes in een bed van donkerrode drakenadembloesems. ‘Ik heb van Bran gedroomd,’ had Sansa tegen hem gefluisterd. ‘Ik zag hem glimlachen.’
    ‘Hij wilde ridder worden,’ zei Arya nu. ‘Ridder van de koningsgarde. Kan dat nog?’
    ‘Nee,’ zei Ned. Het leek hem zinloos haar voor te liegen. ‘Toch zal hij misschien op een dag heer zijn van een grote ridderhof en zitting hebben in de koninklijke raad. Misschien gaat hij grote kastelen bouwen zoals Brandon de Bouwheer of per schip de Zee van de Zonsondergang bevaren, of treedt hij toe tot het geloof van je moeder en wordt hij Hoge septon.’ Maar hij zal nooit meer naast zijn wolf rennen, dacht hij met een verdriet dat te diep ging voor woorden, of met een vrouw slapen, of zijn eigen zoon in zijn armen houden.
    Arya hield haar hoofd scheef. ‘Kan ik raadgever van de koning worden en kastelen bouwen en Hoge Septon worden?’
    ‘Jij,’ zei Ned, ‘trouwt met een koning, en dan zwaai je de scepter in zijn kasteel, en je zonen zullen ridders, prinsen en heren zijn, en ja, wie weet wordt er wel eentje Hoge Septon.’
    Arya trok een gezicht. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nu hebt u het over Sansa.’
    Ze trok haar rechterbeen op en begon weer te balanceren. Met een zucht liet Ned haar daar achter.
    In zijn vertrekken stroopte hij zijn bezwete zijden kleren af en goot koel water uit de kom naast het bed over zijn hoofd. Terwijl hij zijn gezicht afdroogde kwam Alyn binnen. ‘Heer,’ zei hij, ‘heer Baelish staat buiten en vraagt om gehoor.’
    ‘Breng hem naar mijn bovenzaal,’ zei Ned en pakte een schone tuniek, de lichtste linnen tuniek die hij kon vinden. ‘Ik zal hem meteen ontvangen.’
    Toen Ned binnenkwam was Pinkje in de vensterbank neergestreken en keek naar de ridders van de koningsgarde, die beneden op de binnenplaats met hun zwaarden oefenden. ‘Waren de hersens van de ouwe Selmy maar even bliksemsnel als zijn zwaard,’ zei hij spijtig. ‘Dat zou onze raadsvergaderingen er bepaald een stuk levendiger op maken.’
    ‘In heel Koningslanding is geen moediger en eerzamer man te vinden dan ser Barristan.’ Ned had een diep respect opgevat voor de bejaarde bevelhebber van de koningsgarde met zijn witte haar.
    ‘En ook geen saaiere,’ voegde Pinkje eraan toe, ‘al durf ik te beweren dat hij het in het toernooi goed zal doen. Vorig jaar heeft hij de Jachthond uit het zadel gelicht, en nog maar vier jaar geleden was hij de winnaar.’
    De vraag wie het toernooi zou winnen interesseerde Eddard Stark niet in het minst. ‘Is er een reden voor dit bezoek, heer Petyr, of bent u alleen maar gekomen om van het uitzicht uit mijn raam te genieten?’
    Pinkje glimlachte. ‘Ik heb Cat beloofd dat ik u bij uw onderzoek zou helpen, en dat heb ik dus gedaan.’
    Dat bracht Ned van zijn stuk. Beloofd of niet, hij kon zichzelf er niet toe brengen heer Petyr Baelish te vertrouwen, die hij veel te gewiekst vond. ‘U hebt iets voor mij?’
    ‘Iemand? verbeterde Pinkje hem. ‘Vier iemanden, om precies te zijn. Had u eraan gedacht de bedienden van de Hand te ondervragen?’
    Ned fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik wou dat ik dat kon. Vrouwe Arryn heeft haar hofhouding meegenomen naar het Arendsnest.’
    Daarmee had Lysa hem geen dienst bewezen. Iedereen die haar echtgenoot na had gestaan had haar op haar vlucht vergezeld: Jons maester, zijn rentmeester, het hoofd van zijn wacht, zijn ridders en bedienden.
    ‘Het grootste deel van haar hofhouding,’ zei Pinkje, ‘niet iedereen. Er zijn er nog een paar. Een zwangere keukenmeid die in allerijl aan een van heer Renlings paardenknechten is uitgehuwelijkt, een stalknecht die bij de stadswacht is gegaan, een schenkershulpje dat wegens diefstal ontslagen is, en heer Arryns schildknaap.’
    ‘Zijn schildknaap?’ Ned was aangenaam verrast. Een schildknaap wist vaak heel veel van het doen en laten van zijn heer af.
    ‘Ser Huig van de Vallei,’ zei Pinkje. ‘De koning heeft de knaap na heer Arryns dood geridderd.’
    ‘Ik zal hem laten halen,’ zei Ned. ‘En de anderen ook.’
    Pinkje kromp ineen. ‘Heer, wilt u zo goed zijn om bij het raam te komen staan?’
    ‘Waarom?’
    ‘Dat zal ik u laten zien als u komt, heer.’
    Met gefronst voorhoofd liep Ned naar het raam. Petyr Baelish maakte een nonchalant gebaar. ‘Daar, aan de overkant van de binnenplaats, bij de deur van de wapenkamer. Ziet u die jongen die naast de trap gehurkt met een geoliede steen een zwaard aan het wetten is?’
    ‘Wat is er met hem?’
    ‘Hij brengt verslag uit aan Varys. De spin is veel belang gaan stellen in u en alles wat u doet.’ Hij ging verzitten in de vensterbank.
    ‘En kijkt u nu eens naar de muur. Verder naar het westen, boven de stallen. De wacht die tegen de borstwering leunt?’
    Ned zag de man. ‘Nog een fluisteraar van de eunuch?’
    ‘Nee, deze is van de koningin. Kijk eens wat een prachtig uitzicht hij op de deur van deze toren heeft. Zo kan hij beter zien wie er bij u op bezoek komt. Er zijn nog anderen die ik misschien niet eens ken. De Rode Burcht zit vol ogen. Waarom denkt u dat ik Cat in een bordeel had verstopt?’
    Eddard Stark had niets met zulk gekonkel op. ‘Bij de zevenvoudige hel,’ vloekte hij. Maar het leek inderdaad of de man op de muur hem gadesloeg. Ned voelde zich plotseling niet op zijn gemak en liep bij het raam vandaan. ‘Is iedereen in deze vervloekte stad een verklikker voor iemand anders?’
    ‘Nauwelijks,’ zei Pinkje. Hij telde op de vingers van zijn hand. ‘Ik ben er, en u, en de koning… maar nu ik erbij stilsta vertelt de koning veel te veel aan de koningin, en van u ben ik allesbehalve zeker.’ Hij stond op. ‘Hebt u iemand in dienst die u echt volledig vertrouwt?’
    ‘Ja,’ zei Ned.
    ‘In dat geval heb ik een fraai paleisje in Valyria dat ik u graag wil verkopen,’ zei Pinkje met een spottend lachje. ‘Het verstandige antwoord was nee geweest, heer, maar goed. Stuur dat juweel van u naar ser Huig en de rest toe. U wordt gevolgd bij alles wat u doet, maar zelfs Varys de Spin kan niet iedereen die bij u in dienst is ieder uur van de dag in het oog houden.’ Hij liep naar de deur.
    ‘Heer Petyr,’ riep Ned hem achterna. ‘Ik… ben u dankbaar voor uw hulp. Misschien heb ik er verkeerd aan gedaan u te wantrouwen.’
    Pinkje betastte zijn puntbaardje. ‘Wat bent u hardleers, heer Eddard. Mij wantrouwen is het verstandigste dat u gedaan hebt sinds u hier van uw paard bent gestegen.’ Hij boog en vertrok.

Jon

    Jon liet Dareon zien hoe hij het beste van opzij kon slaan toen de nieuwe rekruut de oefenplaats op kwam lopen. ‘Je voeten verder uit elkaar,’ spoorde hij Dareon aan. ‘Zorg dat je je evenwicht niet verliest. Goed zo. En nu om je as draaien terwijl je slaat, en je hele gewicht achter de slag leggen.’
    Dareon stopte en klapte zijn vizier op. ‘Bij de zeven goden,’ mompelde hij. ‘Kijk nou eens, Jon.’
    Jon keerde zich om. Door zijn helmspleet heen ontwaarde hij de dikste jongen die hij ooit in de deuropening van de wapenkamer had zien staan. Naar schatting woog hij bijna honderd kilo. De bontkraag van zijn geborduurde wapenrok ging schuil achter zijn onderkinnen. Fletse ogen flitsten nerveus heen en weer in een groot vollemaansgezicht, en hij veegde bezwete worstvingers aan het fluweel van zijn wambuis af. ‘Ze… ze zeiden dat ik hierheen moest om… om te oefenen,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder.
    ‘Een jonkertje,’ merkte Pyp tegen Jon op. ‘Uit het zuiden, uit de buurt van Hooggaarde, als je ’t mij vraagt.’ Pyp had met een troep pantomimespelers door de Zeven Koninkrijken getrokken en beroemde zich erop dat hij alleen al aan de klank van je stem kon horen wat je was en waar je vandaan kwam. Een schrijdende jager was met scharlakenrode draad op de voorkant van de met bont omzoomde wapenrok van de dikkerd geborduurd. Jon kende het wapenteken niet. Ser Alliser Doren bekeek zijn nieuwe pupil van top tot teen en zei: ‘De stropers en dieven zijn in het zuiden kennelijk op. Nu sturen ze ons varkens om de Muur te bemannen. Dacht u dat wapenrustingen van bont en fluweel waren, heer van Hamme?’
    Al snel bleek, dat de nieuwe rekruut zijn eigen wapenrusting bij zich had: een gewatteerd buis, verhard leer, maliën, harnas en helm, en zelfs een groot schild van hout en leer met als blazoen diezelfde schrijdende jager die op zijn wambuis stond. Maar omdat niets daarvan zwart was, stond ser Alliser erop dat hij in de wapenkamer een nieuwe uitrusting ging halen. Dat nam de halve ochtend in beslag. Zijn omvang vereiste dat Donal Nooy een maliënhemd uit elkaar tornde en er aan de zijkanten leren tussenstukken inzette. Om een helm over zijn hoofd te krijgen moest de wapensmid het vizier eraf slopen. Om zijn benen en onder zijn armen zat het leer zo strak dat hij zich nauwelijks kon verroeren. Toen hij gekleed was voor het gevecht leek de nieuwe jongen op een te lang gekookte worst die op het punt stond open te barsten. ‘Laten we hopen dat je minder onhandig bent dan je lijkt,’ zei ser Alliser. ‘Kijk maar eens wat ser Knorrie kan, Halder.’
    Jon Sneeuw kromp ineen. Halder was geboren in een steengroeve en leerling-metselaar geweest. Hij was zestien, lang en gespierd, en zijn klappen waren de hardste die Jon ooit had geïncasseerd. ‘Dat wordt nog afzichtelijker dan de aars van een hoer,’ pruttelde Pyp. En dat was ook zo.
    Het gevecht duurde minder dan een minuut en toen lag de dikke jongen al op de grond. Zijn hele lichaam trilde, en uit zijn kapotte helm en tussen zijn mollige vingers door sijpelde bloed. ‘Ik geef me over,’ gilde hij. ‘Stop, ik geef me over, niet slaan.’ Rast en een paar andere jongens lachten.
    Zelfs toen weigerde ser Alliser er een eind aan te maken. ‘Opstaan, ser Knorrie,’ riep hij. ‘Raap je zwaard op.’ Toen de jongen zich tegen de grond bleef drukken gebaarde Doren naar Halder. ‘Sla hem met het plat van je zwaard tot hij weer op zijn benen staat.’
    Halder gaf een aarzelend klapje tegen de bolle wangen van zijn tegenstander. ‘Je kunt vast wel harder slaan,’ zei Doren tartend. Halder nam zijn zwaard in beide handen en liet het zo hard neerkomen dat de klap het leer deed splijten, al sloeg hij met de vlakke kant. De nieuwe jongen krijste van pijn.
    Jon Sneeuw deed een stap naar voren. Pyp legde een gemaliede hand op zijn arm. ‘Niet doen, Jon,’ fluisterde de kleine jongen met een bezorgde blik op ser Alliser Doren.
    ‘Opstaan,’ zei Doren weer. De dikke jongen deed zijn best om overeind te krabbelen, gleed uit en viel met een plof weer neer. ‘Ser Knor begint het te vatten,’ merkte ser Alliser op. ‘Nog eens.’
    Halder hief het zwaard op voor een tweede klap. ‘Snij maar een stukje spek voor ons af,’ spoorde Rast hem lachend aan. Jon schudde Pyps hand af. ‘Genoeg, Halder.’
    Halder keek naar ser Alliser.
    ‘De Bastaard spreekt en de boerenkinkels sidderen,’ zei de wapenmeester met die kille, scherpe stem van hem. ‘Mag ik je eraan herinneren dat ik hier de wapenmeester ben, heer Sneeuw?’
    ‘Moet je hem zien, Halder,’ zei Jon dringend, terwijl hij Doren zo goed mogelijk negeerde. ‘Het is oneervol een gevallen vijand te slaan. Hij heeft zich overgegeven.’ Hij knielde bij de dikke jongen. Halder liet zijn zwaard zakken. ‘Hij heeft zich overgegeven,’ herhaalde hij. De marmerharde ogen van ser Alliser waren op Jon Sneeuw gericht. ‘Onze Bastaard is blijkbaar verliefd,’ zei hij toen Jon de dikke jongen overeind hielp. ‘Laat me je staal eens zien, heer Sneeuw.’
    Jon trok zijn zwaard. Hij durfde ser Alliser maar tot op zekere hoogte te trotseren, en hij was bang dat hij al veel te ver was gegaan. Doren glimlachte. ‘De Bastaard wenst zijn beminde jonkvrouw te verdedigen, dus laten we er dan maar een oefenpartij van maken. Rat, Puist, helpen jullie de Steenkop hier.’ Rast en Albet gingen naast Halder staan. ‘Met z’n drieën moeten jullie vrouwe Knorrie toch aan het piepen kunnen krijgen. Het enige dat jullie te doen staat is langs de Bastaard te komen.’
    ‘Blijf achter mij,’ zei Jon tegen de dikke jongen. Ser Alliser had al vaak twee tegenstanders op hem afgestuurd, maar nog nooit drie. Hij wist dat hij vanavond waarschijnlijk gekneusd en bebloed naar bed zou gaan. Hij zette zich schrap voor de aanval.
    Ineens stond Pyp naast hem. ‘Drie tegen twee is veel leuker,’ zei de kleine jongen opgewekt. Hij klapte zijn vizier dicht en trok zijn zwaard. Voordat het zelfs maar in Jon opkwam om te protesteren kwam Grenn als derde man naast hem staan.
    Het was doodstil geworden op de binnenplaats. Jon voelde ser Allisers blikken op zich gericht. ‘Waar wachten jullie op?’ vroeg hij op bedrieglijk zachte toon aan Rast en de overigen, maar Jon was degene die het eerst in beweging kwam. Halder hief maar net op tijd zijn zwaard op.
    Jon dreef hem naar achteren. Met iedere klap viel hij aan, zodat hij de oudere jongen steeds verder achteruit dreef. Doorzie je vijand, had ser Rodrik hem eens geleerd. Jon doorzag Halder, nietsontziend sterk, maar heel ongeduldig. En hij hield er niet van zich te moeten verdedigen. Als hij gefrustreerd raakte verloor hij zijn dekking uit het oog, zo zeker als de zon onderging.
    Het gekletter van staal echode over de binnenplaats toen de anderen zich naast hem in het gevecht stortten. Jon pareerde een woeste uithaal naar zijn hoqfd. Toen de zwaarden tegen elkaar kletterden voelde hij de schok door zijn arm naar boven gaan. Hij sloeg van opzij keihard tegen Halders ribben en werd beloond door een gesmoorde grom van pijn. Toen sloeg Halder terug en trof Jon op de schouder. Zijn maliën knarsten, en pijn vlamde door zijn nek, maar Halder was even uit balans gebracht. Jon sloeg zijn linkerbeen onder hem uit, en met een vloek en een dreun viel hij neer. Grenn stond zijn mannetje zoals Jon hem had geleerd en gaf Albet meer te incasseren dan hem lief was, maar Pyp had het zwaar te verduren. Rast had twee jaar en vijftien kilo op hem voor. Jon ging achter hem staan en liet de helm van de verkrachter galmen als een klok. Toen Rast wankelde dook Pyp onder zijn verdediging door, sloeg hem tegen de grond en zette hem de kling op de keel. Jon was inmiddels alweer elders. Toen hij twee zwaarden tegenover zich zag deinsde Albet achteruit. ‘Ik geef me over,’ schreeuwde hij. Ser Alliser Doren bezag vol weerzin het tafereel. ‘De klucht heeft lang genoeg geduurd voor vandaag.’ Hij beende weg. De oefening was afgelopen.
    Dareon hielp Halder overeind. De zoon van de steenhouwer wurmde zijn helm af en smeet hem over de binnenplaats. ‘Ik dacht even dat ik je tóch te pakken had, Sneeuw.’
    ‘Dat had je ook, eventjes,’ antwoordde Jon. Onder de maliën en het leer bonsde zijn schouder. Hij stak het zwaard in de schede en probeerde zijn helm af te zetten, maar toen hij zijn arm ophief moest hij op zijn tanden bijten van de pijn.
    ‘Laat mij maar,’ zei een stem. Handjes met worstvingers gespten de helm van het halsstuk los en tilden hem er voorzichtig af. ‘Heeft hij je verwond?’
    ‘Ik heb wel vaker een blauwe plek gehad.’ Hij raakte zijn schouder aan en kromp in elkaar. Rondom hen stroomde de binnenplaats leeg.
    Op de plek waar Halder de helm kapotgeslagen had zat aangekoekt bloed in het haar van de dikke jongen. ‘Mijn naam is Samwel Tarling, uit Hoorn…’ Hij zweeg en likte over zijn lippen. ‘Ik bedoel, ik kwam uit Hoornheuvel, voordat ik… wegging. Ik ben gekomen om het zwart aan te nemen. Mijn vader is heer Randyll, een baanderman van de Tyrels van Hooggaarde. Ik was vroeger zijn erfgenaam, maar…’
    ‘Ik ben Jon Sneeuw, de bastaard van Ned Stark van Winterfel.’
    Samwel Tarling knikte. ‘Als… als je wilt kun je me Sam noemen. Mijn moeder noemt me Sam.’
    ‘Jij kunt hem heer Sneeuw noemen,’ zei Pyp terwijl hij zich bij hen voegde. ‘En hoe zijn moeder hem noemt kun je maar beter niet vragen.’
    ‘Dit zijn Grenn en Pypar,’ zei Jon.
    ‘Die lelijkerd is Grenn,’ zei Pyp.
    Fronsend zei Grenn: ‘Jij bent lelijker dan ik. Ik heb tenminste geen vleermuisoren.’
    ‘Ik dank jullie alle drie,’ zei de dikke jongen ernstig.
    ‘Waarom stond je niet op om te vechten?’ wilde Grenn weten.
    ‘Dat wilde ik wel, echt waar. Alleen… het ging niet. Ik wilde niet dat hij me nog eens zou slaan.’ Hij keek naar de grond. ‘Ik… ik ben bang. Ik ben een lafaard. Dat zei mijn heer vader altijd.’
    Grenn was met stomheid geslagen. Zelfs Pyp wist niet wat hij daarop moest zeggen, en Pyp had altijd overal iets op te zeggen. Welke vent noemde zichzelf nu een lafaard?
    Samwel Tarling moest aan hun gezicht hebben gezien wat ze dachten. Zijn blikken kruisten die van Jon en wendden zich af met de snelheid van een schuw dier. ‘Het… het spijt me,’ zei hij. ‘Ik zou liever niet… zijn wat ik ben.’ Met zware stappen liep hij naar de wapenkamer.
    ‘Je bent gewond,’ riep Jon hem achterna. ‘Morgen doe je het vast beter.’
    Rouwmoedig keek Sam over een schouder. ‘Nee,’ zei hij terwijl hij zijn tranen wegknipperde. ‘Ik doe het nooit beter.’
    Toen hij weg was fronste Grenn zijn wenkbrauwen. ‘Een lafaard, die moet niemand,’ zei hij ongemakkelijk. ‘Ik wou dat we hem niet geholpen hadden. Als ze nu eens denken dat wij ook laf zijn?’
    ‘Jij bent te stom om laf te zijn,’ zei Pyp tegen hem.
    ‘Niet waar,’ zei Grenn.
    ‘Wel waar. Als je in het bos door een beer werd aangevallen zou je te stom zijn om weg te rennen.’
    ‘Helemaal niet,’ hield Grenn vol. ‘Ik zou nog harder weglopen dan jij.’ Ineens zweeg hij en versomberde, want hij zag Pyp grijnzen en besefte wat hij zojuist had gezegd. Zijn dikke nek kreeg een donkerrode kleur. Jon liet hen daar staan bekvechten terwijl hij terugliep naar de wapenkamer, zijn zwaard ophing en zijn gebutste wapenrusting uittrok. Het leven in Slot Zwart verliep volgens een vast patroon: ’s ochtends zwaardvechten en ’s middags werken. De zwarte broeders lieten nieuwe rekruten vele verschillende taken uitvoeren om te kijken waar ze goed in waren. Jon koesterde de zeldzame middagen dat hij er in gezelschap van Spook op uit werd gestuurd om wild voor de tafel van de bevelhebber mee terug te brengen, maar tegenover iedere dag die hij met jagen doorbracht stonden er twaalf bij Donal Nooy in de wapensmidse, waar hij de slijpsteen liet ronddraaien terwijl de eenarmige smid bot geworden bijlen sleep, of de blaasbalg hanteerde terwijl Nooy een nieuw zwaard in vorm hamerde. Andere keren moest hij berichten overbrengen, op wacht staan, stallen uitmesten, pijlen maken, Maester Aemon helpen met zijn vogels of Bowen Mars met rekenwerk en het aanleggen van voorraadlij sten. Die middag stuurde het hoofd van de wacht hem naar de hijskooi met vier vaten pas vergruisde steen om het gruis over de paden boven op de Muur uit te strooien. Dat was eenzaam en saai werk, zelfs als hij Spook bij zich had, maar Jon had ontdekt dat hij dat niet erg vond. Op een heldere dag kon je vanaf de bovenkant van de Muur de halve wereld zien, en de lucht was altijd koud en verfrissend. Hier kon hij nadenken, en hij merkte dat hij aan Samwel Tarling dacht… en, vreemd genoeg, aan Tyrion Lannister. Hij vroeg zich af wat Tyrion van de dikke jongen gevonden zou hebben. De meeste mensen ontkennen een harde waarheid liever dan dat ze die onder ogen zien, had de dwerg grijnzend tegen hem gezegd. De wereld was vol lafaards die deden of ze helden waren; er was een eigenaardig soort moed voor nodig om je lafheid toe te geven zoals Samwel Tarling. Zijn zere schouder zorgde ervoor dat het werk langzaam ging. Pas laat in de middag was Jon klaar met gruis over de paden strooien. Hij bleef nog even boven om de zonsondergang te zien, die de westelijke hemel bloedrood verfde. Ten slotte, toen de schemering over het noorden neerdaalde, rolde Jon de lege vaten de kooi in en gaf de mannen bij de lier te kennen dat ze hem konden laten zakken. Toen hij en Spook de gemeenschapszaal bereikten was de avondmaaltijd al bijna ten einde. Een groep zwarte broeders zat bij het vuur te dobbelen rond de warme kruidenwijn. Zijn vrienden zaten te lachen op de bank het dichtst bij de westmuur. Pyp was midden in een verhaal. De jonge toneelspeler met de grote oren was een geboren leugenaar met wel honderd verschillende stemmen, en hij speelde zijn verhalen meer dan dat hij ze vertelde, waarbij hij alle benodigde rollen vertolkte, nu eens een koning, dan weer een varkenshoeder. Als hij voor kroegmeid of maagdelijke prinses speelde gebruikte hij een hoge falsetstem waar iedereen zich tranen om lachte, en zijn eunuchen waren altijd griezelig nauwkeurige karikaturen van ser Alliser. Jon schepte evenveel plezier in Pyps capriolen als de rest… maar toch wendde hij zich die avond af en liep naar het uiteinde van de bank, waar Samwel Tarling in zijn eentje zat, zo ver mogelijk bij de anderen vandaan.
    Hij was net bezig aan het laatste stuk van de varkenspastei die de koks voor het avondeten hadden opgedist toen Jon tegenover hem ging zitten. De ogen van de dikke jongen sperden zich wijd open toen hij Spook zag. ‘Is dat een wolf?’
    ‘Een schrikwolf,’ zei Jon. ‘Hij heet Spook. De schrikwolf is het wapenteken van mijn vaders huis.’
    ‘Dat van ons is een schrijdende jager,’ zei Samwel Tarling.
    ‘Hou je van jagen?’
    De dikke jongen huiverde. ‘Ik heb er een hekel aan.’ Hij zag eruit alsof hij zo weer in tranen uit kon barsten.
    ‘Hé, wat is er aan de hand?’ vroeg Jon hem. ‘Waarom ben je altijd zo bang?’
    Sam staarde naar het restant van zijn varkenspastei en schudde flauwtjes zijn hoofd, zelfs te bang om iets te zeggen. Een uitbarsting van gelach vulde de zaal. Jon hoorde Pyp met een hoog stemmetje piepen. Hij stond op. ‘Laten we naar buiten gaan.’
    Het ronde, dikke gezicht keek wantrouwig naar hem op. ‘Waarom? Wat gaan we buiten dan doen?’
    ‘Praten,’ zei Jon. ‘Heb je de Muur gezien?’
    ‘Ik ben dik, niet blind,’ zei Samwel Tarling. ‘Natuurlijk heb ik de Muur gezien, die is zevenhonderd voet hoog.’ Maar hij stond toch op, sloeg een met bont omzoomde mantel om en liep achter Jon de gemeenschapszaal uit, nog steeds op zijn hoede, alsof hij bang was dat hem in de nacht de een of andere wrede grap te wachten stond. Spook draafde naast hen. ‘Ik had nooit gedacht dat het zo zou zijn,’ zei Sam onder het lopen, en zijn woorden vormden dampwolkjes in de koude lucht. Hij liep nu al te hijgen en te puffen in zijn poging het tempo bij te houden. ‘Alle gebouwen staan op instorten, en het is zo… zo…’
    ‘Koud?’ Een strenge vorst maakte zich meester van het slot, en Jon kon het grijze onkruid zachtjes onder zijn laarzen horen kraken. Sam knikte ongelukkig. ‘Ik heb een hekel aan kou,’ zei hij. ‘Vannacht werd ik in het donker wakker, en het vuur was uit en ik was er zeker van dat ik tegen de ochtend doodgevroren zou zijn.’
    ‘Waar jij vandaan komt was het vast warmer.’
    ‘Ik had tot de vorige maand nog nooit sneeuw gezien. We reden door de terplanden, ik en de mannen die mijn vader met mij had meegestuurd naar het noorden, en toen begon dat witte spul te vallen, als zachte regen. Eerst vond ik het mooi, net veren die uit de hemel kwamen dwarrelen, maar het ging maar door, totdat ik tot op het bot verkild was. De mannen hadden sneeuwkorsten in hun baard en nog meer op hun schouders, en het bleef maar vallen. Ik was bang dat er nooit meer een eind aan zou komen.’
    Jon glimlachte.
    De muur rees dreigend voor hen op, bleek glanzend in het licht van de halve maan. Aan de hemel daarboven fonkelden de sterren helder en fel. ‘Denk je dat ze me naar boven zullen sturen?’ vroeg Sam. Zijn gezicht stremde als zure melk toen hij naar de grote houten trap keek. ‘Als ik die op moet klimmen blijf ik erin.’
    ‘Daar is een lier,’ zei Jon en wees. ‘Ze kunnen je in een kooi naar boven hijsen.’
    Samwel Tarling haalde zijn neus op. ‘Ik hou niet van hoogten.’
    Nu werd het te dol. Ongelovig fronste Jon zijn wenkbrauwen.
    ‘Ben je dan overal bang voor?’ vroeg hij. ‘Ik snap het niet. Als je echt zo’n angsthaas bent, waarom ben je dan hier? Wat wil een lafaard bij de Nachtwacht?’
    Samwel Tarling keek hem één langdurig ogenblik aan, en het leek of zijn ronde gezicht naar binnen klapte. Hij liet zich op de bevroren grond zakken en begon te huilen, enorme, ademloze snikken waar zijn hele lichaam van schokte. Jon Sneeuw stond erbij en keek ernaar, want meer kon hij niet doen. Net als bij de sneeuw in de terplanden leken die tranen eindeloos te vallen.
    Het was Spook die wist wat er nodig was. Stilletjes als een schaduw kwam de bleekwitte schrikwolf naderbij en begon de hete tranen van Samwel Tarlings gezicht te likken. De dikke jongen slaakte een kreet, schrok op… en op de een of andere manier, in één hartslag, veranderden zijn snikken in gelach. Jon Sneeuw lachte mee. Na afloop zaten ze in hun mantels gewikkeld op de bevroren grond, met Spook tussen zich in. Jon vertelde hoe hijzelf en Robb de pasgeboren welpen in de nazomersneeuw hadden gevonden. Dat leek nu al duizend jaar geleden. Het duurde niet lang, of hij merkte dat hij over Winterfel aan het vertellen was.
    ‘Soms droom ik ervan,’ zei hij. ‘Dan loop ik door een lange, lege zaal. Mijn stem kaatst van alle kanten terug, maar niemand geeft antwoord, dus ga ik sneller lopen, ik open deuren en roep namen. Ik weet niet eens wie ik zoek. Meestal mijn vader, maar soms Robb, of mijn kleine zusje Arya, of mijn oom.’ Als hij aan Benjen Stark dacht werd hij treurig, want zijn oom werd nog steeds vermist. De oude beer had wachtrij ders uitgezonden om hem op te sporen. Ser Jarmias Rykker had twee grootscheepse zoekacties geleid en Quorin Halfhand was vanuit de Schaduwtoren vertrokken, maar ze hadden niets gevonden, op een paar brandplekken in bomen na, door zijn oom achtergelaten ter markering van zijn route. In de rotsige hooglanden in het noordwesten hielden die tekens abrupt op en was er geen spoor meer van Benjen Stark te bekennen.
    ‘Vind je in je droom ooit iemand?’ vroeg Sam.
    Jon schudde zijn hoofd. ‘Niemand. Het kasteel is altijd leeg.’ Hij had nog nooit iemand van zijn droom verteld, en hij begreep niet waarom hij die nu aan Sam vertelde, maar ergens was het prettig om erover te praten. ‘Zelfs de raven zijn verdwenen uit het roekenhuis, en de stallen liggen vol beenderen. Daar word ik altijd bang van. Dan begin ik te rennen, smijt deuren open, ren met drie treden tegelijk de torentrap op, schreeuwend om een levend wezen, wie dan ook. En dan sta ik ineens voor de deur naar de crypte. Daarbinnen is het zwart, en ik zie de trap omlaagdraaien. Ergens weet ik dat ik naar beneden moet, maar dat wil ik niet. Ik ben bang voor wat me daar misschien te wachten staat. De oude Winterkoningen zijn daarbeneden, gezeten op hun tronen, met stenen wolven aan hun voeten en ijzeren zwaarden over hun knieën, maar zij zijn het niet waar ik bang voor ben. Ik schreeuw dat ik geen Stark ben, dat ik daar niet thuishoor, maar dat helpt niet, ik moet toch, dus begin ik aan de afdaling. Ik klim naar beneden, steun zoekend tegen de muur, zonder toorts om mezelf bij te lichten. Het wordt steeds donkerder, totdat ik het wel uit kan schreeuwen.’ Hij zweeg en fronste zijn wenkbrauwen, in verlegenheid gebracht. ‘En dan word ik altijd wakker.’
    Bezweet en klam, huiverend in het donker van zijn cel. Dan sprong Spook altijd naast hem, zijn warmte even geruststellend als de dageraad. En Jon sliep weer in, zijn gezicht in de ruige witte vacht van de schrikwolf gedrukt. ‘Droom jij van Hoornheuvel?’ vroeg Jon.
    ‘Nee.’ Sams mond werd een harde streep. ‘Ik vond het er vreselijk.’ Hij krabde Spook achter een oor en keek broeierig voor zich uit, en Jon verbrak de stilte niet. Na een lange pauze begon Samwel Tarling te praten, en Jon Sneeuw luisterde rustig en hoorde hoe het kwam dat iemand die zichzelf voor lafaard uitmaakte op de Muur terecht was gekomen.
    De Tarlings waren van oudsher een aanzienlijk geslacht, baandermannen van Meys Tyrel, de heer van Hooggaarde en de landvoogd van het Zuiden. De oudste zoon van heer Randyll Tarling, Samwel, was ter wereld gekomen als erfgenaam van vruchtbare landerijen, een sterke burcht en een befaamd tweehandig slagzwaard genaamd Hartsverderf, gemaakt van Valyrisch staal en al bijna vijfhonderd jaar van vader op zoon overgegaan. Alle trots die zijn vader mogelijk gevoeld had toen Samwel werd geboren vervloog toen zijn zoon opgroeide tot een dikke, zwakke, plompe jongen. Sam hield van muziek en liedjes maken, droeg graag zacht fluweel en speelde het liefst bij de koks in de slotkeuken, waar hij citroenkoeken en bosbessentaart bietste en de heerlijke geuren opsnoof. Hij was dol op boeken, kleine poesjes en, zo onhandig als hij was, op dansen. Maar hij werd misselijk als hij bloed zag, en als hij zelfs maar een kip zag slachten moest hij huilen. Hoornheuvel zag een twaalftal wapenmeesters komen en gaan. Zij deden hun best van Samwel de ridder te maken die zijn vader wilde dat hij zou worden. De jongen werd uitgescholden en geslagen, en één keer lieten ze hem zelfs in de kleren van zijn zusje over het binnenplein paraderen in de hoop dat die schande hem moed bijbrengen zou. Maar hij werd alleen maar steeds dikker en banger, totdat heer Randylls teleurstelling in woede en vervolgens in weerzin verkeerde. Ten slotte, na drie meisjes in even zovele jaren, baarde vrouwe Tarling haar heer gemaal een tweede zoon. Sinds die dag negeerde heer Randyll Sam en wijdde hij zich helemaal aan de jongste knaap, een temperamentvol, robuust kind dat hem veel beter beviel. Samwel kon zich verscheidene jaren in zalige rust met zijn muziek en zijn boeken bezighouden.
    Totdat de dageraad van zijn vijftiende naamdag aanbrak. Toen hij gewekt werd bleek zijn paard gezadeld en wel klaar te staan. Drie krijgslieden hadden hem naar een bos nabij Hoornheuvel begeleid, waar zijn vader zojuist een hert vilde. ‘Je bent nu bijna mondig, en mijn erfgenaam,’ had heer Randyll Tarling tegen zijn oudste zoon gezegd, en terwijl hij sprak legde zijn lange mes het karkas bloot. ‘Je hebt me geen aanleiding gegeven je te verstoten, maar ik sta evenmin toe dat jij het land en de titel erft die Dickon eigenlijk toekomen. Hartsverderf dient naar een man te gaan die de kracht heeft om het te voeren, en jij bent zelfs niet waardig het gevest aan te raken. Ik heb besloten dat je vandaag zult verklaren dat je het zwart wilt aannemen. Je zult afstand doen van alle rechten op je broers erfenis en voor de avond valt op weg gaan naar het noorden. Zo niet, dan gaan we morgen op jacht, en; dan zal jouw paard ergens in deze bossen struikelen, en jij zult worden afgeworpen en sterven… of dat is althans wat ik je moeder zal vertellen. Zij heeft het hart van een vrouw en is in staat zelfs jou lief te hebben, en ik wil haar geen pijn doen. Maar denk vooral niet dat het ook werkelijk zo makkelijk zal gaan als je meent mij te moeten trotseren. Niets zou mij meer genoegen doen dan jou te achtervolgen en te doden als het varken dat je bent.’ Toen hij het vilmes had weggelegd waren zijn armen rood tot de ellebogen. ‘Dus. Dit is je keus. De Nachtwacht…’ Hij stak een hand in het hert, rukte het hart eruit en hield het rood en druipend in zijn vuist omhoog. ‘… of dit.’
    Sam vertelde zijn verhaal op kalme, vlakke toon, alsof het iemand anders overkomen was in plaats van hemzelf. En het vreemde, dacht Jon, was dat hij niet huilde, zelfs niet één keer. Toen hij klaar was zaten ze samen een poosje naar de wind te luisteren. Nergens was enig ander geluid te horen.
    Ten slotte zei Jon: ‘Laten we teruggaan naar de gemeenschapszaal.’
    ‘Waarom?’ vroeg Sam.
    Jon haalde zijn schouders op. ‘We kunnen hete cider drinken, of als je dat liever hebt warme kruidenwijn. Sommige avonden zingt Dareon voor ons, als hij in de stemming is. Hij was zanger voordat… nou ja, niet echt, maar wel bijna. Leerlingzanger.’
    ‘Hoe is hij hier terechtgekomen?’ vroeg Sam.
    ‘Heer Rowan van Guldenloo trof hem in bed aan met zijn dochter. Die meid was twee jaar ouder en Dareon zweert dat ze hem haar raam door heeft geholpen, maar waar haar vader bij was noemde ze het verkrachting, en dus is hij hier. Toen Maester Aemon hem hoorde zingen zei hij dat Dareon een stem had als in honing gedrenkte donder.’ Jon glimlachte. ‘Pad zingt soms ook, voor zover je het zingen kunt noemen. Drinkliederen die hij in zijn vaders wijntapperij heeft geleerd. Pyp zegt dat zijn stem een in pis gedrenkte scheet is.’ Ze schoten beiden in de lach.
    ‘Ik zou ze graag allebei horen,’ bekende Sam, ‘maar ze willen me er vast niet bij hebben.’ Zijn gezicht stond somber. ‘Morgen laat hij me weer vechten, hè?’
    Jon was gedwongen om ja te zeggen.
    Onhandig krabbelde Sam overeind. ‘Ik kan beter proberen wat te slapen.’ Kouwelijk trok hij zijn mantel om zich heen en sjokte weg. De overigen zaten nog in de gemeenschapszaal toen Jon terugkwam, alleen, afgezien van Spook. ‘Waar heb jij gezeten?’ vroeg Pyp.
    ‘Ik heb met Sam gepraat,’ zei hij.
    ‘Hij is echt een angsthaas,’ zei Grenn. ‘Bij het avondeten was er best nog plaats op de bank toen hij zijn pastei kreeg, maar hij was te schijterig om bij ons te komen zitten.’
    ‘Wie weet vindt de heer van Hamme zichzelf te goed om met ons soort mensen te eten,’ opperde Jeren.
    ‘Ik heb hem een varkenspastei zien eten,’ zei Pad meesmuilend.
    ‘Zou het een broertje van hem geweest zijn?’ Hij begon knorrende geluiden te maken.
    ‘Hou op!’ snauwde Jon kwaad.
    De andere jongens zwegen, uit het veld geslagen door zijn plotselinge woede. ‘Luister,’ zei Jon in de stilte, en toen vertelde hij wat ze gingen doen. Pyp stond achter hem, zoals hij wel had geweten, maar toen Halder hem bijviel was dat een aangename verrassing. Grenn durfde eerst niet goed, maar Jon wist hem over te halen. Een voor een sloot de rest zich bij hen aan. Jon overreedde de een, palmde de ander in, wekte de schaamte van de overigen en uitte zo nodig dreigementen. Ten slotte had iedereen ja gezegd… op Rast na.
    ‘Doe gerust waar je zin in hebt, dames,’ zei Rast, ‘maar als Doren mij op vrouwe Knorrie afstuurt ga ik een lekkere zij spek afsnijden.’ Hij lachte Jon in zijn gezicht uit en liet ze allemaal staan. Uren later, toen het slot sliep, gingen ze met z’n drieën op bezoek in zijn cel. Grenn hield zijn armen vast terwijl Pyp op zijn benen ging zitten. Jon hoorde hoe Rasts ademhaling versnelde toen Spook op zijn borst sprong. De ogen van de schrikwolf gloeiden als rode sintels toen hij zijn tanden vluchtig in de weke huid van Rasts hals zette, net genoeg om bloed te doen opwellen. ‘Bedenk wel dat we weten waar je slaapt,’ zei Jon zonder nadruk. De volgende ochtend hoorde Jon Rast tegen Albet en Pad zeggen dat zijn scheermes bij het scheren was uitgegleden.
    Sinds die dag weigerden zowel Rast als alle overigen Samwel Tarling te verwonden. Als ser Alliser hen tegen Sam liet vechten bleven ze op één plek staan en weerden zijn trage, onbeholpen slagen af. Als de wapenmeester krijste dat ze moesten aanvallen dansten ze naar voren en gaven Samwel een tikje op zijn borstharnas, helm of been. Ser Alliser raasde en dreigde en maakte hen allemaal voor lafaards, ouwe wijven en nog erger uit, maar Sam bleef ongedeerd. Een paar avonden later voegde hij zich op Jons aandringen tijdens het eten bij hen en ging naast Halder op de bank zitten. Het duurde nog eens veertien dagen voor hij het aandurfde zich in hun gesprek te mengen, maar na verloop van tijd lachte hij om de gezichten die Pyp trok en deed hij om het hardst mee met het plagen van Grenn. Hij mocht dan dik, onhandig en bangelijk zijn, gek was Samwel Tarling niet. Op een avond zocht hij Jon in zijn cel op. ‘Ik weet niet wat je hebt gedaan,’ zei hij, ‘maar ik weet dat jij het was.’ Hij keek verlegen de andere kant op. ‘Ik heb nooit eerder een vriend gehad.’
    ‘Wij zijn geen vrienden,’ zei Jon. Hij legde een hand op Sams brede schouder. ‘We zijn broers.’
    En dat zijn we, dacht hij bij zichzelf toen Sam weg was. Robb, Bran en Rickon waren zijn vaders zonen, en hij hield nog steeds van hen, maar toch besefte Jon dat hij nooit echt een van hen was geweest. Daar had Catelyn Stark voor gezorgd. De grauwe muren van Winterfel mochten dan nog door zijn dromen spoken, Slot Zwart was zijn thuis, en zijn broers waren Sam, Grenn, Halder en Pyp, en die andere verschoppelingen die het zwart van de Nachtwacht droegen.
    ‘Het was waar wat mijn oom zei,’ fluisterde hij tegen Spook. Hij vroeg zich af of hij Benjen Stark ooit nog terug zou zien, zodat hij het hem kon vertellen.

Eddard

    Al die moeilijkheden worden veroorzaakt door het toernooi van de Hand, mijne heren,’ klaagde de bevelhebber van de stadswacht tegen de koninklijke raad.
    Ned kromp ineen. ‘Het toernooi van de koning,’ verbeterde hij.
    ‘Ik verzeker u dat de Hand er niets mee te maken wil hebben.’
    ‘Noem het zoals u wilt, heer. Uit alle uithoeken van het rijk komen de ridders en hoge heren, en voor elke ridder krijgen we twee vrijruiters binnen, drie handwerkers, zes wapenknechten, een dozijn kooplieden, twee dozijn hoeren en zoveel dieven dat ik er niet eens naar durf te raden. Door die ellendige hitte loopt de halve stad toch al tegen het kookpunt, en nu, met al die bezoekers erbij… vannacht hadden we één verdrinkingsgeval, één kroegruzie, drie messengevechten, één verkrachting, twee brandjes, talloze berovingen en een bezopen paardenrace door de Straat der Zusters. De nacht daarvoor dreef er een vrouwenhoofd in de regenboogvijver van de Grote Sept rond. Niemand schijnt te weten hoe het daar kwam of van wie het is.’
    ‘Wat vreselijk,’ zei Varys huiverend.
    Heer Renling Baratheon leefde minder mee. ‘Als het je niet lukt de koningsvrede te handhaven, Janos, heeft de stadswacht misschien een bevelhebber nodig die dat wel kan.’
    De gezette, kwabbige Janos Slink blies zichzelf op als een boze kikker, en zijn kale hoofd liep rood aan. ‘Aegon de Draak zelf zou de vrede nog niet kunnen bewaren, heer Renling. Ik heb meer mannen nodig.’
    ‘Hoeveel?’ vroeg Ned en boog zich naar voren. Zoals altijd had Robert niet de moeite genomen de raadsvergadering bij te wonen, dus diende de Hand namens hem te spreken.
    ‘Zoveel als ik krijgen kan, heer Hand.’
    ‘Neem vijftig nieuwe mannen in dienst,’ zei Ned tegen hem. ‘Heer Baelish zorgt voor het geld.’
    ‘O ja?’ zei Pinkje.
    ‘Jawel. Als u veertigduizend gouden draken voor de geldbuidel van een overwinnaar kunt opduikelen kunt u ook wel een paar koperstukken bij elkaar schrapen om de koningsvrede te handhaven.’
    Ned wendde zich weer tot Janos Slink. ‘Ik zal u ook twintig goede zwaard vechters uit mijn eigen hofwacht geven om bij de Wacht te dienen tot de massa’s weer vertrokken zijn.’
    ‘Ik ben u zeer erkentelijk, heer Hand,’ zei Slink met een buiging.
    ‘Ik beloof u dat ik daar goed gebruik van zal maken.’
    Toen de bevelhebber weg was richtte Eddard Stark zich tot de overige raadsleden. ‘Hoe eerder deze dwaasheid achter de rug is, hoe aangenamer mij dat zal zijn.’ Alsof alle kosten en problemen nog niet irritant genoeg waren, volhardde rijp en groen erin, zout in Neds wond te wrijven door het alsmaar over ‘het toernooi van de Hand’
    te hebben, alsof hij dit had gewild. En Robert leek oprecht van mening te zijn dat hij zich vereerd moest voelen!
    ‘Het rijk heeft baat bij zulke evenementen, heer,’ zei grootmaester Pycelle. ‘Zo hebben de groten de kans om te schitteren en kan het eenvoudige volk zijn ellende even vergeten.’
    ‘En er worden heel wat zakken mee gespekt,’ voegde Pinkje eraan toe. ‘Alle herbergen in de stad zijn vol, en de hoeren lopen krom en rinkelen bij iedere stap.’
    Heer Renling lachte. ‘Wat een geluk dat mijn broer Stannis niet bij ons is. Herinnert u zich die keer dat hij voorstelde de bordelen te verbieden? De koning vroeg of hij misschien ook meteen een verbod op eten, poepen en ademhalen wilde. Eerlijk gezegd vraag ik me vaak af hoe Stannis aan die lelijke dochter van hem komt. Hij benadert het echtelijk bed als een man die ten strijde trekt, met een grimmige blik in de ogen, vastberaden zijn plicht te volbrengen.’
    Ned lachte niet mee. ‘Ook bij mij doet uw broer Stannis vragen rijzen. Ik vraag me af wanneer hij van plan is een streep te zetten onder zijn bezoek aan Drakensteen en zijn zetel in de raad weer in te nemen.’
    ‘Ongetwijfeld zodra we al die hoeren de zee ingegeseld hebben,’ antwoordde Pinkje, hetgeen aanleiding was tot nog meer gelach. ‘Ik heb voor een hele dag genoeg over hoeren gehoord,’ zei Ned en stond op. ‘Tot morgen.’
    Toen hij terugkwam bij de Toren van de Hand stond Harwin op wacht voor de deur. ‘Draag Jory op naar mijn vertrekken te komen en zeg tegen je vader dat hij mijn paard moet zadelen,’ beval Ned hem wat al te kortaf.
    ‘Zoals u wilt, heer.’
    De Rode Burcht en ‘het toernooi van de Hand’ waren nagels aan zijn doodskist, dacht Ned terwijl hij de trap beklom. Hij zou zo graag troost zoeken in de armen van Catelyn, of Robb en Jon het zwaard horen kruisen op het oefenterrein, en hij smachtte naar de koele dagen en koude nachten van het Noorden. In zijn kamers trok hij zijn zijden raadskledij uit en begon in afwachting van Jory’s komst even in het boek te lezen. De Afstamming en Geschiedenis van de Grote Huizen van de Zeven Koninkrijken, met Beschrijvingen van Vele Grote Heren en Edele Dames en hun Kinderen, door grootmaester Malleon. Pycelle had de waarheid gesproken: het was zware lectuur. Toch had Jon Arryn erom gevraagd, en met reden, daar was Ned van overtuigd. Hier stond iets in, in deze broze, vergeelde bladzijden zat een waarheid verscholen. Maar welke} Het boek was meer dan een eeuw oud. Toen Malleon zijn stoffige lijsten van huwelijken, geboorten en sterfgevallen had opgesteld waren de meeste mensen die nu leefden nog niet eens geboren. Hij richtte zich nogmaals op het gedeelte over het Huis Lannister en sloeg langzaam de bladzijden om, in de hoop dat hem iets in het oog zou springen. De Lannisters waren een oud geslacht dat zijn afstamming op Lann de Geslepene terugvoerde, een bedrieger uit het Heldentijdperk die ongetwijfeld even legendarisch was als Bran de Bouwheer, zij het veel meer in trek bij zangers en vertellers. In die liederen was Lann de knaap die de Casterlings uit de Rots van Gaster ling wist te goochelen zonder enig ander wapen dan zijn sluwheid, en die goud van de zon roofde om zijn krullen meer glans te geven. Ned wilde dat hij nu hier was om de waarheid uit dat ellendige boek te goochelen. Een abrupte tik op de deur kondigde de komst van Jory Cassel aan. Ned sloeg het boek van Malleon dicht en riep hem binnen. ‘Ik heb de stadswacht tot het einde van het toernooi twintig man van mijn eigen wacht toegezegd,’ zei hij tegen hem. ‘Kies jij ze maar uit. Geef Alyn het bevel en laat het tot de mannen doordringen dat ze nodig zijn om vechtpartijen te beëindigen, niet om ze te beginnen.’
    Ned stond op, opende een cederhouten kist en haalde er een dunne linnen ondertuniek uit. ‘Heb je de staljongen gevonden?’
    ‘De wachter, heer,’ zei Jory. ‘Hij zweert dat hij nooit meer een paard zal aanraken.’
    ‘Wat had hij te melden?’
    ‘Hij beweert dat hij heer Arryn goed kende. Dikke maatjes waren ze.’ Jory snoof. ‘De Hand gaf de jongens op hun naamdag altijd een koperstukje, zegt hij. Kon goed met paarden omgaan. Jakkerde zijn rijdieren nooit af en gaf ze wortels en appels, zodat ze altijd blij waren hem te zien.’
    ‘Wortels en appels,’ herhaalde Ned. Dat klonk alsof ze aan deze jongen zelfs nóg minder hadden dan aan de rest. En hij was de laatste van de vier die Pinkje had opgeduikeld. Jory had ze een voor een gesproken. Ser Huig was kortaangebonden en onmededeelzaam geweest, en zo arrogant als alleen een nieuwbakken ridder kan zijn. Als de Hand hem wilde spreken zou hij hem gaarne ontvangen, maar hij wenste niet door een doodgewoon hoofd van de wacht te worden ondervraagd… ook al was het hoofd in kwestie tien jaar ouder en honderd keer zo goed als zwaardvechter. Het dienstmeisje was tenminste nog aardig geweest. Zij zei dat heer Jon meer had gelezen dan goed voor hem was, dat hij veel zorgen en verdriet had over de zwakheid van zijn zoontje, en dat hij zijn edele vrouwe bars bejegende. Het schenkershulpje, dat inmiddels schoenlapper was, had zelfs nooit een woord met heer Jon gewisseld, maar wist allerlei keukenroddels te vertellen: zijn heer had ruzie gehad met de koning, zijn heer had maar mondjesmaat gegeten, hij wilde zijn zoontje ter opvoeding naar Drakensteen sturen, hij was ineens grote belangstelling voor het fokken van jachthonden gaan koesteren, hij was naar een meestersmid gegaan om een nieuw plaatharnas te laten maken, helemaal van wit zilver met een blauwe valk van jaspis en een paarlemoeren maan op de borst. De broer van de koning zelf was met hem meegegaan om het ontwerp te helpen uitzoeken, zei het schenkershulpje. Nee, niet heer Renling, maar die andere, heer Stannis.
    ‘Herinnert onze wachter zich verder nog iets opmerkelijks?’
    ‘De jongen zweert dat heer Jon zo sterk was als iemand van half zijn leeftijd. Hij ging vaak met heer Stannis uit rijden, zegt hij.’
    Alweer Stannis, dacht Ned. Dat vond hij vreemd. Jon Arryn had met hem op goede, maar nooit op vriendschappelijke voet gestaan. En toen Robert naar Winterfel ging, was Stannis naar Drakensteen afgereisd, het eilandfort van de Targaryens dat hij in naam van zijn broer had veroverd. Hij had geen bericht achtergelaten wanneer hij terug zou komen. ‘Waar gingen die ritten naartoe?’ vroeg Ned.
    ‘De jongen zegt dat ze naar een bordeel gingen.’
    ‘Een bordeel?’ zei Ned. ‘De heer van het Adelaarsnest en de Hand des Konings is met Stannis Baratheon naar een bordeel geweest?’
    Hij schudde ongelovig zijn hoofd en vroeg zich af wat heer Renling van zo’n smakelijke roddel zou vinden. Roberts losbandigheid was het onderwerp van alle schuine dronkenmansliederen in het hele rijk, maar Stannis was uit heel ander hout gesneden. Hij was nauwelijks een jaar jonger dan de koning, maar volkomen anders: streng, humorloos, haatdragend, en met een onverbiddelijk plichtsgevoel.
    ‘De jongen houdt hardnekkig vol dat het waar is. De Hand had drie lijfwachten bij zich, en volgens de jongen maakten die daar grappen over toen hij naderhand hun paarden kwam halen.’
    ‘Welk bordeel?’ vroeg Ned.
    ‘Dat wist de jongen niet. Maar die lijfwachten zullen het wel weten.’
    ‘Jammer dat Lysa ze heeft meegesleept naar de Vallei,’ zei Ned droogjes. ‘De goden doen wél hun best ons de voet dwars te zetten. Vrouwe Lysa, Maester Colemon, heer Stannis… iedereen die misschien weet wat er eigenlijk met Jon Arryn is gebeurd bevindt zich duizend mijl ver weg.’
    ‘Gaat u heer Stannis uit Drakensteen terugroepen?’
    ‘Nog niet,’ zei Ned. ‘Niet voordat ik meer weet van deze affaire, en van zijn rol daarin.’ De zaak knaagde aan hem. Waarom was Stannis weggegaan? Had hij iets te maken met de moord op Jon Arryn? Of was hij bang? Ned kon zich nauwelijks voorstellen dat Stannis Baratheon ergens bang voor was: de man had de belegering van Stormeinde een jaar lang doorstaan door op ratten en leren laarzen te teren, terwijl de heren Tyrel en Roodweyn met hun legers in het zicht van zijn muren zaten te schranzen. ‘Wees zo goed me mijn wambuis te brengen. Het grijze met de schrikwolf erop. Ik wil dat die wapensmid weet wie ik ben. Dat maakt hem allicht meegaander.’
    Jory liep naar de garderobe. ‘Heer Renling is evenzeer een broer van heer Stannis als de koning.’
    ‘Maar hij is kennelijk niet voor die ritjes uitgenodigd.’ Al zijn gemeenzaamheid en vlotte glimlachjes ten spijt wist Ned niet precies wat hij van Renling moest denken. Een paar dagen geleden had hij Ned terzijde genomen om hem een fraai gouden medaillon te tonen. Dat bevatte een in de flamboyante stijl van Myr geschilderde miniatuur van een lieftallig jong meisje met hertenogen en een waterval van zacht, bruin haar. Renling had de indruk gewekt dat hij graag wilde weten of het meisje hem aan iemand deed denken. Toen Ned bij wijze van antwoord alleen maar zijn schouders ophaalde was hij teleurgesteld. Het meisje was heer Tyrels zuster Marjolij, had hij bekend, maar sommigen zeiden dat ze op Lyanna leek. ‘Nee,’ had Ned stomverbaasd gezegd. Kon het zijn dat heer Renling, die zozeer op de jeugdige Robert leek, hartstocht had opgevat voor een meisje dat hij voor een jeugdige Lyanna hield? Dat kwam hem meer dan een klein beetje eigenaardig voor.
    Jory hield het wambuis omhoog en Ned stak zijn handen door de armsgaten. ‘Misschien komt heer Stannis terug voor Roberts toernooi,’ zei hij terwijl Jory het kledingstuk van achteren vastreeg.
    ‘Dat zou een gelukkig toeval zijn, heer,’ zei Jory.
    Ned gespte een lang zwaard om. ‘Met andere woorden, verdomd onwaar schij nlij k.’
    Jory drapeerde Neds mantel om diens schouders en gespte hem bij de hals vast met het ambtsinsigne van de Hand. ‘Die wapensmid woont boven zijn winkel, in een groot huis boven aan de Staalstraat. Alyn weet de weg, heer.’
    Ned knikte. ‘De goden zij die schenker s jongen genadig als hij me op schimmenjacht heeft gestuurd.’ Dit bood nauwelijks houvast, maar de Jon Arryn die Ned Stark had gekend was geen man die verzilverde en met juwelen bezette plaatharnassen droeg. Staal was staal en bedoeld om te beschermen, niet om mee te pronken. Maar hij kon natuurlijk van mening veranderd zijn. Hij zou bepaald niet de eerste zijn geweest die na een paar jaar aan het hof anders tegen de dingen aan was gaan kijken… maar de verandering was opvallend genoeg om vragen bij Ned te doen rijzen.
    ‘Kan ik u nog ergens anders mee van dienst zijn?’
    ‘Het lijkt me het handigste als je nu bordelen gaat bezoeken.’
    ‘Een zware plicht, heer.’ Jory grijnsde. ‘De mannen zullen me er graag bij helpen. Porthier is inmiddels aardig op streek.’
    Neds lievelingspaard stond al gezadeld op de binnenplaats. Varling en Jacs sloten zich bij hem aan toen hij door de hof reed. Met die stalen helmen en maliënkolders hadden ze het ongetwijfeld smoorheet, maar ze klaagden er met geen woord over. Via de koningspoort reed heer Eddard de stinkende stad in. Zijn grijswitte mantel wapperde achter hem aan. Hij zag overal ogen en zette zijn paard tot draf aan. Zijn wacht volgde.
    Terwijl ze zich een weg door de overvolle straten baanden keek hij regelmatig over zijn schouder. Tomard en Desmond hadden vanochtend vroeg het kasteel verlaten om zich langs de te nemen route te posteren en te kijken of ze gevolgd werden, maar toch voelde Ned zich onzeker. De schaduw van de koninklijke Spin en diens kleine vogeltjes maakten hem nerveus als een maagd in haar huwelijksnacht. De Staalstraat begon op het marktplein, naast de Rivierpoort, zoals hij op de plattegronden heette, of de Modderpoort, zoals hij in de volksmond werd genoemd. Een potsenmaker op stelten beende als een groot insect tussen de mensenmenigte door, een sleep joelende kinderen op blote voeten achter zich aan. Elders hielden twee in lompen gehulde jongens, niet ouder dan Bran, een stokgevecht, luid aangemoedigd door de een en woedend verwenst door de ander. Een oude vrouw maakte een einde aan de strijd door zich uit haar raam te buigen en een emmer drek over de hoofden van de vechtenden te legen. In de schaduw van de muur stonden boeren naast hun kar te galmen: ‘Appels, heerlijke appels voor een spotprijsje,’ of: ‘Rapen, uien en wortels, hier moet je zijn, hier moet je zijn, rapen, uien en wortels, hier moet je zijn!’
    De Modderpoort was open, en in het poortgewelf stond een eenheid stadswachten in gouden mantels op hun speren geleund. Toen er uit het westen een ruiterstoet naderde kwamen de wachters abrupt in actie. Ze schreeuwden bevelen en duwden karren en voetgangers opzij om de ridder met zijn escorte doorgang te verlenen. De eerste ruiter die door de poort reed droeg een lange zwarte banier in zijn hand. De zij rimpelde in de wind als een levend wezen en droeg als blazoen een nachthemel, door purperen bliksems doorkliefd. ‘Opzij voor heer Beric!’ riep de ruiter. ‘Opzij voor heer Beric! Pal achter hem kwam de jeugdige heer zelf, een zwierige gestalte op een zwart strijdros, met roodgouden haar en een zwartsatijnen mantel, bezaaid met sterren. ‘Komt u aan het toernooi van de Hand deelnemen, heer?’ riep een wachter hem toe. ‘Ik kom het toernooi van de Hand winnen,’ schreeuwde heer Beric terug, en de menigte juichte.
    Ned sloeg vanaf het marktplein de Staalstraat in en draaide met de weg mee een lange helling op, langs smeden die bij open vuren aan het werk waren, vrijruiters die op maliënhemden trachtten af te dingen en vergrijsde ijzerhandelaren die vanaf hun karren oude klingen en scheermessen verkochten. Hoe hoger ze kwamen, hoe groter de gebouwen werden. De man die zij zochten woonde boven op de top van de heuvel in een groot vakwerkhuis waarvan de bovenste verdiepingen over de smalle straat uitstaken. Op de dubbele deuren was een jachttafereel in ebbenhout en weirhout uitgesneden. Een paar stenen ridders waakte bij de ingang, gehuld in fantasieharnassen van glanzend rood staal dat hen tot een griffioen en een eenhoorn omtoverde. Ned liet zijn paard bij Jacs achter en baande zich een weg naar binnen.
    Het slanke jonge dienstmeisje zag onmiddellijk Neds insigne en het wapenteken op zijn wambuis, en de meester snelde pluimstrijkend toe. ‘Wijn voor de Hand des Konings,’ zei hij tegen het meisje en wees Ned een sofa. ‘Mijn naam is Tobho Mott, heer, maak het u gemakkelijk, alstublieft.’ Hij droeg een zwartfluwelen overkleed met hamers van zilverdraad op de mouwen geborduurd. Om zijn nek hing een zware, zilveren ketting met een saffier ter grootte van een duivenei. ‘Als u nieuwe wapens voor het toernooi van de Hand nodig hebt, bent u hier op de juiste plek.’ Ned nam niet de moeite hem te verbeteren. ‘Mijn werk is duur, en daar wind ik geen doekjes om, heer,’ zei hij terwijl hij twee identieke zilveren bekers volschonk. ‘Handwerk als het mijne zult u nergens anders in de Zeven Koninkrijken vinden, dat kan ik u verzekeren. Gaat u gerust bij iedere smidse in Koningslanding langs om zelf de vergelijking te maken. De eerste de beste dorpssmid kan een maliënkolder in elkaar hameren, maar wat ik maak is kunst.’
    Ned nam een slokje van zijn wijn en liet de man maar praten. De Bloemenridder kocht zijn hele wapenrusting bij hem, pochte Tobho, en vele andere hoge heren die wisten wat deugdelijk staal was, en zelfs niemand minder dan heer Renling, de broer van de koning. Misschien dat de Hand de nieuwe wapenrusting van heer Renling had gezien, het groene harnas met het gouden gewei? Geen enkele andere wapensmid in de stad kon zulk diep groen maken, maar deze smid kende het geheim en wist hoe je het staal zelf kleur moest geven. Verf en email waren de krukken waarmee een gezel zich behielp. Of misschien kwam de Hand voor een zwaard? Tobho had als jongen in de smidse van Qohor Valyrisch staal leren bewerken. Alleen een man die de spreuken kende kon oude wapens tot nieuwe omsmeden. ‘De schrikwolf is het wapenteken van het Huis Stark, nietwaar? Ik kan een schrikwolfhelm maken, zo echt dat de kinderen op straat voor u op de loop gaan,’ bezwoer hij. Ned glimlachte. ‘Hebt u voor heer Arryn een valkenhelm gemaakt?’
    Tobho Mott zweeg één langdurig ogenblik en zette zijn wijn neer.
    ‘De Hand heeft mij bezocht met heer Stannis, de broer van de koning. Het spijt me te moeten zeggen dat ze mij niet de eer van hun klandizie hebben vergund.’
    Ned keek de man met een uitgestreken gezicht aan. Hij zei niets, maar wachtte. Hij had in de loop der jaren ontdekt dat stilte soms meer opleverde dan vragen stellen.
    ‘Ze vroegen of ze de jongen mochten zien,’ zei de wapensmid, ‘dus heb ik ze mee naar achteren genomen, naar de smidse.’
    ‘De jongen,’ herhaalde Ned. Hij had er geen idee van wie de jongen was. ‘Ik zou de jongen ook graag zien.’
    Tobho Mott wierp hem een koele, behoedzame blik toe. ‘Zoals u wilt, heer,’ zei hij zonder een spoor van zijn vriendelijkheid van zoeven. Hij leidde Ned door een achterdeur naar buiten en toen over een smalle binnenplaats naar de spelonkachtige stenen schuur waar het werk werd verricht. Toen de wapensmid de deur opende bezorgde de hete lucht die naar buiten golfde Ned het gevoel dat hij de muil van een draak binnenliep. Binnen loeide in iedere hoek een smidsvuur, en het stonk er naar rook en zwavel. Wapensmidsgezellen keken net lang genoeg van hun hamers en tangen op om het zweet van hun voorhoofd te vegen, terwijl leerjongens met ontbloot bovenlijf onderwijl de blaasbalg hanteerden.
    De meester riep een lange jongen van ongeveer Robbs leeftijd met dikke spierbundels op zijn armen en borst bij zich. ‘Dit is heer Stark, de nieuwe Hand des Konings,’ zei hij tegen hem toen de jongen met norse blauwe ogen naar Ned keek en met zijn vingers zijn bezwete haar naar achteren streek. De schaduw van een kersverse baard kleurde zijn kaken donker. ‘Dit is Gendry. Heel sterk voor zijn leeftijd, en ijverig. Laat de Hand de helm zien die je hebt gemaakt, jongen.’ Bijna verlegen leidde de jongen hen naar zijn werkbank, en naar een stalen helm in de vorm van een stierenkop met twee grote, kromme horens. Ned keerde de helm in zijn handen om. Hij was van ruw staal, nog ongepolijst, maar vakkundig in vorm geslagen. ‘Dit is fraai werk. Het zou me genoegen doen als ik hem mocht kopen.’
    De jongen rukte hem de helm uit handen. ‘Hij is niet te koop.’
    Tobho Mott keek ontzet. ‘Jongen, dit is de Hand des Konings. Als de edele heer deze helm wenst moet je hem die ten geschenke geven. Hij bewijst je eer door erom te vragen.’
    ‘Ik heb hem voor mezelf gemaakt,’ zei de jongen koppig.
    ‘Honderdmaal vergiffenis, heer,’ zei zijn meester haastig tegen Ned. ‘De jongen is zo ruw als onbewerkt staal, en net als onbewerkt staal zou hij baat hebben bij een paar flinke tikken. Die helm is op zijn best gezellenwerk. Vergeef het hem, en ik beloof dat ik een helm voor u zal vervaardigen zoals u nog nooit hebt gezien.’
    ‘Hij heeft niets gedaan waarvoor hij mijn vergiffenis nodig heeft. Gendry, toen heer Arryn bij je op bezoek kwam, waar hebben jullie toen over gepraat?’
    ‘Hij vroeg alleen maar dingen, heer.’
    ‘Zoals?’
    De jongen haalde zijn schouders op. ‘Hoe het met me ging, en of ik goed behandeld werd, en of ik dit leuk werk vond, en dingen over mijn moeder. Wie ze was, en hoe ze eruitzag en zo.’
    ‘Wat heb je tegen hem gezegd?’ vroeg Ned. De jongen veegde het haar dat opnieuw over zijn voorhoofd was gevallen opzij. ‘Ze stierf toen ik nog klein was. Ze had blond haar, en ik weet nog dat ze soms voor me zong. Ze werkte in een bierkroeg.’
    ‘Heeft heer Stannis je ook ondervraagd?’
    ‘Die kale? Nee, die niet. Hij zei geen woord, hij keek me alleen maar woedend aan alsof ik een verkrachter was die zijn dochter had gepakt.’
    ‘Hou je smerige praatjes voor je,’ zei de meester. ‘Dit is de Hand des Konings zelf.’ De jongen sloeg zijn ogen neer. ‘Een slim joch, maar koppig. Die helm… toen de anderen hem voor stijfkop uitmaakten smeet hij hem recht in hun gezicht.’
    Ned raakte het hoofd van de jongen aan en betastte het dikke, zwarte haar. ‘Kijk me eens aan, Gendry.’ De leerjongen keerde zijn gezicht omhoog. Ned bestudeerde de vorm van zijn kaken, de ijsblauwe ogen. Ja, dacht hij, ik kan het zien. ‘Ga maar weer aan je werk, jongen. Het spijt me dat ik je heb lastig gevallen.’ Hij liep met de meester naar het huis terug. ‘Wie heeft het leergeld voor de jongen betaald?’ vroeg hij luchtig. Mott keek zenuwachtig. ‘U hebt de jongen gezien. Zo’n sterke knaap. Die handen van hem, die zijn ervoor gemaakt om een hamer te hanteren. Hij was zo veelbelovend dat ik hem zonder leergeld heb aangenomen.’
    ‘En nu de waarheid,’ drong Ned aan. ‘De straten barsten van de sterke knapen. De dag dat u zonder betaling een leerjongen aanneemt stort de Muur in. Wie heeft er voor hem betaald?’
    ‘Een edelman,’ zei de meester met tegenzin. ‘Hij noemde zijn naam niet en had geen wapenteken op zijn rok. Hij betaalde met goud, twee keer zoveel als gebruikelijk, en zei dat hij één keer voor de jongen en één keer voor mijn stilzwijgen betaalde.’
    ‘Beschrijf hem.’
    ‘Een stevige kerel met ronde schouders, minder lang dan u. Een bruine baard, maar ik kan zweren dat er een zweempje rood in zat. Hij droeg een kostbare mantel, dat weet ik nog wel, zwaar, paars fluweel, versierd met zilver draad, maar de kap overschaduwde zijn gezicht en ik heb hem niet goed gezien.’ Hij aarzelde even. ‘Ik wil geen moeilijkheden, heer.’
    ‘Dat willen we geen van allen, maar ik vrees dat dit moeilijke tijden zijn, meester Mott,’ zei Ned. ‘U weet wie die jongen is.’
    ‘Ik ben maar een wapensmid, heer. Ik weet wat mij verteld wordt.’
    ‘U weet wie die jongen is,’ herhaalde Ned geduldig. ‘Dat is geen vraag.’
    ‘De jongen is mijn leerling,’ zei de meester. Hij keek Ned recht in het gezicht, onbuigzaam als oud ijzer. ‘Wie hij was voor hij bij mij kwam, daar heb ik niets mee te maken.’
    Ned knikte. Hij kwam tot de conclusie dat hij meester-wapensmid Tobho Mott wel mocht. ‘Mocht de dag ooit aanbreken dat Gendry liever een zwaard wil hanteren dan er een te smeden, stuur hem dan naar mij. Hij heeft het uiterlijk van een krijgsman. Tot dat moment, mijn dank, meester Mott. En ik beloof u: mocht ik ooit een helm nodig hebben om kinderen schrik aan te jagen, dan is dit de eerste plaats waar ik naartoe zal gaan.’
    Zijn wacht stond buiten bij de paarden. ‘Hebt u iets gevonden, heer?’ vroeg Jacs terwijl Ned opsteeg.
    ‘Ja,’ zei Ned bevreemd. Want wat moest Jon Arryn met de bastaard van een koning, en waarom was dat zijn leven waard?

Catelyn

    ‘Vrouwe, doet u toch iets op uw hoofd,’ zei ser Rodrik terwijl hun paarden naar het noorden ploegden. ‘U vat nog kou.’
    ‘Het is maar water, ser Rodrik,’ antwoordde Catelyn. Haar haren waren nat en zwaar, er zat een losse sliert tegen haar voorhoofd geplakt en ze kon zich wel voorstellen hoe haveloos en verwilderd ze eruitzag, maar vandaag liet dat haar koud. De regen in het zuiden was mild en warm. Hij voelde prettig aan op Catelyns gezicht, zacht als de kussen van een moeder, en herinnerde haar aan haar jeugd, aan de lange, grijze dagen in Stroomvliet. Ze dacht aan het godenwoud, aan de doorbuigende takken, zwaar van het vocht, en aan het geluid dat haar broer maakte als hij haar lachend achtervolgde door de natte bladerhopen. Ze dacht aan de moddertaartjes die ze samen met Lysa had gebakken, aan hun gewicht, aan de glibberige bruine modder tussen haar vingers. Ze hadden ze giechelend aan Pinkje voorgezet, en hij had zoveel modder gegeten dat hij een week lang ziek was geweest. Wat waren ze toen allemaal nog jong. Catelyn was het al bijna vergeten. In het noorden viel een koude, harde regen die ’s nachts soms tot ijzel bevroor. Voor de gewassen was hij even vaak fataal als groeizaam, en ook volwassen mannen zochten er zo snel mogelijk beschutting tegen. Geen regen voor kleine meisjes om in te spelen.
    ‘Ik ben doorweekt,’ klaagde ser Rodrik. ‘Nat tot op het bot.’ Het bos groeide dicht om hen heen, en het gestage tikken van de regen op de bladeren werd begeleid door de zuigende geluidjes waarmee de hoeven van hun paarden zich uit de modder lostrokken. ‘We zullen vanavond een vuur nodig hebben, vrouwe, en een warm maal zou geen kwaad kunnen.’
    ‘Verderop bij de kruiswegen is een herberg,’ zei Catelyn. Daar had ze in haar jeugd menige nacht doorgebracht als ze met haar vader op pad was. In de kracht van zijn leven was heer Hoster Tulling een rusteloos man geweest die eeuwig te paard zat. Ze herinnerde zich de waardin nog, een dikke vrouw, Masja Heddel genaamd, die dag en nacht zuurblad liep te kauwen en voor de kinderen een oneindige voorraad lachjes en zoete koeken in voorraad leek te hebben. De koeken waren met honing doordrenkt, klef op de tong en machtig, maar o, wat was Catelyn bang geweest voor die lachjes. Het zuurblad had Masja’s tanden donkerrood gekleurd, zodat haar glimlach één bloedige verschrikking was.
    ‘Een herberg,’ herhaalde ser Rodrik verlangend. ‘Als dat… maar dat riscico kunnen we niet nemen. Als we onbekend willen blijven kunnen we het beste een kleine hofstede zoeken…’ Hij zweeg, want hogerop langs de weg waren geluiden te horen, gespetter van water, gerinkel van metaal, het hinniken van een paard. ‘Ruiters,’ zei hij waarschuwend en legde een hand op zijn gevest. Zelfs op de Koningsweg kon het geen kwaad om op je hoede te zijn. Ze gingen op het geluid af, en voorbij een flauwe bocht in de weg zagen ze hen: een colonne gewapende mannen die lawaaiig een gezwollen rivier overstaken. Catelyn hield in om hen voorbij te laten. De banier in de hand van de voorste ruiter was doorweekt en hing slap omlaag, maar de wachters droegen indigo mantels, en op hun schouders vloog de zilveren adelaar van Zeegaard. ‘Mallisters,’ fluisterde ser Rodrik haar toe, alsof ze dat zelf niet wist. ‘U kunt beter uw kap opzetten, vrouwe.’
    Catelyn verroerde zich niet. Heer Jason Mallister zelf was erbij, met zijn ridders om zich heen, zijn zoon Patrek aan zijn zij en hun schildknapen vlak achter zich. Ze waren op weg naar Koningslanding en het toernooi van de Hand, wist ze. Al een week lang wemelde het op de Koningsweg van de reizigers: ridders en vrijruiters, zangers met hun harpen en trommels, zware wagens, volgeladen met hop, maïs of vaatjes honing, handelaars, handwerkslieden en hoeren, allemaal op weg naar het zuiden. Ze bekeek heer Jason vrijmoedig. De vorige keer dat ze hem had gezien had hij op haar bruiloft grappen zitten maken met haar oom. De Mallisters waren baandermannen van de Tullings, en hij had haar rijkelijk met geschenken bedacht. Zijn bruine haar was nu met wit doorschoten, zijn gezicht uitgehold door de beitel van de tijd, maar de jaren hadden zijn trots niet aangetast. Hij reed als een man die geen vrees kent. Daar benijdde Catelyn hem om, want haar vrees was juist zoveel groter geworden. Toen de ruiters passeerden knikte heer Jason haar even toe bij wijze van groet, maar dat was niet meer dan de hoffelijkheid van een hoge edelman tegenover een vreemde die hij bij toeval onderweg tegenkomt. In zijn felle ogen daagde geen herkenning, en zijn zoon keurde haar zelfs geen blik waardig.
    ‘Hij herkende u niet,’ zei Rodrik naderhand verwonderd.
    ‘Hij zag een paar bemodderde reizigers langs de weg, nat en moe. Het kwam geen moment bij hem op dat een van hen de dochter van zijn leenheer was. Ik denk dat we in die herberg veilig genoeg zijn, ser Rodrik.’
    Het was bijna donker toen ze die bereikten, bij de kruiswegen ten noorden van de grote samenvloeiing van de Drietand. Masja Heddel was dikker en grijzer dan Catelyn zich haar herinnerde, kauwde nog steeds op haar zuurblad maar bekeek hen slechts uiterst vluchtig, zonder een zweem van haar akelige rode glimlach. ‘Twee kamers boven aan de trap, dat is alles wat ik heb,’ zei ze terwijl ze geen ogenblik stopte met kauwen. ‘Onder de klokkentoren, dus de maaltijden missen jullie niet, al zijn er die het te lawaaiig vinden. Niks aan te doen. We zitten vol, of zo goed als. Dus die kamers, of de blote hemel.’
    Het werden die kamers, lage, stoffige zolderhokjes boven aan een benauwde, smalle trap. ‘Laarzen beneden laten,’ zei Masja toen ze hun geld in ontvangst had genomen. ‘De jongen maakt ze wel schoon. Ik wil geen moddersporen op mijn trap. Let op de klok. Wie te laat is voor het eten krijgt niets.’ Geen glimlachjes, en geen woord over zoete koekjes.
    Toen de klok voor het avondeten werd geluid was de herrie oorverdovend. Catelyn had droge kleren aangetrokken. Ze zat bij het raam en keek naar de regen die over de ruit liep. Het glas was melkwit en hobbelig, en buiten daalde een natte schemering. Catelyn kon nog net de modderpoel zien waar de twee grote wegen elkaar kruisten. De kruiswegen brachten haar aan het weifelen. Als ze van hieruit naar het westen reden zouden ze Stroomvliet moeiteloos bereiken. Haar vader had haar altijd wijze raad gegeven op het moment dat ze die het hardst nodig had, en ze wilde heel graag met hem praten, hem voor de naderende storm waarschuwen. Als Winterfel zich al op een oorlog moest voorbereiden, hoeveel te meer dan niet Stroomvliet, dat zoveel dichter bij Koningslanding lag, met in het westen de dreigende schaduw van de machtige Rots van Casterling. Als haar vader sterker was geweest had ze het er misschien op gewaagd, maar Hoster Tulling was al twee jaar bedlegerig, en Catelyn wilde hem nu niet belasten.
    De weg naar het oosten was ruiger en gevaarlijker. Die leidde via rotsige heuvels en dichte wouden omhoog naar de Maanbergen, en over hoge passen en langs diepe ravijnen naar de Vallei van Arryn en de stenige Vingers daarachter. Boven de Vallei rees hoog en onneembaar het Adelaarsnest op met torens die naar de hemel reikten. Daar zou ze haar zuster vinden… en misschien enkele van de antwoorden waarnaar Ned op zoek was. Lysa wist vast meer dan ze in haar brief had durven schrijven. Wie weet beschikte zij wel over het bewijs dat Ned nodig had om de Lannisters ten val te brengen, en mocht het op een oorlog uitdraaien dan zouden ze de Arryns en hun vazallen in het oosten nodig hebben.
    Maar de weg door de bergen was levensgevaarlijk. Schaduwkatten maakten de passen onveilig, aardverschuivingen waren er aan de orde van de dag en de bergclans waren wetteloze bandieten die vanuit de hoogte afdaalden om te roven en te moorden en als sneeuw voor de zon verdwenen zodra de ridders van de Vallei erop uittrokken om hen op te sporen. Zelfs Jon Arryn, die voor geen enkele andere heer van het Adelaarsnest onderdeed, placht altijd op volle sterkte te reizen als hij de bergen overstak. Catelyns enige sterkte bestond uit één oudere ridder wiens wapenrusting zijn trouw was. Nee, dacht ze, Stroomvliet en het Adelaarsnest konden wel uitstel lijden. Haar weg voerde haar naar Winterfel in het noorden, waar haar zonen en haar plicht op haar wachtten. Zodra ze veilig en wel voorbij de Nek waren kon ze zich aan een van Neds baandermannen bekendmaken en ijlboden vooruit sturen met het bevel de Koningsweg te laten bewaken. De regen maakte de velden achter de kruiswegen onzichtbaar, maar in haar herinnering zag Catelyn het land duidelijk genoeg voor zich. Het marktveld lag pal aan de overkant van de weg, en het dorpje een mijl verderop, een vijftigtal witte huisjes rond een kleine stenen sept. Dat zouden er nu wel meer zijn: de zomer was lang en vreedzaam geweest. Ten noorden hiervan liep de Koningsweg langs de Groene Vork van de Drietand, door vruchtbare valleien en groene bosgebieden, langs welvarende stadjes, stevig gebouwde ridderhoven en de kastelen van de rivierheren. Catelyn kende hen allemaal: de Zwartewouds en de Vaarens, eeuwige vijanden wier geschillen haar vader moest beslechten; Vrouwe Whent, de laatste van haar geslacht, die met haar geesten in de holle gewelven van Harrenhal huisde; de heetgebakerde heer Frey, die zeven echtgenotes had overleefd en zijn tweelingkastelen had gevuld met kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, en ook met bastaarden en bastaardkleinkinderen. Zij allen waren baandermannen van de Tullings en hadden hun zwaarden aan Stroomvliet opgedragen. Catelyn vroeg zich af of dat voldoende zou zijn als het oorlog werd. Haar vader was de betrouwbaarste man ter wereld, en ze twijfelde er niet aan dat hij zijn banieren bijeen zou roepen… maar zouden ze ook komen? Ook de Darrings, de Reygers en de Scaeps hadden Stroomvliet de eed afgelegd, maar toch hadden zij veertien jaar geleden hun koning verkozen boven hun leenheer en bij de Drietand onder Rhaegar Targaryen gestreden, terwijl heer Frey pas met zijn achterban was komen aanzetten toen de veldslag al ruimschoots voorbij was, en zodoende enige onzekerheid had gecreëerd over de vraag bij welk leger hij zich had willen aansluiten (het hunne, had hij de overwinnaars naderhand plechtig verzekerd, maar haar vader noemde hem sindsdien altijd heer Frey Laat). Er mocht geen oorlog komen, dacht Catelyn vurig. Dat mochten ze niet toestaan. Ser Rodrik kwam haar halen op het moment dat de klok stopte met galmen. ‘We kunnen ons beter haasten als we vanavond nog iets te eten willen krijgen, vrouwe.’
    ‘Misschien is het veiliger als we geen ridder en dame zijn voor we de Nek gepasseerd zijn,’ zei ze tegen hem. ‘Gewone reizigers vallen minder op. Een vader en dochter die voor een familiekwestie onderweg zijn, bijvoorbeeld.’
    ‘Wat u zegt, vrouwe,’ beaamde ser Rodrik. Pas toen ze lachte realiseerde hij zich wat hij had gezegd. ‘Oude hoofsheid roest niet, vr… dochter.’ Hij wilde aan zijn verdwenen bakkebaarden trekken en slaakte een getergde zucht.
    Catelyn greep zijn arm. ‘Kom, vader,’ zei ze. ‘U zult merken dat Masja Heddel een uitstekende pot kookt, maar probeer uw complimenten voor u te houden. U wilt haar vast niet zien glimlachen.’
    De gelagkamer was langwerpig en tochtig, met een rij grote houten vaten aan de ene kant en een haard aan de andere. Een jongen rende af en aan met vlees aan het spit om de gasten te bedienen, terwijl Masja bier tapte en al die tijd zuurblad kauwde. De banken waren druk bezet. Dorpelingen en boeren mengden zich vrijelijk met alle soorten reizigers. De kruiswegen brachten vreemde disgenoten voort: ververs met zwart en paars aan hun handen zaten op één bank met rivierlieden die naar vis riekten, een zwaar gespierde smid wrong zich naast een verschrompelde oude septon op een bank en geharde huurlingen en verwekelijkte, gezette kooplieden wisselden nieuwtjes uit alsof ze de beste maatjes waren. Het gezelschap telde meer zwaarden dan Catelyn lief was. Drie mannen bij de haard droegen het insigne van de Vaarens met de rode hengst, en er was een groot gezelschap in blauw glanzende maliën en zilvergrijze mantels. Zij hadden een ander welbekend wapenteken op hun schouders: de tweelingtorens van het huis Frey. Ze bestudeerde hun gezichten, maar ze waren allemaal te jong om haar nog van vroeger te kennen. De oudste onder hen kon niet ouder dan Bran zijn geweest toen zij naar het noorden ging.
    Ser Rodrik vond een vrij plekje voor hen op een bank vlak bij de keuken. Tegenover hen aan tafel zat een knappe jongeman die aan een houtharp plukte. ‘Zeven zegeningen toegewenst, beste mensen,’ zei hij toen ze plaatsnamen. Voor hem op tafel stond een lege wijnbeker.
    ‘En jou ook, zanger,’ retourneerde Catelyn. Ser Rodrik riep om brood, vlees en bier op een toon die nu betekende. De zanger, een jongeling van een jaar of achttien, bekeek hen vrijmoedig en vroeg waar ze heen gingen en waar ze vandaan kwamen en wat voor nieuws ze hadden. Hij vuurde zijn vragen als pijlen op hen af en wachtte niet één keer op antwoord. ‘We zijn twee weken geleden uit Koningslanding vertrokken,’ beantwoordde Catelyn zijn ongevaarlijkste vraag.
    ‘Daar ga ik juist heen,’ zei de jongeman. Zoals ze al vermoed had vertelde hij liever zijn eigen verhaal dan het hunne aan te horen. Er was niets wat zangers ook maar half zo graag deden als naar hun eigen stem luisteren. ‘Het toernooi van de Hand, dat betekent rijke heren met vette beurzen. De vorige keer ben ik vertrokken met meer zilver dan ik kon torsen… of dat zou althans het geval zijn geweest als ik niet alles was kwijtgeraakt door te wedden dat de Koningsmoordenaar kampioen zou worden.’
    ‘De goden zien gokkers niet met welgevallen aan,’ zei ser Rodrik streng. Hij was een noorderling en dacht net zo over toernooien als de Starks.
    ‘Nee, mij hebben ze zeker niet met welgevallen aangezien,’ zei de zanger. ‘Die wrede goden van u én de Bloemenridder hebben me compleet de das omgedaan.’
    ‘Dat is vast een goede les voor je geweest,’ zei ser Rodrik.
    ‘Zeg dat wel. Deze keer zet ik mijn geld op ser Loras.’
    Ser Rodrik wilde aan zijn niet-bestaande bakkebaarden trekken, maar vóór hij iets berispends had kunnen zeggen kwam de jonge knecht naar hen toe draven. Hij legde platte broden voor hen neer en laadde die vol met brokken gebruineerd vlees van het spit waar de hete jus van afdroop. Aan een andere pen zaten uitjes, vuurpepers en stevige paddestoelen. Terwijl de jongen terugrende om bier voor hen te halen viel ser Rodrik er gretig op aan.
    ‘Mijn naam is Marillion,’ zei de zanger en tokkelde op een snaar van zijn houtharp. ‘Misschien hebben jullie me wel eens ergens horen spelen?’
    Zijn manier van doen ontlokte Catelyn een glimlach. Slechts een enkele rondtrekkende zanger waagde zich ooit helemaal in Winterfel, maar ze kende zijn soort nog van haar meisjesjaren in Stroomvliet. ‘Ik vrees van niet,’ zei ze tegen hem. Hij sloeg een klaaglijk akkoord aan op zijn harp. ‘Jammer voor jullie,’ zei hij. ‘Wie was de beste zanger die jullie ooit gehoord hebben?’
    ‘Alia van Braavos,’ antwoordde ser Rodrik onmiddellijk.
    ‘O, maar ik ben veel beter dan die ouwe sok,’ zei Marillion. ‘Als jullie zilver voor een lied hebben breng ik het graag ten gehore.’
    ‘Ik heb misschien wat koperstukken, maar die gooi ik nog liever in een put dan dat ik jouw gejank aanhoor,’ pruttelde ser Rodrik. Hij had zijn mening over zangers nooit onder stoelen of banken gestoken: muziek was mooi voor meisjes, maar hij begreep niet waarom een gezonde jongen een harp ter hand nam als hij net zo goed een zwaard had kunnen vasthouden.
    ‘Je opa is een zuurpruim,’ zei Marillion tegen Catelyn. ‘Ik wilde je juist eer bewijzen. Een huldeblijk vanwege je schoonheid. Waarlijk, ik ben geboren om voor koningen en hoge heren te zingen.’
    ‘Ja, dat kan ik wel zien,’ zei Catelyn. ‘Ik heb gehoord dat heer Tulling van zang houdt. Je bent vast wel eens in Stroom vliet geweest.’
    ‘Wel honderd keer,’ zei de zanger luchtig. ‘Er staat altijd een kamer voor me klaar, en de jonge heer is als een broer voor me.’
    Glimlachend vroeg Catelyn zich af wat Edmar daarvan zou vinden. Een andere zanger was eens naar bed gegaan met een meisje op wie hij zijn oog had laten vallen, en sindsdien had hij een hekel aan deze lieden. ‘En Winterfel?’ vroeg ze aan hem. ‘Ben je wel eens in het noorden geweest?’
    ‘Waarom zou ik?’ vroeg Marillion. ‘Daar zijn louter sneeuwstormen en berenvellen, en de enige muziek die de Starks kennen is het gehuil van wolven.’ Ze was zich er vagelijk van bewust dat de deur aan het andere uiteinde van het vertrek met een klap openvloog.
    ‘Waardin,’ galmde een bediendenstem achter haar, ‘onze paarden moeten gestald en heer Lannister wenst een kamer en een warm bad.’
    ‘Alle goden,’ zei ser Rodrik, nog voordat Catelyn een hand had uitgestoken en hard in zijn onderarm had geknepen om hem het zwijgen op te leggen. Masja Heddel boog en glimlachte haar afgrijselijke rode glimlach. ‘Het spijt me, heer, werkelijk waar, we zitten helemaal vol, tot de laatste kamer.’ Ze waren met z’n vieren, zag Catelyn. Een oude man in het zwart van de Nachtwacht, twee bedienden… en daar stond hij, klein en brutaal als het leven zelf. ‘Mijn mannen slapen wel in uw stal, en wat mij betreft, ik heb geen grote kamer nodig, zoals u wel ziet.’ Hij liet een spottende grijns zien.
    ‘Zolang het vuur maar warm en het stro redelijk vrij van vlooien is ben ik een tevreden mens.’
    We zijn te laat, dacht Catelyn grimmig. Hij is ons door de vingers geglipt. Hoewel…
    Masja Heddel was buiten zichzelf. ‘Heer, ik heb niets, dat komt door het toernooi, er is niets aan te doen, ach jee…’
    Tyrion Lannister viste een muntstuk op uit zijn beurs, gooide het op tot boven zijn hoofd, ving het en gooide het nogmaals op. Het was onmiskenbaar goud dat daar blonk, dat was zelfs te zien aan de andere kant van het vertrek, waar Catelyn zat.
    Een vrij ruiter in een verbleekte blauwe mantel sprong met een ruk overeind. ‘Ik sta u graag mijn kamer af, heer.’
    ‘Verstandige vent,’ zei Lannister en gooide het muntstuk het vertrek door. De vrijruiter plukte het uit de lucht. ‘En handig ook.’ De dwerg wendde zich weer tot Masja Heddel. ‘Voor eten kunt u wel zorgen, neem ik aan?’
    ‘Wat u wilt, heer, wat u maar wilt,’ beloofde de waardin. En ik hoop dat hij erin stikt, dacht Catelyn, maar het was Bran die ze zag stikken, zag verdrinken in zijn eigen bloed. Lannister wierp een blik op de dichtstbijzijnde tafels. ‘Mijn mannen eten hetzelfde als u deze mensen serveert. Dubbele porties, we hebben een lange, vermoeiende rit achter ons. Ik wil geroosterd gevogelte — kip, eend, duif, maakt niet uit wat. En laat een kruik van uw beste wijn bovenbrengen. Eet jij bij mij, Yoren?’
    ‘Ja heer,’ antwoordde de zwarte broeder. De dwerg had niet één keer naar de andere kant van de kamer gekeken, en Catelyn zat net te denken hoe blij ze was met al die volle banken tussen hen in, toen Marillion plotseling opsprong. ‘Heer Lannister!’ riep hij. ‘Ik zou u tijdens de maaltijd graag amuseren. Laat mij de ballade van uw vaders grote overwinning in Koningslanding voor u zingen!’
    ‘Ik zou niet weten wat mijn maaltijd grondiger zou bederven,’ zei de dwerg droogjes. Zijn ongelijke ogen namen de zanger kortstondig op, wilden zich afwenden… en ontwaarden Catelyn. Hij staarde haar even onzeker aan. Ze keek weg, maar te laat. De dwerg glimlachte. ‘Vrouwe Stark, wat een onverwacht genoegen,’ zei hij. ‘Het speet me al dat ik u in Winterfel niet thuis trof.’
    Marillion staarde haar met open mond aan. Toen Catelyn langzaam opstond maakte zijn verwarring plaats voor geërgerde teleurstelling. Ze hoorde ser Rodrik vloeken. Was de vent maar bij de Muur gebleven, dacht ze, hadden ze hem maar in het noorden kunnen grijpen, zoals Ned van plan was geweest, hadden ze maar…
    ‘Vrouwe… Stark?’ zei Masja Heddel schor.
    ‘Toen ik hier voor het laatst overnachtte heette ik nog Catelyn Tulling,’ zei ze tegen de waardin. Ze hoorde het gemompel en voelde de blikken die op haar gericht waren. Catelyn keek het vertrek rond, naar de gezichten van de ridders en de gezworenen, en haalde diep adem om het bonzen van haar hart tegen te gaan. Zou ze het erop wagen? Tijd om goed na te denken had ze niet, ze had alleen dit moment, en haar eigen stemgeluid dat in haar oren galmde.
    ‘U daar in die hoek,’ zei ze tegen een oudere man die haar nu pas opviel, ‘is dat de zwarte vleermuis van Harrenhal die ik op uw wapenrok geborduurd zie, ser?’
    De man kwam overeind. ‘Inderdaad, vrouwe.’
    ‘En is vrouwe Whent mijn vader, heer Hoster Tulling van Stroomvliet, waarlijk en oprecht toegedaan?’
    ‘Dat is ze,’ antwoordde de man vastberaden.
    Bedaard ging ser Rodrik rechtop staan en trok zijn zwaard een eindje uit de schede. De dwerg staarde hen niet-begrijpend aan en knipperde verbaasd met zijn ongelijke ogen.
    ‘De rode hengst is altijd een welkome aanblik in Stroomvliet,’ zei ze tegen het drietal bij het haardvuur. ‘Mijn vader rekent Jonos Vaaren tot zijn oudste en trouwste baandermannen.’
    De drie krijgsknechten keken elkaar onzeker aan. ‘Zijn vertrouwen strekt onze heer tot eer,’ zei een van hen aarzelend.
    ‘Ik benijd uw vader al die fantastische vrienden,’ zei Lannister hatelijk, ‘maar de zin van dit alles ontgaat mij enigszins, vrouwe Stark.’
    Ze negeerde hem en wendde zich tot het grote gezelschap in het grijs en blauw. Alles stond of viel met hen. Ze waren met niet meer dan twintig man. ‘Uw wapenteken ken ik eveneens: de tweelingtorens van Frey. Hoe vaart uw edele heer, sers?’
    Hun aanvoerder stond op. ‘Alles is wel met heer Walder, vrouwe. Hij is voornemens op zijn negentigste naamdag een nieuwe vrouw te nemen en heeft uw vader verzocht de bruiloft met zijn aanwezigheid op te luisteren.’
    Tyrion Lannister gniffelde, en toen wist Catelyn dat ze hem had.
    ‘Deze man heeft als gast mijn huis betreden en daar een moordaanslag beraamd op mijn zoon, een achtjarige jongen,’ verklaarde ze tegen niemand in het bijzonder terwijl ze naar hem wees. Ser Rodrik kwam met getrokken zwaard naast haar staan. ‘In naam van koning Robert en de edele heren die u dient gelast ik u, hem te grijpen en mij te helpen hem naar Winterfel terug te brengen, in afwachting van ’s konings gerechtigheid.’
    Ze wist niet wat haar meer voldoening schonk: de klank van een stuk of twaalf zwaarden die tegelijkertijd werden getrokken, of de blik op Tyrion Lannisters gezicht.

Sansa

    Sansa begaf zich naar het toernooi van de Hand met Septa Mordane en Jeane Poel, in een draagstoel met geelzijden gordijnen, zo dun dat ze er dwars doorheen kon kijken. Ze gaven de wereld een gouden glans. Buiten de stadsmuren was naast de rivier een groot aantal paviljoenen opgericht, en het gewone volk stroomde bij duizenden op de wedkampen af. Sansa vond al die pracht en praal adembenemend: de blinkende wapenrustingen, de grote strijdrossen met hun dekkleden van goud en zilver, de kreten van de menigte, de banieren die wapperden in de wind… en de ridders zelf, vooral de ridders.
    ‘Het is nog mooier dan in de liederen,’ fluisterde ze nadat ze de door haar vader beloofde plaatsen te midden van de hoge heren en dames hadden opgezocht. Sansa was die dag fraai gekleed in een groene japon die haar kastanjekleurige haar goed deed uitkomen, en ze wist dat ze glimlachend naar haar keken.
    Ze zagen de helden van talloze liederen hun intocht houden, de een nog befaamder dan de ander. Op Jaime Lannister na trokken de zeven ridders van de koningsgarde allemaal te velde in melkwitte, geschubde pantsers met mantels die glinsterden als versgevallen sneeuw. Ook ser Jaime droeg de witte mantel, maar daaronder was hij van top tot teen in glanzend goud gehuld, met een helm met een leeuwenkop en een gouden zwaard. Ser Gregor Clegane, de Rijdende Berg, denderde als een lawine voorbij. Sansa herinnerde zich heer Yan Roys, die twee jaar geleden in Winterfel op bezoek was geweest.
    ‘Zijn wapenrusting is van brons, vele duizenden jaren oud, gegraveerd met magische runen die het kwaad van hem afweren,’ fluisterde ze tegen Jeane. Septa Mordane wees heer Jason Mallister aan, in gedreven zilver en indigo en met adelaarsvleugels op zijn helm. Hij had bij de Drietand drie van Rhaegars baandermannen neergehouwen. De meisjes gniffelden over de krijgsman-priester Thoros van Myr met zijn wapperende rode gewaden en kaalgeschoren hoofd, tot de septa hun vertelde dat hij eens de wallen van Pyke had beklommen met een vlammend zwaard in de hand.
    Weer andere ruiters kende Sansa niet: hagenridders van de Vingers en uit Hooggaarde en de bergen van Dorne, nimmer bezongen vrijruiters en nieuwbakken schildknapen, jongere zonen van edelen en erfgenamen van mindere huizen. De meeste waren vrij jonge mannen die nog geen grootse daden hadden verricht, maar eens zouden het in al de Zeven Koninkrijken klinkende namen zijn, daar waren Sansa en Jeane het over eens. Ser Balon Swaan. Heer Brys Caron van de Grensmark. De erfgenaam van Bronzen Yan, ser Andar Roys, en zijn jongere broer ser Robar, met diezelfde eeuwenoude runen die hun vader beschermden in bronsfiligrein op hun verzilverde harnas aangebracht. De tweeling ser Horas en ser Hobber, wier schilden de druiventros van de Roodweyns als wapenteken droegen, wijnrood op blauw. Patrek Mallister, de zoon van heer Jason. Zes Freys van de Kruiswegen: ser Jared, ser Gastien, ser Danuel, ser Emmon, ser Theo en ser Perwyn, zonen en kleinzonen van de oude Walder Frey, en ook zijn bastaardzoon Martyn Stroom.
    Jeane Poel bekende dat ze schrok bij de aanblik van Jalabhar Xho, een verbannen vorst van de Zomereilanden, met zijn mantel van groene en scharlakenrode veren over een nachtzwarte huid, maar zodra ze de jeugdige heer Beric Dondarrion met zijn roodgouden haar en zijn zwarte schild met de bliksemschichten zag, verklaarde ze dat ze bereid was ter plekke met hem in het huwelijk te treden. De Jachthond trad ook in het strijdperk, evenals de broer van de koning, de knappe heer Renlihg van Stormeinde. Jory, Alyn en Harwin deden mee voor Winterfel en het noorden. ‘Jory lijkt wel een bedelaar, bij de rest vergeleken,’ snoof Septa Mordane toen hij verscheen. Sansa kon haar alleen maar gelijk geven. Jory droeg een grijsblauw harnas zonder devies of versiering, en een dunne grijze mantel hing als een smerig vod om zijn schouders. Toch weerde hij zich kranig, want bij de eerste tweekamp lichtte hij Horas Roodweyn uit het zadel en bij de tweede een van de Freys. De derde keer trad hij driemaal aan tegen een vrij ruiter genaamd Lothor Brune, wiens wapenrusting even saai was als de zijne. Beide mannen bleven in het zadel, maar Brune hield zijn lans beter stil en zijn slagen waren gerichter, waarop de koning hem tot overwinnaar uitriep. Alyn en Harwin verging het minder goed. Harwin werd bij zijn eerste treffen door ser Meryn van de koningsgarde van zijn paard geworpen terwijl ser Alyn het onderspit dolf tegen ser Balon Swaan. Het steekspel ging de hele dag door, tot na het invallen van de schemering, en de hoeven van de grote strijdrossen daverden door het strijdperk totdat het veld één woestenij van omgewoelde aarde was. Wel meer dan tienmaal gilden Jeane en Sansa het eenstemmig uit wanneer de ruiters op elkaar botsten en de lansen versplinterden, terwijl het volk zijn favorieten toeschreeuwde. Telkens als er iemand viel sloeg Jeane als een bang klein meisje haar handen voor haar ogen, maar Sansa was uit harder hout gesneden. Een edele dame wist hoe ze zich op een toernooi moest gedragen. Haar beheersing viel zelfs Septa Mordane op, en ze knikte goedkeurend.
    De Koningsmoordenaar deed het fantastisch. Hij lichtte ser Andar Roys en Brys Caron, de heer van de Mark, met evenveel gemak uit het zadel alsof hij aan het ringsteken was en bevocht vervolgens een moeizame overwinning op de witharige Barristan Selmy, die bij zijn eerste twee ritten had gezegevierd over mannen die dertig en veertig jaar jonger waren dan hij.
    Sandor Clegane en zijn reusachtige broer, ser Gregor de Berg, leken evenmin te stuiten. Ze boorden meedogenloos de ene tegenstander na de andere in de grond. Het afschuwelijkste moment van de hele dag deed zich voor toen ser Gregor voor de tweede maal in actie kwam. Zijn lans kwam omhoog en trof een jonge ridder uit de Vallei zo hard onder zijn halsstuk dat het wapen in diens keel drong en hij ter plaatse overleed. De jongeman viel neer op minder dan tien voet van de plaats waar Sansa zat. De afgebroken punt van ser Gregors lans stak in zijn hals en zijn bloed stroomde in trage, steeds zwakker wordende golven naar buiten. Zijn wapenrusting was gloednieuw, en toen het licht op het staal viel schoot er een felle vuurstreep over zijn uitgestrekte arm. Toen schoof de zon achter een wolk en was de streep weg. Zijn mantel was hemelsblauw als een wolkeloze zomerlucht en omzoomd met een boord van wassende manen, maar toen zijn bloed erdoor opgezogen werd kleurde de stof donker en verfden de manen zich een voor een rood.
    Jeane Poel huilde zo hysterisch dat Septa Mordane haar ten slotte meenam, zodat ze weer tot zichzelf kon komen, maar Sansa keek toe met haar handen in haar schoot gevouwen, eigenaardig gefascineerd. Ze had nog nooit een man zien sterven. Zij zou eigenlijk ook moeten huilen, dacht ze, maar de tranen wilden niet komen. Misschien had ze die wel allemaal voor Dame en Bran gebruikt. Als het Jory, ser Rodrik of haar vader was geweest had het anders gelegen, hield ze zichzelf voor. De jonge ridder met de blauwe mantel zei haar niets, dat was een vreemde uit de Vallei van Arryn wiens naam ze was vergeten zodra ze hem had gehoord. En de wereld zou zijn naam nu ook vergeten, bedacht Sansa. Voor hem zouden er geen liederen worden gezongen. Dat was triest.
    Nadat ze het lijk hadden weggedragen draafde er een jongen met een spade het veld op om aarde te scheppen over het bloed op de plek waar hij was gevallen. Toen ging het steekspel verder. Ser Balon Swaan beet in het stof tegen Gregor en heer Renling tegen de Jachthond. Renling werd met zoveel geweld uit het zadel gestoten dat hij achterover van zijn strijdros leek te vliegen, met zijn benen in de lucht. Zijn hoofd raakte de grond met een hoorbaar gekraak dat de menigte naar adem deed happen, maar het was slechts het gouden gewei op zijn helm. Een van de stangen was onder zijn lichaam afgebroken. Toen heer Renling opkrabbelde begon het volk onstuimig te juichen, want de knappe, jeugdige broer van koning Robert was hun grote favoriet. Hij overhandigde de afgebroken geweistang met een hoofse buiging aan zijn opponent. De Jachthond snoof en wierp het stuk gewei de menigte in, waarop de mensen begonnen te vechten en te graaien om het stukje goud te bemachtigen, tot heer Renling zich onder hen begaf en de vrede herstelde. Inmiddels was Septa Mordane alleen teruggekomen. Jeane was niet lekker geworden, verklaarde ze, en ze had haar naar het kasteel teruggebracht. Sansa had nauwelijks meer aan Jeane gedacht. Later maakte een hagenridder met een geblokte mantel zichzelf te schande door het paard van Beric Dondarrion dood te steken, en hij werd uit de strijd genomen. Heer Beric legde zijn zadel op een nieuw paard, alleen maar om er onmiddellijk door Thoros van Myr te worden afgeworpen. Ser Aron Santagar en Lothor Brune traden drie keer zonder resultaat tegen elkaar aan. Daarna dolf ser Aron het onderspit tegen heer Jason Mallister, en Brune tegen de jongste zoon van Yan Roys, Robar.
    Ten slotte restten er nog vier: de Jachthond en zijn monsterlijke broer Gregor, Jaime Lannister, de Koningsmoordenaar, en ser Loras Tyrel, de jongeling die de Bloemenridder werd genoemd. Ser Loras was de jongste zoon van Hamer Tyrel, heer van Hooggaarde en landvoogd van het Zuiden. Met zijn zestien jaar was hij de jongste ridder in het strijdperk, maar toch had hij vanmorgen bij zijn eerste drie ritten drie ridders van de koningsgarde uit het zadel geworpen. Sansa had nog nooit iemand gezien die er zo mooi uitzag. Zijn harnas was zorgvuldig in vorm geslagen en met grote hoeveelheden verschillende bloemen geëmailleerd, zodat het leek alsof hij in een boeket gehuld ging, en over zijn sneeuwwitte hengst hing een dekkleed, met rode en witte rozen. Na elke overwinning nam ser Loras zijn helm af en reed hij langzaam het hek langs, en ten slotte plukte hij één enkele witte roos van het dekkleed en wierp die een mooi meisje in de menigte toe.
    De laatste tegen wie hij die dag aantrad was de jongste Roys. Ser Robars voorvaderlijke runen bleken hem weinig of geen bescherming te bieden, want ser Loras spleet zijn schild en smeet hem uit het zadel, zodat hij met een afschuwelijk gerinkel in het stof tuimelde. Terwijl de winnaar zijn ronde door het strijdperk deed lag Robar te kreunen. Ten slotte werd er om een baar geroepen en werd hij naar zijn tent gedragen, versuft en onbeweeglijk. Sansa zag het niet eens. Zij had alleen oog voor ser Loras. Toen het witte paard voor haar bleef staan dacht ze dat haar hart zou barsten. De andere meisjes had hij witte rozen gegeven, maar de roos die hij voor haar plukte was rood. ‘Lieftallige jonkvrouw,’ zei hij, ‘geen overwinning is ook maar half zo schoon als gij.’ Verlegen nam Sansa de bloem aan, met stomheid geslagen door zijn galante optreden. Hij had weelderig golvend bruin haar en ogen als vloeibaar goud. Ze ademde de zoete geur van de roos in en bleef die nog vasthouden toen ser Loras allang was weggereden. Toen Sansa ten slotte opkeek zag ze naast zich een man staan die naar haar staarde. Hij was klein van stuk, met een puntbaardje en een streep zilver in zijn haar, bijna even oud als haar vader. ‘Jij moet een van haar dochters zijn,’ zei hij tegen haar. Hij had grijsgroene ogen die niet met zijn mond meelachten. ‘Je hebt het uiterlijk van de Tullings.’
    ‘Ik ben Sansa Stark,’ zei ze, niet op haar gemak. De man droeg een zware mantel met een bontkraag, bijeengehouden door een zilveren spotvogel, en zijn ongedwongenheid was die van een hoge edelman, maar ze kende hem niet. ‘Ik heb niet de eer gehad, heer.’
    Septa Mordane kwam er snel tussen. ‘Lieve kind, dit is heer Petyr Baelish, lid van de kleine raad van de koning.’
    ‘Jouw moeder was eens mijn schoonheidskoningin,’ zei de man kalm. Zijn adem rook naar munt. ‘Jij hebt net zulk haar als zij.’ Toen hij een kastanjebruine lok streelde streken zijn vingers langs haar wang. Hij keerde zich nogal abrupt om en wandelde weg. Inmiddels was de maan al een tijdje op en de menigte moe, dus gebood de koning dat de laatste drie tweekampen de volgende ochtend zouden plaatsvinden, voor de mêlee. Terwijl het volk zich op weg naar huis begaf, pratend over de tweegevechten van die dag en de strijd van morgen, verplaatste het hof zich naar de rivieroever om met het feest te beginnen. Zes monsterlijke oerossen draaiden daar al uren traag aan het spit om te roosteren en werden door keukenjongens met kruidenboter bedropen tot het vlees knapperde en siste. Buiten de paviljoenen waren tafels en banken opgesteld, hoog opgetast met zoetgras, aardbeien en versgebakken brood. Sansa en Septa Mordane kregen ereplaatsen aan de linkerkant van de estrade waarop de koning zelf zat, naast zijn koningin. Toen prins Joffry aan haar rechterhand ging zitten voelde ze hoe haar keel werd dichtgeschroefd. Hij had sinds dat afschuwelijke voorval geen woord meer met haar gewisseld, en zij had hem niet durven aanspreken. Eerst had ze gedacht dat ze hem haatte om wat Dame was aangedaan, maar toen ze haar ogen droog had gehuild had ze zichzelf voorgehouden dat het Joffry’s schuld niet was, niet echt. De koningin had het gedaan, dus zij was degene die gehaat moest worden, zij en Arya. Als Arya er niet was geweest zou er geen kwaad geschied zijn. Vanavond kón ze Joffry niet eens haten. Daar was hij te mooi voor. Hij droeg een diepblauw wambuis, versierd met een dubbele rij gouden leeuwenkoppen, en om zijn voorhoofd een smalle gouden diadeem met saffieren. Zijn haar glansde niet minder dan het metaal. Sansa keek naar hem en beefde, bang dat hij haar zou negeren, of nog erger, weer hatelijk tegen haar zou doen en haar in tranen van tafel zou sturen. In plaats daarvan glimlachte Joffry en kuste haar de hand, knap en galant als een prins in een lied, en zei: ‘Ser Loras heeft een goed oog voor schoonheid, lieftallige jonkvrouw.’
    ‘Hij was al te vriendelijk,’ zei ze ingetogen, in een poging bescheiden en rustig te blijven, al zong haar hart. ‘Ser Loras is een waarachtig ridder. Denkt u dat hij morgen zal winnen, heer?’
    ‘Nee,’ zei Joffry. ‘Mijn hond rekent wel met hem af, of wie weet mijn oom Jaime. En over een paar jaar, als ik oud genoeg ben om zelf in het strijdperk te treden, reken ik met iedereen af.’ Hij stak een hand op om een bediende met een kruik gekoelde zomerwijn te wenken en schonk haar beker vol. Ze keek ongerust naar Septa Mordane, totdat Joffry zich voorover boog en ook de beker van de septa vulde, zodat die knikte, hem minzaam bedankte en verder geen woord zei.
    De bedienden hielden de bekers de hele avond gevuld, maar toch kon Sansa zich naderhand niet herinneren dat ze de wijn ook echt had geproefd. Ze had geen wijn nodig. Zij was dronken van de magie van deze avond, duizelig van al zijn bekoorlijkheden, in de ban van een schoonheid waarvan ze al haar leven lang droomde zonder de hoop te hebben die ooit te aanschouwen. Voor het koninklijk paviljoen zaten zangers wier muziek de schemering vulde. De nar van de koning zelf, de simpele ziel met het ronde gezicht die Uilebol werd genoemd, danste op stelten rond, gehuld in een bont pak, en zette iedereen zo handig en venijnig voor de gek dat Sansa zich afvroeg of hij wel zo simpel was. Zelfs Septa Mordane werd zijn hulpeloze slachtoffer; toen hij zijn liedje over de Hoge septon zong lachte ze zo hard dat ze wijn op zichzelf morste.
    En Joffry was de hoofsheid zelve. Hij praatte de hele avond met Sansa, overlaadde haar met complimenten, bracht haar aan het lachen, maakte haar deelgenoot van hofroddels en legde de grappen van Uilebol uit. Sansa was zo geboeid dat ze de beleefdheid volledig uit het oog verloor en Septa Mordane, die links van haar zat, negeerde. De gangen kwamen en gingen zonder ophouden. Een dikke wildsoep met gerst. Salades van zoetgras, spinazie en pruimen, bestrooid met gestampte noten. Slakken in honing en knoflook. Sansa had nog nooit slakken gegeten. Joffry liet haar zien hoe ze de slak uit het huisje moest peuteren en stak haar het eerste zoete stukje persoonlijk in de mond. Daarna kwam er forel, vers uit de rivier, in klei gebakken. Haar prins hielp haar het harde omhulsel openbreken om het schilferige, witte vlees daarbinnen bloot te leggen. En toen het vleesgerecht werd gebracht bediende hij haar zelf, sneed een vorstelijke portie van de bout en legde die met een glimlach op haar bord. Aan zijn manier van bewegen zag ze dat hij nog steeds last van zijn rechterarm had, maar toch klaagde hij er met geen woord over. Later kwamen er nog zwezerik, duivenpastei, gebakken appels die naar kaneel geurden en geglazuurde citroenkoeken, maar tegen die tijd zat Sansa zo vol dat ze niet meer dan twee citroenkoekjes op kon, hoe lekker ze ook waren. Ze vroeg zich net af of ze zich aan een derde zou wagen toen de koning het op een schreeuwen zette. Koning Robert was met ieder gerecht luidruchtiger geworden. Nu en dan kon Sansa hem boven de muziek en het gerinkel van borden en bestek uit horen lachen of een bevel horen bulderen, maar ze zaten zo ver weg dat ze de woorden niet kon verstaan. Nu hoorde iedereen hem. ‘Nee,’ brulde hij op een toon die al het andere gepraat overstemde. Sansa was geschokt toen ze de koning zag staan, rood aangelopen en zwaaiend op zijn benen. Hij had een wijnkelk in één hand en was zo dronken als het maar kon. ‘Vertel me niet wat ik doen moet, mens,’ schreeuwde hij tegen koningin Cersei. ‘Ik ben hier de koning, begrijp je dat? Ik heb het hier voor het zeggen, en als ik zeg dat ik morgen ga vechten, dan ga ik vechten!’
    Iedereen staarde. Sansa zag ser Barristan, en Renling, de broer van de koning, en de kleine man die haar zo vreemd had toegesproken en haar haren had aangeraakt, maar niemand maakte aanstalten, tussenbeide te komen. Het gezicht van de koningin was een masker, zo bloedeloos dat het uit sneeuw geboetseerd leek. Ze stond van tafel op, graaide haar rokken bijeen en stormde zonder een woord te zeggen weg, een sleep bedienden achter haar aan.
    Jaime Lannister legde een hand op de schouder van de koning, maar de koning duwde hem hard van zich af. Lannister struikelde en viel. De koning grinnikte. ‘De grote ridder. Ik kan je nog steeds in het stof doen bijten. Bedenk dat wel, Koningsmoordenaar.’ Hij sloeg zich met zijn rijk versierde kelk op de borst, zodat zijn satijnen tuniek onder de wijn kwam te zitten. ‘Geef me mijn strijdhamer, en geen man in het rijk houdt stand tegen mij.’
    Jaime Lannister stond op en klopte zichzelf af. ‘Zoals u zegt, Uwe Genade,’ zei hij stijfjes.
    Heer Renling kwam glimlachend aanlopen. ‘Je hebt je wijn vermorst, Robert. Laat me je een nieuwe kelk brengen.’
    Sansa schrok op toen Joffry een hand op haar arm legde. ‘Het wordt laat,’ zei de prins. Hij keek vreemd, alsof hij haar helemaal niet zag. ‘Heb je op de terugweg naar het kasteel begeleiding nodig?’
    ‘Nee,’ begon Sansa. Ze keek naar Septa Mordane en zag tot haar verrassing dat die met haar hoofd op tafel lag en zacht en damesachtig snurkte. ‘Ik bedoel… ja, graag, ik zou u zeer erkentelijk zijn als ik enige bescherming kreeg.’
    ‘Hond!’ riep Joffry.
    Het leek wel of Sandor Clegane zich verdichtte uit de nacht, zo snel dook hij op. Hij had zijn wapenrusting verwisseld voor een rode wollen tuniek met op de voorkant een leren hondenkop genaaid. In het licht van de toortsen kreeg zijn verbrande gezicht een dofrode gloed. ‘Ja, Uwe Genade?’ zei hij.
    ‘Breng mijn verloofde naar het kasteel terug en zorg dat haar geen haar gekrenkt wordt,’ zei de prins bruusk tegen hem. En zonder met één woord afscheid van haar te nemen beende Joffry weg en liet haar staan.
    Sansa voelde dat de Jachthond naar haar keek. ‘Had je gedacht dat Joff je persoonlijk zou brengen?’ Hij lachte. Zijn lach deed aan het gegrom van honden in een kuil denken. ‘Weinig kans.’ Ze verzette zich niet toen hij haar overeind trok. ‘Kom mee, jij bent niet de enige die slaap nodig heeft. Ik heb te veel gedronken, en het kan zijn dat ik morgen mijn broer moet doden.’ Hij lachte weer. Sansa was plotseling doodsbang. Ze keek om zich heen, maar er was niemand om haar te helpen. Koning Robert was weggewankeld en de helft van de banken was plotseling leeg. Het feest was voorbij, en daarmee was ook de mooie droom ten einde. De Jachthond greep een toorts om hen bij te lichten. Sansa ging vlak naast hem lopen. De bodem was rotsig en oneffen en leek in het flakkerende schijnsel onder haar voeten te deinen en te verschuiven. Ze hield haar ogen neergeslagen en keek goed waar ze liep. Toen ze zich tussen de paviljoenen begaven, met voor elk daarvan een banier en een wapenrusting, leek het of de stilte met iedere stap drukkender werd. Sansa kon zijn aanblik niet verdragen, zo’n angst joeg hij haar aan, maar ze had in alle opzichten een hoofse opvoeding genoten. Een echte dame zou niet op zijn gezicht letten, hield ze zichzelf voor. ‘U hebt vandaag dapper gestreden, ser Sandor,’ dwong ze zich te zeggen.
    ‘Bespaar me je loze complimenten, meisje… en dat geser van je,’ snauwde Sandor Clegane haar toe. ‘Ik ben geen ridder. Ik spuug op die lui en hun geloften. Mijn broer is ridder. Heb je hem vandaag zien vechten?’
    ‘Ja,’ fluisterde Sansa bevend. ‘Hij was…’
    ‘Dapper?’ maakte de Jachthond de zin voor haar af.
    Hij dreef de spot met haar, besefte ze. ‘Niemand hield stand tegen hem,’ wist ze ten slotte uit te brengen, trots op zichzelf. Het was geen leugen.
    Sandor Clegane bleef abrupt staan, midden op een leeg en donker veld. Ze had geen andere keus dan ook te blijven staan. ‘Een of andere septa heeft je goed afgericht. Je bent net een van die vogeltjes van de Zomereilanden! Zo’n leuk, pratend vogeltje dat alle mooie woordjes herhaalt die het heeft leren opzeggen.’
    ‘Dat is niet aardig.’ Sansa’s hart klopte als een razende. ‘U maakt me bang. Ik wil nu weg.’
    ‘Niemand hield stand tegen hem,’ raspte de Jachthond. ‘Dat is maar al te waar. Niemand heeft ooit standgehouden tegen Gregor. Die jongen vandaag, de tweede keer dat Gregor aantrad, dat was nog eens een fraai staaltje. Je hebt het gezien, hè? De jonge dwaas, wat had hij in dit gezelschap ook te zoeken? Geen geld, geen schildknaap, niemand om hem met zijn wapenrusting te helpen. Dat halsstuk zat niet goed vast. Je dacht dat Gregor dat niet had gemerkt?
    Je dacht dat ser Gregors lans per ongeluk omhoogzwiepte, hè? Leuk, pratend meisje, jij gelooft dat, je bent echt zo leeghoofdig als een vogeltje. Gregors lans raakt wat Gregor raken wil. Kijk me aan. Kijk me aan!’ Sandor Clegane schoof een enorme hand onder haar kin en dwong haar om op te kijken. Hij ging voor haar op zijn hurken zitten en bracht de toorts dichterbij. ‘Kijk, hier heb ik iets aardigs voor je. Neem de tijd en staar me maar aan. Dat wil je heus wel. Op de Koningsweg zag ik je alsmaar de andere kant opkijken. Daar heb ik lak aan. Kijk maar eens goed.’
    Zijn vingers hielden haar kaak in een ijzeren klem. Zijn blikken waren op de hare gericht. Dronken blikken, nors van woede. Ze moest kijken.
    De rechterkant van zijn gezicht was broodmager, met een scherp jukbeen en een grijs oog onder een zware wenkbrauw. Zijn neus was groot en krom, zijn haar dun en donker. Hij droeg het lang en borstelde het opzij, omdat er aan de andere kant van dat gezicht geen haar groeide.
    De linkerkant van zijn gezicht was volledig verwoest. Zijn oor was weggebrand, zodat er slechts een gat restte. Zijn oog was nog goed maar lag ingebed in een verwrongen massa littekens, gelooid, zwart vel, hard als leer, vol putten, doorsneden met diepe kloven die rood en vochtig glinsterden als hij bewoog. Bij zijn kaak was het vlees weggeschroeid, zodat het bot erdoorheen schemerde. Sansa begon te huilen. Toen liet hij haar los en drukte de toorts uit in het zand. ‘Heb je daar geen mooie woordjes voor, meisje? Geen complimentjes die je van de septa hebt geleerd?’ Toen er geen antwoord kwam vervolgde hij: ‘De meesten denken dat het een veldslag was. Een belegering, een brandende toren, een vijand met een fakkel. Eén dwaas vroeg eens of het van drakenadem kwam.’ Zijn lach klonk nu zachter, maar even verbitterd. ‘Ik zal je vertellen wat het was, meisje,’ zei hij, een stem uit de nacht, een schaduw die zich nu zo dicht naar haar toe boog dat ze de zure wijnlucht die hij uitademde kon ruiken. ‘Ik was jonger dan jij, zes, misschien zeven. Een houtsnijder vestigde zich in het dorp onder aan mijn vaders burcht, en om onze gunst te verwerven stuurde hij ons geschenken. De oude man maakte prachtig speelgoed. Ik weet niet meer wat ik kreeg, maar wat ik wilde was Gregors geschenk. Een houten ridder, helemaal beschilderd, alle ledematen afzonderlijk met pinnen aan elkaar gezet en met touwtjes bevestigd, zodat je hem kon laten vechten. Gregor is vijf jaar ouder dan ik, dat speeltje zei hem niets, hij was al schildknaap, bijna zes voet lang en gespierd als een os. Dus ik pikte zijn ridder in, maar ik beleefde er geen plezier aan, dat kan ik je wel vertellen, want ik zat voortdurend in de rats, en hij betrapte me ook inderdaad. Er brandde een komfoor in de kamer. Gregor zei geen woord, hij nam me gewoon onder zijn arm en drukte de zijkant van mijn gezicht in de brandende kolen. Zo hield hij me vast, terwijl ik aan één stuk door krijste. Je hebt gezien hoe sterk hij is. Zelfs toen al waren er drie volwassen mannen nodig om hem van me af te trekken. De septons preken over de zevenvoudige hel. Wat weten zij daarvan? Alleen iemand die verbrand is weet hoe de hel werkelijk is.
    Mijn vader vertelde aan iedereen dat mijn beddengoed vlam had gevat, en onze maester smeerde me in met zalf. Zalf! Die kreeg Gregor ook. Vier jaar later zalfden ze hem met de zeven oliën, en hij sprak de riddergeloften uit en Rhaegar Targaryen sloeg hem op zijn schouder en zei: “Sta op, ser Gregor.” ’
    De raspende stem stierf weg. Zwijgend zat hij voor haar op zijn hurken, een kolossale zwarte gedaante, door nacht omfloerst, verborgen voor haar blikken. Sansa hoorde dat hij onregelmatige ademde. Ze had met hem te doen, merkte ze. Om de een of andere reden was haar angst verdwenen.
    De stilte duurde en duurde, zo lang dat ze weer bang begon te worden, maar nu vreesde ze voor hem, niet voor zichzelf. Haar hand vond zijn massieve schouder. ‘Hij was geen waarachtig ridder,’ fluisterde ze tegen hem. De Jachthond wierp het hoofd in de nek en brulde. Sansa wankelde naar achteren, bij hem vandaan, maar hij greep haar arm.
    ‘Nee,’ gromde hij tegen haar, ‘nee, vogeltje, hij was geen waarachtig ridder.’
    De rest van de terugweg naar de stad spfak Sandor Clegane geen woord. Hij bracht haar naar de plek waar de paarden en wagens stonden te wachten, zei tegen een voerman dat hij hen moest terugrijden naar de Rode Burcht, en klom na haar op de wagen. Ze reden in stilte de koningspoort door en over met fakkels verlichte straten omhoog. Hij maakte het zij deurtje open en leidde haar het kasteel binnen. Zijn verbrande gezicht trok, zijn ogen stonden broeierig en toen ze de torentrap beklommen liep hij één stap achter haar. Hij bracht haar veilig tot voor de deur van haar slaapkamer.
    ‘Dank u, heer,’ zei Sansa gedwee.
    De Jachthond greep haar bij een arm en boog zich naar haar toe.
    ‘Wat ik je vannacht heb verteld,’ zei hij met een stem die nog ruwer klonk dan gewoonlijk. ‘Als jij dat ooit aan Joffry vertelt… aan je zuster, je vader… aan iemand van hen…’
    ‘Ik zal het niet doen,’ fluisterde Sansa. ‘Dat beloof ik.’
    Het was niet genoeg. ‘Als je het ooit aan wie dan ook vertelt,’ besloot hij, ‘dan vermoord ik je.’

Eddard

    Ik heb persoonlijk de laatste wake bij hem gehouden,’ zei ser Barristan Selmy terwijl ze op het lijk achter in de kar neerkeken. ‘Verder had hij niemand. Een moeder in de Vallei, is mij verteld.’
    In het bleke ochtendlicht leek de jonge ridder te slapen. Hij was niet knap geweest, maar de dood had zijn ruwe trekken verzacht en de zwijgende zusters hadden hem zijn beste fluwelen tuniek aangetrokken, met een hoge kraag die verdoezelde dat de lans weinig heel had gelaten van zijn keel. Eddard Stark keek naar zijn gezicht en vroeg zich af of de jongen door zijn toedoen gestorven was. Door een baanderman van de Lannisters gedood vóórdat Ned met hem had kunnen spreken: kon dat toeval zijn? Hij zou er wel nooit achter komen.
    ‘Huig is vier jaar schildknaap van Jon Arryn geweest,’ vervolgde Selmy. ‘Vóór de .koning naar het noorden ging had hij hem tot ridder geslagen, ter nagedachtenis van Jon. De jongen wilde zo vreselijk graag, al vrees ik dat hij er nog niet klaar voor was.’
    Ned had de afgelopen nacht slecht geslapen en voelde zich veel te moe voor zijn leeftijd. ‘Niemand van ons is er ooit klaar voor,’ zei hij.
    ‘Voor het ridderschap?’
    ‘Voor de dood.’ Behoedzaam bedekte Ned de jongen met diens eigen mantel, een met bloed bevlekt stuk blauwe stof, omzoomd met wassende manen. Als zijn moeder zou vragen hoe het kwam dat haar zoon dood was, peinsde hij verbitterd, zouden ze haar vertellen dat hij had gestreden ter ere van de Hand des Konings, Eddard Stark.
    ‘Dit was onnodig. Oorlog hoort geen spel te zijn.’ Ned keerde zich naar de vrouw naast de kar, in het grijs gehuld, haar gezicht bedekt op de ogen na. De zwijgende zusters legden de gestorvenen af, en het bracht ongeluk om het aangezicht van de dood te zien. ‘Zend zijn wapenrusting maar naar zijn huis in de Vallei. Zijn moeder zal die willen hebben.’
    ‘Hij is wel het nodige zilver waard,’ zei ser Barristan. ‘De jongen had hem speciaal voor het toernooi laten smeden. Een eenvoudig stuk werk, maar goed. Ik weet niet of hij de smid al afbetaald had.’
    ‘Hij heeft gisteren betaald, heer, en duur ook,’ antwoordde Ned. En tegen de zwijgende zuster zei hij: ‘Zend de wapenrusting naar zijn moeder. Ik neem de smid voor mijn rekening.’ Ze boog het hoofd. Na afloop liep ser Barristan met Ned naar het paviljoen van de koning. Er begon beweging te komen in het kamp. Vette worsten sisten en spetterden boven vuurkuilen, zodat de lucht werd gekruid met het aroma van knoflook en peper. Jonge schildknapen togen haastig aan het werk als hun meesters ontwaakten, gaapten en zich uitrekten om de dag te begroeten. Een bediende met een gans onder zijn arm boog een knie toen hij hen in het oog kreeg. ‘Mijne heren,’ prevelde hij terwijl de gans gakte en hem in de vingers pikte. De schilden die voor de tenten opgesteld stonden gaven aan wie de bewoners waren: de zilveren adelaar van Zeegaard, Brys Carons veld vol nachtegalen, een druiventros voor de Roodweyns, gestreepte ever, rode os, brandende boom, witte ram, driedubbele spiraal, purperen eenhoorn, dansende maagd, zwarte adder, tweelingtorens, gehoornde uil, en ten slotte de zuiver witte blazoenen van de koningsgarde, blinkend als de dageraad.
    ‘De koning is van plan vandaag in de mêlee te strijden,’ zei ser Barristan terwijl ze het schild van ser Meryn passeerden. De lans van ser Loras had het hout geschampt toen hij hem uit het zadel wierp, en de verf werd door een diepe kerf ontsierd.
    ‘Ja,’ zei Ned grimmig. Jory had hem vannacht gewekt om hem het nieuws te vertellen. Geen wonder dat hij zo slecht had geslapen. Ser Barristan keek gekweld. ‘Ze zeggen dat nachtelijk schoon met de ochtend vervaagt en dat de kinderen van de wijn in het morgenlicht vaak verstoten worden.’
    ‘Dat zeggen ze,’ beaamde Ned, ‘maar dan hebben ze het niet over Robert.’ Een ander zou iets wat hij in zijn dronkenmansbravoure had gesproken wellicht herroepen, maar Robert Baratheon zou het nog weten, en juist omdat hij het nog wist geen duimbreed wijken. Het paviljoen van de koning stond vlak bij het water en was door grijze slierten ochtendnevel uit de rivier omhuld. Het was geheel van gouden zij gemaakt, de grootste en fraaiste tent van het kamp. Voor de ingang stond Roberts strijdhamer tentoongesteld, naast een reusachtig ijzeren schild met het blazoen van het Huis Baratheon, de gekroonde hertenbok. Ned had gehoopt de koning nog in bed aan te treffen, bezig zijn roes uit te slapen, maar het geluk was niet met hem. Ze troffen Robert aan terwijl hij bier dronk uit een gepolijste drinkhoorn en zijn ongenoegen uitbrulde tegen twee jonge schildknapen die hem probeerden zijn harnas om te gespen. ‘Uwe Genade,’ zei een van hen net, bijna in tranen, ‘het is te nauw gemaakt, het gaat niet.’ Hij stond te prutsen, en het halsstuk dat hij om Roberts dikke nek probeerde te bevestigen viel op de grond.
    ‘Bij de zevenvoudige hel!’ vloekte Robert. ‘Moet ik het dan zelf doen? Stelletje lamzakken dat jullie zijn. Oprapen! Sta daar niet te staren, Lancel, oprapenl’ De jongen schrok op, en de koning merkte dat hij gezelschap had gekregen. ‘Kijk die boerenknuppels nou eens, Ned. Mijn vrouw stond erop dat ik ze als schildknaap nam, maar ik heb er geen barst aan. Ze kunnen een man niet eens fatsoenlijk zijn harnas aantrekken. Schildknapen, zeggen ze, maar ik zeg dat het varkenshoeders in zijden kleren zijn.’
    Ned zag in één oogopslag waar de schoen wrong. ‘Die jongens kunnen er niets aan doen,’ zei hij tegen de koning. ‘Je bent te dik voor je harnas, Robert.’
    Robert Baratheon nam een flinke teug bier, smeet de lege hoorn op zijn slaapvacht, veegde met de rug van zijn hand zijn mond af en zei duister: ‘Dik? Dik, hè? Spreek je zo tegen je koning?’ Plotseling liet hij zijn vrolijkheid de vrije loop en bulderde van de lach. ‘Verdraaid nog aan toe, Ned, waarom heb je toch altijd gelijk?’
    De schildknapen glimlachten nerveus, totdat de koning zich naar hen toekeerde. ‘Jullie. Allebei, ja. Jullie hebben de Hand gehoord. De koning is te dik voor dit harnas. Ga ser Aron Santagar halen. Zeg hem dat ik de borstharnas-oprekker nodig heb. Nu! Waar wachten jullie op?’
    De jongens vielen over elkaar heen in hun haast de tent uit te komen. Robert slaagde erin streng te blijven kijken tot ze weg waren. Toen liet hij zich schuddebuikend van de lach in een stoel ploffen. Ser Barristan Selmy grinnikte mee. Zelfs Eddard Stark kreeg een lachje om zijn lippen. Maar zoals altijd kwam de ernst weer om de hoek kijken. De twee schildknapen waren hem ongewild opgevallen: knappe jongens, licht van uiterlijk en goedgebouwd. Eentje had de leeftijd van Robb, met lange gouden krullen, de ander was misschien vijftien, met zandkleurig haar, een zweem van een snorretje en de smaragdgroene ogen van de koningin.
    ‘Wat zou ik er graag bij zijn om Santagars gezicht te zien,’ zei Robert. ‘Ik hoop dat hij de tegenwoordigheid van geest heeft ze naar iemand anders door te sturen. We zouden ze de hele dag moeten laten rennen!’
    ‘Die jongens,’ vroeg Ned hem. ‘Lannisters?’
    Robert knikte en veegde de tranen uit zijn ogen. ‘Neven. Zonen van heer Tywins broer. Van een van de dooie broers. Of misschien van de levende, nu ik erbij stilsta. Ik weet het niet meer. Mijn vrouw komt uit een reusachtige familie, Ned.’
    Met een reusachtige eerzucht, dacht Ned. Hij had niets tegen die schildknapen, maar het stoorde hem dat Robert dag en nacht familie van de koningin om zich heen had. De Lannisters schenen een onstilbare honger naar ambten en eerbewijzen te hebben. ‘Ze zeggen dat jij en de koningin gisteravond een woordenwisseling hebben gehad.’
    De vrolijkheid op Roberts gezicht verzuurde. ‘Het mens wilde me verbieden in de mêlee te vechten. Ze zit nu te mokken in het kasteel, verdomme nog aan toe. Je zuster zou me nooit op die manier te schande hebben gemaakt.’
    ‘Jij hebt Lyanna nooit gekend zoals ik, Robert,’ zei Ned tegen hem. ‘Jij zag de mooie buitenkant, maar niet het staal van binnen. Zij zou je gezegd hebben dat je in die mêlee niets te zoeken had.’
    ‘Jij ook al?’ De koning fronste zijn wenkbrauwen. ‘Je bent een zuurpruim, Stark. Te lang in het noorden gebleven, al je levenssappen zijn stroperig geworden. Nou, de mijne stromen nog voluit.’ Als bewijs sloeg hij zich op de borst.
    ‘Jij bent de koning,’ bracht Ned hem in herinnering.
    ‘Als het moet ga ik op die ellendige ijzeren troon zitten, ja. Houdt dat in dat ik niet dezelfde verlangens heb als andere mannen? Zo nu en dan wat wijn, een meid om pret mee te maken in bed, een paard tussen mijn benen? Bij de zevende hel, Ned, ik wil erop losslaan.’’
    Ser Barristan Selmy nam het woord. ‘Uwe Genade,’ zei hij, ‘het is ongepast dat de koning zich in de mêlee begeeft. Het zou geen eerlijke strijd zijn. Wie zou u durven raken?’
    Robert leek oprecht van zijn stuk gebracht. ‘Hoezo? Allemaal toch zeker, verdorie? Als ze kunnen. En de laatste die overeind blijft…’
    ‘… ben jij,’ voltooide Ned. Hij begreep onmiddellijk dat Selmy in de roos had geschoten. De gevaren van de mêlee hadden Robert alleen maar aangelokt, maar nu was zijn trots in het geding. ‘Ser Barristan heeft gelijk. Niet één man in de Zeven Koninkrijken zou je ongenoegen durven riskeren door je te verwonden.’
    De koning kwam met een rood gezicht overeind. ‘Je wilt me toch niet vertellen dat die laffe windbuilen me zullen laten winnen?
    ‘Zeker wel,’ zei Ned, en ser Barristan Selmy boog zwijgend het hoofd bij wijze van instemming.
    Even was Robert zo kwaad dat hij geen woord kon uitbrengen. Hij beende de tent door, draaide zich met een ruk om en beende terug, zijn gezicht donker van woede. Hij viste zijn borstharnas van de grond en smeet het in sprakeloze razernij naar Barristan Selmy. Selmy dook weg. ‘Eruit,’ zei de koning toen kil. ‘Eruit voor ik je vermoord.’
    Ser Barristan vertrok meteen. Ned stond op het punt hem te volgen toen de koning opnieuw zijn stem verhief. ‘Jij niet, Ned.’
    Ned kwam terug. Robert raapte zijn drinkhoorn op, schonk hem vol met bier uit een vat in de hoek en stak hem Ned toe. ‘Drinken,’ zei hij bruusk.
    ‘Ik heb geen dorst…’
    ‘Drinken. Je koning beveelt het.’
    Ned nam de hoorn aan en dronk. Het bier was zwart en dik, zo sterk dat zijn ogen ervan begonnen te tranen.
    Robert ging weer zitten. ‘Je wordt bedankt, Ned Stark. Jij en Jon Arryn, jullie waren me allebei dierbaar. Wat hebben jullie me aangedaan? Jij had koning moeten worden, jij of Jon.’
    ‘U had betere aanspraken, Uwe Genade.’
    ‘Drinken, zei ik, niet discussiëren. Jij hebt me koning gemaakt, wees dan tenminste zo beleefd om te luisteren als ik praat, verdomme. Kijk me aan, Ned. Kijk eens wat het koningschap met me heeft gedaan. Te dik voor mijn harnas, o goden, hoe heeft het ooit zover kunnen komen?’
    ‘Robert…’
    ‘Drinken en je kop houden, de koning spreekt. Ik zweer je, ik ben nooit zo springlevend geweest als toen ik deze troon veroverde, en nog nooit zo dood als nu ik hem heb. En Cersei… Haar heb ik aan Jon Arryn te danken. Ik wilde helemaal niet trouwen nadat Lyanna me ontnomen was, maar Jon zei dat het rijk een erfgenaam nodig had. Cersei Lannister was een goede partij, zei hij, door haar zou ik heer Tywin aan me binden, mocht Viserys Targaryen ooit een poging doen zijn vaders troon te heroveren.’ De koning schudde zijn hoofd. ‘Ik was dol op die oude man, dat zweer ik, maar tegenwoordig denk ik dat hij nog achterlijker was dan Uilebol. O, Cersei is mooi om naar te kijken, dat wel, maar koud… zoals zij haar kut bewaakt zou je denken dat ze al het goud van de Rots van Casterling tussen haar benen heeft zitten. Geef mij dat bier maar als je toch niks drinkt.’
    Hij greep de hoorn, sloeg de inhoud achterover, boerde en veegde zijn mond af. ‘Het spijt me van je dochter, Ned. Echt waar. Van die wolf, bedoel ik. Mijn zoon loog, daar verwed ik mijn ziel om. Mijn zoon… jij houdt van je kinderen, hè?’
    ‘Met heel mijn hart,’ zei Ned.
    ‘Laat ik je een geheim vertellen, Ned. Ik heb er meer dan ééns van gedroomd, afstand te doen van mijn kroon. Me in te schepen naar de Vrijsteden, met mijn paard en mijn strijdhamer, mijn dagen te slijten met knokken en neuken. Daar ben ik voor gemaakt. De huurling-koning, wat zouden de zangers gek op me zijn. Weet je wat me ervan weerhoudt? De gedachte aan Joffry op de troon met Cersei naast hem, druk bezig iets in zijn oor te fluisteren. Mijn zoon. Hoe is het mogelijk dat ik zo’n zoon heb gemaakt, Ned?’
    ‘Hij is nog maar een jongen,’ zei Ned opgelaten. Hij mocht prins Joffry bepaald niet, maar hij hoorde hoe gepijnigd Roberts stem klonk. ‘Ben je vergeten hoe jij op die leeftijd was?’
    ‘Ik zou het niet erg vinden als de jongen de beest uithing, Ned. Jij kent hem niet zoals ik.’ Hij zuchtte en schudde zijn hoofd. ‘Ach, wie weet heb je gelijk. Jon heeft vaak genoeg aan mij gewanhoopt, maar toch is er een goeie koning uit me gegroeid.’ Robert keek naar Ned en trok een gezicht toen die zweeg. ‘Je zou nu je mond open kunnen doen en ja zeggen, weet je.’
    ‘Uwe Genade…,’ begon Ned omzichtig.
    Robert sloeg Ned op zijn rug. ‘Zeg dan dat ik een betere koning dan Aerys ben en laat het daarbij. Jij hebt nooit kunnen liegen, Ned Stark, niet uit liefde en niet om de eer. Ik ben nog jong, en nu jij hier bij me bent wordt het anders. We zullen zorgen dat dit bewind in alle toonaarden bezongen wordt, en we veroordelen de Lannisters tot de zeven hellevuren. Ik ruik spek. Wie denk je dat er vandaag kampioen wordt? Heb je die jongen van Hamer Tyrel gezien? De Bloemenridder, noemen ze hem. Dat is nou een zoon waar iedere vader trots op zou zijn. In het vorige toernooi heeft hij de Koningsmoordenaar op zijn gouden reet laten ploffen, je had Cersei moeten zien kijken. Ik heb gelachen tot ik er pijn in mijn zij van kreeg. Volgens Renling heeft hij een zuster, een meisje van veertien, lieflijk als de morgen…’
    Ze ontbeten met zwart brood, gekookte ganzeneieren en gebakken vis met uitjes en spek, aan een schraagtafel aan de rivieroever. De zwartgalligheid van de koning verdampte met de ochtendnevel, en het duurde niet lang of Robert zat onder het genot van een sinaasappel sentimenteel te doen over een ochtend in het Adelaarsnest, toen ze nog jongens waren. ‘… had Jon een vat met sinaasappelen gegeven, weet je nog? Alleen waren ze gaan rotten, dus ik smeet de mijne over tafel en trof Dacks pal op zijn neus. Je weet wel, die pokdalige schildknaap van Roodfoort. Hij gooide er een terug, en voordat Jon ook maar een scheet had kunnen laten vlogen de sinaasappels naar alle kanten de grote zaal door.’ Hij lachte uitbundig, en zelfs Ned glimlachte bij de herinnering. Dit was de jongen met wie hij was opgegroeid, dacht hij, dit was de vertrouwde, dierbare Robert Baratheon. Als hij kon bewijzen dat de Lannisters achter de aanslag op Bran staken, kon bewijzen dat ze Jon Arryn hadden vermoord, zou deze man luisteren. Dan zou Cersei ten val komen, en de Koningsmoordenaar met haar, en als heer Tywin het waagde het westen in opstand te brengen zou Robert hem verpletteren, zoals hij Rhaegar Targaryen bij de Drietand had verpletterd. Hij zag het allemaal duidelijk voor zich. Hij had in geen tijden iets gegeten dat hem zo goed smaakte als dit ontbijt, met als gevolg dat hij vaker en spontaner glimlachte dan daarvoor, totdat het moment aanbrak waarop het toernooi werd hervat. Ned liep met de koning naar het toernooiveld. Hij had beloofd de laatste tweekampen in Sansa’s gezelschap te bekijken; Septa Mordane was vandaag ziek, en zijn dochter wilde het einde van het steekspel absoluut niet missen. Hij baande zich een weg naar de plaats waar zijn dochter zat en vond haar toen de klaroenen werden gestoken voor de eerste tweekamp van die dag. Sansa ging er zo in op dat ze zijn komst nauwelijks leek op te merken. De eerste ruiter die verscheen was Sandor Clegane. Hij droeg een olijfgroene mantel over zijn asgrauwe wapenrusting. Samen met zijn hondenkophelm was dat de enige opschik die hij bereid was te dragen.
    ‘Honderd gouden draken op de Koningsmoordenaar,’ verkondigde Pinkje luidkeels toen Jaime Lannister het strijdperk betrad op een sierlijke volbloed. Het paard droeg een dekkleed van vergulde maliën en Jaime glinsterde van top tot teen. Zelfs zijn lans was vervaardigd van het goudkleurige hout van de Zomereilanden.
    ‘Top,’ schreeuwde heer Renling terug. ‘De Jachthond heeft vanmorgen iets hongerigs.’
    ‘Ook hongerige honden hebben het benul de hand die ze voedt niet te bijten,’ riep Pinkje.
    Sandor Clegane sloeg met een hoorbare klap zijn vizier dicht en nam zijn plaats in. Ser Jaime wierp de een of andere vrouw in het volk een kushandje toe, liet kalmpjes zijn vizier zakken en reed naar het uiteinde van het strijdperk. Beide mannen raakten hun lansen aan.
    Ned Stark had ze liever allebei zien verliezen, maar Sansa bekeek het allemaal gretig, met vochtig glanzende ogen. De haastig in elkaar getimmerde tribune trilde toen de paarden in galop overgingen. De Jachthond zat naar voren gebogen in het zadel, zijn lans vast als een huis, maar vlak voor hun treffen ging Jaime behendig verzitten. Cleganes lanspunt gleed zonder schade aan te richten van het gouden schild met het leeuwenblazoen af, terwijl hij zelf een voltreffer moest incasseren. Het hout versplinterde en de Jachthond wankelde in het zadel en moest zijn best doen om te blijven zitten. Sansa hapte naar adem. Uit het volk steeg een rauw gejuich op.
    ‘Ik vraag me af waar ik uw geld aan zal uitgeven,’ riep Pinkje naar heer Renling.
    De Hond wist maar net in het zadel te blijven. Met een ruk wendde hij zijn paard en reed terug naar de rand van het strijdperk voor het tweede treffen. Jaime Lannister smeet zijn gebroken lans op de grond, en terwijl hij zijn schildknaap een grap toeriep greep hij een nieuwe. De Jachthond dreef zijn paard tot gestrekte galop aan. Lannister reed hem tegemoet. Toen Jaime ditmaal ging verzitten volgde Clegane zijn voorbeeld. Beide lansen braken aan stukjes, en toen de splinterregen was neergedaald draafde er een roodvos zonder ruiter rond, op zoek naar gras, terwijl ser Jaime Lannister goudkleurig en gebutst in het stof rolde.
    ‘Ik wist wel dat de Jachthond zou winnen,’ zei Sansa. Pinkje had het gehoord. ‘Als je ook weet wie de tweede wedkamp gaat winnen, zeg het dan nu, voordat heer Renling me kaal plukt,’ riep hij haar toe. Ned glimlachte.
    ‘Jammer dat de Kobold er niet bij is,’ zei Renling. ‘Dan had ik het dubbele gewonnen.’
    Jaime Lannister stond alweer overeind, maar zijn versierde helm met de leeuwenkop was bij zijn val verwrongen en gedeukt, en hij kon hem niet meer van zijn hoofd krijgen. Het volk joelde en wees en de heren en dames probeerden tevergeefs hun lachen in te houden. Ned kon koning Robert boven alles uit horen schateren, het hardst van allemaal. Ten slotte moesten ze de Leeuw van Lannister blind en struikelend naar een smid brengen.
    Inmiddels stond ser Gregor Clegane klaar aan het begin van het strijdperk. Hij was een reus, de grootste man die Eddard Stark ooit had gezien. Robert Baratheon en zijn broers waren alle drie forse kerels, net als de Jachthond, en in Winterfel had je die zwakzinnige staljongen Hodor, die hen allemaal in lengte overtrof, maar de ridder die de Rijdende Berg werd genoemd zou zelfs boven Hodor uittorenen. Hij was ruim zeven voet lang, eerder acht, met vierkante schouders en armen zo dik als kleine boomstammen. Het strijdros tussen zijn geharnaste benen leek eerder op een pony, en de lans die hij vasthield leek zo dun als een bezemsteel.
    Anders dan zijn broer woonde ser Gregor niet aan het hof. Hij was een eenzelvig man die zijn eigen grondgebied uitsluitend verliet voor oorlogen en toernooien. Toen Koningslanding viel had hij onder heer Tywin gediend, een nieuwbakken ridder van zeventien die toen al opviel door zijn omvang en zijn meedogenloze wreedheid. Sommigen zeiden dat het Gregor was geweest die de schedel van het piepjonge prinsje Aegon Targaryen tegen de muur had verbrijzeld en fluisterden dat hij daarna de moeder, prinses Elia van Dorne, had verkracht voordat hij haar aan zijn zwaard reeg. Die dingen werden nooit gezegd binnen gehoorsafstand van ser Gregor.
    Ned Stark kon zich niet herinneren dat hij ooit met de man had gesproken, al had Gregor aan hun kant gestreden tijdens de opstand van Balon Grauwvreugd, één ridder temidden van duizenden. Hij sloeg hem met verontrusting gade. Ned hechtte nooit veel geloof aan roddels, maar wat er over ser Gregor werd gezegd was meer dan onheilspellend. Hij zou binnenkort voor de derde keer trouwen, en over de dood van zijn eerste twee vrouwen gingen duistere geruchten. Men zei dat zijn burcht een grimmig oord was waar bedienden op onverklaarbare wijze verdwenen en zelfs de honden de zaal niet in durfden. En dan was er die zuster die onder onverklaarbare omstandigheden jong gestorven was, en het vuur waardoor zijn broer was verminkt, en het ongeluk tijdens de jacht waarbij zijn vader was omgekomen. Gregor had de burcht, het goud en het grondgebied van het geslacht geërfd. Zijn jongere broer Sandor was diezelfde dag nog vertrokken om zijn zwaard aan de Lannisters op te dragen, en men zei dat hij nooit meer was teruggekeerd, zelfs niet om op bezoek te gaan. Toen de Bloemenridder zijn entree maakte ging er een gemompel door de menigte, en hij hoorde Sansa vol vuur fluisteren: ‘Wat is hij toch mooi.’ Ser Lor as Tyrel was rank als een rietstengel, gekleed in een fabelachtig zilveren harnas dat oogverblindend schitterde, met filigreinwerk van zwarte wingerdranken en kleine blauwe vergeetmijnietjes. Op hetzelfde moment als Ned besefte het volk dat het blauw van de bloemen van saffieren afkomstig was, en uit duizend kelen steeg een hoorbare zucht op. De mantel van de jongeling hing zwaar van zijn schouders. Hij was gemaakt van echte vergeetmijnietjes, honderden verse bloemen die op een dikke wollen mantel waren genaaid.
    Zijn rijdier was even slank als de ruiter, een fraaie grijze merrie, op snelheid gebouwd. De enorme hengst van ser Gregor hinnikte luid toen hij haar lucht opsnoof. De jongeling uit Hooggaarde maakte een beweging met zijn benen en zijn paard maakte een zijsprongetje, lichtvoetig als een danseres. Sansa greep Neds arm vast. ‘Vader, laat ser Gregor hem toch alsjeblieft geen pijn doen,’ zei ze. Ned zag dat ze de roos droeg die ser Loras haar gisteren had gegeven. Dat had hij ook van Jory gehoord.
    ‘Dit zijn toernooilansen,’ legde hij zijn dochter uit. ‘Die worden zo gemaakt dat ze bij de eerste klap versplinteren, zodat er niemand gewond raakt.’ Maar toen dacht hij aan de jongeman in de kar met zijn mantel van wassende manen en stikte bijna in zijn woorden. Ser Gregor had moeite zijn paard in bedwang te houden. De hengst ging te keer en stampte en bewoog heftig zijn hoofd heen en weer. De Berg gaf het dier een keiharde trap met een ijzeren laars. Het paard steigerde en wierp hem bijna af.
    De Bloemenridder groette de koning, reed naar het uiteinde van het strijdperk en bracht zijn lans in de aanslag. Ser Gregor reed zijn paard naar het koord, vechtend met de teugels. En plotseling was het zover. De hengst van de Berg ging in pijlsnelle galop over en stormde als een dolle naar voren, terwijl de charge van de merrie soepel als zijde was. Ser Gregor rukte zijn schild recht, probeerde zijn lans in evenwicht te brengen en worstelde al die tijd om zijn weerspannige rijdier in een rechte lijn te houden. En ineens was Loras Tyrel bij hem en trof met de punt van zijn lans precies die ene plek, en het volgende moment viel de Berg. Hij was zo kolossaal dat hij zijn paard met zich meesleurde in een kluwen van staal en levend vlees.
    Ned hoorde applaus, toejuichingen, gefluit, geschokt oh-geroep, opgewonden geroezemoes en boven dat alles uit het rauwe gelach van de Jachthond. Aan het einde van het strijdperk hield de Bloemenridder de teugels in. Zijn lans was niet eens gebroken. Terwijl hij zijn vizier opsloeg en glimlachte fonkelden zijn saffieren in de zon.
    Midden op het veld bevrijdde ser Gregor zichzelf en kwam kokend van razernij overeind. Hij rukte zijn helm af en smeet hem op de grond. Zijn gezicht was donker van woede, en zijn haar hing in zijn ogen. ‘Mijn zwaard,’ schreeuwde hij tegen zijn schildknaap, en de jongen kwam ermee aanrennen. Inmiddels was de hengst ook opgekrabbeld. Gregor Clegane doodde het paard met één enkele houw, zo woest dat de nek van het dier half doormidden werd geslagen. Gejuich verkeerde in één klap in gegil. Krijsend zakte de hengst door zijn knieën en stierf. Ser Gregor beende ondertussen al dwars door het strijdperk heen op ser Loras af, het bebloede zwaard in de vuist geklemd.
    ‘Hou hem tegen!’ schreeuwde Ned, maar zijn woorden gingen verloren in het lawaai. Alle andere mensen waren ook aan het roepen, en Sansa huilde.
    Het ging allemaal heel snel. Terwijl ser Gregor zijn schildknaap opzij sloeg en naar de teugels van zijn paard graaide riep ser Loras om zijn eigen zwaard. De merrie, die bloed rook, steigerde. Loras Tyrel bleef in het zadel, maar met moeite. Ser Gregor haalde uit met zijn zwaard, een woeste houw met beide handen die de jongeman op de borst trof en hem uit het zadel smeet. Het paard ging er in paniek vandoor en ser Loras lag verdoofd in het stof. Maar toen ser Gregor zijn zwaard ophief om te doden waarschuwde een raspende stem: ‘Laat aft en een met staal beklede hand rukte hem bij de jongeman vandaan. De Berg wervelde rond, sprakeloos van woede, en haalde met zijn slagzwaard uit in een dodelijke houw. Hij legde er al zijn kracht en gewicht in, maar de Hond ving de klap op en weerde hem af. Terwijl een verdwaasde Loras Tyrel in veiligheid werd gebracht hakten de broers op elkaar in, naar het leek een eeuwigheid. Driemaal zag Ned ser Gregor een verwoede poging doen de helm met de hondenkop te raken, maar Sandor haalde niet één keer naar het onbeschermde gezicht van zijn broer uit. Het was de stem van de koning die er een eind aan maakte… zijn stem, en twintig zwaarden. Jon Arryn had eens tegen hen gezegd dat een aanvoerder een goede stem nodig had voor het slagveld, en Robert had bij de Drietand bewezen hoe waar dat was. Nu gebruikte hij diezelfde stem. ‘STOP DIE WAANZIN,’ bulderde hij, ‘IN NAAM VAN UW KONING!’
    De Jachthond zonk op één knie. Ser Gregors slag maaide door de lucht, en ten slotre kwam hij weer bij zinnen. Hij liet zijn zwaard vallen en staarde Robert woedend aan, omringd door diens koningsgarde en nog twaalf andere ridders en wachters. Zonder iets te zeggen keerde hij zich om en beende weg, waarbij hij Barristan Selmy opzij duwde. ‘Laat hem gaan,’ zei Robert, en daarmee was het ineens voorbij.
    ‘Is de Jachthond nu kampioen?’ vroeg Sansa aan Ned.
    ‘Nee,’ zei hij tegen haar. ‘Er komt nog een laatste tweekamp tussen de Jachthond en de Bloemenridder.’
    Maar Sansa bleek gelijk te krijgen. Enkele ogenblikken later kwam ser Loras Tyrel met een eenvoudig linnen wambuis aan het strijdperk weer inlopen en zei tegen Sandor Clegane: ‘Ik heb mijn leven aan u te danken. U komt de zege toe, ser.’
    ‘Ik ben geen ser,’ antwoordde de Jachthond, maar de overwinning aanvaardde hij wel, en ook de beurs die voor de kampioen bestemd was, en misschien voor het eerst van zijn leven de liefde van het volk. Het juichte hem toe toen hij het strijdperk verliet om naar zijn paviljoen terug te keren.
    Terwijl Ned met Sansa naar het schuttersveld liep sloten Pinkje en heer Renling en nog een paar anderen zich bij hen aan. ‘Tyrel moet geweten hebben dat die merrie tochtig was,’ zei Pinkje. ‘Ik zweer dat de jongen de hele zaak zo in elkaar gezet had. Gregor heeft altijd al de voorkeur gegeven aan grote, prikkelbare hengsten met meer vuur dan verstand.’ Hij leek de gedachte vermakelijk te vinden. Ser Barristan Selmy vond het niet leuk. ‘Zulke kunstgrepen brengen weinig eer,’ zei de oude man stijfjes.
    ‘Weinig eer en twintigduizend goudstukken.’ Heer Renling glimlachte. Die middag won een knaap genaamd Anguy, een onbekende, gewone jongen uit de Marken van Dorne, de boogschutterswedstrijd door op honderd pas ser Balon Swaan en Jalabhar Xho te overtreffen nadat de overige schutters op de kortere afstanden al uitgeschakeld waren. Ned stuurde Alyn naar hem toe om hem een plaats in de wacht van de Hand aan te bieden, maar beneveld door de wijn, de overwinning en de hoop op onvermoede rijkdommen, bedankte de jongen daarvoor.
    De mêlee duurde drie volle uren. Er namen bijna veertig man aan deel, vrijruiters, hagenridders en kersverse schildknapen op zoek naar een naam. Ze streden met stompe wapens in een chaos van blubber en bloed, in groepjes die elkaar bevochten en dan weer onderling slaags raakten, waarbij de bondgenootschappen zich voortdurend wijzigden, tot er nog maar één man overbleef. De winnaar was de rode priester Thoros van Myr, een dolleman met een kaalgeschoren hoofd die met een vlammend zwaard vocht. Hij had al vaker een mêlee gewonnen. Zijn vlammenzwaard maakte de rijdieren van de andere ruiters bang, terwijl Thoros van Myr zelf nergens bang voor was. Het eindresultaat omvatte drie gebroken ledematen, een verbrijzeld sleutelbeen, twaalf geplette vingers, twee paarden die moesten worden afgemaakt en meer snijwonden, verstuikingen en blauwe plekken dan de moeite van het tellen waard was. Ned was als een kind zo blij dat Robert niet had meegedaan.
    Die avond bij het banket was Eddard Stark hoopvoller gestemd dan hij in lange tijd was geweest. Robert was in een opperbest humeur, de Lannisters waren nergens te bekennen en zelfs zijn dochters gedroegen zich. Jory had Arya opgehaald en Sansa sprak haar zuster vriendelijk toe. ‘Het toernooi was fantastisch,’ zuchtte ze. ‘Je had mee moeten gaan. Hoe ging het dansen?’
    ‘Ik heb overal pijn,’ meldde Arya opgewekt en liet een grote, paarsblauwe plek op haar been zien.
    ‘Dan moet je wel heel slecht dansen,’ zei Sansa aarzelend. Later, toen Sansa weg was om naar een groep zangers te luisteren die de ingewikkelde cyclus van onderling verweven ballades genaamd de Drakendans ten gehore bracht, onderzocht Ned zelf de blauwe plek. ‘Ik hoop dat Forel niet te hardhandig is,’ zei hij. Arya stond op één been. Daar werd ze de laatste tijd steeds beter in. ‘Syrio zegt dat iedere kwetsuur een les is, en dat je van iedere les beter wordt.’
    Ned fronste zijn voorhoofd. Syrio Forel had een uitstekende reputatie, en zijn flamboyante Braavosi-stijl paste heel goed bij Arya’s slanke kling, maar toch… enkele dagen geleden had ze met een reep zwarte zij voor haar ogen rondgelopen. Syrio leerde haar kijken met haar oren, neus en huid, had ze verteld. Daarvóór had hij haar pirouettes en salto’s laten maken. ‘Arya, weet je zeker dat je hiermee door wilt gaan?’
    Ze knikte. ‘Morgen gaan we katten vangen.’
    ‘Katten.’ Ned zuchtte. ‘Misschien was het een vergissing om die Braavosi in te huren. Als je wilt vraag ik Jory of hij je lessen wil overnemen. Of ik zou een heimelijk woordje met ser Barristan kunnen wisselen. Hij was in zijn jeugd de beste zwaardvechter van de Zeven Koninkrijken.’
    ‘Die wil ik niet,’ zei Arya. ‘Ik wil Syrio.’ Ned woelde met zijn vingers door zijn haar. ledere fatsoenlijke wapenmeester kon Arya de beginselen van het slaan en afweren bijbrengen zonder die flauwekul van blinddoeken, radslagen en hinkelen, maar hij kende zijn jongste dochter goed genoeg om te weten dat er niet met haar te discussiëren viel als ze die kin zo koppig naar voren stak. ‘Zoals je wilt,’ zei hij. Ze zou er vast en zeker weldra genoeg van krijgen. ‘Probeer voorzichtig te zijn.’
    ‘Ik zal het proberen,’ beloofde ze plechtig terwijl ze soepel van haar rechterbeen op haar linker sprong.
    Veel later, nadat hij de meisjes door de stad naar huis had begeleid en ze allebei veilig in bed had gelegd, Sansa met haar dromen en Arya met haar blauwe plekken, klom Ned naar zijn eigen vertrekken boven in de Toren van de Hand. Het was een warme dag geweest, en in de kamer was het benauwd en bedompt. Ned liep naar het raam en opende de zware luiken om de koele nachtlucht binnen te laten. Aan de overkant van het grote binnenplein ving hij achter de vensters van Pinkje de flakkerende gloed van kaarslicht op. Het was ruim na middernacht. Beneden bij de rivier begon het feestgedruis nu pas te verminderen en weg te sterven. Hij haalde de dolk te voorschijn en bestudeerde hem. Pinkjes mes, door Tyrion Lannister gewonnen bij een weddenschap op een toernooi, gezonden om Bran in zijn slaap te doden. Waarom? Waarom was de dwerg op Brans dood uit? Waarom zou iemand op Brans dood uit zijn?
    De dolk, Brans val, alles hield op een of andere manier verband met de dood van Jon Arryn, dat voelde hij, maar de waarheid omtrent Jons dood was hem nog even duister als aan het begin. Heer Stannis was niet voor het toernooi naar Koningslanding teruggekeerd. Lysa Arryn bewaarde haar stilzwijgen achter de hoge muren van het Adelaarsnest. De schildknaap was dood en Jory zocht nog steeds de bordelen af. Wat had hij eigenlijk, op Roberts bastaard na?
    Dat die stuurse leerjongen van de wapensmid de zoon van de koning was leed voor Ned geen twijfel. Zijn uiterlijk bestempelde hem tot een Baratheon: zijn gezicht, zijn kaken, zijn ogen, dat zwarte haar. Renling was te jong om een zoon van die leeftijd te hebben verwekt, en Stannis met zijn eergevoel te kil en te trots. Gendry moest van Robert zijn.
    Maar wat had hij aan die wetenschap? De koning had overal in de Zeven Koninkrijken buitenechtelijke kinderen. Hij had een van zijn bastaarden, een jongen van Brans leeftijd met een adellijke moeder, openlijk erkend. De jongen werd opgevoed door Renlings kastelein in Stormeinde. Ned herinnerde zich ook Roberts eerste kind, een dochter die in de Vallei was geboren toen Robert zelf weinig meer dan een jongen was geweest. Een lief klein meisje waar de jeugdige heer van Stormeinde dol op was. Hij was dagelijks op bezoek gekomen om met het kindje te spelen, ook toen hij allang niet meer in de moeder geïnteresseerd was. Hij had Ned vaak meegesleept als gezelschap, of hij wilde of niet. Het meisje moest nu zeventien of achttien zijn, realiseerde hij zich, ouder dan Robert was geweest toen hij haar had verwekt. Een merkwaardige gedachte. Cersei was vast niet ingenomen met de buitenbeentjes van haar echtgenoot, maar al met al deed het er weinig toe of de koning één bastaard had, of honderd. De wet en de goede zeden kenden onechte kinderen weinig rechten toe. Gendry, het meisje in de Vallei, de jongen in Stormeinde, ze vormden geen van allen een bedreiging voor Roberts wettige nakomelingen… Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door een zacht klopje op zijn deur. ‘Iemand om u te spreken, heer,’ riep Harwin. ‘Hij wil zijn naam niet noemen.’
    ‘Laat maar binnen,’ zei Ned verwonderd. De bezoeker was een forse man met laarzen van gebarsten leer en een zware, bruine mantel van grove wol, zijn gezicht verborgen onder een kap, zijn handen in wijde mouwen verstopt. Niets aan hem wees erop dat hij tot de Nachtwacht behoorde.
    ‘Wie bent u?’ vroeg Ned.
    ‘Een vriend,’ zei de man met de kap op een vreemde, gedempte toon. ‘We moeten elkaar alléén spreken, heer Stark.’
    Zijn nieuwsgierigheid won het van zijn voorzichtigheid. ‘Harwin, laat ons alleen,’ beval hij. Pas toen ze zich alleen achter gesloten deuren bevonden sloeg de bezoeker zijn kap terug.
    ‘Heer Varys!’ zei Ned stomverbaasd.
    ‘Heer Stark,’ zei Varys beleefd terwijl hij ging zitten, ‘mag ik zo vrij zijn u om iets te drinken te vragen?’
    Ned vulde twee bekers met zomerwijn en overhandigde er één aan Varys. ‘Ik zou u op twee voet afstand voorbij zijn gelopen zonder u te herkennen,’ zei hij ongelovig. Hij had de eunuch nog nooit iets anders zien dragen dan zijde, fluweel en het kostbaarste damast, en deze man rook naar zweet in plaats van naar seringen.
    ‘Dat had ik ook vurig gehoopt,’ zei Varys. ‘Het gaat niet aan dat bepaalde mensen te horen krijgen dat wij elkaar onder vier ogen hebben gesproken. Dit is uitgelezen wijn. Dank u.’
    ‘Hoe bent u langs mijn overige wachtposten geglipt?’ vroeg Ned. Porthier en Cain stonden voor de toren, en Alyn stond op de trap.
    ‘De Rode Burcht heeft gangen die slechts aan spoken en spinnen bekend zijn.’ Varys glimlachte verontschuldigend. ‘Ik zal niet te veel van uw tijd vergen, heer. Er zijn bepaalde dingen die u moet weten. U bent de Hand des Konings, en de koning is een dwaas.’ De zoetsappige toon van de eunuch was verdwenen en zijn stem was dun en scherp als een zweep. ‘Uw vriend, dat weet ik, maar desondanks een dwaas… en ten dode opgeschreven, tenzij u hem redt. Vandaag scheelde het niet veel. Ze hadden gehoopt hem in de mêlee te vermoorden.’
    Even was Ned sprakeloos van schrik. ‘Wie?’
    Varys nipte van zijn wijn. ‘Als ik u dat nog moet vertellen bent u een nog grotere dwaas dan Robert en sta ik aan de verkeerde kant.’
    ‘De Lannisters,’ zei Ned. ‘De koningin… nee, dat geloof ik niet, zelfs niet van Cersei. Ze heeft hem gevraagd om niet te vechten!’
    ‘Ze heeft hem verboden te vechten, in aanwezigheid van zijn broer, zijn ridders en het halve hof. Nou vraag ik u, zegt u eens eerlijk of u een betere manier weet om Robert de mêlee in te jagen.’
    Ned kreeg een wee gevoel in zijn maag. De eunuch had een waar woord gesproken. Als je tegen Robert Baratheon zei dat hij iets niet kon, mocht of moest doen had hij het bij wijze van spreken al gedaan. ‘Maar ook al had hij meegedaan, wie had het zwaard tegen de koning durven opheffen?’
    Varys haalde zijn schouders op. ‘Er namen veertig ruiters aan die mêlee deel. De Lannisters hebben vele vrienden. In zo’n wanordelijke situatie, met schreeuwende paarden, brekende botten en Thoros van Myr die met dat absurde vlammenzwaard zwaaide, wie zou er “moord” hebben geroepen als Zijne Genade bij toeval geveld was?’
    Hij liep naar de kruik en vulde zijn beker bij. ‘Naderhand zou de dader buiten zichzelf zijn geweest van smart. Ik kan hem bijna horen huilen. Triest, hoor. Maar de genadige en barmhartige weduwe had ongetwijfeld medelijden gekregen, de arme ongelukkige overeind geholpen en hem gezegend met de milde kus der vergeving. De goede koning Joffry zou geen andere keus hebben gehad dan hem te begenadigen.’ De eunuch streek over zijn kin. ‘Of misschien zou Cersei Lannister ser Ilyn zijn hoofd eraf laten slaan. Minder riskant voor de Lannisters, zij het een tamelijk onaangename verrassing voor onze vriend.’
    Ned merkte dat hij boos werd. ‘U wist van dit complot af, en toch hebt u niets gedaan.’
    ‘Ik ga over fluisteraars, niet over krijgslieden.’
    ‘U had wel eens eerder bij mij mogen komen.’
    ‘O ja, dat wil ik wel toegeven. En dan was u rechtstreeks naar de koning gerend, of niet soms? En als dit gevaar Robert ter ore was gekomen, wat had hij dan gedaan? Dat zou ik wel eens willen weten.’
    Ned dacht na. ‘Hij zou ze allemaal hebben verwenst en toch zijn gaan vechten, om te laten zien dat hij niet bang was.’
    Varys spreidde zijn handen. ‘Laat ik dan nog iets toegeven, heer Eddard. Ik was benieuwd om te zien wat u zou doen. Waarom bent u niet naar mij toe gekomen? vraagt u en het antwoord luidt: Welnu, omdat ik u niet vertrouwde, heer.’
    ‘U vertrouwde mij niet?’ Ned was oprecht verbijsterd.
    ‘In de Rode Burcht huizen twee soorten mensen, heer Eddard,’ zei Varys. ‘Mensen die het rijk trouw zijn, en mensen die alleen zichzelf trouw zijn. Tot vanmorgen wist ik niet tot welke soort u behoorde… dus wachtte ik om te kijken… en nu weet ik het zeker.’ Hij lachte een vlezig, geknepen lachje, en even vielen zijn maskers, het publieke masker en het privémasker, samen. ‘Ik begin te begrijpen waarom de koningin zo bang voor u is, o ja.’
    ‘U bent degene die ze zou moeten vrezen,’ zei Ned.
    ‘Nee. Ik ben wat ik ben. De koning gebruikt mij, maar schaamt zich ervoor. Onze Robert is een machtig krijgsman, en zo’n mannelijke man heeft weinig op met sluipers, spionnen en eunuchen. Mocht de dag komen dat Cersei fluistert: Weg met die man,dan slaat Ilyn Payne in een mum van tijd mijn hoofd eraf, en wie zal er dan om die arme Varys rouwen? In noord of zuid, een spin wordt niet bezongen.’
    Hij raakte Ned met een zachte hand aan. ‘Maar u, heer Stark… ik denk… nee, ik weet, dat hij u niet zal doden, zelfs niet voor zijn koningin, en daarin ligt misschien onze redding besloten.’
    Het werd allemaal te veel. Heel even wilde Eddard Stark niets liever dan naar Winterfel teruggaan, naar de zuivere eenvoud van het noorden, waar de vijanden de winter en de wildlingen achter de Muur waren. ‘Maar Robert heeft toch nog meer trouwe vrienden,’ protesteerde hij. ‘Zijn broers, zijn…’
    ‘…vrouw?’ voltooide Varys met een snijdend lachje. ‘Zijn broers haten de Lannisters, dat is waar, maar de koningin haten en de koning liefhebben is niet helemaal hetzelfde, niet? Ser Barristan heeft zijn eer lief, grootmaester Pycelle zijn ambt, en Pinkje houdt van Pinkje.’
    ‘De koningsgarde…’
    ‘Een papieren schild,’ zei de eunuch. ‘Probeer niet zo geschokt te kijken, heer Stark. Jaime Lannister zelf is een gezworen broeder van de Witte Zwaarden, en we weten allemaal wat zijn eed waard is. De dagen waarin mannen als Ryam Roodweyn en prins Aemon de Drakenridder de witte mantel droegen leven nog slechts in de liederen. Van deze zeven is alleen ser Barristan Selmy uit het goede hout gesneden, en Selmy is oud. Ser Boros en ser Meryn zijn stromannen van de koningin, en jegens de anderen koester ik sterke verdenkingen. Nee heer, als de zwaarden in alle ernst getrokken worden bent u de enige echte vriend die Robert heeft.’
    ‘Robert moet het weten,’ zei Ned. ‘Als het klopt wat u zegt, als zelfs maar een deel ervan klopt, dan moet de koning dit zelf horen.’
    ‘En welke bewijzen zullen we hem voorleggen? Mijn woord tegen het hunne? Mijn vogeltjes tegen de koningin en de Koningsmoordenaar, tegen zijn broers en zijn raad, tegen de Landvoogden van Oost en West, tegen de voltallige krijgsmacht van de Rots van Casterling?
    Laat dan maar liever meteen ser Ilyn halen, dat bespaart ons allemaal een hoop ellende. Ik weet waar dat op uitdraait.’
    ‘Maar als het waar is wat u zegt zullen ze alleen maar hun tijd beiden en nog een poging doen.’
    ‘Inderdaad,’ zei Varys, ‘en eerder vroeg dan laat, vrees ik. U maakt ze heel zenuwachtig, heer Eddard. Maar mijn vogeltjes zullen luisteren, en misschien zijn we samen in staat hun te snel af te zijn, u en ik.’ Hij stond op en zette zijn kap op, zodat zijn gezicht weer verborgen was. ‘Dank u voor de wijn. We spreken elkaar weldra weer. Zorg dan de volgende keer dat u mij in de raad tegenkomt, dat u mij met uw gebruikelijke minachting bejegent. Dat zal u niet moeilijk vallen.’
    Hij was al bij de deur toen Ned riep: ‘Varys.’ De eunuch keerde zich om. ‘Hoe is Jon Arryn gestorven?’
    ‘Ik vroeg me al af wanneer u daarover zou beginnen.’
    ‘Vertel het me.’
    ‘Het heet de tranen van Lys. Een zeldzaam en duur spul, helder en zoet als water, en het laat geen sporen na. Ik heb Jon Arryn gesmeekt een voorproever te nemen, hier in deze kamer heb ik hem erom staan smeken, maar hij wilde er niet aan. Slechts iemand die minder was dan een man zou zoiets zelfs maar overwegen, zei hij tegen me.’
    Ned moest nu ook de rest weten. ‘Wie heeft hem dat vergif gegeven?’
    ‘Ongetwijfeld een dierbare, innemende vriend die vaak het brood met hem brak. O, maar wie? Er waren er zoveel. Heer Arryn was aardig en goed van vertrouwen.’ De eunuch zuchtte. ‘Er was een jongeman. Alles wat hij was had hij aan Jon Arryn te danken, maar toen diens weduwe met haar hofhouding naar het Adelaarsnest vluchtte bleef hij in Koningslanding, en het ging hem voor de wind. Mijn hart springt altijd op als ik zie dat jongeren het ver brengen in deze wereld.’ Weer die zweep in zijn stem, en ieder woord knalde.
    ‘Hij moet een fraai figuur hebben geslagen in het toernooi, met dat prachtige nieuwe harnas en die wassende manen op zijn mantel. Jammer dat hij zo ontijdig stierf, voordat u met hem kon praten…’
    Ned kreeg het gevoel dat hij zelf min of meer vergiftigd was. ‘De schildknaap,’ zei hij. ‘Ser Huig.’ Het werd steeds ingewikkelder. Neds hoofd bonsde. ‘Waarom? Waarom nu? Jon Arryn was al veertien jaar Hand. Wat had hij gedaan dat ze hem dood wilden hebben?’
    ‘Vragen gesteld,’ zei Varys en glipte naar buiten.

Tyrion

    Terwijl hij in de kilte voor de dageraad toekeek hoe Chiggen zijn paard slachtte, voegde Tyrion een nieuwe schuldenpost toe aan de rekening van de Starks. Het karkas dampte toen de gedrongen huurling met zijn vilmes de buik opensneed. Hij deed het handig, zonder één verkeerde snee te maken. Het moest snel gebeuren, voor de bloedlucht de schaduwkatten langs de hellingen omlaag zou lokken.
    ‘Niemand zal vanavond honger hebben,’ zei Bronn. Hij was zelf bijna een schaduw, broodmager en bikkelhard, met zwarte ogen, zwart haar en een stoppelbaard.
    ‘Een enkeling misschien wel,’ zei Tyrion. ‘Ik eet niet graag paardenvlees. Vooral niet als het van mijn paard afkomstig is.’
    ‘Vlees is vlees,’ zei Bronn schouder ophalend. ‘De Dothraki houden meer van paardenvlees dan van rund-of varkensvlees.’
    ‘Hou je me voor een Dothraki?’ vroeg Tyrion nors. De Dothraki aten inderdaad paarden. Ze lieten ook hun mismaakte kinderen liggen voor de honden die achter hun khalasars aan draafden. De zeden van de Dothraki lokten hem niet echt aan. Chiggen sneed een dunne reep bloedig vlees van het karkas en hield het hem voor. ‘Wil je proeven, dwerg?’
    ‘Ik heb die merrie op mijn drieëntwintigste naamdag van mijn broer Jaime gekregen,’ zei Tyrion op effen toon.
    ‘Bedank hem dan namens ons. Als je hem ooit terugziet.’ Chiggen grijnsde zijn gele tanden bloot en schrokte het rauwe vlees in twee happen naar binnen. ‘Smaakt heel welopgevoed.’
    ‘Het is lekkerder als je het in uitjes bakt,’ merkte Bronn op. Tyrion hobbelde weg zonder iets te zeggen. De kou was diep in zijn botten getrokken en zijn benen deden zo zeer dat hij nauwelijks kon lopen. Misschien was de dode merrie wel de fortuinlijkste van hen tweeën. Hij had nog uren rijden voor de boeg, gevolgd door een paar happen eten en een korte, koude nachtrust op een harde ondergrond, en daarna nog zo’n nacht, en nog een, en nog een, en alleen de goden wisten hoe het af zou lopen. ‘Rotwijf,’ mompelde hij terwijl hij over de weg omhoogstrompelde om zich bij zijn overweldigers te voegen en het intussen weer allemaal voor zich zag. Hij verwenste haar en alle Starks.
    De herinnering smaakte nog steeds bitter. Het ene ogenblik had hij een maaltijd besteld en het volgende was hij met een ruimte vol gewapende lieden geconfronteerd, terwijl Jyck naar zijn zwaard tastte en de dikke waardin gilde: ‘Geen zwaarden, niet hier als u zo goed wilt wezen, heren!’
    Tyrion had Jycks arm haastig omlaaggerukt vóór ze allemaal in stukjes gehakt werden. ‘Verlies je de beleefdheid niet uit het oog, Jyck? “Geen zwaarden,” zei onze waarde gastvrouw. Doe wat ze zegt.’ Zijn glimlach moest net zo wee zijn geweest als hij zich voelde. ‘U begaat een betreurenswaardige vergissing, vrouwe Stark. Ik heb part noch deel gehad aan de aanslag op uw zoon. Bij mijn eer…’
    ‘De eer van een Lannister,’ had ze alleen maar gezegd, waarop ze haar handen zó omhooghield dat iedereen in de kamer ze kon zien.
    ‘Die littekens komen van zijn dolk. Van het mes dat hij heeft gestuurd om mijn zoon de keel door te snijden.’
    Tyrion had de woede overal rondom zich gevoeld, donker en dof, aangezwengeld door de diepe sneden in de handen van de Starkvrouw. ‘Maak hem af,’ had een dronken del achterin gesist, en andere stemmen hadden haar oproep overgenomen, sneller dan hij voor mogelijk had gehouden. Allemaal vreemden. Zoeven waren ze nog vriendelijk genoeg geweest, nu schreeuwden ze om zijn bloed als honden die wild ruiken.
    Tyrion had zijn stem verheven en geprobeerd die niet te laten trillen. ‘Als vrouwe Stark denkt dat ik een misdaad op mijn geweten heb zal ik met haar meegaan en verantwoording afleggen.’
    Het was zijn enige uitweg. ledere poging om vechtend te ontkomen had hem voortijdig in het graf doen belanden. Meer dan twaalf zwaarden hadden op het verzoek om hulp van de Stark-vrouw gereageerd: de man uit Harrenhal, de drie Vaarens, een paar onappetijtelijke huurlingen die keken of ze hem net zo lief aan hun zwaard geregen hadden en een paar stommelingen van landarbeiders die ongetwijfeld niet wisten wat ze deden. Wat kon Tyrion daar tegenin brengen? Een dolk aan zijn riem en twee mannen. Jyck hanteerde zijn zwaard vrij aardig, maar Morrec telde nauwelijks mee, want hij was tegelijkertijd paardenknecht, kok en persoonlijke bediende, en geen krijgsman. Wat Yoren betrof, hoe die er ook over gedacht mocht hebben, de zwarte broeders waren door hun eed gehouden zich niet in de twisten van het rijk te mengen. Yoren zou niets ondernemen. En de zwarte broeder was inderdaad zwijgend opzij gestapt toen de oude ridder naast Catelyn Stark had gezegd: ‘Neem hun wapens af,’ en de huurling Bronn naar voren was gekomen om Jyck het zwaard uit zijn hand te trekken en hen alledrie van hun dolk te ontdoen. ‘Goed zo,’ zei de oude kerel toen de spanning in het vertrek merkbaar wegebde, ‘uitstekend.’ Tyrion herkende de barse stem. Het was de wapenmeester van Winterfel, zonder zijn bakkebaarden. Met scharlakenrood gekleurd schuim om haar mond had de dikke waardin Catelyn Stark gesmeekt: ‘Dood hem niet hier!’
    ‘Helemaal nergens,’ had Tyrion met klem gezegd.
    ‘Breng hem ergens anders heen, geen bloedvergieten hier, vrouwe, ik wil de ruzies van de hoge heren niet.’
    ‘We nemen hem mee terug naar Winterfel,’ had ze gezegd, en Tyrion had gedacht, aha, misschien… Hij had inmiddels de gelegenheid gehad, de ruimte rond te kijken en de situatie beter te overzien. Hij was niet helemaal ontevreden met wat hij zag. Zeker, het Stark-mens was slim geweest, zonder twijfel. Ze had hen gedwongen, de eden die hun heren haar vader hadden gezworen in het openbaar te bevestigen en vervolgens hun hulp in te roepen, en dat als vrouw. Dat was handig. Maar haar succes was niet zo compleet als ze waarschijnlijk had gewild. Er waren naar schatting tegen de vijftig man in de gelagkamer. Catelyn Starks pleidooi had er maar een twaalftal op de been gebracht, en de anderen keken verward, of bang, of nors. Slechts twee van de Freys hadden zich verroerd, had Tyrion gemerkt, en die waren weer heel snel gaan zitten toen hun aanvoerder niet in beweging kwam. Als hij gedurfd had zou hij geglimlacht hebben.
    ‘Winterfel dus,’ had hij toen maar gezegd. Dat was een lange reis, zoals hij uit ervaring wist nadat hij hem zojuist in omgekeerde richting had afgelegd. ‘Mijn vader zal zich afvragen wat er van me geworden is,’ had hij eraan toegevoegd terwijl hij de blik ving van de zwaardvechter die hem zijn kamer had aangeboden. ‘Hij zal de man die hem vertelt wat hier vandaag gebeurd is, rijk belonen.’ Heer Tywin zou uiteraard niets van dien aard doen, maar dat zou Tyrion zelf dan wel goedmaken als hij vrijkwam.
    Ser Rodrik had zijn vrouwe bezorgd aangekeken, en terecht. ‘Zijn mannen gaan mee,’ had de oude ridder verklaard. ‘En we zullen de rest van u dankbaar zijn als u niet rept over wat u hier hebt gezien.’
    Tyrion had moeite om niet te lachen. Er niet over reppen? Ouwe dwaas die hij was. Tenzij hij de hele herberg bezette zou het nieuws zich verspreiden zodra ze hun hielen hadden gelicht. Die vrijruiter met het goud op zak zou als een pijl uit de boog naar de Rots van Casterling vliegen, en als hij het niet deed, dan een ander wel. Door Yoren zou het verhaal in het zuiden belanden. Die dwaas van een zanger zou er misschien een ballade over maken. De Freys zouden verslag uitbrengen bij hun heer, en alleen de goden wisten wat die zou doen. Heer Walder Frey mocht dan een vazal van Stroomvliet zijn, hij was een voorzichtig man die zo oud was geworden omdat hij ervoor had gezorgd dat hij altijd aan de winnende kant stond. Hij zou op zijn minst zijn vogels naar het zuiden sturen, naar Koningslanding, en het zou best kunnen dat hij nog verder durfde gaan. Catelyn Stark had geen tijd verspild. ‘We moeten onmiddellijk op weg gaan. We hebben verse paarden nodig en leeftocht voor onderweg. Mannen, weet dat het Huis Stark u eeuwig dankbaar zal zijn. Als iemand van u verkiest ons te helpen onze gevangenen te bewaken en veilig naar Winterfel te brengen zal hij rijkelijk beloond worden.’ Meer was niet nodig om de idioten te doen toesnellen. Tyrion bestudeerde hun gezichten. Ja, ze zouden rijkelijk worden beloond, had hij zichzelf plechtig beloofd, maar misschien niet helemaal zoals ze dachten. Ook nog toen ze hem naar buiten sleepten, in de regen de paarden zadelden en zijn handen met een ruw eind touw vastbonden, was Tyrion niet echt bang geweest. Hij had er iets om durven verwedden dat ze hem nooit in Winterfel zouden krijgen. Binnen een dag zouden ze ruiters achter zich aan krijgen, er zouden vogels vliegen, en een van de heren van de rivier zou vast wel graag genoeg bij zijn vader in het gevlij willen komen om een handje te helpen. Tyrion wenste zichzelf net geluk met zijn slimheid toen iemand een kap over zijn hoofd trok en hem op een zadel hees.
    Ze reden in snelle galop de regen in, en het duurde niet lang of Tyrion had stevige kramp in zijn dijbenen en een bonzende pijn in zijn achterste. Zelfs toen ze op veilige afstand van de herberg waren en Catelyn hun tempo tot een sukkeldraf terugbracht bleef het een akelige hobbelrit over oneffen terrein, nog verergerd door het feit dat hij niets zag. Bij elke bocht liep hij gevaar van zijn paard te vallen. De kap dempte alle geluiden, zodat hij niet verstond wat er om hem heen werd gezegd, en de regen doorweekte de stof, zodat die tegen zijn gezicht plakte en hem ten slotte zelfs het ademhalen bemoeilijkte. Het touw schuurde zijn polsen rauw en leek strakker te worden naarmate de nacht vorderde. Ik wilde net bij de warme haard gaan zitten genieten van mijn geroosterde gevogelte toen die ellendige zanger zonodig zijn mond open moest doen, dacht hij met smart. De ellendige zanger was meegegaan. ‘Hier valt een geweldig lied op te maken,’ had hij tegen Catelyn Stark gezegd toen hij zijn voornemen kenbaar maakte, met hen mee te gaan om te kijken hoe dit ‘prachtige avontuur’ zou aflopen. Tyrion vroeg zich af of de jongen het avontuur nog even prachtig zou vinden als ze door de ruiters van Lannister werden achterhaald.
    Het was eindelijk gestopt met regenen en het ochtendlicht drong door de natte lap voor zijn ogen toen Catelyn Stark het bevel gaf om af te stijgen. Ruwe handen hadden hem van zijn paard getrokken, zijn polsen losgemaakt en de kap van zijn hoofd gerukt. Toen hij de smalle, stenige weg zag, de hoge, ruige heuvels die aan alle kanten oprezen en de scherpgetande, besneeuwde pieken aan de verre einder, was alle hoop in één keer uit hem weggevloeid. ‘Dit is de hoge weg,’ zei hij, happend naar adem, en hij keek vrouwe Stark beschuldigend aan. ‘De oostelijke weg. U zei dat we naar Winterfel gingen!’
    Catelyn Stark had hem een wel heel flauw glimlachje toegeworpen. ‘Herhaaldelijk en luidkeels,’ beaamde ze. ‘Als je vrienden achter ons aan komen gaan ze ongetwijfeld die kant op. Ik wens ze een goede reis toe.’
    Zelfs nu, lange dagen later, vervulde die herinnering hem met bittere razernij. Tyrion ging al een heel leven prat op zijn sluwheid, de enige gave waarmee hij door de goden was begiftigd, en toch was die zevenmaal vervloekte wolvin Catelyn Stark hem op alle punten te slim af geweest. Die wetenschap vervulde hem met meer rancune dan het feit dat hij ontvoerd was.
    Ze hadden niet langer halt gehouden dan nodig was om de paarden te voederen en te drenken. Toen waren ze weer vertrokken. Ditmaal bleef de kap Tyrion bespaard. Na de tweede nacht boeiden ze hem niet meer, en toen ze eenmaal in het hooggebergte waren namen ze zelfs nauwelijks meer de moeite hem te bewaken. Ze schenen niet bang te zijn dat hij zou ontsnappen. Waarom zouden ze ook? Hierboven was het land karig en ruig en de hoge weg niet veel meer dan een stenig pad. Hoe ver zou hij komen als hij vluchtte, alleen en zonder eten? De schaduwkatten zouden hem verslinden en de clans die in de bergforten huisden bestonden uit bandieten en moordenaars die alleen de wet van het zwaard erkenden. Toch dreef het Stark-mens hen onbarmhartig voort. Hij wist waar ze heengingen. Dat had hij geweten sinds het moment dat ze de kap van zijn hoofd trokken. Deze bergen waren het domein van het Huis Arryn, en de weduwe van de overleden Hand was een Tulling, de zuster van Catelyn Stark… en geen vriendin van de Lannisters. Tyrion had vrouwe Lysa enigszins leren kennen in de tijd dat ze in Koningslanding woonde en zag er niet naar uit die kennismaking te hernieuwen.
    Zijn overweldigers zaten op een kluitje bij een beek, een eindje onder de hoge weg. De paarden hadden hun dorst gelest met het ijzige water en graasden nu de bosjes bruin gras af die uit de rotsspleten groeiden. Jyck en Morrec zaten ineengedoken bij elkaar, gemelijk en ongelukkig. Mohor stond naast hen op zijn speer geleund. Hij droeg een ronde ijzeren kap, zodat het net leek of hij een schaal op zijn hoofd had. Daarnaast zat Marillion de zanger zijn houtharp te oliën en te klagen over de schade die het vocht aan zijn snaren toebracht.
    ‘We moeten wat rust nemen, vrouwe,’ zei de hagenridder ser Willis Wede juist tegen Catelyn Stark toen Tyrion Lannister dichterbij kwam. Hij was de dienstman van vrouwe Whent, koppig en onverstoorbaar, en de eerste die was opgestaan om Catelyn Stark in de herberg zijn steun te bieden.
    ‘Ser Willis heeft gelijk, vrouwe,’ zei ser Rodrik. ‘Dit is al het derde paard dat we kwijtraken…’
    ‘Als de Lannisters ons inhalen verliezen we meer dan alleen maar paarden,’ bracht ze hun in herinnering. Haar gezicht was hol, en schraal geworden door de wind, maar had niets van zijn vastberadenheid verloren.
    ‘Weinig kans hier,’ kwam Tyrion ertussen.
    ‘De vrouwe heeft jou niet om je mening gevraagd, dwerg,’ snauwde Kurleket, een grote, vette lomperik met borstelhaar en een varkenssnuit. Hij was een van de Vaarens, een wapenknecht in dienst van heer Jonos. Tyrion had grote moeite gedaan zich al hun namen in te prenten, zodat hij hen later kon bedanken voor de zachtzinnige manier waarop ze met hem om waren gesprongen. Een Lannistér betaalde zijn schulden altijd. Dat zou Kurleket op een dag nog wel merken, net als zijn vrienden Lharys en Mohor, de brave ser Willis, en de huurlingen Bronn en Chiggen. Hij had een extra strenge les in gedachten voor Marillion, de man met het harpje en de welluidende zangstem, die zo manmoedig zijn best deed om kobold op bobbelt en hobbelt te laten rijmen, zodat hij deze schanddaad in een lied kon omzetten.
    ‘Laat hem praten,’ beval vrouwe Stark.
    Tyrion Lannister ging op een rotsblok zitten. ‘Onze achtervolgers zullen zich nu inmiddels wel door de Nek haasten om uw leugen op de Koningsweg te achterhalen… aangenomen dat er achtervolgers zijn, wat nog helemaal niet vaststaat. O, het bericht heeft ongetwijfeld mijn vader bereikt… maar mijn vader is niet bijzonder op mij gesteld, en ik weet bepaald niet zeker of hij wel de moeite zal nemen in actie te komen.’ Dat was maar half gelogen: heer Tywin Lannister gaf geen zier om zijn mismaakte zoon, maar duldde niet dat de eer van zijn geslacht werd aangetast. ‘Dit is een onherbergzaam land, vrouwe Stark. U zult geen schuilplaats vinden voor u de Vallei bereikt, en ieder rijdier dat u kwijtraakt zal de rest des te zwaarder belasten. Erger nog, u loopt het gevaar, mij te verliezen. Ik ben klein en zwak, en als ik sterf, waar doet u dit dan nog voor?’ Dat was al helemaal geen leugen; Tyrion wist niet hoe lang hij dit tempo nog vol kon houden.
    ‘Je zou kunnen stellen dat het me juist om jouw dood te doen is, Lannister,’ antwoordde Catelyn Stark.
    ‘Ik denk het niet,’ zei Tyron. ‘Als u mijn dood wilde had u het maar hoeven zeggen, en een van die standvastige vrienden van u had me met liefde van een rode glimlach voorzien.’ Hij keek naar Kurleket, maar de man was te dom om de grap te bevatten.
    ‘De Starks vermoorden een man niet in bed.’
    ‘Ik ook niet,’ zei hij. ‘Ik zeg u nogmaals, ik heb niets te maken met de moordaanslag op uw zoon.’
    ‘De aanvaller was met uw dolk bewapend.’
    Tyrion merkte dat hij verhit raakte. ‘Het was mijn dolk niet,’ zei hij met klem. ‘Hoe vaak moet ik daar nog een eed op doen? Vrouwe Stark, hoe u ook over mij moge denken, dom ben ik niet. Alleen een dwaas zou een doodgewone knecht zijn eigen mes als wapen geven.’
    Even meende hij iets van twijfel in haar blik te zien sluipen, maar het enige dat ze zei was: ‘Waarom zou Petyr tegen me liegen?’
    ‘Waarom schijt een beer in het bos?’ wilde hij weten. ‘Omdat dat in zijn aard ligt. Een man als Pinkje liegt even makkelijk als hij ademhaalt. Uitgerekend u zou dat toch moeten weten.’
    Met een strak gezicht deed ze een stap naar hem toe. ‘Waar heb je het over, Lannister?’
    Tyrion hield zijn hoofd scheef. ‘ledere man aan het hof heeft hem toch horen vertellen hoe hij u heeft ontmaagd, vrouwe?’
    ‘Dat is een leugen!’ zei Catelyn Stark.
    ‘O, verdorven kleine kobold,’ zei Marillion geschokt. Kurleket trok zijn ponjaard, een gemeen stuk zwart ijzer. ‘Eén woord, vrouwe, en ik leg zijn leugenachtige tong voor uw voeten.’
    Zijn varkensoogjes werden vochtig van opwinding bij het vooruitzicht. Catelyn Stark staarde Tyrion aan met killere ogen dan hij ooit had gezien. ‘Eens hield Petyr Baelish van mij. Hij was nog een jongen. Zijn hartstocht was een tragedie voor ons allemaal, maar echt en puur, niet iets om mee te spotten. Hij wilde mijn hand. Dat is de waarheid. Jij bent waarlijk een slecht mens, Lannistér.’
    ‘En u bent waarlijk een dwaas, vrouwe Stark. Pinkje heeft nooit om een ander dan Pinkje gegeven, en ik verzeker u dat het niet uw hand is waar hij over pocht, maar uw volle borsten, en uw verleidelijke mond, en het vuur tussen uw benen.’
    Kurleket greep een handvol haar en rukte zijn hoofd hard naar achteren zodat zijn hals bloot kwam te liggen. Tyrion voelde de koele kus van het staal onder zijn kin. ‘Moet ik hem aderlaten, vrouwe?’
    ‘Dood me, en de waarheid sterft met mij,’ hijgde Tyrion.
    ‘Laat hem praten,’ gelastte Catelyn Stark. Met tegenzin liet Kurleket Tyrions haar los. Tyrion haalde diep adem. ‘Hoe zei Pinkje dat ik aan die dolk van hem kwam? Dat zou ik wel eens willen weten.’
    ‘Die had je van hem gewonnen bij een weddenschap op het toernooi ter ere van prins Joffry’s naamdag.’
    ‘Zeker toen mijn broer Jaime door de Bloemenridder uit het zadel werd gelicht? Zei hij dat?’
    ‘Inderdaad,’ bevestigde ze. Er kwam een rimpel in haar voorhoofd.
    ‘Ruiters!’
    De kreet kwam van de door de wind uitgeholde richel boven hen. Ser Rodrik had Lharys de rotswand laten beklimmen om de weg in het oog te houden terwijl zij uitrustten.
    Eén langdurig moment bleef iedereen als versteend staan. Catelyn Stark was de eerste die reageerde. ‘Ser Rodrik, ser Willis, te paard,’ schreeuwde ze. ‘Breng de rest van de paarden naar achteren. Mohor, jij bewaakt de gevangenen…’
    ‘Geef ons wapens!’ Tyrion sprong overeind en greep haar bij haar arm. ‘We zullen elk zwaard nodig hebben.’
    Ze wist dat hij gelijk had, zag Tyrion. De vijandschap tussen de grote huizen zei de bergclans niets. Ze zouden Stark én Lannister met evenveel vuur afslachten als elkaar. Catelyn zelf zouden ze misschien sparen: zij was nog jong genoeg om zonen te baren. Toch aarzelde ze.
    ‘Ik hoor ze!’ riep ser Rodrik. Tyrion draaide zijn hoofd opzij om te luisteren, en daar was het: hoefgetrappel. Er naderden zeker twaalf paarden. Plotseling was iedereen in beweging, greep naar zijn wapens, rende naar zijn paard. Het regende steentjes om hem heen toen Lharys de richel af kwam springen en glijden. Hijgend landde hij voor Catelyn Stark, een onooglijke kerel met woeste plukken roestbruin haar die onder een stalen kegelhelm uitstaken. ‘Twintig man, vijfentwintig misschien,’ zei hij buiten adem. ‘Melkslangen of Maanbroeders, als u het mij vraagt. Ze moeten spionnen uitgezonden hebben, vrouwe… onzichtbare ogen… ze weten dat we hier zijn.’
    Ser Rodrik Cassel zat al te paard, zijn lange zwaard in de hand. Mohor hurkte achter een rotsblok, zijn speer met de ijzeren punt in beide handen en een dolk tussen zijn tanden. ‘Jij, zanger,’ riep ser Willis Wede, ‘help me eens met dit borstharnas.’ Marillion zat als aan de grond genageld en klemde met een wasbleek gezicht zijn houtharp vast, maar Tyrions bediende Morrec sprong snel overeind om de ridder met zijn wapenrusting te helpen.
    Tyrion hield nog steeds Catelyn Stark vast. ‘U hebt geen keus,’ zei hij. ‘Drie man, en een vierde die niets kan doen omdat hij ons moet bewaken… vier man, dat kan hierboven het verschil tussen leven en dood inhouden.’
    ‘Geef me je woord dat jullie na afloop van het gevecht het zwaard weer zullen neerleggen.’
    ‘Mijn woord?’ Het hoefgetrappel klonk luider. Tyrion grijnsde scheef. ‘Dat hebt u, vrouwe… op mijn eer als Lannister.’
    Even dacht hij dat ze op hem zou spugen, maar in plaats daarvan snauwde ze: ‘Bewapen ze,’ en weg was ze. Ser Rodrik smeet Jyck zijn zwaard en schede toe en keerde zich toen snel in de richting van de vijand. Morrec eigende zich een boog en pijlkoker toe en ging naast de weg op één knie zitten. Hij kon beter schieten dan zwaardvechten. En Bronn kwam aanrijden om Tyrion een dubbelbladige bijl te geven.
    ‘Ik heb nog nooit met een bijl gevochten.’ Het wapen lag lomp en onwennig in zijn hand. Het had een korte greep, een zware kop en een lelijke punt bovenop.
    ‘Doe maar net of je houtblokken klieft,’ zei Bronn en trok zijn zwaard uit de schede op zijn rug. Hij spuwde en draafde naar Chiggen en ser Rodrik toe. Ser Willis steeg op en voegde zich bij hen, prutsend aan zijn helm, een metalen pot met een dunne spleet voor de ogen en een hoge, zwartzijden pluim.
    ‘Houtblokken bloeden niet,’ zei Tyrion tegen niemand in het bijzonder. Zonder wapenrusting voelde hij zich naakt. Hij keek rond, op zoek naar een rots, en rende naar de schuilplaats van Marillion.
    ‘Opzij.’
    ‘Ga weg!’ schreeuwde de jongen terug. ‘Ik ben zanger, ik wil niets met dit gevecht te maken hebben!’
    ‘Wat, geen zin meer in avonturen?’ Tyrion schopte de jongeman net zolang tot hij opschoof, en geen moment te vroeg. Een tel later vielen de ruiters hen aan.
    Er waren geen herauten en geen banieren, geen oorlogstrompetten en geen trommen, alleen het zingende geluid waarmee Morrec en Lharys hun boogpezen loslieten, en plotseling kwamen de clanstrijders vanuit de ochtendschemering aanstormen, magere, donkere mannen in verhard leer en samengeraapte wapenrustingen, hun gezichten verborgen achter gesloten helmkappen. In gehandschoende vuisten hielden ze diverse soorten wapens geklemd: zwaarden, lansen en scherpgeslepen zeisen, gepunte knotsen, dolken en zware ijzeren strijdhamers. Aan het hoofd reed een man met een gestreepte mantel van schaduwvacht, bewapend met een tweehandig slagzwaard. Ser Rodrik schreeuwde: ‘Winterfell’ en reed op hen af, met naast zich Bronn en Chiggen, die een ongearticuleerde strijdkreet slaakten. Ser Willis Wede volgde hen en zwaaide een puntige morgenster boven zijn hoofd. ‘Harrenhal! Harrenhal’ zong hij. Tyrion voelde plotseling de neiging om op te springen, met zijn bijl te zwaaien en ‘Casterling!’ te brullen, maar die aanval van waanzin was snel voorbij, en hij dook nog dieper in elkaar. Hij hoorde het schreeuwen van bange paarden en het gekletter van metaal op metaal. Chiggens zwaard haalde het onbeschermde gezicht van een gemaliede ruiter open en Bronn raasde als een wervelwind op de clanstrijders af en maaide links en rechts de vijand neer. Ser Rodrik hakte in op de forse man met de schaduwvacht, en hun paarden dansten om elkaar heen bij de slagenwisseling. Jyck sprong met een boog op een paard en galoppeerde ongezadeld het strijdgewoel in. Tyrion zag een pijl uit de keel van de man met de schaduwvacht steken. Toen hij zijn mond opende om te schreeuwen kwam er alleen maar bloed uit. Tegen de tijd dat hij omviel vocht ser Rodrik al met iemand anders.
    Ineens bedekte Marillion krijsend zijn hoofd met zijn houtharp. Er sprong een paard over hun rotsblok. Toen de ruiter zich naar hen omkeerde en een puntige strijdhamer ophief krabbelde Tyrion overeind en zwaaide met zijn bijl. Het blad maakte een opwaartse hoek en trof het aanstormende paard met een vlezig klinkende klap in de hals. Toen het dier schreeuwend in elkaar zakte schoot de bijl bijna uit Tyrions greep. Hij slaagde erin hem los te wrikken en strompelde moeizaam weg. Marillion had minder geluk. Paard en ruiter ploften in een verwarde kluwen boven op de zanger. Tyrion danste terug terwijl het been van de bandiet nog vastgeklemd zat onder diens gevallen rijdier en begroef zijn bijl in ’s mans nek, vlak boven de schouderbladen.
    Terwijl hij zijn best deed het blad eruit te rukken hoorde hij Marillion kreunen onder de lijken. ‘Iemand moet me helpen,’ hijgde de zanger. ‘Barmhartige goden, ik bloed.’
    ‘Volgens mij is het paardenbloed,’ zei Tyrion. De hand van de zanger kwam onder het dode beest vandaan kruipen en krabbelde als een vijfpotige spin door het stof. Tyrion zette zijn hak op de graaiende vingers en voelde een bevredigend geknars. ‘Doe je ogen dicht en hou je dood,’ ried hij de zanger aan, waarna hij de bijl ophief en hem de rug toekeerde.
    Daarna gebeurde alles tegelijkertijd. De dageraad galmde van het geschreeuw en gegil en was bezwangerd met de lucht van bloed, en de wereld werd een chaos. Pijlen floten langs zijn oor en ketsten van de rotsen af. Hij zag Bronn, zonder paard, en vechtend met een zwaard in iedere hand. Tyrion hield zich aan de periferie van de strijd op. Hij glipte van rots naar rots en schoot uit de schaduwen naar voren om op de benen van langsdravende paarden in te hakken. Hij vond een gewonde clanstrijder en liet hem dood achter, met medeneming van zijn ijzeren hoed. Die zat iets te strak, maar Tyrion was blij met iedere vorm van bescherming. Jyck werd van achteren neergehouwen terwijl hij uithaalde naar een man vóór hem, en wat later struikelde Tyrion over Kurlekets lijk. Het varkensgezicht was met een knots ingeslagen, maar Tyrion herkende de ponjaard toen hij die uit de vingers van de dode wrikte. Hij stak hem net achter zijn riem toen hij een vrouw hoorde gillen.
    Catelyn Stark zat in de val. Ze stond met haar rug tegen de stenen bergwand met drie mannen om zich heen, een nog te paard en de andere twee te voet. Ze hield een dolk onhandig tussen haar verminkte handen geklemd, maar ze was aan drie kanten ingesloten, met achter haar de rots. Ze mogen die teef hebben, dacht Tyrion, en veel plezier ermee, maar om de een of andere reden kwam hij in beweging. Voordat ze zelfs maar wisten dat hij er was trof hij de eerste man in zijn knieholte, en het zware bijlblad kliefde het vlees en de beenderen als vermolmd hout. Bloedende houtblokken, was Tyrions loze gedachte toen de tweede man op hem afkwam. Hij dook onder diens zwaard door en zwaaide zijn bijl. De man wankelde achteruit… en Catelyn Stark stond achter hem en sneed hem de keel door. De ruiter herinnerde zich dat hij dringende bezigheden elders had en galoppeerde er ineens vandoor.
    Tyrion keek rond. De vijanden waren allemaal geveld of gevlogen. De strijd moest geëindigd zijn toen hij even niet oplette. Overal in het rond lagen stervende paarden en gewonde mannen te schreeuwen of te kreunen. Tot zijn grenzeloze verbazing hoorde hij daar niet bij. Hij opende zijn vingers en liet de bijl op de grond ploffen. Zijn handen waren kleverig van het bloed. Hij zou gezworen hebben dat ze een halve dag hadden gevochten, maar de zon leek nauwelijks van plaats veranderd te zijn.
    ‘Je eerste gevecht?’ vroeg Bronn later terwijl hij over Jycks lijk heen gebogen stond om diens laarzen uit te trekken. Het waren goede laarzen, zoals het een krijgsknecht van heer Tywin betaamde: stevig leer, geolied en soepel, veel mooier dan wat Bronn droeg. Tyrion knikte. ‘Mijn vader zal toch zo trots op me zijn,’ zei hij. Hij had zulke hevige beenkrampen dat hij bijna niet kon staan. Vreemd. Die pijn was hem tijdens het gevecht niet opgevallen.
    ‘Nu zou je een vrouw moeten hebben,’ zei Bronn, en er glom iets in zijn zwarte ogen. Hij stouwde de laarzen in zijn zadeltas. ‘Niets haalt het bij een vrouw als een man voor het eerst bloed heeft doen vloeien, neem dat maar van mij aan.’
    Chiggen hield net lang genoeg op met het plunderen van de lijken van de bandieten om te snuiven en zijn lippen af te likken. Tyrion gluurde naar de plek waar vrouwe Stark bezig was de wonden van ser Rodrik te verbinden. ‘Ik wil wel, als zij ook wil,’ zei hij. De vrijruiters schoten in de lach, en Tyrion grinnikte en dacht: Het begin is er.
    Naderhand knielde hij neer bij het stroompje en waste met ijskoud water het bloed van zijn gezicht. Toen hij terughinkte naar de anderen wierp hij opnieuw een blik op de gesneuvelden. De dode clanstrijders waren magere, haveloze mannen en hun paarden ondermaats en vel over been, je kon hun ribben tellen. Die paar wapens die Bronn en Chiggen hun hadden gelaten waren bepaald niet indrukwekkend. Hamers, knotsen, een zeis… Hij dacht aan de forse man met de mantel van schaduwvacht die met een tweehandig slagzwaard tegen ser Rodrik had gevochten, maar toen hij diens lijk languit op de stenige grond zag liggen was de man helemaal zo fors niet. De mantel was verdwenen, en Tyrion zag dat zijn kling vol moeten zat en dat het staal bezaaid was met roestplekken. Geen wonder dat de clanstrijders negen doden hadden achtergelaten. Zij hadden maar drie doden: twee van heer Vaarens krijgslieden, Kurleket en Mohor, en Jyck, zijn eigen man, die er met zijn ongezadelde charge zo’n drieste vertoning van had gemaakt. Tot het laatst toe een dwaas, dacht Tyrion.
    ‘Vrouwe Stark, ik raad u dringend aan zo snel mogelijk verder te reizen,’ zei ser Willis Wede terwijl zijn ogen door zijn helmspleet heen bedachtzaam de heuveltoppen afzochten. ‘We hebben ze vooralsnog verjaagd, maar ze zijn niet ver.’
    ‘We moeten onze doden begraven, ser Willis,’ zei ze. ‘Dit waren moedige mannen. Ik laat ze niet achter voor de kraaien en schaduwkatten.’
    ‘Deze grond is te stenig om te graven,’ zei ser Willis.
    ‘Dan verzamelen we stenen om grafhopen op te richten.’
    ‘Verzamel gerust net zoveel stenen als u wilt,’ zei Bronn tegen haar, ‘maar dan zonder mij en Chiggen. Ik heb wel wat beters te doen dan stenen op lijken te stapelen.’ Hij liet zijn blikken langs de rest van de overlevenden gaan. ‘Wie van jullie de komende avond nog hoopt te zien moet met ons meegaan.’
    ‘Ik vrees dat hij gelijk heeft, vrouwe,’ zei ser Rodrik vermoeid. De oude ridder was in de strijd gewond geraakt, een diepe snee in zijn linkerarm en een speerstoot die zijn nek had opengehaald, en hij klonk net zo oud als hij was. ‘Als we hier blijven talmen overvallen ze ons zeker nog eens, en een tweede aanval overleven we misschien niet.’
    Tyrion zag aan Catelyns gezicht dat ze woedend was, maar ze had geen keus. ‘Moge de goden ons dan vergeven. We rijden meteen door.’
    Er was nu geen gebrek meer aan paarden. Tyrion legde zijn zadel op de gevlekte ruin van Jyck, die er sterk genoeg uitzag om het nog minstens drie of vier dagen uit te houden. Hij stond op het punt op te stijgen toen Lharys op hem afstapte en zei: ‘Ik neem die ponjaard weer terug, dwerg.’
    ‘Laat maar.’ Catelyn Stark keek neer vanaf haar paard. ‘En zorg dat hij ook zijn bijl terugkrijgt. Die hebben we misschien nodig als we nog eens worden aangevallen.’
    ‘Mijn dank, vrouwe,’ zei Tyrion terwijl hij opsteeg.
    ‘Hou je dank maar voor je,’ zei ze kortaf. ‘Ik vertrouw je nog net zomin als eerst.’ Ze was weg vóór hij een antwoord had kunnen bedenken. Tyrion zette zijn gestolen helm recht en pakte de bijl, die hem door Bronn werd aangereikt. Hij dacht eraan hoe hij deze reis begonnen was, met gebonden handen en een kap over zijn hoofd, en constateerde dat hij er zonder meer op vooruitgegaan was. Vrouwe Stark mocht haar vertrouwen houden. Zolang hij de bijl mocht houden zou hij haar bij dit spelletje één stap voor blijven. Ze verlieten de plek, vooropgegaan door ser Willis Wede. Bronn vormde de achterhoede, met vrouwe Stark veilig in het midden en ser Rodrik als een schaduw aan haar zij. Marillion keek onder het rijden regelmatig gemelijk naar Tyrion om. De zanger had verscheidene ribben, zijn houtharp en alle vier de vingers van de hand waarmee hij speelde gebroken, maar toch was het niet helemaal een verloren dag voor hem. Hij had ergens een schitterende mantel van schaduwvacht opgeduikeld, dik, zwart bont met witte strepen erover. Hij zat zwijgend tussen de plooien gedoken en had bij uitzondering nu eens niets te melden. Voordat ze een halve mijl verder waren hoorden ze achter zich het lage grommen van schaduwkatten, en later hoorden ze de beesten woest grauwend om de achtergelaten lijken vechten. Marillion verbleekte zichtbaar. Tyrion kwam op een drafje naast hem rijden.
    ‘Bange haas,’ zei hij, ‘rijmt heel aardig op ravenaas.’ Hij zette zijn paard aan en reed langs de zanger naar ser Rodrik en Catelyn Stark. Ze keek hem met opeengeknepen lippen aan.
    ‘Zoals ik wilde zeggen toen we zo ruw onderbroken werden,’ begon Tyrion, ‘vertoont dat fabeltje van Pinkje één ernstig mankement. Wat u ook van mij denken moge, vrouwe Stark, ik kan u één ding verzekeren. Ik sluit nooit weddenschappen af tegen familieleden.’

Arya

    De zwarte kater met het ene oor kromde zijn rug en blies tegen haar, Behendig balancerend op de ballen van haar blote voeten stapte Arya de steeg door. Ze luisterde naar haar versnelde hartslag en haalde langzaam en diep adem. Stil als een schaduw, zei ze tegen zichzelf, licht als een veer. De kater sloeg haar nadering met behoedzame blikken gade. Katten vangen was heel moeilijk. Haar handen zaten onder de half genezen krabben, en haar beide knieën waren een en al korst, omdat ze ze telkens schaafde bij het vallen. Eerst was zelfs de enorme, vette kat van de kok haar ontsnapt, maar Syrio had haar dag en nacht laten oefenen. Als ze met bloedende handen naar hem toe rende zei hij: ‘Zo langzaam? Je moet sneller zijn, meisje. Van je vijanden zul je niet alleen krabben oplopen.’ Hij had haar wonden gebet met Myrisch vuur, dat zo afschuwelijk brandde dat ze op haar lip had moeten bijten om het niet uit te schreeuwen. Daarna had hij haar weggestuurd om nog meer katten te vangen.
    De Rode Burcht zat er vol mee: luie oude beesten die dommelden in de zon, muizende katten met kille ogen en zwiepende staarten, vlugge jonge katjes met naaldscherpe klauwen, damespoezen, keurig gekamd en aanhalig, en haveloze schaduwen die bij de vuilnisbelten op de loer lagen. Arya had ze allemaal achternagezeten, gegrepen en vol trots bij Syrio Forel gebracht… allemaal op één na: deze zwarte duivel van een kater met zijn ene oor. ‘Dat is de eigenlijke koning van het kasteel,’ had een van de goudmantels tegen haar gezegd. ‘Ouder dan de zonde, en twee keer zo doortrapt. Op een keer onthaalde de koning de vader van de koningin, en die zwarte smeerlap sprong op de tafel en griste zó een geroosterde kwartel uit heer Tywins vingers. Robert klapte bijna uit elkaar van het lachen. Laat die maar lopen, kind.’
    Hij had haar het halve kasteel door laten draven: twee keer om de Toren van de Hand heen, het binnenplein over, de stallen door, de kronkeltrap af, voorbij de kleine keuken, de varkensloop en de barakken van de goudmantels, beneden langs de riviermuur, nog meer trappen op, heen en terug over de Verradersgang en toen weer naar beneden, een hek door en een put rond en onbekende gebouwen in en uit, totdat Arya niet meer wist waar ze was. Nu had ze hem dan eindelijk. Aan weerskanten ingesloten door hoge muren, met verderop een blinde steenmassa zonder ramen. Stil als een schaduw, herhaalde ze, licht als een veer. Toen ze drie stappen van hem verwijderd was ging de kater op de loop. Hij dook naar links en toen naar rechts, en naar links en naar rechts dook Arya om zijn vluchtweg af te snijden. Hij blies weer en trachtte tussen haar benen door te glippen. Vlug als een slang, dacht ze. Haar handen sloten zich om zijn lijf. Ze drukte hem tegen zich aan en draaide hardop lachend om haar as terwijl zijn klauwen over de voorkant van haar leren buis krabden. Bliksemsnel kuste ze hem midden tussen zijn ogen en wierp met een ruk haar hoofd naar achteren, vlak voor zijn klauwen haar gezicht zouden hebben geraakt. De kater jankte en siste.
    ‘Wat doet hij met die kat?’
    Geschrokken liet Arya de kat los en draaide zich met een ruk naar de stem om. In een oogwenk was de kater verdwenen. Aan de ingang van het steegje stond een meisje met een massa gouden krullen, snoezig als een pop in blauw satijn gekleed. Naast zich had ze een mollig, blond jongetje met een klimmende hertenbok in parels op zijn wambuis genaaid en een miniatuurzwaard aan zijn riem. Prinses Myrcella en prins Tommen, dacht Arya. Een septa als een karrenpaard had hen onder haar hoede en achter hen stonden twee forse mannen in karmozijnrode mantels, lijfwachten van de Lannisters.
    ‘Wat deed jij met die kat, jongen?’ vroeg Myrcella nogmaals op strenge toon. En tegen haar broer zei ze: ‘Wat een haveloze jongen, hè? Kijk toch eens.’ Ze giechelde.
    ‘Een haveloos, vies, stinkend joch,’ beaamde Tommen. Ze herkennen me niet, drong het tot Arya door. Ze zien niet eens dat ik een meisje ben. Niet verwonderlijk: ze was blootsvoets en vuil, haar haar zat in de war na al dat geren door het kasteel, ze droeg een buis vol scheuren van de kattenklauwen en een bruine broek van ruwe wol die afgesneden was boven haar geschaafde knieën. Wie katten gaat vangen trekt geen zijden rokken aan. Snel boog ze haar hoofd en zonk op één knie. Misschien zouden ze haar ook niet herkennen. Als ze dat wel deden had je de poppen aan het dansen. Septa Mordane zou diep gekrenkt zijn en Sansa zou vanwege de schande nooit meer met haar spreken. De oude dikke septa kwam naar voren. ‘Jongen, hoe kom jij hier?
    In dit deel van het kasteel heb je niets te zoeken.’
    ‘Je houdt ze niet tegen,’ zei een van de roodmantels. ‘Het zijn net ratten.’
    ‘Bij wie hoor jij, jongen?’ wilde de septa weten. ‘Geef antwoord. Wat is er met je aan de hand, ben je soms stom?’
    Arya’s stem bleef in haar keel steken. Als ze antwoord gaf zouden Tommen en Myrcella haar zonder meer herkennen.
    ‘Godwyn, breng hem hier,’ zei de septa. De langste van de wachten begon het steegje in te lopen. Paniek greep haar als een reuzenhand bij de keel. Arya had zelfs niets kunnen uitbrengen als haar leven ervan afgehangen had. Kalm als stille wateren, prevelde ze geluidloos. Toen Godwyn naar haar greep kwam ze in actie. Vlug als een slang. Ze boog zich naar links, zodat zijn vingers langs haar arm streken, en wervelde langs hem heen. Soepel als zomerzij. Tegen de tijd dat hij zich had omgedraaid rende zij de steeg al uit. Snelvoetig als een ree. De septa krijste tegen haar. Arya glipte tussen dikke, witte benen als marmeren zuilen door, schoot overeind, botste tegen prins Tommen op, sprong over hem heen toen hij hard op de grond plofte en ‘Oef zei, omzeilde de tweede wacht — en toen was ze erlangs en rende wat ze rennen kon. Ze hoorde geroep en dreunende voetstappen die steeds dichterbij kwamen. Ze liet zich vallen en rolde opzij. De roodmantel draafde haar struikelend voorbij. Arya sprong weer op. Boven zich zag ze een raam, hoog en smal, weinig meer dan een schietgat. Arya sprong, kreeg de vensterbank te pakken en trok zichzelf op. Ademloos wrong ze zich erdoor. Glad als een aal. Pal voor een geschrokken poetsvrouw landde ze op de vloer, veerde op, sloeg de biezen van haar kleren en was alweer vertrokken, de deur uit en een lange gang door, een trap af, een overdekt binnenhof over, een hoek om, een muurtje over en door een laag, smal raampje een pikdonkere kelder in. De geluiden achter haar klonken steeds verder weg.
    Arya was buiten adem en volledig verdwaald. Als ze haar herkend hadden zat ze tot aan haar nek in de puree, maar ze dacht niet dat dat zo was. Ze was te snel geweest. Snelvoetig als een ree. Op haar hurken leunde ze in het donker tegen een klamme stenen muur en luisterde naar haar achtervolgers, maar het enige dat ze hoorde was het bonzen van haar eigen hart en het gedruppel van water in de verte. Stil als een schaduw, zei ze tegen zichzelf. Ze vroeg zich af waar ze was. Toen ze net in Koningslanding waren had ze nachtmerries gehad dat ze in het kasteel verdwaalde. Vader zei dat de Rode Burcht kleiner was dan Winterfel, maar in die dromen was hij onmetelijk groot geweest, een eindeloze stenen doolhof met muren die achter haar rug leken te verschuiven en te veranderen. Dan zwierf ze door naargeestige zalen en langs verschoten wandtapijten, daalde af via eindeloos ronddraaiende trappen, holde over binnenhoven of bruggen, en niemand die antwoord gaf als ze riep. In sommige kamers leek het bloed van de stenen muren te druipen, en nergens was een raam te bekennen. Soms hoorde ze haar vaders stem, maar altijd van heel ver weg, en hoe hard ze er ook op afrende, hij werd telkens vager, totdat hij ten slotte geheel wegstierf en Arya alleen was in het donker. Op dit moment was het ook heel donker, merkte ze. Ze trok haar blote knieën op tot onder haar kin en huiverde. Ze zou rustig blijven wachten en tot tienduizend tellen. Daarna kon ze veilig naar buiten glippen om de weg naar huis te zoeken. Bij zevenentachtig was het al lichter in het vertrek, omdat haar ogen aan het donker gewend raakten. Langzaam kwam er tekening in de vormen om haar heen. Reusachtige, lege ogen staarden haar in het schemerduister hongerig aan, en vagelijk zag ze de puntige schaduwen van lange tanden. Ze was de tel kwijt. Ze sloot haar ogen, beet op haar lip en zette haar angst van zich af. Als ze weer keek zouden de monsters weg zijn. Ze zouden er nooit zijn geweest. Ze deed of Syrio naast haar in het donker zat en iets in haar oor fluisterde. Kalm als stille wateren, zei ze tegen zichzelf. Sterk als een beer. Woest als een veelvraat. Ze deed haar ogen weer open. De monsters waren er nog, maar de angst was weg.
    Arya stond op en liep behoedzaam naar voren. De koppen waren overal om haar heen. Ze vroeg zich af of ze echt waren en raakte er nieuwsgierig een aan. Haar vingertoppen streken over een massieve kaak. Die leek heel echt. Het bot onder haar hand was glad en voelde koud en hard aan. Ze liet haar vingers over een tand gaan, zwart en scherp, een dolk van duisternis. Ze huiverde ervan.
    ‘Hij is dood,’ zei ze hardop. ‘Het is alleen maar een schedel, hij kan me niets doen.’ Maar toch leek het monster te merken dat ze er was. Ze voelde hoe de lege ogen haar in het halfduister gadesloegen, en iets in dat schemerige, gewelfde vertrek was haar niet welgezind. Ze schoof bij de schedel vandaan en botste tegen een tweede op, groter dan de eerste. Even voelde ze hoe de tanden zich in haar schouder boorden, alsof hij een hap uit haar wilde nemen. Arya draaide zich abrupt om en voelde hoe een enorme slagtand in haar buis beet, zodat het leer bleef haken en scheurde, en ze rende weg. Vóór haar doemde een derde schedel op, het grootste monster van allemaal, maar Arya hield niet eens in. Ze sprong over een rij zwarte tanden, zo lang als zwaarden, stoof tussen gapende kaken door en wierp zich tegen de deur aan.
    Haar handen vonden een zware ijzeren ring in het hout en ze rukte eraan. De deur bood even weerstand maar zwaaide toen traag naar binnen toe open, onder dermate luid geknars dat Arya er zeker van was dat het overal in de stad te horen was. Ze trok de deur net ver genoeg open om naar buiten te glippen, de gang daarachter in.
    Was de kamer met de monsters al donker geweest, de gang was het zwartste gat van heel de zevenvoudige hel. Kalm als stille wateren, hield Arya zichzelf voor, maar zelfs toen ze haar ogen even de tijd gunde om te wennen zag ze niets anders dan de vage grijze contouren van de deur waar ze doorheen was gekomen. Ze bewoog haar vingers voor haar gezicht, voelde de lucht bewegen, maar zag niets. Ze was blind. Een waterdanser kijkt met alle zintuigen, bracht ze zich te binnen. Ze sloot haar ogen, wist haar ademhaling onder controle te krijgen, een, twee, drie, dronk de stilte in en stak haar handen uit. De vingers van haar linkerhand streken over ruwe, onbewerkte steen. Ze schuifelde met kleine, vlakke pasjes in het donker langs de muur, haar hand tegen het oppervlak. Een gang gaat ergens heen. Waar een ingang is, is een uitgang. Vrees treft dieper dan het zwaard. Arya wilde niet bang zijn. Ze had de indruk dat ze al een heel eind had gelopen toen de muur abrupt ophield en er een kille tochtvlaag over haar wang streek. Losse haartjes kriebelden zachtjes over haar huid.
    Ergens in de diepte hoorde ze geluiden. Geschraap van laarzen, stemmen in de verte. Een flakkerend schijnsel gleed flauwtjes over de muur en ze zag dat ze aan de rand van een grote zwarte put stond, een twintig voet wijde schacht die zich diep in de aarde boorde. Grote stenen, als traptreden in de ronde muur gemetseld, liepen in cirkels omlaag, donker als de trap naar de hel waar Ouwe Nans over placht te vertellen. En uit die duisternis, uit de ingewanden der aarde, kwam iets naar boven… Arya tuurde over de rand en voelde de kille, zwarte adem op haar gezicht. In de diepte zag ze het licht van één enkele toorts, klein als een kaarsvlam. Ze kon twee mannen onderscheiden. Hun schaduwen dansten over de wanden van de put, rijzig als reuzen. Ze hoorde hun stemmen door de schacht omhooggalmen.
    ‘… een van die bastaarden gevonden,’ zei de een. ‘En de rest volgt ook nog wel. Een dag, twee dagen, twee weken misschien, maar binnen afzienbare tijd.’
    ‘En als hij de waarheid ontdekt, wat doet hij dan?’ vroeg een tweede stem in de welluidende tongval van de Vrijsteden.
    ‘Dat weten alleen de goden,’ zei de eerste stem. Arya zag een rooksliert van de toorts als een kronkelende slang omhoogzweven. ‘Die dwazen hebben geprobeerd zijn zoon te vermoorden, en wat nog erger is, ze hebben er een klucht van gemaakt. Hij is niet iemand die zich daar overheen zet. Ik waarschuw je, de wolf en de leeuw zullen elkaar weldra naar de keel vliegen, of we willen of niet.’
    ‘Te snel, te snel,’ klaagde de stem met het accent. ‘Wat hebben we op dit moment aan een oorlog. We zijn er niet klaar voor. Zorg jij voor uitstel.’
    ‘Je kunt net zo goed vragen of ik de tijd wil stopzetten. Hou je me soms voor een tovenaar?’
    De ander grinnikte. ‘Precies.’ Vlammen likten de kille lucht. De lange schaduwen streken bijna over haar heen. Een ogenblik later klom de man met de toorts haar gezichtsveld binnen. Arya schuifelde bij de put vandaan, viel plat op haar buik en strekte zich uit langs de muur. Toen de mannen boven aan de trap waren hield ze haar adem in.
    ‘Wat wil je dat ik doe?’ vroeg die met de toorts, een stevige man met een korte leren mantel. Onder zijn stalen helm was een gezicht vol littekens en donkere baardstoppels te zien. Hij was gehuld in verhard leer en maliën en droeg een ponjaard en een kort zwaard aan zijn riem. Hij kwam Arya merkwaardig bekend voor.
    ‘Als er één Hand kan sterven, waarom dan geen tweede?’ antwoordde de man met het accent en de gevorkte gele baard. ‘Jij hebt die rei al eens gedanst, vriend.’ Hem had Arya nog nooit gezien, dat wist ze zeker. Moddervet als hij was liep hij toch met lichte tred en liet zijn gewicht op de ballen van zijn voeten rusten, als een waterdanser. Zijn ringen glinsterden in het toortslicht, rood goud en wit zilver, bezet met robijnen, saffieren en tijgerogen met gele spleten. Aan elke vinger zat een ring en aan sommige twee.
    ‘Toen is nu niet, en deze Hand is de andere niet,’ zei de man met de littekens toen ze de gang instapten. Roerloos als een steen, zei Arya tegen zichzelf, stil als een schaduw. Verblind als ze waren door het felle schijnsel van hun eigen toorts zagen ze haar niet plat tegen de steen aangedrukt liggen, slechts een paar voet bij hen vandaan.
    ‘Misschien,’ antwoordde de vorkbaard en bleef even staan om na de lange klim weer op adem te komen. ‘Desondanks hebben we tijd nodig. De prinses is zwanger. De khal zal niets doen voordat zijn zoon geboren is. Je weet hoe die wilden zijn.’
    De man met de toorts duwde ergens tegenaan. Arya hoorde een zacht gerommel. Een grote steen, rood in het toortslicht, gleed met zo’n klinkende klap uit het plafond dat Arya het bijna uitschreeuwde. Waar het gat van de put had gezeten was nu slechts een muur, massief en ononderbroken.
    ‘Als hij niet snel iets onderneemt is het misschien te laat,’ zei de man met de stalen helm. ‘Dit is geen spel voor twee spelers meer, als het dat al ooit is geweest. Stannis Baratheon en Lysa Arryn zijn buiten mijn bereik gevlucht en de fluisteraars zeggen dat ze zwaarden rondom zich verzamelen. De Bloemenridder schrijft naar Hooggaarde en dringt er bij zijn vader op aan, zijn zuster naar het hof te sturen. Een maagd van veertien, lieftallig, mooi en plooibaar, en heer Renling en ser Loras zouden graag zien dat Robert haar in zijn bed nam, tot zijn vrouw en tot zijn koningin maakte. Pinkje… de goden alleen weten welk spelletje Pinkje speelt. Maar toch is heer Stark de man die mij slapeloze nachten bezorgt. Hij weet van de bastaard, hij weet van het boek, en binnenkort weet hij de waarheid. En nu heeft zijn vrouw door toedoen van die bemoeizuchtige Pinkje Tyrion Lannister ontvoerd. Die belediging zal heer Tywin niet over zijn kant laten gaan, en Jaime is merkwaardig gehecht aan de Kobold. Als de Lannisters naar het noorden optrekken zullen ook de Tullings in beweging komen. Zorg voor uitstel, zeg jij. Haast je, zeg ik. Zelfs de beste goochelaar kan niet eeuwig honderd ballen in de lucht houden.’
    ‘Jij bent meer dan een goochelaar, oude vriend. Jij bent waarlijk een magiër. Het enige dat ik vraag is dat je nog even doorgaat met magie bedrijven.’ Ze liepen de gang in, in de richting waar Arya vandaan was gekomen, voorbij de kamer met de monsters.
    ‘Ik zal doen wat ik kan,’ zei de min met de toorts zachtjes. ‘Ik heb goud nodig, en nog vijftig vogeltjes.’
    Ze liet hen een heel eind doorlopen en sloop toen achter hen aan. Stil als een schaduw.
    ‘Zo veel?’ De stemmen klonken flauwer naarmate het schijnsel voor haar zwakker werd. ‘Die jij nodig hebt zijn moeilijk te vinden… zo jong, en dan al lezen en schrijven… misschien ouder… gaan niet zo gauw dood…’
    ‘Nee. De jongere zijn veiliger… voorzichtig mee omspringen…’
    ‘… als ze hun mond konden houden…’
    ‘… het risico…’
    Nog lang nadat hun stemmen waren weggestorven kon Arya het licht van de toorts zien, een walmende ster die haar wenkte. Twee keer leek het te verdwijnen, maar ze bleef rechtdoor lopen, en beide keren kwam ze boven aan een steile, smalle trap uit en zag ze de toorts ver onder zich flakkeren. Ze haastte zich erachteraan, de diepte in. Eén keer struikelde ze over een steen en viel tegen de muur aan, en haar hand stuitte op ruwe aarde met steunbalken, terwijl de tunnel daarvóór uit steen gehouwen was.
    Ze moest mijlen achter hen aangeslopen zijn. Ten slotte waren ze verdwenen, maar zij kon alleen maar rechtdoor. Ze vond de muur terug en schuifelde erlangs, zonder iets te zien en zonder te weten waar ze was. Ze deed alsof Nymeria in het donker naast haar stapte. Ten slotte liep ze tot haar knieën door smerig riekend water, en ze wilde wel dat ze eroverheen kon dansen, zoals Syrio misschien gedaan zou hebben. Ze vroeg zich af of ze ooit weer licht zou zien. Toen Arya eindelijk in de buitenlucht opdook was het nacht, en helemaal donker. Ze ontdekte dat ze in de monding van een riool stond, daar waar het in de rivier uitkwam. Ze stonk zo afschuwelijk dat ze zich ter plekke uitkleedde, haar vieze kleren op de rivieroever gooide en het diepe, zwarte water indook. Toen ze had gezwommen tot ze zich schoon voelde klom ze er huiverend uit. Terwijl ze haar kleren waste kwam er over de weg langs de rivier een stel ruiters voorbij, maar als ze het naakte meisje dat in het maanlicht haar kleren boende al zagen, dan sloegen ze in elk geval geen acht op haar. Arya bevond zich mijlenver van het kasteel, maar waar je je ook bevond in Koningslanding, je hoefde maar omhoog te kijken om de Rode Burcht te zien, boven op Aegons heuvel, dus liep ze geen gevaar te verdwalen. Tegen de tijd dat ze het poortgebouw bereikte waren haar kleren bijna droog. Het valhek was neer en de poorten vergrendeld, dus liep ze naar een zijpoortje. De goudmantels die daar op wacht stonden grijnsden spottend toen ze zei dat ze naar binnen wilde. ‘Maak dat je wegkomt,’ zei een van hen. ‘De restjes uit de keuken zijn al op, en we willen hier na donker geen gebedel hebben.’
    ‘Ik ben geen bedelaar,’ zei ze. ‘Ik woon hier.’
    ‘Ik zei: maak dat je wegkomt. Wil je een draai om je oren om beter te kunnen horen?’
    ‘Ik wil mijn vader spreken.’
    De wachtposten keken elkaar aan. ‘Ik wil de koningin zelf naaien, maar nee hoor, geen kans,’ zei de jongste. De oudste trok een gezicht. ‘Wie is die vader van jou, jongen, de stedelijke rattenvanger?’
    ‘De Hand des Konings,’ lichtte Arya hem in.
    Beide mannen lachten, maar toen haalde de oudste met zijn vuist naar haar uit, nonchalant, zoals je een hond een mep geeft. Arya zag de klap al van tevoren aankomen. Ze danste achteruit om niet geraakt te worden. ‘Ik ben geen jongen,’ siste ze venijnig. ‘Ik ben Arya Stark van Winterfel, en als jullie me ook maar met één vinger aanraken zet mijn vader jullie hoofd op een piek. Als jullie me niet geloven, haal dan Jory Cassel of Vayon Poel uit de Toren van de Hand.’
    Ze zette haar handen op haar heupen. ‘Schiet op, gaat die poort nog open of willen jullie een draai om je oren om beter te kunnen horen?’
    Toen Harwin en Dikke Torn haar binnenleidden zat haar vader alleen in de bovenzaal, bij de milde gloed van een olielampje. Hij boog zich over het omvangrijkste boek dat Arya ooit had gezien, groot en dik, met brosse, vergeelde bladzijden vol kriebelschrift in een verschoten leren band, maar hij sloeg het dicht om Harwins verslag aan te horen. Toen hij de man onder dankzegging had weggestuurd stond zijn gezicht streng.
    ‘Weet je wel dat mijn halve wacht naar je heeft lopen zoeken?’ zei Eddard Stark toen ze alleen waren. ‘Septa Mordane is buiten zichzelf van angst. Ze bidt in de sept om je veilige terugkeer. Arya, je weet toch dat je het kasteel niet uit mag zonder mijn toestemming?’
    ‘Ik ben niet door de poort gegaan,’ gooide ze eruit. ‘Nou ja, dat was in ieder geval niet de bedoeling. Ik ben in de kerkers geweest, alleen gingen ze over in die tunnel. Het was pikdonker, en ik had geen toorts of kaars, dus ik zag niks, daarom moest ik er achteraan. Ik kon niet langs dezelfde weg terug, vanwege de monsters. Vader, ze zeiden dat ze je wilden vermoordenl Niet de monsters, maar die twee mannen. Zij zagen mij niet, want ik was roerloos als een steen en stil als een schaduw, maar ik hoorde hen wel. Ze zeiden dat u een boek en een bastaard had, en als er één Hand kon doodgaan, waarom dan geen tweede? Is dit het boek? En Jon is vast de bastaard.’
    ‘Jon? Arya, waar heb je het over. Wie heeft dat gezegd?’
    ‘Zij,’ legde ze uit. ‘Er was een dikke met ringen en een gevorkte gele baard, en een ander met maliën aan en een stalen helm op, en de dikke zei dat ze uitstel nodig hadden maar die ander zei dat hij niet kon blijven goochelen en dat de wolf en de leeuw elkaar zouden opeten, en dat het een klucht was.’ Ze probeerde zich de rest te herinneren. Ze had niet alles wat ze had gehoord even goed begrepen, en nu liep haar hoofd om. ‘De dikke zei dat de prinses zwanger was. Die met de stalen helm, hij had de toorts, zei dat ze zich moesten haasten. Ik geloof dat hij een tovenaar was.’
    ‘Een tovenaar,’ zei Ned zonder te glimlachen. ‘Had hij een lange witte baard en een hoge punthoed met sterren erop?’
    ‘Nee! Het was anders dan in de verhalen van Ouwe Nans. Hij zag er niet uit als een tovenaar, maar die dikke zei dat hij er wel een was.’
    ‘Ik waarschuw je, Arya, als je dit uit je duim zuigt…’
    ‘Nee, ik zei toch dat ik in de kerkers was, waar die geheime muur is. Ik zat achter katten aan, enne…’ Ze kneep haar ogen stijf dicht. Als ze bekende dat ze prins Tommen omver had gegooid zou hij pas echt kwaad op haar zijn. ‘… eh, ik klom dat raam door. Daar vond ik die monsters.’
    ‘Monsters en tovenaars,’ zei haar vader. ‘Ik krijg de indruk dat je grootse avonturen hebt beleefd. Die mannen die je hebt gehoord, zei je dat ze het over goochelen en kluchten hadden?’
    ‘Ja,’ beaamde Arya, ‘maar…’
    ‘Arya, het waren toneelspelers,’ zei haar vader. ‘Er zijn op dit moment zeker twaalf van zulke gezelschappen in Koningslanding. Die zijn gekomen om de toeschouwers van het toernooi geld uit hun zak te kloppen. Ik begrijp niet helemaal wat die twee in het kasteel deden, maar het kan zijn dat de koning om een voorstelling heeft gevraagd.’
    ‘Nee.’ Koppig schudde ze haar hoofd. ‘Het waren geen…’
    ‘Je hoort hoe dan ook geen mensen achterna te lopen om ze af te luisteren. En de gedachte dat mijn dochter door vreemde ramen klimt op zoek naar zwerfkatten staat me evenmin aan. Je zou jezelf eens moeten zien, kindlief. Je armen zitten onder de krabben. Het is nu wel genoeg geweest. Zeg tegen Syrio Forel dat ik hem wil spreken…’
    Hij werd onderbroken door een kort, abrupt klopje. ‘Heer Eddard, neem me niet kwalijk,’ riep Desmond terwijl hij de deur op een kiertje opende, ‘maar er is hier een zwarte broeder die om gehoor vraagt. Het is dringend, zegt hij. Ik dacht dat u het wel wilde weten.’
    ‘Mijn deuren staan altijd open voor de Nachtwacht,’ zei vader. Desmond liet de man binnen. Hij was kromgebogen en lelijk, met een ongekamde baard en ongewassen kleren, maar toch begroette vader hem vriendelijk en vroeg hem naar zijn naam.
    ‘Yoren, met uw welnemen. Mijn verontschuldiging voor het late uur.’ Hij boog voor Arya. ‘En dit moet uw zoon wezen. Hij lijkt op u.’
    ‘Ik ben een meisje,’ zei Arya getergd. Als die oude man van de Muur kwam moest hij via Winterfel zijn gereisd. ‘Hebt u mijn broers ontmoet?’ vroeg ze opgewonden. ‘Robb en Bran zijn in Winterfel en Jon is op de Muur. Jon Sneeuw, hij is ook bij de Nachtwacht, u kent hem vast wel, hij heeft een schrikwolf, een witte met rode ogen. Is Jon al wachtruiter? Ik ben Arya Stark.’ De oude man in zijn kwalijk riekende zwarte kleren keek haar bevreemd aan, maar het leek wel of Arya niet kon ophouden met praten. ‘Als u teruggaat naar de Muur, wilt u Jon dan een brief bezorgen als ik er een schrijf?’ Ze wou dat Jon hier nu was. Hij zou haar verhaal over de kerkers en de dikke man met de gevorkte baard en de tovenaar met de stalen helm wél geloven.
    ‘Mijn dochter verliest nogal eens de hoffelijkheid uit het oog,’ zei Eddard Stark met een flauw lachje dat zijn woorden verzachtte. ‘Mijn verontschuldiging, Yoren. Heeft mijn broer Benjen u gestuurd?’
    ‘Geen mens heeft mij gestuurd, heer, de ouwe Mormont effe niet meegerekend. Ik ben hier om mannen voor de Muur te zoeken, en met Roberts volgende hofdag ga ik voor hem door me knieën om onze nood te klagen, wie weet hebben de koning en zijn Hand nog wat vulles in hun kerkers waar ze vanaf willen. Maar je zou kennen zeggen dat het door Benjen Stark komt alsdat we nu praten. Zijn bloed was zwart, dus was hij net zo goed mijn broer as de uwe. Ik ben hier vanwege hem. Stevig doorgereden en bijna me paard doodgejakkerd, maar ik ben de rest een heel end vooruit.’
    ‘De rest?’
    Yoren spuwde. ‘Huurlingen en vrijruitertuig. Die herberg zat’r vol mee, en ik zag ze voordeel ruiken. Bloedlucht of geldlucht, as ’t erop aankomt merk je geen verschil. Ze gingen ook niet allemaal naar Koningslanding. Een paar gingen d’r halsoverkop naar de Rots van Casterling, en da’s dichterbij. Reken maar dat heer Tywin het nieuws al weet.’
    Vader fronste zijn wenkbrauwen. ‘Welk nieuws?’
    Yoren gluurde naar Arya. ‘Neem me niet kwalijk heer, maar dat kan ik beter onder vier ogen vertellen.’
    ‘Zoals u wilt. Desmond, breng mijn dochter naar haar kamers.’
    Hij kuste haar op haar voorhoofd. ‘We praten morgen wel verder.’
    Arya stond als aan de grond genageld. ‘Er is toch niets met Jon?’ vroeg ze aan Yoren. ‘Of met oom Benjen?’
    ‘Wat Stark betreft weet ik het niet. Met die jongen van Sneeuw was niks mis toen ik bij de Muur wegging. Maar het gaat niet om hun.’
    Desmond nam haar bij de hand. ‘Kom, jonkvrouwe. U hoort wat uw heer vader zegt.’
    Arya had geen keus dan met hem mee te gaan. Ze wou dat het Dikke Torn was geweest. Dan had ze wel een uitvlucht kunnen bedenken om bij de deur te blijven hangen en Yoren af te luisteren, maar Desmond was te standvastig om zich te laten misleiden. ‘Hoeveel wachters heeft mijn vader?’ vroeg ze hem toen ze naar haar slaapkamer afdaalden.
    ‘Hier in Koningslanding? Vijftig.’
    ‘Jullie zullen hem toch niet laten vermoorden, hè?’ vroeg ze. Desmond lachte. ‘Wees daar maar niet bang voor, kleine jonkvrouw. Heer Eddard wordt dag en nacht bewaakt. Er zal hem niets overkomen.’
    ‘De Lannisters hebben meer dan vijftig man.’
    ‘Kan zijn, maar iedere noorderling is tien van die zuidelijke zwaarden waard, dus ga maar rustig slapen.’
    ‘En als ze een tovenaar sturen om hem te vermoorden?’
    ‘Nou, als het erop aankomt,’ antwoordde Desmond terwijl hij zijn zwaard trok, ‘gaan tovenaars net zo goed dood als ieder ander wiens hoofd eraf wordt geslagen.’

Eddard

    ‘Robert, alsjeblieft,’ smeekte Ned, ‘hoor nu eens wat je zegt. Je hebt het over het vermoorden van een kind.’
    ‘Die hoer is zwanger!’ Luid als een donderslag daalde de vuist van de koning op de raadstafel neer. ‘Ik had je gewaarschuwd dat dit zou gebeuren, Ned. In de terplanden had ik je al gewaarschuwd, maar je wilde het niet horen. Nou, dan hoor je het nu. Ik wil ze dood hebben, moeder en kind, en die dwaas van een Viserys ook. Is dat duidelijke taal? Ik wil ze dood hebben.’
    De overige raadgevers van de koning deden allemaal hun best om te doen of ze elders waren. Ze waren ongetwijfeld wijzer dan hij. Eddard Stark had zich zelden zo alleen gevoeld. ‘Je zult jezelf voor eeuwig onteren als je dat doet. Luister nou naar mij.’
    ‘Ik luister naar je als je iets zinnigs te zeggen hebt.’ De koning keek de tafel rond. ‘Is de rest van jullie overleden, of hebben jullie alleen je tong verloren? Wil iemand die gek met dat bevroren smoelwerk eens vertellen waarmee we te maken hebben, voor ik mijn geduld verlies en hem eigenhandig wurg?’
    Varys ging gretig op die uitnodiging in. ‘Waarde Hand,’ zei de eunuch en vergunde Ned een zalvend glimlachje, ‘Zijne Genade spreekt slechts de waarheid. En wat het vermoorden van kinderen betreft, dit kind verwacht een kind, dus is ze nauwelijks een kind meer, nietwaar?’
    Grootmaester Pycelle boog zich naar voren, en zijn maestersketen rinkelde. ‘Deze beslissing komt rechtens alleen de koning toe. De rol van de raad is uitsluitend adviserend.’ Hij schraapte zijn keel, een proces dat enige minuten in beslag leek te nemen. ‘Ik heb koning Aerys eens even trouw van advies gediend als ik nu koning Robert van advies dien. In mijn orde leren we het rijk dienen, niet de heerser. Laat ik u dit vragen — als het weer oorlog wordt, hoeveel vrouwen zullen er dan sterven? Hoeveel steden zullen er branden?
    Hoeveel kinderen zullen van hun moeders weggerukt worden en omkomen op de punt van een speer?’ Hij streelde zijn weelderige witte baard, oneindig bedroefd, oneindig vermoeid. ‘Is het niet wijzer, barmhartiger zelfs, dat Daenerys Targaryen nu sterft opdat tienduizenden zullen leven?’
    ‘Inderdaad,’ zei Varys. ‘Barmhartiger. Zo had ik het nog niet gezien, vriend. Hoe juist en waarachtig gesproken, grootmaester.’ De eunuch legde een slap handje op Neds mouw. ‘Ik heb begrip voor uw gewetensbezwaren, heer Eddard, waarlijk, dat heb ik. Wat wij overwegen is gruwelijk, het is stuitend. Toch moeten wij die regeren stuitende dingen doen omwille van het welzijn van het rijk. Mochten de goden Daenerys Targaryen een mannelijk kind schenken, dan kan de jongen aanspraak maken op de ijzeren troon.’
    Bij het aanhoren van die woorden werd Ned alleen nog maar bozer. ‘Het kind kan net zo goed een meisje worden, heer Varys. U weet even goed als ik dat de Dothraki nooit een vrouw zullen volgen.’
    ‘Maar als het wel een jongen is?’ hield Robert vol. ‘Het bloed van de draak en de zoon van de een of andere vervloekte paardenvorst, met de Dothraki-horden achter zich?’
    ‘Dan ligt de zee-engte nog altijd tussen ons in,’ bracht Ned hem in herinnering. ‘Ik zal de Dothraki vrezen op de dag dat ze hun paarden over water leren draven.’
    Met een honend lachje vroeg Pinkje: ‘Dus u ziet geen bedreiging, heer?’
    ‘Ik zie slechts de schaduw van een schaduw van een bedreiging, twintig jaar verwijderd,’ antwoordde Ned.
    ‘Wat wil je dan? Dat we wachten tot dat drakengebroed zijn legers op onze kusten heeft laten landen?’ wilde de koning weten.
    ‘Dat “drakengebroed” zit in zijn moeders buik. Zelfs Targaryens voeren zelden legers aan voor ze gespeend zijn.’ Ned liet een zekere minachting in zijn stem doorklinken. ‘Zolang hij leefde vreesde je Rhaegar Targaryen niet. Heeft de tand des tijds je zo aangetast dat je nu siddert voor de schaduw van een ongeboren kind?’
    Robert was sprakeloos van woede, maar zijn broer, de knappe heer Renling, pakte de draad op waar hij hem liet vallen. ‘We hadden Viserys en zijn zuster tien jaar geleden al moeten laten vermoorden, maar mijn koninklijke broer beging de ernstige vergissing naar Jon Arryn te luisteren.’
    ‘Barmhartigheid is nooit misplaatst, heer Renling,’ antwoordde Ned. ‘Bij de Drietand versloeg ser Barristan hier een dozijn goede mannen, vrienden van uw broer en mij. Ik weet nog dat ze hem bij ons brachten, zwaargewond en op sterven na dood. Rous Bolten drong erop aan dat we hem de keel doorsneden, maar uw broer Robert zei: “Ik zal een man niet doden om zijn trouw, en ook niet omdat hij goed heeft gevochten,” en hij stuurde zijn eigen maester om ser Barristans wonden te verbinden.’ Hij keek de koning langdurig en koel aan. ‘Ik wou dat die man vandaag hier was.’
    Robert had het fatsoen om te blozen. ‘Dat was iets anders,’ zei hij verongelijkt. ‘Ser Barristan was een ridder van de koningsgarde.’
    ‘Terwijl Daenerys een meisje van veertien is,’ snauwde Ned.
    Ser Barristan Selmy hief zijn flets blauwe ogen van de tafel op en zei: ‘Het is eervol de vijand op het slagveld tegemoet te treden, maar niet om hem in de moederschoot te doden.’ Hij keerde zich smekend naar de koning toe. ‘Uwe Genade, heer Eddard spreekt ook namens mij. Wij zijn ridders, geen moordenaars. Onze geloften…’
    ‘Nee!’ bulderde Robert. ‘Genoeg, geen woord meer. Zijn jullie allemaal vergeten wie hier de koning is?’
    ‘Nee, en jij?’ Ned wist dat hij verder ging dan raadzaam was, maar toch kon hij niet zwijgen. ‘Ik zou wel eens willen weten waarom we tegen Aerys Targaryen zijn opgestaan als het niet was om een eind te maken aan het vermoorden van kinderen?’
    ‘Om een eind te maken aan de Targaryens,’ gromde de koning.
    ‘Genoeg gepraat nu. Laat iedereen nu zijn mening geven.’
    ‘Het moet gebeuren,’ verklaarde heer Renling.
    ‘We hebben geen keus,’ mompelde Varys. ‘Treurig, treurig…’
    Grootmaester Pycelle vouwde zijn handen en gaf snel een instemmend knikje.
    ‘Wie in bed belandt met een lelijke vrouw kan maar het beste zijn ogen dichtdoen en opschieten,’ verklaarde Pinkje. ‘Wachten maakt zo’n meid er niet mooier op. Dus: kussen en opschieten.’
    ‘Kussen?’ herhaalde ser Barristan geschokt.
    ‘Een stalen kus,’ zei Pinkje.
    Robert keerde zich naar zijn Hand toe. ‘Je hoort het, Ned. Jij en Selmy staan wat dit betreft alleen. De enige vraag die nog rest is: waar vinden we iemand om haar te vermoorden?’
    ‘Mormont smacht naar de gratie van de koning,’ bracht heer Renling hen in herinnering.
    ‘Wanhopig,’ zei Varys, ‘maar hij hangt nog meer aan het leven. De prinses bevindt zich in Vaes Dothrak, waar de doodstraf staat op het trekken van een wapen. Als ik u zou vertellen wat de Dothraki doen met de ongelukkige die er een tegen een khaleesi gebruikt zou niemand van u vannacht kunnen slapen.’ Hij streek over een gepoederde wang. ‘Maar vergif… laten we zeggen: de tranen van Lys. Khal Drogo hoeft niet te weten dat het geen natuurlijke dood was.
    De slaperige oogjes van grootmaester Pycelle schoten open. Hij gluurde wantrouwig naar de eunuch.
    ‘Vergif is het wapen van een lafaard,’ klaagde de koning. Ned had genoeg gehoord. ‘Jullie sturen huurmoordenaars om een veertienjarig meisje te doden en dan zitten jullie te bekvechten over eer?’ Hij schoof zijn stoel naar achteren en stond op. ‘Doe het dan zelf, Robert. De man die het vonnis velt hoort ook het zwaard te hanteren. Kijk haar in de ogen voor je haar doodt. Zie haar tranen aan, luister naar haar laatste woorden. Dat is wel het minste dat je haar verschuldigd bent.’
    ‘Goden,’ vloekte de koning. Het woord barstte zijn mond uit alsof hij zijn razernij nauwelijks in bedwang kon houden. ‘Je meent het nog ook, verdomme.’ Hij greep de wijnflacon naast zijn elleboog, merkte dat die leeg was en smeet hem tegen de muur aan scherven.
    ‘Mijn wijn is op en mijn geduld is op. Nu is het genoeg geweest. Je zorgt maar dat het gebeurt.’
    ‘Aan moord wil ik part noch deel hebben, Robert. Doe wat je wilt, maar vraag mij niet mijn zegel eraan te hechten.’
    Even leek het niet tot Robert door te dringen wat Ned bedoelde. Verzet was geen gerecht dat hem vaak werd voorgeschoteld. Toen het begrip daagde veranderde zijn gezichtsuitdrukking langzaam. Zijn ogen vernauwden zich en een rode kleur van woede kroop boven zijn fluwelen halskraag uit. Hij wees met een woedende vinger naar Ned. ‘U bent de Hand des Konings, heer Stark. U doet wat ik zeg, of ik zoek een Hand die dat wel doet.’
    ‘Ik wens hem alle succes van de wereld.’ Ned maakte de zware gesp die de plooien van zijn mantel bijeenhield los, de zilveren sierhand die zijn ambtsinsigne was. Hij legde hem voor de koning op tafel neer, bedroefd bij de herinnering aan de man die hem ermee had bekleed, de vriend die hem zo dierbaar was geweest. ‘Ik had je hoger aangeslagen, Robert. Ik meende dat de man die wij koning hadden gemaakt nobeler was.’
    Roberts gezicht was paars. ‘Eruit,’ kraste hij. Hij stikte bijna van woede. ‘Eruit, verdomme, ik wil je niet meer zien. Waar wacht je nog op. Ga maar gauw terug naar Winterfel. En kom me nooit meer onder ogen, of ik laat je hoofd op een piek zetten, dat zweer ik je!’
    Ned boog en keerde zich zonder een woord te zeggen op zijn hakken om. Hij voelde Roberts ogen in zijn rug. Terwijl hij de raadszaal uit beende werd de discussie vrijwel zonder onderbreking voortgezet. ‘In Braavos bestaat een genootschap dat de “Mannen zonder Gezicht” heet,’ opperde grootmaester Pycelle.
    ‘Hebt u enig idee, hoe duur die zijn?’ klaagde Pinkje. ‘Voor de helft van hun prijs kun je een leger gewone huurlingen kopen, en dat is dan alleen nog maar voor een koopman. Ik moet er niet aan denken wat ze voor een prinses zullen vragen.’
    Het sluiten van de deur achter hem deed hun stemmen verstommen. Ser Boros Both stond voor het vertrek geposteerd, gehuld in de lange witte mantel en het harnas van de koningsgarde. Hij wierp Ned uit zijn ooghoek even een nieuwsgierige blik toe, maar stelde geen vragen.
    Toen hij het binnenplein naar de Toren van de Hand overstak was de atmosfeer zwaar en drukkend. Er hing regen in de lucht, bespeurde Ned, en die zou niet onwelkom zijn. Dan zou hij zich althans iets minder smerig voelen. Toen hij het bovenvertrek bereikte ontbood hij Vayon Poel. De hofmeester kwam onmiddellijk. ‘Kan ik iets voor u doen, heer Hand?’
    ‘Geen Hand meer,’ lichtte Ned hem in. ‘De koning en ik hebben woorden gehad. We gaan terug naar Winterfel.’
    ‘Ik zal onmiddellijk voorbereidingen treffen, heer. We zullen twee weken nodig hebben om alles klaar te maken voor de reis.’
    ‘Zoveel tijd hebben we misschien niet. Misschien minder dan een dag. De koning had het erover dat hij mijn hoofd op een piek wilde.’ Ned fronste zijn voorhoofd. Hij geloofde niet echt dat hij kwaad van de koning te duchten had, niet van Robert. Nu was hij boos, maar als Ned eenmaal goed en wel uit het zicht was zou zijn woede zoals altijd wel bekoelen. Altijd? Ineens merkte hij dat hij aan Rhaegar Targaryen dacht, niet op zijn gemak. Vijftien jaar dood, en Robert haat hem nog steeds. Een verontrustend idee… en dan was er nog die andere kwestie, die affaire van Catelyn en de dwerg waarover Yoren hem gisteravond was komen waarschuwen. Dat zou binnenkort aan het licht komen, zo zeker als de zon opging, en nu de koning zo laaiend van woede was… Robert mocht dan geen zier om Tyrion Lannister geven, maar zijn trots zou gekrenkt zijn, en wat de koningin zou doen viel al helemaal niet te voorspellen.
    ‘Het veiligste is als ik vast vooruitreis,’ zei hij tegen Poel. ‘Dan neem ik mijn dochters en een paar lijfwachten mee. De rest kan dan volgen als jullie klaar zijn. Stel Jory op de hoogte, maar verder niemand, en onderneem niets voordat de meisjes en ik vertrokken zijn. Het kasteel zit vol ogen en oren, en ik heb liever niet dat mijn plannen uitlekken.’
    ‘Zoals u beveelt, heer.’
    Toen hij weg was liep Eddard Stark naar het raam en ging zitten om te piekeren. Robert liet hem geen keus, hij zou althans niet weten welke. Eigenlijk moest hij hem dankbaar zijn. Het was goed om naar Winterfel terug te keren. Hij had nooit weg moeten gaan. Zijn zonen wachtten daar op hem. Misschien zouden hij en Catelyn nog een zoon maken als ze thuis waren, zo oud waren ze nog niet. En hij had gemerkt dat hij de laatste tijd van sneeuw droomde, van de diepe stilte die ’s nachts in het Wolfswoud heerste. En toch maakte de gedachte aan vertrekken hem ook nijdig. Er bleef zoveel onuitgevoerd. Robert met zijn raad vol lafaards en vleiers zou het rijk tot de bedelstaf brengen als niemand hem tegenhield… of erger nog, hij zou het aan de Lannisters verkopen om hun leningen terug te betalen. En de waarheid omtrent Jon Arryns dood ontging hem nog steeds. O ja, hij had een paar dingen gevonden, genoeg om hem ervan te overtuigen dat Jon inderdaad was vermoord, maar dat was niet meer dan de prent van een dier op de bosgrond. Hij had het beest zelf nog niet gezien, al voelde hij dat het er was, loerend, verscholen, verraderlijk.
    Plotseling bedacht hij dat hij ook over zee naar Winterfel terug kon keren. Ned was geen zeeman en gaf normaal gesproken de voorkeur aan de Koningsweg, maar als hij per schip ging kon hij Drakensteen aandoen en met Stannis Baratheon spreken. Pycelle had een raaf over het water gestuurd, met een beleefd schrijven van Ned waarin hij heer Stannis verzocht zijn zetel in de kleine raad weer in te nemen. Hij had nog geen antwoord gekregen, maar de stilte sterkte hem slechts in zijn verdenkingen. Lord Stannis was deelgenoot van het geheim waarvoor Jon Arryn gestorven was, daar was hij van overtuigd. Het zou heel goed kunnen dat de waarheid die hij zocht op hem wachtte in het aloude eilandfort van het Huis Targaryen. En als je die kent, wat dan? Sommige geheimen kunnen beter verborgen blijven. Sommige geheimen zijn te gevaarlijk om aan iemand te vertellen, zelfs niet aan degenen die je liefhebt en vertrouwt. Ned trok de dolk die Catelyn hem had gebracht uit de schede aan zijn riem. Het mes van de Kobold. Waarom was de dwerg op Brans dood uit? Vast en zeker om hem het zwijgen op te leggen. Nog een geheim, of alleen maar een andere draad van hetzelfde web?
    Had Robert er misschien iets mee te maken? Hij zou gezegd hebben van niet, maar eens had hij ook niet gedacht dat Robert in staat was vrouwen en kinderen te laten vermoorden. Catelyn had geprobeerd hem te waarschuwen. Je kende de man, had ze gezegd. De koning is een vreemde voor je. Hoe eerder hij uit Koningslanding weg was, hoe beter. Als er morgenochtend een schip naar het noorden vertrok zou het goed zijn als hij zich aan boord bevond. Hij ontbood Jory Cassel en stuurde hem naar de haven om navraag te doen, heimelijk maar haastig. ‘Zoek een snel schip voor me met een bekwame kapitein,’ gelastte hij. ‘Het kan me niet schelen of het over grote kooien of royale voorzieningen beschikt, zolang het maar snel en veilig is. Ik wil meteen weg.’
    Met het invallen van de schemering wachtte Ned nog steeds op Jory’s terugkeer toen Tomard een bezoeker aankondigde. ‘Lord Baelish vraagt u te spreken, heer.’
    Ned was half en half geneigd hem weg te sturen, maar veranderde toen van gedachte. Hij was nog niet vrij, en totdat hij dat wel was moest hij hun spelletjes meespelen. ‘Laat hem binnen, Torn.’
    Heer Petyr slenterde het bovenvertrek binnen alsof er die ochtend niets was gebeurd. Hij droeg een opengewerkt fluwelen wambuis, crème met zilver, een grijze zijden mantel met een zoom van zwart vossenbont en zijn gebruikelijke spottende lachje.
    Ned begroette hem koeltjes. ‘Mag ik de reden van uw bezoek weten, heer Baelish?’
    ‘Ik zal u niet lang ophouden, ik ga straks dineren met vrouwe Tanda. Lampreipastei en geroosterd speenvarken. Ze overweegt me aan haar jongste dochter uit te huwelijken, daarom is haar tafel altijd weer overstelpend. Om eerlijk te zijn trouw ik nog liever met het varken, maar laat haar dat niet horen. Ik ben dol op lampreipastei.’
    ‘Laat u door mij niet van uw palingen afhouden, heer,’ zei Ned met ijzige minachting. ‘Op dit moment weet ik niemand wiens gezelschap ik minder op prijs zou stellen.’
    ‘Als u heel even nadenkt kunt u vast wel een paar namen bedenken. Varys, bijvoorbeeld. Cersei. Of Robert. Zijne Genade is ten zeerste vertoornd op u. Hij is nog een poosje over u doorgegaan nadat u ons vanochtend vaarwel had gezegd. De woorden onbeschoft en ondankbaar kwamen er vrij vaak in voor, meen ik me te herinneren.’
    Ned verwaardigde zich niet hem antwoord te geven. Hij bood zijn gast ook geen stoel aan, maar Pinkje ging toch zitten. ‘Nadat u het pand verlaten had heb ik ze ervan moeten weerhouden de Mannen zonder Gezicht in te huren,’ vervolgde hij onverdroten. ‘In plaats daarvan zal Varys onopvallend bekendmaken dat de man die het meisje Targaryen uit de weg ruimt de titel van heer krijgt.’
    Ned walgde ervan. ‘Dus we delen tegenwoordig al titels aan moordenaars uit.’
    Pinkje haalde zijn schouders op. ‘Een titel kost niets. De Mannen zonder Gezicht kosten een heleboel. En om u de waarheid te zeggen heb ik het meisje Targaryen meer goed gedaan dan u met al dat gepraat over eer. Laat een of andere dronken huurling die zichzelf al als heer ziet gerust proberen haar te vermoorden. Het zit er dik in dat hij het verknoeit, en daarna zijn de Dothraki wél op hun hoede. Als we een Man zonder Gezicht op haar afgestuurd hadden was ze al zo goed als begraven.’
    Ned fronste zijn wenkbrauwen. ‘U zit in de raad te praten over lelijke vrouwen en stalen kussen, en nu moet ik van u aannemen dat u hebt geprobeerd het meisje te beschermen? Voor hoe dwaas houdt u me eigenlijk?’
    ‘Voor een geweldige dwaas, om precies te zijn,’ zei Pinkje lachend.
    ‘Vindt u moord altijd zo vermakelijk, heer Baelish?’
    ‘Moord niet, heer Stark, maar u wel. U regeert als een man die op slecht ijs danst. Ik wed dat u een nobele plons zult maken. Ik geloof dat ik vanmorgen het eerste gekraak al heb gehoord.’
    ‘Het eerste en het laatste,’ zei Ned. ‘Ik ben het zat.’
    ‘Wanneer gaat u naar Winterfel terug, heer?’
    ‘Zo snel mogelijk. Wat gaat u dat aan?’
    ‘Niets, misschien… maar mocht u morgen nog hier zijn, dan zal ik u met plezier meenemen naar dat bordeel dat uw dienstman Jory zo ineffectief heeft doorzocht.’ Pinkje glimlachte. ‘En ik zal het niet eens tegen vrouwe Catelyn zeggen.’

Catelyn

    Vrouwe, u had ons van uw komst op de hoogte moeten stellen,’ zei ser Donneel Wagenholt terwijl hun paarden de pas beklommen. ‘Dan hadden we een escorte gestuurd. De hoge weg is voor een gezelschap als het uwe niet zo veilig als hij vroeger was.’
    ‘Dat hebben wij tot ons verdriet ook ontdekt, ser Donneel,’ zei Catelyn. Soms leek het of haar hart versteend was: zes dappere mannen waren gestorven om haar hierheen te brengen, en ze bracht het zelfs niet op om tranen voor hen te vergieten. Zelfs hun namen ontglipten haar al. ‘De clanstrijders teisterden ons dag en nacht. We verloren drie man bij de eerste overval, en nog eens twee bij de tweede, en Lannisters bediende stierf aan wondkoorts. Toen we uw mannen hoorden naderen wist ik zeker dat we ten dode opgeschreven waren.’ Ze hadden zich opgemaakt voor een laatste, wanhopige strijd, hun wapens in de hand en hun rug naar de rots. De dwerg had net zijn bijl staan slijpen en een morbide grap gemaakt toen Bronn de banier signaleerde die de ruiters voor zich uit droegen, de maan en de valk van het huis Arryn, hemelsblauw met wit. Geen aanblik was Catelyn ooit welkomer geweest.
    ‘De clans zijn sinds de dood van heer Jon brutaler geworden,’ zei ser Donneel. Hij was een stevige jongeman van twintig jaar, serieus en eenvoudig, met een brede neus en een bos dik bruin haar. ‘Als ik het voor het zeggen had nam ik honderd man mee de bergen in om ze uit hun forten te rukken en het hun eens flink in te peperen, maar dat wil uw zuster niet. Zelfs haar ridders kregen geen verlof om aan het toernooi van de Hand deel te nemen. Ze wil al onze zwaarden dicht bij huis houden om de Vallei te verdedigen… waartegen, dat weet niemand precies. Schaduwen, zeggen sommigen.’ Hij keek haar nerveus aan, alsof hij zich plotseling herinnerde wie ze was. ‘Ik hoop dat ik niet te ver ben gegaan, vrouwe. Het was niet beledigend bedoeld.’
    ‘Ik vind openhartigheid nooit beledigend, ser Donneel.’ Catelyn wist wat haar zuster vreesde. Geen schaduwen, Lannisters, dacht ze bij zichzelf en keek om naar de dwerg die naast Bronn reed. Sinds Chiggens dood waren die twee dikke maatjes geworden. Dat kereltje was onaangenaam sluw. Toen ze de bergen inreden was hij nog haar gevangene geweest, geboeid en machteloos. En nu? Nog steeds haar gevangene, maar er stak wel een ponjaard achter zijn riem, aan zijn zadel was een bijl bevestigd en hij droeg de mantel van schaduwvacht die hij met dobbelen van de zanger had gewonnen en de maliënkolder die hij van het lijk van Chiggen had af gestroopt. Veertig man, ridders en krijgsknechten in dienst van haar zuster Lysa en het zoontje van Jon Arryn, flankeerden de dwerg en de rest van haar haveloze troep. En toch liet Tyrion geen enkele vrees blijken. Zou ik me vergissen? vroeg Catelyn zich af, niet voor het eerst. Zou het kunnen dat hij Bran en Jon Arryn en de rest toch niet op zijn geweten heeft? En als dat zo was, wat was zij dan? Het had zes man gekost om hem hierheen te brengen.
    Resoluut zette ze haar twijfels van zich af. ‘Als we uw burcht bereiken, wilt u dan zo vriendelijk zijn meteen Maester Colemon te laten halen? Ser Rodrik heeft last van wondkoorts.’ Ze had meer dan eens gevreesd dat de dappere oude ridder de reis niet zou overleven. Op het laatst kon hij bijna niet meer in het zadel blijven, en Bronn had erop aangedrongen dat ze hem aan zijn lot zouden overlaten, maar daar wilde Catelyn niet van horen. In plaats daarvan hadden ze hem aan zijn zadel vastgebonden, en ze had Marillion de zanger opgedragen om over hem te waken.
    Met enige aarzeling antwoordde ser Donneel: ‘Vrouwe Lysa heeft de maester bevolen, te allen tijde in het Adelaarsnest te blijven om voor heer Robert te zorgen. Maar we hebben een septon bij de poort die onze gewonden verbindt. Hij kan de kwetsuren van uw ridder wel behandelen.’
    Catelyn zag meer heil in de geleerdheid van een maester dan in de gebeden van een septon. Ze stond op het punt iets dergelijks te zeggen toen ze de kantelen in de verte ontwaarde, lange borstweringen die aan weerszijden in de berg zelf gebouwd waren. Daar waar de pas versmalde tot een nauwe doorgang waar nauwelijks vier mannen naast elkaar konden rijden klampten tweeling-wachttorens zich aan de rotsige hellingen vast, verbonden door een grauwe, overdekte brug van verweerde steen die in een boog over de weg liep. Zwijgende gezichten keken toe vanuit de schietgaten tussen de kantelen, in de torens en op de brug. Toen ze bijna bij de top waren kwam een ridder hen tegemoetrijden. Zijn paard en wapenrusting waren grauw, maar zijn mantel vertoonde het blauw-rode golf patroon van Stroomvliet en een glimmende zwarte vis van goud en obsidiaan hield de plooien op zijn schouder bijeen. ‘Wie wenst de Bloedpoort door te gaan?’ riep hij.
    ‘Ser Donneel Wagenholt, met vrouwe Catelyn Stark en haar gezelschap,’ antwoordde de jonge ridder. De Poortridder sloeg zijn vizier op. ‘De dame kwam me ook al zo bekend voor. Je bent ver van huis, Catje.’
    ‘U ook, oom,’ zei ze, en ondanks alles wat ze had doorgemaakt glimlachte ze. De klank van die schorre, rokerige stem voerde haar twintig jaar terug in de tijd, naar de dagen van haar jeugd.
    ‘Mijn huis ligt hier achter me,’ zei hij kortaf.
    ‘Uw huis is in mijn hart,’ zei Catelyn tegen hem. ‘Doe uw helm eens af, ik wil uw gezicht graag weer zien.’
    ‘Dat is er door de jaren heen niet fraaier op geworden, vrees ik,’ zei Brynden Tulling, maar toen hij zijn helm afdeed zag Catelyn dat hij loog. Zijn gezicht was verweerd en vol lijnen en de tijd had het kastanjebruin uit zijn haar geroofd en hem slechts grijs gelaten, maar zijn lach was nog dezelfde, en dat gold ook voor zijn borstelige wenkbrauwen, dik als rupsen, en de vrolijkheid in zijn diepblauwe ogen.
    ‘Weet Lysa dat je in aantocht bent?’
    ‘Ik had geen tijd om bericht vooruit te sturen,’ zei Catelyn. De anderen verzamelden zich achter haar. ‘Ik vrees dat we voor de storm uit rijden, oom.’
    ‘Mogen we de Vallei betreden?’ vroeg ser Donneel. De Wagenholts waren altijd erg op ceremonieel gesteld.
    ‘In naam van Robert Arryn, heer van het Adelaarsnest, Verdediger van de Vallei en de Ware Landvoogd van het Oosten, verleen ik u vrije doortocht en gelast ik u de vrede te bewaren,’ antwoordde ser Brynden. ‘Kom.’
    En zo volgde ze hem door het schemerduister van de Bloedpoort, waarop twaalf legers zich in het Heldentijdperk hadden stukgelopen. Aan gene zijde van de stenen bouwwerken maakten de bergen plotseling plaats voor een weids vergezicht van groene velden, een blauwe hemel en adembenemende, besneeuwde toppen. De Vallei van Arryn baadde in het ochtendlicht.
    Hij strekte zich voor hen uit tot aan de mist in het oosten, een verstild gebied met vruchtbare zwarte aarde, brede, traag stromende rivieren en honderden kleine meertjes die als spiegels blonken in het zonlicht, aan alle kanten beschermd door die wal van bergpieken. De tarwe, maïs en gerst stonden hoog op de velden, en zelfs in Hooggaarde waren de pompoenen niet groter en was het fruit niet zoeter dan hier. Ze stonden aan de westkant van de vallei, waar de hoge weg over de laatste pas heen dook om kronkelend af te dalen naar de dalbodem, twee mijl beneden hen. Hier was de Vallei nauw, niet meer dan een halve dagreis breed, en de bergen aan de noordkant waren zo dichtbij dat het leek of Catelyn ze met haar handen aan kon raken. Boven alles uit rees een scherpe piek die de Reuzenlans heette, een berg waar zelfs de bergen naar opkeken. De top, drieënhalve mijl boven de bodem van het dal, ging schuil in ijzige nevels. Over zijn massieve flanken vloeide de spookachtige stroom van Alyssa’s Tranen. Zelfs van deze afstand kon Catelyn de glanzende zilveren draad helder tegen de donkere rotssteen zien afsteken. Toen haar oom zag dat ze was blijven staan bracht hij zijn paard dichterbij en wees. ‘Daar is het, naast Alyssa’s Tranen. Maar van hieraf kun je alleen zo nu en dan iets wits zien oplichten, als je heel goed kijkt en de zon de muren precies op de juiste plaats beschijnt.’
    Zeven torens, had Ned haar verteld, als witte dolken in de buik van de hemel gestoken, zo hoog dat je op de wolken kunt neerzien als je op de borstwering staat. ‘Hoe ver rijden?’ vroeg ze.
    ‘We kunnen met het vallen van de avond bij de berg zijn,’ zei oom Brynden, ‘maar de klim zal nog een dag in beslag nemen.’
    Achter hen nam ser Rodrik Cassel het woord: ‘Vrouwe, ik vrees dat ik vandaag niet verder kan.’ Onder zijn ruige, opnieuw aangegroeide bakkebaarden was zijn gezicht ingevallen, en hij zag er zo moe uit dat Catelyn bang was dat hij in zou storten.
    ‘En dat hoeft ook niet,’ zei ze. ‘U hebt alles gedaan wat van u gevergd kon worden, en nog veel meer bovendien. Mijn oom zal me de rest van de weg naar het Adelaarsnest begeleiden. Lannister moet met mij mee, maar er is geen reden waarom u en de anderen hier niet zouden uitrusten om weer op krachten te komen.’
    ‘We zullen vereerd zijn, hen te gast te hebben,’ zei ser Donneel met de ernstige hoffelijkheid van de jeugd. Behalve ser Rodrik waren alleen Bronn, ser Willis Wede en de zanger Marillion nog overgebleven van het gezelschap dat met haar uit de herberg bij de Drietand was vertrokken.
    ‘Vrouwe,’ zei Marillion terwijl hij naar voren reed, ‘ik smeek u, sta mij toe u naar het Adelaarsnest te vergezellen, zodat ik de afloop zal kennen van dit verhaal, dat ik van het begin af heb meegemaakt.’
    De toon van de jongeling was gekweld, maar merkwaardig vastberaden, en zijn ogen glansden koortsachtig. Catelyn had de zanger niet gevraagd om mee te komen. Daar had hij zelf voor gekozen, en ze had er geen idee van hoe het kwam dat hij de tocht had overleefd terwijl zoveel dapperder mannen dood en onbegraven waren achtergebleven. Maar hij was er, met een zweem van een baard die hem bijna een man deed lijken. Misschien was ze hem iets verschuldigd voor het feit dat hij zover gekomen was.
    ‘Goed,’ zei ze.
    ‘Ik kom ook mee,’ verkondigde Bronn.
    Dat stond haar minder aan. Ze wist dat ze de Vallei zonder Bronn nooit zou hebben bereikt. De huurling vocht met ongekende felheid en zijn zwaard had een weg helpen banen naar de veiligheid. Maar toch mocht Catelyn de man niet. Moed bezat hij wel, en kracht ook, maai geen spoor van mildheid, en weinig trouw. En ze had hem veel te vaak naast Lannister zien rijden. Dan hadden ze op gedempte toon gepraat, of gelachen over een grap die niet voor de overigen bestemd was. Ze had hem liever hier en nu van de dwerg gescheiden, maar nu ze ermee had ingestemd dat Marillion mocht meegaan naar het Adelaarsnest wist ze niet hoe ze Bronn dat recht met goed fatsoen kon ontzeggen. ‘Wat je wilt,’ zei ze, al was het haar opgevallen dat hij haar feitelijk niet om toestemming had gevraagd. Ser Willis Wede bleef bij ser Rodrik achter, en een vriendelijk klinkende septon boog zich bedrijvig over hun wonden. Hun paarden bleven ook achter, de arme, afgejakkerde beesten. Ser Donneel beloofde vogels vooruit te zenden naar het Adelaarsnest en de Poorten van de Maan om hun komst aan te kondigen. Uit de stallen werden verse rijdieren gehaald, ruige bergpaardjes met een vaste tred, en binnen een uur waren ze weer op weg. Toen ze aan de afdaling naar de dalbodem begonnen reed Catelyn naast haar oom. Achter hen kwamen Bronn, Tyrion Lannister, Marillion en zes van Bryndens mannen. Pas toen ze op een derde van het bergpad waren, ruimschoots buiten gehoorsafstand van de anderen, keerde Brynden Tulling zich naar haar opzij en sprak: ‘Komaan, kind. Vertel me over die storm van jou.’
    ‘Ik ben al jaren geen kind meer, oom,’ zei Catelyn, maar ze stak van wal. Het duurde langer dan ze voor mogelijk had gehouden om alles te vertellen: Lysa’s brief en Brans val, de dolk waarmee de aanslag op hem was gepleegd, Pinkje, en haar toevallige ontmoeting met Tyrion Lannister in de herberg bij de kruiswegen.
    Haar oom luisterde zwijgend, zijn ogen overschaduwd door zijn zware wenkbrauwen, en met een steeds dieper wordende rimpel in zijn voorhoofd. Brynden Tulling had altijd goed kunnen luisteren… behalve naar haar vader. Hij was de broer van heer Hoster, vijf jaar jonger, maar zolang Catelyn zich herinnerde stonden ze al op voet van oorlog met elkaar. Tijdens een van hun luidruchtiger ruzies, toen Catelyn acht was, had heer Hoster Brynden ‘de zwarte bok van de Tullingkudde’ genoemd. Brynden had gelachen en erop gewezen dat het wapenteken van hun huis een springende forel was, en dat hij dus beter een zwarte vis kon zijn, en vanaf die dag had hij dat tot zijn persoonlijke embleem gemaakt.
    Hun oorlog was pas afgelopen op de dag dat zij en Lysa getrouwd waren. Op hun bruiloft had Brynden zijn broer verteld dat hij uit Stroomvliet vertrok om Lysa en haar kersverse echtgenoot, de heer van het Adelaarsnest, te dienen. Sindsdien had heer Hoster de naam van zijn broer niet meer in de mond genomen, te oordelen naar wat Edmar haar in zijn zeldzame brieven meedeelde.
    Maar in Catelyns jeugdjaren was het altijd Brynden de Zwartvis geweest bij wie heer Hosters kinderen kwamen uithuilen en hun verhaal kwamen doen, want hun vader had het te druk en hun moeder was te ziek. Catelyn, Lysa, Edmar… en jawel, zelfs Peryr Baelish, hun vaders pupil… hij had hen allemaal geduldig aangehoord zoals hij haar nu aanhoorde, had gelachen over hun triomfen en meegeleefd met hun kinderlijke verdriet.
    Toen ze uitgesproken was zweeg haar oom lange tijd, terwijl zijn paard het steile, stenige pad op eigen houtje afdaalde. ‘Je vader moet worden ingelicht,’ zei hij ten slotte. ‘Als de Lannisters optrekken is Winterfel veraf en de Vallei ingemetseld achter haar bergwand, maar Stroomvliet ligt op hun pad.’
    ‘Ik koesterde diezelfde vrees,’ bekende Catelyn. ‘Ik zal Maester Colemon vragen een vogel te zenden als we het Adelaarsnest bereiken.’ Ze moest nog meer berichten versturen: de bevelen die Ned haar had meegegeven voor zijn baandermannen, dat ze de verdedigingswerken van het noorden in gereedheid moesten brengen. ‘Hoe is de stemming in de Vallei?’ vroeg ze.
    ‘Geladen,’ gaf Brynden Tulling toe. ‘Heer Jon was erg geliefd, en toen de koning Jaime Lannister benoemde in een ambt dat al bijna driehonderd jaar door Arryns was bekleed werd dat duidelijk als een belediging ervaren. Lysa heeft ons opgedragen, haar zoon als de Ware Landvoogd van het Oosten te betitelen, maar daar laat geen mens zich door misleiden. En je zuster is bepaald niet de enige die zich afvraagt hoe de Hand is gestorven. Niemand durft te zeggen dat Jon vermoord is, niet openlijk, maar de verdenking is levensgroot.’ Hij keek Catelyn aan. ‘En dan is de jongen er nog.’
    ‘De jongen? Hoezo?’ Ze reden onder een laag overhangende rots door en een scherpe bocht om, en ze trok haar hoofd in. De stem van haar oom klonk bekommerd. ‘Heer Robert,’ zuchtte hij. ‘Zes jaar oud, ziekelijk, en begint meteen te huilen als je hem zijn poppen afpakt. Jon Arryns wettige erfgenaam, alle goden nog aan toe, maar er gaan stemmen op dat hij te zwak is om zijn vaders zetel te bekleden. Nestor Roys is de afgelopen veertien jaar opperhofmeester geweest terwijl heer Jon in Koningslanding diende, en velen vinden dat hij moet heersen tot de jongen mondig wordt. Anderen zijn van mening dat Lysa moet hertrouwen, en gauw ook. De vrijers verzamelen zich al, als kraaien op een slagveld. Het Adelaarsnest zit er vol mee.’
    ‘Dat was te verwachten,’ zei Catelyn. Ook niet zo verwonderlijk: Lysa was nog jong, en het koninkrijk van Berg en Vallei vormde een aardig huwelijksgeschenk. ‘En neemt Lysa een nieuwe man?’
    ‘Ze beweert van wel, vooropgesteld dat ze er een vindt die haar aanstaat,’ zei Brynden Tulling, ‘maar ze heeft heer Nestor en ruim tien andere geschikte mannen al afgewezen. Ze zweert dat zij deze keer haar echtgenoot zal kiezen.’
    ‘U bent wel de laatste om haar dat te verwijten.’
    Ser Brynden snoof. ‘Doe ik ook niet… maar ik krijg de indruk dat Lysa zich alleen maar het hof laat maken. Ze vindt het prachtig, maar ik geloof dat je zuster van plan is om zelf te regeren tot haar zoon oud genoeg is om zowel in de praktijk als in naam heer van het Adelaarsnest te zijn.’
    ‘Een vrouw kan even verstandig regeren als een man,’ zei Catelyn.
    ‘De juiste vrouw wel,’ zei haar oom en gluurde even opzij. ‘Maar vergis je niet, Cat. Lysa is anders dan jij.’ Hij aarzelde even. ‘Om eerlijk te zijn vrees ik dat je je zuster misschien niet zo… behulpzaam zult bevinden als je zou willen.’
    Dat begreep ze niet. ‘Wat bedoelt u?’
    ‘De Lysa die uit Koningslanding terugkeerde is niet het meisje dat naar het zuiden ging toen haar man tot Hand werd benoemd. Het zijn moeilijke jaren voor haar geweest, dat begrijp je vast wel. Heer Arryn was een plichtsgetrouw echtgenoot, maar ze waren om politieke redenen getrouwd en niet uit hartstocht.’
    ‘Net als ik.’
    ‘Jij bent net zo begonnen, maar het resultaat was gelukkiger dan bij je zuster. Twee kinderen doodgeboren, nog eens tweemaal zoveel miskramen, de dood van heer Arryn… Catelyn, de goden hebben Lysa alleen dat ene kind geschonken, en je zuster leeft nu alleen nog voor hem, de arme jongen. Geen wonder dat ze liever is gevlucht dan hem aan de Lannisters uit te leveren. Je zuster is bang, kind, en haar grootste vrees geldt de Lannisters. Ze is in allerijl naar de Vallei gegaan en als een dief uit de Rode Burcht weggeglipt, en dat alles om haar zoon uit de muil van de leeuw te rukken… en nu leid jij die leeuw naar haar deur.’
    ‘In boeien,’ zei Catelyn. Rechts van haar gaapte een rotsspleet, diep en donker. Ze hield in en reed er voorzichtig langs, stapje voor stapje.
    ‘O ja?’ Haar oom keek achterom naar Tyrion Lannister, die achter hen langzaam afdaalde. ‘Ik zie een bijl aan zijn zadel, een ponjaard achter zijn riem en een huurling die hem volgt als een hongerige schaduw. Waar zijn die boeien, liefje?’
    Catelyn schoof ongemakkelijk in het zadel heen en weer. ‘De dwerg is hier, en niet uit vrije wil. Boeien of niet, hij is mijn gevangene. Lysa zal evenzeer willen dat hij voor zijn misdaden boet als ik. Het is haar echtgenoot die door de Lannisters is vermoord, en het was haar brief die onze eerste waarschuwing was.’
    Brynden Zwartvis wierp haar een vermoeide glimlach toe. ‘Ik hoop dat je gelijk hebt, kind,’ zuchtte hij op een toon die zei dat ze het mis had.
    De zon stond al ver in het oosten toen de helling onder de hoeven van hun paarden begon af te vlakken. De weg verbreedde zich en werd recht, en voor het eerst zag Catelyn wilde bloemen en grassen. Zodra, ze de bodem van het dal bereikten ging het sneller en schoten ze flink op. Ze galoppeerden door weelderig groen hout en slaperige gehuchten, langs boomgaarden en gulden tarwevelden, en spetterden een stuk of twaalf zonovergoten beekjes door. Haar oom zond een vaandrager vooruit met een staf met een dubbele banier: bovenaan de maan en de valk van het Huis Arryn en daaronder zijn eigen zwarte vis. Boerenkarren, wagens van kooplieden en ruiters uit mindere huizen weken uit om hen door te laten.
    Toch was het helemaal donker toen ze het stevige slot aan de voet van de Reuzenlans bereikten. Toortsen flakkerden op de tinnen, en op het donkere water van de slotgracht danste de gehoornde maan. De brug was omhoog en het valhek neer, maar Catelyn zag lichten branden in het poortgebouw en naar buiten schijnen door de vensters van de vierkante torens daarachter.
    ‘De Poorten van de Maan,’ zei haar oom toen het gezelschap de teugels had ingehouden. Zijn vaandrager reed naar de rand van de slotgracht om de mannen in het poortgebouw aan te roepen. ‘De zetel van heer Nestor. Hij zal al wel op ons wachten. Kijk eens naar boven.’
    Catelyn verhief haar blik, omhoog, en nog verder omhoog. Eerst zag ze uitsluitend rotsen en geboomte, het dreigende bergmassief, in nacht gehuld, zwart als een sterreloze hemel. Toen ontdekte ze een heel eind boven hen de gloed van verre vuren: een torenburcht, tegen de steile kant van de berg gebouwd, met lichten die als oranje ogen op hen neerzagen. Daarboven was er nog een, hoger en verder weg, en nog hoger een derde, niet meer dan een flakkerend vonkje in de lucht. En ten slotte, daar waar de valken zweefden, een witte glinstering in de maneschijn. Een golf van duizeligheid spoelde over haar heen terwijl ze naar de lichte torens staarde, zo hoog boven haar.
    ‘Het Adelaarsnest,’ hoorde ze Marillion vol ontzag mompelen. De scherpe stem van Lannister viel in: ‘De Arryns houden vast niet zo van gezelschap. Mocht u van plan zijn ons in het donker die berg op te laten klimmen, dan word ik liever ter plaatse vermoord.’
    ‘We brengen de nacht hier door en gaan morgen naar boven,’ zei Brynden tegen hem.
    ‘Ik kan bijna niet wachten,’ antwoordde de dwerg. ‘Hoe komen we daar? Ik heb geen ervaring in het berijden van geiten.’
    ‘Muilezels,’ zei Brynden met een lachje.
    ‘Er zijn treden uitgehakt in de berg,’ zei Catelyn. Dat had ze uit Neds verhalen over zijn jeugd hier met Robert Baratheon en Jon Arryn. Haar oom knikte. ‘Het is te donker om ze te zien, maar de treden zijn er wel. Te steil en te smal voor paarden, maar muilezels kunnen ze het grootste stuk van de weg wel beklimmen. Drie wegkastelen waken over het pad, Steen, Sneeuw en Lucht. De muilezels brengen ons tot bij Lucht.’
    Sceptisch keek Tyrion Lannister omhoog. ‘En daarna?’
    Brynden glimlachte. ‘Daarna is het pad zelfs voor muilezels te steil. De rest van de weg leggen we te voet af. Of misschien gaat u liever in een mandje. Het Adelaarsnest hangt pal boven Lucht tegen de bergwand, en in de kelders staan zes grote lieren met lange ijzeren kettingen om voorraden op te halen. Als u daar de voorkeur aan geeft, heer Lannister, kan ik u wel tegelijk met het brood, het bier en de appels laten ophijsen.’
    De dwerg lachte ruw. ‘Was ik maar een pompoen,’ zei hij. ‘Helaas, het zou mijn edele vader ongetwijfeld ten zeerste bedroeven als zijn zoon, een Lannister, als een lading knollen zijn noodlot tegemoet ging. Als u te voet opstijgt moet ik dat ook doen, vrees ik. Wij Lannisters hebben zo onze trots.’
    ‘Trots?’ snauwde Catelyn. Zijn spottende toon en ongedwongen houding wekten haar woede. ‘Sommigen zouden het aanmatiging noemen. Aanmatiging, hebzucht en machtswellust.’
    ‘Mijn broer is ongetwijfeld aanmatigend,’ antwoordde Tyrion Lannister. ‘Mijn vader is de vleesgeworden hebzucht en mijn lieve zuster Cersei hongert de ganse dag naar macht. Ik daarentegen ben zo onschuldig als een lammetje. Zal ik voor u blaten?’ Hij grinnikte. Voordat ze iets terug kon zeggen werd de ophaalbrug knarsend neergelaten, en ze hoorden het geluid van geoliede kettingen waarmee het valhek werd opgetrokken. Wapenknechten brachten brandende toortsen om hen bij te lichten, en haar oom leidde hen de slotgracht over. Heer Nestor Roys, opperhofmeester van de Vallei en Wachter van de Poorten van de Maan, stond omringd door zijn ridders op de binnenplaats om hen te verwelkomen. ‘Vrouwe Stark,’ zei hij en boog. Hij was een stevige kerel met een torso als een ton, en zijn buiging was onwennig.
    Catelyn steeg af en bleef voor hem staan. ‘Heer Nestor,’ zei ze. Ze kende de man alleen van horen zeggen. Hij was de neef van Bronzen Yan, van een zijtak van het huis Roys, maar zelf van huis uit ook een geducht heerschap. ‘We hebben een lange, vermoeiende reis achter ons. Mag ik u voor vannacht om de gastvrijheid van uw woning verzoeken?’
    ‘Mijn woning is de uwe, vrouwe,’ antwoordde heer Nestor kortaf, ‘maar uw zuster, vrouwe Lysa, heeft bericht vanuit het Adelaarsnest gestuurd dat ze u onmiddellijk wil spreken. De rest van uw gezelschap zal hier worden ondergebracht en met het ochtendkrieken naar boven worden gezonden.’
    Haar oom sprong van zijn paard. ‘Wat is dat voor waanzin?’ zei hij onomwonden. Brynden Tulling nam nooit een blad voor de mond.
    ‘Een nachtelijke klim terwijl de maan niet eens vol is? Dat is vragen om een gebroken nek, dat weet zelfs Lysa.’
    ‘De muilezels weten de weg, ser Brynden.’ Een mager meisje van een jaar of zeventien, achttien ging naast heer Nestor staan. Haar haren waren donker en kort, recht afgeknipt rond haar hoofd, en ze droeg leren rijkleding en een licht maliënhemd van verzilverde ringetjes. Ze boog voor Catelyn, sierlijker dan haar heer. ‘Ik beloof u, vrouwe, dat u niets zal overkomen. Ik zal het als een eer beschouwen u naar boven te begeleiden. Ik heb die klim wel honderd keer in het donker gemaakt. Mychel zegt dat mijn vader een geit moet zijn geweest.’
    Ze klonk zo wijsneuzig dat Catelyn moest glimlachen. ‘Heb je ook een naam, kind?’
    ‘Mya Steen, met uw welnemen, vrouwe,’ zei het meisje. Maar van welnemen was geen sprake: het kostte Catelyn moeite om te blijven glimlachen. Steen was een bastaardnaam in de Vallei, zoals Sneeuw in het noorden en Bloemen in Hooggaarde. In elk van de Zeven Koninkrijken had zich een vaste achternaam gevormd voor kinderen die zonder eigen naam werden geboren. Catelyn had niets tegen dit meisje, maar ze moest plotseling onwillekeurig aan Neds bastaard op de Muur denken, en die gedachte maakte haar boos en gaf haar tegelijkertijd een schuldgevoel. Ze deed haar best een reactie te verzinnen. Heer Nestor vulde de stilte op. ‘Mya is een verstandige meid, en als zij dat zegt brengt ze u veilig bij vrouwe Lysa, dat neem ik van haar aan. Ze heeft me nog nooit in de steek gelaten.’
    ‘Dan vertrouw ik mezelf aan jou toe, Mya Steen,’ zei Catelyn.
    ‘Heer Nestor, ik draag u op mijn gevangene goed te bewaken.’
    ‘En ik draag u op, de gevangene een beker wijn en een lekker knapperige kapoen te brengen voordat hij omkomt van de honger,’
    zei Lannister. ‘Een meisje zou ook leuk zijn, maar dat zal wel te veel gevraagd zijn.’ De huurling Bronn lachte hardop.
    Lord Nestor negeerde de grappenmakerij. ‘Het zal gebeuren zoals u zegt, vrouwe.’ Pas toen keek hij naar de dwerg. ‘Leid heer Lannister naar een torencel en breng hem eten en drinken.’
    Terwijl Tyrion Lannister werd weggeleid zei Catelyn haar oom en de anderen gedag en volgde toen het bastaardmeisje door het slot. In de bovenste hof wachtten twee muilezels, gezadeld en reisvaardig. Mya hielp haar op de ene, terwijl een wachter in een hemelsblauwe mantel het smalle uitvalsdeurtje opende. Daarachter groeiden de pijnbomen en sparren dicht opeen en rees de berg als een zwarte muur omhoog, maar de traptreden waren er, diep in de rots gebeiteld, een ladder naar de hemel. ‘Sommige mensen merken dat het makkelijker gaat als ze hun ogen sluiten,’ zei Mya terwijl ze de muilezels door de poort het dichte bos inleidde. ‘Als ze bang of duizelig worden houden ze zich soms te stevig aan de muilezels vast. Die vinden dat niet prettig.’
    ‘Ik ben een Tulling van geboorte en getrouwd met een Stark,’ zei Catelyn. ‘Ik word niet snel bang. Ben je van plan een toorts aan te steken?’ Het was pikdonker op de treden.
    Het meisje trok een gezicht. ‘Toortsen verblinden alleen maar. In een heldere nacht als deze zijn de maan en de sterren genoeg. Mychel zegt dat ik uilenogen heb.’ Ze steeg op en zette haar muilezel aan om de eerste tree te beklimmen. Catelyns beest volgde vanzelf.
    ‘Je had het daarnet ook over Mychel,’ zei Catelyn. De muilezels bepaalden het tempo, traag maar gelijkmatig. Zij vond het allang best.
    ‘Mychel is mijn geliefde,’ legde Mya uit. ‘Mychel Roodfoort. Hij is schildknaap bij ser Lyn Corbree. We gaan trouwen zodra hij ridder wordt, het volgend jaar of het jaar daarop.’
    Nu klonk ze net als Sansa, zo naïef gelukkig met haar dromen. Catelyn glimlachte triest. De Roodfoorts waren een oud geslacht in de Vallei, wist ze, met het bloed van de Eerste Mensen in hun aderen. Ze was dan misschien zijn geliefde, maar geen Roodfoort zou ooit met een bastaard trouwen. Zijn familie zou een passender huwelijk voor hem arrangeren, met een Corbree of een Wagenholt of een Roys, of misschien met een dochter van een van de grotere huizen buiten de Vallei. Als Mychel Roodfoort met dit meisje naar bed ging, dan was dat tussen de verkeerde lakens.
    De klim was makkelijker dan Catelyn had durven hopen. De bomen verdrongen zich langs het pad en bogen zich eroverheen als een ruisend groen dak waar zelfs de maan niet doorheen drong, zodat ze leken op te stijgen door een lange, zwarte tunnel. Maar de muilezels liepen met vaste tred, en Mya Steen leek inderdaad met nachtogen begiftigd te zijn. Ze draaiden en zwenkten met de treden mee en zwoegden zigzaggend langs de bergwand omhoog. Een dikke laag afgevallen naalden bedekte het pad als een tapijt, zodat de hoefijzers van hun muilezels bijna geen geluid op de rotsen maakten. De stilte had een kalmerende uitwerking op haar, en door het zachte wiegen begon Catelyn heen en weer te zwaaien in het zadel. Het duurde niet lang of ze moest tegen de slaap vechten. Misschien dommelde ze echt even in, want plotseling doemde er een stevige, met ijzer beslagen poort voor hen op. ‘Steen,’ kondigde Mya opgewekt aan en steeg af. Indrukwekkende stenen muren waren over de gehele bovenkant met ijzeren pieken bezet, en twee dikke, ronde torens rezen boven de donjon uit. Op Mya’s roep zwaaide de poort open. Binnen werd Mya met name begroet door de gezette ridder die het bevel over het wegkasteel voerde. Hij bood hen een spies met dichtgeschroeid vlees aan, en hete uien, zo van het spit. Catelyn had niet geweten dat ze zo’n honger had. Ze at staande op de binnenplaats terwijl hun zadels door stalknechten op verse muilezels werden gelegd. Het hete vleesnat droop van haar kin op haar mantel, maar ze was zo uitgehongerd dat het haar niet kon schelen.
    Daarna ging het op een nieuwe muilezel weer naar buiten, het sterrenlicht in. Het tweede gedeelte van de klim kwam Catelyn verraderlijker voor. Het pad was steiler en de treden waren verder uitgesleten en hier en daar bezaaid met kiezels en brokken steen. Mya moest een stuk of zes keer afstijgen om hun pad van neergestort gesteente te ontdoen. ‘Het is niet de bedoeling dat uw muilezel hierboven een been breekt,’ zei ze, wat Catelyn moest beamen. Ze merkte nu duidelijker hoe hoog ze waren. De bomen groeiden hier spaarzamer en de wind was harder, stevige windstoten die aan haar kleren trokken en het haar in haar ogen bliezen. Soms maakten de treden een haarspeldbocht, en dan kon ze onder hen Steen zien liggen, en nog verder naar beneden de Poorten van de Maan, waarvan de toortsen niet feller schenen dan kaarsvlammetjes. Sneeuw was kleiner dan Steen, één enkele versterkte toren en een houten burcht met een stal achter een lage muur van ongemetselde steen. Toch zat het dusdanig tegen de Reuzenlans genesteld dat het de hele stenen trap vanaf het lager gelegen wegkasteel beheerste. Een vijand die het op het Adelaarsnest had gemunt zou zich vanaf Steen stap voor stap een weg omhoog moeten vechten, terwijl het vanaf het hoger gelegen Sneeuw stenen en pijlen regende. De bevelhebber, een bezorgde jonge ridder met een pokdalig gezicht, bood hun brood en kaas aan en de gelegenheid zich bij zijn vuur te warmen, maar Mya bedankte. ‘We moeten verder, vrouwe,’ zei ze, ‘met uw welnemen.’ Catelyn knikte. Weer kregen ze verse muilezels. De hare was wit. Mya glimlachte toen ze hem zag. ‘Witje is een goeie, vrouwe. Staat stevig op zijn benen, zelfs op het ijs, maar weest u wel voorzichtig. Als hij iemand niet mag gaat hij schoppen.’
    De witte muilezel scheen Catelyn wel te mogen, want er werd niet geschopt, de goden zij dank. IJs lag er tot haar even grote opluchting ook niet. ‘Mijn moeder zegt dat de sneeuw honderden jaren geleden hier begon,’ vertelde Mya haar. ‘Het was hierboven altijd wit, en het ijs smolt nooit.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik zo laag op de berg ooit sneeuw heb gezien, maar misschien was het vroeger wel zo, in de tijden van weleer.’
    Zo jong nog, dacht Catelyn en probeerde zich te herinneren of zij ooit zo was geweest. Het meisje had haar halve leven in de zomer geleefd, en meer had ze niet meegemaakt. De winter komt, kind, wilde ze zeggen. De woorden lagen haar op de lippen en bijna had ze ze uitgesproken. Misschien werd ze toch nog een Stark. Boven Sneeuw leek de wind een levend wezen. Hij huilde om hen heen als een wolf in de wildernis en viel dan weer ineens weg, alsof hij hen tot onvoorzichtigheid wilde verleiden. De sterren leken hier helderder, zo dichtbij dat ze ze bijna kon aanraken, en de gehoornde maan hing groot in de wolkeloze zwarte hemel. Bij het klimmen merkte Catelyn dat ze beter naar boven dan naar beneden kon kijken. De treden waren door eeuwen van vorst en dooi en de hoeven van ontelbare muilezels gebarsten en gebroken, en zelfs in het donker kreeg ze hartkloppingen van de grote hoogte. Toen ze bij een hooggelegen doorgang tussen twee rotspieken kwamen steeg Mya af. ‘Hier kunnen we de muilezels beter te voet overheen leiden,’ zei ze. ‘De wind kan hier enigszins beangstigend zijn, vrouwe.’
    Stijfjes klauterde Catelyn de schaduwen uit en keek naar het pad vóór hen, twintig voet lang en bijna drie voet breed, maar naar beide kanten loodrecht aflopend. Ze hoorde de wind fluiten. Mya liep er lichtvoetig overheen met haar muilezel achter zich aan, zo bedaard alsof ze een binnenplein overstaken. Het was haar beurt. Maar ze had nog maar net één stap gezet of de vrees greep Catelyn bij de keel. Ze voelde de leegte, de enorme, zwarte afgronden van lucht die rondom haar gaapten. Trillend bleef ze staan en durfde zich niet meer te verroeren. De wind gierde in haar gezicht, rukte aan haar mantel en trachtte haar over de rand te duwen. Catelyn schoof haar voet naar achteren, een heel benauwd klein stapje, maar de muilezel stond achter haar en ze kon niet terug. Dit wordt mijn dood, dacht ze. Ze voelde het koude zweet over haar rug lopen.
    ‘Vrouwe Stark,’ riep Mya over de afgrond heen. Het meisje klonk alsof ze duizenden mijlen ver weg was. ‘Is alles goed met u?’
    Catelyn Stark-Tulling slikte de restanten van haar trots in. ‘Ik… ik kan dit niet, kind,’ riep ze.
    ‘Jawel, u kunt het best,’ zei het bastaardmeisje. ‘Dat weet ik zeker. Kijk maar hoe breed het pad is.’
    ‘Ik wil niet kijken.’ De hele wereld — de berg, de lucht en de muilezels — leek om haar heen te draaien als de tol van een kind. Catelyn sloot haar ogen om haar onregelmatige ademhaling in bedwang te krijgen.
    ‘Ik kom u wel halen,’ zei Mya. ‘Niet bewegen, vrouwe.’
    Bewegen was wel het laatste dat Catelyn wilde. Ze luisterde naar het snerpen van de wind en het sloffende geluid van leer over steen. Toen was Mya bij haar en nam haar voorzichtig bij de arm. ‘Houd uw ogen maar dicht als u dat liever doet. Laat het touw maar los, Witje komt vanzelf wel. Heel goed, vrouwe. Ik breng u eroverheen, er is niets aan, u zult het zien. Nu moet u een stap zetten. Ja zo, beweeg uw voet maar, gewoon naar voren schuiven. Kijk maar. Nu nog een keer. Kalm aan. U zou zo naar de andere kant kunnen rennen. Nog eens, ga door. Ja.’ En zo, voetje voor voetje, stap voor stap, loodste het bastaardmeisje Catelyn, die trilde en haar ogen dichthield, naar de overkant terwijl de witte muilezel bedaard achter hen aan liep.
    Het wegkasteel dat Lucht werd genoemd was niet meer dan een hoge, halvemaanvormige muur van ongemetselde steen die tegen de bergwand was gebouwd, maar in de ogen van Catelyn Stark zouden zelfs de onoverdekte torens van Valyria niet mooier zijn geweest. Hier begon eindelijk de sneeuwkap. De verweerde stenen van Lucht waren bedekt met rijp, en van de hellingen daarboven hingen lange speren van ijs omlaag.
    In het oosten brak de dageraad aan toen Mya Steen de wachters een groet toeriep en de poorten voor hen opengingen. Binnen de muren was alleen maar een rij schansen, en een enorme hoop rotsblokken en stenen in alle maten. Niets kon eenvoudiger zijn dan van hieraf een lawine op gang te brengen. Vóór hen in de rotswand gaapte een muil. ‘Daarbinnen zijn de stallen en de slaapzalen,’ zei Mya.
    ‘Het achterste gedeelte is binnen in de berg. Het kan een beetje donker zijn, maar je bent er in elk geval uit de wind. Verder dan hier kunnen de muilezels niet. Voorbij dit punt is het, eh… een soort schoorsteen, meer een stenen ladder dan een echte trap, maar het valt wel mee. Nog één uur, en we zijn er.’
    Catelyn keek op. Recht boven haar kon ze de fundamenten van het Adelaarsnest flets in het ochtendlicht zien schemeren. Het kon niet meer dan zeshonderd voet boven hen zijn. Van onderaf zag het eruit als een kleine, witte honingraat. Ze herinnerde zich wat haar oom over manden en lieren had gezegd. ‘De Lannisters mogen dan trots zijn,’ zei ze tegen Mya, ‘maar de Tullings zijn van huis uit met meer gezond verstand begiftigd. Zeg maar dat ze een mand laten zakken. Ik ga wel met de knollen mee.’
    De zon stond al ruim boven de bergen toen Catelyn Stark eindelijk het Adelaarsnest bereikte. Een gedrongen man met zilverwit haar in een hemelsblauwe mantel en een gedreven borstharnas met de maan en de valk erop hielp haar uit haar mand: Ser Vardis Egen, het hoofd van Jon Arryns hofwacht. Naast hem stond Maester Colemon, dun en nerveus, met te weinig haar en te veel nek. ‘Vrouwe Stark,’ zei ser Vardis, ‘dit is een even onverwacht als groot genoegen.’ Maester Colemons hoofd wiebelde bevestigend heen en weer.
    ‘Waarlijk, dat is het, vrouwe, dat is het. Ik heb uw zuster ingelicht. Ze had bevel gegeven dat ze gewekt wilde worden zodra u er was.’
    ‘Ik hoop dat ze een goede nachtrust heeft gehad,’ zei Catelyn met een zekere scherpte die niemand leek op te merken.
    De mannen leidden haar vanuit de takelruimte een wenteltrap op. Naar de maatstaven van de grote huizen gemeten was het Adelaarsnest een klein kasteel: zeven slanke witte torens die dicht opeengepakt als pijlen in een koker op een flank van de grote berg stonden. Hier waren geen stallen, smidsen of kennels nodig, maar Ned had gezegd dat de graanschuur even groot was als die van Winterfel en dat de torens ruimte boden voor vijfhonderd man. Toch kwam het Catelyn merkwaardig verlaten voor toen ze erdoorheen liep. De lichte stenen zalen klonken leeg en hol.
    Lysa zat alleen te wachten in haar bovenvertrek, nog in haar nachtgewaad. Haar lange, kastanjebruine haar hing los over haar naakte, witte schouders en haar rug. Achter haar stond een meid de klitten van die nacht eruit te borstelen, maar toen Catelyn binnenkwam stond haar zuster glimlachend op. ‘Cat,’ zei ze. ‘O Cat, wat ben ik blij je te zien. Mijn lieve zuster.’ Ze rende de kamer door en sloeg haar armen om haar zuster heen. ‘Wat is dat lang geleden,’ mompelde Lysa tegen haar. ‘Wat vreselijk, vreselijk lang.’
    Het was om precies te zijn vijf jaar, voor Lysa vijf harde jaren. Ze hadden hun tol geëist. Haar zuster was twee jaar jonger, maar nu zag ze er ouder uit. Ze was minder lang dan Catelyn, en haar lichaam was uitgedijd en haar gezicht bleek en pafferig geworden. Ze had de blauwe ogen van de Tullings, maar de hare waren flets en waterig en voortdurend in beweging. Haar kleine mond had pruillippen gekregen. Terwijl Catelyn haar vasthield zag ze het slanke meisje met de hoge boezem weer voor zich dat op een dag samen met haar had staan wachten in de sept van Stroomvliet. Wat was ze lieftallig en vol verwachting geweest. Het enige dat nog restte van haar zusters schoonheid was de waterval van dik, kastanjebruin haar die tot aan haar middel kwam.
    ‘Je ziet er goed uit,’ loog Catelyn, ‘maar… vermoeid.’
    Haar zuster liet haar los. ‘Vermoeid. Ja. O ja.’ Toen pas leek ze de anderen te zien: haar meid, Maester Colemon, ser Vardis. ‘Laat ons alleen,’ beval ze. ‘Ik wil mijn zuster onder vier ogen spreken.’
    Terwijl ze zich terugtrokken hield ze Catelyns hand vast… om die los te laten zodra de deur dichtging. Catelyn zag haar gezichtsuitdrukking veranderen. Het was alsof er een wolk voor de zon schoof.
    ‘Ben je niet goed bij je hoofd?’ snauwde Lysa haar toe. ‘Dat je hem hier brengt, zonder een woord van toestemming, zonder me zelfs maar te waarschuwen, en ons te betrekken bij jouw geschillen met de Lannisters?’
    ‘Mijn geschillen?’ Catelyn geloofde haar oren niet. In de haard brandde een groot vuur, maar in Lysa’s stem was geen spoor van warmte te bespeuren. ‘Die zijn als jouw geschillen begonnen, zuster. Jij hebt me die vervloekte brief gestuurd. Jij hebt geschreven dat de Lannisters je echtgenoot hadden vermoord.’
    ‘Om je te waarschuwen, zodat je uit hun buurt zou blijven! Het heeft nooit in mijn bedoeling gelegen om tegen ze te vechten\ Alle goden, Cat, weet je wel wat je gedaan hebt?’
    ‘Moeder?’ zei een klein stemmetje. Lysa draaide zich met een ruk om, zodat haar zware gewaad om haar heen ruiste. Robert Arryn, heer van het Adelaarsnest, stond in de deuropening met een voddenpop in zijn armen geklemd en staarde hen met grote ogen aan. Het kind was griezelig mager, te klein voor zijn leeftijd, al ziekelijk sinds zijn geboorte, en nu en dan beefde hij. De trillende ziekte, noemden de maesters dat. ‘Ik hoorde stemmen.’
    Niet zo verwonderlijk, dacht Catelyn. Haar zuster had bijna staan schreeuwen. Toch waren Lysa’s blikken messen in haar richting. ‘Dit is je tante Catelyn, kindje. Mijn zuster, vrouwe Stark. Weet je nog?’
    De jongen keek haar wezenloos aan. Hij knipperde met zijn ogen en zei: ‘Ik geloof het wel,’ al was hij nog geen jaar oud geweest toen Catelyn hem voor het laatst had gezien.
    Lysa ging bij de haard zitten en zei: ‘Kom maar bij mama, schattebout.’ Ze trok zijn nachtkleding recht en frunnikte aan zijn fijne, bruine haar. ‘Is hij niet mooi? En sterk ook, geloof maar niet wat ze je vertellen. Jon wist het wel. Het zaad is sterk, zei hij tegen me. Zijn laatste woorden. Hij herhaalde telkens Roberts naam, en hij greep me zo hard bij mijn arm dat er rode vlekken op kwamen.Zeg tegen ze dat het zaad sterk is. Zijn zaad. Hij wilde dat iedereen zou weten wat een goede, sterke jongen mijn kindje zou worden.’
    ‘Lysa,’ zei Catelyn. ‘Als je gelijk hebt wat de Lannisters betreft is dat des te meer reden om snel te handelen. We…’
    ‘Niet waar het kindje bij is,’ zei Lysa. ‘Hij is heel gevoelig, hè schattebout?’
    ‘De jongen is heer van het Adelaarsnest en Verdediger van de Vallei,’ bracht Catelyn haar in herinnering, ‘en dit is niet het moment om gevoelig te zijn. Ned denkt dat er misschien oorlog komt.’
    ‘Stil!’ snauwde Lysa haar toe. ‘Je maakt de jongen bang.’ De kleine Robert gluurde over zijn schouder naar Catelyn en begon te beven. Zijn pop viel op de biezen en hij klampte zich aan zijn moeder vast. ‘Niet bang zijn, lief kindje,’ fluisterde Lysa. ‘Mama is hier, er zal je niets overkomen.’ Ze maakte haar gewaad open en trok er een zware, bleke borst met een kleine rode knop uit. De jongen graaide er gretig naar, drukte zijn gezicht tegen haar boezem en begon te zuigen. Lysa streek hem over zijn haar. Catelyn was sprakeloos. Jon Arryns zoon, dacht ze ongelovig. Ze dacht aan haar eigen kleine jongen, de driejarige Rickon, half zo oud als dit knaapje en met vijf keer zoveel pit. Geen wonder dat de heren van de Vallei ongedurig waren. Voor het eerst begreep ze waarom de koning had geprobeerd het kind bij de moeder weg te halen en bij de Lannisters te laten opvoeden…
    ‘Hier zijn we veilig,’ hoorde ze Lysa zeggen, tegen haar of de jongen, dat wist Catelyn niet.
    ‘Wat een dwaasheid,’ snauwde Catelyn, die kwaad werd. ‘Niemand is veilig. Als je soms denkt dat de Lannisters je zullen vergeten zolang je je hier verschuilt vergis je je zeer.’
    Lysa legde haar hand over het oor van haar zoon. ‘Ook al zouden ze erin slagen een leger door de bergen te leiden en de Bloedpoort te passeren, het Adelaarsnest is onneembaar. Je hebt het zelf gezien. Geen vijand kan ons hier ooit bereiken.’
    Catelyn had haar het liefst een klap gegeven. Oom Brynden had haar geprobeerd te waarschuwen, besefte ze. ‘Geen enkel kasteel is onneembaar.’
    ‘Dit wel,’ hield Lysa vol. ‘Dat zegt iedereen. Het enige is: wat moet ik met die Kobold aan die je me hebt gebracht?’
    ‘Is het een slechte man?’ vroeg de heer van het Adelaarsnest, en de borst van zijn moeder plopte uit zijn mond, de tepel nat en rood.
    ‘Een heel slechte man,’ zei Lysa terwijl ze haar gewaad op zijn plaats trok, ‘maar mama zal niet toelaten dat hij mijn kleine kindje kwaad doet.’
    ‘Laat hem vliegen,’ zei Robert gretig.
    Lysa streelde het haar van haar zoon. ‘Ja, misschien doen we dat wel,’ mompelde ze. ‘Dat zou wel eens precies kunnen zijn wat we gaan doen.’

Eddard

    Hij trof Pinkje aan in de gelagkamer van het bordeel, waar hij gezellig zat te kletsen met een lange, elegante vrouw met een veren jurk over haar inktzwarte huid. Bij de haard was Huard met een wulpse deern aan het pandverbeuren. Zo op het oog had hij tot dusverre zijn riem, zijn mantel, zijn maliënhemd en zijn rechterlaars verbeurd, terwijl het meisje haar hemd tot aan de taille had moeten openknopen. Jory Cassel stond naast een beregende ruit met een wrang lachje op zijn gezicht te kijken hoe Huard zijn stenen omkeerde en van zijn uitzicht genoot.
    Beneden aan de trap bleef Ned staan en trok zijn handschoenen aan. ‘Tijd om te vertrekken. Mijn zaken hier zijn afgehandeld.’
    Huard kwam zwaaiend overeind en graaide gehaast zijn spullen bij elkaar. ‘Zoals u wenst, heer,’ zei Jory. ‘Ik ga wel met Wyl mee om de paarden te halen.’ Hij beende naar de deur.
    Pinkje nam de tijd om afscheid te nemen. Hij kuste de hand van de zwarte vrouw, fluisterde haar iets grappigs toe waarom ze hardop moest lachen en slenterde naar Ned. ‘Uw zaken,’ zei hij luchtig, ‘of die van Robert? Ze zeggen dat de Hand ’s konings dromen droomt, met de stem des konings spreekt en met het zwaard des konings regeert. Houdt dat in dat u ook naait met ’s konings…’
    ‘Heer Baelish,’ onderbrak Ned hem, ‘u gaat te ver. Ik ben u niet ondankbaar voor uw hulp. Zonder u had het misschien jaren geduurd voor we dit bordeel hadden gevonden. Maar dat houdt nog niet in dat ik van plan ben uw spotternijen te ondergaan. En ik ben de Hand des Konings niet meer.’
    ‘Zo’n schrikwolf moet een prikkelbaar beest zijn,’ zei Pinkje, en een van zijn mondhoeken wees scherp omlaag.
    Terwijl ze naar de stallen liepen viel er een warme plensregen uit een loodgrijze hemel. Ned zette de kap van zijn mantel op. Jory leidde zijn paard naar buiten. De jonge Wyl kwam vlak achter hem aan. Hij voerde met één hand Pinkjes merrie mee terwijl hij met zijn andere hand aan zijn riem en de koorden van zijn broek frummelde. Een hoertje op blote voeten leunde over de staldeur en giechelde tegen hem.
    ‘Gaan we nu terug naar het kasteel, heer?’ vroeg Jory. Ned knikte en zwaaide zich in het zadel. Naast hem steeg Pinkje op. Jory en de overigen volgden.
    ‘Chataya houdt er een uitgelezen etablissement op na,’ zei Pinkje terwijl ze wegreden. ‘Ik overweeg het te kopen. Je kunt veel beter in bordelen dan in schepen investeren, heb ik ontdekt. Hoeren zinken maar zelden, en als ze door piraten geënterd worden betalen die net als ieder ander met klinkende munt.’ Heer Petyr grinnikte om zijn eigen geestigheid.
    Ned liet hem maar kletsen. Na een poosje hield hij zijn mond en reden ze in stilte verder. De straten van Koningslanding waren leeg. De regen had iedereen naar binnen gejaagd. Hij roffelde op Neds hoofd neer, warm als bloed en aanhoudend als een oud schuldgevoel. Dikke waterdruppels biggelden over zijn gezicht.
    ‘Robert zal zich nooit tot één bed beperken,’ had Lyanna op een lang vervlogen avond in Winterfel tegen hem gezegd nadat hun vader de jeugdige heer van Stormeinde haar hand had beloofd. ‘Ik heb gehoord dat hij bij een meisje uit de Vallei een kind heeft verwekt.’
    Ned had Mya vastgehouden en kon haar bestaan nauwelijks ontkennen, en evenmin wilde hij zijn zuster voorliegen, maar hij had haar verzekerd dat het niet uitmaakte wat Robert voor hun verloving had uitgevoerd, dat hij een goed en oprecht man was die haar van ganser harte zou liefhebben. Lyanna had slechts geglimlacht.
    ‘Liefde is zoet, beste Ned, maar de aard van het beestje verandert er niet door.’
    Het meisje was zo jong geweest dat Ned niet naar haar leeftijd had durven vragen. Ze was ongetwijfeld nog maagd geweest. Als je beurs maar dik genoeg was wisten de betere bordelen altijd wel een maagd op te duikelen. Ze had lichtrood haar en over de brug van haar neus liep een spoor van sproeten, en toen ze een borst ontblootte om de baby aan te leggen zag hij dat die ook vol sproeten zat. ‘Ik heb haar Barra genoemd,’ zei ze terwijl het kind dronk. ‘Ze lijkt zo op hem, vindt u ook niet, heer? Ze heeft zijn neus, en zijn haar…’
    ‘Ja, dat is zo.’ Eddard Stark had het fijne, donkere haar van de baby gestreeld, dat als zwarte zij door zijn vingers vloeide. Roberts eerstgeborene had net zulk fijn haar gehad, voor zover hij het zich herinnerde. ‘Wilt u hem dat zeggen als u hem ziet, heer, als… als het u behaagt. Vertel hem hoe mooi ze is.’
    ‘Ik zal het doen,’ had Ned beloofd. Dat was nu juist de ellende. Robert zwoer hun eeuwige liefde en was hen vergeten vóór de avond viel, maar Ned Stark hield woord. Hij dacht aan wat hij Lyanna op haar sterfbed had beloofd, en aan de prijs die hij had betaald om die beloften te houden.
    ‘En zeg hem dat ik met niemand anders ben geweest. Ik zweer het, heer, bij de oude goden en de nieuwe. Chataya wilde me die zes maanden wel schenken, vanwege de baby en omdat hij hopelijk terugkomt. Dus u wilt hem vast wel zeggen dat ik op hem wacht. Ik hoef geen juwelen of zo, alleen hem. Hij is altijd goed voor me geweest, echt waar.’
    Goed voor je, dacht Ned hol. ‘Ik zal het hem zeggen, kind, en ik beloof je dat het Barra aan niets zal ontbreken.’ Toen glimlachte ze, zo’n beverig en lief lachje dat het hem wee om het hart werd. En nu, terwijl hij wegreed, zag Ned het gezicht van Jon Sneeuw, dat zo op een jongere versie van het zijne leek, voor zijn geestesoog. Als de goden zo onwelgevallig op bastaarden neerzagen, dacht hij dof, waarom hebben ze mannen dan zoveel begeerte meegegeven? ‘Heer Baelish, wat weet u van Roberts bastaarden?’
    ‘Om te beginnen dat hij er meer heeft dan u.’
    ‘Hoeveel?’
    Pinkje haalde zijn schouders op. Vochtige stroompjes biggelden over de rug van zijn mantel omlaag. ‘Doet het er wat toe? Als je maar genoeg vrouwen in je bed haalt zitten er altijd wel een paar tussen die je een cadeautje geven, en Zijne Genade is wat dat betreft nooit terughoudend geweest. Ik weet dat hij die jongen in Stormeinde erkend heeft, dat kind dat hij heeft verwekt op de avond dat heer Stannis trouwde. Hij kon ook moeilijk anders. De moeder was een Florens, het nichtje van vrouwe Selyse, een van haar kameniers. Renling zegt dat Robert het meisje tijdens het feest naar boven droeg en zich meester maakte van het bruidsbed toen Stannis en bruid nog aan het dansen waren. Heer Stannis scheen dat een smet op het blazoen van zijn vrouws huis te vinden, dus toen de jongen geboren was stuurde hij hem per schip naar Renling.’ Hij gluurde opzij naar Ned. ‘Ik heb ook horen fluisteren dat Robert een tweeling heeft verwekt bij een dienstmeid op de Rots van Casterling, drie jaar geleden, toen hij voor het toernooi van heer Tywin in het westen was. Cersei heeft de zuigelingen laten doden en de moeder aan een passerende slavenhandelaar verkocht. Te affreus voor de Lannisters, zo dicht bij huis.’
    Ned Stark trok een gezicht. Zulke afschuwelijke verhalen werden over alle hoge heren in het rijk verteld. Van Cersei Lannister wilde hij het wel geloven… maar zou de koning zoiets zomaar over zijn kant hebben laten gaan?
    De Robert die hij had gekend niet, maar de Robert die hij had gekend had ook niet zo makkelijk zijn ogen gesloten voor ongewenste zaken. ‘Waarom zou Jon Arryn plotseling zo’n belangstelling hebben gekregen voor de onwettige kinderen van de koning?’
    Het mannetje haalde zijn drijfnatte schouders op. ‘Hij was de Hand des Konings. Robert heeft hem ongetwijfeld gevraagd te zorgen dat er in hun behoeften werd voorzien.’
    Ned was tot op het bot doorweekt, en zijn ziel was verkild. ‘Er moet meer aan de hand zijn geweest. Waarom zou hij anders vermoord zijn?’
    Pinkje schudde de regen uit zijn haar en lachte. ‘Nu snap ik het!
    Heer Arryn kwam erachter dat Zijne Genade een paar hoeren en viswijven een baby in hun buik had gesplitst, en dus moesten ze hem het zwijgen opleggen. Geen wonder. Als je zo’n man in leven laat gaat hij straks nog rondbazuinen dat de zon in het oosten opgaat.’
    Daar kon Ned slechts zijn wenkbrauwen over fronsen. Hij betrapte zich erop dat hij voor het eerst in jaren aan Rhaegar Targaryen dacht. Hij vroeg zich af of Rhaegar vaak bordelen had bezocht. Om de een of andere reden betwijfelde hij dat.
    De regen viel nu met bakken uit de hemel. Hij priemde in hun ogen en kletterde op de grond. Rivieren van bruin water stroomden de heuvel af toen Jory plotseling riep: ‘Heer.’ Zijn stem was schor van schrik, en het volgende moment was de straat vol soldaten. Ned ving een glimp op van maliën over leer, handschoenen en scheenplaten, stalen helmen met een gouden leeuw erop. Karmozijnrode mantels plakten tegen hun ruggen, doornat van de regen. Hij had geen tijd om ze te tellen, maar er waren er minstens tien, een linie die te voet de straat blokkeerde, met zwaarden en speren met ijzeren punten. ‘Van achteren!’ hoorde hij Wyl roepen, en toen hij zijn paard wendde doken er achter hen nog meer op die hun de terugweg versperden. Jory’s zwaard schoot zingend uit de schede.
    ‘Ga opzij of sterf!’
    ‘De wolven huilen,’ zei de aanvoerder van de roodmantels tegen zijn mannen. De regen stroomde over zijn gezicht. ‘Maar wat een klein troepje.’
    Pinkje bracht zijn paard voorzichtig naar voren, stapje voor stapje. ‘Wat heeft dit te betekenen? Dit is de Hand des Konings.’
    ‘Hij was de Hand des Konings.’ De modder dempte de hoefslagen van zijn volbloed hengst. De linie week voor hem uiteen. Op een gouden borstharnas brulde de leeuw van Lannister uitdagend. ‘Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat hij is.’
    ‘Lannister, dit is waanzin,’ zei Pinkje. ‘Laat ons erlangs. We worden terugverwacht op het kasteel. Weet je wel wat je doet?’
    ‘Hij weet wat hij doet,’ zei Ned kalm.
    Jaime Lannister glimlachte. Zelfs op een dag zo grijs en nat als deze scheen zijn haar fel als de zon. ‘Heel juist. Ik zoek mijn broer. U herinnert zich mijn broer toch nog wel, heer Stark? Hij was er ook bij in Winterfel. Blond haar, ongelijke ogen, scherpe tong. Een kleine man.’
    ‘Hij staat me nog helder voor de geest,’ antwoordde Ned.
    ‘Het schijnt dat hij onderweg op moeilijkheden is gestuit. Mijn edele vader is ten zeerste vertoornd. U weet zeker niet toevallig wie mijn broer een kwrad hart toedraagt?’
    ‘Uw broer is op mvijn bevel gegrepen om rekenschap van zijn misdaden af te leggen,’ zei Ned Stark. Pinkje kreunde van ontzetting. ‘Mijne heren…’
    Ser Jaime rukte zijn zwaard uit de schede en dreef zijn hengst naar voren. ‘Ontbloot uw staal, heer Eddard. Desnoods slacht ik u af zoals Aerys, maar ik heb liever dat u sterft met een wapen in de hand.’
    Hij keek Pinkje koel en minachtend aan. ‘Heer Baelish, als ik u was vertrok ik met gezwinde spoed, als u tenminste geen bloedvlekken op uw kostbare kledij wilt.’
    Die aansporing had Pinkje niet nodig. ‘Ik ga de stadswacht halen,’ beloofde hij Ned. De Lannister-linie week uiteen om hem door te laten en sloot zich weer achter hem. Pinkje dreef zijn hielen in de flanken van zijn merrie en verdween om een hoek.
    Neds mannen hadden hun zwaard getrokken, maar het was drie tegen twintig. Ogen keken toe vanuit omringende ramen en deuren, maar geen mens maakte aanstalten om in te grijpen. Zijn gezelschap was te paard, de Lannisters waren te voet, op Jaime zelf na. Misschien zou een charge redding brengen, maar Eddard Stark meende over een zekerder en veiliger tactiek te beschikken. ‘Als je mij doodt,’ waarschuwde hij de Koningsmoordenaar, ‘maakt Catelyn ongetwijfeld een eind aan Tyrions leven.’
    Jaime Lannister porde Ned in de borst met het vergulde zwaard dat van het bloed van de laatste der drakenkoningen had gedronken. ‘O ja? De edele Catelyn Tulling van Stroomvliet, die een gijzelaar vermoordt? Ik denk… van niet.’ Hij zuchtte. ‘Maar ik laat het leven van mijn broer liever niet van de eer van een vrouw afhangen.’
    Jaime liet het gouden zwaard in de schede glijden. ‘Dus kan ik je denk ik beter naar Robert laten rennen om hem te vertellen hoe bang ik je heb gemaakt. Ik vraag me af of het hem zal interesseren.’ Jaime streek zijn natte haar met zijn vingers naar achteren en wendde met een ruk zijn paard. Toen hij zich achter de linie zwaardvechters, bevond keek hij achterom naar zijn aanvoerder. ‘Tregar, zorg dat heer Stark geen kwaad geschiedt.’
    ‘Zoals u wilt, heer.’
    ‘Maar toch… het gaat niet aan dat hij er helemaal ongestraft afkomt, dus…’ Zelfs in de regen was de glimlach van ser Jaime oogverblindend. ‘… dood zijn mannen.’
    ‘Nee!’ schreeuwde Ned Stark en graaide naar zijn zwaard. Jaime reed al op een sukkeldrafje de straat uit toen hij Wyls kreet hoorde. De mannen drongen van beide kanten op. Ned reed er een tegen de grond en hakte op fantomen in rode mantels in die voor hem achteruitweken. Jory Cassel dreef zijn paard aan en ging in de aanval. Een met staal beslagen hoef trof met een misselijkmakend gekraak een Lannister-wachter in het gezicht. Een tweede man wankelde opzij, en even had Jory vrij baan. Vloekend werd Wyl van zijn stervende paard getrokken. Hun zwaarden maaiden door de regen. Ned galoppeerde naar hem toe en liet zijn slagzwaard zo hard op Tregars helm neerdalen dat hij op zijn tanden moest bijten. Tregar zonk op zijn knieën, de leeuw op zijn helm in tweeën gekliefd. Het bloed stroomde over zijn gezicht. Huard hakte net op de handen in die zijn teugels hadden gegrepen toen een speer hem in de buik trof. Ineens was Jory er weer, en een rode regen spatte van zijn zwaard. ‘Neer riep Ned. ‘Jory, weg!’ Neds paard gleed onder hem uit en plofte met een dreun in de modder. Even werd hij verblind door de pijn, en hij proefde de smaak van bloed op zijn tong.
    Hij zag hoe ze de benen onder Jory’s paard vandaan sloegen en hem op de grond trokken. Ze sloten hem in, en hun zwaarden rezen en daalden. Toen Neds paard overeind krabbelde probeerde hij op te staan, alleen maar om weer te vallen. Toen hij het wilde uitschreeuwen stikte hij bijna. Hij zag het versplinterde bot door zijn kuit steken, en dat was voorlopig het laatste dat hij zag. De regen bleef maar vallen.
    Toen hij zijn ogen weer opende was heer Eddard Stark alleen met zijn doden. Zijn paard kwam aanlopen, snoof de ranzige lucht van bloed op en galoppeerde ervandoor. Ned begon zich door de modder te slepen, zich verbijtend tegen de gruwelijke pijn in zijn been. Het leek jaren te duren. Van achter beregende ramen keken gezichten toe en uit stegen en deuren doken mensen op, maar niemand stak een hand uit om hem te helpen.
    Pinkje en de stadswacht troffen hem daar op straat aan terwijl hij het lijk van Jory Cassel in zijn armen wiegde.
    De goudmantels haalden ergens een draagbaar vandaan, maar de terugtocht naar het kasteel was één doffe kwelling, en Ned verloor meer dan eens het bewustzijn. Het stond hem nog bij dat hij de Rode Burcht voor zich zag opdoemen. De regen had de lichtroze steen van de massieve muren bloedrood geverfd.
    Het volgende moment boog grootmaester Pycelle zich met een beker over hem heen en fluisterde: ‘Drink dit, heer. Hier. Het melksap van de papaver, tegen de pijn.’ Hij herinnerde zich dat hij slikte en dat Pycelle iemand opdroeg de wijn tot het kookpunt te verhitten en schone zij voor hem te halen, en dat was het laatste dat hij wist.

Daenerys

    De Paardenpoort van Vaes Dothrak had de vorm van twee reusachtige, steigerende bronzen hengsten wier hoeven honderd voet boven de weg in een spitse boog bij elkaar kwaDany had geen idee waarvoor een stad een poort nodig had als er geen muren waren… en voor zover zij zag ook geen gebouwen. Maar hij stond er, en de immens grote paarden vormden een schitterend raamwerk voor de grillige purperen berg in het verschiet. De bronzen hengsten wierpen langgerekte schaduwen over het wuivende gras toen Khal Drogo met zijn bloedruiters aan zijn zij de khalasar onder hun hoeven door en de godenweg over leidde. Dany volgde op haar zilveren, begeleid door ser Jorah Mormont en haar broer Viserys, die nu weer te paard reisde. Na die dag in het gras, toen ze hem lopend naar de khalasar had laten terugkeren, waren de Dothraki hem meesmuilend Khal Rhae Mhar, de Blarenkoning, gaan noemen. De dag daarop had Khal Drogo hem een plaatsje in een wagen aangeboden, en Viserys had ja gezegd. In zijn hardnekkige onwetendheid had hij niet eens beseft dat hij voor gek werd gezet: de wagens waren bestemd voor eunuchen, kreupelen, barende vrouwen, kleine kinderen en stokoude mensen. Dat had hem nog een bijnaam bezorgd: Khal Rhaggat, de Wagenkoning. Haar broer meende dat de khal op die manier het onrecht dat hem door Dany was aangedaan, wilde goedmaken. Zij had ser Jorah gesmeekt de waarheid voor hem te verzwijgen, zodat hij niet beschaamd zou staan. De ridder had geantwoord dat de koning wel enige schaamte kon gebruiken… maar toch gedaan wat ze vroeg. Ze had lang moeten pleiten en in bed alle trucjes moeten toepassen die ze van Doreah had geleerd, vóór Drogo van gedachten veranderde en Viserys toestond weer naast hen aan het hoofd van de stoet te rijden.
    ‘Waar is de stad?’ vroeg ze toen ze onder de bronzen boog door reden. Er waren geen gebouwen te bekennen, geen mensen, slechts het gras en de weg, die geflankeerd werd door eeuwenoude monumenten uit alle landen die de Dothraki in de loop der tijden hadden geplunderd.
    ‘Recht vooruit,’ antwoordde ser Jorah. ‘Aan de voet van de berg.’
    Voorbij de paardenpoort rezen aan weerskanten van de weg geroofde goden en gestolen helden op. Vergeten godheden van dode steden hieven hun gebroken bliksemschichten ten hemel terwijl Dany op haar zilveren langs hun voeten reed. Stenen koningen zagen van hun tronen op haar neer, hun gezichten geschilferd en bevlekt en zelfs hun namen verloren in de mist der eeuwen. Lichtvoetige jonge maagden dansten op marmeren voetstukken, slechts bekleed met bloemenranken, of goten lucht uit gebarsten kruiken. In het gras naast de weg stonden monsters, draken van zwart ijzer met edelstenen als ogen, brullende griffioenen, manticora’s met staarten vol weerhaken, hoog opgeheven om toe te slaan, en andere beesten die ze niet thuis kon brengen. Sommige beelden waren adembenemend mooi, andere zo wanstaltig en angstaanjagend dat Dany er nauwelijks naar kon kijken. Volgens ser Jorah moesten die uit de Schaduwlanden achter Asshai afkomstig zijn.
    ‘Wat veel,’ zei ze terwijl haar zilveren er traag voorbijsjokte. ‘En uit zoveel landen.’
    Viserys was minder onder de indruk. ‘Het vuilnis van dode steden,’ snierde hij. Hij was zo verstandig de gewone omgangstaal te gebruiken, die maar weinig Dothraki verstonden, maar desondanks merkte Dany dat ze omkeek naar de mannen van haar khas om er zeker van te zijn dat niemand hem had verstaan. Hij vervolgde onverdroten: ‘Het enige dat deze wilden kunnen is dingen stelen die door betere lieden gebouwd zijn… en doden.’ Hij lachte. ‘Doden kunnen ze, dat is een ding dat zeker is. Anders zou ik ze absoluut niet kunnen gebruiken.’
    ‘Het is nu mijn volk,’ zei Dany. ‘Je moet ze geen wilden noemen, broer.’
    ‘De Draak spreekt al naar het hem behaagt,’ zei Viserys… in de gewone omgangstaal. Hij keek over zijn schouder naar Aggo en Rakharo die achter hem reden en vergunde hun een spottend lachje.
    ‘Kijk, die wilden hebben niet genoeg verstand om de taal van beschaafde lieden te verstaan.’ Een bemoste stenen monoliet torende vijftig voet boven de weg uit. Viserys keek er verveeld naar. ‘Hoe lang moeten we tussen deze ruïnes blijven hangen voordat Drogo me mijn leger geeft? Ik word dat wachten zat.’
    ‘De prinses moet aan de dosh khaleen worden voorgesteld…’
    ‘De ouwe wijven, ja,’ kwam haar broer ertussen, ‘en je hebt ook verteld dat er nog een klucht wordt opgevoerd om de toekomst van het jong in haar buik te voorspellen. Wat kan mij dat schelen. Ik kan geen paardenvlees meer zien en ik word kotsmisselijk van de stank van die wilden.’ Hij snoof aan de wijde, slap afhangende mouw van zijn tuniek, waarin hij altijd een reukzakje bewaarde. Dat hielp vermoedelijk niet veel. De tuniek was smerig. Alle zijden en wollen kledingstukken die Viserys uit Pentos had meegenomen zaten onder het vuil van de zware reis en waren gaan rotten van het zweet. Ser Jorah Mormont zei: ‘Op de westelijke markt is voedsel te koop dat meer naar uw smaak zal zijn, Uwe Genade. Daar bieden de handelaars uit de Vrijsteden hun waren te koop aan. De khal zal zijn belofte waarmaken als de tijd rijp is.’
    ‘En dat is hem geraden ook,’ zei Viserys grimmig. ‘Er is me een kroon beloofd, en die zal ik krijgen ook. Met de Draak valt niet te spotten.’ Zijn oog viel op een obscene afbeelding van een vrouw met zes borsten en de kop van een fret, en hij reed er naartoe om er eens nauwkeurig naar te kijken.
    Dany was opgelucht, maar haar bezorgdheid was niet verminderd. ‘Ik bid dat mijn zon-en-sterren hem niet te lang zal laten wachten,’ zei ze tegen ser Jorah toen haar broer buiten gehoorsafstand was.
    De ridder keek Viserys na met twijfel in zijn blik. ‘Uw broer had in Pentos zijn tijd moeten afwachten. Hij hoort niet in een khalasar thuis. Illyrio heeft hem nog gewaarschuwd.’
    ‘Hij vertrekt zodra hij zijn tienduizend man heeft. Mijn heer gemaal heeft hem een gouden kroon beloofd.’
    ‘Ja, khaleesi,’ gromde ser Jorah, ‘maar… de Dothraki denken anders over dat soort dingen dan wij in het westen. Dat heb ik hem duidelijk gezegd, net als Illyrio, maar uw broer luistert niet. De paarden vorsten zijn geen kooplieden. Viserys denkt dat hij u heeft verkocht, en nu wil hij betaald worden. Maar Khal Drogo gaat ervan uit, dat hij u ten geschenke heeft gekregen. Hij zal Viserys ook een geschenk geven, dat wel… maar op zijn tijd. Een geschenk eis je niet, niet van een khal. Je eist helemaal niets van een khal.’
    ‘Het is niet juist om hem te laten wachten.’ Dany begreep niet waarom ze haar broer verdedigde, maar ze deed het. ‘Met tienduizend krijsende Dothraki kan Viserys zo de Zeven Koninkrijken schoonvegen.’
    Ser Jorah snoof. ‘Al had hij tienduizend bezems, Viserys kan nog geen stal schoonvegen.’
    Dany kon niet doen alsof zijn minachtende toon haar verraste.
    ‘En… en als het Viserys nu eens niet was?’ vroeg ze. ‘Als iemand anders ze aanvoerde? Iemand die sterker was? Kunnen de Dothraki echt de Zeven Koninkrijken veroveren?’