Скачать fb2
Het veelkleurig land

Het veelkleurig land

Аннотация

    Het jaar 2034 De Fransa natuurkundige Theo Guderian doet een curieuze ontdekking: een poort door de tijd die leidt naar de Rhonevallei van het Plioceen — zes miljoen jaar geleden.Een reis waarvan geen weg terug is en daarom voor de wetenschap niet interessant. Lang na de dood van de ontdekker wordt een bruikbare toepassing voor de poort gevonden: ieder die niet past of zich niet thuisvoelt in het Galactisch bestel kan zich vrijwillig laten verbannen naar deze mysterieuze omgeving in het verre verleden. In 2110 maakt een buitengewoon gemeleerd gezelschap van’onaangepaste’maar talentvolle persoonlijkheden gebruik van deze mogelijkheid om de technologische perfectie van de 22ste eeuw te ontvluchten. Maar aan de andere kant van de poort heerst niet de idyllische eenvoud die zij er hoopten aan te treffen. Zij worden opgewacht door twee buitenaardse,oorlogszuchtige rassen die hen genadeloos misbruiken voor hun eeuwenouden strijd.


Julian May Het veelkleurig land

Proloog

1

    Om zijn naderende sterven te bevestigen, brak het grote vaar­tuig met dralende traagheid door naar de normale ruimte. De pijn van de anders zo snelle overzetting werd er evenzeer door verlengd, totdat de duizend, ondanks al hun kracht, innerlijk vloekten en huilden en overtuigd raakten dat er geen uitweg overbleef. Het zou het eindeloze grijze niets worden. Dat en pijn.
    Maar het Schip deed zijn best. Terwijl het de pijn van de passa­giers deelde, duwde en wrong het tegen het taaie weefsel van de ruimtevlakken tot er zwarte flitsen verschenen tegen het grijs. Het Schip en de bevolking voelden hoe hun angst geleidelijk overvloeide in een toestand van oppervlakkige harmonie waar­van de bijna muzikale vibraties echoden, verdampten en ten slot­te afbraken.
    Ze hingen in de normale ruimte, rondom hen overal sterren. Het Schip was te voorschijn gekomen binnen de schaduwkegel van een planeet. Terwijl de verraste reizigers keken zonder te weten wat ze zagen, verleenden de halo van een roze atmosfeer en de parelende stralen van de zonnecorona een aureool aan de duistere wereld. Toen droeg het geweldige momentum van het Schip hen verder; de chromosfeer en de oranje vlammen van de verduisterde zonneschijf sprongen naar voren, gevolgd door haar duizeligmakende gele uitstraling.
    Het Schip dook naar beneden. Het zonverlichte oppervlak van de planeet leek zich bij hun nadering beneden hen te ontvouwen. Het was een blauwe wereld met witte wolken en besneeuwde bergen en landmassa’s van oker en rood en grijsgroen; zonder twijfel een wereld waar leven heerste. Het Schip was geslaagd. Thagdal wendde zich tot de kleine vrouw achter de bestuurspanelen. Breede met de Twee Gezichten schudde haar hoofd. Duis­tere violette patronen op de beleidsschermen maakten duidelijk dat het Schip zijn laatste inspanning had geleverd door hen naar deze wijkplaats te brengen. Ze waren nu volledig in de macht van de plaatselijke zwaartekracht en niet langer in staat tot zelf­standige voortbeweging.
    Thagdals geest en stem spraken. ‘Luister naar mij, overblijven­den van de strijdcompagnieën. Ons trouwe vaartuig is zijn einde nabij. Enkel de mechanische delen werken nog en ook zij zullen niet veel langer dienst doen. We bevinden ons op een traject dat tot een rechtstreekse botsing leidt en we zullen van boord moeten voor de romp de lagere atmosfeer binnendringt.’ Uitwaaieringen van verdriet, woede en angst vulden het sterven­de Schip. Vragen en tegenwerpingen dreigden de geest van Thagdal te overspoelen tot hij de gouden band om zijn hals aan­raakte en hen allen dwong stil te zijn.
    ‘In de naam van de Godin, zwijg! Onze onderneming was een groot waagstuk, alle geesten waren tegen ons. Breede is bezorgd dat deze plaats misschien toch niet de veilige haven is waarop we hoopten. Desondanks is ze volledig leefbaar en gelegen in een afgelegen zonnestelsel waar niemand zich zal wagen om naar ons te zoeken. We zijn veilig en hebben Speer noch Zwaard hoe­ven gebruiken. Breede en ons Schip hebben er goed aan gedaan ons hierheen te brengen. Heil aan hun kracht!’ De tegenzang werd plichtmatig aangeheven. Maar uit die sym­metrie kwam een prikkelende gedachte bovendrijven. Vervloekt al die hymnen. Kunnen we hier overleven? Thagdal sloeg terug. ‘We zullen overleven wanneer de Meedo­gende Tana dat wil en wellicht vinden we zelfs de vreugde die ons zo lang heeft ontbroken. Maar niet dank zij jou, Pallol! Schaduw-verwant! Oude vijand! Eedbreker! Wanneer we aan dit directe gevaar zijn ontkomen, zul je je tegenover mij moeten verantwoorden!’
    Een zekere hoeveelheid ordinaire vijandigheid kwam omhoog en mengde zich met die van Pallol, maar werd onderdrukt en ver­sluierd door de onscherpe uitstraling van geesten die juist opge­lucht waren na een verschrikkelijke pijn. Niemand anders wilde nu werkelijk vechten. Alleen de onweerstaanbare Pallol was even strijdbaar als anders. Breede, de Scheepsgade kwam er sussend tussen. ‘Dit Veelkleurig Land zal een goede plaats voor ons zijn, mijn Koning. En Pallol-Eenoog hoeft niet bang te zijn. Ik heb de pla­neet al onderzocht, oppervlakkig natuurlijk. Er zijn geen menta­le bedreigingen. De dominante levensvorm dwaalt nog rond in sprakeloze onschuld en zal de eerste zes miljoen planetaire omwentelingen voor ons geen gevaar vormen. Maar hun levens­vorm is bruikbaar en kan worden opgekweekt voor dienstverle­ning. Met geduld en vaardige arbeid zullen we zeker overleven. Laten we nu vertrekken en onze wapenstilstand nog een tijd eer­biedigen. Laat niemand spreken van wraak of van wantrouwen tegen mijn geliefde Gade.’
    ‘Goed gesproken, Vooruitziende Dame,’ zo kwamen de gedach­ten en de woorden van de overigen. (En zij die anders dachten hielden zich onder controle.)
    Thagdal zei: ‘De kleine vliegers staan gereed. Laat alle geesten in afscheid groeten terwijl we vertrekken.’ Hij verliet stampend het controledek, gouden haar en baard nog bevend van onderdrukte woede; zijn witte opperkleden sleepten over het nu dof geworden metaal van de vloeren. Eadone, Dionket en Mayvar de Koningmaker volgden, hun geesten verbonden in de Zang terwijl hun vingers ten afscheid de snel afkoelende wanden raakten die eens hadden gebeefd van weldadige kracht. Een voor een namen de anderen in de overige delen van het schip de Zang over tot bijna allen er in de geest door waren verbon­den.
    Vliegers snelden weg van het ten dode opgeschreven schip. Meer dan veertig vogelachtige machines drongen als gloeiende pijlen diep in de atmosfeer voor ze plotseling afremden en hun vleugels ontvouwden. Eén voerde hen aan en al de anderen vormden een statige processie in haar spoor. Ze vlogen in de richting van de grootste landmassa van deze wereld om de berekende inslag van nabij te kunnen volgen. Ze kwamen uit het zuiden en passeerden daarbij een van de opvallendste kenmerken van deze pla­neet—een omvangrijk, vrijwel droog zeebassin, vol glinsterende zoutpannen, dat een onregelmatige snede maakte dwars over de westelijke uiteinden van het voornaamste continent. Een besneeuwde bergketen vormde ten noorden van deze Lege Zee een barrière. De vliegers lieten ook deze bergen achter zich en bleven toen hangen boven de vallei van een grote, oostwaarts stromende rivier.
    Het Schip kwam binnen op een westelijke koers, een vurig spoor achterlatend toen het de atmosfeer binnendrong. Waar het over het oppervlak veegde, werd de begroeiing verbrand, de minera­len in de bodem gewijzigd. Gesmolten korrels van groen en bruin glas sproeiden over de oostelijke hooglanden toen de scheepshuid uiteensprong. Rivierwater verdampte in zijn bedding. Toen kwam de inslag—uitbarstingen van licht, hitte en geluid—en meer dan tweeduizend miljoen ton materie met een snelheid van tweeëntwintig kilometer per seconde maakte haar wonde op deze wereld. De rotsen uit het landschap veranderden, het Schip zelf verbrandde goeddeels. Maar bijna honderd kubie­ke kilometer van de aardkorst explodeerde omhoog en buiten­waarts, de fijnere bestanddelen ervan rezen in een zwarte kolom tot in de stratosfeer waar hoge, dunne winden ze als een rouw­sluier spreidden over grote delen van de wereld. De inslagkrater had een diameter van bijna dertig kilometer, maar was niet erg diep, want hij werd afgevlakt door tornado­achtige stormen die ontstaan waren in de gekwelde atmosfeer boven dit gloeiend carcinoom in het landschap. De kleine vlie­gers cirkelden er meerdere dagen eerbiedig boven zonder aan­dacht te schenken aan de modderorkaan. Zij wachtten tot de vuren van deze aarde zouden afkoelen. Toen de regens hun werk hadden gedaan, vertrokken de vliegers gedurende lange tijd. Ze keerden terug naar dit graf toen hun taken ten slotte waren vervuld en rustten daar een duizendtal jaren.

2

    De kleine ramapithecus was koppig. Ze was er zeker van dat de baby verdwenen was in de wirwar van kreupelhout. Ze rook zijn geur heel duidelijk ondanks het zware voorjaarsparfum van hei­de, tijm en brem.
    Terwijl ze zachte, zangerige lokroepen slaakte, werkte ze zich de heuvel op, daar waar eens alles ernstig was verbrand. Een kievit, levendig geel met zwart, gaf zijn kleine schreeuw en hinkte weg, één vleugel slepend. De ramapithecus wist dat deze vertoning alleen maar was bedoeld om haar weg te lokken bij een nest vlak bij, maar haar simpele geest was ditmaal niet vervuld van vogel­eieren. Ze wilde enkel haar zoekgeraakte kind terug. Ze werkte zich over de zwaar begroeide helling en gebruikte een stuk van een afgebroken tak om het struikgewas uiteen te slaan dat haar belemmerde. Ze wist hoe ze dit stuk gereedschap en nog enkele andere moest gebruiken. De wenkbrauwboog zette laag in, maar haar gezicht was al langwerpig met een kleine, mense­lijke kaak. Haar lichaam, nauwelijks een meter hoog, was maar licht gebogen en op het gezicht en de handpalmen na geheel bedekt met kort bruin dons.
    Ze bleef haar lokroep laten horen. De boodschap bevatte geen woorden, maar droeg een betekenis die ieder jong van de soort zou herkennen. ‘Hier is Moeder. Kom naar haar toe waar het veilig is en prettig.’
    Het werd minder dicht begroeid naarmate ze de top van de heu­vel bereikte. In de open ruimte keek ze om zich heen en gaf een lage kreun van angst. Ze stond op de rand van een monsterachtig bassin dat een meer bevatte van het diepst denkbare blauw. De rand ervan week van weerskanten naar de horizon uit en alles, tot en met de diepe helling waar het water begon, was volstrekt ontdaan van alle vegetatie.
    Ongeveer twintig meter bij haar vandaan stond een verschrikke­lijke vogel. Hij leek het meest op een vette reiger, maar was zo groot als een denneboom en even lang. Hij had vleugels, een kop en een staart die droevig naar de grond wees. Uit de buik kwam iets knobbeligs hangen, een toevoeging waarlangs je zou kunnen klimmen. De vogel was hard, niet gemaakt van vlees. Hij was half bedolven door stof, verroest en overdekt met gele, grijze en oranje mossen over wat eens een glad, zwart oppervlak was geweest. Verder langs de rand, in beide richtingen, kon ze meer van die vogels verspreid zien staan, allemaal kijkend in de duister-spiegelende diepten.
    De ramapithecus maakte zich gereed om te vluchten. Toen hoor­de ze een bekend geluid.
    Ze floot hard. Onmiddellijk kwam een klein hoofd onderstebo­ven te voorschijn uit een opening in de buik van de dichtstbijzijn­de vogel. Het kind kwebbelde gelukkig. Zijn geluiden vertelden: ‘Welkom, moeder. Dit is heel leuk. Kom hier eens kijken!’ Uitgeput en tegelijk opgelucht, haar handen bloedig van de doorns, huilde de moeder woedend naar haar kroost. Hij kwam haastig over de ladder van de vlieger naar beneden en scharrelde naar haar toe. Ze veegde hem op en drukte hem tegen haar borst; vervolgens zette ze hem neer en sloeg hem links en rechts tegen de zijkanten van zijn hoofd terwijl ze een stroom van veront­waardigde geluiden liet horen.
    Om haar gunstiger te stemmen, hield hij het ding omhoog dat hij gevonden had. Het leek op een grote ring, maar bestond in wer­kelijkheid uit twee op elkaar aansluitende halve cirkels van gedraaid goud, zo dik als een vinger en rond en bedekt met ver­weerde kleine krassen als de sporen van een pissebed die onder water hout verteerde.
    De jonge ramapithecus grijnsde en klikte de knobbelige uitein­den van de ring open. Er zat een soort scharnier aan waardoor de helften van het ding ver uiteen konden. Het kind plaatste de ring om zijn nek, draaide er even aan en deed toen de sluiting dicht. De gouden keten glom tegen zijn vacht en was veel te groot, maar was desondanks vervuld van kracht. Nog altijd lachend, liet hij zijn moeder zien waar hij nu toe in staat was. Zij gilde.
    Het kind probeerde ontzet te vluchten. Het struikelde over een steen en viel achterover. Voor hij overeind kon komen, was zijn moeder boven op hem, rukte de ring over zijn hoofd zodat zijn oren er pijn van deden. En het deed echt pijn! Het verlies ervan deed meer pijn dat hij ooit had gekend. Hij moest hem terug hebben...
    De moeder schreeuwde nog harder toen hij probeerde de ring terug te krijgen. Haar stem echode over het kratermeer. Ze wierp het gouden ding zover weg als ze kon, midden in het dichte struikgewas van een tanige stekelbrem. Het kind huilde protes­terend met een gebroken hart, maar ze greep hem bij een arm en sleurde hem mee over het pad dat ze zich eerder door de struiken had gebaand.
    Goed verborgen en maar heel licht beschadigd, lag de halsring te glanzen in de gespikkelde schaduwen.

3

    In de jaren kort nadat de mensheid—met een beetje hulp van goede vrienden—op weg was gegaan om de sterren te veroveren, had een professor in de veldfysica, Théo Guderian, de weg ont­dekt naar Ballingschap. Zijn onderzoekingen werden—zoals zo vaak bij orthodoxe maar veelbelovende denkers van zijn tijd—ondersteund door een beurs zonder verplichtingen, ver­strekt door de Menselijke Staat binnen het Galaktisch Bestel. Guderian leefde op de Oude Wereld. Omdat de wetenschap zoveel andere zaken moest verwerken in die opwindende tijden (en omdat Guderians ontdekking geen enkele praktische toepas­sing leek te hebben in 2034), veroorzaakte de publikatie van zijn uiteindelijke verhandeling niet meer dan een kortstondige opwinding in de duiventil van de fysische kosmologen. Maar ondanks die overheersende stemming van desinteresse, bleef een klein aantal onderzoekers uit al de zes samenwerkende rassen nieuwsgierig genoeg naar Guderians bevindingen om hem op te zoeken in zijn bescheiden huis annex laboratorium buiten Lyon. Zelfs toen zijn gezondheid achteruitging, bleef de professor zijn bezoekende collega’s met alle beleefdheid ontvangen en hij ver­zekerde steeds dat het hem een eer zou zijn voor hen het experi­ment te herhalen, wanneer ze tenminste genoegen wilden nemen met de ruwe vormgeving van zijn apparatuur die hij in de kelders van zijn woonhuis had opgeslagen nadat het Instituut te kennen had gegeven niet verder geïnteresseerd te zijn. Het kostte madame Guderian nogal wat tijd om te wennen aan die exotische pelgrims van andere werelden. Ze diende toch sociaal te blijven en haar gasten te onderhouden. En daar lagen haar moeilijkheden! Ze verwerkte haar afkeer van de grote, androgyne Gi na veel mentale oefening en wat de Poltroyanen betreft kon je altijd doen alsof het beschaafde dwergen waren. Maar ze wende nooit aan die verschrikkelijke Krondaku of de maar half zichtbare Lylmik en ze kon alleen maar afschuw voe­len bij de manier waarop sommige van de minder kieskeurige Simbiari hun groen op de vloerbedekking lieten druipen. Wat ten slotte de laatste gastengroep zou worden voor professor Guderians sterfbed begon, diende zich drie dagen daarvoor aan. Madame opende haar deur om twee mannelijke humanoïden van andere werelden te begroeten (een ervan alarmerend mas­sief, de ander heel gewoontjes), een verstedelijkte, kleine Poltroyaan die de prachtige gewaden droeg van een Volledige Verhelderaar, een twee en een halve meter hoge Gi (gelukkig gekleed) en—heilige maagd!—niet minder dan drie Simbiari. Ze verwelkomde hen en zette extra asbakken en prullemanden klaar.
    Professor Guderian begeleidde zijn gasten naar de kelders van zijn grote buitenhuis zodra de welkomstbeleefdheden naar behoren waren gewisseld. ‘We zullen maar direct met de demon­stratie beginnen, beste vrienden. U moet het me maar vergeven, maar ik ben vandaag wat vermoeid.’
    ‘Heel betreurenswaardig,’ zei de bezorgde Poltroyaan. ‘Mis­schien zou een verjongingskuur u toch goed doen, professor?’ ‘Nee, oh nee,’ zei Guderian met een glimlachje, ‘één leven is voor mij meer dan genoeg. Ik voel me heel gelukkig dat ik heb mogen leven in het tijdperk van de Grote Interventie, maar ik moet nu toegeven dat de gebeurtenissen zich sneller lijken te ontwikkelen dan mijn toestand kan verdragen. Ik zie uit naar de uiteindelijke vrede.’
    Ze passeerden een met metaal beslagen deur die toegang gaf tot een ruimte die blijkbaar eens een wijnkelder was geweest. Een deel van de tegels was verwijderd waardoor zo’n drie vierkante meter oorspronkelijke aarde bloot was gekomen. Daar stond Guderians apparatuur middenin.
    De oude man rommelde een ogenblik in een ouderwets eiken kabinet naast de deur en kwam terug met een stapeltje kleine brochures. ‘Een samenvatting van mijn theoretische beschou­wingen en diagrammen van het technische ontwerp. Mijn vrouw heeft dit verzorgd om onze bezoekers van dienst te zijn. Het is allemaal erg eenvoudig en simpel van formaat. Maar onze belangrijkste fondsen zijn al lang geleden drooggelegd.’ De anderen mompelden meelevend.
    ‘Wilt u voor de demonstratie hier gaan staan? U zult merken dat het apparaat een bepaalde gelijkenis vertoont met die voor subruimtetransmissie. Het heeft eveneens maar zeer weinig als krachtbron nodig. Mijn eigen modificaties zijn tot stand geko­men door rekening te houden met de restanten magnetisme die plaatselijk in de rotsbodem aanwezig zijn en met de dieper lig­gende huidige velden die beneden het continentale platform lig­gen. Deze twee krachten, inwerkend op de matrixen van de transmissievelden, veroorzaken het verschijnsel.’ Guderian voelde in de zak van zijn werkkleding en haalde een grote wortel te voorschijn. Met Franse zwier haalde hij de schou­ders op en zei: ‘Best bruikbaar, ook al lijkt het wat eigenaar­dig.’
    Hij legde de wortel op een doodgewone houten stoel en droeg die naar de machine. Die had wel wat weg van een ouderwetse per­gola van latwerk of een belvédère, overdekt door wijnranken. Maar het frame was vervaardigd van transparant, glasachtig materiaal op een paar eigenaardige componenten van dofzwart na en ‘de wijnranken’ bestonden in werkelijkheid uit kabels van kleurige legeringen die uit de keldervloer leken te groeien. Ze kropen in en uit het latwerk op een nogal verwarrende wijze om abrupt te verdwijnen in een punt tamelijk dicht bij het plafond. Toen de stoel en de wortel in de juiste positie waren gebracht, activeerde Guderian de machine en voegde zich bij zijn gasten. Er klonk geen enkel geluid. De belvédère leek even op te lichten, toen scheen het alsof spiegelpanelen te voorschijn sprongen die het binnenste van het apparaat volkomen aan het gezicht ont­trokken.
    ‘U zult begrijpen dat er nu een wachtperiode volgt,’ zei de oude man. ‘De wortel doet het meestal heel goed, hoewel er af en toe tegenslagen zijn.’
    De zeven bezoekers wachtten. De massieve humanoïde klemde de brochure in beide handen, maar liet zijn ogen geen ogenblik van de machine afdwalen. De ander, een bedachtzame man uit een of ander instituut op Londinium, bestudeerde tactvol het controlepaneel. De Gi en de Poltroyaan keken tevreden in de brochure. Een van de jongere Simbiari liet ongewild een licht­groene druppel vallen en veegde die zo haastig mogelijk weg in de vloer.
    Op een chronometer aan de muur vlogen de getallen voorbij. Vijf minuten. Tien.
    ‘Laten we eens zien of we iets hebben bemachtigd,’ zei de profes­sor met een knipoog naar de man uit Londinium. Het spiegelende energieveld werd onderbroken. Voor niet langer dan een nanoseconde waren de verbaasde geleerden zich bewust van een op een pony lijkend schepsel dat binnen het latwerk van de machine stond. Het veranderde onmiddellijk in een ingewik­kelde skeletvorm. Nog terwijl de botten vielen, veranderden ze in een grijsachtig poeder.
    ‘Verdomme!’ riepen de zeven eminente geleerden. ‘Rustig, collega’s,’ zei Guderian. ‘Zo’n teleurstelling is helaas onvermijdelijk. Maar we zullen een slow-motion hologram afspelen zodat we onze vangst kunnen identificeren.’ Hij zette een wat verdekt geplaatste meerdimensionale projec­tor aan en bevroor de opname die een klein, paardachtig dier onthulde met vriendelijke zwarte ogen, drietenige poten en een vacht waar witte strepen overheen liepen. Delen van de wortel staken nog uit zijn bek. De houten stoel stond ernaast. ‘Hipparion gracile. Veelvuldig voorkomend tijdens het Aardse Plioceen.’
    Guderian liet de projector weer lopen. De stoel loste rustig op. De huid en het vlees van het kleine paard slonken met een dode­lijke traagheid, afbladderend van het skelet tot ze ontploften in een wolkje van stof terwijl de interne organen tegelijkertijd opzwollen, slonken en in het niets verdwenen. De botten bleven nog even overeind en vielen dan in gracieuze bogen naar bene­den. Bij hun eerste contact met de keldervloer waren ze al gere­duceerd tot hun minerale componenten. De gevoelige Gi zuchtte en sloot zijn grote, gele ogen. De man van Londinium was bleek geworden terwijl de andere mens, afkomstig van de weerbarstige en droefgeestige wereld van Shqipni, op zijn grote, bruine snor kauwde. De incontinente jon­ge Simb zocht schielijk naar een afvalbak. ‘Ik heb zowel planten als dieren als lokaas gebruikt in deze val,’ zei Guderian. ‘Wortels, konijnen en muizen maken de trip naar het Plioceen blijkbaar zonder schade op te lopen, maar op de terugreis blijkt ieder levend organisme binnen het tau-veld niet bestand tegen de druk van meer dan zes miljoen Aardse jaren.’ ‘En niet-organisch materiaal?’ informeerde de Skipetar. ‘Op voorwaarde dat ze van een zekere dichtheid zijn en van een bepaalde structuur, lukt het om dergelijke specimen de heen- en terugreis te laten maken in redelijk goede conditie. Het is mij zelfs gelukt met twee vormen van organisch materiaal. Barn­steen en steenkool overleven de reis onbeschadigd.’ ‘Maar dat is hoogst interessant,’ zei de Eerste Beschouwer van het 26e college van Simb. ‘De theorie van temporele overzetting is al zo’n zeventigduizend van uw Aardse jaren bij ons bekend, mijn beste Guderian, maar de praktische demonstratie ervan lukte zelfs de beste geesten in het Galaktisch Bestel niet. Tot nu. Het feit dat u, een menselijk geleerde, tenminste gedeeltelijk succesvol bent geweest waar zoveel anderen faalden, is eens te meer een bevestiging van de unieke kwaliteiten van de Kinderen der Aarde.’
    De wat zure bijklank van dit toespraakje ontging de Poltroyaan niet. Zijn robijnen ogen flonkerden. ‘De Gemengden van Poltroy hebben, in tegenstelling tot de andere samenwerkende rassen, er nooit aan getwijfeld dat de Interventie terecht was.’ ‘Voor u en het Bestel misschien,’ zei Guderian met zachte stem. Zijn donkere ogen, van pijn doorschoten achter de randloze brilleglazen, lieten even iets van bitterheid zien. ‘Maar voor ons? We hebben zoveel moeten opgeven—onze verschillende talen, heel wat van onze sociale systemen en religieuze overtuigingen, onze zogenaamde niet-produktieve levensstijlen ... zelfs onze menselijke soevereiniteit, hoe lachwekkend het verlies daarvan ook moet lijken in de ogen van die oude geesten van het Galak­tisch Bestel.’
    ‘Hoe kunt u de wijsheid daarvan betwijfelen, professor?’ riep de man van Shqipni uit. ‘Wij mensen hebben een paar culturele franjes moeten opgeven, in ruil daarvoor hebben we nu een ener­giebalans en een onbegrensde levensruimte binnen het lidmaat­schap van een galaktische beschaving! Nu we geen tijd meer hoeven te verspillen aan pure overleving, is er niets dat ons men­sen kan tegenhouden. Eindelijk kan ons ras beginnen aan de vervulling van haar genetisch potentieel en dat zou wel eens gro­ter kunnen zijn dan dat van enig ander ras.’ De man van Londinium huiverde.
    De Eerste Beschouwer zei minzaam: ‘Ah, de spreekwoordelijke menselijke voortplantingscapaciteit! Wat wordt de genenvoorraad erdoor vertroebeld. Men wordt erdoor herinnerd aan de welbekende voortplantingssuperioriteit van een nog onvolgroeid organisme vergeleken met dat van het volwassen individu, wiens zaad, zij het minder overvloedig sproeiend, met meer voorzich­tigheid is gericht op het bereiken van genetisch optimale moge­lijkheden.’
    ‘Zei u volwassen?’ hoonde de Skipetar. ‘Of gedegenereerd?’ ‘Collega’s, collega’s!’ maande de diplomatieke Poltroyaan. ‘Op die manier vermoeien we professor Guderian.’ ‘Nee, dat is in orde,’ zei de oude man; maar hij zag er grijs en ziek uit.
    De Gi haastte zich om van onderwerp te veranderen. ‘Het ver­schijnsel dat u nu hebt gedemonstreerd zou een prachtig hulp­middel zijn binnen de paleobiologie.’
    ‘Ik vrees,’ antwoordde Guderian, ‘dat er binnen het Galaktisch Bestel maar weinig interesse is voor de uitgestorven levensvor­men van de Aarde binnen de Rhöne-Saönetrog.’ ‘Wil dat zeggen dat u er niet in bent geslaagd uw machine ook werkzaam te maken op andere plaatsen?’ vroeg de man van Londinium.
    ‘Helaas niet, mijn beste Sanders. Ook mijn medewerkers zijn er niet in geslaagd het experiment op andere werelden of op andere lokaties op Aarde te herhalen.’
    Guderian klopte op een van de brochures. ‘Zoals ik hierin heb uitgelegd, is het probleem hoe we de geomagnetische input moe­ten berekenen. Dit deel van Zuid-Europa heeft een nogal inge­wikkelde geomorfologie. In de bergen rondom Lyon en in die van Forez liggen zeer oude aardvlakken zij aan zij met die van tame­lijk recente vulkanische werkingen. In het dichtbij gelegen Cen­traal Massief kunnen we de infrastructuur van die onderlinge korstvervormingen nog beter zien. In het oosten liggen de Alpen met hun ontzaglijke gevouwen aardplooien. Ten zuiden het Mediterrane bassin met zones die nog steeds inzinken. Dat was, overigens, in het Vroege Plioceen een buitengewoon eigen­aardige omstandigheid.’
    ‘Dus u kunt niet verder?’ merkte de Skipetar op. ‘Jammer dat het Plioceen van de Aarde toch al niet zo interessant is—een paar miljoen jaar van het Mioceen en de IJstijd verwijderd.’ Guderian haalde een kleine stoffer en een blik te voorschijn en begon de bodem binnen de machine schoon te maken. ‘Het was een gouden tijd, net voor de dageraad van het menselijk ontwa­ken. Een periode met een zacht klimaat, vol van dierlijk en plant­aardig leven. Een oogsttijd, onbedorven, rustig. Een herfst die de verschrikkelijke winter van het Pleistoceen voo-afging. Rousseau zou van het Plioceen gehouden hebben! Interessant, of niet? Er zijn zelfs vandaag tot in hun ziel vermoeide mensen binnen het Bestel die er zo over denken.’ De geleerden keken elkaar aan.
    ‘Als het maar geen eenrichtingsverkeer was,’ zei de man van Londinium.
    Guderian bleef rustig. ‘Al mijn pogingen om de tijdsperiode van het verschijnsel te veranderen zijn nutteloos geweest. Ze blijft gefixeerd in het Plioceen en in het gebied van deze eerbiedwaar­dige riviervallei. Dat is dus de kern van de zaak. We hebben het tijdreizen ontdekt, maar het blijft een onbruikbare wetenschap­pelijke curiositeit.’ Er volgde nog eens dat typisch Franse schou­derophalen.
    ‘Toekomstige onderzoekers zullen van uw pionierswerk profite­ren,’ verklaarde de Poltroyaan. De anderen haastten zich om daar hun passende felicitaties aan toe te voegen. ‘Genoeg, beste collega’s.’ Guderian lachte. Het was erg vriende­lijk van u een oud man te bezoeken. Nu moeten we echter naar madame gaan, die op ons wacht met verversingen. Ik laat aan scherpere geesten de praktische toepassing van mijn eigen­aardige kleine experiment over.’
    Hij knipoogde naar de twee andere mensen en wierp de inhoud van het blik in een afvalbak. De as van het paard dreef in kleine, bobbelige eilandjes boven op het groenige slijm van buitenaardse afkomst.

I
Het afscheid

1

    Glanzende trompetten lieten hun geschal horen. Het hertogelijk gezelschap reed opgewekt uit het Château de Riom, de paarden dansend en draaiend zoals ze waren getraind waardoor een opwekkend schouwspel ontstond dat toch de dames in hun ris­kante zijzit niet in gevaar bracht. De zon schitterde op de met juwelen bezette schabrakken van de paarden, maar het waren vooral de prachtig uitgedoste ruiters die het applaus van het publiek oogstten.
    Groenblauwe reflecties van het feest op de monitor deden het kastanjebruine haar van Mercedes Lamballe donkerder lijken en trokken levendige sporen over het magere gezicht. ‘De toeris­ten trekken lootjes wie van hen in de processie van edelen mag meerijden,’ legde ze Grenfell uit. ‘Het is veel leuker om onder het gewone volk te zijn, maar leg hun dat maar eens uit. Natuur­lijk zijn de belangrijkste ruiters professionele acteurs.’ Jean, de hertog van Berry, hief zijn arm om de menigte te groe­ten. Hij droeg een lang overkleed in heraldisch blauw, bespik­keld met Bourbonse lelies. De doorstikte mouwen waren teruggevouwen en lieten daaronder kleding van fijn, geel brokaat zien. De broek van de hertog was smetteloos wit, geborduurd met gouden lovertjes; zijn sporen waren van goud. Aan zijn zijde reed de prins, Charles van Orléans; zijn gewaad was veelkleurig, in koninklijk scharlaken, in zwart en wit, de zware, gouden schouderriem was bezet met tinkelende belletjes. Andere edelen in de stoet, opzichtig uitgedost als siervogels, volgden daarachter met hun dames.
    ‘Is het toch niet riskant?’ vroeg Grenfell, ‘paarden met onge­trainde ruiters? Ik vind dat je het op robotpaarden had moeten houden.’
    ‘Het moet echt zijn,’ zei Lamballe zachtjes. ‘Ten slotte, dit is Frankrijk. De paarden zijn speciaal geselecteerd op intelligentie en stabiliteit.’
    Ter ere van het meifeest was de verloofde prinses Bonne en heel haar gevolg gekleed in zijde van malachiet-groen. De maagden van hoge geboorte droegen de vreemde hoofdtooien uit de vroege 15e eeuw, vergulde bouwsels van draadwerk, bestikt met juwe­len die op de omhooggestoken haren rustten als katte-oren. De hoofdfranje van de prinses was nog ongewoner en daalde van de slapen af in lange gouden horens, terwijl een witte sluier het draadwerk daaronder verborg.
    ‘Geef de bloemenmeisjes het sein,’ zei Gaston, vanaf de andere kant van de controlekamer.
    Mercy Lamballe zat doodstil, naar het heldere beeld starend met diepe intensiteit. De antennes van haar eigen communica­tieset deden de vreemde hoofdtooi van de middeleeuwse prinses op de kasteelgronden bijna doodgewoon lijken. ‘Merce,’ zei de chef nog eens met vriendelijke aandrang, ‘de bloemenmeisjes.’
    Langzaam stak ze haar hand uit en toetste de opdracht in. Er klonken trompetten en de plattelandsmenigte die uit toeristen bestond, zuchtte opnieuw. Dozijnen meisjes met kuiltjes in hun wangen in korte jurken van roze en wit kwamen rennend uit de boomgaarden met manden vol appelbloesems. Ze stelden zich op langs de weg voor de hertogelijke stoet en strooiden hun bloemen terwijl de trombones en de fluiten lustig weerklonken. Gooche­laars, acrobaten en een dansende beer mengden zich tussen de menigte. De prinses wierp handkussen in het publiek en de her­tog wierp nu en dan een muntstuk. ‘Nu de hovelingen,’ zei Gaston.
    Het meisje achter het controlepaneel zat doodstil. Bryan Grenfell zag druppels zweet in haar wenkbrauwen, de losse, kastan­jebruine haren werden er vochtig van. Haar mond stond strak. ‘Mercy, wat is er?’ fluisterde Grenfell. ‘Wat is er fout?’ ‘Niets,’ zei ze. Haar stem klonk laag en gespannen. ‘De hovelin­gen komen eraan, Gaston.’
    Drie jongemannen, eveneens in het groen, kwamen uit de tegen­overliggende bossen aangegaloppeerd, hun armen vol bebladerde twijgen. Onder veel gegiechel vlochten de dames er kransen van die ze de chevaliers van hun keuze op het hoofd drukten. De ridders maakten soortgelijke, lichtzinnige tooisels voor de vrou­wen en daarna vervolgde het gezelschap zijn weg naar de weide waar de meiboom wachtte. Ondertussen, gedirigeerd door de signalen van Mercy, mengden blootvoetse meisjes en grinniken­de jongens zich onder de half verlegen menigte en reikten bloe­sems en groene takken uit, schreeuwend: ‘Groen! Groen voor de meimaand!’
    Precies op tijd begon de hertog met zijn gevolg te zingen, bege­leid door de fluiten.
C’est le mai, c’est le mai,
C’est le joli mois de mai!

    ‘Ze klinken weer vals,’ zei Gaston vermoeid. ‘Laat die stemmen aanvullen, Merce. Ik wil wat leeuwerikentrillers erbij en laat een paar van die vlinders los.’ Hij zorgde dat zijn stem hoorbaar werd via een van de geluidskanalen en riep: ‘Hee Minou! Haal die kluit weg voor de poten van het paard van de hertog. En houd dat jong in het rood in de gaten. Het lijkt alsof hij de belletjes van de riem van de prins wil jatten.’
    Mercedes Lamballe voerde de gevraagde aanvullende stemmen in. De hele menigte zong nu mee met de muziek, ze hadden er onderweg op gestudeerd na de kroning. Mercy zorgde ervoor dat vogelgezang de boomgaarden vervulde en stuurde signalen uit waardoor de vlinders uit hun verdekt opgestelde kooitjes werden losgelaten. Ongevraagd zorgde ze voor een licht geparfumeerd briesje om de toeristen uit Aquitaine en Blois en Foix en al die andere ‘Franse’ planeten binnen het Galaktisch Bestel wat ver­koeling te bezorgen. Zij waren, met andere francofielen en lief­hebbers van de Middeleeuwen uit nog tal van andere werelden gekomen om de verrukkingen van het antieke Auvergne aan den lijve mee te maken.
    ‘Ze krijgen het nu warm, Bry,’ zei ze tegen Grenfell. ‘Een fris windje zal hen gelukkiger maken.’
    Bryan ontspande nu haar stem weer gewoon klonk. ‘Ik neem aan dat er grenzen zijn aan het ongemak dat ze willen verdragen ter wille van zoveel culturele praalzucht.’
    ‘Wij reproduceren het verleden,’ zei Lamballe, ‘zoals wij gewild hadden dat het was. De echte werkelijkheden van het middel­eeuwse Frankrijk zagen er heel anders uit.’ ‘Er zijn achterblijvers, Merce,’ waarschuwde Gaston. Zijn han­den vlogen over de knoppen voor de voorbereidende choreografie voor de meidansen. ‘Ik zie twee of drie vreemde snuiters. Mis­schien zijn dat die vergelijkende etnologen uit Krondak voor wie we gewaarschuwd zijn. Stuur er een troubadour op af om hen bezig te houden tot ze de hoofdgroep hebben ingehaald. Dat soort bezoekers heeft de neiging aanmatigende stukjes te schrij­ven als ze verveeld worden.’
    ‘Sommigen van ons bewaren hun objectiviteit,’ zei Grenfell mild.
    De directeur snoof. ‘Als je maar bedenkt dat jij daar niet buiten bent om in een onmogelijke jurk door de paardestront te bagge­ren op een wereld die minder zuurstof heeft dan jij gewend bent en waar de zwaartekracht twee maal zo hoog is!... Merce? Verdomme, meid, dwaal je nu al weer af?’ Bryan stond op van zijn stoel en liep naar haar toe, ernstige bezorgdheid op zijn gezicht. |Gaston, zie je dan niet dat ze ziek is?’
    ‘Dat ben ik niet!’ Mercy’s stem klonk scherp. ‘Dat gaat in een paar minuten over. De troubadour is onderweg, Gaston.’ De monitor zoemde in op een zanger. Hij boog voor een klein groepje achterblijvers, sloeg een akkoord aan op zijn luit en dreef hen onderwijl vakkundig in de richting van de meiboom terwijl hij voor hen zong. De doordringende zoetheid van zijn tenor vul­de de controlekamer. Hij zong eerst in het Frans, vervolgens in standaard-Engels voor hen die met de oude talen niet uit de voe­ten konden.
Le temps a laissê son manteau
De vent, de froidure et de pluie,
Et s’est vestu de broderie
De soleil luisant—cler et beau.
De tijd wierp af zijn tooi
Van wind en vorst en regen
En kleedt zich nu weer daarentegen
In helder zonlicht, fris en mooi.

    Een echte leeuwerik voegde zijn eigen coda toe aan de zang van de minstreel. Mercy liet haar hoofd zakken, tranen vielen op het paneel beneden haar. Dat verdomde lied. En voorjaar in de Auvergne. En dan die verrekte leeuweriken en opnieuw gekweekte vlinders en een keurig geschoren weide en boomgaar­den vol met dankbaar volk van ver verwijderde planeten waar het leven hard was en die, op een enkele mislukkeling na, elke uitdaging weerstonden. Mislukkelingen die het prachtig groei­ende weefsel van het Bestel bedierven. Mislukkelingen zoals Mercy Lamballe.
    ‘Beaucoup regrets, jongens,’ zei ze met een treurig lachje terwijl ze haar gezicht afveegde. ‘Verkeerde stand van de maan, denk ik. Of anders al te Keltische emoties. Je hebt precies de verkeer­de dag gekozen om dit gekkenhuis te bezoeken, Bry. Het spijt me.’
    ‘Jullie Kelten zijn allemaal gek.’ Gaston excuseerde haar met luchthartige vriendelijkheid. ‘Ik ken een Bretonse ingenieur op Sun King Pageant die me vertelde dat ie alleen kan klaarkomen als het op een megaliet gebeurt. Vooruit, baby. Laten we deze show aan de gang houden.’
    Op de schermen vlochten de meiboomdansers nu slingers ineen en dansten volgens de oude, ingewikkelde patronen. De hertog van Berry en de andere acteurs uit zijn gevolg lieten toe dat de opgewonden toeristen zich overtuigden van de onweerlegbare echtheid van de edelstenen op hun kleding. De fluiten weerklon­ken, doedelzakken klaagden, verkopers leurden met zoetigheid en wijn, schaapherders lieten de toeristen hun dieren strelen en op dat alles keek de zon lachend neer. Alles ging goed in het douce France van 1410 na Christus en zo zou het nog een volle zes uur blijven tot na het toernooi en de Finale braspartij. Daarna zouden de vermoeide toeristen, zevenhonderd jaren ver­wijderd van de middeleeuwse wereld van de hertog van Berry, worden afgevoerd in comfortabele ondergrondse treinen op weg naar de volgende culturele onderdompeling, in Versailles. Bryan Grenfell en Mercy Lamballe zouden, wanneer de avond viel, de boomgaard beneden opzoeken om erover te praten of ze nog naar Ajaccio zouden zeilen en om te zien hoeveel vlinders het spektakel hadden overleefd.

2

    Het waarschuwingssignaal snerpte door de wachtkamer van het centrale platform van Lissabons krachtcentrale. ‘Vooruit maar, ik wou er toch al mee op houden,’ zei de grote Georgina. Ze hees de draagbare luchtververser van haar pak omhoog en hobbelde weg naar het wachtende boorvoertuig, de helm onder haar arm.
    Stein Oleson smakte zijn kaarten op de tafel. De beker met drank ging ondersteboven en doorweekte het magere hoopje fiches voor hem. ‘Eindelijk een joekel van een kaart in m’n han­den en voor het eerst een pot die de moeite loont. Jullie aan je grootmoeder hangende miskleunen hebben weer eens geluk!’ Hij kwam overeind, stootte de stoel in het evenwicht en stond zwaaiend rechtop, meer dan twee meter lelijk-aantrekkelijke moordzucht. Het met rood doorschoten wit van zijn ogen con­trasteerde vreemd met het heldere blauw van de irissen. Oleson loerde naar de andere spelers, leunend op zijn van een eigen krachtstation voorziene, gehandschoende vuisten. Hubert liet een diepe geeuw zien. Hij kon lachen, hij was hier goed uitgekomen. ‘Brave poes! Houd je in, Stein. Al dat gelul heeft je spel geen goed gedaan.’
    De vierde kaartspeler viel hem bij. ‘Ik zei je toch dat je uit moest kijken met de drank, Steintje. Je ziet wat ervan komt! We verlie­zen als gekken en jij bent weer half platzak.’ Oleson vuurde een moordzuchtige blik op hem af. Daarna klom hij in zijn eigen boorvoertuig en gespte zich in. ‘Houd jij je bek maar dicht, Jango. Zelfs stomdronken snijd ik een beter gat dan welke afval vretende Portugese sardientjesvisser ook.’ ‘Oh, in godsnaam,’ zei Hubert, ‘Houden jullie toch op.’ ‘Probeer jij maar es zo’n grijsbaard met een plaat voor z’n kop te temmen,’ zei Jango. Hij snoot zijn neus op zijn Spaans, over de mouw van zijn uitrusting en klapte zijn helm dicht. Oleson snoof. ‘En jij noemt mij een lui?’ De elektronische stem van Georgina, hun teamleidster, gaf het slechte nieuws door terwijl ze hun controles uitvoerden. ‘We zijn een stuk van de hoofdlijn Cabo da Roca-Azoren kwijt op een diepte van 793 kilometer. Een stuk van de servicetunnel is naar de bliksem. Beschadiging Klasse Drie, maar de buis is tenminste afgesloten. Het ziet eruit als een langdurige klus, kinders.’ Stein Oleson zette zijn machine aan. De neus van het honderd­tachtig ton zware voertuig kwam dertig graden omhoog, gleed uit zijn bekken en joeg zijwaarts over de helling, met zijn staart­stuk zwaaiend als een lichtelijk aangeschoten ijzeren dinosau­rus.
    ‘Moeder van God,’ gromde Jango. Zijn machine kwam die van Stein direct achterna, gehoor gevend aan de strikte voorschrif­ten. ‘Die man is een gevaar, Georgina! Ik mag vervloekt zijn als ik naast hem ga zitten boren. Ik zal je wat vertellen, ik dien epn klacht in bij de vakbond! Hoe zou jij het vinden wanneer een dronken stommeling het enige was tussen jouw reet en een plas gloeiendhete basalt?’
    Het lachen van Oleson bulderde metalig in al hun oren. ‘Ga je gang en dien maar een klacht in, schijtluis! En zie dat je een baan krijgt waar je zenuwen tegen kunnen. Gaten boren in Zwitserse kaas bijvoorbeeld met je ...’
    ‘Schei uit met die onzin,’ zei Georgina vermoeid. ‘Hubey, jij gaat dit keer samen met Jango en ik werk wel naast Oleson.’ ‘Nou, wacht es even, Georgina,’ begon Oleson. ‘Het is geregeld, Stein.’ Ze sloot haar luchtsluis. ‘Jij en Grote Mama gaan samen tegen de hele wereld, Blauwoogje. En bid maar dat Jezus je zieltje redt als je niet zorgt dat we nuchter zijn voor we bij die breuk aankomen. Laten we opschieten, kinde­ren.’
    Een massieve poort, elf meter hoog en bijna even dik, zwaaide open en verleende toegang tot de diensttunnel die onder de zee dook. Georgina had de coördinaten van de breuk in de radiohel­men van elke machine gevoerd en voor het ogenblik hadden ze dus allemaal niets anders te doen dan af te wachten, met hun gat in hun cabine te draaien of iets opwekkends te snuiven terwijl ze met een vaart van vijfhonderd kilometer per uur naar de rotzooi stoven onder de bodem van de Atlantische Oceaan. Stein Oleson verhoogde de zuurstofdruk en gunde zichzelf een stoot aldetox en stimvim. Toen droeg hij de ingebouwde keuken­unit op een maaltijd af te leveren bestaande uit een liter rauwe eieren, gerookte haring in saus en zijn favoriete borrel om nuch­ter te worden, aquavit.
    Hij hoorde een vaag gemompel in de ontvanger van zijn helm. ‘Verdomde primitieve pokkeherrie. We zouden een stel koeiehorens op zijn helm moeten monteren en zijn ijzeren kont in een onderbroek van berevel steken.’
    Stein moest er desondanks om glimlachen. In zijn meest gelief­koosde dromen zag hij zichzelf als een viking. Of, omdat hij zowel Noors als Zweeds bloed bezat, als een Varangiaans plun­deraar die zich met zijn zwaard een weg naar het zuiden baande in het oude Rusland. Wat zou het mooi zijn om elke belediging met een bijl of een zwaard te beantwoorden, ongehinderd door de stomme tegenwerpingen van de beschaving! Om rode woede te kunnen laten vloeien zoals het hoorde, opgejut tot zijn spieren ervan zwollen! Sterke, blonde vrouwen overmeesteren die zich eerst zouden verzetten om zich daarna met zoete zachtheid over te geven! Voor zo’n soort leven was hij geboren. Maar jammer genoeg voor Stein Oleson was dat soort menselij­ke woestheid in dit Galaktisch Tijdperk uitgestorven, alleen betreurd door een paar etnologen. En de fijnzinnigheden van de nieuwe, geestelijke kwellerijen gingen Stein volkomen boven de pet. Dit opwindende en gevaarlijke baantje was hem toebedeeld door een meedogende computer, maar de honger van zijn ziel werd er niet door bevredigd. Hij had nooit overwogen om naar de sterren te emigreren; binnen geen enkele menselijke kolonie in het Galaktisch Bestel bestond er zoiets als een primitief Eden. Het zaad van de mensheid was te kostbaar om te verspillen in de poel van een neolithisch verleden. Ieder van de 783 nieuwe men­selijke werelden was volstrekt beschaafd, gebonden door de ethiek van het Concilie en verplicht om bij te dragen aan het langzaam evoluerende Geheel. Mensen die hunkerden naar de simpele wortels van vroeger moesten er tevreden mee zijn op de Oude Aarde de pijnlijk nauwkeurige nabootsingen van vroegere culturele omgevingen te bezoeken. En anders waren er de thea­traal voornaam georkestreerde Historische voorstellingen die bijna maar net niet helemaal tot in het laatste detail authentiek waren en waardoor de bezoeker actief de geselecteerde brokken van zijn erfenis kon meebeleven.
    Stein, die nog op de Oude Wereld geboren was, had zo de Fjordland Sage bezocht toen hij nog maar net meerderjarig was en van Chicago met de metro naar Scandinavië reisde, samen met andere studenten. Hij werd uit het nagemaakte vikingschip gedonderd en kreeg een zware boete opgelegd nadat hij te mid­den van een in scène gezet oproer een harige viking een arm had afgeslagen en een veroverde Britse maagd ‘gered’ had van een verkrachting. (De gewonde acteur had nogal filosofisch gedaan over zijn drie maanden in de hersteltank. ‘Dat zijn de risico’s van het vak, jongen,’ had hij tegen zijn berouwvolle aanvaller gezegd.)
    Een paar jaar later, nadat Stein volwassen was geworden en een zekere ontlading in zijn werk had gevonden, ging hij er opnieuw heen. Dit keer leek het allemaal nogal pathetisch. Hij keek nu naar de gelukkige bezoekers, afkomstig van andere planeten die Scandinavische namen droegen als Trondelag, Thule en Finmark, alsof het een zootje vreemd verklede gekken waren die in troebel water liepen te masturberen, lui die zichzelf verneukten op hun jacht naar een verloren identiteit. ‘Wat gaan jullie beginnen als jullie erachter komen wie je echt bent, kleinkinderen van reageerbuizen!’ had hij stomdronken op het Walhallafeest geschreeuwd. ‘Donder op naar waar je van­daan bent gekomen, de nieuwe werelden die de monsters jullie gegeven hebben.’
    Toen was hij op de tafel van de Asen geklommen en had in de drankbeker gepist.
    Ze smeten hem er weer uit en gaven hem opnieuw een boete. Maar dit keer kwam er een ponsgaatje in zijn kredietkaart waar­door hij automatisch bij elke Historische Voorstelling werd geweigerd. ..
    Terwijl hun snelheid nog toenam, raasden de boormachines onder het continentale plat. Hun koplichten vingen glinsteringen op van roze, groen en wit, afkomstig van de granieten wanden van de tunnel. Daarna drongen ze door in het duistere basalt van de dieper onder de oceaan gelegen aardkorst. Drie kilometer boven hun tunnel was het zeewater, tien kilometer daaronder de gesmolten kern van de planeet.
    Terwijl ze twee aan twee door de lithosfeer joegen, hadden de leden van het team de illusie langs een reusachtige helling af te dalen, die met regelmatige tussenpozen scherp omlaagviel. De machines vlogen een tijdlang steeds recht en horizontaal, daarop doken de neuzen scherp naar beneden. Een paar tellen later werd dezelfde manoeuvre herhaald. De diensttunnel volgde de curvenlijn van de Aarde in een reeks rechte verlengingen; dat moest wel omdat het hoorde bij het boorgat waarlangs de ener­gie werd getransporteerd en die uit een parallelle tunnel bestond met een diameter die maar net groot genoeg was om één boor­machine toegang te verlenen wanneer dat voor belangrijke repa­raties noodzakelijk was. In de meeste delen van dit onderwater­energiesysteem werden de diensttunnels en de boorgaten om de tien kilometer door horizontale overlopen met elkaar verbonden om de onderhoudsploegen makkelijker toegang te verschaffen; maar als dat moest, konden de boormachines dwars door de omringende rotsmassa’s heen om zich onder iedere hoek een weg te banen naar de plek waar ze wezen moesten. Tot de tijd dat het alarm in Lissabon afging, had er een energie­verbinding bestaan tussen continentaal Europa en de uitgebrei­de maritieme gewasculturen op de Azoren die oplichtte met de gloed van een fotonenstraal. Dit antwoord op de eeuwige honger naar energie van de Aarde vond op dit uur van de dag zijn oor­sprong in de zonneschijn van Siërra da Estrela op de 39e Laag van het verzamelcentrum ten noordwesten van Lissabon. Samen met zustercentra in Jiuquan, op het Akebono Platform en in Cedar Bluffs, verzamelde het zonne-energie en distribueerde dat weer aan gebruikers langs de 39e breedtegraad rondom de gehele aardbol. Een stelsel van spinachtige stratosfeertorens, afgeschermd tegen de zwaartekracht en hoog boven de normale weerscondities, verzamelde lichtstralen uit de hier wolkeloze hemelen, verbond die tot een samenhangende bundel die veilig ondergronds werd getransporteerd en gedistribueerd via een stelsel van hoofdboorgaten en kleinere lokale afsplitsingen. Een foton, afkomstig uit het Portugese daglicht (of het Chinese, of dat van de Pacific of uit Kansas) werd over zijn weg gedirigeerd door middel van plasmaspiegels binnen de boorgaten en bereikte zo in een oogwenk de bevolking van boerderijen die diep in de mist verzonken lagen. De oceaanboeren gebruikten de energie voor alles, variërend van onderwateroogstmachines tot elektri­sche dekens. En maar weinig van die gebruikers vroegen zich af hoe en waar ze vandaan kwam.
    Net als alle boorgaten die voor het transport van energie werden gebruikt, werd ook deze tussen Cabo da Roca en de Azoren regelmatig gecontroleerd door kleine robotkruipers en snuffe­laars. Die waren in staat kleine reparaties zelf te verrichten wan­neer de aardkorst zich bewoog binnen de grenzen van een Klasse-Eén-verschuiving zonder de fotonenstroom zelfs maar te onderbreken. Maar een Klasse-Twee-schade leidde tot automa­tische afsluiting. Een beving kon een segment van het boorgat licht uit lijn brengen of een van de vitale spiegelstations bescha­digen. Dan daalden bemanningen van het oppervlak af naar de plaats van de scheuring en doorgaans werden de reparaties dan in korte tijd verricht.
    Maar vandaag was de tectonische beweging van de grootte van Klasse Drie geweest. De Despacho-bevingszone had haar schou­ders opgehaald en een hele reeks van kleinere holtes in het suboceanische basalt waren daarin meegegaan. Hete rots die een drie kilometer lange sectie van tunnels omgaf, had zich plotse­ling noord-zuid en oost-west, omhoog en omlaag bewogen waar­door niet alleen het boorgat voor het energietransport was inge­stort, maar de veel grotere diensttunnel eveneens. Terwijl het spiegelstation in een kleine thermonucleaire ontploffing ten onder ging, had de ziedende fotonenstroom van de energiebun­del een microseconde tijd gehad voor de automatische afsluiting volgde. De bundel was dwars door het ineengestorte boorgat gegaan en had zich westwaarts een kaarsrecht pad gebaand dwars door de aardkorst tot hij in zee uitmondde. Een stoomexplosie in de gesmolten rots, net voor de energiebundel uitdoofde, had het gat effectief afgedicht, maar een groot gebied dat eerst had bestaan uit redelijk stabiele rotsmassa’s was nu herschapen ’n een ruïne van puin, oceaanwater en modder en langzaam afkoelende gaten vol gesmolten lava.
    Een omleiding herstelde de energievoorziening naar de Azoren binnen een seconde na de breuk. Totdat de reparaties waren verricht, zouden de eilanden het merendeel van hun energie krij­gen via de Gibraltar-Madeira-lijn, afkomstig van de 38e Laag ten noordwesten van Lorca in Spanje. Booreenheden zouden het beschadigde segment van twee kanten naderen om de rommel op te ruimen, de spiegel te herbouwen en om verstevigingen in de tunnels aan te leggen die nu door deze nieuwe zone van instabili­teit voerden.
    Daarna zou er opnieuw licht zijn.
    ‘Lissabon leider, dit is Ponta Del Drie-Alfa. We naderen Kilo­meter Zeven-Negen-Zeven, over.’
    ‘Lissabon Zestien. We krijgen je echo, Ponta Del,’ zei Georgina. ‘We zitten op Zeven-Acht-Nul en rijden nog. Gaan nu op Zeven-Acht-Vijf, Zeven-Negen-Nul en dan Zeven-Negen-Twee. Nemen jullie het gat met de prop voor je rekening?’ ‘Bevestigd, Lissabon. We houden één eenheid op het gat voor de verbinding. Lang niet gezien, Georgina. We moeten ophouden met dit soort ontmoetingen! Zet je beste snijer op het nieuwe gat voor de hoofdlijn, liefje. Dit wordt een ellendige rotklus. Over.’ ‘Wees maar niet bang, Ponta Del. Zie je gauw, Larry liefje. Zes­tien Echo, over en sluiten.’
    Stein Oleson klemde zijn tanden op elkaar en legde zijn knuisten om de twee hendels van zijn machine. Hij wist dat hij de beste man was die ze in Lissabon hadden. Niemand boorde een beter gat dan hij. La va builen, magnetische verstoringen, niks kon hem weerhouden. Hij was klaar om te rammen. ‘Hubert, begin jij aan de hoofdlijn,’ zei Georgina. Vernedering en woede krampten door zijn darmen. Een verstik­kend mengsel van gal en haring kwam in Steins strot omhoog. Hij slikte. Hij ademde. Hij wachtte.
    ‘Jango, jij gaat Hubey achterna om de mantel te versterken tot je bij de spiegel bent. Dan begin je daaraan. Steinie, jij en ik maken die diensttunnel weer open.’
    ‘Gelijk heb je, Georgina,’ zei Stein rustig. Hij duwde met zijn duim de knop op de rechterhendel naar beneden. Een groenwitte straal kwam uit de neus van de machine te voorschijn. Lang­zaam begonnen beide grote machines zich een weg te snijden door de stomende zwarte rots terwijl kleine robots heen en weer begonnen te scharrelen om de losgemaakte rommel verder weg te transporteren.

3

    De hele Voorhees-familie was de verste ruimte ingetrokken, vrij­wel direct na de Grote Interventie. Dat was te verwachten van de afstammelingen van zeevaarders uit Nieuw Amsterdam die nog eens vier generaties van vliegend marinepersoneel hadden gele­verd voor het leger. Een smachtend verlangen naar eindeloze horizonnen zat in de Voorhees-genen ingebakken. Richard Voorhees en zijn oudere verwanten Farnum en Evelyn waren geboren op Assawompset, een van de oudste ‘Amerikaan­se’ werelden waar hun ouders gestationeerd waren bij de Veer­tiende Vloot. Far en Ewie vervolgden de familietraditie, beiden officieren, zij als bevelvoerster van een diplomatiek lijnschip, hij als uitvoerder van kolonisatietransporten naar een asteroïde. Ze hadden zich beiden onderscheiden tijdens de Metapsychische Opstand van de Tachtiger Jaren, een eer voor de naam van de familie, voor de dienst en voor de mensheid in het algemeen. En dan was er Richard.
    Ook hij ging naar de sterren, maar niet in regeringsdienst. Het strak georganiseerde militaire leven was niets voor hem en hij had bovendien een sterke fobie voor buitenaardse levensvormen. Leden van de vijf andere rassen bezochten veelvuldig de basis in de Assawompset Sector en Richard had hen gehaat en gevreesd vanaf de tijd dat hij een kleuter was. Later, nog op school, had hij een rationele verklaring voor die angst gevonden toen hij las over de halve eeuw die aan de Interventie op de Oude Aarde vooraf­ging, toen steeds meer beluste antropologen van het Bestel de mensheid hadden verontrust en angst aangejaagd. Vooral de Krondaku hadden zich nogal eens schuldig gemaakt aan tactlo­ze experimenten en bemanningen van sommige Simbiari-werelden waren zelfs zover gegaan herrie te schoppen onder de inheemsen wanneer ze zich tijdens hun lange surveillances begonnen te vervelen.
    Het Galaktisch Concilie had dit soort schendingen, die gelukkig gering in aantal waren, grondig aangepakt. Toch was iets van de oude psychose voor ‘buitenaardse invasies’ in de menselijke geest blijven hangen, ook nadat de Interventie de weg naar de sterren voor hen had geopend. Milde vormen van die xenofobie waren tamelijk algemeen onder menselijke kolonisten, doch maar weinig mensen gingen in hun vooroordelen zo ver als Richard Voorhees.
    Aangewakkerd door gevoelens van persoonlijke mislukking, groeiden die irrationele kinderangsten uit tot volwassen haat in de volgroeide man. Richard wees de dienst binnen het Bestel van de hand en probeerde een carrière als particulier vrachtvaarder.
    Op die manier kon hij zijn eigen bemanning kiezen en de havens die hij wenste aan te doen. Farnum en Evelyn deden hun best zijn probleem te begrijpen, maar Richard wist maar al te goed dat ze in het geheim op hem neerkeken. ‘Onze broer, de koopman,’ zouden ze lachend zeggen. ‘Nou ja, piraterij is erger.’
    Richard had twintig jaar moeten doen alsof dat soort grapjes hem niets deden en in die tijd was hij opgeklommen van scheepsmaatje tot schipper in loondienst en ten slotte eigenaar en gezag­voerder. Er kwam een dag dat hij op de dokken van de Bedford Sterrehaven stond om de tweehonderdvijftig meter lange slank­heid te bewonderen van de Wolverton Mountain in het besef dat hij er de eigenaar van was. Het schip was een snelheidsmonster geweest om hoge gasten te vervoeren, uitgerust met de krachtig­ste sneller-dan-licht-transmissie en met buitensporig krachtige systemen voor vervoer beneden de lichtsnelheid. Voorhees had de passagiersaccommodatie eruit gesloopt en alles veranderd in laadruimen voor expressevervoer, want daarmee was het grote geld te verdienen.
    Hij liet weten dat voor hem geen reis te lang of te gevaarlijk was om te ondernemen, dat hij bereid was tot elk risico om een uit­zonderlijke of wanhopig noodzakelijke vracht waar dan ook bin­nen het Bestel af te leveren. En dus kwamen de klanten. In de jaren die volgden maakte Richard Voorhees de tot de ver­beelding sprekende reis naar Hub acht keren voor de riskante kolonies daar werden opgegeven en verlaten. Hij liet vier sets energiekristallen van upsylon doorbranden en verwoestte bijna zijn eigen zenuwstelsel op een waanzinnige recordreis naar de Hercules Zwerm. Hij vervoerde medicijnen en levensreddende uitrustingen en onderdelen voor de reparaties van vitale machi­nes. Hij bracht ertsmonsters over en kweekbakken vol verdachte organismen uit ver verwijderde menselijke kolonies naar de uit­gestrekte laboratoria op de Oude Wereld. Hij zag kans om een catastrofe in een rasveredelingsproces te voorkomen door ver­vangend sperma naar Bafut te brengen. Hij had een stervende magnaat een laatste genoegen bezorgd door een kostbare fles Jack Daniel’s van de Aarde naar het Cumberland Systeem te vliegen. Hij had bijna alles vervoerd behalve serum naar Nome en boodschappen naar Garcia.
    Richard Voorhees werd rijk en een klein beetje beroemd. Hij onderging een verjongingskuur, ontwikkelde een voorkeur voor antieke vliegtuigen, zeldzame Aardse wijnen, exquise lekker­nijen en dansmeisjes; hij liet een grote, zwarte snor groeien en vertelde zijn deftige oudere broer en zuster dat ze naar de hel konden lopen.
    En toen, op een dag in 2110, zaaide Richard het zaad voor zijn eigen ondergang.
    Hij bevond zich, zoals gewoonlijk, alleen op de brug van de Wolverton Mountain, diep in het grijze niets van de subruimte en hard op weg naar het afgelegen Orissa Systeem dat 1870 lichtja­ren verwijderd lag ten zuiden van de Galaktische Vlakte. Hij vervoerde een grote en ingewikkelde Jagannath-tempel, com­pleet met heilige beelden en rollend materieel om een religieus complex te vervangen dat door een ongeluk was verwoest, op een planeet die door Hindoes was gekoloniseerd. Ambachtslieden op Aarde, die gebruik maakten van gereedschap en kennis die in de kolonie niet meer voorhanden was, hadden een perfecte replica gebouwd, maar ze hadden er veel te lang over gedaan. In het contract van Voorhees stond nadrukkelijk dat hij de tempel en alles wat erbij hoorde binnen zeventien dagen naar Orissa moest brengen, op tijd voor de plaatselijke viering van Rath Yatra, wanneer het Godsbeeld in een heilige processie van de tempel naar een zomerverblijf werd gedragen. Wanneer het schip te laat binnenkwam en de gelovigen hun heilige dagen moesten vieren zonder de tempel en de beelden, zou het honorarium wor­den gehalveerd. En dat honorarium loog er niet om. Voorhees was vol vertrouwen over die datum geweest. Hij pro­grammeerde een strak schema door de hyperruimte, zorgde voor extra pijnstillers om de ellende te weerstaan wanneer hij door de tijd-ruimte-vlakken brak met zulke korte tussenpozen en ging er toen rustig bij zitten om schaak te spelen met de boordcomputer en kletspraat uit te wisselen met de andere scheepssystemen. Wolverton Mountain was volledig geautomatiseerd op de schip­per zelf na, maar Richard had nog voldoende sociale behoeften overgehouden en er dus voor gezorgd dat de hele robotica in het schip was toegerust met persoonlijke kenmerken, een eigen iden­titeit en stem, plus een aanzienlijke voorraad schandaalinforma­tie van een handvol favoriete werelden, aangevuld met grappen en vleierige kletspraat. Dat hielp om de tijd door te komen. ‘Communicatie aan het bruggedek,’ zei een innemende alt, daarmee zijn aanval op de koningin van de computer onderbre­kend.
    ‘Voorhees hier. Wat is er, Lily liefje.’
    ‘We hebben een alarmsignaal uit de subruimte ontvangen,’ zei het systeem. ‘Een Poltroyaans onderzoeksschip zit vast met transmissiemoeilijkheden. Navigatie is al bezig haar subjectieve lokatie vast te leggen.’
    Die verdomde, grijnzende kleine dwergen! Zaten waarschijnlijk weer overal hun nieuwgierige neus in te steken en lieten onder­tussen hun energiekristallen naar de donder gaan zonder er goed voor te zorgen.
    ‘Navigatie aan het bruggedek.’ ‘Ja Fred?’
    ‘Dat schip in moeilijkheden zit verdomd dicht op onze eigen cur­ve, kapitein. Ze hebben geluk. Zoveel verkeer is er niet in dit deel van de hyperruimte.’
    Richards vuist sloot zich rondom een pion en kneep hard. Nu kon hij er dus op uit om verpleegster voor die kevers te spelen. En een mooie kans dat hij naar de helft van zijn commissie kon fluiten. Dat kon wel eens verschillende subjectieve dagen kosten als je rekening hield met het gebrek aan vingervaardigheid van die Poltroyanen en het feit dat de Wolverton Mountain maar drie robottechnici aan boord had. Als het nu een schip vol mensen was, dan wist hij wel wat hem te doen stond. Maar die vreemde­lingen!
    ‘Ik heb de ontvangst van hun alarmsignaal bevestigd,’ zei Lily. ‘Het Poltroyaanse schip heeft leefsystemen die aan het aftakelen zijn. Ze moeten daar al geruime tijd vastzitten, schipper.’ Sodeju. Hij was nog maar twee dagen van Orissa verwijderd. De Poltroyanen konden het vast nog wel een paar dagen langer uit­houden. Op de terugweg was vroeg genoeg. ‘Attentie alle systemen. Ga door op de oorspronkelijke tijdruimtekoers. Communicatie: stop alle signalen naar buiten. Lily, ik wil dat je de notitie van dat alarmsignaal uit het logboek haalt en alle daarop volgende interne gesprekken over dat onder­werp ook tot en met mijn merkteken. Klaar? Merkteken!’ Richard Voorhees leverde op tijd af en ontving zijn volledige honorarium van de dankbare vereerders van Jagannath. Een kruiser van de Lylmik Vloot verleende de Poltroyanen assi­stentie op hetzelfde moment dat Voorhees in Orissa in het dok gleed. De Poltroyanen hadden minder dan vijftien uren zuurstof in hun tanks toen de redders arriveerden. Ze gaven hun opname van Voorhees’ oorspronkelijke antwoord op hun alarmsignaal door aan de Magistratuur van die sector. Toen Richard in Assawompset terugkwam, werd hij onder arrest geplaatst op verden­king van overtreding van de Galaktische Altruïsme Wet, artikel 24: ‘Ethische verplichtingen van schepen in de hyperruimte.’ Nadat hij schuldig was bevonden, werd Richard Voorhees ver­oordeeld tot het betalen van een ongelooflijk grote som geld die al zijn bezittingen opslokte. De Wolverton Mountain werd in beslag genomen en de schipper voor de duur van zijn verdere leven uitgesloten van sterrereizen en interstellaire handel. ‘Ik denk dat ik de Oude Wereld maar eens ga bezoeken,’ zei Richard tegen zijn advocaat toen alles voorbij was. ‘Ze zeggen dat er geen plek zo goed is om door te branden.’

4

    Felice Landry zat kaarsrecht in het zadel op de rug van haar drietons verrul, het verdovingsgeweer in de boog van haar rech­terarm. Ze boog haar hoofd voor de luide begroetingen. Er waren bijna vijftigduizend fans in de arena, dat was een gewel­dig aantal voor zo’n kleine planeet als Acadië. Ze zette de verrul aan tot een ingewikkeld dressuurpatroon. Het monsterachtige beest, dat nog het meest weg had van een rinoce­ros op stelten met een lange, voorwereldlijke nek en boosaardig gloeiende ogen, trippelde over de lichamen zonder er ook maar één te raken. Van al de spelers op de groen en witte, met zaagsel gevulde speelvlakken was Landry de enige die nog overeind zat en bij bewustzijn was.
    Andere verruls, opgesloten in de stallen naast de zijlijnen en veilig achter de zware vluchtwanden, voegden hun getrompetter toe aan het applaus van het publiek. Met geroutineerde behen­digheid liet ze haar rijdier met zijn neushoorn de vuurrode ring oppikken. Daarna stuurde ze het dier galopperend naar het nu niet langer verdedigde doel van de Witten, hoewel er nu voor snelheid geen enkele reden meer was. ‘Lan-drie  Lan-drie!’ schreeuwden de toeschouwers. Het leek erop dat het jonge meisje en haar rijdier hals over kop in de grotachtige holte aan het einde van het veld zouden stormen. Met net voor ze daar waren, hield Landry de verrul scherp in en gaf een ander commando. Het beest draaide helemaal rond, schuddend met het monsterachtige hoofd dat bijna zo lang was als het lichaam van het meisje. De ring zeilde door de lucht en bleef liggen in het midden van het doel. Het signaal lichtte schreeuwend op. ‘Lan-DRIE!’
    Ze hield haar geweer omhoog en schreeuwde terug naar de menigte. Schokgolven van een orgasme schoten door heen heen. Een lange minuut kon ze niets zien, hoorde ze zelfs de eenmalige diepe klank niet van de scheidsrechtersbel die het einde van het spel aangaf.
    Toen haar zintuigen weer helder werden, verwaardigde ze zich te glimlachen naar de springende, wuivende menigte. Vier mijn overwinning, volk-kinderen-minnaars. Schreeuw mijn naam. Maar raak me niet aan. ‘Lan-drie! Lan-drie! Lan-drie!
    Een scheidsrechter kwam aanlopen met de kampioensbanier hangend aan het einde van een lange lans. Ze stak het geweer in de holster, nam de vlag over en hief die hoog in de lucht. Zij en de verrul maakten een langzame rondgang door de arena, beiden knikkend met het hoofd onder het oorverdovende applaus van al de fans, niet enkel die van de Groenhamers maar ook van de Witten.
    Nooit eerder was er zo’n seizoen geweest, zo’n kampioenschap. Niet voor de komst van Felice Landry.
    De sportgekke bevolking van het ‘Canadese’ Acadië nam ringhockey heel serieus. Eerst hadden ze Landry niet gemogen omdat zij het waagde aan dit gevaarlijke spel deel te nemen. Daarna hadden ze haar verslonden. Klein, stevig gebouwd, ongewoon sterk naar lichaam en geest en met een beangstigend vermogen om de vaak slecht gehumeurde verrulhengsten in toom te houden, had ze alle mannelijke spelers met talent en ervaring snel achter zich gelaten om een sportidool te worden in het eerste profseizoen. Ze speelde zowel aanvallend als verdedi­gend en haar razendsnelle stunts met de verdover werden al legende. Zelf was ze nog nooit gevallen. In deze wedstrijd, de laatste om het kampioenschap, had ze acht doelpunten gescoord, een nieuw record. Terwijl al haar ploegge­noten in de laatste wedstrijdhelft neer waren gegaan, had ze in haar eentje een laatste stormaanval van de Witten op het doel van de Groenhamers afgeslagen. Vier koppige reuzen van de Witten hadden in het stof moeten bijten voordat ze triomfeerde en dat allerlaatste loop-naar-de-hel-doelpunt had kunnen sco­ren.
    Klap maar. Vereer me maar. Zeg me dat ik jullie koningin ben, jullie minnares, jullie slachtoffer. Maar blijf uit de buurt. Ze stuurde de verrul naar de spelersuitgang, breekbaar ogend op de rug van het reusachtige beest. Ze droeg een doorschijnende groene kilt, groene pluimen op de naar achter geschoven helm. Haar eerst zo stralende, platinablonde kapsel hing in losse slier­ten op het glanzende zwarte leer van haar wapenrusting in namaak-Grieks model. ‘Lan-drie! Lan-drie!’
    Ik heb mezelf leeggestort en uitgegoten voor jullie, slaven-vreters-woestelingen. Laat me nu gaan.
    Kleine brancards reden door de gangen achter de arena om de gewonden naar binnen te brengen. Felice moest haar verrul goed in bedwang houden terwijl ze in de richting van het Groenhamerkamp reed. Plotseling waren ze allemaal om haar heen, assi­stenten, trainers, staljongens, reserves, mooipraters en alles wat rondom de arena hing. Er ging een verward geroep op van begroetingen en felicitaties en het klonk allemaal iets te fami­liair. De heldin onder haar soortgenoten. Ze schonk hun een smal, hooghartig lachje. Iemand nam de teu­gels over en gaf de verrul te eten.
    ‘Felice! Felice, baby!’ Trainer Megowan, zo van de bank op het veld, de handen vol slierten tape met aanvalsmogelijkheden die als confetti om hem heen slierden, kwam hijgend uit de arena omlaag. ‘Je was geweldig, liefje! Niet te geloven. Steengoed.’ ‘Daar ga je,’ zei ze, terwijl ze in het zadel voorover leunde en hem de kampioensvlag overhandigde. ‘Onze eerste trofee. Maar niet de laatste.’
    De duwende omstanders begonnen te schreeuwen om meer.
    ‘Laat ze het maar horen, Felice! Nog eens, liefje-baby.’
    De verrul begon waarschuwend te grommen.
    Landry strekte sierlijk haar zwart beklede arm uit naar de coach. Megowan schreeuwde dat iemand een platform moest brengen zodat ze kon afstijgen. Stalknechten hielden het dier in bedwang terwijl het meisje haar trainer een hand toestond.
    Verering—vreugde—pijn—walging. De last. De noodzaak.
    Ze liet de Griekse helm met de grote groene pluimen van haar hoofd glijden en gaf die aan een bewonderende trainster. Een van haar ploeggenoten, een massieve reserveverdediger, werd aangemoedigd door de razernij van hun overwinning.
    ‘Geef es een dikke, natte zoen, Landry!’ giechelde hij en nam haar in zijn armen voor ze opzij kon stappen.
    Een tel later lag hij wijdbeens tegen de gangmuur. Felice lachte.
    Een seconde later vielen de anderen haar bij. ‘Een andere keer, mooie jongen!’ Haar bruine en zeer grote ogen vonden die van de liggende atleet. Het voelde aan alsof iemand hem bij de strot greep.
    Het meisje, de trainers en de meeste anderen uit de menigte liepen door, op weg naar de kleedkamers waar de verslaggevers zaten te wachten. Enkel de onbeschaamde verdediger bleef ach­ter, langzaam verder langs de muur naar beneden glijdend, naar adem snakkend, de voeten vooruitgestoken, de armen machte­loos langs zijn lichaam. Een verpleger achter zijn rollende vlees­wagen vond hem een paar minuten later en hielp hem over­eind.
    ‘Jezus, man! En je hebt niet eens meegespeeld!’ Schaapachtig vloekend gaf de ander toe wat er was gebeurd. De verpleger schudde zijn hoofd, vol verbazing. ‘Je moet ook wel gek zijn geweest om zoiets te proberen. Zo’n lieve bek als ze heeft, die kleine hoer jaagt me de stuipen op het lijf.’ De verdediger knikte nadenkend. ‘Zal ik je wat vertellen? Ze houdt ervan kerels neer te schieten. Ik bedoel, zo komt ze aan naar gerief. Je kan zien dat ze liever zou willen dat ze dood waren dan alleen maar in slaap. Begrijp je? Ze is leip! Een geweldige, steengoeie, hardstikke leipe kutkampioen.’ De verpleger trok een gezicht. ‘Waarom zou een vrouw anders aan dit waanzinnige spel meedoen? Kom hier, held. Ik rijd je naar de ziekenzaal. Daar hebben we precies het goeie spul voor die zweefbuik van jou.’
    De verdediger klom op de brancard, naast een ronkende gewon­de. ‘Zeventien jaar pas! Kun jij je voorstellen wat dat wordt als ze ouder is?’
    ‘Lummels als jij moesten geen verbeelding hebben. Dat staat de spelstrategie in de weg.’ De verpleger schoot met het wagentje door de gang in de richting van het verre gelach en geschreeuw.
    Buiten, in de arena, was het hoerageroep opgehouden.

5

    ‘Probeer het nog eens, Elizabeth.’
    Ze concentreerde al haar geestkracht op haar projecterende ver­mogens of wat daarvan over was. Hyperventilerend en met een bonzend hart spande ze zich in tot ze het gevoel had in haar stoel te drijven.
    Projecteer vanaf de tekst voor je:
    GLIMLACH—GROET. AAN U KWONG CHUN-MEI THERAPEUT VAN ELIZABETH ORME VERSPREEK­STER. ALS IK DE VLEUGELS BEZAT VAN EEN ENGEL ZOU IK OVER DEZE GEVANGENISMUREN VLIEGEN. EINDE.
    ‘Probeer het nog eens, Elizabeth.’
    Dat deed ze. En opnieuw en nog eens en nog een keer. Verzend die sarcastische kleine boodschap die ze zelf had uitgezocht. (Gevoel voor humor is het bewijs van persoonlijke integratie.) Verstuur haar. Verstuur haar.
    De deur van haar cabine ging open en eindelijk kwam Kwong binnen. ‘Het spijt me, Elizabeth, maar ik ontving helemaal niets.’
    ‘Zelfs de glimlach niet?’
    ‘Het spijt me. Nog niet. Er zijn helemaal geen beelden. Alleen de beelddrager. Waarom houden we het niet voor gezien vandaag? Je gezondheidsmonitor geeft al geel als indicatie. Je hebt echt meer rust nodig, meer tijd om beter te worden. Je spant je veel te veel in.’
    Elizabeth Orme leunde achterover en drukte haar vingers tegen haar kloppende slapen. ‘Waarom blijven we doen alsof, Chun-Mei? We weten allebei dat de kans dat ik ooit weer kan werken met mijn psychische vermogens net even iets groter is dan nul. De tank heeft prachtig werk gedaan door me na het ongeluk weer gaaf af te leveren. Geen littekens, geen verminkingen. Ik ben een gezond en doodgewoon specimen van de vrouwelijke helft van onze mensheid. Normaal. Niks meer.’ ‘Elizabeth ...’ De ogen van de therapeut vulden zich met mede­dogen. ‘Geef jezelf een kans. Je hebt een bijna complete hersenregeneratie ondergaan. Niemand begrijpt precies waarom je wel al je overige mentale functies terug hebt gekregen en niet deze, maar als we ons de tijd gunnen en eraan werken, dan kan ook dat best gebeuren.’
    ‘Niemand met mijn soort verwondingen is dat ooit overkomen.’ ‘Nee,’ werd er met tegenzin toegegeven. ‘Maar er is hoop en we moeten het blijven proberen. Je hoort nog steeds bij ons, Eliza­beth. We willen dat je weer aan het werk kunt, hoe lang dat ook mag duren. Maar je moet het blijven proberen.’ Probeer de blinde vrouw maar zover te krijgen dat ze de drie volle manen van Denali kan zien. Probeer het dove meisje maar te leren van Bach te houden of de tongloze om Bellini te zingen. Waarom ook niet.
    ‘Je bent een goede vriend, Chun-Mei en God weet dat je heel hard met me hebt gewerkt. Maar het zou misschien gezonder zijn als ik dit verlies probeerde te aanvaarden. Denk eens aan die miljoenen doodgewone mensen die een gelukkig en vervuld leven leiden zonder wat voor psychisch vermogen dan ook. Ik moet me gewoon leren schikken in dat nieuwe perspectief.’ Vergeet de herinnering aan de engelenvleugels die de geest is kwijtgeraakt. Wees gelukkig binnen de gevangenismuren van je eigen schedel. Vergeet die onuitsprekelijke Eenheid, de synergie, het ademloos bruggen slaan van wereld naar wereld, de onbe­vreesde warmte van aanverwante zielen, de vreugde om talent­volle kindergeesten volledig bewust te maken van hun vermo­gens. Vergeet de smartelijke herinnering aan de dode Lawrence. Waarom niet?
    Kwong aarzelde. ‘Waarom volg je het advies van Czarneki niet op? Een mooie, lange vakantie op een warme, liefdevolle wereld? Tuamotu. Rivièra. Tamiami. Of zelfs de Oude Aarde! Wanneer je terug bent, kunnen we beginnen met simpele afbeel­dingen.’
    ‘Dat zou wel eens precies goed voor me kunnen zijn, Chun-Mei.’ De therapeut ontging de lichte nadruk niet, zijn mond trok bezorgd verder samen. Maar hij zei niets, bang nog meer pijn te veroorzaken.
    Elizabeth deed haar met bont afgezette mantel aan en keek door de gordijnen van het kantoor naar buiten. ‘Goeie genade, kijk eens hoe de storm is aangewakkerd! Ik zou wel gek zijn als ik de kans niet greep om aan de winter op Denali te ontkomen. Ik hoop dat mijn karretje wil starten. Het was weer eens het enige vanrnorgen dat het niet deed, het is zo ongeveer rijp voor de schroot­hoop.’
    Net als de bestuurster.
    De therapeut volgde Elizabeth Orme naar de deur en legde impulsief een hand op haar schouder. Hij projecteerde vrede, hoop. ‘Je mag de moed niet verliezen. Je bent het aan jezelf en onze hele gemeenschap verplicht om het te blijven proberen. Je hoort bij ons.’
    Elizabeth glimlachte. Het was een rustig gezicht met slechts een paar lijntjes rondom de ooghoeken, de stigmata van grote emo­ties die hoorden bij het herstel dat haar gebroken vierenveertig jaar oude lichaam had teruggebracht naar de volmaaktheid van een jonge volwassene. Net zo makkelijk als een kreeft nieuwe poten liet groeien, zo had zij in de tank nieuwe cellen vervaar­digd om de kapotte armen, maag en ribbenkast te vervangen, de longen en het hart en de buikorganen, het versplinterde bot en het grijze materiaal van schedel en hersenen. De regeneratie was vrijwel perfect geweest, hadden de artsen haar verzekerd. Natuurlijk.
    Ze drukte de hand van de therapeut zachtjes. ‘Tot ziens, Chun-Mei. Tot de volgende keer.’ Nooit, nooit meer.
    Ze liep naar buiten in de sneeuw die al enkelhoog lag. De verlich­te kantoorramen van het Denali Instituut voor Metapsychologie wierpen hoekige gouden patronen op de witte sneeuw. Frank, de concierge, zwaaide haar toe terwijl hij met een schop langs de stoeprand ging. De goten zaten zeker weer eens verstopt. Dat goede oude Denali.
    Ze zou niet terugkeren naar dit Instituut waar ze zoveel jaren had gewerkt, eerst als studente, later als lesgevend vérspreekster en redactrice en ten slotte als patiënte. De voortdurende pijn van die vernedering was meer dan haar gezondheid kon verdragen en Elizabeth was in haar hart een uiterst praktische vrouw. Het werd eens tijd voor iets heel anders.
    Doelbewust, terwijl ze de kap van haar mantel losjes over haar hoofd sloeg, liep ze naar het wagenpark. Ze bewoog haar lippen terwijl ze bad, dat was nu haar gewoonte geworden. ‘Gezegend Diamant Masker, leid me op mijn weg naar Balling­schap.’

6

    De toelating van het menselijk ras tot het Galaktisch Bestel, vooruitlopend op haar sociopolitieke volwassenheid, was riskant geweest.
    Zelfs na de eerste psychische bedreiging van de veiligheid van het Bestel door mensen, die overigens met succes was verhinderd door de zeer geëerde Jack en Illusio, bleven de koppige bewijzen van de oorspronkelijke zonde der mensheid zich manifesteren. Bij mensen als Aiken Drum.
    Aiken was een van die uiterst eigenaardige persoonlijkheden die gedragstherapeuten tot waanzin konden drijven. Zijn chromoso­men waren normaal. Zijn hersenen waren onbeschadigd, hij was niet ziek en bezat een hoog intelligentiequotiënt. Hij zat boven­dien volgestouwd met latente psychische vermogens die te zijner tijd wellicht operationeel konden worden gemaakt. De opvoe­ding tijdens zijn jeugd op de nieuw gestichte kolonie op Dalriada verschilde in geen enkel opzicht van de dertigduizend andere ongeborenen die waren opgekweekt uit het zorgvuldig geselec­teerde genenmateriaal van Schotse voorouders. En toch was Aiken anders dan de rest van het nest. Hij was een geboren misdadiger.
    Ondanks de liefde van surrogaatouders, de toewijding van erva­ren leraren en de onvermijdelijk toegediende correctieve behan­delingen tijdens zijn stormachtige groeiperiode, klemde Aiken zich koppig vast aan zijn eenmaal gekozen pad vol schurkerijen. Hij stal. Hij loog. Hij bedroog wanneer hij er maar even de kans­toe kreeg. Hij genoot ervan regels te overtreden en voelde niets dan minachting voor zijns gelijken die zich normaal gedroegen. ‘De persoon Aiken Drum,’ zo vermeldde zijn persoonsregistra­tie, ‘legt een fundamentele disfunctie aan de dag in zijn bele­vingswereld. Zijn vermogen om de sociale en persoonlijke conse­quenties van zijn handelingen te doorzien is essentieel bescha­digd en hij is zo ego-gericht dat het schadelijk moet worden genoemd. Hij is bestand gebleken tegen alle technieken tot ver­andering.’
    Maar Aiken Drum was ook charmant. En Aiken Drum had een ruw soort gevoel voor humor. Aiken Drum was bovendien, los van al zijn schurkenstreken, een geboren leider. Hij was uitge­sproken vaardig met zijn handen en vindingrijk wanneer het erom ging nieuwe manieren te bedenken om de gevestigde maat­schappelijke orde tot wanhoop te brengen. Tijdgenoten hadden daardoor de neiging hem als een enigszins duistere held te bewonderen. Zelfs de volwassenen van Dalriada, die al genoeg de handen vol hadden met de ellendige taak een hele generatie reageerbuiskinderen tot kolonisten op te voeden met wie een lege wereld moest worden bevolkt, moesten soms om zijn streken lachen.
    Toen Aiken Drum twaalf was, werd het Ecologisch Korps waarbij hij was aangesloten, de opdracht gegeven om het stinkende en rottende karkas van een grote walvisachtige op te ruimen, die aangespoeld was op het strand van de op drie na grootste kolonie. De gezondste koppen onder de kinderen waren er voor om de twintig ton wegende rommel met bulldozers onder het zand te schuiven, maar Aiken overtuigde hen ervan dat er een meer opzienbarende methode moest worden gevonden. Dus bliezen ze de dode walvis op met een plastic bom van Aikens eigen vinding. Vuistgrote brokken stinkend vlees regenden neer op het hele stadje, een bezoekende delegatie van Bestelfunctionarissen inbe­grepen.
    Toen Aiken Drum dertien was, werkte hij in een groepje burger­technici, die de loop van een kleine waterval moesten wijzigen die het nieuwe reservoir zou gaan vullen dat De Oude Man van de Berg was gaan heten. Laat op een nacht stal Aiken met een bende jonge volgelingen een voorraad cement en flink wat leidin­gen en ging aan het beeldhouwen op de rand van de waterval. De volgende dageraad onthulde een redelijke imitatie van een paar reusachtige mannelijke geslachtsorganen, pissend in het veertig meter lager gelegen reservoir.
    Toen Aiken Drum veertien was, verstopte hij zijn kleine lichaam aan boord van een lijnschip op weg naar Caledonië. De passa­giers werden geplaagd door diefstallen van sieraden, maar de monitors onthulden dat er geen menselijk wezen in hun kamers had ingebroken. Een zoektocht door de voorraadruimen bracht de verstekeling aan het licht, samen met de stalen robotmuis die hij er vandaar op uit stuurde en die geprogrammeerd was op kostbare metalen en juwelen. Hij was van plan geweest ze in New Glasgow van de hand te doen, gaf hij kalm toe. Ze stuurden hem natuurlijk naar huis en de gedragsdeskundigen kregen weer de kans om Aikens overtredersvoeten terug te bren­gen op het smalle pad der deugd. Maar de methodes sloegen weer niet aan.
    ‘Hij breekt je hart,’ zei de ene psycholoog tegen de andere. ‘Je moet van dat jong houden of je nu wilt of niet. Hij heeft een schitterend inventieve geest in dat aardmannetjeslijf van hem. Maar wat gaan we voor de donder met hem aanvangen? In het Galaktisch Bestel is geen plaats voor een nieuwe Tijl Uilenspie­gel!’
    Ze probeerden zijn neiging tot zelfbewondering om te buigen in de richting van het komieke theater, maar leden van zijn toneel­gezelschap vermoordden hem bijna toen hij door bleef gaan hun optredens met eigen grappen om zeep te helpen. Ze probeerden iets te doen met zijn technische vermogens, maar hij misbruikte de werkplaatsen van de technische school om illegale zwarte dozen te bouwen die hem toegang gaven tot de helft van alle gecomputeriseerde kredietsystemen in de sector. Ze probeerden een metafysische dieptebehandeling, ze werkten met onthou­dingstechnieken, ze gaven hem narcotherapie en multigefaseerde elektroschokken. Ze waagden het zelfs met oude godsdien­sten.
    Maar Aiken Drums ondeugden triomfeerden over alles. En dus werd hij, op een weinig berouwvolle eenentwintigste ver­jaardag, geconfronteerd met een meerkeuzevraag waarop het antwoord zijn toekomst zou bepalen:
    Welke van de volgende mogelijkheden kiest u, nu is vastgesteld dat u een overtuigd recidivist bent die schadelijk is voor de harmonie in het Galaktisch Bestel?
    Permanente opsluiting in het Correctief Instituut van Dalriada Microchirurgische implantatie van een handelbaar makende eenheid Euthanasie.
    ‘Geen van drieën,’ zei Aiken Drum. ‘Ik kies Ballingschap.’

7

    Zuster Annamaria Roccaro ontmoette Claude voor het eerst toen hij zijn stervende vrouw naar het Oregon Cascade Hospi­taal bracht.
    Beide oude mensen waren exopaleontologen geweest—Claude Majewski was gespecialiseerd in macrofossielen en Genevieve Logan in micro’s. Ze waren langer dan negentig jaar plus een gezamenlijke verjonging getrouwd geweest en samen hadden ze de uitgestorven levensvormen onderzocht van meer dan veertig planeten die door de mensheid waren gekoloniseerd. Maar Genevieve was ten slotte vermoeid geraakt en had een derde levensverlenging geweigerd. Claude had zich bij haar beslissing neergelegd, zoals hij dat het grootste deel van zijn leven had gedaan. Ze bleven werken zolang ze konden en brachten toen enige jaren van hun oude dag door in een landhuisje aan de Pacific in het echte Amerika op de Oude Aarde. Claude had nooit over het onvermijdelijke einde nagedacht tot net vlak bij was. Hij had een soort vaag idee dat ze op een zekere dag samen rustig in hun slaap zouden wegdrijven. De werkelijk­heid was natuurlijk iets minder netjes. Claudes stevige, Poolse boerenlijf bleek op het eind toch wat meer weerstand te hebben dan dat van zijn Afro-Amerikaanse vrouw. De tijd kwam dat Genevieve naar het verzorgingstehuis moest waarbij Claude haar vergezelde. Ze werden welkom geheten door zuster Roccaro, een grote vrouw met een open gezicht die de persoonlijke zorg op zich nam om de stervende geleerde en haar echtgenoot gees­telijk en lichamelijk te verzorgen.
    Genevieve, geplaagd door poreuzer wordende botten, gedeelte­lijk verlamd en versuft door enkele hartaanvallen, nam lang de tijd voor haar overgang. Misschien was ze zich bewust van de pogingen van haar echtgenoot om haar gerust te stellen, maar daar bleek weinig van. Ze leed geen pijn en bracht dagen door in diepe slaap of in door medicijnen veroorzaakte dromerijen. Zus­ter Roccaro merkte dat stilaan meer van haar tijd besteed werd aan het verzorgen van Claude, die zeer gefrustreerd was en diep verontrust door de langzame gang van zijn vrouw naar haar levenseinde.
    De oude man was fysiek nog altijd tanig op zijn leeftijd van honderddrieëndertig en dus nam de non hem van tijd tot tijd mee op een bergwandeling. Ze liepen dan door de mistige, altijd groe­ne bossen en visten op forel in de stromen die van de gletsjers afkwamen. Ze noteerden welke vogels en welke bloemensoorten ze tegenkwamen terwijl de zomer vorderde, ze beklommen de flanken van de bergen en brachten hete namiddagen in de scha­duwzijde van de hellingen door zonder veel te spreken, want het lukte Majewski niet om zijn verdriet onder woorden te bren­gen.
    Op een ochtend, vroeg in juli, 2110, begon Genevieve Logan snel achteruit te gaan. Zij en Claude konden elkaar alleen nog maar aanraken, want zien of horen of spreken kon ze niet meer. Toen de monitor in de ziekenkamer liet zien dat de hersens van de oude dame niet meer werkten, droeg de zuster een requiemmis op en diende het laatste oliesel toe. Claude sloot zelf de machines af en zat naast het bed, Genevieves skeletachtige bruine hand vasthoudend tot alle warmte eruit was verdwenen. Zuster Roccaro sloot voorzichtig de gerimpelde, koffiekleurige oogleden over de ogen van de dode geleerde. ‘Wil je een tijdje bij haar blijven, Claude?’
    De oude man glimlachte afwezig. ‘Ze is niet meer hier, Amerie. Wil jij een eindje met me wandelen als niemand anders je op dit moment nodig heeft? Het is nog vroeg. Ik denk dat ik nu praten kan.’
    Ze trokken dus schoenen aan en gingen weer de bergen in, met de wagen kostte dat maar een paar minuten. Ze parkeerden op Cloud Cap, gingen via een gemakkelijke weg omhoog tot aan Cooper Spur en stopten beneden de Tie-In Rock op een rand op ongeveer 2800 meter hoogte. Ze vonden een goede plek om te zitten en haalden blikjes en een lunch te voorschijn. In het noor­den, voorbij de kloof van de Columbiarivier, lag Mount Adams en wat verderweg Rainier, beide met sneeuw bedekt, net als de Hood. De symmetrische kegel van Mount St. Helens zond een grijze pluim van vulkanische rook en stoom omhoog. IVlajewski zei: ‘Het is mooi hierboven, hè? Toen Gen en ik nog kinderen waren, was de vulkaan niet actief. Ze haalden nog hout uit de bossen. Er lag een dam in de Columbia zodat de zalm stroomopwaarts moest klimmen via visladders. Oregon Metro heette toen nog Portland en Fort Vancouver. Er was nogal wat mist en de nodige overbevolking als je op plekken wilde wezen waar de baantjes waren. Maar alles bij elkaar was het leven hier redelijk goed, zelfs in die slechte dagen toen de vulkaan uitbarst­te. Pas tegen het einde, net voor de Interventie, toen de hele wereld zonder energie raakte en de economie in elkaar stortte, begonnen ze er hier hun portie van mee te krijgen.’ Hij wees naar het oosten, in de richting van de droge canyons en de hooggelegen woestijnbegroeiïng van het oude lavaplateau buiten de Cascaden.
    ‘Daar liggen de fossiele lagen die naar John Day vernoemd zijn. Gen en ik verzamelden daar onze eerste stukken toen we nog studenten waren. Zo’n dertig of veertig miljoen jaar geleden was dat weelderig weideland en zwaar beboste heuvels. Het was dicht bevolkt met zoogdieren, rinocerossen, paarden, kamelen, oreodonten—wij noemden ze slimme monstertjes—en zelfs een groot soort honden en sabeltandtijgers. Toen begonnen op een dag de vulkanen te werken. Ze strooiden een dikke deken van as en afval over al die oostelijke vlaktes. De planten werden eronder begraven en de rivieren en de meren vergiftigd. Er waren vuurstormen, een soort van woeste wolken die bestonden uit gas en as en brokken lava die met snelheden van honderdvijftig kilometer per uur voorbijjoegen.’
    Hij pakte bedaard een boterham uit, beet en kauwde. De non zei niets. Ze nam haar haarband af en gebruikte die om het zweet van haar brede voorhoofd te vegen.
    ‘Het deed er niet toe hoe hard of hoe ver die arme beesten konden rennen, ze konden niet ontsnappen. Ze kwamen om in de aslagen. En toen hield het vulkanisme ineens op. De regen waste de gifstoffen weg en de planten keerden terug. Na een tijdje kwa­men ook de dieren terug en het land raakte weer vol. Maar dat goede leven duurde niet lang. De vulkanen begonnen opnieuw te werken en er kwamen meer aslagen. Dat gebeurde steeds weer opnieuw over een periode van zo’n vijftien miljoen jaar. Het doden en de herbevolking, de fonteinen van dood en de terugkeer van het leven. Laag na laag van fossielen en as zijn hier neergelegd. De John Day-formatie is meer dan vijfhonderd meter dik en daarboven en er beneden liggen soortgelijke formaties.’
    Terwijl de oude man sprak, staarde de non naar het tafelland in het oosten. Een paar reusachtige condors zweefden rond op de thermiek. Beneden hen vloog een dichte formatie van negen eivormige toestellen langzaam over een onzichtbare kloof. ‘De beddingen vol as werden afgedekt met lava. Toen, na nog een paar miljoen jaar, baanden de rivieren zich steeds lager een weg door de rots en de aslagen. Gen en ik hebben fossielen gevon­den langs al die oude waterwegen, niet enkel botten en tanden, maar afdrukken van bladeren en complete bloemen. Het verslag van hele reeksen verdwenen werelden. Heel overtuigend, ’s Nachts bedreven zij en ik de liefde onder de woestijnsterren en keken naar de Melkweg in Sagittarius. We vroegen ons af hoe de hemel er had uitgezien in de ogen van al die uitgestorven dieren. En hoe lang de oudgeworden mensheid het nog kon uithouden voor het in haar eigen asbed zou worden begraven, wachtend op de paleontologen van Sagittarius om ons op te graven na nog eens dertig miljoen jaar.’
    Hij gniffelde. ‘Melodrama. Dat is een van de nadelen van fossie­len graven in een romantische omgeving.’ Hij at de rest van zijn brood op en dronk uit het blikje. Toen zei hij: ‘Genevieve’ en was lange tijd stil.
    ‘Wasje geschokt door de Interventie?’ vroeg zuster Roccaro ten slotte. ‘Sommige van de ouderen die ik heb helpen verzorgen, leken bijna teleurgesteld dat de mensheid op die manier de eco­logische woestijn werd bespaard die haar toekwam.’ ‘Het was niet makkelijk voor de lui die last hadden van leedver­maak,’ gaf Majewski toe. ‘Het slag dat de mensheid beschouwde als een soort onkruid dat verwoestte wat anders een aardige pla­neet had kunnen zijn. Maar paleontologen hebben de neiging wat verder te kijken. Sommige soorten overleven, andere sterven uit. Maar hoe groot de ecologische schade soms ook is, de para­dox die wij leven noemen, blijft de entropie bestrijden en naar volmaaktheid streven. Harde tijden lijken de evolutie op weg te helpen. De Ijstijd uit het Pleistoceen had alle plantenetende mensachtigen kunnen uitroeien. Maar in plaats daarvan heeft het woestere klimaat en de veranderingen in de vegetatie sommi­gen van onze voorouders aangemoedigd om vlees te gaan eten. En als je vlees eet, heb je minder tijd nodig om voedsel te verza­melen. Je kunt erbij gaan zitten en leren nadenken.’ ‘En op een keer bracht de jager-moordenaar het er het beste af?’
    ‘Jagen is niet gelijk aan moorden. Ik moet niets hebben van dat totaal gedegenereerde aapmensbeeld dat sommigen voor onze voorouders willen laten doorgaan. Er moet goedheid en menslie­vendheid in onze hominide voorouders zijn geweest, net als nu.’ ‘Maar het kwaad is werkelijk,’ zei de non. ‘Noem het egocentrisrne? kwaadaardige agressie, de eerste zonde of wat ook. Maar het is er. Het paradijs is verdwenen.’
    ‘Is het bijbelse Eden niet een ambivalent symbool? Het lijkt mij dat die mythe alleen maar aantoont dat zelfbewustzijn en intel­ligentie gevaarlijke eigenschappen zijn. En soms dodelijk. Maar kijk eens naar het alternatief voor de Boom van Kennis? Zou iemand onschuld willen voor zulk een prijs? Ik niet, Amerie. We zouden dat stukje appel niet echt terug willen geven. Zelfs onze agressieve instincten en koppige trots hebben meegeholpen om ons heersers over de Aarde te maken.’ ‘En op een dag misschien van de sterren?’ Claude toonde een kort lachje. ‘God weet dat we daar lang genoeg over gepraat hebben toen de Gi en de Poltroyanen met ons samenwerkten in allerlei reddingsoperaties. De consensus schijnt te zijn dat wij, ondanks al onze rotzooi en eigenzinnigheid toch een ongelooflijk potentieel bezitten dat de Interventie rechtvaardigde, voor we onszelf helemaal in de nesten werkten. Aan de andere kant, wanneer je kijkt naar de last die we veroor­zaakt hebben in de Tachtiger Jaren met de Metapsychische Opstand, dan ga je je afvragen of we ons talent om de boel te verzieken niet gewoon van één enkele planeet naar een flink stuk kosmos hebben verschoven.’
    Ze aten een paar sinaasappels en na een tijdje zei Claude: ‘Wat er ook gebeurt, ik ben blij dat ik de sprong naar de sterren heb meegemaakt en ik ben blij dat Gen en ik samen hebben mogen werken met andere denkende wezens van goede wil. Dat is nu allemaal voorbij, maar het was een prachtig avontuur.’ ‘Wat vond Genevieve van al die reizen?’ ‘Ze was meer aan de Aarde gebonden dan ik, hoewel ze van die reizen hield. Maar ze stond er ook op hier een huis aan te houden waar we opgegroeid waren. Als we kinderen hadden gekregen, had ze misschien nooit weg gewild, maar haar rode bloedcellen hadden een afwijking en de techniek om dat via de genetische code te herstellen werd pas echt ontwikkeld toen haar beste jaren om kinderen te krijgen al voorbij waren. Nog weer later, toen we rijp waren voor een verjonging, waren onze ouderinstincten al behoorlijk geatrofieerd en los daarvan, er was zoveel werk te doen. We zijn dus maar met ons tweeën gebleven, vierennegen­tig jaar lang Claude.’ Zuster Roccaro strekte haar hand naar hem uit. Een lichte bries bewoog haar kortgeknipte, krullende haar. ‘Merkje dat je bezig bent te genezen?’
    Ik wist dat dat gebeuren zou. Nadat Gen dood zou zijn. Het was haar heengaan dat ik zo moeilijk vond. Weet je, al maanden geleden hadden we dit doorgepraat, toen ze nog in het bezit was yan al haar vermogens. Toen hebben we heel wat emoties eruit gelaten en dingen geaccepteerd en betreurd. Maar toch, toen moest ze nog gaan en ik moest toekijken en wachten hoe de mens die ik meer liefhad dan mijn eigen leven, langzaam verder en verder weggleed zonder ooit helemaal weg te zijn. Nu ze gestor­ven is, ben ik weer functioneel. Ik vraag me alleen af wat ik nu in hemelsnaam moet gaan doen.’
    ‘Ik heb diezelfde vraag moeten beantwoorden,’ zei de non uiterst zorgvuldig.
    Majewski keek verbaasd en bestudeerde toen haar gezicht alsof hij het nooit eerder had gezien. ‘Amerie, meisje toch. Je hebt een leven doorgebracht met mensen verzorgen die dat nodig hadden, de stervenden en hun nabestaanden. Waarom zou jij je zulke vragen moeten stellen?’
    ‘Ik ben geen meisje meer, Claude. Ik ben zevenendertig jaar oud en ik heb vijftien lange jaren in dit tehuis gewerkt. Dat werk is... niet gemakkelijk geweest. Ik ben opgebrand. Ik had al besloten dat jij en Genevieve mijn laatste cliënten zouden zijn. Mijn superieuren hebben ingestemd met mijn beslissing om de Orde te verlaten.’
    Buitensporig geschokt staarde de oude man haar aan. Toen ging ze verder: ‘Ik merkte dat ik geïsoleerd raakte, dat ik verteerd werd door de emoties van de mensen met wie ik werkte. En mijn geloof verschrompelde, Claude.’ Ze haalde even haast onmerk­baar haar schouders op. ‘Dat is een risico dat iedereen in het religieuze leven min of meer loopt. Een evenwichtige geleerde als jij zal daar waarschijnlijk om moeten lachen ...’ ‘Ik zou nooit om jou lachen, Amerie. En als je echt denkt dat ik zo evenwichtig ben, dan kan ik je misschien helpen.’ Ze stond op en sloeg het gruizige stof van haar broek. ‘Het is tijd om te zorgen dat we van deze berg afkomen. We hebben zeker twee uur nodig om naar de parkeerhaven terug te lopen.’ ‘En onderweg ga jij mij vertellen wat jouw probleem is en wat je plannen zijn voor de toekomst,’ hield hij aan. Annamaria Roccaro keek de zeer oude man met geamuseerde geprikkeldheid aan. ‘Doctor Majewski, je bent een gepensio­neerde bottenspitter, geen spiritueel raadsman.’ ‘Toch ga je het me vertellen. En voor het geval je het niet weet, er bestaat niks stijfkoppigers in het hele universum dan een Pool die ergens zijn zinnen op heeft gezet. En ik ben een heel stuk koppiger dan de meeste Polen, want ik heb de tijd gehad om die eigenschap te vervolmaken. Afgezien daarvan,’ hij klonk ineens verlegen, ‘je zou er niet over begonnen zijn als je er niet met mij over had willen praten. Kom op dus. Laten we gaan lopen.’ Hij begon langzaam het pad af te lopen en zij volgde. Ze wandel­den zeker tien minuten in zwijgzaamheid door voor ze begon te praten.
    ‘Toen ik een klein meisje was, waren mijn religieuze helden de heiligen uit de Galaktisch Eeuwen. Ik heb me nooit kunnen iden­tificeren met Père Teilhard of Saint Jacques de Lichaamsloze of Illusio Diamant Masker. Ik hield meer van de echt oude mystie­ken, Simeon de Styliet, Antonius de Kluizenaar Maar vandaag de dag is dat soort overgave in afzondering om boete te doen in strijd met de nieuwe visie van de Kerk op de menselijke energetica. We worden verondersteld onze privé-reis naar de volmaakt­heid te maken binnen én in eenheid met de rest van de mensheid en de goddelijke liefde.’
    Claude grijnsde over zijn schouder. ‘Ik kan je niet meer volgen, meisje.’
    ‘Vaktaal. In gewone woorden wil het zeggen dat liefdadigheid in is en mystiek uit. Dit galaktische tijdperk is veel te druk doende om ruimte te hebben voor kluizenaarsters. Die manier van leven wordt als een vlucht gezien, zelfzuchtig, masochistisch en tegen­gesteld aan de sociale evolutie van de Kerk.’ ‘Maar jij denkt er anders over, is het niet zo? Jij wilt ervandoor, vasten, contempleren op een of ander eenzaam plekje en lijden tot je verlichting hebt bereikt.’
    ‘Je moet er niet om lachen, Claude. Ik heb geprobeerd in een klooster te komen ... de cisterciënzers, de arme clarissen, de karmelitessen. Ze namen me even grondig op en zeiden dat ik maar door moest lopen. Zelfs de Zen-brigitijnen wilden me geen kans geven. Maar ten slotte heb ik ontdekt dat er één plek is waar een ouderwetse eenzame mystica op haar plaats zou zijn. Heb je ooit gehoord van Ballingschap?’ ‘Welke paleobioloog heeft dat niet?’
    ‘Dan weet je misschien ook dat er al een flink aantal jaren een soort ondergronds transport daarheen bestaat. Maar je weet misschien niet dat het gebruik van het tijdportaal vier jaren gele­den door het Bestel officieel is toegestaan als reactie op de toege­nomen vraag. Allerlei soorten mensen zijn inmiddels in Balling­schap gegaan nadat ze een soort overlevingscursus hadden door­lopen. Mensen uit ieder denkbaar milieu en beroep, van de Aar­de maar ook uit de kolonies. Al die tijdreizigers hebben één ding gemeen: Ze willen verder leven, maar kunnen niet langer func­tioneren binnen de ingewikkeld gestructureerde wereld van onze galaktische beschaving.’ ‘En daar heb jij voor gekozen?’
    Mijn aanmelding is ruim een maand geleden goedgekeurd.’ Ze kwamen op een lastig stuk afdaling, het overblijfsel van een oude lawine. Ze concentreerden zich op de oversteek. Toen ze de overkant hadden bereikt, hielden ze een moment stil. De zon scheen heet. De condors waren verdwenen.
    Amerie,’ zei de oude man, ‘het zou de moeite waard zijn om fossielen te zien met het vlees er nog aan.’
    Ze trok een wenkbrauw op. ‘Is zo’n opmerking niet net iets te impulsief?’
    ‘Misschien heb ik niets beters te doen. De dieren uit het Plioceen in levenden lijve zien zou best eens een aardig besluit van een lange carrière in de paleobiologie kunnen zijn. En de dagelijkse overleving zou voor mij geen probleem zijn. Ik heb buiten tijdens het veldwerk wel geleerd me iets te ontzeggen. Ik zou je mis­schien zelfs kunnen helpen met het opzetten van je kluizenaars­hut. Dat wil zeggen, als je me niet als een te grote bedreiging ziet voor je eerbaarheid.’
    Ze barstte in een schaterend gelach uit, stopte toen en zei: ‘Claude! Jij maakt je zorgen over mij. Denk je soms dat ik door een sabeltandtijger wordt opgegeten of vertrapt door een masto­dont?’
    ‘Verdomme, Amerie! Heb jij wel door waar je aan begint? Omdat je een paar simpele bergen kunt beklimmen en weet hoe je forel moet vangen in Oregon, geloof je dat je een soort vrouwe­lijke Franciscus van Assissi kunt worden in een woest stuk wil­dernis!’ Hij keek van haar weg, smalend. ‘God weet \Vat voor menselijk afval daar inmiddels rondsjouwt. Ik zou je levensstijl niet verstoren, kind. Ik zou alleen een oogje in het zeil houden. Eten brengen en dat soort dingen. Zelfs die mystici van vroeger lieten zich voedsel brengen door de gelovigen, dat weet je best. Begrijp je wat ik bedoel, Amerie? Ik wil jouw droom niet in de soep zien lopen.’
    Ze sloeg ineens haar armen om hem heen en stapte toen glimla­chend achteruit. Een ogenblik zag hij haar niet in spijkerbroek en hemd, maar in iets wits van zelfgesponnen wol, met een touw vastgehouden om haar middel. ‘Doctor Majewski, het zal me een eer zijn jou als beschermer te hebben. Hoewel je best een verlei­ding zou kunnen zijn. Maar ik zal volharden en al je avances afslaan hoeveel ik ook van je houd.’
    ‘Dat is dan geregeld. Dan kunnen we nu maar beter naar bene­den gaan en alles voor de crematie van Genevieve in orde maken. We zullen haar as mee naar Frankrijk nemen en in het Plioceen begraven. Dat zou Gen een goed idee hebben gevonden.’

8

    De weduwe van professor Théo Guderian was verbaasd geweest toen de eerste tijdreiziger aan de poort van haar huis verscheen op de hellingen van de Monts du Lyonnais.
    Dat gebeurde in 2041, in het begin van juni. Ze was bezig in haar rozentuin en knipte dode bloemen weg uit de prachtige struiken Meillandrozen terwijl ze zich tegelijk afvroeg hoe ze haar suc­cessierechten zou kunnen betalen, toen een stevig gebouwde lif­ter met een dashond over de stoffige weg kwam aanlopen uit de richting van Saint-Antoine-des-Vignes. De man wist waar hij wezen wilde. Hij stopte voor de poort en wachtte tot ze dichterbij kwam. De kleine hond ging één stapje achter zijn baas zitten. ‘Goedenavond, monsieur,’ zei ze in standaard-Engels, terwijl ze de schaar wegstak in de zak van haar zwarte schort. ‘Burgeres Angélique Montmagny?’
    ‘Ik geef de voorkeur aan de ouderwetse aanduiding. Maar ja, dat ben ik inderdaad.’
    Hij boog formeel. ‘Madame Guderian! Staat u mij toe dat ik me voorstel. Richter, Karl Josef. Dichter van beroep. Tot nu toe heb ik in Frankfurt gewoond. Ik ben hier, chère madame, om met u een zakelijk voorstel te bespreken dat betrekking heeft op de experimentele apparatuur van uw overleden echtgenoot.’ ‘Tot mijn spijt ben ik niet langer in staat de werking te demon­streren.’
    Madame kneep haar lippen opeen, waardoor de rug van haar rechte neus trots omhoogkwam. Haar kleine zwarte ogen glans­den van onvergoten tranen. ‘Ik ben zelfs van plan om de machi­nes binnen afzienbare tijd uit elkaar te halen zodat de meer waardevolle onderdelen kunnen worden verkocht.’ ‘Dat mag u niet doen! Dat mag u niet doen!’ riep Richter uit, terwijl hij de bovenste stijl van de poort beetgreep. Madame deed een stap achterwaarts en staarde hem vol verba­zing aan. Hij had een vollemaansgezicht met bleke, enigszins uitpuilende ogen en dikke, rossige wenkbrauwen die nu in afschuw omhoog waren getrokken. Hij droeg een kostbare trek­kersuitrusting compleet met rugzak. Daaraan vast zat een viool­kist, een gevaarlijk uitziende dural katapult en een paraplu zoals golfers die droegen. De flegmatieke hond bewaakte een groot pak boeken die zorgvuldig in plastic waren verpakt en voorzien van touwen en een handvat waardoor het gedragen kon wor­den.
    Zijn emoties beheersend zei Richter: ‘Vergeef me, madame. Maar u mag dat zo prachtige werk van uw vroegere echtgenoot piet vernietigen. Dat zou heiligschennis zijn.’ ‘Dat kan wel zijn,’ antwoordde madame, ‘maar de successie­rechten zijn er ook nog, monsieur. En er hebben al zoveel journa­listen over het werk van mijn man geschreven ...’
    Ik ben geen journalist,’ zei Richter met een vaag trekje van afschuw, ‘ik ben een dichter! En ik hoop dat u mijn voorstel uiterst serieus wilt overwegen.’ Hij ritste een zijvak uit zijn kleding los en haalde daar een leren etui uit waaruit hij een smal blauw vierkant te voorschijn haalde. Dat stak hij haar toe. ‘Zie­hier, madame, bewijs van mijn kredietwaardigheid.’ De blauwe kaart was afkomstig van de bank in Lyon en liet zien dat de drager over een buitensporig groot geldbedrag kon beschikken.
    Madame Guderian maakte de poort open. ‘Komt u binnen, mon­sieur Richter. Ik hoop dat het hondje te vertrouwen is?’ Richter tilde het pakket boeken op en glimlachte dunnetjes. ‘Schatzi is beschaafder dan de meeste mensen.’ Ze gingen zitten op een stenen bank onder een van bijen gonzen­de boog Soleil d’Or-rozen en daar legde Richter uit waarvoor hij gekomen was. Hij had over de tijdpoort van Guderian gehoord op een cocktailparty van een uitgever in Frankfurt en diezelfde avond besloten alles te verkopen en meteen naar Lyon te gaan. ‘Het is heel eenvoudig, madame. Ik wil door die tijdpoort ver­voerd worden om blijvend verder te leven in de prehistorische eenvoud van het Plioceen. Wat een vredig koninkrijk! Locus amoenus! Het Woud van Arden! Een schuilplaats voor de onschuld. Een rustplaats, vrij van menselijke tranen!’ Hij pau­zeerde en tikte op de kredietkaart die ze nog steeds in haar hand had. ‘Ik ben bereid ruimschoots te betalen voor mijn over­tocht.’
    Een gek! Madame sloot haar vingers om de schaar in haar zak. ‘De tijdpoort,’ zei ze zorgvuldig, ‘gaat maar in één richting. Er is geen terugkeer mogelijk. En we bezitten geen enkele gedetail­leerde kennis over wat er zich aan de andere kant bevindt. Het is nooit mogelijk gebleken om driedimensionale camera’s of soort­gelijke opname-apparatuur over te brengen.’ ‘De fauna uit dat tijdperk is goed genoeg bekend, madame, net als het klimaat. Een voorzichtig persoon hoeft niets te vrezen. En u, gnädige Frau, behoeft geen bezwaren te koesteren wanneer u mij de poort laat gebruiken. Ik kan uitstekend voor mijzelf zor­gen in de wildernis. Ik heb mijn uitrusting zorgvuldig uitgezocht en als gezelschap heb ik mijn trouwe Schatzi. Aarzel niet, smeek ik u. Laat me er vannacht nog door. Nu!’ Inderdaad, een gek, maar misschien eentje die door de Voorzie­nigheid werd gezonden. Ze debatteerde geruime tijd met hem, terwijl de hemel naar indigo verkleurde en de nachtegalen begonnen te zingen. Richter weerlegde al haar bezwaren. Hij bezat geen familie die hem zou missen. Hij had niemand iets over zijn voornemens verteld, dus zou er bij haar geen navraag worden gedaan. Niemand had hem gezien terwijl hij over deze eenzame weg naar haar toe was gekomen. Ze zou hem een zegenrijke dienst bewijzen, een Arcadische droom vervullend die lang onmogelijk had geleken. Hij was niet van plan zelf­moord te plegen, hij ging eenvoudig een nieuw en rustiger leven binnen. Maar wanneer ze hem weigerde, zou zijn zielesmart hem voor een bitterder keuze plaatsen. En dan was er het geld nog. ..
    ‘C’est entendu,’ zei madame ten slotte. ‘Vergezelt u mij, alstu­blieft.’
    Ze bracht hem naar de kelders en ontstak de lichten. Daar stond het toestel met al zijn kabels, precies zoals de arme Théo het had achtergelaten. De dichter gaf een kreet van vreugde en rende naar het apparaat, de tranen stroomden over zijn wangen. ‘Eindelijk!’
    De dashond sjouwde gehoorzaam achter hem aan. Madame greep het pakket boeken en zette dat binnen het latwerk. ‘Vlug, madame! Vlug!’ Richter klapte in zijn handen van geëxal­teerde opwinding.
    ‘Luister naar me,’ zei ze scherp. ‘Wanneer je bent overgezet, verlaat dan direct de plek van aankomst. Loop drie of vier meter weg en neem de hond met u mee. Is dat duidelijk? Anders word je teruggebracht naar deze tijd, maar dan als een dode. Er blijft niets dan as van je over.’ ‘Ik begrijp het! Vite, madame, vite! Vlug!’ Beverig liep ze naar het simpele controlepaneel en activeerde het tijdportaal. De spiegelende krachtvelden sprongen op en de stem van de dichter brak af als bij een verbroken televisieverbinding. De oude vrouw zonk op haar knieën en bad drie maal een Wees­gegroet, kwam toen overeind en verbrak de energie. De spiegels verdwenen. Binnen de machine was het leeg. Madame Guderian liet een diepe zucht over haar lippen komen. Toen deed ze zuinig de kelderlichten uit en klom de trappen op terwijl ze de kleine blauwe kredietkaart secuur in haar zak stak.
    Na Karl Josef Richter kwamen er anderen. De allereerste stelde madame Guderian in staat haar successie­rechten te betalen en al haar andere schulden te voldoen. Enige maanden later, nadat ze zich bewust was geworden van het winstgevende karakter van de tijdpoort door de komst van ande­re bezoekers, liet ze hier en daar bekend worden dat ze bezig was een rustige herberg te openen voor wandeltoeristen. Ze kocht land dat aan haar woning grensde en liet een aangenaam gasten­verblijf bouwen. De rozentuin werd uitgebreid en ze trok ver­schillende verwanten aan om het huishoudelijke werk te doen. Tot de verbazing van sceptische buren begon de zaak te flore­ren.
    Niet alle gasten die over de vloer kwamen, zag men ook weer bij Guderian weggaan. Maar dat was geen punt voor discussie, want madame maakte er onveranderlijk een gewoonte van voor­uitbetaling te eisen.
    Enkele jaren gingen voorbij. Madame onderging een verjonging en legde daarna een streng soort chic aan de dag. In de vallei beneden de herberg veranderde ook het oudste, bewoonde cen­trum van Frankrijk volkomen van gezicht. Dat gebeurde overi­gens met alle grote steden van de Oude Aarde rond die tijd. Elk spoor van de afzichtelijke, ecologisch zo funeste technologie werd beetje bij beetje afgebroken rondom die grote stad die op de plek lag waar Rhöne en Saöne samenvloeiden. De noodzake­lijke fabriekshallen en de dienst- en transportsystemen werden in ondergrondse infrastructuren ondergebracht. Terwijl de over­tollige bevolking van Lyon langzaam wegsijpelde naar andere werelden, veranderden de lege sloppen en buitenwijken lang­zaam weer in weiden en wouden met slechts hier en daar een klein tuinstadje of een efficiënt woon- en werkcomplex. De histo­rische structuur van Lyon, waarin iedere eeuw van de meer dan 2000 jaar oude stadsgeschiedenis werd weerspiegeld, werd her­steld en elk onderdeel ervan als een juweeltje tentoongesteld bin­nen een daarbij passende omgeving. Laboratoria, kantoren, hotels en zakelijke ondernemingen kregen een vermomming om ze beter te doen harmoniëren met de uitstraling van de dichtbij gelegen monumenten. Parken en boulevards vervingen de afzichtelijke betonnen snelwegen. Amusementsparken, pittores­ke doorkijkjes, antiekwinkels en culturele stichtingen vermenig­vuldigden zich snel, toen de kolonisten op vakanties terugkeer­den naar de Oude Aarde om daar hun etnische erfenis te zoe­ken.
    Maar er kwam ook een ander slag zoekers naar Lyon. Zij vonden hun weg naar de herberg op de westelijk gelegen lagere hellin­gen, die nu 1’Auberge du Portail heette en werden daar door madame Guderian persoonlijk welkom geheten. In die vroege jaren, toen ze het tijdportaal nog steeds bekeek als een zakelijke onderneming, had madame uiterst simpele criteria voor het beoordelen van haar klanten. De tijdreizigers in spe moesten tenminste twee dagen met haar in de herberg doorbren­gen, terwijl zij en de computer de burgerstatus en het psychoso­ciale profiel van de gast natrokken. Ze liet niemand door de tijcP poort gaan die op de vlucht was voor de politie, geestelijk in de war was of nog niet de leeftijd van achtentwintig jaar had bereikt (want deze grote stap eiste volgens haar volledige volwassen­heid). Niemand kreeg toestemming om moderne wapens naar het Plioceen te vervoeren of andere ingewikkelde hulpbronnen. Enkel de simpelste, door zonne-energie aangedreven machines waren toegestaan. Personen die duidelijk niet fit waren om een voorwereldlijke wildernis te overleven werden teruggezonden met de boodschap eerst maar eens de noodzakelijke vaardighe­den te verwerven.
    Nadat ze diep over de zaak had nagedacht, besloot madame dat er nog een extra voorwaarde moest zijn voor vrouwelijke kandi­daten. Zij dienden hun vruchtbaarheid op te geven. ‘Luister,’ snauwde ze dan tegen een met stomheid geslagen vrouw die zich had aangemeld. ‘Denk aan het onvermijdelijke lot van vrouwen in de wildernis. Ze is voorbestemd om het ene kind na het andere ter wereld te brengen tot haar lichaam is versleten en al die tijd is ze onderworpen aan de grillen van haar mannelijke overheersers. Het is waar dat wij moderne vrouwen de baas zijn over ons eigen lichaam en heel goed weten hoe we onszelf moeten beschermen tegen overlast. Maar hoe zit dat met jullie dochters als die daarginds geboren worden? Je zult dan niet meer beschikken over de technologie die je hier de vrijheid verschaft wel of niet vruchtbaar te zijn. En met de terugkeer van de oude biologische patronen, komt ook de ondergeschikte rol van de vrouw weer terug. Wanneer jouw dochters volwassen zijn, zullen het slavinnnen worden. Wil je je geliefde kinderen aan zo’n lot onderwerpen?’ Dan was er nog de kwestie van de paradox. De opvatting dat tijdreizigers mogelijk verstoringen konden aanbrengen in de huidige wereld door in het verleden de zaken ondersteboven te gooien, had madame Guderian diep veront­rust, nog heel wat weken na het vertrek van Karl Josef Richter. Ze was ten slotte tot de overtuiging gekomen dat zo’n paradox onbestaanbaar was op grond van de gedachte dat het verleden zich al in het heden manifesteerde, terwijl dat geheel ongetwij­feld in stand werd gehouden door de liefhebbende handen van Onze Lieve Heer.
    Maar aan de andere kant behoorde men geen onnodige risico’s te nemen.
    Daarom ging ze ervan uit dat menselijke wezens, zelfs wanneer ze een verjongingskuur hadden ondergaan en de hoge ontwikke­ling bezaten die bij dit Galaktisch Tijdperk hoorde, aan wie de mogelijkheid was ontnomen zich verder voort te planten, onmo­gelijk veel invloed konden uitoefenen in het Plioceen of enig andere, daar kort op aansluitende periode. Tegen de vrouwen die protesteerden, zei ze: ‘Ik realiseer me best dat het niet eerlijk is om een deel van de vrouwelijke natuur te moeten opgeven. Zou ik dat niet begrijpen? Ik heb zelf twee kinderen gehad die overleden voor ze volwassen waren. Maar je moet begrijpen dat de wereld waar jij heen wilt, niet die van het gewone leven is. Het is een schuilplaats voor mislukkelingen, een surrogaat voor de dood, een afwijzing van de normale menselijke bestemming. Ainsi, wanneer je overgaat naar Ballingschap, zijn de gevolgen voor jou. Wanneer het leven je nog steeds roept, dan moetje hier blijven. Alleen zij die alle vreugde in de tegenwoor­dige wereld hebben verloren, mogen de wijk nemen naar de schaduwen van het verleden.’
    Nadat ze deze sombere toespraak hadden aangehoord, vervielen de vrouwen eerst in gepeins en gaven dan toe. De enkeling die dat niet deed, verliet de herberg en keerde nooit terug. Mannelijke tijdreizigers overtroffen de vrouwen echter in een verhouding van vier op één. Madame verbaasde dat niet bijzonder. Het bestaan van de tijdpoort kwam onder de aandacht van de lokale autoriteiten een jaar of drie nadat de Auberge du Portail haar zaken was begonnen. Dat gebeurde na een ongelukkig inci­dent rondom een geweigerde aspirant. Maar de dik betaalde advocaten van madame in Lyon wisten aan te tonen dat de onderneming geen enkele plaatselijke of galaktische wet over­trad. Ze had al de vergunningen die nodig waren voor een hotel, een psychosociaal adviesbureau en een reisagentschap. Daarna probeerden lokale overheden van tijd tot tijd allerlei beperkin­gen op te leggen, maar dat mislukte keer op keer omdat er geen enkel precedent bestond. En afgezien daarvan ... de tijdpoort deed nuttig werk.
    ‘Ik doe genadewerk,’ vertelde madame Guderian aan de leden van een onderzoekscommissie. ‘Het is een werk dat honderd jaar geleden onbegrijpelijk zou zijn geweest, maar nu, in het Galaktisch Tijdperk, is het een zegen. Men behoeft enkel de dossiers te bestuderen van deze stakkers zelf om in te zien dat ze niet thuis­hoorden in onze snel voortschrijdende moderne wereld. Zulke psychosociale anachronismen zijn er altijd geweest, onaange­past aan het tijdperk waarin ze geboren waren. Tot op dit moment hebben ze nooit de kans gehad hun lot te verbeteren.’ ‘Bent u er zo zeker van, madame,’ vroeg een van de leden, ‘dat het tijdportaal werkelijk naar een betere wereld leidt?’ ‘Het leidt naar een andere en eenvoudiger wereld in elk geval, burger-onderzoeker,’ zei ze vinnig. ‘En dat schijnt voor mijn cliënten voldoende te zijn.’
    De herberg hield zorgvuldig verslagen bij van wie er via het tijd­portaal naar het Plioceen vertrokken en dat zou later fasci­nerend voer worden voor statistici. Zo bleek bijvoorbeeld dat de reizigers doorgaans hoog ontwikkeld waren, intelligent, sociaal onaangepast en een groot gevoel bezaten voor esthetica. En bovenal waren het romantici. De meesten van hen waren afkom­stig van de Oude Aarde, niet van de kolonies. Vele van de tijdrei­zigers waren leraren geweest, professoren, technici. Een etnische doorsnede van het reizigersbestand gaf beduidende aantallen Angelsaksen, Kelten, Germanen, Slaven, Latijnen, Indianen, Arabieren, Turken en andere Centraal-Aziaten en Japanners.
    Daarentegen waren er weinig Afrikaanse zwarten, maar wel enige Afro-Amerikanen. Eskimo’s en Polynesiërs werden door het Plioceen aangetrokken, Chinezen en Indiërs niet. Ongelovi­gen waren in de meerderheid, maar veel fanatieke tijdreizigers waren daarvoor teleurgesteld in de moderne religieuze ontwik­kelingen, vooral in de doctrines die zich keerden tegen revolutio­nair socialisme, heilige oorlogen en elke vorm van theocratie. Joden kwamen nogal eens in de verleiding om naar het verleden te ontsnappen, alsmede een onevenredig groot aantal moham­medanen en katholieken.
    De psychoprofielen van de reizigers toonden aan dat een opval­lend hoog percentage van hen behoorlijk agressief was. Ex-gedetineerden, bij wie het doorgaans ging om kleinere misdrijven, waren talrijk, de werkelijk grote misdadigers leken de voorkeur te geven aan het heden. Daarnaast was er een kleine maar gesta­ge toeloop van minnaars met een gebroken hart, homofielen zowel als heteroseksuelen. En zoals te verwachten was, waren heel wat van de aspiranten narcistisch en geneigd tot fantasieën. Dat slag had de neiging om reeds verkleed bij de herberg aan te komen in de vermomming van Tarzan, Crusoe, Rima of Pocahontas of uitgedost in de historische kleding van het tijdperk dat hun het liefst was.
    Sommigen, zoals Richter, rustten zichzelf voor de reis uit met Spartaans pragmatisme. Anderen wilden alles meesjouwen wat tot de ‘verlaten eiland’-inventaris behoorde, hele bibliotheken van ouderwets gedrukte boeken, muziekinstrumenten en opna­men, ingewikkelde wapenrustingen of uitgebreide garderobes. De meer praktisch ingestelden gaven de voorkeur aan vee, zaden en landbouwgereedschappen. Verzamelaars hadden weer ande­re eigenaardigheden. Schrijvers kwamen met ganzeveren en flessen vol inkt of met de allerlaatste snufjes op het gebied van stemschrijvers, durofilm vellen en vertaalinstrumenten. De lichtzinnigen verkozen uitzonderlijke soorten drank of voedsel of chemische stimulantia.
    Madame deed haar uiterste best om de daardoor veroorzaakte belemmeringen tot het uiterste te beperken, de machine had nu eenmaal slechts een beperkte fysische inhoud, ongeveer zes kubieke meter. Ze zette de reizigers ertoe aan hun materialen bijeen te voegen en soms gebeurde dat ook. De Zigeuners en de Russische Oude Gelovigen en de Eskimo’s waren uitgesproken slim in dat soort zaken. Maar de meesten gaven er de voorkeur aan volledig onafhankelijk te zijn van hun medereizigers, zoals je op grond van hun karakters ook mocht verwachten en er waren er ook die dit soort praktische zaken eenvoudig negeerden omdat ze de voorkeur gaven aan romantische idealen of kostbare fetisjen.
    Madame zorgde ervoor dat iedere reiziger een soort minimum­overlevingskans kreeg en buiten de gewone overzettingen om werden met regelmatige tussenpozen extra hoeveelheden medi­cijnen naar het Plioceen getransporteerd. De rest moest ze over­laten aan de Voorzienigheid.
    Gedurende bijna vijfenzestig jaar en twee verjongingen hield Angélique Guderian persoonlijk toezicht op de psychosociale evaluatie van haar cliënten en hun eventuele transmissie naar het Plioceen. Terwijl haar bedenkelijke zucht naar geld in de latere jaren langzaam plaats maakte voor mededogen met haar cliënten, werd de rekening voor de transmissie steeds vatbaarder voor onderhandelingen en soms helemaal weggewuifd. Het aan­tal belangstellenden nam echter voortdurend toe en er ontstond een lange wachtlijst. Aan het begin van de 22e eeuw waren meer dan negentigduizend vluchtelingen door de tijdpoort getrokken op weg naar een onbekende toekomst.
    In 2106 ging madame Guderian zelf de Pliocene Wereld binnen die Ballingschap werd genoemd. Ze ging alleen, in haar tuinkleren met niets bij zich dan een simpele rugzak en een vers gesne­den bos van haar favoriete rozen. Ze had het standaard-Engels van het Bestel altijd geminacht, want dat was een belediging voor haar Franse afkomst. Het briefje dat ze achterliet, luidde dus:
    ‘Plus qu’il n’en faut.’
    Maar de overheden van het Galaktisch Concilie waren met dit ‘het is meer dan genoeg’-oordeel niet ingenomen. Het tijdportaal voorzag duidelijk in een behoefte als ontsnappingsgat voor lastige lieden die van het gewone patroon afweken. Na een humane en ook wat meer efficiënte reorganisatie, mocht de ope­ratie doorgaan. Er werd geen publiciteit aan gegeven en verwij­zingen ernaar werden discreet binnen de beroepsmatige sfeer gehouden. Het ethische dilemma of mensen mocht worden toe­gestaan zichzelf naar het Plioceen te verbannen, kwam opnieuw ter sprake. Maar een studie stelde vast dat er niet zoiets als een tijdparadox bestond. En wat het lot van de reizigers betrof, op de een of andere manier waren ze toch allemaal verdoemd.

9

    De hele weg terug van Brevon-su-Mirikon naar de Aarde had Bryan Grenfell overdacht hoe hij het wilde aanpakken. Hij zou Mercy van Sterhaven Unst opbellen zodra hij door de douane was en haar er dan aan herinneren dat ze ermee had ingestemd met hem uit zeilen te gaan. Ze zouden elkaar vrijdagsavonds in Cannes kunnen ontmoeten en dat zou hem de tijd geven om wat conferentiegegevens bij de CAS in Londen af te geven, de boot op te halen en wat kleren uit zijn flat. De komende drie dagen zou het weer goed zijn, ze zouden op hun gemak naar Corsica kunnen varen of zelfs naar Sardinië.
    Op een of andere afgelegen plek, terwijl de maan boven de Mid­dellandse Zee scheen en met zachte muziek op de achtergrond, zou hij haar klem zetten.
    ‘Hier spreekt uw kapitein. Over vijf minuten keren we terug naar de normale ruimte rondom de planeet Aarde. Het kan even onaangenaam zijn terwijl we door de tijdruimtebarrière gaan en dat kan ongemak inhouden voor gevoelige personen. Aarzelt u niet het personeel te waarschuwen wanneer u medicijn nodig hebt en wees ervan overtuigd dat uw comfort en tevredenheid bij ons hoofdzaak zijn. Dank u voor het vliegen met United.’ Grenfell leunde voorover en bestelde via de communicator een Glendessarry met Evian. Toen het drankje kwam, dronk hij het snel op en sloot zijn ogen, denkend aan Mercy. Die droevige, zeekleurige ogen, omgeven door donkere wimpers. Haren die de kleur hadden van rood cederhout en haar bleke, hoge jukbeende­ren omlijstten. Haar lichaam, bijna zo mager als dat van een kind, maar lang en elegant in een tot op de voeten vallende japon van bladgroen, afgezet met donkerder fluweel. Hij kon haar stem horen, zangerig en resonerend zoals ze die avond na het middeleeuwse schouwspel samen in de boomgaard hadden gelo­pen.
    ‘Er bestaat niet zoiets als liefde op het eerste gezicht, Bryan. Er bestaat enkel seks op het eerste gezicht. Maar als mijn bottige charmes jou in brand zetten, laten we dan bij elkaar gaan liggen, want je bent een aardige man en ik kan het gebruiken. Maar praat niet over liefde.’
    Hij had het toch gedaan. Hij kon er niets aan doen. Hij realiseer­de zich het onlogische ervan, hij kon naar zichzelf kijken met een wat chagrijnige objectiviteit waardoor hij toch de situatie niet de baas kon. En hij wist dat hij haar had liefgehad vanaf het eerste ogenblik dat ze elkaar zagen. Voorzichtig had hij geprobeerd dat uit te leggen zonder een complete stumper te lijken. Ze had alleen maar gelachen en hem omvergetrokken langs het met bloesems bestrooide pad. Hun passie had hen beiden verrukt, maar hem niet de ontspanning gebracht. Hij was haar gevange­ne. Hij zou zijn leven met haar moeten delen of anders in een­zaamheid ten onder gaan.
    Maar één dag met haar! Eén dag voor hij op reis moest naar een belangrijke vergadering op een Poltroyaanse planeet. Ze had gewild dat hij bleef, gesuggereerd dat ze konden gaan zeilen, maar hij, aan zijn plichten gebonden, had het afgehouden. Stomkop! Ze kon hem nodig hebben gehad. Hoe had hij haar alleen kunnen laten? Maar één dag.
    Bryans oude vriend, Gaston Deschamps, die hij zo fortuinlijk had ontmoet in een Parijs restaurant, had hem uitgenodigd enkele lege uren te vullen door het middeleeuwse spektakel dat Fête d’Auvergne werd genoemd, vanachter de coulissen gade te slaan. Gaston, directeur, had het een grappige oefening genoemd in toegepaste etnologie. En dat was het ook geweest, totdat ze werden voorgesteld.
    ‘We keren terug naar die opwindende dagen van vroeger,’ had Gaston uitgeroepen nadat hij hem rond had gereden door het dorp en om het kasteel. De directeur was hem voorgegaan naar een grote toren, had een deur opengeworpen naar de ingewikkel­de controlekamer en daar had ze gezeten. ‘Maak kennis met mijn collega-tovenares, assistent-directeur van het Fête en de meest middeleeuwse levende vrouw binnen het Galaktisch Bestel. Mademoiselle Mercedes Lamballe!’ Ze had opgekeken vanachter haar regelpanelen en geglimlacht. Het was hem dwars door het hart gegaan. ‘Hier spreekt uw kapitein. We gaan nu de normale ruimte bin­nen rondom de planeet Aarde. De procedure zal twee seconden duren. Weest u zo goed die korte periode van betrekkelijk onge­mak met ons te verdragen.’ Zang.
    Tandentrekkerijhamerende duimen dwars doorjebotten. Zung.
    ‘Dank u voor uw geduld, dames en heren en zeer geëerde passa­giers van andere geslachten. We landen nu op de Sterhaven Unst op de prachtige Shetland Eilanden van de Aarde om precies 1500 uur plaatselijke planetaire tijd.’
    Grenfell veegde zijn voorhoofd af en bestelde nog een drankje. Dit keer dronk hij bedachtzamer. Ongevraagd kwam hem een oud liedje in de geest en hij glimlachte omdat het hem zo aan Mercy deed denken.
    Er is een vrouw zo zoet en zacht, die nooit verdwijnt uit mijn gedacht’. Hoewel ik haar slechts éénmaal zag, blijft zij mijn lief tot aan mijn stervensdag.
    Hij zou de ondergrondse nemen naar Nice en dan met een wagen naar Cannes. Ze zou op de kade van die vredige oude stad op hem wachten, misschien gekleed in iets groens. Haar ogen zou­den weer die uitdrukking van zachtmoedige melancholie verto­nen en ze zouden groen zijn of grijs, veranderlijk als de zee en even diep. Hij zou komen aanlopen met dat stoffen valies en een picknicktas vol met eten en drinken (champagne, Stiltonkaas, ganzeleverworstjes, boter, stokbrood, sinaasappels, zwarte bes­sen) en hij zou over zijn eigen voeten struikelen en eindelijk zou ze tegen hem glimlachen.
    Hij zou de boot te voorschijn halen en ervoor zorgen dat de jon­gens rondom de ligplaatsen uit de buurt bleven. (Er waren tegenwoordig altijd weer jongens rondom de havens, nu hele gezinnen de Cöte d’Azur opnieuw hadden ontdekt.) Hij zou de buis die het opblaaselement verbond vastmaken en het glanzen­de pakket van zwart en zilveren decamole in het water gooien. En langzaam, terwijl de jongens zich vergaapten, zou de acht meter lange sloep groeien, de kiel, de romp, de dekken, de cabi­ne, de stuurhut, de railingen en de mast. Daarna zou hij aan de afzonderlijke elementen beginnen, roer en helmstok, de stabili­satievinnen, de boom met de nog opgevouwen zeilen, de lijnen, de dekstoelen, opbergkasten, emmers, beddegoed, alles zou als een wonder geboren worden uit de combinatie van stevig deca­mole en samengeperste lucht. De kranen in de haven zouden de kiel en de stabilisators vullen met kwik en de rest van de boot met gedistilleerd water om massa en gewicht te geven aan de micro­structuur van het opgeblazen materiaal. Het overige noodzake­lijke zou hij huren, lampen, pompen, navigatiemiddelen, het anker en al het andere. Hij zou de havenmeester betalen en de rondslenterende jongens een fooitje geven zodat ze niet op de boot zouden spugen.
    Dan zou zij aan boord komen. Hij zou afvaren. Met een stevige bries kon dan het zeil omhoog, op weg naar Ajaccio. En ergens gedurende de dagen op weg daarheen zou hij haar zover krijgen dat ze met hem trouwde. ... Hoewel ik haar slechts éénmaal zag ... Toen het sterreschip landde op de prachtige Shetland Eilanden was het zes graden Celsius en er stond een ellendige noordoosterstorm. Mercedes Lamballes telenummer antwoordde met de mededeling GEABONNEERDE NIET MEER AANGESLO­TEN.
    In paniek kreeg Grenfell ten slotte Gaston Deschamps te pak­ken. De directeur van het middeleeuwse spektakel probeerde de vraag eerst te ontwijken, werd toen boos en vervolgens veront­schuldigend. ‘De waarheid is, Bry, dat die verdomde vrouw ervandoor is. Moet gebeurd zijn twee maanden geleden, de dag nadat jij de planeet weer verliet. Liet ons gewoon barsten, in de drukste tijd van het seizoen ook nog eens.’ ‘Maar waarheen, Gaston? Waar is ze naar toe?’ Op het beeldscherm keek Deschamps de andere kant op. ‘Door dat vervloekte tijdportaal naar Ballingschap. Ik ben er beroerd van, Bry. Ze had alles wat ze wensen kon. Ze was een beetje van streek natuurlijk, maar niemand van ons had in de gaten dat ze blijkbaar zover heen was. Het is verdomd jammer. Ze had meer gevoel voor de Middeleeuwen dan wie ook die ik ken.’ ‘Ik begrijp het. Bedankt dat je het me verteld hebt. Het spijt me erg.’
    Hij verbrak de verbinding en zat in de openbare telecel, een antropoloog van middelbare leeftijd en enige bekendheid, met een vriendelijk gezicht, nogal conservatief gekleed, in zijn hand een tas vol met paperassen bestemd voor de Vijftiende Galaktische Conferentie over Cultuurtheorie. Twee Simbiari, die met hetzelfde schip waren aangekomen, wachtten een paar minuten geduldig en klopten toen op de deur waarbij ze kleine groene vegen op het raam achterlieten. ... blijft zij mijn lief...
    Bryan Grenfell stak een verontschuldigende hand omhoog naar de Simbiari en keerde terug naar het scherm. Hij toetste infor­matie in.
    ‘Over welke stad, alstublieft?’ ‘Lyon,’ zei hij.
    ... tot aan mijn stervensdag ...
    Bryan deed zijn papieren op de post voor het CAS en pikte zijn eigen wagen op in Londen. Hij had zijn onderzoek makkelijk thuis kunnen doen, maar hij vertrok diezelfde namiddag nog naar Frankrijk. Hij installeerde zich in Galaxie-Lyon, bestelde een maaltijd van gegrilde kreeft, sinaasappel-soufflé en Chablis en dook onmiddellijk in de literatuur.
    De bibliotheekeenheid in zijn kamer produceerde een depressief makend lange lijst van artikelen, boeken en theses over de tijdpoort van Guderian. Hij dacht er even over om al de teksten die voorkwamen onder de hoofden Fysica en Paleobiologie maar over te slaan en zich enkel te concentreren op Psychoanalogie en Psychosociologie, maar dat leek hem tegenover haar niet hele­maal eerlijk. Dus stak hij zijn kaart in het machineslot en bestelde de hele verzameling. De machine spoog genoeg mate­riaal uit om de grote hotelkamer zes keer mee te bedekken. Hij begon dat methodisch te sorteren en ging daarna aan het werk. Soms gebruikte hij de projector, soms zat hij te lezen en de meest vervelende brokken nam hij in zich op terwijl hij sliep. Drie dagen later zond hij de boeken terug. Hij rekende af in het hotel, riep zijn wagen op en ging naar het dak om erop te wachten. Al het materiaal dat hij de laatste dagen in zich had opgenomen, klotste daar rond zonder vorm of structuur. Hij wist dat hij onbe­wust het hele onderwerp en wat eraan vastzat, verwierp, maar die wetenschap hielp hem weinig.
    Gebroken harten herstelden zich weer en herinneringen aan ver­loren liefdes vervaagden, zelfs dit vreemde gevoel van liefde dat hij nooit eerder zo had gekend. Hij wist dat dit waar moest zijn. Een weloverwogen oordeel, zorgvuldige beschouwing van de fei­ten die hij had verzameld en doodgewoon gezond verstand ver­telden hem wat hij diende te doen. Wat verstandig zou zijn. Oh, Mercy. Oh, mijn lief. Het verst verwijderde deel van de kosmos is dichterbij dan jij, die ik slechts éénmaal zag. En toch. En toch.

10

    Alleen Georgina had er spijt van dat Stein wegging. Ze waren samen op zijn laatste dag in Lissabon glorieus dronken geweest en ze had gezegd: ‘Hoe zou jij het vinden om het in een vulkaan te doen?’ Hij had vertederd wat gemompeld dat ze een mesjokke dik wijf was, maar ze gaf hem de verzekering dat ze een vent kende die om menslievende redenen de andere kant op zou kij­ken wanneer ze een dieptedriller voor onderzoek uit Messina haalden, waar een tunnel was die rechtstreeks toegang gaf tot de hoofdkamer in de Stromboli.
    Wat donderde het ook. Ze vlogen erheen en die vent liet hen inderdaad hun gang gaan. Het kostte wel het een en ander, maar wat zou dat? Het was een kosmische ervaring daar beneden, te midden van de hitsige lava en de gekleurde gasbellen die lang­zaam voor het observatieraam opborrelden als een zootje kwal­len in een schaal vol oplichtende tomatensoep. In de treurnis na de coïtus had hij liggen kreunen. ‘Oh, Georgina, ga met me mee.’
    Ze rolde over de vloer van de cabine naar hem toe; haar witte vlees werd vuurrood en daarna zwart door de uitstraling van buiten en daar gaf ze de huilende reus alle moederliefde die haar meloengrote borsten konden missen.
    ‘Steinie, liefje. Ik heb drie prachtige kinderen en met mijn genen kan ik er nog eens drie krijgen als ik dat wil. Ik ben zo gelukkig als een mossel bij hoogwater zolang ik bij mijn kinderen ben en af en toe een of andere kerel in bed kan krijgen die niet bang is dat ik hem levend zal opvreten. Steinie, wat zou ik daar in Bal­lingschap moeten? Dit is mijn wereld. We gaan drie miljoen kanten tegelijk op. In ieder uithoekje van de kosmos zie je ons van de Aarde verschijnen en ons vermenigvuldigen. Je ziet onze soort zich voor je eigen ogen tot iets fantastisch ontwikkelen!
    Weet je dat één van mijn eigen kinderen meta aan het worden is?
    Overal gebeurt van alles. De menselijke biologie is zich voor het eerst langs culturele lijnen aan het ontwikkelen en ik zou het voor geen goud willen missen. Om de dooie dood niet.’
    Hij maakte zich los en wreef de tranen uit zijn ogen, de pest in over zichzelf. ‘Dan moet je maar hopen dat ik daarnet niks in jouw tomatenveldje heb achtergelaten, want mijn genen zullen zich wel niet met de jouwe kunnen meten.’
    Ze nam zijn gezicht in beide handen en kuste hem. ‘Ik begrijp waarom je moet gaan, Blauwoog. Ik heb je PS-profïel gezien. De kronkels daar hebben niks te maken met je erfelijkheid, geloof mij maar. Een ander soort opvoeding toen je klein was en je zou het verdomd goed hebben gedaan, jochie.’
    ‘Een beest. Hij noemde me een moordlustig rotbeest,’ fluisterde Stein.
    Ze wiegde hem in haar armen heen en weer. ‘Het heeft hem ontzettend pijn gedaan toen ze stierf en hij kon niet weten dat jij begreep wat hij allemaal zei. Probeer hem te vergeven, Steinie. Probeer jezelf te vergeven.’
    De dieptetriller begon gewelddadig heen en weer te schudden toen massieve erupties gas uit de darmen van de Stromboli omhoogkwamen. Ze besloten dat ze als de bliksem moesten maken dat ze hier wegkwamen voor de hitteschilden het bega­ven. Ze vonden een weg uit die ruimten vol lava via een onderwa­terdoorgang. Toen ze ten slotte op de bodem van de zee, weste­lijk van het eiland bovenkwamen, weerklonk de hele romp met de geluiden van vallende rotsblokken. Ze rezen naar het opper­vlak en kwamen terecht in een nacht boordevol melodrama. De Stromboli was weer ontwaakt en scheet rode en gele vuurballen en gloeiende brokken lava omhoog die als raketten prachtige bogen beschreven voor ze in zee terechtkwamen en uitdoofden. ‘Heilige voetzoeker,’ zei Georgina, ‘hebben wij dat gedaan?’ Stein keek haar uilig aan terwijl de machine op de stomende rotsen lag te rollen. ‘Zullen we dat nog eens onder het vasteland proberen?’ vroeg hij, terwijl hij zijn armen naar haar uitstak.

11

    Richard Voorhees nam de ondergrondse expres van Unst over Parijs naar Lyon, en huurde daar van Hertz een wagen voor het laatste stukje van de reis. Zijn eerste idee om zich etend en drin­kend en neukend een weg door Europa te banen en dan van een Alp te springen, had zich een beetje gewijzigd toen een medepassagier op het lijnschip van Assawompset toevallig begon te pra­ten over dat eigenaardige aardse fenomeen dat Ballingschap werd genoemd.
    Dat, wist Richard direct, was precies wat hij nodig had. Een nieuwe start op een primitieve wereld vol mensen en zonder regels. Niks dat je lastig viel behalve af en toe een voorbijko­mend prehistorisch monster. Geen groene Lekgriezels, geen dwergachtige Polliwogs, geen vieze Gi en geen loerende Krondaku die je het gevoel gaven dat al je nachtmerries net werkelijk­heid waren geworden. En vooral geen Lylmik. Hij begon wat te organiseren zodra hij de luchthaven had verla­ten en bij een telecel kon komen. De meeste kandidaten voor Ballingschap meldden zich maanden van tevoren aan via hun PS-raadslieden en onderwierpen zich aan al de noodzakelijke tests nog voor ze weggingen. Maar Voorhees, die oude vracht­vaarder, wist dat er wegen moesten zijn om de zaak te bespoedi­gen. Het magische sleutelwoord was op zijn weg gekomen via een grote zakelijke onderneming op Aarde voor wie hij minder dan een jaar geleden een delicaat zaakje had vervoerd. Het kwam allebei goed uit wanneer de vroegere ruimtevaarder zo snel mogelijk het hier en nu via de enige uitgang zou verlaten. Dus kwamen er nauwelijks vreemde toeren aan te pas om de firma al haar relaties te laten gebruiken om de mensen in de herberg ervan te overtuigen dat Richard de verplichte tests rechtstreeks op de luchthaven kon ondergaan om vandaaruit naar het vertrekpunt te gaan.
    Deze avond echter, terwijl hij uit de Rhönevallei te voorschijn gleed in de richting van de bergen rondom Lyon, waren niet al zijn bange vermoedens helemaal gesust. Hij landde in Saint-Antoine-des-Vignes op een paar kilometer van de herberg en besloot tot een laatste maaltijd op vrije voeten. De augustuszon was achter de Col de la Luère gezakt en het volstrekt ouderwetse dorpje dommelde. Het café was klein maar gelukkig ook sche­merig en koel en, godzijdank, niet zo quasi gezellig ingericht. Terwijl hij naar binnen liep, zag hij tot zijn geruststelling dat het driedimensionale beeldscherm niet aanstond hoewel de muziek wel speelde, maar dat was niet meer dan een onderdrukt, zange­rig geluid op de achtergrond. En de geuren van het eten waren ronduit onweerstaanbaar.
    Een jong stelletje en twee oudere mannen, dorpsbewoners aan hun kleding te zien, zaten bij de tafeltjes aan het raam grote borden worst en salade naar binnen te werken. Op een kruk aan de bar zat een grote, blonde man in een glanzend pak van nacht­zwart nebulin. Hij was bezig een hele kip te eten, overgoten met een rozige saus en spoelde dat weg met bier uit een tweeliterkan. Na een moment aarzelen, liep Richard die richting uit en nam een andere kruk.
    De grote kerel knikte, gromde en bleef het eten in zijn muil stop­pen. Uit de keuken kwam de eigenaar aangelopen, een man met een welgemoed gezicht en een ronde buik en een heldhaftig uit­ziende Romeinse neus. Hij heette Voorhees hartelijk welkom en had blijkbaar direct door dat hij van een andere wereld afkom­stig was.
    ‘Ik heb horen vertellen,’ zei Richard behoedzaam, ‘dat het voed­sel in dit deel van de Aarde nooit iets synthetisch bevat.’ De gastheer zei: ‘We zouden nog liever onze maag laten wegsnij­den dan haar bederven met kunstalgen of biocake en de hele rest van die troep. Vraag maar aan iedere gozer in het dorp.’ ‘Zeg dat nog eens, Louis!’ kakelde een van de ouderen bij het raam, terwijl hij een druipende worst aan zijn vork omhoog­stak.
    De eigenaar leunde over de bar naar voren met zijn handpalmen op het blad. ‘Dat Frankrijk van ons heeft heel wat veranderingen ondergaan. Onze mensen zijn over alle sterren uitgezwermd. Onze Franse taal is dood. Het land is een ondergrondse indus­triële bijenkorf geworden en een soort van historisch Disneyland op de koop toe. Maar drie dingen zijn onveranderlijk en onster­felijk gebleven, onze kaas, onze wijn en onze keuken! Maar goed, ik kan wel zien dat u van ver komt.’
    Een ooglid kwam naar beneden in een zwaarwichtige knipoog. ‘Net als onze andere gast hier hebt u misschien nog een eindje te gaan. Dus als u op zoek bent naar een werkelijk kosmische maal­tijd ... nou ja, we zijn maar een klein bedrijfje, maar onze keu­ken en de wijnkelder zijn goed voor vier sterren, als u betalen kunt, tenminste.’
    Richard zuchtte. ‘Ik vertrouw u. Doe me zoiets maar aan.’
    ‘Dan beginnen we met een apéritif, die is gekoeld en staat klaar!
    Dom Pérignon 2100. Geniet u daar eerst van, dan zet ik er wat kleinigheden bij om de eetlust op te wekken!’
    ‘Is dat champagne?’ vroeg de kippe-eter, ‘in dat kleine pokkeflesje?’
    Richard knikte. ‘En waar ik vandaan kom, ben je voor een glas ervan gauw drie centibux kwijt.’
    ‘Shit, nietwaar toch? Van hoe ver kom jij dan wel, man?’ ‘Assawompset. Het oude Assawompset-gat uit het universum, zo noemen wij het. Maar dat kan jij maar beter niet proberen.’ Stein stiklachte zowat in zijn kip. ‘Ik vecht nooit met een vent voor ik aan hem ben voorgesteld.’
    De gastheer bracht een servet met twee kleine pasteitjes en een klein zilveren blaadje vol witte, stomende brokjes. ‘Brioche de foie gras, croustade de riz veau a la financière en quenelles de brochet au beurre d’évrevisses. Eet en geniet!’ Hij verdween als de wind.
    ‘Financier, hè,’ mompelde Richard, ‘dat is een mooi grafschrift.’ Hij begon van de pasteitjes te eten. De ene smaakte romig luch­tig naar verrukkelijk op smaak gebrachte lever. De ander leek op een taartje, gevuld met stukjes vlees, paddestoelen en onherken­bare andere brokjes in maderasaus. Het blaadje met de witte saus bestond uit verrukkelijke visknoedels. ‘Dit smaakt heerlijk, maar wat eet ik eigenlijk?’ vroeg hij de gastheer die net te voorschijn was gekomen om de kredietkaar­ten van de dorpsklanten in te nemen.
    ‘De brioche is gevuld met ganzeleverpâté. In het taartje zitten truffels en kalfsvlees en een mengsel van kleine stukjes kip, hanekam en niertjes in wijnsaus. De visnoedels worden geser­veerd in boter met rivierkreeft.’ ‘Goeie God,’ zei Richard.
    ‘Ik heb een opvallend goede wijn voor bij het hoofdgerecht. Maar eerst, gegrild lamsvlees met fijngesneden groente en daarbij een prachtige jonge Fumé van het Château du Nozet.’ Richard at en dronk, dronk en at. Ten slotte kwam de gastheer terug met een kleine kip, gelijk aan die welke Stein nog maar net had verorberd. ‘De specialiteit van het huis, poularde Diva! De grootste van onze jonge hennen, gevuld met rijst, truffels en lever, overgoten met een paprikasaus. En erbij, een magnifieke Château Grillet.’
    ‘U houdt me voor de gek,’ riep Richard uit. ‘Zo’n wijn verlaat de Aarde nooit,’ verzekerde zijn gastheer plechtig, ‘zelfs Frankrijk maar zelden. Krijg dat maar eens ach­ter je huig, meneertje en je maag zal denken dat je gestorven bent en naar het paradijs gegaan.’ Opnieuw verdween hij met grote snelheid.
    Stein staarde stomverbaasd. ‘Mijn kip smaakte prima,’ probeer­de hij, ‘maar ik heb er Tuborg bij gedronken.’ ‘Ieder het zijne,’ zei Richard. Na een lange pauze waarin hij druk bezig was, veegde hij de rozige saus uit zijn snor en zei: ‘Denk jij dat iemand aan de andere kant van die poort inmiddels heeft uitgevonden hoe hij een goeie borrel moet stoken?’ Steins ogen werden kleiner. ‘Hoe weet jij waar ik heenga?’ ‘Omdat je absoluut niet lijkt op de een of andere gozer die van de kolonies komt om de Ouwe Aarde nog eens op te zoeken. Heb je er ooit aan gedacht waar je eerste emmertje zuip in het Plioceen vandaan moet komen?’ ‘Christus!’ riep Stein uit.
    ‘Neem mij nou, ik ben een wijngek. Voor zover dat kon tenmin­ste, terwijl ik mijn achterste door de hele Melkweg heb gesleept. Ik was een ruimteman. Ik heb het verknald en ze pakten me. Daar wil ik niet over praten. Noem me maar Richard. Geen Rick. Ook geen Dick. Richard.’
    ‘Ik ben Steinie.’ De grote boorder dacht een minuut na. ‘Uit wat ze mij over dat Ballingschap hebben gestuurd, dacht ik dat ze je in slaap iedere simpele techniek lieten aanleren die in die andere wereld bruikbaar zou kunnen zijn. Ik herinner me niet of het op de lijst stond, maar ik denk dat de brouwerij me wel goed zou af gaan. En alcohol, dat kan je van bijna alles maken. Het enige lastige is de condensatiekolom en dat zou makkelijk te maken zijn van een stukje met koper bedekte decamole dat je in een holle kies zou kunnen verstoppen als ze er geen trek in hadden je daarmee op weg te laten gaan. Maar jij met je wijn, jij kon wel eens in de problemen komen. Gebruiken ze daar geen speciale druiven en zo voor?’
    ‘Reken maar dat ze dat verdomme doen,’ zei Richard broedend, scheel kijkend door een glas Grillet. ‘Ik denk trouwens dat de samenstelling van de aarde toen ook knap anders was. Maar misschien dat het toch lukt om iets te fabriceren dat er zo half­weg mee door kan. Laat me eens zien. Druivestekken hebben we nodig en gist natuurlijk, anders krijg je een soort van kattepis aan het eind. En we zouden iets moeten hebben om flessen van te maken. Wat gebruikten ze eigenlijk voor we glas en plastic had­den?’
    ‘Kleine bruine kroezen?’ stelde Stein voor. ‘Precies. Aardewerk. En ik geloof waarachtig dat je zelfs flessen uit leer zou kunnen maken als je het verhitte en zacht liet worden in water . .. Christus! Hoor je dat? De ruimtevaarder is bezig een nieuwe carrière uit te denken als illegale drankstoker.’ ‘Zou je geen recept van aquaviet te pakken kunnen krijgen?’ Stein keek bedroefd. ‘Je hebt er alleen pure alcohol voor nodig en wat karwijzaad. Ik koop alles wat je maken kunt.’ Hij dacht een tweede keer na. ‘Kopen? Ik bedoel, ruilen, wat dan ook... God­ver .. . Denk jij dat daar iets wat op beschaving lijkt op ons zit te wachten?’
    ‘Ze hebben bijna zeventig jaar de tijd gehad om daar iets aan te doen.’
    ‘Het zal er allemaal wel van afhangen,’ zei Stein twijfelachtig. Richard gromde. ‘Ik weet wat je denkt. Het hangt er vanaf wat alle voorgaande idioten tot nu toe hebben uitgevreten. Zijn ze inmiddels aan een klein, primitief paradijsje begonnen of hebben ze hun tijd verdaan met vlooien zoeken en elkaar op de huid zitten?’
    De gastheer kwam te voorschijn met een vuile, oude fles die hij in zijn arm droeg alsof het zijn liefste kleinkind was. ‘En nu, het hoogtepunt! Maar het gaat u wel wat kosten. Château d’Yquem ‘83, de beroemde verloren oogst uit het Jaar van de Metapsychi­sche Opstand.’
    Richards gezicht, even getekend door oude pijn, veranderde ineens. Hij bekeek het beschadigde etiket met eerbied. ‘Zou die nog steeds goed zijn?’
    ‘Als God het wil.’ Zijn gastheer haalde de schouders op. ‘Vier en een halve kilobux de fles.’
    De mond van Stein viel van verbazing open. Richard knikte en de herbergier begon de kurk eruit te trekken. ‘Jezus, Richard! Kan ik één slok meekrijgen! Kan me niet sche­len wat het kost. Ik heb nog nooit zoiets duurs gedronken.’ ‘Heer waard, drie glazen. Ik wil een toost uitbrengen.’ Hun gastheer rook hoopvol aan de kurk, liet een hemelse glim­lach zien en schonk toen drie glazen halfvol met het goudbruine vocht dat sprankelde als topaas in het lamplicht. Richard hief zijn glas naar de twee anderen.
Een man kust zijn liefje vaarwel
en de vlinder de pimpernel
de wijn kust het glas zo rond,
maar jullie vrienden, kus m’n kont.

    De ex-ruimteman en de café-eigenaar sloten hun ogen en lieten de wijn in hun mond rondgaan. Stein goot zijn glas in één slok naar binnen, grijnsde en zei: ‘Hé, dat smaakt naar bloemen! Maar erg sterk is het niet, of wel?’
    Richard huiverde. ‘Breng mijn makker maar een kan eau de vie. Dat zal je bevallen, Steinie. Een soort aquaviet, maar zonder de zaadjes. U en ik, meneer de eigenaar, zullen doorgaan onze verhemeltes te strelen met de Sauternes.’
    Zo ging de avond voorbij. Voorhees en Oleson vertelden elkaar de gecorrigeerde versies van hun droevige levensgeschiedenis­sen, de eigenaar van het café knikte bewogen mee en bleef zijn eigen glas bijvullen. Er kwam een tweede fles Yquem aan te pas en later een derde. Na verloop van tijd begon Oleson schuchter te vertellen wat Georgina hem nog meer als afscheidsgeschen­ken had meegegeven. Zijn nieuwe vrienden stonden erop dat hij het liet zien, dus ging hij naar buiten naar de parkeerhaven, haalde de spullen uit zijn luchtwagen en stommelde het café weer binnen, schitterend uitgedost in een kilt van wolfsvel, een halsband en een brede riem van leer, volgestouwd met goud en amber, een bronzen vikinghelm en een grote stalen strijdbijl. Richard toostte op de viking met het laatste van de Château d’Yquem dat hij zo uit de fles slurpte.
    Stein zei: ‘De horens op de helm zijn waarschijnlijk als versiering bedoeld, zei Georgina. De vikingen droegen ze niet als ze voch­ten. Dus zijn deze afneembaar.’
    Richard giechelde. ‘Je maak ‘elemaal de blits, Steinie, ouwe donder. ‘Elemaal! Laat al die mastodingesen en dinobeesten maar kommen. As se jou zien, gaan ze der pissend vandoor.’ Zijn gelaatsuitdrukking veranderde. ‘Werom ‘eb ik geen pak. Ieder­een terug in de tijd heb een kostuum nodig. Waarom niet angedacht? Nou mot ik door de tijdpoort in m’n burgerkloffie. Geen klasse, Voorhees, domme, verdommese Hollander. Geen spatje verdomde klasse.’
    ‘Ah, niet verdrietig zijn, Richard,’ smeekte de caféhouder. ‘Be­derf je maal en de mooie wijn niet.’ Zijn kraaloogjes lichtten op bij een plotselinge dronken ingeving. ‘Ik weet het. Ik ken een vent in Lyon die daar de opera doet. Komt hier vaak en eet zichzelf te barsten. Dat ciel du cochon is mesjokke van een speciaal wijntje en daar heb ik een hele kist van. Daar kujj’em mee omkopen als je nog geld hebt. In de opera hebben ze elk soort kostuum dat je maar zou willen. Merde alors, het is nog geen 200 uur. Die vent slaapt misschien nog niet eens! Nou?’
    Stein sloeg zijn nieuwe vriend op de rug en Voorhees greep naar de rand van de bar. ‘Kom op, Richard. Ik doe voor de helft mee!’
    ‘Ik bel die vent meteen,’ zei de grijnzende gastheer. ‘Wedden dat ie ons bij de opera opwacht.’
    Ze begonnen de zaak te regelen en aan het eind vloog Stein zijn luchtwagen met de half bewusteloze Voorhees en een kist Châ­teau Mouton-Rothschild ‘95 over het slapende Lyon naar de Cours Lafayette waar een steelse figuur hen door de onder­grondse dirigeerde en vervolgens door een netwerk van gangen en trappen meenam naar de ruimten achter het toneel van de opera waar de kostuums werden bewaard. ‘Dat daar,’ zei Richard ten slotte, wijzend. ‘So! Der fliegende Holländer,’ zei de man. ‘Dat zou ik nooit van jou gedacht hebben, jongen.’
    Hij hielp Richard met het aantrekken van het 17-eeuwse kos­tuum waar een vorstelijk zwart wambuis met teruggeslagen mouwen bij hoorde, een grote kraag van kant, zwarte bretels, schoenen met overslagen, een korte cape en een breedgerande hoed met zwarte pluimen.
    ‘Ik mag verdomd zijn, dat lijkt er meer op.’ Stein sloeg Richard weer op de rug. ‘Je ziet eruit als een prima struikrover. Zo voel jij je dus echt van binnen, hè? Een echte Blauwbaard.’ ‘Niks Blauwbaard, zwarte snor,’ mompelde Voorhees en klapte in elkaar, helemaal van de kaart.
    Stein betaalde de man van de opera, vloog hen terug naar het duister geworden café om Richards bagage uit de gehuurde luchtwagen te halen en ging daarna door naar l’Auberge du Por­tail. Tegen de tijd dat ze daar aankwamen, was de ex-ruimteman weer wat bij zijn positieven.
    ‘Nog één drankje,’ stelde Stein voor. ‘Probeer het mijne es ...’ Richard nam een slok van de bijna pure alcohol. ‘Niet veel bouquet... maar heel wat zeggingskracht!’ De twee gekostumeerde nachtbrakers trokken zingend door de rozetuinen en bonsden op de eikehouten deur van de herberg met de stompe kant van Steins strijdbijl.
    De staf reageerde onverschrokken. Ze waren eraan gewend dat gasten in een nogal verfomfaaide conditie aankwamen. Zes poti­ge bedienden namen de viking en Zwartsnor voor hun rekening en binnen de kortste keren lagen ze te snurken tussen lakens die naar lavendel roken.

12

    Felice Landry en de psychosociale raadsman liepen over de met plavuizen belegde binnenplaats van de herberg naar een kan­toortje dat uitkeek op bloemen en een fontein. De kamer was een kopie van de studeerkamer uit een 15e-eeuwse abdij. De stenen vuurplaat met daarboven het nagemaakte familiewapen was versierd met een groot boeket gladiolen, weggestoken tussen twee vuurijzers met hondekoppen.
    ‘Je hebt zo’n lange reis achter de rug, burgeres Landry,’ zei de raadsman, ‘het is jammer dat je aanmelding op zoveel moeilijk­heden stuit.’
    Hij leunde achterover in de gebeeldhouwde stoel, zijn vingers tegen elkaar gedrukt. Hij had een scherpe neus, droeg een voort­durende halve glimlach en zwart krullend, achterovervallend haar met een modieuze witte vlek erin. Zijn ogen stonden zorge­lijk. Hij had haar profiel gelezen. En toch, ze zag er meegaand genoeg uit in die grijsblauwe jurk terwijl ze haar vingers onrus­tig samenkneep.
    Vriendelijk zei hij: ‘Zie je, Felice, je bent werkelijk nog erg jong om zo’n belangrijke stap te overwegen. Zoals je misschien weet, heeft de eerste bewaakster van het tijdportaal...’ hij knikte naar een olieverfportret van de heilig verklaarde Madame die boven de schoorsteen hing—’een minimumleeftijd bepaald van achtentwintig jaar voor al haar cliënten. Nu kunnen we het er vandaag wel over eens zijn dat die beslissing van Angélique Guderian betwistbaar was en gebaseerd op ouderwetse thomisti­sche ideeën over de vraag wanneer iemand psychisch gezien vol­wassen is. Maar het basisprincipe geldt nog steeds. Een volledig gevormd karakter is nodig voor dit soort beslissingen over leven en dood. En jij bent pas achttien. Ik ben ervan overtuigd dat je volwassener bent dan de meesten van jouw leeftijd, maar toch zou het beter zijn nog een paar jaar te wachten voor je je aan­meldt voor Ballingschap. Er is geen weg terug, Felice.’ Ik ben ongevaarlijk en bang en klein. Ik ben in jouw macht en ik heb je hulp dringend nodig en ik zou er dankbaar voor zijn. ‘U hebt mijn profiel gezien, raadsman Shonkwiler. Ik zit nogal in de puree.’
    ‘Ja, ja, maar dat kan behandeld worden, burgeres!’ Hij leunde naar voren en nam haar koele hand. ‘We hebben hier op Aarde zoveel meer mogelijkheden dan op jouw thuisplaneet. Acadië is verweg. Het was nauwelijks te verwachten dat de raadslieden ginds de beschikking zouden hebben over de allernieuwste the­rapietechnieken. Maar je zou naar Wenen kunnen gaan of naar New York of Wuhan. De topmensen daar zou het geen moeite kosten om dat SM-probleempje op te lossen, samen met die over­maat aan agressie en op de man gerichte jaloezie. Je persoonlijk­heid zou er nauwelijks door veranderen. Je zou bij wijze van spreken weer zo goed als nieuw zijn na de behandeling.’ De bijna vochtige en onderworpen bruine ogen begonnen iets te verhelderen. ‘Ik weet dat u alleen maar het beste met me voor hebt, raadsman Shonkwiler. Daarom vraag ik u mij te begrij­pen.’ Medelijden, hulp, empathie, toegeven aan de impuls dat kleine, pathetische ding te willen helpen. ‘Ik geef er de voorkeur aan te blijven wie ik ben. Daarom heb ik ook behandeling gewei­gerd. De gedachte dat andere mensen mijn geest manipule­ren—veranderen—dat vervult me met de afschuwelijkste ang­sten. Ik zou het niet kunnen verdragen.’ Ik zou het niet toestaan.
    De raadsman bevochtigde zijn lippen en realiseerde zich ineens dat hij haar hand aan het strelen was. Hij hield daar even plotse­ling mee op en zei: ‘Wel, je psychosociale problemen zijn op zichzelf geen beletsel. Het gaat om je leeftijd en dan is er nog een tweede probleem. Het Concilie staat niet toe dat personen met werkzame metapsychische vermogens naar Ballingschap gaan. Ze zijn te waardevol voor het Bestel. De tests hebben aange­toond dat jij dergelijke latente metafuncties bezit op het psychokinetische, het psychocreatieve en het communicerende vlak. In hoge mate zelfs. Ongetwijfeld zijn die eigenschappen mede de oorzaak van je succes als beroepsatlete.’ Ze liet een treurige glimlach zien en liet daarna langzaam haar hoofd zakken zodat het loshangende platina haar als een gordijn voor haar gezicht kwam te hangen. ‘Dat is allemaal nu voorbij. Ze wilden me niet langer hebben.’
    ‘Dat is juist,’ zei Shonkwiler. ‘Maar wanneer je psychosociale problemen werden opgelost, zou het voor de mensen in het MPinstituut misschien mogelijk worden je latente vermogens werk­zaam te maken. Stel je voor wat dat zou kunnen inhouden! Je zou tot de elite van het Bestel gaan behoren—een mens met grote invloed—je zou de wereld kunnen veranderen. Dat zou een edele bestemming zijn, je leven door te brengen in dienst van een dankbaar sterrenrijk. Zelfs een plaats binnen het Concilie is niet ondenkbaar.’
    ‘Oh, ik zou aan zoiets niet eens kunnen denken. Al die geesten, het is beangstigend. En daarnaast, ik zou nooit kunnen opgeven wat ik nu ben. Er moet een manier zijn om mij door dat tijdportaal te laten gaan, zelfs wanneer ik er te jong voor ben. En u moet me daarbij helpen, raadsman.’
    Hij aarzelde. ‘De recidivistenclausule had kunnen worden toege­past wanneer die ongelukkige MacSweeny en Barstow aan­klachten hadden willen indienen. Er is geen leeftijdsbeperking voor recidivisten.’
    ‘Dat ik daar zelf niet aan gedacht heb!’ Haar glimlach van opluchting was hartveroverend. ‘Dat maakt het allemaal zo een­voudig!’
    Ze kwam overeind en liep om het bureau naar de kant waar Shonkwiler zat. Nog steeds glimlachend nam ze zijn beide schouders tussen haar koele, kleine handen, drukte met de dui­men en brak zijn beide sleutelbeenderen.

13

    Cicaden gonsden in de takken van de oude bomen die het terras overschaduwden. De geur van reseda’s uit de tuinen mengde zich in de middaghitte met die van de rozen. Elizabeth Orme speelde wat met haar fruitsalade en dronk gekoelde muntthee terwijl ze zich verbaasde over de lijst die langzaam over het oppervlak van haar boek gleed.
    ‘Moet je eens naar deze beroepen luisteren, Aiken! Architect, tenen en gepleisterde leem. Architect, hout. Architect, niet-gemetselde steen. Bewerker van bamboe (ik wist niet dat er in Europa bamboe groeide tijdens het Plioceen!). Bakker. Lucht­schipper, Mandemaker. Bijenhouder. Brouwer. Kaarsemaker. Keramist. Houtskoolbrander. Kaasmaker. Dompteur (-euse) ... Wat zou dat in hemelsnaam zijn, denk je?’ Aiken Drums zwarte ogen schitterden. Hij sprong overeind, zijn rode lappehaar helemaal in de war en liet een denkbeeldige zweep knallen. ‘Ha! Sabeltandkleintje! Neer jij! Dus jij wilt niet luisteren naar de bevelen van je meester? Rol om! Pak ze. Nee, niet de dompteur, idioot!’
    Verschillende eters aan nabije tafeltjes keken verbaasd op. Elizabeth lachte. ‘Natuurlijk. Temmers van wilde dieren zouden meer dan bruikbaar zijn in het Plioceen. Sommige van die grote­re antilopen en dergelijke zouden heel waardevol kunnen zijn als ze tam werden gemaakt. Ik zou anders niet graag een mastodont of een rinoceros te pakken nemen met geen andere achtergrond dan een vlugge slaapcursus.’
    ‘Oh, maar de mensen hier geven je heel wat meer dan dat, sui­kerpop. Wat er werkelijk gebeurt, is het volgende. In je slaap krijg je basislessen in neolithische technologie en overleving in het algemeen. Op die manier zul je tenminste slim genoeg zijn om een latrine te graven waar je niet zelf in bedolven raakt en je zult weten welk fruit uit die tijd je maar beter kunt laten staan of hangen. Na die basisopleiding kies je zelf een onderwerp uit die lijsten voor je bij wijze van specialisatie. Dat gebeurt uitgebrei­der in je slaapje krijgt proefwerk te maken en een soort nascho­ling voor de lastigste dingen.’ ‘Hmmm,’ overwoog ze.
    ‘En ik denk dat ze hun best zullen doen je over te halen tot een beroep dat niet al eerder vaak is gekozen. Ik bedoel maar, die lui aan de andere kant zouden weinig gelukkig zijn wanneer je ze drieëntachtig luitspelers zou sturen, terwijl ze in werkelijkheid zitten te springen om één kerel die weet hoe je zeep moet maken.’
    ‘Weet je, dat is helemaal niet zo leuk, Aiken. Wanneer er werke­lijk aan de andere kant een soort van georganiseerde gemeen­schap bestaat, dan zijn ze volkomen van de organisatie hier afhankelijk voor het zenden van geschoolde mensen. De vrouwe­lijke tijdreizigers zijn gesteriliseerd, dus zijn er geen jonge leer­lingen die het werk van ouderen kunnen overnemen wanneer die sterven of gewoon maar ervandoor gaan. Wanneer in jouw gehucht de kaasmaker zoek zou raken, was je gedwongen rom­mel te eten totdat er weer es een kaasmaker door de tijdpoort kwam opdagen.’
    Drum dronk zijn gekoelde thee op en begon daarna op de smel­tende ijsblokjes te kauwen. ‘Zo’n ordeloze boel kan het daar in Ballingschap niet meer wezen. Er zijn al mensen door die poort gegaan sinds 2041. Die begeleiding in de beroepskeuze is nog niet zo lang aan de gang, misschien een jaar of vier; maar dan nog, de oudere bewoners van het gekkenkamertje moeten toch iets hebben opgebouwd!’ Hij dacht even na. ‘Ik stel me zo voor dat de meesten daar door de poort zijn gegaan volkomen immuun en soms zelfs na een verjonging, want dat waren twee technieken die al in de vroege jaren ‘40 geperfectioneerd waren. Als je dan rekening houdt met een verlies door ongelukken, opgegeten door monsters, verdwijning naar het Pliocene land der tegenvoeters of door doodgewone menselijke bloeddorstig­heid, dan moet er toch nog een aardige menigte over zijn. Tach­tig* of negentigduizend met gemak. En het meest waarschijnlijk met een ruileconomie als basis. De meeste van de tijdreizigers waren behoorlijk intelligent.’ ‘En geschift,’ zei Elizabeth Orme, ‘net als gij en ik.’ Ze maakte een onopvallend gebaar in de richting van een nabu­rig tafeltje waar een grote blonde man in een viking-uitrusting bier zat te drinken met een zwaarmoedige, toegetakelde reiziger in slordige zeemanslaarzen en een gekreukeld zwart hemd. Aiken liet zijn ogen rollen en zag er daardoor nog dwergachtiger uit dan ooit. ‘En jij vindt dat gek? Wacht maar es tot je mijn uitmonstering hebt gezien, liefie.’
    ‘Zeg me maar niks. Een Schotse Hooglander met doedelzak en tartan en spurran, uitpuilend van de explosieven.’ ‘Slim krengetje, jij. Je stond vast en zeker te liegen toen je zei dat je niet meer gedachten kon lezen. Ah-ah-ah! Ik zeg lekker niks. Het wordt allemaal een grote verrassing. Maar je mag wel weten wat voor beroep ik gekozen heb voor het Land zonder Terug­keer. Ik ga als manusje van alles. Een yankee uit Connecticut in Schotse stijl rondhangend in koning Arthurs hofhouding. En hoe ga jij, mijn prachtige, uitgebrande, geestenbuigster?’ Elizabeths glimlach stond dromerig. ‘Ik denk niet dat ik een andere persoonlijkheid wil. Ik blijf die ik ben—misschien in een rode spijkerbroek—en ik zal mijn vérspreekstersring blijven dragen met een van Illusio’s diamanten erin om me te herinneren aan het verleden. En wat mijn beroep betreft...’ Ze zette het boek op een hogere snelheid zodat de beroepenlijst over het schermpje vloog en begon daarna weer van voren af aan. Haar wenkbrauwen fronsten zich geconcentreerd. ‘Ik heb meer dan één beroep nodig. Mandenmaakster. Houtskoolbrandster. Leerlooister. Voeg die allemaal bij elkaar, het begint met een B en dan heb je mijn nieuwe beroep. Raad maar, Aiken Drum.’ ‘Bij m’n koperen ballen, mens!’ schreeuwde hij en sloeg verrukt met zijn hand op tafel. De viking en de piraat keken in milde verbazing op. ‘Een ballonvaarster! Oh, jij liefelijke Dame! Jij gaat weer op hoge vluchten, hoe dan ook, of niet, Elizabeth?’ Er klonk een bescheiden bel. Een lichaamloze vrouwenstem zei: ‘Kandidaten in Groep Groen, we zullen het op prijs stellen wan­neer u zich bij raadsman Mishima wilt voegen in de Petit Salon, waar direct een boeiend oriëntatieprogramma gaat beginnen. Kandidaten in Groep Geel...’
    ‘Groen, dat zijn wij,’ zei Aiken. Ze wandelden samen naar het hoofdgebouw dat helemaal uit witte steen en zware berookte balken was opgetrokken en dat van binnen vol stond met peper­dure kunstvoorwerpen. De Petit Salon was een gezellige kamer met luchtverversing en beklede leunstoelen, een paar prachtig besneden spiegelkasten en een verkleurd wandkleed met de afbeelding van een maagd en haar eenhoorn. Dit was de eerste maal dat de groep, die uitgezocht was om in haar geheel door de tijdpoort te gaan na een training van vijf dagen, bij elkaar kwam. Elizabeth bestudeerde haar medemislukkingen en probeerde te raden wat voor dwangmatigheden hen ertoe hadden gebracht voor Ballingschap te kiezen.
    Ze werden in de overigens nog lege kamer opgewacht door een lieftallig, goudharig meisje in een simpele zwarte Chinese jurk met split. Haar stoel stond enkele meters bij die van de anderen vandaan. Een van haar slanke polsen was aan de stoelleuning geketend met een delicate zilveren ketting. De piraat en de viking keken naar binnen, kribbig en tegelijk verlegen omdat niemand anders nbg verkleed was. Ze bonkten naar voren en gingen precies in het midden van de rij stoelen zitten. Een ander paar, dat elkaar al scheen te kennen, kwam zwijgend binnenlopen—een frisse, gezond uitziende vrouw met bruin krulhaar die een witte overjas droeg en een stevige man van zo te zien middelbare leeftijd. Hij had een stompe neus, Slavische jukbeenderen en gespierde, harige onderarmen die eruitzagen alsof hij er een os mee zou kunnen kelen. Een quasi academisch personage in een antiek tweedjasje kwam als laatste binnen. Hij droeg een koffertje en zag er zo van zichzelf vervuld uit dat Elizabeth met geen mogelijkheid kon raden wat zijn pro­bleem kon zijn.
    Ten slotte kwam raadsman Mishima binnen, lang en slank, glimlachend en knikkend. Hij gaf uitdrukking aan zijn blijd­schap over hun aanwezigheid en hoopte dat ze zouden genieten van de introductie over de geologie en de ecologie van het Plioceen, die hij nu zou gaan houden.
    ‘Onder ons hebben we een beroemd man die heel wat meer weet van paleo-ecologie dan ik,’ zei de raadsman, die vervolgens boog in de richting van het Slavische type, ‘en ik zou het op prijs stel­len als hij me wilde onderbreken wanneer mijn lezing correctie of aanvulling nodig heeft.’
    Wel, wel, dat verklaart hem tenminste, dacht Elizabeth. Een paleontoloog met pensioen die perse terug wil naar de fossiele dierentuin. En die pop aan de ketting is ongetwijfeld een recidiviste met al te losse handjes, zonder twijfel nog een paar graadjes erger dan die arme Aiken. En de jongens in de verkleedkostuums zijn de onmisbare en onvermijdelijke verliezers. Maar wie is de Witte Dame? En de Peinzende Man die tweedjasjes draagt in augustus?
    Het licht in de kamer ging uit en het wandkleed kwam langzaam omhoog om plaats te maken voor een groot holografisch scherm.
    Er kwam muziek. (Here Jezus, dacht Elizabeth. Niet Strawinsky!) Het scherm lichtte op en toonde de Pliocene Aarde vanuit een omloopbaan, zes miljoen jaar geleden. Van die afstand zag het er tamelijk vertrouwd uit. Maar toen zoomde de lens in.
    Mishima zei: ‘Zoals u ziet bevinden de continenten zich onge­veer in de posities die we kennen. Maar hun begrenzingen zijn ongewoon en dat komt voornamelijk door de aanwezigheid van enkele kleinere zeeën die toen bepaalde gebieden overdekten, terwijl andere gebieden die zich nu onder water bevinden, toen droog land waren.’
    De globe roteerde langzaam en stopte toen Europa goed in zicht kwam. De camera kwam dichter en dichterbij. ‘U krijgt allemaal een durofilm map met kaarten van het Vroege Plioceen. Schaal één op zeven miljoen voor Europa en één op één miljoen voor het huidige Frankrijk. Mocht u naar andere delen van de wereld willen doorreizen of daar belangstelling voor heb­ben, dan zullen we ons uiterste best doen om u van goede land- en zeekaarten te voorzien.’
    ‘Hoe nauwkeurig zullen die kaarten zijn?’ vroeg de piraat. ‘Buitengewoon nauwkeurig, denken we.’ Mishima’s antwoord kwam gladjes. ‘Het Plioceen is ten slotte een van de meest recen­te geologische perioden en onze computers hebben de kaarten kunnen ontwerpen met een nauwkeurigheid van ongeveer twee­entachtig procent. De gebieden waar we het meest onzeker over zijn hebben doorgaans betrekking op de loop van kleine rivieren en nog wat andere aspecten van het Middellandse-Zeebassin.’ Hij begon close-ups te laten zien van verschillende gebieden, allemaal in levendig reliëf en aangevuld met een doorzichtige overtrek van de huidige vormen.
    ‘De Britse Eilanden zijn samengevoegd tot één grote massa, Albion. Waarschijnlijk door een nauw schiereiland verbonden met Normandië. De Lage Landen liggen nog onder de zeespie­gel net als het noordwestelijk deel van Duitsland. Scandinavië, inclusief Finland, is één geheel, nog niet onderbroken door de Baltische Zee. Polen en Rusland zijn overdekt met moerassen en meren, sommige zeer groot. Andere grote oppervlakken zoet water zijn te vinden in de Franse Vogezen en de bergmeren in de Alpen ...’
    Verder naar het oosten zag het landschap er vrijwel onbekend uit. Een drassige lagune, het Pannonische Bassin, bedekte heel Hongarije en sijpelde door de Straat van Dacië naar een ondiep overblijfsel van de eens zo dominerende Zee van Thetys die ook wel Lac Mer werd genoemd. Vandaaruit vonden brakke moeras­sen en zout water hun weg tot diep in Centraal-Azië en ontmoet­ten in het noorden de ijsvrije Noordelijke Oceaan. In later jaren zouden alleen de Kaspische Zee en het Aralmeer overblijven als herinnering aan die verdwenen Zee van Thetys. ‘Let u er ook op dat het Euxinisch Bassin, dat later de Zwarte Zee zal worden, gevuld is met zoet water. Dat is afkomstig uit de bergen van de Kaukasus en Anatolië en de Alpen uit het westen. De tegenwoordige Zee van Marmara is hier één groot moerasge­bied. Daar beneden ligt Lac Levant, ongeveer overeenkomend met de Egeïsche Zee van nu.’
    ‘De Middellandse Zee ziet er nogal door elkaar gehaald uit,’ merkte de viking op. ‘In mijn vak moest ik het een en ander weten over de ingewikkelde geologie van dat gebied. En ik denk dat aan het maken van dit stuk van de kaart nogal wat giswerk te pas is gekomen.’
    Mishima erkende dat dat waar was. ‘Er zijn problemen die ver­band houden met de chronologie van de achtereenvolgende inundaties. Wij denken dat deze samenstelling het meest voor de hand ligt. Kijkt u eens naar het nu verdwenen schiereiland van de Balearen, oostelijk van Spanje. Daar ligt één enkel klein eiland in plaats van het huidige Corsica en Sardinië. Van Italië bevond zich omstreeks die tijd alleen de Apennijnen boven de zeespiegel, samen met een heel onstabiel gebied in het zuiden dat we TyrrheniS hebben genoemd, maar dat eens veel groter was en nu alweer aan het verdwijnen is.’ Hij liet een grotere opname van West-Europa zien. ‘Dit is het gebied waar u direct belang bij hebt. De trog van de Rhöne en de Saöne bevat onder meer een grote rivier met omlig­gende moerasgebieden, afkomstig uit het noorden van Zwitser­land en het Lac de Bresse. De lagere delen van de Rhönevallei werden in het Plioceen waarschijnlijk van tijd tot tijd overspoeld door de Middellandse Zee. Er waren heel wat vulkanen actief en er was ook vulkanisme in Duitsland, Spanje en Centraal-Italië. Verder naar het noorden, in Frankrijk, kunnen we zien dat Engeland een eiland is, van het vasteland gescheiden door de smalle Straat van Redon. De Atlantische Oceaan vormt een die­pe inham tot Anjou. En een deel van Gascogne was water.’ ‘Bordeaux lijkt, goddank, in orde,’ zei de piraat. Mishima grinnikte. ‘Aha! Nog een connaisseur! Het zal u ver­heugen om te horen dat een redelijk aantal vroegere tijdreizigers al eerder naar datzelfde gebied rondom Bordeaux zijn gegaan. Ze hebben draagbare apparatuur van een zeker type meegeno­men en stekken van nogal wat druivesoorten ... Wat ik overi­gens in het algemeen wil zeggen, alle informatie over voorgaan­de tijdreizigers staat via de computer tot uw beschikking. En mocht u andere informatie willen hebben, bijvoorbeeld gegevens over etnische of religieuze groeperingen, of over het soort boeken en materiaal dat in de loop der jaren is overgebracht, aarzel dan niet ernaar te vragen.’
    Het academische type in het tweedjasje vroeg: ‘Verschaft de computer ook informatie over individuele personen?’ Aha! dacht Elizabeth.
    ‘De gebruikelijke statistische gegevens, overeenkomend met die in uw eigen dossier, zijn beschikbaar over alle personen die eer­der door de tijdpoort zijn gegaan. Informatie is ook beschikbaar over de voorwerpen die als bagage zijn meegenomen en over de bestemming van de reizigers naar het Plioceen.’ ‘Dank u.’
    ‘Als er verder geen vragen meer zijn ... ?’ Mishima knikte naar Felice die een lome hand had opgestoken. ‘Is het waar dat geen van de reizigers een wapen heeft meegeno­men?’
    ‘Geen moderne wapens. Zo wilde madame Guderian het en wij hebben dat wijze voorbeeld gevolgd. Geen mitrailleurs, geen verdovers, geen atoomwapens, geen sonische projectielen, geen wapens op zonne-energie, gassen, of op kruit gebaseerde explo­sieven en geweren. Geen drugs of machines met een soortgelijke werking. Maar allerlei soorten primitievere wapens uit verschil­lende tijdperken en culturen zijn wel toegestaan en dus ook mee­genomen naar het Plioceen.’
    Landry knikte. Haar gezicht vertoonde geen enkele uitdrukking. Elizabeth probeerde, zonder te beseffen dat ze dat deed, een psychische sonde naar haar geest uit te werpen, maar natuurlijk was dat nutteloos. Des te verbaasder was ze, toen de jonge vrouw haar hoofd omdraaide en zeker een minuut lang rechtstreeks naar haar keek voor haar aandacht terugging naar het scherm. Ze kon niets hebben gemerkt, hield Elizabeth zichzelf voor. Er was niets te voelen. En zelfs als er een draagbeeld overkwam, kon ze niet hebben geweten dat ik dat had uitgezonden. Of wel?
    Raadsman Mishima zei: ‘Laten we heel in het kort de verschil­lende aardrijkskundige namen opschrijven die we aan de geo­grafie van het Plioceen hebben gegeven. Dan zullen we het plantaardig en dierlijk leven van het Vroege Plioceen onder de loep gaan nemen ...’

14

    Zodra de lezing was afgelopen, haastte Grenfell zich naar zijn kamer en de daar geplaatste computer die op een renaissancetafeltje van wormstekig perehout stond. Hij vroeg de gegevens op in permanente durovellen zonder echt te weten wat hij verwach­ten mocht. Wat te voorschijn kwam was een pathetisch magere oogst, maar het bevatte onverwachts wel een groot kleurenportret, waarschijnlijk genomen vlak voor haar vertrek door de poort.
    Mercy Lamballe droeg een mantel met een capuchon van een diep roodachtig bruin, die het meeste van haar kastanjekleurige haren verborgen hield en haar ogen op duistere gaten deed lij­ken. Haar gezicht was wit en gespannen. De jurk was lang, een­voudig gesneden en van een Nijlkleurig groen met randen van gouden borduurwerk om de hals, de polsen en de boord. Om haar smalle taille droeg ze een gordel van een onbestemd donkere kleur waaraan een buidel hing en een schede met niet herkenba­re instrumenten. Ze droeg gouden armbanden en een gouden halsband, bezet met purperen steentjes. Een groot, geborduurd valies stond naast haar. Ze droeg een afgedekte mand en een leren etui dat eruitzag alsof het een harp bevatte. Ze was in gezelschap vari een grote, witte hond die een bespijker­de halsband droeg en vier schapen.
    Hij staarde langere tijd naar het portret totdat zijn ogen begon­nen te branden. Daarna las hij haar beknopt samengevatte dos­sier.

    LAMBALLE, MERCEDES SIOBHAN 8-049-333-032-421 F. Geb: St.-Brieuc 48:31N, 02.45W FrEu, Sol-3 (Aarde), 15.5.2082, uit Georges Bradford Lamballe 3-946-202-664-117 & Siobhan Maeve O’Connell 3-429-697-551-418. Sb:0.M:0.D:0.C:0. Fy: L170cm, Gew46kg, Sfr1, Hrd2, Egn4, DMmole Rscap. Men: 1A+ 146( + 3B2), PSA + 5+4.2 + 3.0-0.7 + 6,1, MPQ-079(L) + 28 + 6+133+468+1. MedGesch: NSI, NST (Suppl). PsychGesch: niet-eigen Refr-4 (non-dis), Fug-ö(non-dis), MDep-2 (.25 dis UT) (Supp2). Opl: BA Parijs 2102, MA (Antr) Oxon 2103, PhD(Fr-MedGesch) Parijs 2104, DLH(KeltFL) Dublin 2105. Emp: ImPag Ierland (T4-T1 )05-08; (DirAss3-2) 0-09. ImPag Frankrijk (DirAss1)09-10. Res: 25a Hab Cygne, Riom 45:54N, 03:07E, FrEu, Sol3. BurgSt: 1 A-0010.CrRt: A-01- Lic: E3, Ts, EITc2, Dg.
    Opmerk: Aank: 10-5-2110 BerOpt: verven, schaaphoeden, weven,
    woltechnieken. Perslnv: (Supp3). Best: NB.Afst: NB.
    TRANS: 15-5-2110             REF: J.D. Evans GC2
    SUPPLEMENT 3 Persoonlijke inventaris, Lamballe, M S.
    Kleding: Jurk, zijde, grn.emb-Au. Jurk, zijde, wemb-r + grn. Jurk, veelkl, bik emb-Ag-myl. Sjaals, zijde, 3. Mantel, repelvel, terracotta. Korte broek, zijde, asst.w, 3. Kousen, zijde, w,
    3 pr. Schoenen, laag, leer, 2 pr. Riem, leer. Buidel, leer. Riemtas, leer + schaar, mes, vijl, kam, potlood, vork, lepel. Bagage: Overlevingsset A-6. Klein-gereedschapsset F-1. Schaap Kit OV-1. Muziek, 5Ku, w/AVP (Supp4) Boeken, 10Ku, w/AVP (Supp5). Decamole werktuigen: SD’n.iewiel, handspinklos, kaarder, weefgetouw L4H, verf-tub. Valies: Leer, gebord. Mand: esparto. Sier. Halsketting Au & amethyst. Armbanden, Au & amethyst, 3. Ring, goud & parels. Spiegel, Ag, 10cm. Not.boek, 1Ku. Naaiset S-1. HARP, verguld, besneden, esdoornhout. Keltisch, w/tas, leer. Ha snaren & sleutels, asst.reserve. Fluit, open, Ag. Planten: Aardbei ‘Hautbois Supérieur 12e’ 100 pit. Hennep (Cannabis s. sinsemüla) 15 ctgs. CulHb Eenheid CH-1. Sm.Graan eenheid SG-1. Gem.Zaad. pkts: Bluebell (Campanula bellardi), Indigo (Indigofera tinctoria), Meekrap (Rubia tinctorum), Erwt ‘Mangetout’. Dieren: Chien des Pyrénées, Bidarray’s Deirdre Stella-Polaris’ (1F, pr4M+4F) Schapen, Rambouillet x Débouillet (3F a pr2F; 1M).

    Er was meer dan dat, supplementen met de details van haar medische en psychiatrische geschiedenis, lijsten met alle meege­nomen boeken en muziek. Daar liep hij snel doorheen en ging toen terug naar de samenvatting en het portret. Zal ik je nog terugvinden, Mercy, in je zijden jurk en je goud en je juwelen, met je harp en je fluit, de aardbeien en de grasklok­jes? Waar zul je heen trekken om je zwangere schapen te hoe­den? (Best: NB) Zal ik je vinden in de eenzaamheid, met nie­mand bij je behalve de trouwe Deirdre en haar jongen, zoals je steeds hebt geleefd? Zul je me welkom heten en me de oudere liederen leren uit de Languedoc en Ierland of zal de wond in je hart nog altijd te diep zijn? (MDep-2,.25 dis UT) Wat heb je aan de andere kant van die poort gevonden toen je daar op je verjaardag doorheen stapte om je negenentwintigste levensjaar te beginnen op zes miljoen jaar afstand van waar je geboren was? En waarom ben ik bezig deze dapperste van alle werelden te verlaten in ruil voor het wurgende onbekende? Wat bevindt zich in het duister dat mij bang maakt het te vinden en niet te vinden?
    O hart, betoverd toen zij vlood. Ik heb haar lief tot in de dood.

15

    Claude Majewski deed zijn ogen open, veegde de slaap eruit met een papieren zakdoekje en verwijderde de oorplug die hem ter­wijl hij sliep, onderwezen had hoe hij nokbalken moet vastzetten aan het beschot van een uit boomstammen opgetrokken hut. Zijn linkerarm sliep en zijn voeten waren koud. Die verdomde bloedcirculatie begon wat krakkemikkig te worden. Hij mas­seerde het bloed terug in zijn spieren en dacht erover na hoezeer hij de luxe zou missen van donzen slaapkussens, een zachte matras en echte linnen lakens. Hij hoopte dat de overlevingsset die ze vandaag gingen uitproberen, tenminste een behoorlijk bed bevatte.
    Hij liep door de zonnige kamer naar het bad. Hier was het mede­dogen van madame Guderian zichtbaar geworden in zwart en wit marmer, goudkleurige kranen, dikke badhanddoeken, geparfumeerde zeep, toiletgerei van Chanel, sauna en zonnelampen. Alles klaar om de cliënten van de herberg onder te dom­pelen in geruststellende verfijning na de ontnuchterende lessen in la vie sauvage.
    Sommige arme tijdreizigers die worstelden om in de Pliocene wereld overeind te blijven, zouden zich die laatste dagen in de herberg met Franse maaltijden, zachte bedden en verfijnde kunstwerken maar al te goed herinneren. Maar Majewski wist dat zijn beste herinneringen zouden bestaan uit die sybaritische plee. Die warmpjes beklede bril die zijn spichtige botten welkom heette. Het papier, dat aanvoelde als geperforeerd konijnebont! Hij dacht terug aan sommige van de primitieve voorzieningen waarmee hij en Gen op nauwelijks ontgonnen planeten genoegen hadden moeten nemen—de draagbare warmwateruitrustingen, verwarmingselementen die het niet meer deden, de luidruchtige stenen en houten kakhuizen vol lawaaiige schijters, de ruwe zitplanken boven een ondergelopen gat; hij herinnerde zich zelfs een verschrikkelijke stormnacht op Lusatia, toen hij boven een houtblok gehurkt had gezeten en naderhand ontdekte dat het vol zat met kleine, kruipende monsterachtigheden. Oh, de zegeningen van het moderne loodgieterswerk! Wanneer in het Plioceen niemand nog een behoorlijk toilet had uitgevon­den, dan zou hij daar ernstig werk van maken. Hij nam een koele, geparfumeerde douche, poetste zijn tanden (zijn derde set, zo goed als nieuw) en trok een gezicht tegen zichzelf in de Louis XIV-spiegel. Niet al te vervallen. Een opper­vlakkige beschouwer zou hem voor een vijftiger houden. Hij was trots op zijn Poolse groene ogen en de opvallende bos zilveren haar die het resultaat was van zijn laatste verjonging waarbij het mannelijke patroon dat tot kaalheid voerde uit zijn genetische erfenis was verwijderd. Godzijdank had hij de rest van zijn huid laten ontharen! Lui van het soort als die piraat, die blijkbaar zo gek waren op gezichtshaar, zouden in de komende primitieve wereld nog wel eens een ander liedje zingen, vooral in dat warme en van de insekten wemelende Pontische Europa. De oude paleobioloog had met grimmige humor opgemerkt dat tijdens de lezingen gisteren en gedurende de slimme, geanimeerde films over de ecologie in het Plioceen de insekten en andere ongewer­velde bewoners nauwelijks waren genoemd. Het kwam dramati­scher over om hele kudden paardachtigen en gracieuze herten te laten zien die werden achtervolgd door nauwelijks minder sier­lijke luipaarden, of leeuwen die hun lange tanden lieten verzin­ken in brullende, horendragende prooidieren. Claude ging terug naar de slaapkamer en bestelde koffie met croissants. Omdat deze tweede dag besteed zou worden aan een­voudige overlevingstechnieken trok hij de kleren aan die hij ook van plan was te dragen wanneer hij door de tijdpoort ging. Erva­ring had zijn keuze beperkt en eenvoudig gehouden: netondergoed, een ouderwets geruit hemd, een broek van de beste Egyp­tische katoen, sokken van geitehaar waar het vet niet uitgewas­sen was en een paar onverwoestbare schoenen uit Etrurië. Hij had zelfs zijn eigen oude rugzak meegenomen, hoewel de her­berg vol stond met alle uitrusting die je maar kon wensen. In de rugzak zat zijn poncho die goed beschermde en toch goed venti­leerde en een trui van de Orkadische Eilanden. In het kleine zijvak zat een prachtig besneden houten doos uit Zakopane, de doos van Gen. Deze woog nauwelijks iets. Terwijl hij ontbeet, bestudeerde hij het programma voor die dag. Introductie van overlevingsset A-6. Onderdak en vuur. Beveili­ging tegen gevaren uit de omgeving. Oriëntatie. Visvangst en vallen zetten.
    Hij zuchtte, dronk de uitstekende koffie en begon te kauwen op het zachte brood. Het zou een lange dag worden.

16

    Zuster Annamaria Roccaro had heel wat gekampeerd, maar de dure en nieuwe decamole uitrusting die deel uitmaakte van set A-6 was een verrukking en een openbaring.- Zij en de andere leden van Groep Groen waren eerst naar een klaslokaal gegaan waar een hartelijke instructrice hen had voor­gelicht; daarna waren ze in paren opgedeeld en afgedaald naar een grot die tweehonderd meter beneden de herberg in de rotsen was uitgegraven. Ze werden losgelaten op een zonnige weide en kregen de opdracht vertrouwd te raken met hun uitrusting. Het nagemaakte zonlicht was heet, ondanks de werkende ther­mostaten op hun lichaam. Nadat zij en Felice een korte afstand hadden gelopen, besliste Amerie dat ze maar beter kon afzien van de sandalen die als schoeisel voor het Plioceen haar eerste keus waren geweest. Ze waren sober en luchtig genoeg, maar ze verleenden ook twijgjes en kiezelsteentjes toegang. Korte laar­zen of ander modern schoeisel zou waarschijnlijk beter zijn voor lopen in ruig terrein. Ze besloot ook dat het herteleren jack te warm was, zelfs wanneer de mouwen eraf gingen. Iets gewevens zou beter zijn. Maar een scapulier van leer of een mantel met een capuchon zou misschien wel goed zijn voor de koude dagen. ‘Heb jij het niet heet in dat pak, Felice?’ vroeg ze haar metgezel­lin. Landry droeg een groen en zwart ringhockey-uniform dat blijkbaar haar keuze was voor het Plioceen. ‘Het zit goed,’ zei het meisje. ‘Ik ben eraan gewend om hierin te werken en mijn eigen planeet was heel wat warmer dan de Aar­de. Met dat herteleer zie je eruit als een hogepriesteres, Amerie. Ik vind het heel mooi.’
    De non voelde zich vreemd verward. Felice zag er zo buitenspo­rig ongewoon uit in haar vechtkuras met de beenplaten en die Griekse helm met dappere groene veren als een kroon op haar hoofd. Stein en Richard waren die morgen begonnen haar daar­mee te plagen zodra ze in dat kostuum te voorschijn kwam, maar om de een of andere reden waren ze daar vrijwel direct mee opgehouden.
    ‘Zullen we hier ons kamp opslaan?’ stelde de non voor. Er stond een grote kurkeik naast de beek, die schaduw wierp over een vlak stuk terrein dat een goede plek leek om de cabine op te zetten. De twee vrouwen namen hun bepakking af en Amerie bestudeerde de vuistgrote pomp van haar uitrusting. De instructrice had gezegd dat de verzegelde energievoorziening toereikend zou zijn voor ongeveer twintig jaar. Er waren twee ventielen, één om op te blazen en één om leeg te laten lopen. Er stond op: BELANG­RIJK! NIET-GEBRUIKTE VENTIELEN GOED VER­PAKT HOUDEN.
    ‘Probeer het mijne eens.’ Felice hield haar een pakje voor dat amper de grootte had van een dubbele boterham. ‘Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit een huis van vier bij vier meter moet worden.’
    Zuster Roccaro bevestigde de bengelende, platte buis van het pak aan de opblaaspomp en drukte de knop in. Samengeperste lucht veranderde het pakje al snel in een groot, zilveren vierkant. De twee vrouwen legden dat vierkant in de juiste positie en keken toe hoe het groeide. De vloer werd negen centimeter dik en werd steeds steviger naarmate de lucht de ingewikkelde microcellulaire structuur begon te vullen. De wanden, iets dikker om isolatie te verzekeren, kwamen omhoog, compleet met transparante en uitritsbare ramen en jaloezieën aan de binnenzijde. Een spits toelopend zilveren dak werd het laatst opgeblazen. Felice keek door de deurloze entree naar binnen. ‘Moet je zien. In de vloer zit een compleet meubilair!’ Er waren twee slaapban­ken met verwijderbare kussens, een tafel, opbergrekken en ach­terin een zilverkleurige doos waaruit een pijp kwam die naar het dak leidde. Felice las hardop: ‘VUL STOOF MET ZAND, ANDERS ZAKT EENHEID IN BIJ AFKOELING ... Dit spul moet onverwoestbaar zijn!’ Ze voelde achter haar linker scheenplaat en haalde een glinsterende, kleine dolk met een gou­den handvat te voorschijn. ‘Er is geen kras in te krijgen.’ ‘Zonde dat het zo is gemaakt om na twintig jaar te vervallen. Maar goed, tegen die tijd zouden we moeten weten hoe we ons daar moeten redden.’
    Grote, emmervormige holten in iedere hoek van de cabine moes­ten met stenen, aarde of water worden gevuld. Een klein zakje naast de deuropening bracht een hele handvol tabletgrote prop­jes te voorschijn die moesten worden opgeblazen en dan konden worden gevuld met zand of water. Ze konden daarna door mid­del van een sifon in vrijgelaten openingen worden vastgezet. De tabletten groeiden uit tot een deur, stoelen, kookgerei, kleden, dekens en andere huishoudelijke noodzakelijkheden. Minder dan tien minuten nadat ze begonnen waren, zaten ze ontspannen in een volledig uitgeruste cabine.
    ‘Ik kan het nauwelijks geloven,’ verbaasde zuster Roccaro zich, terwijl ze met haar knokkels op de wand sloeg. ‘Het voelt zo stevig aan. Maar met een beetje wind zou deze hele cabine wor­den weggeblazen als een zeepbel wanneer ze niet verzwaard werd.’
    ‘Ook hout bestaat voornamelijk uit lucht en water,’ zei Felice schouderophalend. ‘Dit decamole spul produceert blijkbaar een soort structureel versterkte basisvorm. Je hoeft er enkel het noodzakelijke gewicht aan toe te voegen. Ik vraag me af hoe de compensatie in het materiaal verloopt wanneer de temperatuur of de druk verandert? Er zullen wel ergens uitlaten zitten, denk ik. Ik veronderstel dat het bij harde wind met een stormlijn moet worden vastgezet, ook al zouden alle holten met water of wat anders zijn verzwaard. Maar het is beter dan welke tent ook. Er zitten zelfs ventilatoren in!’
    ‘Zullen we de boot ook nog opblazen, of de minitent met de overbruggingsdelen?’
    ‘Dat hoefde niet. Ik heb gezien hoe dit decamole werkt en wat mij betreft accepteer ik de rest in goed vertrouwen.’ Felice kruis­te haar benen en trok haar handschoenen uit. Ze zat boven op de kleine tafel. ‘Vertrouwen, geloof, daar is het jou om begonnen, is het niet?’
    De non ging er ook bij zitten. ‘Zo zou je het kunnen zeggen. Technisch gesproken, ik wil een kluizenares worden, ik zoek reli­gieuze afzondering. Dat is een roeping waaraan binnen het Bestel geen enkele behoefte bestaat, maar in de Middeleeuwen was het soms heel populair.’
    ‘Wat wil je in godsnaam de hele dag doen? Niks anders dan bidden?’
    Amerie lachte. ‘En een deel van de nacht ook. Ik ben van plan de hele oude Latijnse eredienst te herstellen. De metten, die om middernacht beginnen. Tegen de dageraad de lauden. Overdag zijn er dan de gebeden rond het eerste, het derde, het zesde en het negende uur. Dan de vespers bij zonsondergang en de com­pleten voor het naar bed gaan. De hele eredienst bestaat eigen­lijk uit psalmen, bijbelteksten, lofzangen en speciale gebeden waarin eeuwen van religieuze traditie weerspiegeld worden. Ik vind het heel erg dat niemand die gebeden meer in hun oorspron­kelijke vorm gebruikt.’
    ‘En daar ga je de hele godganse dag mee door?’ ‘Goeie hemel, nee. Zo lang duren die afzonderlijke gebeden niet. Maar ik zal ook de mis opdragen en boete doen en verder veel mediteren, misschien gecombineerd met Zen-meditatie. En wanneer ik schoffel of andere dingen doe, kan ik de rozenkrans bidden. Dat werkt bijna als een mantra, wanneer je het op de oude manier doet. Heel rustgevend.’
    Felice keek haar met vijverdiepe ogen aan. ‘Het klinkt heel vreemd. En nogal eenzaam ook. Maakt het je niet bang, om daar alleen te gaan leven, alleen met die God van jou?’ ‘Die goeie oude Claude heeft beloofd dat hij me in stijl zal onder­houden. Ik weet niet of ik dat helemaal serieus moet nemen. Maar als hij me van tijd tot tijd wat eten kan bezorgen en ik zie kans het een en ander te vervaardigen in mijn vrije tijd, dan kunnen hij en ik ruilen.’
    ‘Claude!’ De stem van Landry klonk misprijzend. ‘Die ouwe moetje ook in de gaten houden. Hij is niet zo’n complete macho als die twee in hun carnavalspak, maar ik heb wel een paar keer gezien hoe hij naar me loerde.’
    ‘Je kunt het de mensen niet kwalijk nemen dat ze naar je kijken. Je bent heel mooi. Ik heb gehoord dat je een beroemde sportheldin was op je eigen wereld.’
    De lippen van het meisje krulden op in een grimmige kleine glim­lach. ‘Acadië. Ik was de beste ringhockeyspeelster aller tijden. Maar ze waren bang voor me. Aan het eind durfden de andere spelers—allemaal mannen—niet meer tegen me uit te komen. Ze maakten allerlei moeilijkheden. En ik werd van het spel uit­gesloten toen twee spelers een klacht indienden dat ik met opzet had geprobeerd hen ernstig te verwonden.’ ‘En was dat zo?’
    Felice keek naar de grond. Ze frommelde aan de vingers van haar handschoenen en kreeg een kleur die van haar hals naar haar wangen opsteeg. ‘Misschien. Ik denk het wel. Ze waren zo verschrikkelijk.’ De kleine kin kwam verdedigend omhoog waar­door de achterwaarts zakkende hoplietenhelm haar het uiterlijk gaf van een miniatuur-Pallas Athene. ‘Ze moesten me nooit als vrouw, weet je. Ze wilden me enkel pijn doen. Ze waren jaloers op mijn kracht en bang. Mensen zijn altijd al bang voor me geweest, zelfs toen ik een kind was. Kun je je voorstellen wat dat betekent?’
    ‘Oh, Felice.’ Amerie aarzelde. ‘Waarom ... hoe ben je ooit aan dat moordlustige spel begonnen?’
    ‘Ik kon altijd al goed met dieren overweg. Mijn ouders waren bodemdeskundigen en altijd op weg van de ene expeditie naar de andere. Gebieden die net waren ontdekt, nog vol met het oor­spronkelijke wild. Wanneer de kinderen daar me links lieten lig­gen, zorgde ik zelf voor huisdieren. Eerst kleintjes, later grotere en gevaarlijke. En er waren er heel wat op Acadië, dat kan ik je wel vertellen! Toen ik vijftien werd, heb ik ten slotte een verrul getemd. Dat beest lijkt op een heel grote rinoceros. Een plaatse­lijke dierenfokker wilde hem kopen om te trainen voor ringhockey. Op die sport had ik nooit erg gelet, maar nadat ik het beest had verkocht drong het tot me door dat in die sport groot geld te verdienen viel en dat mijn talenten daar geknipt voor waren.’ ‘Maar om zo’n sport professioneel te bedrijven terwijl je nog maar een meisje was ...’
    ‘Ik vertelde mijn ouders dat ik een leerling-verrultrainster wilde worden. Het kon hen niet schelen. Ik was altijd al overbodige bagage geweest. Ze zorgden ervoor dat ik mijn school afmaakte en lieten me toen gaan. “Wees er gelukkig mee, kind,” zeiden ze.’
    Ze pauzeerde en keek Amerie uitdrukkingsloos aan. ‘Ik werd stalknecht totdat de teamleider in de gaten kreeg hoe goed ik met de dieren kon omgaan. Dat is namelijk het geheim van het hele spel, snap je? De verrul moet de doelpunten maken en zo manoeuvreren dat de andere spelers je niet raken met hun korte-afstandsverdovers. Ik mocht in het voorseizoen bij wijze van nieuwigheid meedoen. In de hoop daarmee de kas van de Groenhamers te spekken. Ze hadden er drie achtereenvolgende seizoe­nen niets van gemaakt en zaten op een dieptepunt. Toen ze merkten dat er meer in me zat dan een kortdurende publiciteits­stunt, kwam ik in het eerste team toen het echte seizoen begon. Die andere malloten daar sloofden zich zo uit om mij de baas te blijven dat we de wedstrijd wonnen. En daarna kwam de hele rest, met kampioenschap en al.’ ‘Prachtig.’
    ‘Dat had het moeten zijn. Maar ik had geen vrienden. Ik ver­schilde te veel van de andere spelers. Ik was een zonderling. En in het tweede jaar… toen ik wist dat ze me echt gingen haten en hun best zouden doen om me te ... Ik .. . ik ...’ Ze sloeg met haar beide vuisten op de tafel en het kinderge­zichtje vertrok van woede. Amerie wachtte op de tranen, maar die kwamen niet; de even zichtbare pijn werd bijna direct weer verborgen. Aan de andere kant van de tafel ontspande Felice zich en keek de andere vrouw glimlachend aan. ‘Ik ga jageres worden, weet je. Aan de andere kant. Ik zou heel wat beter voor je kunnen zorgen dan die oude man, Amerie.’ De non stond op, het bloed bonzend tegen haar slapen. Ze keerde zich van Felice af en liep naar buiten. ‘Ik denk dat we elkaar nodig zullen hebben,’ zei het meisje.

17

    Auberge du Portail, FrEu, Aarde 24 augustus 2110
    Lieve Varya,
    We hebben hier onze laatste overlevingsspelletje voltooid en inmiddels zijn onze lichamen helemaal vertrouwd met de tropi­sche wereld van het Aardse Plioceen. Ons rest nog een Laatste Avondmaal en één goede nachtrust voor we in de ochtend door de poort gaan. De apparatuur daarvoor bevindt zich in een merkwaardig huisje in de tuinen van de herberg. Je kunt je nau­welijks een vreemdere plek voorstellen als doorgang naar een andere wereld. Je zoekt er tevergeefs naar een opschrift boven de deur dat zou moeten zeggen PER MESI VA TRA LA PERDU-TA GENTE, maar dat gevoel is er desondanks. Na vijf dagen werken met elkaar (dat overigens meer leek op een vakantie­kamp dan een basistraining, begrijp me goed) hebben wij ach­ten, die deel uitmaken van Groep Groen, een wat wankele kennis verzameld inzake die beroepen die we voor ginds hebben uitge­kozen, terwijl ons vertrouwen in de eigen bekwaamheden en geschiktheid om daar te overleven waarschijnlijk gevaarlijk is afgenomen. Maar een paar van de anderen lijken enig oog te hebben voor de narigheid die we ginds van onze voorgangers wellicht mogen verwachten. De meesten zijn eerder geneigd zich zorgen te maken over vertrapt worden door een mammoet of gebeten door slangen ter grootte van een python. Niemand ver­wacht een vijandige menselijke ontvangst door een comité dat begerig staat te wachten op de dagelijkse aanvoer van nieuwe, goed toegeruste reizigers.
    Jij en ik weten of vermoeden dat de aankomsten door de tijdpoort aan de andere kant daar waarschijnlijk zijn geritualiseerd. Hoe dat ritueel vorm heeft gekregen, is een andere zaak. Maar we kunnen nauwelijks verwachten ontvangen te worden als doorgaande reizigers. Of we welkom zullen worden geheten of lijfelijk uitgeschud, valt niet te voorzien. De literatuur biedt een paar speculatieve scenario’s waarvan mijn haren recht overeind gaan staan. De staf in de herberg hier trekt zorgvuldig een neu­traal gezicht, maar geeft ons tegelijkertijd een training in zelf­verdediging. We gaan in twee groepen van vier door de poort, de grotere stukken bagage komen daar achteraan. Dat wordt waar­schijnlijk gedaan omdat het gaan in een groep een zeker gevoel van veiligheid verschaft ofschoon de kortstondige pijn en des­oriëntatie die we uit de gewone overzetting door de subruimte kennen, misschien ook bij het tijdreizen merkbaar is. Dat zou een tactisch nadeel betekenen in de eerste paar minuten na onze aankomst in het Plioceen.
    Jouw grappige speculaties over mijn nieuwe beroep in die primi­tieve wereld heb ik zeer gewaardeerd. Maar aangezien de laatste dinosaurus op zijn minst zestig miljoen jaar voor het Plioceen al was uitgestorven, zal ik waarschijnlijk hun drollen niet meer opvegen. Ik zal dus geen kapitalist worden door de verkoop van antediluviaanse mest. Prozaïsch genoeg zal mijn nieuwe baan doodgewoon in het verlengde liggen van wat tot nu toe mijn hob­by was op het water. Ik zal door visvangst onderweg aan de kost komen terwijl ik de zeeën doorploeg tijdens mijn Queeste en misschien zal ik al doende onderweg wat handel drijven als de gelegenheid zich voordoet. De sloep was veel te modern om mee te mogen nemen naar het Plioceen, ik heb haar dus geruild voor een kleinere trimaran die water of zand in ballast nodig heeft in plaats van kwik. Als dat nodig is kan ik trouwens iets heel sim­pels zelf in elkaar zetten van wat maar voorhanden is. We heb­ben gereedschap bij ons van vitredur, een glasachtig materiaal, hard als edelsteen dat altijd scherp blijft en de eerste tweehon­derd jaar niet desintegreert. Afgezien van mijn scheepsspullen kreeg ik een overlevingsset van de herberg (uiterst indrukwek­kend) en iets dat zij een Klein-gereedschapsset noemen bestaan­de uit werktuigen en voorzieningen van decamole van huishoudelijke aard te zamen met een paar pakjes zaden en een grote bibliotheek met een plank vol ‘doe-het-zelf-boeken over ieder denkbaar onderwerp, variërend van huishoudkunde tot en met destilleren.
    Dat laatste is overigens het keuzeberoep van onze Viking. Hij heeft me in vertrouwen ook toegefluisterd dat als er ginds vraag is naar bijlzwaaiende huurlingen, hij die twee beroepen wil com­bineren.
    Het personage dat ik de Piraat heb gedoopt wil zich ook met alcoholische drank bezighouden, maar meer de wijnen en likeu­ren. Hij en de Viking zijn nu de dikste vrienden, ze brengen al hun vrije tijd door met het achteroverslaan van de duurste drank die de herberg maar kan aanslepen en ondertussen speculeren ze over de kwaliteit van de vrouwelijke vertroosting die ginds voor­handen zou zijn. (Groep Groen heeft wat dat betreft zelf weinig te bieden. Behalve de Non is er een sinistere Maagd-Jageres die volgens de geruchten al moord en doodslag heeft veroorzaakt onder de raadsmannen hier omdat ze dan als recidiviste kans maakte op toelating. Dan is er nog een buitensporig behoedzame Meta Dame die er, althans tot op dit moment, mee tevreden is een van de jongens te spelen.)
    Gisteravond kregen we een fascinerend stukje achtergrond van de Piraat te zien. Zijn broer en zuster kwamen onverwachts opdagen om hem uit te wuiven en dat bleken vlagofficieren te zijn van de hoogste rang. De arme P was er niet gelukkig mee en de Meta Dame veronderstelt nu dat hij zelf een afgedankte ruimtevaarder is. Ik heb zelf een paar uur met hem gewerkt in de omgaan-met-kleine-boten-oefening en hij is handig genoeg als je je niets aantrekt van zijn gemopper. Hij wilde die oefening er perse instampen en het leek mij dat hij een natuurlijk talent heeft om op het water te donderjagen.
    De meeste anderen uit Groep Groen lijken alleen op de wereld te zijn. De Non ontving een langdurig lange-afstandsgesprek van haar zusters uit Noord-Amerika die haar goede reis wensten en eerder op de dag had ze een ontmoeting met een franciscaner in volledig orthodox tenue. Die heeft ongetwijfeld haar voor het laatst de biecht afgenomen of hoe zoiets heten mag. (De monnik kwam aangevlogen in een van die opgevoerde Gambini-eieren met hittevinnen, niet zo’n rustig, donkergrijs ding dat je ver­wacht zou hebben afgaande op de memoires van II Poverello.) De Non is medisch en psychologisch raadsvrouwe geweest en is van plan zich in afzondering terug te trekken. Ik hoop dat het arme mens niet te veel rekent op dienstbare engelen als onze Oude Paleontoloog. Hij is een prima kerel met een flair voor houtbewerking, maar ik durf te wedden dat de ex-Meta gelijk heeft wanneer ze hem classificeert als iemand die eigenlijk dood wil.
    Ik ben het eens met je analyse van de Kleine Grappenmaker. Er moet een grondige, recht-voor-zijn-raap-reden zijn geweest waarom ze hem van zijn wereld hebben gegooid, maar het is doodzonde dat zijn wilde talenten niet in het goede spoor konden worden gedirigeerd ten dienste van het Bestel. Arme kleine ongeborene. Hij heeft zich bij de rest van ons geliefd gemaakt, niet eens zozeer door zijn ellendige gevoel voor humor, maar vooral door zijn fantastische vermogen om uit praktisch niets iets bruikbaars te maken. Hij heeft een grote verzameling beitels van vitredur aangelegd die aan de overkant alleen maar van handvatten voorzien moeten worden om bruikbaar te zijn. Je krijgt het gevoel dat in het Plioceen, als die jongen daar een week of twee is geweest, de industriële revolutie gaat woeden. Hij neemt een hele smidse mee, uitgevoerd in decamole, want smid wil hij worden. En om zijn lichtelijk antieke mecaniciensarbeid te kunnen uitvoeren, heeft hij zich uitgebreide geologische kaar­ten verworven om delfstoffen op het spoor te kunnen komen voor het onwaarschijnlijke geval dat niemand van onze voorgangers daar al mee bezig is geweest.
    Je zult ook wel geïnteresseerd zijn in de eigenaardige sociale structuur van Groep Groen. De stichtster van de herberg was een praktische psychologe van niet geringe kwaliteit en ze reali­seerde zich al snel dat haar cliënten elkanders steun nodig zou­den hebben om de overlevingskansen buiten de poort maximaal te maken. Ze begreep aan de andere kant ook dat de meesten veel te egocentrisch waren om in te stemmen met een of andere vorm van al te voor de hand liggende organisatie. Dus viel mada­me Guderian terug op de oude truc van ‘laat ze samen door de hel gaan, dan worden het wel vriendjes.’ Zoals je weet is dat systeem prima om gevoelens van solidariteit op te roepen bij vrijwel iedereen behalve de meest uitgesproken sociopaten. (En dat gebeurde dus ook, met de te verwachten uitzondering.) Elke dag zijn we bezig geweest tijdens zeer inspannende sessies met elkaar te werken, onderworpen aan buitengewone omstan­digheden waar we gedwongen werden om met elkaar samen te werken ten einde een lastige taak snel tot een goed einde te bren­gen. In een van die lessen hebben we bijvoorbeeld een brug gesla­gen over een vijver van dertig meter breed die vol zat met kroko­dillen. In een andere hebben we een eland gevangen en geslacht en geleerd elk stukje van dat beest te benutten. In een derde hebben we ons verdedigd tegen vijandelijke menselijke overval­lers. Ironisch genoeg is de meest bedreven primitief onder ons de Oude Paleontoloog die naar het schijnt langer dan een eeuw door allerlei wildernissen in het universum heeft gezworven om fos­siele botten te zoeken.
    We kennen elkaar alleen bij de voornaam en hoeven van onze achtergrond niet meer openbaar te maken dan we zelf willen. Zoals je je kunt voorstellen, ontstaat daardoor een mooie marge voor huiskamerpsychoanalyse met de ex-Meta Dame als aan­voerster in dit spel. Ze had mij al op de eerste dag geclassificeerd als Zoekende Minnaar en ik vrees dat ze voor mij een nogal melancholiek einde voorziet, want ze probeert mij voortdurend af te leiden met speculaties over het rollenspel hier in de herberg onder elkaar, de politieke implicaties van Ballingschap en soort­gelijke antropologische vermakelijkheden. Denk jij ook dat ik verdoemd ben, Varya. Ik niet, weet je? Ik kreeg vandaag laat een telefoontje uit Londen. Dat waren Kaplan en Djibutunji en Hildebrand en Catherwood, God zegene hun botten, om mij vaarwel te zeggen. Tante Helen stuurde een briefje, maar die is langzamerhand aardig dement sinds ze haar verjonging heeft geweigerd.
    Jouw lieve brief kwam bij de ochtendpost. Ik hoef je niet te ver­tellen hoezeer ik het op prijs stel dat jij door wilt gaan met het verbindingscomité. Het is het enige karwei dat ik niet graag onafgemaakt achter zou laten. De uiteindelijke verbanden tus­sen al dat materiaal van voor de Rebellie zijn nog niet echt gevonden, maar ik voel aan dat Alicia en Adalberto daar wel weg mee weten.
    Zo kom ik dan ten slotte aan mijn afscheidswoorden toe. Varya, ik wilde dat ik wat eleganter en fraaier wist te schrijven. Ik ben een onverteerbare kerel. Mijn opzichtige handeling zal voor zichzelf moeten spreken. Wat je ook doet, treur niet. Mijn enige hoop op geluk ligt aan de andere zijde van de tijdpoort naar Ballingschap en ik moet het risico nemen. Herinner je de jaren die we als geliefden hebben doorgebracht, als vrienden en colle­ga’s. Weet dat ik blij ben dat dat allemaal gebeurde. Geluk en vreugde voor jou, mijn Zeer Geliefde.
    voor altijd BRY

18

    Toen het laatste avondmaal met zijn wonderlijke verscheiden­heid van aangevraagde menu’s eindelijk voorbij was, namen de leden van Groep Groen hun glazen mee naar de terrassen waar ze zich instinctief apart hielden van de overige gasten. Hoewel het pas tegen half negen liep, begon de hemel boven Lyon al duister te worden toen de wekelijkse storm zich volgens plan begon op te bouwen. In het noorden kondigden roze lichtflitsen de komende donderslagen al aan.
    ‘Je kunt voelen hoe de statische energie toeneemt!’ riep Elizabeth uit. ‘Zelfs zonder mijn metafuncties kun je de ionisatie voe­len als er een echt grote storm op komst is. Alle zintuigen worden aangescherpt. Ik begin me zo helder te voelen dat ik het nauwe­lijks kan uithouden! Condensator Aarde is zich aan het opladen en ik doe mee. Nog een paar minuten en ik ben in staat om bergen te splijten!’
    Ze keerde haar gezicht naar de toenemende wind, haar lange haren golfden naar achteren en het rode spijkerpak kleefde aan haar lichaam. De eerste echo’s van de verre donder rolden door de hemel.
    Felice sloeg een sloom toontje aan. ‘Is het je eerder gelukt om bergen te bewegen?’
    ‘Niet echt. Echt omvangrijke psychokinetische krachten komen onder meta’s erg zelden voor, ze zijn bijna even zeldzaam als werkelijke creativiteit. Mijn PK-vermogen was net goed voor een paar huiskamerkunstjes. Ik was gespecialiseerd in vérspre­ken, de zoveel bejubelde telepathische vermogens. Maar eigen­lijk zou ik vérvoelend moeten worden genoemd, want de gezichts- en gehoorsfuncties zijn erbij inbegrepen. Ik was boven­dien werkzaam in Herstelling, dat is het therapeutische en ana­lytische vermogen dat onder gewone mensen bewustzijnsveran­dering wordt genoemd. Mijn echtgenoot bezat soortgelijke ver­mogens. We hebben veel samengewerkt bij het trainen van jonge kinderen bij hun eerste moeilijke stappen op weg naar de meta­fysische Eenheid.’
    ‘Ze wilden dat ik zo iemand werd,’ zei Felice, haar stem trillend van afkeer. ‘Ik zei hun dat ik nog liever doodging. Ik begrijp niet hoe jullie meta’s het kunnen volhouden zo rond te kruipen in de geesten van andere mensen. Met altijd een andere meta in de buurt die je eigen geheimste gedachten kan lezen. Het moet ver­schrikkelijk zijn om nooit alleen te wezen. Je nooit te kunnen verbergen. Ik zou gek worden.’
    ‘Daar lijkt het helemaal niet op,’ zei Elizabeth vriendelijk. ‘Wat meta’s onder elkaar betreft. . . Het bewustzijn bestaat uit heel wat verschillende lagen. Draagvelden, noemen wij ze. Je kunt met veel mensen tegelijk spreken in beeldvormen, of op een korte afstand waarbij je woorden overbrengt. Dan is er nog een intie­me draaggolf, waarop je alleen van gedachten wisselt met één persoon. En daar beneden liggen allerlei bewuste en onbewuste lagen die met de juiste mentale technieken kunnen worden afge­schermd. Alle meta’s leren die wanneer ze nog jong zijn. We hebben onze privé-gedachtenwereld, net als iedereen. Het merendeel van onze telepathische communicatie is niets meer dan een vorm van stemloze spraak aangevuld met beeldprojec­tie. Je zou het kunnen vergelijken met elektronische audiovisuele hulpmiddelen, maar dan zonder dat er elektromagnetische stra­ling aan te pas komt.’
    Felice zei: ‘Er zijn Diepte-Herstellers die tot iemands meest geheime gedachten kunnen doordringen.’ ‘Dat is waar. Maar dan is er bijna altijd een arts-patiëntrelatie. De patiënt geeft bewust zijn toestemming voor het onderzoek. En zelfs dan kan een bepaalde barrière zo sterk zijn dat de the­rapeut er met geen mogelijkheid in doordringt, hoezeer de patiënt ook bewust bereid is om mee te werken.’ ‘Ja, ja,’ zei Stein. Hij tilde zijn grote bierglas omhoog en hield het voor zijn gezicht.
    Felice hield vol. ‘Ik weet dat meta’s geheime gedachten kunnen lezen. Soms nam de trainer van ons team Herstellers mee om aan de slag te gaan met jongens die ineens niets meer presteer­den. De meta’s pikten er zo de lui uit die over hun toeren waren. En je maakt mij niet wijs dat die arme donders bewust die zieleknijpers toestemming gaven ergens achter te komen waardoor ze ontslagen zouden kunnen worden.’
    Elizabeth zei: ‘Een niet-getraind individu, die geen meta is, ver­schaft langs niet-verbale weg allerlei informatie over zichzelf zonder zich dat bewust te zijn. Je zou dat kunnen zien als een soort mentaal gemompel. Heb jij nooit naast iemand gestaan die in zichzelf zat te praten of te mompelen? Wanneer iemand bang is of boos of heel hard bezig een moeilijk probleem op te lossen of zelfs wanneer hij seksueel opgewonden raakt, dan worden zijn gedachten… luider. Zelfs zij die deze vermogens niet hebben, vangen daar soms de trillingen van op in de vorm van beelden of sterke emotionele gevoelens. Hoe beter de Hersteller, hoe beter hij wijs kan worden uit die mesjokke hutspot die door menselijke breinen wordt uitgezonden.’
    Bryan vroeg: ‘Is er wel een manier waarop een gewoon mens een bewustzijnslezer buiten kan sluiten?’
    ‘Natuurlijk. Oppervlakkig geprik gaat zelfs tamelijk makkelijk. Je moet alleen je eigen mentale uitzendingen goed in de hand houden. Wanneer je het gevoel hebt dat iemand werkelijk in je aan het spitten is, denk dan een heel neutraal beeld, bijvoorbeeld een groot, zwart vierkant. Of doe een paar simpele oefeningen, zolang je maar niet hardop spreekt. Tellen van een tot vier bij­voorbeeld, steeds maar opnieuw. Of zing inwendig een of ander stomvervelend lied. Dat houdt iedereen, behalve de allerbesten, buiten de deur.’
    ‘Ik ben blij dat je op dit moment mijn geest niet kunt lezen, liefje,’ kwam Aiken Drum ertussen, ‘want dat is een moeras vol pure troep. Ik ben zo doodsbenauwd om door die tijdpoort te gaan dat al mijn dappere rode bloedlichaampjes ervan verslijmen! Ik heb geprobeerd de benen te nemen. Ik heb mijn raadslie­den zelfs beloofd mijn leven te beteren met hun hulp als ze me lieten blijven. Maar niemand wou me geloven!’ ‘Daar begrijp ik niks van,’ zei Bryan.
    Een rosse lichtflits sprong van wolk naar wolk boven de heuvels, maar toen het geluid erachteraan kwam, klonk dat gedempt en onvoldoende alsof er op een gescheurd trommelvel werd gesla­gen.
    Aiken vroeg aan Elizabeth: ‘Hoe is het met het ballonvaren gegaan, schatje?’
    ‘Ik heb alles erover in mijn kop gepropt hoe je zo’n ding van plaatselijk materiaal zou moeten maken. Gedroogd vissevel voor de ballon zelf, het vlechten van de mand, het maken van touw­werk uit schors. Maar echt geoefend heb ik in een van deze din­gen.’ Ze haalde een pakketje uit haar schoudertas dat de maat had van twee flinke bakstenen. ‘Opgeblazen komt dit vijf verdie­pingen hoog, helemaal dubbelwandig en semi-bestuurbaar. Knalrood, net als mijn kleren. Er zit een krachtbron in die hete lucht aanvoert. Maar die houdt het niet veel langer uit dan enke­le vluchtweken, dus ik zal op een gegeven ogenblik op houtskool moeten overgaan. Het maken daarvan is een ellende. Maar het is de enige antieke brandstof die beschikbaar is, tenzij ik ergens echte steenkool kan vinden.’
    ‘Geen punt, pop,’ zei Aiken. ‘Blijf maar bij mij en m’n minerale kaarten in de buurt.’
    Stein lachte verachtelijk. ‘En hoe wou je dat spul gaan delven? Sneeuwwitje en de zeven dwergen inhuren? De dichtstbijzijnde steenkool moet een honderd kilometer noordelijker zitten, in de buurt van Le Creuzot of Montceau en dat zit een duivels end onder de grond. Zelfs als je er zonder springstof bij zou kunnen, hoe zou je het spul dan mee willen nemen tot waar je er wat aan hebt?’
    ‘Nou goed, dan heb ik nog een paar weekjes nodig om de details uit te werken,’ blafte Aiken terug.
    ‘Er zouden nog andere steenkoolafzettingen dichterbij moeten zijn,’ zei Majewski. ‘Die moderne kaarten van jou zijn bedrieg­lijk, Aiken. Ze laten de lagen en de afzettingen zien zoals die nu bestaan, in de 22e eeuw, niet zoals ze zes miljoen jaar geleden waren. Er waren kleine, oorspronkelijk van moerassen afkomstige steenkoolbassins over het hele Centrale Massief en één echte grote afzetting bij Saint-Etienne, maar die waren allemaal leeg tegen het einde van de 20e eeuw. Terug in het Plioceen hoef je misschien maar een paar kilometer naar het zuiden om zomaar wat voor het oprapen te hebben. Zoek in de buurt van een vul­kaan en je zou geluk kunnen hebben.’ ‘Ik zou maar niet beginnen aan Pliocene Mijnbouw & Co., tot je de omgeving goed hebt gezien,’ adviseerde Richard Aiken met een zure grimas. ‘De jongens daar konden er zo wel es hun eigen ideeën over hebben als wij ons hun natuurlijke hulpbronnen toe­eigenden.’
    ‘Dat is heel goed mogelijk,’ bevestigde Bryan. ‘We zouden hen ervan kunnen overtuigen ons mee te laten delen,’ zei Felice. Ze glimlachte. ‘Op de ene manier of de ande­re.’
    De non zei: ‘We zouden ook kunnen proberen conflicten te voor­komen door naar een nog niet bewoond gebied te gaan.’ ‘Ik denk niet dat dat de stijl van Felice is,’ zei Aiken. ‘Ze ziet wel uit naar een beetje lol en wat spelletjes, of niet baby?’ Landry’s bleke, gekroesde haar stond op haar hoofd als een opgeladen ronde wolk. Ze droeg weer die eenvoudige lange jurk met het split opzij. ‘Waar ik ook op uit ben, ik zal het wel vinden. Op dit moment ben ik alleen nog uit op iets te drinken. Wie doet er mee?’ Ze wandelde terug naar de herberg, gevolgd door Stein en Richard.
    iemand zou die twee eigenlijk moeten vertellen dat ze hun tijd verspillen,’ mompelde de oude man.
    ‘Arme Felice,’ zei Amerie. ‘Wat heeft dat kind een ironische naam voor iemand die zo doodongelukkig is. Die agressieve hou­ding is enkel een harnas, net als dat hockey-uniform.’ ‘En daaronder huilt ze alleen maar om liefde?’ vroeg Elizabeth, haar ogen bijna gesloten en met een vaag glimlachje om haar lippen. ‘Wees voorzichtig, Zuster. Dat is er zeker eentje die gebeden nodig heeft, dat is waar. Maar ze is eerder een zwart gat dan een zwart schaap.’
    ‘Die ogen, alsof ze je levend willen opvreten,’ zei Aiken. ‘Daar scharrelt iets verdomd onmenselijks in rond.’ ‘En niet eens gewoon lesbisch,’ zei Majewski. ‘Voorde rest heb je zwaar gelijk.’
    ‘Dat is wreed en cynisch om te zeggen, Claude!’ riep de non uit. ‘Je weet helemaal niets van haar achtergronden, niets over wat haar geest zo gewond heeft. Je praat over haar alsof ze een soort monster is terwijl ze alleen maar een pathetisch trots kind is dat nooit heeft geleerd hoe ze moet liefhebben.’ Ze haalde diep adem. ‘Ik ben niet alleen non, maar ook arts. Ik heb gezworen de lijdenden te helpen. Ik weet niet of ik Felice kan helpen, maar ik ga het in elk geval proberen.’
    Een windvlaag lichtte haar sluier op en ze rukte hem ongeduldig met een krachtige hand weer op zijn plaats. ‘Blijf niet te laat op, jongens. De ochtend kruipt al op ons af.’ Ze haastte zich het terras af en verdween in de donker geworden tuin. ‘Zou het de non misschien kunnen zijn die gebeden nodig heeft?’ vroeg Aiken zich giechelend af.
    ‘Houd jij je bek!’ blafte Claude. Toen zei hij: ‘Sorry, jong. Maar jij moet leren een beetje op je woorden te passen. We zullen genoeg moeilijkheden gaan krijgen zonder jou.’ Hij keek naar de hemel waar een lange en krachtige lichtflits over de oostelijke heuvels naar beneden sprong. ‘Het onweer nadert. Ik ga ook naar bed. Wat ik zou willen weten is wie er verdomme zulk weer bestelt als afscheid.’
    De oude man liep weg en liet Elizabeth, Aiken en Bryan achter die hem nastaarden. Drie achtereenvolgende donderslagen gaven aan zijn vertrek een potsierlijk theatraal tintje, maar nie­mand van de mensen op het terras had nog zin om te lachen. ‘Ik heb je nooit verteld, Aiken,’ begon Elizabeth ten slotte, ‘hoe mooi ik je kostuum vind. Je had gelijk. Het is het meest specta­culaire van de hele herberg.’
    De kleine man begon met zijn vingers te knippen en zijn hakken te klakken, als een flamencodanser ronddraaiend en poserend. De bliksem verlichtte het los om hem heen hangende kleding­stuk. Wat eruitzag als puur goud bestond in werkelijkheid uit een kostbaar weefsel, gemaakt van de voelsprietdraden van de Franconiaanse mossel, beroemd om zijn schoonheid en sterkte. Overal op de mouwen en pijpen van het pak zaten zakken; zak­ken bedekten het borststuk, de schouders en de heupen. Er was één hele grote op de rug met een opening van onderen. Op zijn gouden schoenen zaten zakken. Zijn riem had zakken. Zelfs de gouden hoed, waarvan de veer vrolijk naar rechts overhing, had een band vol kleine zakjes. En iedere zak, groot of klein, bevatte een instrument of een stuk gereedschap of een opblaasbaar voor­werp van decamole. Aiken Drum was een wandelende ijzerwin­kel, aangekleed als een idool van goud.
    ‘Koning Arthur zou jou meteen ridder Knobbel noemen,’ zei Elizabeth en legde Bryan uit, ‘hij is van plan als een soort Pliocene yankee uit Connecticut door het leven te gaan.’ ‘Je zult in elk geval geen zonne-eclips nodig hebben om de aan­dacht te trekken,’ zei de antropoloog. ‘Het pak alleen is al genoeg om de boerenbevolking stomverwonderd te laten staan. Maar is het niet een beetje opvallend wanneer je het land wilt gaan verkennen?’
    ‘In die grote zak om mijn rug zit een camouflageponcho.’ Bryan lachte. ‘Merlijn zal geen schijn van kans hebben.’ Aiken keek toe hoe de stadslichten van Lyon zwakker werden en ten slotte verdwenen, terwijl de naderende storm een gordijn van regen over de vallei trok. ‘De Connecticut-yankee moet zich in het verhaal meten met Merlijn, zo was het toch? Moderne tech­nologie tegen tovenarij. Wetenschap tegen het bijgeloof van de duistere Middeleeuwen. Ik kan me van het boek niet zoveel meer herinneren. Ik las het op de Dalradia toen ik nog maar dertien was en ik was nogal ontevreden over Twain dat hij zoveel ruimte gebruikte voor halfbakken filosofie in plaats van actie. Hoe liep het eigenlijk af? Ik ben het compleet vergeten! Ik denk dat ik de computer om tekst ga vragen voor het slapen gaan.’ Hij gaf Bryan en Elizabeth een knipoog. ‘Misschien mik ik wel wat hoger dan ridder Knobbel!’ Hij slipte weg naar de herberg. ‘Toen waren er nog maar twee,’ zei Bryan. Elizabeth dronk haar Rémy Martin op. Ze deed hem op nogal wat manieren aan Varya denken—bedaard, intelligent en scherpzinnig, maar altijd met de luiken dicht. Ze straalde afstandelijke kameraadschap uit en geen greintje seks. ‘Jij zult niet lang bij Groep Groen blijven, of wel, Bryan?’ merk­te ze op. ‘Alle anderen hebben in de afgelopen dagen al een onderlinge afhankelijkheid opgebouwd, maar jij niet.’ ‘Jij merkt ook alles. Weet je wel zeker dat je metafuncties ver­dwenen zijn?’
    ‘Niet verdwenen,’ antwoordde ze, ‘maar het komt op hetzelfde neer. Na die hersenbeschadiging zijn ze in een latente staat over­gegaan. Al die vermogens zijn er nog, maar onbereikbaar. Opge­borgen in de rechterhelft van mijn hersens. Sommigen worden er op die manier mee geboren. Bij anderen zijn ze werkzaam, zoals wij dat noemen en zij kunnen ermee werken, wanneer ze tenmin­ste in hun jeugd de juiste opleiding krijgen. Die training is goed te vergelijken met het ontwikkelen van het spraakvermogen. Op Denali had ik met die opleiding veel te maken. Het gebeurde maar uiterst zelden dat we bij iemand met latente vermogens die alsnog werkzaam konden maken, maar het gebeurde wel. Bij mij ligt dat anders. Ik heb misschien nog een theelepeltje grote her­senen over. Van het oorspronkelijke, bedoel ik. De rest is ver­nieuwd. Ik ben er weer mens door geworden en een specialist heeft me zelfs mijn persoonlijke herinneringen terugbezorgd. Maar om een of andere onbekende reden overleven de psychi­sche vermogens maar zelden een werkelijk omvangrijk hersen­letsel.’
    ‘Wat is er gebeurd, als je het niet erg vindt dat ik ernaar vraag?’
    ‘Mijn man en ik kwamen in een tornado terecht terwijl we boven Denali vlogen. Het is een kleine, lieve wereld met af en toe de meest barre weersomstandigheden uit het hele universum. Lawrence was direct dood. Ik lag helemaal in stukjes, maar die hebben ze weer bij elkaar gebracht. Op die psychische vermo­gens na.’
    ‘En is het verlies daarvan zo ondraaglijk dat je . ..’ begon hij. Vervolgens vloekte hij en bood zijn excuses aan.
    Maar zij bleef kalm, zoals altijd. ‘Voor een niet-meta is zo’n verlies nauwelijks te begrijpen. Vergelijk het met blind, doof en stom worden. Vergelijk het met een complete verlamming. Ver­gelijk het met het verlies van je mannelijkheid of een afschuwe­lijke verminking. Voeg al die ellende bij elkaar en dan is het bij elkaar nog niet genoeg. Als je dat eenmaal hebt gekend en het dan kwijt raakt. .. Maar ik begrijp dat jij ook iets hebt verloren, Bryan. Misschien kun jij daarom een beetje begrijpen wat ik voel.’
    ‘Iets verloren. Misschien is dat wel de goede manier om het uit te drukken. God mag weten dat er geen logica schuilt in de manier waarop ik voel over Mercedes.’
    ‘Waar wil je haar gaan zoeken? Wanneer de anderen in het Plioceen niet weten waar ze heen is gegaan?’ ‘Ik heb alleen maar mijn instinct. Ik zal Bretagne eerst proberen, ten slotte is ze van Bretonse afkomst. Daarna Engeland, het Brittannië van toen. En ik zal een boot nodig hebben omdat nie­mand weet of het Kanaal toen droog land was of niet. Het schijnt dat de zee rare sprongen maakte in het begin van het Plioceen. Maar ik zal Mercy in elk geval vinden, waar ze ook heen is gegaan.’
    En wat zal ik vinden in mijn prachtige ballon, vroeg Elizabeth zich af. En zal het er iets toe doen? Zal de wereld van Balling­schap minder leeg lijken dan deze?
    Misschien was het anders geweest als zij en Lawrence kinderen hadden gewild... maar dat zou hun werk in de weg hebben gestaan en daarom hadden ze besloten dat achterwege te laten. Ze vonden hun vervulling in hun wederzijdse liefde die voor het hele leven gold zoals bij de meeste meta’s. Ze wisten dat als een van hen stierf, altijd nog de Eenheid overbleef, de miljardvoudige omhelzing van al die bewustzijnen binnen het Galaktische Bestel.
    Zo had het moeten zijn ...
    De eerste grote regendruppels kletterden op de bladeren van de platanen. Blauwwitte lichtflitsen verlichtten de hele vallei en de donder leek de bergen tot in hun wortels te schudden. Bryan greep Elizabeths hand en trok haar door de glazen deur de grote salon binnen, een paar seconden voor het werkelijke noodweer losbarstte.

19

    De vroege ochtend was kil, grijze wolken schoven zuidwaarts alsof ze te laat waren voor een afspraak met de Middellandse Zee. De Rhönevallei was gevuld met mist. In de grote salon was een klein houtvuur aangestoken en daar kwamen al de leden van Groep Groen na het ontbijt bijeen. Iedereen droeg zijn eigen bagage en was al gekleed voor de rol die hij ginds wilde vervul­len. De grote stukken bagage waren hen al vooruitgegaan naar het terrein van de tijdpoort. Richard en Stein fluisterden samen terwijl ze in de zwakke vlammetjes staarden. Amerie, met een halve glimlach om haar mond, liet haar vingers langs de kralen van haar houten rozenkrans glijden. De anderen stonden apart en wachtten af.
    Precies om vijf uur kwam raadsman Mishima de grote trap af van de entresol en wenste iedereen ernstig goedemorgen. ‘Wilt u mij volgen?’
    Ze pakten hun spullen op en liepen in een rij uit de salon, over het terras, door de doorweekte tuinen waar plassen water op de tegels stonden en de rozeknoppen gescheurd en geknikt door de storm naar beneden hingen.
    Vanaf de balkons van het grootste gastenverblijf kon men over de tuinen kijken. Daarboven, achter de glazen deuren, waren vaag gezichten te zien die hen nakeken—precies zo hadden zij­zelf anderen gadegeslagen wanneer die in een kleine processie van acht personen voorafgegaan werden door één enkele raads­man. Ze hadden zigeuners gezien en kozakken, woestijnnoma­den en voortrekkers, Polynesiërs met veren op hun capes, krij­gers met kruisbogen, zwaarden en assegaaien; er waren Ger­maanse marcheerders geweest in leren broeken, in het wit gekle­de en gebaarde profeten, kaal geschoren Oosterse monniken, Amerikaanse pioniers met grote hoeden, cowboys, fetisjisten in de wonderlijkste uitrustingen en verstandig uitziende mensen in spijkerbroek of tropenpak. De reizigers die deel uitmaakten van die vroege ochtendparades waren door de tuinen gelopen in de richting van een oud huis, overschaduwd door moerbeibomen, waarvan het witte stucwerk en het hout half verdween onder klimmende wijnranken. Madame Guderians kanten gordijnen hingen nog altijd voor de ramen en haar roze en witte geraniums stonden te bloeien in hun aardewerkpotten vlak naast de grote voordeur. De acht gasten en de raadsman zouden het huis bin­nengaan en de deur zou zich achter hen sluiten. Na verloop van een half uur zou de raadsman alleen weer naar buiten komen. Bryan Grenfell stond achter raadsman Mishima toen deze het huis van Guderian met een ouderwetse koperen sleutel opende.
    Een grote, rossige kat zat op een droge plek onder het struikge­was en keek hen met sardonische gouden ogen aan. Grenfell knikte ernaar terwijl hij naar binnen stapte. Je hebt heel wat van ons deze weg zien gaan, nietwaar monsieur le Chat? En hoevelen daarvan hebben zich net zo gebruikt en oud en gek gevoeld als ik nu, ook al zijn we te koppig om terug te keren? Daar ga ik dan, in mijn handige tropenuitrusting en een knapzak vol kleine nood­zakelijkheden en hoogwaardig voedsel, gewapend met een wan­delstok met een stalen knop en een klein werpmes weggestoken in mijn linker ondermouw en Mercy’s geliefde portret met haar dossier in mijn borstzak. Daar ga ik dan, de diepste kelder in. ..
    Stein Oleson moest zich bukken om door de deur te kunnen en liep daarna behoedzaam door de hal, bang om madame Guderians kostbare koperen klok omver te gooien of met de gekrulde horens van zijn vikinghelm een antiek bibelot of koperen kande­laar van de muren te halen. Stein begon het steeds moeilijker te vinden zich stil te houden. Iets binnen in hem probeerde zich groot te maken en wilde schreeuwen, brullen, lucht geven aan een geweldige bulderlach die de rest van de groep zou doen terugdeinzen alsof ze voor een roodheet fornuis stonden. Hij voelde zijn mannelijkheid onder de kilt van wolfshuid tot leven komen, zijn voeten wilden springen en vertrappen, de armspie­ren jeukten om de strijdbijl te zwaaien en de met vitredur bedek­te speer te richten die hij aan zijn wapenrusting had toegevoegd. Spoedig! Spoedig! Dan zou die knoop in zijn darmen losraken, zijn vurige bloed zou hem tot heldendom drijven en de vreugde daarvan zou zo groot zijn dat hij wel eens aan de overmaat ervan zou kunnen sterven.
    Richard Voorhees volgde Stein voorzichtig de kelders in. Zijn zware, omgevouwen scheepslaarzen voelden vreemd aan op de uitgesleten treden. Hij had het vermoeden dat hij straks maar beter kon overgaan op de veel makkelijker gymnastiekschoenen die hij ook bij zich had, zodra ze ginds waren en erop uittrokken voor een eerste verkenning. Praktische zaken hadden voorrang op spelletjes! Het geheim van het succes, hield hij zichzelf voor, zou berusten in snelle aanpassing aan de plaatselijke machtsver­houdingen. Zodra hij zijn destilleerderij aan de gang kreeg (met Stein en misschien Landry in de buurt om de bevolking daar op een afstand te houden), had hij een goede economische basis om naar meer politieke invloed te streven. Hij glimlachte bij voor­baat en maakte de heupband van zijn rugzak zorgvuldig vast zodat de randen van zijn wambuis niet kreukelden. Hadden sommige van die oude zeerovers soms geen kans gezien zichzelf als een soort koningen in het jonge Amerika te vestigen? Jean Lafitte, Bloody Morgan en zelfs Blauwbaard. Wat dacht je van Richard Voorhees als de koning van Barataria? Hij grinnikte hardop bij die gedachte, helemaal vergetend dat zijn kostuum niet had toebehoord aan een boekanier, maar aan een heel ander soort zeevaarder.
    Felice Landry keek toe hoe raadsman Mishima bezig was met het ingewikkelde slot van de kelderdeur. Ten slotte zwaaide de deur log open en traden ze de oude wijnkelder binnen; het was er vochtig en schimmelig en het rook vaag naar een overmaat aan ozon. Ze staarde naar de machine, die onwaarschijnlijke poort naar de vrijheid en klemde haar nieuwe kruisboog tegen haar zwart bepantserde boezem. Ze trilde en was misselijk en moest al haar wilskracht gebruiken om te voorkomen dat ze zichzelf op dit grootse moment geen schande aandeed. Voor de allereerste keer sinds haar vroege kindertijd waren haar wimpers binnen de T-vormige opening van de Griekse helm, kleverig van tra­nen ...
    ‘U wordt overgebracht in groepen van vier, zoals ik al eerder heb gezegd,’ zei raadsman Mishima. ‘De extra bagage volgt na een interval van vijf minuten. Staat u dan dus klaar om die bagage uit het tau-veld te halen. Als nu de eerste vier hun plaats willen innemen…’
    Elizabeth Orme keek emotieloos toe hoe Bryan, Stein, Richard en Felice dicht opeen binnen het latwerk van de machine kropen en toen doodstil stonden. Ze hebben allemaal hun plannen gemaakt, dacht ze, behalve ik. Ze hebben een doel, ontroerend, vermakelijk of idioot. Maar ik stel me ermee tevreden in mijn rode ballon over de wereld van Ballingschap te glijden, kijkend naar al de mensen en de dieren beneden me, luisterend naar de wind en de schreeuw van vogels, het stuifmeel ruikend en de hars uit de bossen en de rook van branden in de weiden. Ik zal pas naar beneden komen wanneer ik voel dat de Aarde weer werke­lijkheid voor me wordt en ikzelf weer heel ben. Als dat ooit gebeurt. ..
    Spiegelende wanden kwamen te voorschijn toen Mishima de knop omdraaide. De eerste vier mensen waren op weg. Aiken Drum, wiens gouden pak honderdvoudig glinsterde onder de kelderlichten, stapte impulsief naar voren.
    ‘Verdomme! Is dat alles? Het verbruikt niet eens genoeg energie om de lampen te laten dimmen!’ Hij bestudeerde de wijnrank­achtige kabels die uit de aangestampte aarden vloer leken te groeien en die in de hoogte van het gewelfde plafond verdwenen. Mishima waarschuwde hem niets aan te raken en Aiken maakte een geruststellend gebaar. Maar hij moest het van dichterbij bekijken. Het glasachtige buiswerk werd doorschoten met vaag bewegende patronen die zich op de grens van de zichtbaarheid bewogen. Op de kruisingen van de latwerkachtige constructie ontstonden kleine puntjes van onbeweeglijk licht dat van heel ver leek te komen.
    ‘Hoe lang duurt het om van hier naar daar te komen?’ vroeg Aiken, ‘of moet ik zeggen van nu naar toen?’ ‘Volgens de theorie geschiedt de transmissie ogenblikkelijk,’ antwoordde Mishima. ‘We handhaven het veld ondanks dat toch een paar minuten uit veiligheidsoverwegingen. Ik moet erbij zeg­gen dat in de vier jaren sinds wij het werk van madame Guderian hebben overgenomen, de tijdreizigers nooit een ongeluk is over­komen.’
    ‘Raadsman,’ zei Aiken, ‘ik zou nog één ding meer mee willen nemen naar Ballingschap. Kunt u me een beschrijving of een diagram van dit ontwerp geven?’
    Zonder een woord te zeggen, deed Mishima de eikehouten kast open en haalde een boekje te voorschijn. Het was duidelijk dat andere reizigers hetzelfde verzoek hadden gedaan. Aiken kuste het triomfantelijk en borg het daarna weg in de grote zak onder de rechterknie van zijn glanzende pak.
    Mishima liep naar het controlebord en zette de schakelaar uit. De spiegelwanden verbleekten. De machine was leeg. ‘Ze zijn veilig door het portaal gegaan. De rest kan nu naar binnen gaan.’
    Claude Majewski hief zijn pak van twintig kilo op en stapte als eerste naar binnen. Oude Man, je bent gek, zei hij tegen zichzelf, maar toen moest hij glimlachen omdat hij hoorde hoe Gen dat zou hebben gezegd. Gehoorzamend aan een plotselinge impuls haalde hij de besneden en ingelegde doos van Pools hout te voor­schijn. Zou er echt buiten die poort zoiets als de wereld van het Plioceen bestaan? Of is het allemaal een grote truc en stappen we door die glazen wanden rechtstreeks in de dood? Oh, Gen, blijf bij me. Waar ik ook ga . ..
    Zuster Annamaria Roccaro ging als laatste naar binnen, veront­schuldigend glimlachend tegen Aiken Drum toen ze zich tegen hem aandrong en in zijn zakken al dat harde gereedschap voelde dat door de stof van haar habijt heen drukte. Aiken was bijna een hoofd kleiner dan de stevige non, bijna zo klein als Felice, maar bij lange na niet zo kwetsbaar. Hij zou het wel overleven, die Aiken Drum. Moge het ons anderen net zo vergaan. En nu, Moe­der van God, hoor mijn oud gebed: Salve Regina, mater misericordiae; vita, dulcedo, et spes nostra, salve. Ad te clamamus, exsules, filii Hevae. Ad te suspiramus, gementes et flentes in hac lacrimarum valle. Eia ergo, advocata nostra, illos tuos misericordes oculos ad nos converte. Et Jesum, benedictum fructum ven­tris tui, nobis post hoe exilium ostende... Mishima haalde de schakeling over.
    Daar was de pijn van de transmissie en met een soort klap werden ze in het grijze niets geworpen. Zonder adem of hartslag hingen ze schreeuwend in de stilte. Toen voelden ze plotselinge warmte en ze openden hun ogen voor een verblindend schijnsel van groen en blauw. Handen grepen hen beet, stemmen maan­den hen om uit het krachtveld te stappen, iets naar voren, voor het veld zou worden opgeheven, om binnen te treden in Balling­schap.

II
De inwijding

1

    ‘Vooruit, beste jongen, kom es mee. Een beetje meer naar voren. Wij zijn de bewakers van de tijdpoort. We zijn hier om je te helpen. Kom maar. Je voelt je nu lamgeslagen, maar dat gaat snel over. Ontspan maar en ga met me mee. Je bent veilig in Ballingschap aangekomen. Je bent veilig, hoor je me? Komaan. We gaan allemaal naar kasteel Doortocht. Daar kun je je gemak nemen. We praten wat en je krijgt antwoord op al je vragen. Kom maar.’
    Toen de pijn minderde en zijn zintuigen weer begonnen te wer­ken, werd Bryan zich allereerst bewust van die hinderlijke stem en het schitterende licht. Wat een afschuwelijke zeurstem! En wat een verblindend licht! Hij was zich ervan bewust dat iemand hem bij de rechterpols en bovenarm vasthield, een wazige figuur die niet helder wilde worden. Een ander leek zijn kleren te stof­zuigen met een soort machine die hij in de hand hield. Daarna werd hij gedwongen om te lopen. Hij keek naar zijn voeten en kon ze heel goed zien, een paar varkensleren schoenen met geruwde zolen, die eerst over vochtig graniet liepen en daarna over dik, kletsnat gras dat gemaaid was of kort geknipt. Made­liefjes onder zijn voeten. Een vlinder met zebrastrepen en een lange gevorkte staart hing bewegingloos boven de met dauw bedekte begroeiing.
    ‘Wacht even,’ mompelde hij. ‘Stop.’ Het aanhoudende getrek aan zijn arm hield op en hij kreeg de kans even stil te staan en om zich heen te zien. De net opgekomen zon scheen over een uitge­strekt oppervlak van groen tafelland dat verder omhoog, waar het droger was, goudkleurig leek. Tanzania? Nebraska? Dorubezh? Frankrijk.
    Dichterbij stonden rondgesleten rolstenen van een kristalstruc­tuur die gebruikt waren om een pad te markeren dat naar een eigenaardig onopvallende vorm leidde die als een fata morgana in de lucht hing. Mannen, allemaal hetzelfde gekleed in witte tunieken en broeken, een blauw koord om hun middel, stonden bij Richard, Felice en Stein. Verscheidene anderen stonden te wachten op de aankomst van de overige vier leden van Groep Groen. Het krachtveld schemerde uit. Bryan weigerde verder te lopen tot het veld opnieuw verscheen met vier nieuwe menselijke figuren die door de wachters haastig werden weggeleid naar open terrein.
    ‘Alles veilig, jongen. Kom maar met me mee. De anderen zijn al op weg.’
    Bryan kwam erachter dat die ordinaire stem toebehoorde aan een magere, diep gebruinde man met grijsblond haar, wiens lan­ge neus iets scheef stond. Hij had een opvallende adamsappel en droeg een gevlochten halsring van donker metaal, ongeveer zo dik en rond als een vinger, die met ingewikkelde kleine tekens was bedekt en aan de voorkant een soort knopsluiting had. Zijn tuniek, zo te zien van fijn gesponnen wol, had een vlek van gemorst voedsel. Op de een of andere manier stelde dat detail Bryan op zijn gemak. Hij verzette zich niet toen de man hem weer langs het pad begon voort te trekken. Ze bestegen een kleine heuvel die een paar honderd meter van de tijdpoort verwijderd lag. Terwijl zijn geest weer helder werd, raakte hij opgewonden bij het zien van een stenen fort van tame­lijk grote afmetingen dat op de top naar het oosten geplaatst stond. Het leek niet op de sprookjeskastelen uit Frankrijk, maar eerder op de simpeler bouwwerken uit zijn Engelse thuisland. Afgezien van de afwezigheid van een slotgracht, leek het op Bodiam in Sussex. Toen ze dichterbij kwamen, zag Bryan dat het omringd was door een buitenste ringmuur van ruw metsel­werk, ongeveer twee maal zo hoog als een man. Daarachter lag een binnenplein met vier zijden en een groot, vierkant gebouw zonder centrale toren, maar met torens op de hoeken en een extra wachttoren bij de ingang. Daarboven hing de afbeelding van een gebaard mannengezicht, uitgevoerd in geel metaal. Toen ze de buitenmuur naderden, hoorde Bryan onaards gehuil.
    ‘Hierdoor, jongen,’ zei de gids geruststellend. ‘Let maar niet op de beesten.’
    Ze namen een pad dat van de buitenmuur naar het valhek van de toegangspoort leidde. Aan weerskanten zaten zware houten tra­lies. Een dozijn grote dieren sprong onhandig tegen de tralies omhoog, kwijlend en snauwend.
    interessante waakhonden,’ zei Bryan met onvaste stem. De gids bleef hem voortduwen. ‘Nou en of! Primitieve hondachtigen. Beerhonden, noemen we ze. Ze wegen zo’n driehonderd kilo en vreten alles op wat hen niet eerst te pakken neemt. Wan­neer we het fort moeten beveiligen, gaan de tralies omhoog waardoor ze de hele binnenplaats voor hun rekening nemen.’ Binnen de grote wachttoren lag andermaal een gang die zich naar rechts en links vertakte, toegang gevend tot daarop aanslui­tende kamers. De gids bracht Bryan over een open trap naar de eerste verdieping. Hier waren de gangen wit geverfd en er ston­den blakers, gevuld met olie, gereed om bij avond ontstoken te worden. Diepe vensternissen lieten het licht van de binnenplaats toe.
    ‘We hebben een kleine ontvangstkamer voor ieder van jullie,’ zei de wachter. ‘Ga zitten en neem je gemak ervan, als je zin hebt.’
    Hij wierp een zware, houten deur open en ging Bryan voor, een kamer binnen die ongeveer vier bij vier meter mat. Er lag een dik, wollen tapijt in bruin en grijs en hij was gemeubeld met opvallend goed gemaakte stoelen en banken van gedraaid hout. Sommige hadden gevlochten zittingen en leuningen, andere waren voorzien van zwarte, wollen kussens. Op een lage tafel stonden schenkkannen van aardewerk met warme en koude dranken, bekers, een schaal met rozijnen en kleine kersen en een bord vol met zaad bestrooide koekjes.
    De gids hielp Bryan met het losmaken van zijn rugzak. ‘Achter dat gordijn vind je de andere noodzakelijkheden. Sommige nieuw aangekomenen moeten heel nodig. Iemand van het ont­vangstcomité komt over ongeveer tien minuten bij je. Neem er tot zolang je gemak van.’ Hij ging naar buiten en sloot de deur.
    Bryan liep naar de schuin verlopende vensteropening in de bui­tenmuur en staarde naar het landschap door een koperen sierlijst van traliewerk. Hij kon de beerhonden in de kleine ruimte bene­den zien rondsluipen. Achter de buitenmuren zag hij het voetpad en de stenen die naar de plaats van de tijdpoort leidden. Hij schermde zijn ogen af tegen de zon en zag een groene savanne die golvend in de richting van de Rhónevallei liep. Een kleine kudde viervoetige dieren graasde in de verte. Een vogel zong een ingewikkeld lied. Ergens in het kasteel weerklonk kort de echo van menselijk gelach.
    Bryan Grenfell zuchtte. Dit was dus het Plioceen! Hij begon zijn omgeving nauwkeuriger te onderzoeken, terwijl zijn geest automatisch de huiselijke details wegborg die een antropoloog zoveel konden vertellen over de cultuur van een nieuwe wereld. Muren van gemetselde steen, gesausd (met caseïne?), gebeitst eiken rondom de deuropeningen en blinden voor de glasloze vensters. Het toilet bevatte een kleine spleet in de muur voor de ventilatie. De closetpot zelf was niet meer dan een simpel gat in het metselwerk en deed denken aan de middel­eeuwse voorzieningen in Engelse kastelen. Maar hij was over­dekt met een houten zitting en een fraai besneden deksel en opzij hing aan de muur een doos met groene bladeren. Er was een stenen wasbekken, (aardewerk, geglazuurd met zout en met een penseel gedecoreerd). De zeep was verfijnd, op de juiste manier langdurig bewaard en geparfumeerd met een of ander kruid. De handdoek leek van ruw linnen te zijn.
    Hij liep terug naar de ontvangstkamer. Het voedsel voegde nieu­we gegevens aan de voorraad toe. Bryan at een kers, legde de grote pit netjes in een lege schaal en onthield dat het vruchtvlees weinig was maar zoet. Waarschijnlijk afkomstig van de oor­spronkelijke Europese vogelkers. Ook de kleine pruimen leken niet gecultiveerd. Als tijdreizigers entmateriaal hadden meege­nomen van verbeterde steenvruchten, dan waren de daarop voortgekomen bomen waarschijnlijk zonder chemische bescher­ming niet bestand geweest tegen insekten en ziekten uit het Plioceen. Hij vroeg zich af hoe dat met druiven en aardbeien zat en meende zich te herinneren dat die nogal resistent waren. De kans zat er dus in dat Richard zijn wijnen zou kunnen maken en Mercy mocht rekenen op aardbeien met slagroom. De koude drank smaakte naar citroen, de warme kan bleek hete koffie te bevatten. Hoe heidens hij ook was, Bryan zond voor de koffie een dankgebedje op. De zaadkoeken voelden stevig aan en roken flauwtjes naar honing. Ze waren goed gebakken en ver­sierd met hazelnoten. Het bord droeg een simpel motief, maar was mooi rood geglazuurd.
    Er werd zacht op de deur geklopt. De koperen vergrendeling ging omhoog en liet een oudere, mild uitziende man binnen met een keurig geknipte snor en sik. Hij glimlachte innemend en schoof zijdelings naar binnen toen Bryan met een vriendelijk gemompel had geantwoord. Hij droeg een blauwe tuniek met een wit koord rondom zijn middel en om zijn hals dezelfde band die ook de wachters hadden gedragen. Hij leek niet op zijn gemak en ging op de uiterste hoek van een der banken zitten. ‘Ik heet Tully. Ik ben lid van het comité dat de vraaggesprekken organiseert. Als u er geen bezwaar tegen hebt... ik bedoel, we kunnen u misschien helpen op weg te raken wanneer u ons iets wilt vertellen over uzelf en over uw plannen. Niet uit nieuwsgie­righeid, begrijpt u me goed! Maar als we iets meer wisten over uw achtergrond en uw beroep, dat zou een hele hulp zijn. Ik bedoel, we zouden dan kunnen vertellen in welke plaatsen behoefte is aan uw talenten ... eh ... wanneer u zich ergens zou willen vestigen. Als u zich niet meteen al ergens wilt vesti­gen, dan hebt u misschien vragen die u mij wilt stellen. Ik ben hier om te helpen, begrijpt u?’
    Hij is bang voor me, realiseerde Bryan zich verbaasd. Toen dacht hij aan het soort mensen dat door de tijdpoort kon komen, mensen als Stein en Felice bijvoorbeeld, die op de disoriëntatie na de transmissie wel eens konden reageren met geweld. Hij kwam tot de conclusie dat Tully alle reden had om voorzichtig te zijn in zijn allereerste ontmoeting met nieuwkomers. Hij kreeg misschien wel gevarengeld voor dit baantje. Om de man op zijn gemak te stellen, leunde hij ontspannen achterover in een van de stoelen en begon op een koekje te kauwen. ‘Deze smaken goed. Zeker gemaakt met haver, niet? En sesam­zaad? Het is heel geruststellend om met zulk beschaafd voedsel welkom te worden geheten. Een uitstekend psychologisch hulp­middel van uw kant.’
    Tully liet een verrukt klein lachje horen. ‘Vindt u dat echt? We hebben hard ons best gedaan om kasteel Doortocht iets van de sfeer van welkom mee te geven, maar sommige van de nieuwko­mers staan onder zware spanning en dan hebben we nogal wat moeite om hen te kalmeren.’
    ‘Ik voelde me in het begin nogal bibberig, maar nu gaat het pri­ma. Kijk niet zo bang, man! Ik doe geen kwaad. En ik geef graag op elke redelijke vraag antwoord.’
    ‘Uitstekend!’ Zijn gesprekspartner lachte opgelucht. Hij haalde een klein vel schrijfmateriaal (papier, perkament?) uit een gor­deltas te voorschijn, tezamen met een doodgewoon uitziende 22e-eeuwse pen. ‘Uw naam en uw vroegere beroep?’ ‘Bryan Grenfell. Ik was cultureel antropoloog, gespecialiseerd in bepaalde soorten sociaal conflict. Ik ben erg geïnteresseerd in een studie van de gemeenschap hier, al ben ik niet zo hoopvol over de mogelijkheden tot publikatie.’
    Tully maakte instemmende geluiden. ‘Fascinerend! Weet u, er zijn maar heel weinig mensen met uw beroep door de poort geko­men. U zult ongetwijfeld naar de hoofdstad willen om met de mensen daar te praten. Daar zullen ze bijzonder geïnteresseerd zijn. U zou heel waardevol kunnen zijn!’ Bryan keek verrast. ‘Ik ben uitgerust om hier als visser of als handelaar mijn brood te verdienen. Ik heb nooit kunnen denken dat mijn academische vaardigheden in het Plioceen welkom zou­den zijn.’
    ‘Maar we zijn geen wilden!’ protesteerde Tully. ‘Uw weten­schappelijke talenten zullen naar alle waarschijnlijkheid waar­devol zijn voor ... eh ... overheidspersonen die uw adviezen zeker op prijs zullen stellen.’
    ‘Jullie hebben dus een georganiseerde gemeenschap?’ ‘Oh, heel eenvoudig,’ antwoordde de man haastig. ‘Maar ik ben er zeker van dat het een zorgvuldige studie waard is.’ ‘Daar ben ik inmiddels al mee begonnen.’ Bryan keek aandach­tig in dat zorgvuldig geschoren gezicht. ‘Dit gebouw bijvoor­beeld is duidelijk ontworpen met het oog op veiligheid. Ik wil heel graag weten waartegen u zich beschermt.’ ‘Oh ... er zijn nogal wat soorten dieren die tamelijk gevaarlijk zijn. De grote hyena’s, de sabeltandtijgers ...’ ‘Maar dit kasteel lijkt eerder ingericht ter verdediging tegen menselijke agressie.’
    De interviewer bevoelde zijn halsring. Zijn ogen gingen van de ene kant naar de andere en vervolgens keek hij Bryan zeer ern­stig aan. ‘Er zijn natuurlijk onstabiele persoonlijkheden die door het portaal komen. Hoe hard we ook proberen om iedereen zich te laten aanpassen, we hebben een duidelijk probleem met de werkelijk ernstige mislukkingen. U hoeft nergens bang voor te zijn, want u en de rest van uw gezelschap zijn bij ons volkomen veilig. Het is trouwens zo dat die ... eh ... storende elementen de neiging hebben weg te schuilen in de bergen en op andere ver afgelegen plekken. Maak u daar dus geen zorgen over. Mensen met een hogere culturele standaard zijn in Ballingschap de heer­sende klasse. En het leven van alledag is zo rustig als dat binnen een inheemse omgeving maar mogelijk is.’ ‘Wat prettig.’
    Tully knabbelde op het uiteinde van zijn pen. ‘Voor onze admini­stratie zou het prettig zijn om te weten wat voor gereedschappen en uitrusting u met u mee hebt gebracht.’ ‘Om overgeheveld te worden naar de gemeenschappelijke voor­raad?’
    Tully was geshockeerd. ‘Oh nee, absoluut niet, dat verzeker ik u. Alle reizigers moeten in het bezit blijven van de gereedschappen die bij hun beroep horen om te kunnen overleven en om bruikba­re leden van de gemeenschap te kunnen zijn, waar of niet? Als u het onderwerp liever niet bespreekt, dan zal ik niet aandringen. Maar soms komen mensen door de poort met uitzonderlijke boe­ken of planten of andere dingen die voor iedereen van groot belang zouden kunnen zijn. Als zulke personen erin toestemden dat te delen, dan zou het leven van iedereen hier verbeterd kun­nen worden.’ Hij glimlachte uitnodigend en zette zijn pen op het schrijfblad.
    ‘Behalve een trimaran en visgereedschap heb ik niets speciaals bij me. Een stemschrijver natuurlijk en een kopieermachine. Een vrij grote bibliotheek met boeken en muziek. Een kistje Scotch dat ik blijkbaar ben kwijtgeraakt...’ ‘En uw medereizigers?’
    ‘Ik denk dat die beter voor zichzelf kunnen spreken,’ zei Bryan bedaard.
    ‘Oh, natuurlijk. Ik dacht alleen maar. . . nou ja, goed.’ Tully schoof zijn schrijfmateriaal ter zijde en vuurde nog eens een stralende glimlach af. ‘Nu zijn er vast wel vragen die u mij wilt stellen.’
    ‘Maar enkele, voor dit ogenblik. Hoe groot is de totale bevol­king?’
    ‘Wel, we houden geen nauwkeurige cijfers bij, dat begrijpt u, maar rond de vijftigduizend is een redelijke schatting.’ ‘Vreemd, ik zou meer hebben gedacht. Komt er veel ziekte voor?’
    ‘Oh nee, nauwelijks. Onze immunisaties en de genetisch aange­brachte weerstanden bieden blijkbaar een uitstekende bescher­ming tegen de ziekten van het Plioceen, hoewel de allervroegste tijdreizigers nog niet die volledige spectrale bescherming had­den die de laatste dertig jaar gebruikelijk is. Natuurlijk mogen degenen die nog onlangs een verjonging hebben ondergaan, op een langere levensduur rekenen dan zij die met de vroegste tech­nieken werden behandeld. Het grootste verlies wordt veroor­zaakt door ongelukken.’ Hij knikte ernstig. ‘We hebben natuur­lijk artsen. En bepaalde medicijnen worden regelmatig via de tijdpoort aangevoerd. Maar we kunnen geen mensen helpen die aan een werkelijk ernstig trauma lijden. Deze wereld mag dan beschaafd heten, maar ze is nauwelijks getemd, als u me begrijpt.’
    ‘Ik begrijp het. Voor nu heb ik nog één vraag.’ Grenfell reikte in zijn binnenzak en haalde het kleurenportret van Mercedes Lamballe te voorschijn. ‘Kunt u me vertellen waar ik deze vrouw kan vinden? Ze moet hier midden juni van het vorig jaar zijn aange­komen.’
    Zijn gesprekspartner pakte de foto aan en bekeek die met grote ogen. Ten slotte zei hij: ‘Ik denk... dat ze naar onze hoofdstad in het zuiden is gegaan. Ik herinner me haar heel goed. Ze maak­te zeer grote indruk op ons allemaal. In verband met haar onge­wone talenten werd ze uitgenodigd om daarheen te gaan en deel uit te maken van de overheid.’ Bryan fronste. ‘Wat voor ongewone talenten?’ Tully antwoordde een beetje gehaast. ‘Onze gemeenschap ver­schilt nogal van het Galaktisch Bestel, meneer Grenfell. Onze behoeften zijn volstrekt anders. Dat zal u allemaal te zijner tijd wel duidelijker worden wanneer u een beter overzicht krijgt van de mensen uit de hoofdstad. Vanuit uw beroep gezien, zult u hier heel wat waardevolle onderzoekingen kunnen verrichten.’ Tully stond op. ‘Drink en eet nog iets. Iemand anders zou ook graag nog een gesprek met u hebben en dan kunt u naar uw gezelschap terugkeren. Ik kom u over een half uur halen, is dat goed?’
    Andermaal glimlachend, slipte hij door de deur. Bryan wachtte een paar ogenblikken en liep toen naar de deur en probeerde de grendel. Die gaf niet mee. Hij was opgesloten. Hij keek de kamer rond, zoekend naar zijn wandelstok met de ijzeren knop. Die was nergens te vinden. Hij rolde zijn mouw op om het kleine werpmes te controleren. Hij was niet verbaasd te merken dat de schede leeg was. Was de ‘stofzuiger’ bij de ont­vangst een metaaldetector geweest? Wel, wel, zei hij tegen zichzelf. Dit is dus het Plioceen! Hij ging zitten en wachtte.

2

    Richard Voorhees had de psychische desoriëntatie van de reis door de tijdpoort herkend. Ze leek op een variant van wat alle mensen ervoeren die met sterreschepen van de gewone ruimte door de grijze subruimte reisden bij snelheden boven die van het licht. Maar de ‘klik’ van de transmissie duurde heel wat langer dan bij een oversteek naar de hyperruimte. En hij had eigen­aardige verschillen in de textuur van dat grijze niets gezien. Een nauwelijks zichtbare rotatie langs opeenvolgende assen, een soort compressie (was alles, ieder atoom in het universum net even iets kleiner, zes miljoen jaar terug in het verleden?); het gevoel dat die grijsheid minder vloeibaar, steviger was (zou het zo zijn dat je door de ruimte kon zwemmen, maar dat je je door de tijd moest heenbreken?); een gevoel ook van afnemende levenskracht overal om hem heen. En dat zou aardig kloppen met sommige filosofische opvattingen over de essentie van het Bestel.
    Terwijl hij over geringe afstand door de lucht leek te vallen, landde hij op de granieten ondergrond van Ballingschap en was onmiddellijk weer bij zijn positieven, zoals je dat van iedere scheepsmeester in de ruimte mocht verwachten na een ruimtelij­ke transmissie. Terwijl hij de gretige handen van een bewaker opzij duwde, liep hij op eigen kracht uit het krachtveld vandaan en gunde zich een snelle blik op zijn omgeving terwijl de gids onverstaanbaar stond te mompelen.
    Precies zoals raadsman Mishima had voorspeld was de Rhönevallei in het Plioceen een stuk smaller, het landschap op de wes­telijke flank, waar op een dag de herberg op een beboste heuvel zou staan was minder geaccidenteerd en door waterlopen ver­deeld. Het was in feite een plateau dat naar het zuiden licht omhoogliep. Hij nam het kasteel in zich op. Tegen de hemel daarachtèr, rokend in de vroege zon, lagen twee reusachtige, met sneeuw bedekte vulkanen. De meest noordelijke moest Mont Doré zijn, de grotere kegel in het zuiden die van de Cantal.
    Er was gras. Er waren konijnachtige beesten die bewegingloos ineenhurkten en deden alsof ze rotsen waren. In een ondiepte stond een groep bomen. Speelden daar kleine, mensachtige apen?
    Bewakers leidden Bryan, Stein en Felice over het pad naar het kasteel. Anderen in het wit hielpen de tweede groep weg te komen van het krachtveld. Wie zou hier de baas zijn? Een of andere Pliocene baron? Bestond er een aristocratie? Zou hij, Richard, kans zien zich daarin te werken? Zijn geest wierp vraag na vraag op, spuitend met een jeugdig enthousiasme dat hem verbaasde en in verrukking bracht. Hij herkende wat er gebeurde. Het was een verlate herhaling van de meest gelief­koosde ziekte onder ruimtemensen, de eerstedags Nieuwe Pla­neet Verrukking. Iedereen die door de Melkweg reisde en de verveling van de grijze subruimte moest doorstaan, liep de kans (als hij niet te afgestompt was) zichzelf op te werken tot een schuimend bewustzijn vol verwachting over de aanstaande lan­ding op een tot dan toe onbetreden wereld. Zou de lucht goed ruiken? Zou je van de ionen op- of afknappen? Zouden de plan­ten en de dieren een verrukking zijn om naar te kijken of juist het tegendeel? Wat haalde het lokale voedsel met je smaakpapillen uit? Zouden mensen na jou hier gedijen of ondergaan in te hard werk? Waren er vrouwen om te naaien als je daarom vroeg? Hij floot tussen zijn tanden een paar regels van een gore, oude ballade. Pas toen werd hij zich weer bewust van de ongeduldige stem en het plukken aan zijn mouw.
    ‘Komt u mee, meneer. Uw vrienden zijn al op weg naar kasteel Doortocht. En wij moeten verder. U zult willen rusten en wat eten of drinken en waarschijnlijk hebt u heel wat vragen.’ De bewaker was een donkerharige man, goed gebouwd, maar wat grof van botten en met de onechte jeugdigheid en de te wijze ogen van iemand die tamelijk recent een verjonging had onder­gaan. Richard merkte de donkere metalen halsring op en de wit­te tuniek die waarschijnlijk in dit klimaat een stuk aangenamer zat dan zijn eigen zwarte fluweel en donker laken. ‘Laat me even rondkijken, jongen,’ zei Richard, maar de man bleef aan hem trekken. Om een woordenwisseling te voorkomen, begon Richard langs het pad in de richting van het kasteel te lopen.
    ‘Dat is een mooie uitkijkpost die jullie hier hebben. Is die wal kunstmatig? Hoe krijgen jullie water daar naar boven? En hoe­ver ligt de dichtstbijzijnde stad hier vandaan?’ ‘Rustig aan, reiziger! Kom nou maar gewoon met mij mee. Anderen zullen uw vragen heel wat beter kunnen beantwoorden dan ik.’
    ‘Vertel me dan in ieder geval hoe het hier met de lokale kutterij gaat. Ik bedoel... terug in het heden ... of de toekomst of hoe voor de donder jullie het ook noemen, kregen we te horen dat de man-vrouwverhouding ongeveer vier op één was. Ik wil je wel vertellen dat ik daardoor bijna besloot om maar niet te gaan en als er geen andere dringende omstandigheden waren geweest, was ik misschien helemaal niet naar Ballingschap gekomen. Dus hoe staat het ermee? Zijn er vrouwen in dat kasteel?’ De man antwoordde op ernstige toon: ‘Wij huisvesten een aantal vrouwelijke reizigers en Vrouwe Epone is tijdelijk hier aanwe­zig. Verder leven er geen vrouwen permanent op het kasteel.’ ‘Hoe komen jullie dan aan je trekken? Is er een dorp of een stadje in de buurt waar we het weekend naar toe kunnen of zoiets?’ Op een zakelijke toon antwoordde de man: ‘Velen van de staf op het kasteel zijn homofiel of nemen genoegen met zichzelf. De anderen worden bediend door reizende gastvrouwen uit Roniah of Burask. Er bevinden zich in dit gebied geen kleine dorpen, alleen maar wijd verspreide steden en plantages. Diegenen van ons die dienst doen op het kasteel zijn hier heel tevreden. We worden voor ons werk goed beloond.’ Hij liet zijn vingers met een klein glimlachje langs de halsring gaan en verdubbelde toen zijn pogingen om de nieuwkomer verder langs het pad te krijgen. ‘Het klinkt allemaal als een goed georganiseerd boeltje,’ zei Richard op twijfelende toon.
    ‘U bent in een prachtige wereld gekomen en u zult hier heel gelukkig zijn wanneer u een beetje hebt geleerd hoe het hier toegaat... Let maar niet op de beerhonden. We houden ze als waakdieren. Ze kunnen niet bij ons komen.’ Ze liepen over het voorplein de wachttoren binnen waar de bewaker zijn best deed Richard de trap op te krijgen. Maar de ex-ruimteman rukte zich los en zei: ‘Ik ben zo terug! Even kijken naar al dat moois hier!’ ‘Maar u kunt niet...’ riep de bewaker uit. Maar hij deed het toch. Zijn gepluimde hoed vasthoudend, begon Richard te rennen en werd daarbij maar heel weinig gestuit door zijn rugzak. Hij rumoerde over de tegels en ver­dween in het binnenste van de wachttoren, op goed geluk in hoe­ken wegschuilend tot hij te voorschijn kwam op de grote binnen­hof van het kasteel. Zo vroeg in de morgen lag deze diep in de schaduw, aan vier zijden omringd door twee verdiepingen hoge muren met hoektorens en kantelen. Hij besloeg ongeveer een tachtig meter in het vierkant. In het midden stond een fontein met bomen eromheen die in stenen potten waren geplant, meer­dere bomen stonden op regelmatige afstanden verder van het midden verwijderd. Eén hele zijde van de hof werd in beslag genomen door een grote, dubbele kraal, keurig ommuurd met geperforeerde steen. De ene helft bevatte een flink aantal vier­voeters van een soort dat Richard nooit eerder had gezien. De andere helft leek leeg te zijn.
    De stemmen van achtervolgers horend, dook hij weg in een soort kloostergang die langs de drie overige zijden liep. Hij legde een korte afstand hardlopend af en draaide toen een zijgang in die bleek dood te lopen. Maar aan weerskanten bevonden zich deu­ren die naar kamers leidden.
    Hij opende de eerste deur aan zijn rechterhand, slipte naar bin­nen en deed de deur weer dicht. De kamer was duister. Hij stond volkomen stil, zijn adem inhoudend, beloond door het geluid van rennende voetstappen dat eerst toenam en toen in de verte uit­stierf. Voor het ogenblik was hij ontsnapt. Hij zocht in een van zijn zakken naar licht. Maar voor hij zover kwam, hoorde hij een zwak geluid. Hij stond andermaal onbeweeglijk. Een streep licht sprong door de verduisterde kamer. Iemand deed een andere deur uiterst langzaam open en de verlichting ginds vormde een snel groter wordende baan waarin hij ten slotte gevangen werd.
    Afgetekend in de deuropening stond een zeer grote vrouw. Ze droeg een dunne mouwloze jurk die bijna onzichtbaar leek. Richard kon haar gezicht niet zien, maar hij wist dat ze mooi moest zijn.
    ‘Vrouwe Epone,’ zei hij, niet wetend waarom. ‘U kunt binnenkomen.’
    Hij had nooit zo’n stem gehoord. De muzikale zachtheid ervan hield een onmiskenbare belofte in die hem in vuur en vlam zette. Hij liet zijn rugzak vallen en liep naar haar toe, een geheel in het zwart geklede figuur die onweerstaanbaar door haar schittering werd aangetrokken. Hij volgde haar terwijl zij langzaam de andere kamer binnenging. Daar hingen dozijnen lampen van de zoldering omlaag, schijnend op gordijnen van glanzend goud en doorschijnend gaas die een groot bed deels verhulden. De vrouw stak haar armen uit. Haar loshangende japon was bleekblauw, zonder riem en had lange, gele overslagen die vanaf de schouders als mistige vleugels naar beneden kwamen. Ze droeg een gouden band om haar hals en een gouden diadeem in haar blonde haren. Het haar hing bijna tot haar middel en haar ongelofelijke borsten, als zijn ogen hem niet bedrogen, kwamen onder het doorschijnende weefsel bijna even ver. Ze stak bijna een halve meter boven hem uit. Op hem neerkij­kend met onmenselijk gloeiende ogen zei ze: ‘Kom dichterbij.’ Hij voelde de kamer om zich heen draaien. Terwijl haar ogen steeds schitterender werden en zachte huid hem streelde, werd hij meegevoerd in een afgrond van verrukking die zo intens was dat het hem wel verwoesten moest. Ze schreeuwde: ‘Kun je het? Kun je het?’
    Hij probeerde en hij kon het niet.
    De zoete adem van licht veranderde in een wervelwind die loeiend en tierend aan hem scheurde en trok, niet aan zijn lichaam maar aan iets dat zich verontschuldigend achter zijn ogen probeerde te verbergen, iets dat waardeloos was en gestraft diende te worden. Uiteengescheurd, belachelijk gemaakt, naar beneden gesleurd en vertrapt, stukgehamerd door pure haat, schrompelde dat ding verder en verder ineen tot het enkel nog maar een volstrekt onbeduidende vlek was die ten slotte opging in de witte gloed van pijn. Richard kwam bij.
    Een man in een blauwe tuniek knielde aan zijn voeten en voerde iets uit om zijn enkels. Richard zat vastgezet in een zware stoel in een kleine kamer met onbewerkte muren van grijze kalksteen. Vrouwe Epone stond voor hem, haar ogen van jade stonden uit­drukkingsloos, maar haar lippen krulden in afkeer. ‘Hij is klaar, Vrouwe.’ ‘Dank je, Jean-Paul. De hoofdband graag.’ De man haalde een eenvoudige zilveren vijfpuntige kroon te voorschijn die hij op Richards hoofd drukte. Epone wendde zich naar een machine die op een tafel naast zijn stoel stond en die Richard ten onrechte had gehouden voor een ingewikkelde, met juwelen ingelegde sculptuur. Binnen de op kristallen lijkende onderdelen gloeide iets vaag, veelkleurige lichtjes die helderder werden en weer uitdoofden en die blijkbaar niet goed werkten. Epone gaf het grootste prisma, een roze ding ter grootte van een vuist, een ongeduldige tik met duim en wijsvinger. ‘Ah, bah! Werkt er dan niets in deze vervloekte plaats? Daar dan! Nu kunnen we beginnen.’
    Ze sloeg haar armen over elkaar en richtte haar blik op Richard.
    ‘Wat is je naam?’
    ‘Loop naar de hel,’ mompelde hij.
    Een verschrikkelijke kloppende pijn leek de top van zijn schedel eraf te lichten.
    ‘Spreek alleen om mijn vragen te beantwoorden en gehoorzaam al mijn bevelen. Begrijp je dat?’
    Ineenzakkend tegen de stoelleuning fluisterde hij: ‘Ja.’
    ‘Wat is je voornaam?’
    ‘Richard.’
    ‘Sluit je ogen, Richard. Ik wil dat je zonder te spreken het woord help uitzend.’
    Lieve Jezus, dat was een makkelijke! Help! Een mannenstem zei: ‘Vérspreken minus zes.’ ‘Open je ogen, Richard,’ beval Epone. ‘Ik wil dat je goed luistert. Hier is een dolk.’ Ze haalde het zilveren wapen ergens uit haar kleding te voorschijn en hield het hem voor op haar beide, geopende handen. In de melkblanke zachtheid van haar hand­palmen zag hij niet meer dan enkele lijntjes. ‘Dwing me met je geest om deze dolk in mijn eigen hart te stoten, Richard. Neem wraak. Vernietig mij door mijn eigen handen. Dood me, Richard.’
    Hij probeerde het! Hij verlangde naar de dood van deze mon­sterlijke teef. Hij probeerde.
    ‘Minus twee punt vijf voor wilsinvloed,’ zei de dienaar die achter haar stond.
    Epone zei: ‘Concentreer je op wat ik zeg, Richard. Je leven en je toekomst hangen af van wat je in deze kamer tot stand brengt.’ Ze wierp de dolk over de tafel, op minder dan een meter afstand van zijn vastgeklemde arm. ‘Zorg dat het mes overeind komt, Richard. Stuur het op me af. Werp het in mijn ogen. Doe het, Richard!’
    Er klonk dit keer een verschrikkelijke begeerte in haar stem en hij probeerde wanhopig haar te gehoorzamen. Hij begreep nu wat er hier gebeurde. Ze waren bezig hem te testen op latent aanwezige psychische vermogens. Nu was psychokinese aan de beurt.
    ‘Minus zeven PK.’
    Ze leunde achterover, geurend, lieflijk. ‘Verbrand me, Richard. Laat je geest vlammen produceren die dit lichaam verkolen en verschroeien, dit lichaam dat jij nooit zult kennen omdat je geen man bent maar een worm zonder seks of gevoeligheid. Verbrand me!’
    Maar hij was degene die brandde. Tranen liepen langs zijn wan­gen naar beneden en dropen in zijn snor. Hij probeerde naar haar te spugen, maar zijn mond zat dicht en zijn tong was opge­zwollen. Hij probeerde zijn hoofd weg te draaien omdat hij geen kans zag zijn ogen te sluiten voor de blauwe en bloesemrode koelte van haar wreedheid. ‘Plus twee punt vijf creativiteit.’
    ‘Belangwekkend, maar natuurlijk niet goed genoeg. Rust een ogenblik uit, Richard. Denk aan je metgezellen boven. Ze zullen een voor een naar deze kamer komen zoals zoveel anderen dat al gedaan hebben en ik zal hen leren kennen zoals ik jou nu ken. Sommigen zullen de Tanu op de ene manier dienen en anderen op een andere manier. Maar dienen zullen ze allemaal, op een paar gezegenden na voor wie de poort naar Ballingschap werke­lijk de deur naar het Paradijs zal blijken te zijn. Je krijgt nog een laatste kans. Kom in mijn geest. Dring er binnen, voel me, haal mijn geest uit elkaar en maak van de brokstukken een beeld dat gehoorzamer is.’ Ze boog zich naar hem voorover en kwam steeds dichterbij, totdat de vlekkeloze huid van haar gezicht maar een paar handbreedten van de zijne verwijderd was. Geen poriën, geen rimpels in dat gezicht. Alleen naaldachtige pupillen in die ogen van groen nefriet. Maar schoonheid wel! Een kwel­lende schoonheid van een ongelofelijke ouderdom. Richard vocht met de klemmen die hem vasthielden. Zijn geest schreeuwde het uit.
    Ik haat je, ik zal je schenden, ik zal niets van je overlaten, ik zal je begraven onder de stront. Ik zal je dood verklaren! Ik zal je ver­rot verklaren! Ik zeg dat je voor eeuwig zult kronkelen van pijn, uitgestrekt op de pijnbank van de ruimte tot de ademhaling van het universum stopt en alles naar binnen valt... ‘Minus een voor bewerking.’
    Richard viel naar voren. De kroon viel van zijn hoofd en kletter­de tegen de tegels met een geluid waarin de beslissing leek door te klinken.
    ‘Je hebt weer gefaald, Richard,’ zei Epone met een verveelde stem. ‘Inventariseer zijn bezittingen, Jean-Paul. En breng hem dan bij de anderen voor de noordelijke karavaan naar Finiah.’

3

    Elizabeth Orme was zo van streek door de schok van de trans­missie dat ze nauwelijks de helpende handen voelde die haar aanmaanden verder te gaan op het pad naar het kasteel. Iemand nam haar bagage van haar over en daar was ze blij om. Het geruststellend gemompel van de stem van haar gids bracht haar een ander moment vol pijn en angst in herinnering. Ze voelde zich wakker worden in de behaaglijke baarmoeder van een war­me oplossing waar ze negen maanden van regeneratie had door­gebracht in een web van buizen en draden en machines die haar levensfuncties onderhielden. Haar ogen verblind, haar huid niet meer gewoon aan zintuiglijke indrukken door de lange onder­dompeling in de vloeistof, kon ze desondanks de vriendelijke, menselijke stem horen die haar vertelde dat ze weer in orde was en binnenkort zou worden bevrijd. ‘Lawrence?’ fluisterde ze. ‘Is het goed met je?’ ‘Kom nu maar mee, mevrouwtje. Gewoon meelopen. U bent nu veilig en onder vrienden. We gaan allemaal naar kasteel Door­tocht en daar kunt u tot uzelf komen. Maar nu een flinke meid zijn en doorlopen.’
    Vreemd gehuil van gek geworden beesten. Het openen van de ogen. Angst. Ogen weer sluiten. Wat is dit voor een plek? ‘Kasteel Doortocht, in de wereld die Ballingschap wordt genoemd door de mensen waar u vandaan komt. Rustig aan maar, mevrouwtje. Die beesten kunnen ons niks doen. Nu de trappen nog op en dan gaat u lekker even liggen. Daar gaan we.’
    Het opengaan van deuren op een kleine kamer met... wat? Handen waren bezig haar naar beneden te drukken, te dwingen om te gaan liggen. Iemand tilde haar voeten op en legde een kussen onder haar hoofd. ‘Niet weggaan! Laat me hier niet alleen!’
    ik ben in een paar minuten terug met de genezer, mevrouwtje. We laten met u niks gebeuren, reken daar maar op! U bent een heel speciale dame. Probeer tot rust te komen en ondertussen haal ik iemand om u te helpen. Een badkamer is achter dat gor­dijn.’
    Toen de deur sloot, lag ze bewegingloos totdat een golf van mis­selijkheid in haar keel omhoogkwam. Ze worstelde overeind, schoot naar voren de badkamer in en gaf over in het wasbekken. Een verblindende pijn schoot door haar hersenen en ze raakte bijna bewusteloos. Leunend tegen de witgesausde muur snakte ze naar adem. De misselijkheid verdween beetje bij beetje en ook de pijn in haar hoofd nam af, maar langzamer. Ze werd zich ervan bewust dat iemand de kamer binnenkwam, twee mensen die met elkaar spraken, vervolgens armen die haar ondersteun­den en de rand van een dikke beker die tegen haar lippen werd geduwd. Ik wil niets.
    ‘Drink dit, Elizabeth. Het zal je helpen.’ Openen. Slikken. Zie je nou. Goed zo. Nu weer gaan zitten. Een stem, diep, zoet als honing. ‘Dank je, Kosta. Ik zal nu voor haar zorgen. Je kunt ons alleen laten.’ ‘Ja, Heer.’ Geluid van een sluitende deur. Elizabeth greep de leuningen van haar stoel, wachtend tot de pijn terugkwam. Toen dat niet gebeurde, ontspande ze en deed langzaam haar ogen open. Ze zat aan een lage tafel waarop voedsel stond en drank. Tegenover haar, staande naast een hoog venster, bevond zich een buitengewone man. Hij was gekleed in wit en rood en droeg een zware riem, bestaande uit onderling verbonden gouden vierkanten die bezet waren met rode en melk­witte stenen. Rondom zijn hals lag een gouden band van dikke gevlochten snoeren met een geornamenteerd slot aan de voorzij­de. Zijn vingers, die de aardewerk beker met de medicijn nog vasthielden, waren ongewoon lang en hadden zeer gepronon­ceerde knokkels. Ze vroeg zich vaag af hoe hij kans had gezien de vele ringen, die in het ochtendlicht glommen, daar overheen te krijgen. Hij had blond, schouderlang haar dat in een pony boven zijn ogen viel. De ogen waren van een zeer bleekblauw, schijn­baar zonder pupillen en diep verzonken binnen hun oogkassen. Zijn gezicht was mooi, ondanks het fijne netwerk van lijntjes rondom de mondhoeken. En hij was bijna twee en een halve meter groot. Oh God. Wie ben je? Wat is dit voor een plek? Ik dacht dat ik in de tijd terugging naar het Aardse Plioceen. Maar dit is niet... dit kan niet...
    ‘Dit is het toch.’ Zijn stem klonk vriendelijk, muzikaal. ‘Mijn naam is Creyn. En u bevindt zich werkelijk in de tijdsperiode die het Plioceen wordt genoemd en op de planeet Aarde die door sommigen Ballingschap wordt genoemd en door anderen het Veelkleurig Land. U bent in de war geraakt bij uw tocht door de tijdpoort—waarschijnlijk erger dan de rest van uw gezelschap. Maar dat is te begrijpen. Ik heb u iets versterkends gegeven waar u van op zult knappen. Over een paar minuten, als u dat goed vindt, zullen we verder praten. Uw vrienden hebben nu een gesprek met de mensen van onze staf die alle nieuwkomers wel­kom heten. Ze bevinden zich in soortgelijke kamers, rusten wat, eten en drinken iets en stellen vragen die wij zo goed mogelijk proberen te beantwoprden. De bewakers van de poort maakten mij attent op uw onwelzijn. Ze kregen het vermoeden dat u een zeer ongewoon soort reizigster was en dat is de reden waarom ik persoonlijk dit gesprek met u voer.’
    Elizabeth had haar ogen weer gesloten terwijl de man op zijn gemak verder sprak. Vrede en opluchting doordrenkten haar geest. Er was dus werkelijk een land dat Ballingschap heette! En het is me gelukt om hier veilig aan te komen. Nu kan ik vergeten wat ik verloren heb. Ik kan een nieuw leven opbouwen. Ze deed haar ogen wijd open. De glimlach van de grote man was ironisch geworden.
    ‘Je leven zal zeker nieuw worden,’ stemde hij in. ‘Maar wat is er verloren?’
    Je ... kunt me horen? Ja.
    Ze sprong overeind, haalde diep adem en schreeuwde het uit in een oorverdovende kreet. Het stem geven aan de extase. Leven, hervonden, hernieuwd. Dankbaarheid.
    Rustig, hield ze zichzelf voor. Kom terug van die hoogte. Voor­zichtig. Dit was een eerste, waanzinnige sprong binnenwaarts. Doe het behoedzaam aan. Reik naar buiten via het eenvoudigste kanaal, maak je focus zo wijd mogelijk, je bent nog heel zwak na deze wedergeboorte.
    Ik/wij verheugen ons met jou, Elizabeth.
    Creyn. Stem je in met een oppervlakkige kennismaking?
    Schouderophalen.
    Elizabeth dook onhandig achter zijn glimlach waar een keurige opsomming van gegevens op haar lag te wachten. Maar de die­pere lagen waren afgesloten door een waarschuwende hardheid. Ze pikte de aangeboden informatie vliegensvlug op en keerde snel terug. Haar keel was droog geworden en haar hart bonsde door de schok van de aanpassing. Voorzichtig! Voorzichtig. Twee mentale klappen binnen een paar minuten op haar prille bewustzijn. Stop even genees onderzoek jezelf. Hij kan niet diep of ver lezen. Wel wilskracht. En bewerken, heel krachtdadig. Andere eigenschappen? Geen gegevens.
    Ten slotte begon ze te spreken met kalme stem. ‘Creyn, jij bent niet echt een menselijk wezen en evenmin zijn de psychische vermogens vanuit jezelf werkzaam. Deze twee zaken weerspre­ken mijn ervaring en dus ben ik in de war. In de wereld waar ik vandaan kom, kunnen alleen mensen met werkzame psychische vermogens in pure mentale spraak met elkaar communiceren. En maar zes rassen in de gehele Melkweg bezitten de genen waarin die vermogens aanwezig kunnen zijn. Jij behoort tot geen van hen. Mag ik dieper gaan om meer over je te weten?’ ‘Het spijt me, dat kan ik op dit moment niet toestaan. Later zullen zich betere gelegenheden voordoen voor ons... om elkaar te leren kennen.’ ‘Zijn er veel van uw soort hier.’ ‘Een voldoende aantal.’
    In het brokstukje van een seconde waarin hij antwoordde, lan­ceerde ze een bliksemsnelle sonde met al haar kracht, recht tus­sen zijn bleekblauwe ogen. Het stuiterde af en versplinterde. De kracht van de echo deed haar schreeuwen en de man die Creyn heette, lachte.
    Elizabeth. Dat was heel onbeleefd. En het werkt niet. Schaamte. ‘Het was een impuls, een sociale vergissing, ik bied mijn verontschuldigingen aan. In onze wereld zou niemand eraan denken iets dergelijks te doen zonder toestemming, tenzij hij werd bedreigd. Ik weet niet wat er over me kwam.’ ‘Het portaal zal er de oorzaak van zijn.’ Mooi afschuwelijk meedogenloos eenrichtingsportaal! ‘Het is niet alleen dat,’ zei ze, terugvallend in haar stoel. Ze onderzocht snel haar mentale verdedigingen. Alles overeind en in redelijke staat, het gevoel van beschadigd zijn verdween al, de gebruikelij­ke patronen herstelden zich.
    ‘Aan de andere kant,’ zei ze, ‘heb ik ernstig hersenletsel opgelo­pen. Mijn psychische functies gingen in het regeneratieproces verloren. En we dachten dat dat verlies duurzaam was. Anders...’ ze onderstreepte dat mentaal, ‘zou het nooit toege­staan zijn dat ik naar Ballingschap ging. En ik zou het ook niet hebben gewild.’
    ‘We zijn bijzonder fortuinlijk. Welkom namens alle Tanu.’ ‘Er zijn nooit eerder meta’s door de poort gekomen?’ ‘Eenmaal arriveerde een groep van bijna honderd personen, zeer onverwachts, zo’n zevenentwintig jaar geleden. Tot mijn spijt moet ik zeggen dat ze zich niet wisten aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden.’ Waarschuwingwaarschuwing. Muren omhoog.
    Elizabeth knikte. ‘Dat moeten vluchtende rebellen zijn geweest. Dat was een treurige tijd voor ons Galaktisch Bestel... En ze zijn dus allemaal dood? Ben ik dan de enige meta in Ballingschap?’
    Misschien niet voor lang.
    Ze hield zichzelf aan de tafel vast, kwam overeind en liep dichter naar hem toe. Zijn vriendelijke gezichtsuitdrukking veranderde. ‘Het is niet onze gewoonte elkaar al te dicht te naderen. Ik vraag je vriendelijk iets verder weg te gaan.’
    Beleefde verontschuldiging. ‘Ik wilde alleen maar naar die gou­den halsring kijken. Zou je hem af willen doen zodat ik hem bekijken kan? Het lijkt me een bijzonder vaardig staaltje vak­manschap.’
    Verschrikkingen! ‘Het spijt me, Elizabeth. De gouden halsring heeft voor ons een diep religieuze betekenis. We dragen hem zolang we leven.’
    ‘Ik denk dat ik het begrijp.’ Ze begon te glimlachen. SONDERING.
    Elizabeth lachte luid. Nu moet jij je verontschuldigen, Creyn! Teleurstelling. Ongemak. Het spijt me, Elizabeth. Ook ik moet nog aan jou wennen.
    Ze wendde zich af. ‘Wat gaat er met me gebeuren?’
    ‘Je zult naar onze hoofdstad gaan, het rijke Muriah op de Witte Zilvervlakte. Het ligt in het zuiden van dit Veelkleurig Land.
    Daar staat je een buitengewoon welkom te wachten onder de Tanu.’
    Ze draaide zich om en zocht zijn ogen. ‘En zij over wie jullie regeren? Zullen zij mij ook welkom heten?’ Voorzichtig. ‘Ze zullen van je houden zoals ze van ons houden. Probeer je oordeel op te schorten tot je over meer gegevens beschikt. Ik weet dat er kanten aan je huidige situatie zijn die je verontrusten. Maar wees geduldig. Er is geen enkel gevaar.’ ‘Wat gebeurt er met mijn vrienden? De mensen die tegelijk met mij door het tijdportaal zijn gekomen?’
    ‘Enkelen van hen zullen meegaan naar de hoofdstad. Anderen hebben nu al te kennen gegeven dat ze liever ergens anders heen willen. We zullen voor allemaal een goede plek vinden. Ze zullen gelukkig zijn.’
    ‘Gelukkig? Terwijl ze overheerst worden? Onvrij zijn?’ ‘We regeren inderdaad, maar met zachtmoedigheid, Elizabeth. Oordeel niet voor je gezien hebt wat wij hier hebben verricht. Eens was het niets en wij hebben deze uithoek getransformeerd tot iets verbazingwekkends.’
    Het was te veel ineens ... In haar begon het te bonzen en er was het begin van duizeligheid. Ze zakte terug in de zachte kus­sens.
    ‘Waar . .. waar zijn jullie vandaan gekomen? Ik ken elk intelli­gent ras binnen ons Bestel, dat wil zeggen, zes miljoen jaar in de toekomst. Er is geen soort bij die op jullie lijkt, behalve wij mensen. En toch zijn jullie niet aan ons verwant. Jullie mentale patronen zijn anders.’
    Verschillen overeenkomsten parallellen wervelende sterrehopen in ongetelde aantallen tot aan de uiterste grenzen. ‘Ik begrijp het. In mijn toekomst is niemand ooit verder gereisd dan ons eigen Melkwegstelsel. We hebben nog geen bescher­ming gevonden tegen de pijn die bij een dergelijke transmissie optreedt. Het neemt meetkundig toe met het vergroten van de afstand.’ Matigend.
    interessant. Als het maar mogelijk was om informatie via de tijdpoort over te brengen.’
    ‘Daar kunnen we later over praten, Elizabeth. In de hoofdstad. Er zijn andere mogelijkheden die misschien nog intrigerender zijn. In Muriah zal je dat duidelijk worden.’ Afleiding. Hij bevoelde de gouden halsring en onmiddellijk werd er op de deur geklopt. Een zenuwachtige kleine man in het blauw stapte de kamer binnen en groette Creyn door zijn vingers tegen zijn voor­hoofd te drukken. De Tanu maakte een koninklijk gebaar. ‘Elizabeth, dit is Tully, een van onze vertrouwdste medewerkers. Hij heeft uw metgezellen gesproken, hun vragen beantwoord en gepraat over hun plannen voor de toekomst.’ ‘Zijn ze allemaal hersteld van de overgang?’ vroeg ze. ‘Ik zou hen graag willen zien en met hen praten.’ ‘Te zijner tijd, Vrouwe,’ zei Tully. ‘Al uw vrienden zijn veilig en in goede handen. Maakt u zich geen zorgen. Sommigen van hen zullen met u naar het zuiden reizen, anderen hebben gekozen voor een stad in het noorden omdat ze menen dat hun talenten daar beter tot hun recht zullen komen. Het zal u interesseren dat nog vanavond karavanen in beide richtingen zullen vertrek­ken.’
    ‘Ik begrijp het.’ Begreep ze het echt? Haar gedachten werden onduidelijk. Ze wierp een uitdagende vraag mentaal naar Creyn toe die hij direct pareerde. Vertrouw me, Elizabeth. Alles komt goed. Ze wendde zich weer tot de kleine man. ‘Ik wil in elk geval mijn vrienden die naar het noorden gaan, vaarwel kunnen zeggen.’ ‘Natuurlijk, Vrouwe. Ik zal ervoor zorgen.’ De kleine man legde een hand op zijn halsring en Elizabeth keek er scherp naar. Deze leek identiek aan de band die Creyn droeg, afgezien van de don­kere kleur van het metaal. Creyn. Ik wil deze ondervragen.
    Minachting. Hij staat onder onze bescherming. Wil je hem ver­ontrusten met voorbarige pogingen je nieuwsgierigheid te bevre­digen? Vragen zouden hem zeer vanstreekbrengen. Misschien blijvende schade. Hij heeft weinig gegevens. Maar doewat jewilt met hem.
    ‘Dank je voor het nieuws over mijn vrienden, Tully,’ zei ze op vriendelijke toon. De man in het blauw leek opgelucht. ‘Dan ga ik nu maar door met het volgende gesprek, als dat goed is. Ik denk dat Heer Creyn al uw vragen in het algemeen al beant­woord heeft.’
    ‘Niet helemaal.’ Ze reikte naar de schenkkan en een glas en schonk zichzelf iets van de koude drank in. ‘Maar dat zal hij zeker doen.’

4

    De in het blauw geklede ondervrager had de kamer nog maar nauwelijks verlaten of Aiken Drum was al bezig de houten deur te onderzoeken. Hij ontdekte dat die was afgesloten en hij begon daar direct iets aan te doen.
    Hij gebruikte de glasachtige naald die eigenlijk voor leerbewerking was bestemd om het slot te onderzoeken tot hij kans zag een verborgen palletje op te lichten dat voorkwam dat de grendel omhoog kon. Hij deed de deur voorzichtig open en ontdekte aan de andere kant het mechaniek waardoor de deur in het slot gleed.
    Hij sloot de deur en begon door de gang te sluipen waarbij hij andere gesloten kamers ontdekte waarachter ongetwijfeld zijn kameraden waren opgesloten. Hij zou hen er nog niet uit laten, niet voor hij had ontdekt hoe de zaken hier ervoor stonden zodat hij er zijn voordeel mee kon doen. Er was hier duidelijk iets heel krachtigs en vreemds aan de macht in dit Plioceen en het was ook zonneklaar dat er heel wat meer nodig was om de plaatselijke machthebbers om de tuin te leiden dan de simpele bedenksels van Stein en Richard. .. .Kijk uit!
    Hij dook weg in een diepe vensternis die uitzag over de binnen­plaats van het kasteel. Hij trok zijn camouflagepak beter om zich heen en probeerde onopvallend één te worden met de vloer.
    Vier stevige bewakers, geleid door een man in het blauw, kwa­men rennend door de gang in de richting waaruit Aiken net gekomen was. Ze keken geen moment in zijn richting en direct daarna werd duidelijk waarom. Er klonk een gebrul van woede in de verte en gesmoord kabaal. Zware slagen begonnen te weer­klinken vanachter een van de gesloten deuren. Aiken gluurde net op tijd om de hoek van zijn alkoof om te zien hoe de groep angst­vallig bij die deur uit de buurt bleef. Zelfs vanuit zijn schuil­plaats, op meer dan tien meter afstand, zag hij de dikke eikehou­ten planken beven onder de kracht van ritmische slagen. De bewaker in het blauw pauzeerde en bevoelde zijn halsring, ineens overweldigd door een plotseling begrijpen. De vier ande­ren weken met open mond terug toen hun leider begon te schreeuwen. ‘Jullie hebben hem zijn ijzeren bijl laten houden? Stomme stukken stront!’
    ‘Maar meester Tully, we hebben genoeg verdovends in zijn bier gedaan om een mastodont onderuit te halen!’ ‘Maar niet genoeg om deze dolgeworden viking zelfs maar af te remmen, dat is duidelijk,’ siste Tully. De deur beefde opnieuw onder een buitengewoon krachtige slag en de punt van Steins strijdbijl werd even door het gebroken hout zichtbaar voor de bijl werd teruggetrokken. ‘In een paar minuten is hij eruit. Salim, ren naar Heer Creyn! Waarschuw kasteelbeheerder Pitkin en de veiligheidsmensen ook. Kelolo, zorg voor meer bewakers en een net. En zeg Fritz dat de poort gesloten moet worden voor het geval hij kans ziet de trap af te komen. Schiet op! Misschien kunnen we deze ellendeling vangen met een net als hij eruit breekt en dan kunnen we die stronthoop misschien nog red­den.’
    Twee bewakers renden weg in tegenovergestelde richting. Aiken dook terug in de schaduw. Die goeie ouwe Steinie. Op de een of andere manier had hij die nagemaakte vriendelijkheid hier door­zien en besloten direct tot actie over te gaan. Bier met een slaap­middel! Goeie God, veronderstel dat ze ook zoiets met de koffie hadden uitgehaald. Hij had er misschien niet meer dan een halve beker van gedronken, gelukkig. En hij had geprobeerd het spel op hun manier te spelen toen Tully hem ondervroeg. Hij was ervan overtuigd dat hij zichzelf had laten overkomen als een potentieel bruikbare maar verder ongevaarlijke clown en klus­jesman. Misschien gaven ze enkel die grote, gevaarlijk uitziende types een slaapmiddel.
    ‘Schiet op, schiet op, schiet opV huilde Tully. ‘Hij komt eruit!’ Dit keer durfde Aiken niet te kijken. Maar hij hoorde een triom­fantelijk gebrul en het kraken van splinterend hout. ‘Ik zal jullie leren om me op te sluiten!’ schreeuwde Stein uitda­gend. ‘Wacht maar tot ik die kleine, laffe kwal in mijn handen krijg die wat door mijn bier heeft gedaan! Yah. Yah! Yah! Een grote figuur, gekleed in rood en wit, schreed voorbij Aikens schuilplaats, gevolgd door een rinkelend contingent strijders, allemaal menselijk, die grote, komvormige helmen droegen en zware uniformen van een gelig geschubd pantser. ‘Heer Creyn!’ klonk Tuily’s stem. ‘Ik heb om het net gevraagd en meer mannen ... Oh, Tana zij gedankt, daar komen ze!’
    Plat op de vloer, onder zijn poncho, kroop Aiken over de tegels tot hij een goed uitzicht had op de gang. Stein, die bij iedere bijlslag luidkeels brulde, had het gat in de deur verder vergroot tot het bijna groot genoeg was om hem te laten ontsnappen. De mensen van het kasteel hadden hun discipline teruggevonden met de komst van Creyn en wachtten af. Zes bepantserde mannen brachten een stevig net over de vloer aan. Twee andere soldaten stonden aan weerszijden van de steeds verder uiteenvallende deur, gewapend met armdikke knuppels die aan het uiteinde met metalen knobbels waren bezet. De ongewapende bewakers vielen in een beschermende lijn terug rondom de hoog boven hen uitstekende Creyn. ‘Hé-jaah!’ schreeuwde Stein terwijl hij de laatste obstakels eike­hout uit het gat schopte. Zijn gehoornde vikinghelm werd even in het gat zichtbaar en trok zich daarna terug voor een storm­loop.
    Hij kwam te voorschijn met een sprong die hem bijna aan de overkant van de brede gang bracht, buiten bereik van het net en te midden van de bewakers die rondom hun vreeswekkende meester stonden. In het wit geklede mannen vlogen de wildeman wanhopig tegemoet. Stein sloeg om zich heen, de strijdbijl met beide handen hanterend in korte, felle cirkels die dwars door vlees en bot gingen. Pathetische brokken ledematen sprongen tegen de muren en rolden over de vloer terwijl het bloed eruit te voorschijn spoot. De gepantserde soldaten probeerden zijn armen te grijpen, terwijl Stein bleef inhakken op die barrière van dode en levende mannen die hem scheidde van Creyn. Op de een of andere manier wist Stein heel goed wie zijn voornaamste tegenstander was. ‘Ik krijg je wel!’ brulde de viking.
    Creyns kleding was nu nauwelijks wit meer. Hij stond onbewo­gen tegen de muur, de vingers tegen de gouden ring om zijn hals. Een van de soldaten slaagde erin de gehoornde helm van Steins hoofd te krijgen terwijl een ander een knuppel in zijn nek liet neerkomen met een kracht die de wervels zou hebben gebroken van een minder heroïsche ruggegraat. Drie lange seconden stond de viking daar als een grotesk standbeeld, de bijl geheven, het hoofd van Creyn binnen bereik. Toen lieten zijn vingers los. Het wapen viel achter zijn rug op de grond. Zijn knieën bogen lang­zaam door en het hoofd viel op de borst terwijl het net alsnog over hem heen werd geworpen.
    Een van de soldaten trok een kort, bronzen zwaard en schoot naar voren, de ogen schitterend van moordlust. Een andere sol­daat wrong het wapen uit zijn hand.
    ‘Niemand mag deze man kwaad doen,’ zei de Tanu-opperheer. Hij stapte over de brokstukken hout en knielde neer op de bevlekte stenen bij het lichaam van de bewusteloze Stein. De Tanu strekte zijn hand uit naar het zwaard waarmee hij de mazen van het net rondom Steins hoofd wegsneed. Vervolgens haalde hij een grijze metalen halsband uit een grote buidel die aan zijn riem hing en bevestigde die rondom de nek van de voor­malige boorexpert.
    ‘Hij is niet gevaarlijk meer. Jullie kunnen het net verwijderen. Breng hem naar een andere kamer en maak hem schoon zodat ik zijn wonden kan behandelen. Hij zal in de hoofdstad meer dan welkom zijn.’
    Terwijl hij overeind kwam, wenkte Creyn een paar soldaten om hem te vergezellen. Hun schoenen maakten bloedige voetaf­drukken terwijl ze in de richting gingen van Aikens schuil­plaats.
    ‘Kom te voorschijn,’ zei Creyn.
    ‘Ja, nou, toe dan maar.’ Aiken grijnsde terwijl hij overeind kwam. Hij nam zijn hoed af in een quasi eerbiedige groet en boog vanuit zijn middel. Voor hij zich realiseerde wat er gebeurde, had Creyn zich over hem heen gebogen en bevestigde iets rond­om zijn nek.
    Oh, Christus, dacht Aiken. Niet ik ook!
    Jij bent een heel ander katje, Aiken Drum, en goed genoeg voor wat ingewikkelder genoegens dan je gespierde vriend. Aiken kromde zijn nek om in de winterse ogen ver boven hem te kunnen kijken. Het haar van de Tanu, dat zo glanzend en glad was geweest, was nu samengeklonterd door het bloed van de mannen die gestorven waren terwijl ze hem verdedigden. Aan het geluid van hun kreten te horen, waren ze onwillig gestorven en pas bevrijd van het symbool van hun slavernij op het moment dat Steins bijl hun hoofden van de lichamen scheidde. ‘Ik neem aan dat je met ons kunt doen wat je wilt, zodra die hondehalsbanden om onze nek zitten,’ zei Aiken bitter, terwijl hij het ding aanraakte dat om zijn nek was gelegd. Het voelde warm aan. Een fractie van een seconde voelde hij een speer van genoegen in zijn lendenen, een verrukking die langs de zenuwba­nen van zijn lichaam rende en een tintelend gevoel van opwin­ding achterliet in vingers en tenen. Wat was dat?
    Vind je het lekker? Het is een voorproefje van wat wij je geven kunnen. Maar ons grootste geschenk zal de vervulling zijn van je eigen vermogens, waardoor je bevrijd zult worden nog terwijl je ons dient.
    Op de manier waarop die arme stakkers dat deden? Koploze rompen, opgestapelde ledematen, alles doordrenkt van bloed? Geamuseerdheid. Je eigen band is zilverkleurig, niet grijs. Zoals het hoort voor een meta wiens vermogens hier werkelijkheid gaan worden. Ik denk dat jij het Plioceen zeer aangenaam zult gaan vinden, mijn jongen.
    ‘Wel, ik mag verdomd zijn!’ schreeuwde Aiken luidkeels. Ver­rukking. Verrukking. VERRUKKING! ‘In hoeveel vermogens ben ik goed?’ Zoek dat zelf maar uit.
    Er is natuurlijk een ingebouwd mechanisme in de band waar­door jullie de baas blijven. Wat had je dan gedacht?
    Aiken grijnsde verbeten. ‘Beter dan grijs, minder dan goud. Ik zal je wat vertellen. Ik vind het goed genoeg!’ Hij vouwde zijn poncho zorgvuldig op en stak die weg in de zak op zijn rug. ‘Zeg het maar, chef.’
    ‘We zullen je eerst laten wachten in een kamer met een wat beter slot. Over een paar uur ga je op reis naar de hoofdstad, Muriah. Maak je niet bezorgd. Het leven in Ballingschap kan heel plezie­rig zijn.’
    Zolang ik weet wie de baas is? Bevestigend.
    De bewakers werkten Aiken Drum door een deuropening. Over zijn schouder riep hij: ‘Kan een van die knechtjes me een stevige borrel brengen, chef? Al dat geknok veroorzaakt een verschrik­kelijke dorst.’
    Creyn moest erom lachen. ‘Het zal gebeuren.’ Toen sloegen de bewakers de deur dicht en schoven de grendels ervoor.

5

    Amerie had de geluiden van de vechtpartij buiten in de gang gehoord en hield haar oor tegen de wand van de gesloten deur in de hoop iets meer te horen. Het moest om Stein of Felice gaan. Zou een van hen gek geworden zijn door de schok van de trans­missie? Of was er een afdoende reden voor zo’n gewelddadige uitbarsting?
    Ze trok haar rugzak open en rommelde in de inhoud tot ze het koordzaagje te pakken had. Daarna trok ze een van de banken naar het venster, schortte haar rokken op en sprong. Snijd van binnenuit de bovenste tralies van het koperwerk door. Snijd de tralies van onderen helemaal door. Werk daarna het hele ding naar buiten, desnoods met een paar klappen van een ander bankje. Ik zou het vloerkleed uit elkaar kunnen halen en daar een touw van maken ... maar wacht! Haar voorraad decamole zou ook te gebruiken zijn. Twee ervan om een ladder te maken en een derde om over het terrein te komen waar die ver­wenste beerhonden zaten ... ‘Zuster, wat bent u aan het doen?
    Ze wervelde rond, gehinderd doordat haar vingers in de ringen van het zaagje zaten. Tully en een zwaar gebouwde bewaker stonden in de open deur. De tuniek van de kleine ondervrager zat vol donkere vlekken.
    ‘Kom alsjeblieft naar beneden, Zuster. Wat een afschuwelijk idee om zoiets te doen. En volstrekt overbodig. Geloof me, u verkeert niet in gevaar.’
    Amerie keek hem strak aan, toen kwam ze naar beneden en gaf het op. De bewaker strekte zijn hand uit naar de zaag en ze gaf die hem zonder iets te zeggen. Hij stak hem in een van de zakken van haar rugzak en zei: ‘Ik zal dit voor u bewaren, Zuster.’ Tully zei: ‘We zullen ons gebruikelijke vraaggesprek wat sneller moeten afhandelen, want er is iets heel vervelends gebeurd. Als u mij en Subash wilt vergezellen ...’
    ‘Ik hoorde geluiden van een vechtpartij,’ zei ze. ‘Wie is er gewond? Is er iets met Felice?’ Ze liep met grote stappen naar de open deur en keek uit over de gang. ‘Genadige God!’
    Bewakers hadden de doden en gewonden weggehaald en een schoonmaakploeg was bezig de vloeren en wanden schoon te maken met emmers water, maar sporen van de ravage waren nog steeds zichtbaar.
    ‘Wat hebben jullie gedaan?’ riep Amerie uit. ‘Het bloed is afkomstig van onze eigen mensen,’ antwoordde Tully somber. ‘Het werd vergoten door iemand uit uw gezel­schap, Stein. Hij is overigens op een paar blauwe plekken na ongedeerd. Maar vijf van onze mensen zijn dood en zeven ande­ren ernstig gewond.’ ‘O, Heer! Hoe is het gebeurd?’
    ‘Stein werd jammer genoeg krankzinnig. Het moet een vertraag­de reactie op de transmissie zijn geweest. De tocht door de tijdpoort weekt soms diep begraven psychische agressie los. We pro­beren zowel onszelf als de reizigers daartegen te beschermen door nieuwkomers tijdelijk op te sluiten in dit soort ontvangstka­mers gedurende een overgangsperiode ... Dat is de reden waar­om uw deur gesloten was.’
    ‘Het spijt me voor uw mensen,’ vertelde ze hem in oprechte ernst. ‘Stein is ... eigenaardig ... maar een goed mens wanneer je hem beter leert kennen. Wat gaat er nu met hem gebeuren?’ Tully bevoelde zijn grijze halsband. ‘Het bewaken van de tijdpoort is af en toe een zware taak. Uw vriend heeft een behande­ling gekregen die verdere aanvallen moet uitsluiten. Maar hij zal er niet om gestraft worden, men straft ook geen zieke vanwege’zijn ziekte ... Maar nu moeten we ons haasten, Zuster, voor het volgende deel van ons gesprek. Vrouwe Epone heeft daarbij uw hulp nodig.’
    Ze liepen door die verschrikkelijke gang, de trappen af naar een klein kantoor aan de andere zijde van de toegangspoort. Felice Landry zat daar in haar eentje te wachten in een doodgewone stoel met kussens, achter een tafel waar een metalen beeldhouw­werk op stond dat bezet was met juwelen. De twee mannen bege­leidden Amerie naar binnen en vertrokken toen weer, de deur achter zich sluitend. ‘Felice! Stein heeft. ..’
    ‘Ik weet het,’ onderbrak de atlete haar fluisterend. Ze legde één gehandschoende vinger op haar lippen en zat daarbij stil, terwijl ze haar leren helm met de groene veren onderworpen in haar schoot hield. Met het uitstaande haar en de enorme bruine ogen wijd open, zag ze eruit als een lief kind dat wachtte tot ze het toneel op zou worden gejaagd voor een of ander sinister rollen­spel.
    De deur ging open en Epone gleed naar binnen. Amerie staarde vol verbazing naar die indrukwekkend grote figuur. ‘Een ander intelligent ras!’ riep ze uit. ‘Hier?’ Epone boog haar koninklijke hoofd. ‘Ik zal u dat binnenkort uit­leggen, Zuster. Binnen afzienbare tijd zal alles opgehelderd zijn. Voor het ogenblik heb ik uw hulp nodig om het vertrouwen te winnen van deze jonge vrouw uit uw gezelschap voor een simpele test die verband houdt met haar mentale vermogens.’ Ze pakte een zilveren kroontje van de tafel en ging ermee naar Felice.
    ‘Nee! Nee! Ik heb jullie al gezegd, ik vind het niet goed!’ gilde het meisje. ‘En als jullie me willen dwingen, stem ik toch nergens in toe. Ik weet alles van die rottige bewustzijnstrucjes.’ Epone deed een beroep op Amerie. ‘Haar angsten zijn volkomen ongegrond. Alle nieuw aangekomen tijdreizigers stemmen toe in een onderzoek op latente psychische functies. Wanneer wij ont­dekken dat iemand die bezit, dan beschikken wij over de tech­niek om die vermogens werkzaam te maken zodat iedereen in deze gemeenschap kan profiteren van de voordelen.’ ‘Jullie willen me bewerken,’ barstte Felice uit. ‘Absoluut niet. De test is niet meer dan een simpele meting.’ ‘Misschien zou u mij eerst moeten testen,’ stelde Amerie voor. ‘Ik ben er zeker van dat mijn eigen latente vermogens minimaal zijn. Maar het zou Felice wellicht op haar gemak stellen doordat ze ziet wat er gebeurt.’ ‘Een uitstekend idee,’ zei Epone glimlachend. Amerie nam Felice bij de hand en hielp haar omhoog uit haar stoel. Zelfs door de leren handschoenen heen kon ze de trillende vingers voelen, maar de emotie die achter die peilloze ogen ver­scholen ging, was heel iets anders dan angst. Kalmerend zei de non: ‘Ga hier staan, Felice. Dan kun je zien wat er met mij gebeurt en wanneer het idee je dan nog tegenstaat, zal de dame hier je persoonlijke gevoelens zeker respecteren.’ Ze keerde zich naar Epone. ‘Of niet?’
    ‘Ik verzeker u, ik heb geen kwaad in de zin,’ antwoordde de Tanu-vrouw. ‘En zoals Felice zelf al heeft gezegd, de test geeft geen zuivere resultaten als de proefpersoon niet vrijwillig mee­werkt. Gaat u alsjeblieft zitten, Zuster.’ Amerie maakte de speld los die haar zwarte sluier bijeenhield en haalde toen de eenvoudige, witte doek van haar hoofd die daar­onder lag. Epone plaatste het zilveren kroontje op de bruine krullen van de non.
    ‘Eerst zullen we de verbale vermogens testen. Wilt u, zonder te spreken, trachten iets tegen mij te zeggen? Bijvoorbeeld: Gegroet.’
    Amerie kneep haar ogen dicht. Uit één punt van de kroon sprong een zwakke violette vonk te voorschijn.
    ‘Minus zeven. Zeer zwak. Nu de wilskracht. Span al uw kracht in om mij te dwingen mijn ogen te sluiten, Zuster.’ Amerie gloeide van concentratie. Op een ander punt van het kroontje verscheen een iets sterkere blauwe vonk. ‘Minus drie. Beter, maar toch nog ver beneden het bruikbare peil. Nu de psychokinese. Doe uw best, Zuster. Probeer uzelf met uw stoel een centimeter boven de grond te verheffen.’ De daardoor ontstane roze gloed was nauwelijks zichtbaar en de stoel bleef stevig met al zijn poten op de vloer staan. ‘Ah, dat is jammer. Ontspan u, Zuster. Om de creatieve vermo­gens te testen, vraag ik u een illusie voor mij te scheppen. Sluit uw ogen en visualiseer zo helder mogelijk een gewoon voorwerp, laten we zeggen, uw schoen. Projecteer die schoen in de lucht vlak voor u. Zal dat voorwerp voor ons zichtbaar worden? Doe uw best!’
    Een groene vonk als een miniatuursterretje. En toen—was het er werkelijk?—de vaagst denkbare afbeelding van een wandel­schoen.
    ‘Heb je dat gezien, Felice?’ riep de Tanu uit. ‘Plus drie en een half.’
    Ameries ogen gingen wijd open en de projectie verdween. ‘Be­doelt u werkelijk dat ik dat deed?’
    ‘De kroon verhoogt kunstmatig de natuurlijke creativiteit en zet wat latent aanwezig is in een werkzaam vermogen om. Jammer genoeg is uw psychische potentieel te zwak om bruikbaar te zijn, zelfs met dit maximale voordeel.’
    ‘Dat is zinnig,’ zei de non. ‘Veni creator spiritus. Roep mij niet aan, ik roep jullie.’
    ‘Er is nog één proef over, de belangrijkste van allemaal.’ Epone stelde de kristallen machine bij die was begonnen te flikkeren. Toen de gloed in de juwelen weer constant was geworden, zei ze: ‘Kijk in mijn ogen, Zuster. Kijk daarachter, in mijn geest als u dat kunt. Kunt u zien wat daar verborgen ligt? Kunt u het ana­lyseren, de verstrooide brokstukken in hun samenhang terug­brengen? De littekens en de pijnlijke leegten genezen? Probeer het. Probeer het!’
    Och arme. Je wilt me echt helpen, is het niet? Maar het is te sterk, te sterk. Je kijkt naar me terwijl ik me stukloop op trans­parante muren die zo sterk zijn en nu duister worden, donkerder. Zwart.
    Een rood gloeipuntje had even opgeflikkerd als een microsco­pisch kleine nova. Toen doofde het uit, weer bijna onzichtbaar. Epone zuchtte.
    ‘Min zeven maximale sterkte. Ik zou er veel voor hebben gegeven als... maar genoeg.’ Ze verwijderde het kroontje en keerde zich vriendelijk tot Felice. ‘Is het goed wanneer we de test nu met jou doen, kind?’
    ‘Ik kan het niet, alsjeblieft dwing me hier niet toe,’ fluisterde Felice.
    ‘We kunnen wachten tot we in Finiah zijn,’ antwoordde Epone. ‘Ten slotte is de kans het grootst dat je een gewone menselijke vrouw bent, net als je vriendin hier. Maar zelfs voor jou, zonder metafuncties, kunnen we een wereld aanbieden van geluk en ver­vulling. Alle vrouwen in het Veelkleurig Land genieten een voor­keurspositie omdat er maar zo weinigen door de tijdpoort komen. Je zult aanbeden worden.’
    Amerie die haar hoofddracht weer in orde maakte onderbrak dat even. ‘Uit een studie van onze gewoonten zult u weten dat sommige van onze priesteressen hun maagdelijkheid bewaren.
    Ik ben een van hen. En Felice is niet heteroseksueel.’
    ‘Dat is jammer,’ zei Epone, ‘maar te zijner tijd zullen jullie aan je nieuwe gesteldheid wennen en gelukkig zijn.’
    Felice deed een stap voorwaarts en zei heel rustig: ‘Bedoelt u dat hier in Ballingschap de vrouwen seksueel onderworpen zijn aan de mannen?’
    De lippen van Epone krulden omhoog. ‘Wat is onderwerping en wat is vervulling? Het behoort tot de vrouwelijke natuur het voertuig te willen zijn dat vervuld wil worden, om te onderhou­den en te voeden, om het eigen ik op te geven in zorg voor de geliefde ander. Wanneer haar die bestemming wordt ontzegd, is er enkel leegte en verdriet en woede. Ik en zoveel andere vrouwen van mijn ras weten dat maar al te goed. Wij Tanu zijn hier lang geleden gekomen uit een melkweg aan het uiterste einde van wat vanaf de Aarde zichtbaar is. We zijn bannelingen, verdreven omdat we weigerden onze levensstijl aan te passen aan principes die voor ons afschuwelijk waren. In veel opzichten is deze planeet een ideale schuilplaats geweest. Maar de atmosfeer is anders, bepaalde deeltjes die schadelijk zijn voor ons voortplantingsver­mogen worden hier niet afgeweerd. Onze vrouwen brengen hier maar zelden een gezond kind ter wereld en dan nog met de groot­ste moeite. En toch willen wij overleven. Eindeloze eeuwen heb­ben we gebeden en uiteindelijk heeft Moeder Tana onze gebeden verhoord.’
    Er begon Amerie iets te dagen. Felice toonde geen enkele emo­tie. De non zei: ‘Al de vrouwen die door de tijdpoort komen, zijn gesteriliseerd.’
    ‘Dat proces is omkeerbaar,’ zei de Tanu sereen.
    Amerie sprong overeind. ‘Zelfs wanneer dat ongedaan wordt gemaakt, onze genen ...’
    ‘Zijn verenigbaar. Ons Schip dat ons hier heeft gebracht (Haar naam blijve gezegend) koos deze melkweg en deze wereld van­wege de volstrekte overeenkomst in het genenmateriaal. De ver­wachting was dat er ongetelde eeuwen voorbij zouden gaan voor­dat ons voortplantingspotentieel weer ten volle bruikbaar zou worden, zelfs wanneer we gebruik zouden maken van de inheem­se levensvorm die jullie tot de mensapen rekenen en wier paarcellen geschikt zijn. Maar wij leven zo lang! En wij hebben zoveel macht! Dus hebben wij alles verdragen tot het wonder zich voltrok en de tijdpoort openging en ons mensen uit jullie tijd stuurde. Zuster, u en Felice zijn jong en gezond. Jullie zullen meewerken, zoals zovelen dat al hebben gedaan, omdat de belo­ning groot is en de straf onverdraaglijk.’ ‘Naai jezelf,’ zei de non.
    Epone liep naar de deur. ‘Dit onderhoud is afgelopen. Jullie gaan je klaarmaken voor de karavaanreis naar Finiah. Dat is een prachtige stad aan de oevers van de proto-Rijn, vlak bij de plaats van het toekomstige Freiburg. Mensen van goede wil leven daar gelukkig bij elkaar, bediend door onze kleine mensapen die alle vervelende arbeid opknappen. Jullie zullen leren tevreden te zijn, geloof me maar.’
    Ze verliet de kamer en sloot zachtjes de deur.
    Amerie wendde zich naar Felice. ‘De schoften! De verdomde schoften!’
    ‘Maak je geen zorgen, Amerie,’ zei de atlete. ‘Ze heeft me niet getest. Dat is het enige belangrijke. Ik bleef de hele tijd allerlei pathetisch gejammer over mijn gedachten heen smeren wanneer ze in de buurt was, zodat ze me met geen mogelijkheid kon lezen. Ze denkt nu waarschijnlijk dat ik niks meer ben dan een in leer gekleed hoopje zieligheid.’
    ‘Wat wil je dan gaan doen? Proberen te ontsnappen?’ De donkere ogen van Felice gloeiden en ze lachte luidkeels. ‘Meer dan dat. Ik ga ze te grazen nemen. Het hele verdomde zootje.’

6

    Er stonden banken onder de bomen van het ommuurde erf, maar Claude Majewski gaf de voorkeur aan de stenen in de schaduw van het dierenverblijf waar hij de kans had levende fossielen in hun gedrag gade te slaan. De gesneden doos uit Zakopane draai­de rond en rond in zijn grote handen.
    Dat is een mooi einde van een frivole onderneming, Oude Man. Op je honderdendrieëndertigste jaar als vis langs de rivier ver­handeld. En dat allemaal om zo’n bezopen inval. Maar jullie Polakken zijn altijd al romantische idioten geweest! Hield je daarom zo van me, Zwart Meisje? Het werkelijk vernederende was dat het zo lang had geduurd voor Claude het in de gaten kreeg. Het allereerste, vriendelijk contact was maar al te welkom geweest. Samen met de aantrek­kelijke zitkamer, het voedsel (de wc niet te vergeten) was het mooi uitgekiend om een bang geworden ouwe sufferd na de stress van de overzetting op zijn gemak te stellen. Wat had die Tully ongevaarlijk geleken en hoe geniaal had die hem bespeeld, vleiend en daarna al die tierelantijnen uitstallend over dat geweldige leven vol vrede en geluk dat iedereen hier in Balling­schap te wachten stond. En zijn eerste blik op Epone had hem bijna met stomheid geslagen; die onverwachte tegenwoordigheid van een buitenaards ras op de Pliocene Aarde had zijn natuurlij­ke behoedzaamheid volkomen ondergraven terwijl zij hem ondertussen haar tests afnam, concludeerde dat hij niet deugde en hem vervolgens afdankte.
    Zelfs toen de gewapende bewakers hem beleefd over de binnen­plaats voerden, was hij zo mak geweest als een lam ... tot op de allerlaatste minuut, toen ze hem zijn bagage afnamen, de deur opengooiden en hem die mensenbewaarplaats induwden. ‘Rustig aan, reiziger,’ had een bewaker gezegd. ‘Je krijgt je spul­len later wel terug als je je gedraagt. Maak moeilijkheden en je zult merken dat wij de middelen hebben om je eronder te krij­gen. En wie probeert te ontsnappen wordt voer voor de beerhonden tegen etenstijd.’
    Claude was daar met open mond blijven staan tot een mentaal gezond uitziende medegevangene in bergbeklimmerskleding naar hem toe kwam en hem in de schaduw bracht. Na ongeveer een uur kreeg hij zijn rugzak inderdaad terug. Alles wat van enig nut zou kunnen zijn bij een ontsnapping was eruit verwijderd. Hij kreeg te horen dat hij zijn houtbewerkingsgereedschap van vitredur terug zou krijgen wanneer hij ‘veilig’ in Finiah was aan­gekomen.
    Toen de eerste schok voorbij was, had Claude zijn omgeving onderzocht. Het was een goed beschaduwd erf, omgeven door bewerkte stenen muren van drie meter hoog waarop bewakers patrouilleerden. Er was een uitbouw met een redelijk comforta­bele slaapzaal en een wasruimte. Er waren acht vrouwen en drieëndertig mannen. Claude herkende de meesten doordat hij op vroege ochtenden had toegezien hoe ze hun wandeling begon­nen door de tuinen naar het huisje van de Guderians. Samen moesten ze de oogst vormen van ongeveer een week aan tijdreizi­gers; zij die ontbraken waren er waarschijnlijk door Epone uitge­sorteerd en apart gehouden voor een andere bestemming. Claude ontdekte al snel dat uit Groep Groen alleen Richard hier was overgebleven. Hij lag in een onheilspellend diepe slaap ver­zonken op een van de slaapbanken. Ook wanneer de oude man zijn schouders schudde, werd hij niet wakker. ‘Er zijn er een paar meer zoals hij,’ zei de bergbeklimmer. Hij had een langwerpig, door de buitenlucht gelooid gezicht vol fijne rimpeltjes van middelbare leeftijd die wezen op een verjonging die al geruime tijd geleden had plaatsgevonden. Hij had goed­lachse, grijze ogen en askleurig haar onder zijn Tiroler hoed. ‘Sommigen lijken er gewoon tussenuit te knijpen, arme donders. Nou ja, ze zijn in elk geval nog beter af dan dat arme mens dat zichzelf eergisteren ophing. Jullie zijn de laatsten van deze week. Vanavond vertrekken we. Wees maar blij dat je het hier geen zes dagen hebt moeten uithouden zoals sommigen van ons.’ ‘Probeert niemand te ontsnappen?’ vroeg Claude. ‘Een paar, voor ik aankwam. Een Pool, die Prischepa heette, uit mijn eigen groep. Gisteren drie Polynesiërs. Die beerhonden vra­ten zelfs de veren op hun kleren op. Doodzonde. Houd je van fluitmuziek? Ik wil Purcell wel weer eens horen. Trouwens, ik heet Basil Wimborne.’
    Hij ging op een lege bank zitten, haalde een fluit te voorschijn en begon een weemoedige melodie te spelen. De oude man herin­nerde zich dat Bryan uit dat stuk soms brokstukken had geflo­ten. Claude luisterde een paar minuten en liep daarna het erf weer op.
    De andere tijdreizigers reageerden op hun gevangenis op hun eigen manier. Een oudere kunstenaar zat over zijn schetsblok gebogen. Een jong paar, gekleed als yankee-pioniers, zat naast elkaar onder een boom, elkaar strelend zonder iets van hun omgeving te merken. Vijf zigeuners spraken druk en geheimzin­nig en oefenden lijf-aan-lijf-gevechten met onzichtbare messen. Een zwetende man van middelbare leeftijd in een toga van konij­nebont en een dominopak bleef maar eisen dat de bewakers hem zijn beroepsspullen teruggaven. Twee Japanse ronin, zonder zwaarden maar verder uitgerust in goed uitziende 14e-eeuwse wapenrusting, speelden een damspel op een bord van decamole. Een mooie vrouw, gekleed in regenboogkleurige sluiers van chif­fon probeerde haar spanningen al dansend af te reageren; de bewakers buiten moesten haar voortdurend weerhouden om tegen de muren op te springen waarbij ze vlinderachtige spron­gen maakte en steeds maar weer riep: ‘Paris, adieu!’ Op een beschaduwde plek zat een zwarte Australiër in een onberispelijk wit hemd, rijbroek en elastische schoenen, de vier kleine luid­sprekers van zijn muziekbibliotheek om hem heen terwijl hij ein­deloos ‘Der Erlkönig’ speelde. Een kerel, aangekleed als hofnar, jongleerde met drie zilveren ballen voor een oude vrouw en haar hond. Hij verstond zijn vak slecht, maar de hond ging met onver­moeid enthousiasme achter de vallende ballen aan. De meest verdrietige van al de gevangenen was misschien een robuuste man met een rossige baard en holle ogen, prachtig uitgedost in een nagemaakte maliënkolder met daaroverheen het zijden overkleed van een middeleeuws ridder waarop het blazoen van een gouden leeuw was aangebracht. Hij schreed in een voortdu­rende aanval van opwinding over de open ruimte, tuurde door de gaten in de muur en schreeuwde: ‘Aslan! Aslan! Waar ben je nu we je nodig hebben? Red ons van la belle dame sans merci!’ Claude besloot dat die inderdaad een flinke klap van de molen had gehad. Om de een of andere perverse reden voelde hij zich daardoor bijna tevreden over zichzelf.
    Hij pakte een gevallen, nog bebladerde tak op en werkte die door de bewerkte muurspleten in het aangrenzende dierenverblijf. ‘Hier, jongen. Hier.’
    Een van de schepsels aan de andere zijde van de muur stak zijn begroeide, op die van een paard lijkende oren omhoog en hobbel­de naar voren om eens te proeven. Claude keek verrukt toe hoe het eerst met kleine voortanden aan de bladeren begon te knab­belen en vervolgens met zijn sterke kiezen de meer houtige delen begon te vermalen. Toen het hapje was verorberd, gaf het beest hem een blik vol duidelijk verwijt vanwege zijn zuinigheid en dus stond hij op en haalde meer.
    Het was een chalicothere, een lid van een van de eigenaardigste en fascinerendste families van cenozoïsche zoogdieren. Het had een massief lichaam met een brede borstkas, bijna drie meter lang en met een paardachtige nek en hoofd die al in de richting van die verwantschap wezen. De voorpoten waren wat langer dan de achterpoten en minstens twee maal zo dik als die van een trekpaard. Maar in plaats van te eindigen in hoeven, hadden de poten drie tenen die uitliepen op grote, half intrekbare klauwen. De binnenste daarvan had de omvang van een menselijke hand, de overige waren de helft kleiner. Het lichaam was bedekt met een korte beharing van blauwachtig grijs, wit gespikkeld rond­om de flanken, de schoften en het achterste. De staart was nog rudimentair, maar het beest kon bogen op prachtige manen van lang, zwart haar, een zwarte streep langs de ruggegraat en opvallende, zwarte pluimen aan de vetlokken. De intelligente ogen stonden wat meer voor in de schedel dan bij een paard en waren omringd door zware, zwarte wimpers waarmee het voort­durend knipoogde. Het droeg een leren breidel en was duidelijk volledig tam. Binnen de omheining stonden zeker zestig van die dieren, de meeste grijsgevlekt met hier en daar een enkele witte of voskleurige.
    De zon rees boven de grote toegangspoort uit en scheen ten slotte rechtstreeks op het erf, waardoor vrijwel iedereen verjaagd werd naar de relatieve koelte van de stenen slaapzaal. Er kwam een verrassend redelijke maaltijd op tafel van een met laurier op smaak gebrachte stamppot, fruit en een wijnpunch. Claude pro­beerde andermaal tevergeefs Richard wakker te maken en borg het eten voor de piraat ten slotte maar onder zijn slaapbank weg. De meeste gevangenen namen na de maaltijd een rustpauze, maar Claude ging opnieuw naar buiten om zijn spijsvertering te bevorderen en na te denken over zijn toekomst. Ongeveer twee uur later begonnen in het grijs geklede stal­knechten grote manden aan te dragen met grillig gevormde knollen en vette wortels die op voederbieten leken. Ze leegden de manden in de troggen voor de dieren en terwijl de chalicotheres op die manier werden gevoederd, maakten de mannen het ver­blijf schoon met houten schoppen en van twijgen vervaardigde bezems. De mest werd in karren geladen die langs een gang naar een achteruitgang verdwenen. Twee van de stalknechten bleven achter met een draagbare pomp die in de fontein werd onderge­dompeld. Terwijl een van de mannen pompte, ontrolde de ander een stijve canvas slang waarmee de vloer van de stallen werd schoongewassen; het overtollige water verdween in een soort goten. Nadat de stalvloer was gereinigd, richtte hij zijn water­straal op de nog etende dieren die daarbij allerlei verrukte gelui­den uitstootten.
    De oude paleontoloog knikte tevreden. Liefhebbers van water. Knolleneters. Dus de chalicotheres hielden zich inderdaad op in het vochtige, halftropische woud en de modderige graslanden langs de rivieren. En ze gebruikten hun klauwen echt om wortels op te graven. Een klein mysterie van de paleobiologie was opge­lost, voor hem tenminste. Maar zouden de gevangenen werkelijk op zulke archaïsche viervoeters moeten rijden? De dieren zou­den niet zo snel zijn als paarden, maar ze zagen er wel uit alsof ze over veel uithoudingsvermogen beschikten. Maar hun loop? Claude huiverde. Wanneer een van deze beesten met hem erop in draf ging, dan zouden zijn oude knie- en heupgewrichten als antieke kerstboomversieringen door elkaar worden geschud. Een geluid uit de beschaduwde kloostergang trok zijn aandacht. Soldaten voerden twee nieuwe gevangenen naar de achterdeur van het erf. Claude zag een wuivende groene pluim en een glimp van iets zwarts met wit. Felice en Amerie! Hij haastte zich erheen en stond te wachten toen de gevangenen via de slaapzaal werden binnengeleid. Een van de bewakers, die hun bagage had gedragen, zette dat neer en zei op vriendelijke toon: ‘Jullie zullen niet lang meer hoeven te wachten. Probeer iets te eten van wat er op de tafels is overgebleven.’ De dolende ridder kwam naar hen toegerend en zei op tragische toon: ‘Is Aslan onderweg? Hebt u hem gezien, goede Zuster? Misschien maakt deze krijgsmaagd deel uit van zijn gevolg? Aslan moet komen anders zijn we ten ondergang gedoemd!’ ‘Oh, rot op!’ mompelde Felice.
    Claude greep de ridder bij een van zijn gemaliede ellebogen en voerde hem naar een zitplaats bij de andere deur. ‘Blijf hier zit­ten en wacht op Aslan.’ De man knikte ernstig en ging zitten. Ergens in de schemerige ruimte huilde iemand. De alpinist speelde ‘Greensleeves’ op zijn fluit.
    Toen Claude terugkeerde, was Felice vloekend bezig haar rug­zak overhoop te halen. ‘Alles is weg! De kruisboog, mijn vilders­messen, de touwen, ongeveer elk verdomd ding dat ik had kun­nen gebruiken om hier weg te komen!’
    ‘Dat kun je maar beter vergeten,’ vertelde Claude haar. ‘Als je geweld gebruikt, doen ze je zo’n halsring om. Die kerel die daar fluit zit te spelen, vertelde me van een gevangene die de kolder in zijn kop kreeg en een bewaker aanviel. Soldaten sloegen hem neer en daarna kreeg hij een van die grijze metalen nekringen om. Toen hij stopte met schreeuwen en weer bij zijn positieven kwam, was hij zo zacht als een lammetje. En die band kreeg hij er niet meer af.’
    Felice begon nog uitgebreider te vloeken. ‘Zijn ze dan van plan om ons allemaal zo’n ding om te doen?’ Claude keek om zich heen, maar niemand schonk hen ook maar de minste aandacht. ‘Blijkbaar niet. Voor zover ik kan nagaan, werken die grijze banden als een ruw soort psychoregulator, waarschijnlijk verbonden met de gouden exemplaren die door Vrouwe Epone en haar soortgenoten worden gedragen. Niet al de bedienden op het kasteel dragen ze. Soldaten en bewakers wel en stromannen als die Tully. Maar de stalknechten niet en de lui uit de keuken evenmin.’
    ‘Die posities zijn niet belangrijk genoeg?’ suggereerde de non. ‘Of misschien zijn er niet voldoende metalen,’ zei Claude. Felice fronste. ‘Dat zou kunnen. Er is een goed ontwikkelde tech­nologie nodig om dit soort dingen te fabriceren. En veel ziet er hier toch een beetje gammel uit. Heb je gezien hoe dat testappa­raat aan- en uitging? En stromend water was er ook al niet.’ ‘Ze hebben niet de moeite genomen om mijn medicijnen in te pikken,’ zei Amerie. ‘De ringen beschermen de bewakers zeker tegen de mogelijkheid dat wij zouden proberen hen ergens mee te verdoven. Handige dingetjes blijkbaar. Geen slavenopzichter zou eigenlijk zonder moeten zijn.’
    ‘Misschien zijn de ringen helemaal niet nodig om ons in dit sta­dium rustig te houden,’ zei Claude grimmig. Hij gebaarde naar de overigen in de slaapzaal. ‘Kijk eens naar deze bemanning! Een paar hebben geprobeerd te ontsnappen en werden aan de beerhonden gevoerd. Ik denk dat de meesten na het zien van zo’n nachtmerrie alles maar even zo laten in de hoop dat het niet nog slechter wordt. En de bewakers zijn opgewekt en houden hele verhalen over het goede leven dat iedereen te wachten staat. Het eten is niet slecht. Zou jij dat niet even afwachten om te zien hoe het verder loopt in plaats van te vechten?’ ‘Nee,’ zei Felice.
    Amerie voegde eraan toe: ‘De verwachting voor vrouwen is niet zo rooskleurig, Claude.’ Gespannen vertelde ze hem van haar gesprek met Epone en over de oorsprong en de voortplantingsmoeilijkheden van de vreemdelingen. ‘Dus terwijl jij misschien toch de kans krijgt om vreedzaam aan je blokhutten te bouwen, worden Felice en ik gedwongen om fokmerries te worden.’ ‘Godverdomme,’ fluisterde de oude man, ‘godverdomme.’ Hij staarde naar zijn grote, nog altijd sterke handen die bedekt waren met levervlekken en opgezette blauwe aderen. ‘Ik zou in een echt handgemeen geen knip voor de neus meer waard zijn. Wie we echt nodig hebben is Stein.’
    ‘Die kregen ze al te pakken,’ zei Amerie en ze vertelde hoe Tully haar had meegedeeld dat de viking was ‘behandeld’ om verdere moeilijkheden te voorkomen. Ze wisten inmiddels allemaal wat dat moest betekenen.
    ‘Wie zijn er van de anderen hier?’ vroeg Felice. ‘Alleen Richard,’ zei de oude man. ‘Maar hij slaapt al sinds ik hier vanmorgen werd binnengebracht. En ik zag geen kans hem wakker te krijgen. Misschien zou jij es even naar hem moeten kijken, Amerie.’
    De non pakte haar spullen en volgde Claude naar de plek waar Richard lag te slapen. Rondom hem heen waren de dichtstbijzijnde slaapplaatsen leeg en het werd snel duidelijk waarom. De slapende man had zichzelf bevuild, zijn armen waren krampach­tig over zijn borst gevouwen en zijn knieën waren opgetrokken tot aan zijn kin.
    Amerie tilde een ooglid op en voelde zijn pols. ‘Jezus, hij is bijna catatonisch. Wat hebben ze met hem gedaan?’
    Ze zocht in haar bagage en haalde een klein injecteerinstrument te voorschijn dat ze tegen zijn slapen drukte. Toen het bolletje brak en de krachtige drug zijn bloedstroom binnenging, begon de bewusteloze man zwakjes te kreunen.
    ‘Er is een kans dat hij hierdoor weer bijkomt als hij niet te ver heen is,’ zei de non. ‘Kunnen jullie me ondertussen helpen hem schoon te maken?’
    ‘Goed,’ zei Felice, terwijl ze zich van haar wapenrusting begon te ontdoen. ‘Zijn spullen liggen hier. Hij moet andere kleren bij zich hebben.’
    ‘Ik haal water,’ zei Claude. Hij liep naar de wasruimte waar een stenen tank van water werd voorzien via een pijpleiding uit de fontein. Hij vulde een houten emmer en nam zeep mee en een stapel ruwe handdoeken. Terwijl hij tussen de slaapplaatsen door terug stommelde, keek een van de zigeuners hem aan. ‘Jij helpt je vriend, oude man. Maar hij is zo misschien beter af. Voor hen waardeloos!’
    Een vrouw met een kaalgeschoren hoofd greep zich aan hem vast. Ze droeg gekreukelde gele gewaden en haar Oosterse gezicht was overdekt met littekens, iets dat zeer ongewoon was. Misschien maakte dat deel uit van een religieuze traditie. ‘We wilden vrij zijn,’ kraste haar stem, ‘en deze monsters van een andere wereld proberen ons tot slaven te maken. En het ergste is, ze zien er nog menselijk uit ook.’
    Claude maakte zich van haar los. Hij probeerde het andere gefluister en geroep te negeren en ging rechtstreeks naar Richards slaapplaats.
    ‘Ik heb hem nog een dosis gegeven,’ zei Amerie grimmig. ‘Daar wordt hij van wakker of hij gaat eraan dood. Verdomme, hadden we maar iets om hem glucose toe te dienen.’
    De ridder gaf een luidkeelse brul. ‘Ze zadelen de elfenpaarden.
    We zullen snel op weg zijn naar Narnia!’
    ‘Ga eens kijken wat er aan de hand is, Claude,’ droeg Felice op.
    Hij baande zich een weg langs de anderen die zich ook naar buiten haastten en slaagde erin dicht bij de geperforeerde muur te komen. Stalknechten brachten chalicotheres paarsgewijs uit de stallen naar rijen palen waaraan ze werden vastgezet, terwijl andere bedienden stapels tuig aansleepten en een soort zadels op de ruggen van de dieren legden. Aan een van de zijden werden acht rijdieren apart gehouden, hun met brons beslagen tuig en de rest van hun uitrusting deed vermoeden dat deze voor de sol­daten waren bestemd.
    ‘Ze schijnen niet te denken dat we streng bewaakt moeten wor­den op dit reisje,’ zei een geamuseerde stem achter Claude. Het was Basil, de alpinist, die de werkzaamheden belangstellend gadesloeg. ‘Ah, kijk. Dat is de verklaring. Zie je hoe slim die stijgbeugels zijn ontworpen?’
    Er hingen bronzen kettingen van af, omwikkeld met leer die blijkbaar om de enkels moesten en dan los genoeg zaten om nau­welijks hinder te veroorzaken. Het zadelen nam nogal wat tijd in beslag en de zon zakte achter het kasteel al naar het westen. Het was duidelijk dat een nachtelijke tocht in de bedoeling lag, waar­schijnlijk om de hitte overdag te ontlopen. Een afdeling van vier soldaten, geleid door een officier, kwam aangemarcheerd en opende de poort. De soldaten droegen lichte bronzen helmen en losse wapenrustingen over gebleekte hemden en korte broeken. Ze waren gewapend met ingewikkeld samengestelde bogen, korte bronzen zwaarden en speren van vitredur. Toen de solda­ten naar binnen kwamen, weken de gevangenen achteruit. De officier begon op zakelijke toon te praten. ‘Reizigers! Het is bijna tijd om te vertrekken. Ik ben jullie kara­vaanleider, kapitein Waldemar. We zullen elkaar de komende week goed genoeg leren kennen. Ik weet dat jullie het moeilijk hebben gehad, sommigen tenminste die hier in de hitte hebben moeten wachten tot we compleet waren. Maar dat wordt nu spoedig beter. We gaan op weg naar het noorden, naar de stad Finiah waar jullie zullen gaan wonen. Dat is een goede plek, heel wat koeler dan hier. Het ligt op vierhonderd kilometer afstand en we zullen daar zes dagen voor nodig hebben. De eerste twee dagen reizen we ’s nachts vanwege de hitte, daarna reizen we overdag zodra we het Hercyniaanse Woud hebben bereikt. Luister allemaal goed. Maak het me niet moeilijk en dan krijgen jullie goed te eten op rustplaatsen langs de weg. Word lastig en ik halveer de rantsoenen. Maak me echt ongelukkig en dan is er helemaal geen eten. Reizigers die er wel voor voelen een ont­snappingspoging te wagen, moeten eerst maar even denken aan de fossiele dierentuin die buiten staat te trappelen om met rooie oogjes en slaande staarten op eenzame wandelaars af te gaan. We hebben sabeltandtijgers zo groot als superleeuwen en hyena’s met de afmeting van grijze beren. We hebben wilde zwijnen groter dan koeien die een been in één keer doorbijten. Er zijn rino’s en mastodonten die je onder de voet lopen zodra ze je zien. En vergeet de olifanten niet die een heel leuk spelletje ken­nen met hun slagtanden en later op de brokstukken stampen. Ze zijn maar vijf meter hoog vanaf de schouder, voor het geval je dat weten wilt. Mocht je toch aan die grote jongens ontsnappen, dan pakken de kleintjes je wel. Het water zit vol slangen en kro­kodillen. Er zijn giftige spinnen met lichamen zo groot als perzi­ken en tanden als van een gifslang. En als je aan de beesten ontsnapt, dan weten de Firvulag je wel te vinden die duivelsliedjes in je kop spelen tot je gek wordt of sterft van angst. Het is beroerd daarbuiten, reizigers. Het is niet het mooie Para­dijs waarover ze in 2110 hebben verteld. Maar niemand hoeft zich zorgen te maken zolang je in de buurt van de karavaan blijft. Jullie gaan rijden op die beesten die je hiernaast ziet. Het zijn chalicotheres, verre verwanten van het paard en wij noemen ze chaliko’s. Ze zijn slim en ze houden van mensen en met die klauwen aan hun lijf is er maar weinig dat ze probeert lastig te vallen. Wees dus lief voor je chaliko, hij is je vervoer en bescher­mer tegelijk.
    En nu, voor het geval iemand van jullie al rijdend in het woud wil verdwijnen, vergeet het maar. Deze halsbanden die wij soldaten dragen geven ons de controle over alle chaliko’s. Laat het sturen aan ons over. Er lopen getrainde beerhonden mee op de flanken van die karavaan en die weten dat elke rijder die ervandoor pro­beert te gaan, eerlijke buit is voor hen. Houd je dus rustig en dan maken we een mooi ritje samen.
    Goed. Pak nu allemaal je spullen bij elkaar. Je kunt het overpak­ken in de zadeltassen of het gewoon maar vastmaken aan de achterboog van je zadel. Ik heb begrepen dat twee van jullie dieren bij zich hebben. We hebben gevlochten manden waarin die kunnen meerijden. De vent die een zwangere geit heeft mee­gebracht . .. jouw dier zal hier moeten blijven. Het komt je later achterna met de wekelijkse bevoorradingskaravaan. De gereed­schappen, de wapens en de zwaardere dingen die we uit jullie bagage hebben gehaald, worden meegenomen op lastdieren. Het meeste daarvan krijgen jullie te zijner tijd terug als jullie je weten te gedragen.
    Alles duidelijk? Oké! Zorg dan dat jullie in rijen van twee over een half uur klaarstaan om weg te rijden. Wanneer je de bel hoort gaan, weet je dat je nog vijf minuten hebt en schiet dan als de donder op. Dat is alles!’
    Hij draaide zich om en marcheerde weg met de soldaten achter zich aan. Ze deden zelfs geen moeite om de poort weer te slui­ten.
    Onder elkaar mompelend begonnen de gevangenen naar de slaapzaal terug te keren om hun bezittingen bijeen te brengen. Erover nadenkend, begreep Claude dat het reizen ’s nachts nog een ontmoedigend bedenksel was om ontvluchtingen tegen te gaan en datzelfde gold voor de opgeblazen beschrijvingen van de fauna. Spinnen zo groot als perziken, notabene! Straks kwamen ze nog opdraven met de reuzenrat van Sumatra! Aan de andere kant waren de beerhonden natuurlijk een heel reële bedreiging. Hij vroeg zich af hoe snel die konden lopen op hun primitief ontwikkelde poten. En wat waren in godsnaam de Firvulag? Aan de andere kant van de binnenplaats kwam een andere groep onder bewaking uit de grote poort te voorschijn. Staljongens selecteerden zes rijdieren uit de grotere kudde en brachten die naar een platform dat blijkbaar het opstijgen moest vergemak­kelijken. Claude zag hoe een slank figuurtje in goudlamé werd geholpen bij het opstijgen en er was nog iemand anders in een vuurrood springpak en nog een derde ... ‘Aiken!’ schreeuwde de oude man. ‘Elizabeth. Ik ben het! Clau­de!’
    Het figuurtje in het rood begon te argumenteren met een in het blauw geklede kapitein. Het gesprek werd heftiger en heftiger en ten slotte begon Elizabeth met haar voeten te stampen en de kapitein haalde zijn schouders op. Vervolgens maakte ze zich los uit de groep en rende over de binnenhof terwijl de officier haar op zijn gemak achterna kwam. Even later wierp ze zich in de armen van de witharige paleontoloog.
    ‘Kus me,’ fluisterde ze buiten adem, ‘ik heb gezegd dat je mijn minnaar was.’
    Hij nam haar in zijn armen terwijl de soldaat hen nieuwsgierig en schattend opnam. ‘Ze brengen ons naar de hoofdstad, Muriah,’ zei Elizabeth. ‘Mijn psychische vermogens komen terug, Claude! Ik zal mijn best doen om te ontsnappen. Als dat lukt, probeer ik jullie te helpen, hoe dan ook.’ ‘Zo is het genoeg, Vrouwe,’ zei de soldaat. ‘Het kan me niet schelen wat Heer Creyn u heeft verteld. U moet u klaarmaken om te vertrekken.’
    ‘Tot ziens, Claude.’ Ze kuste hem nu echt, rechtstreeks op zijn mond voor ze met enige haast werd teruggebracht en een van de rijdieren besteeg. Een van de soldaten maakte de dunne ketens om haar enkels vast.
    Claude hief een hand op. ‘Vaarwel, Elizabeth.’ Uit een overdekte hoek achter het eigenlijke dierenverblijf kwam een vorstelijke figuur te voorschijn, rijdend op een sneeuwwitte chaliko met een rood en zilveren dekkleed. De kapi­tein salueerde. Vervolgens zwaaiden hij en twee andere soldaten zich in het zadel. Een commando weerklonk. ‘Iedereen klaar. Poort omhoog!’
    De stoet van tien ruiters verdween langzaam in de overwelfde doorgang van het poorthuis. Van verder weg weerklonk het opgewonden huilen van de beerhonden. De laatste gevangene in de rij keerde zich om en wuifde naar Claude voor hij in de schaduwen verdween.
    En voor jou ook, vaarwel, Bryan, dacht de oude man. Ik hoop dat je Mercy zult vinden. Op de ene manier of de andere. Hij ging terug naar de slaapzaal om Richard te helpen. Hij voel­de zich oud en vermoeid en bijzonder ontevreden over zichzelf.

7

    Zodra ze kasteel Doortocht hadden verlaten, begon de groep van tien ruiters twee aan twee te rijden. Creyn en zijn kapitein reden voorop, de twee overige soldaten sloten de stoet achter de kleine rij gevangenen. De zon ging net onder en ze reisden oostwaarts in de schemering, langzaam de geleidelijke helling afdalend die vah het hoger gelegen plateau naar de vallei van de Rhône en de Saône voerde.
    Elizabeth had het zich in haar zadel gemakkelijk gemaakt, haar ogen gesloten en de handen om de zadelknop gevouwen terwijl de teugels loshingen. Het was een geluk dat de chaliko geen leiding nodig had, want Elizabeth had zich helemaal overgege­ven aan luisteren.
    Luister .. . probeer niet te letten op de geluiden van de dieren op de zachte aarde. Let niet op de krekels of op de kikkergeluiden in de drassige laagten en de ondiepten van dit tafelland. Wees doof voor de avondzang van de vogels, het verre huilen van de hyena’s die zich klaarmaken voor de nachtelijke jacht, het gemurmel van de stemmen der overige rijders. Gebruik je oren niet, maar luis­ter met je hernieuwd ontwaakte psychische vermogens. Reik naar buiten zover je kunt. Zoek andere geesten, gelijk aan de jouwe, andere vérsprekers, andere alsjeblieft-God echte mensen. (Schaam je voor die arrogante gedachte, maar het is je voor één keer vergeven.)
    Luister, luister! Je herboren zintuig is nog niet volledig werk­zaam en toch zijn er dingen die al gehoord kunnen worden. Hier in de groep: het waakzame, buitenaardse brein van Creyn in gesprek met zijn kapitein, de duistere Zdenko. Het gesprek gaat verborgen achter een afscherming die door de halsring teweeg wordt gebracht; je zou er makkelijk doorheen kunnen breken maar doe het niet, ze zouden het merken. Sla Aiken en de andere gevangenen met hun zilveren halsring over, de man die Raimo heet en de vrouw Sukey. Hun onvolwassen mentale geruis krast over je geest als vioolgepiep van beginners in de oren van een virtuoos. Sla geen acht op de bewakers en de arme, bewusteloze Stein en Bryan wiens geest ze tot nu toe met rust hebben gelaten, maar die zichzelf al ketens heeft geschapen. Laat hen allen met rust, reis zover als je kunt.
    Luister achterwaarts naar het kasteel. Daar is een andere bui­tenaardse stem ... ja ... ze zingt. Klanken van zilver en grijs, antwoordend op de zwakke echo van de gouden stem. Luister voorwaarts, dichterbij die grote rivier naar dat complexe, vreem­de gemompel: opwinding, ongeduld, donkere, vreugdevolle ver­wachting, wreedheid. (Laat dat afschuwelijke maar vergeten zijn tot later.) Luister verder naar het oosten, het noorden, het noordwesten, het zuiden. Ontdek die andere concentraties die als amorfe, gouden klonteringen de aanwezigheid verraden van nog meer kunstmatig versterkte onaardse bewustzijnsvormen. Hun gedachten zijn nog te talrijk en onsamenhangend voor je net herstelde geest; hun harmonie en hun onverwachtse kracht­lijnen zijn zo vreemd en tegelijkertijd zo pijnlijk gelijk aan het metapsychische netwerk uit het o zo geliefde en verloren Bestel.
    Luister naar de afwijkingen! Zacht gebrabbel en kinderachtige uitbarstingen. Andere, niet-menselijke geesten, niet versterkt en misschien volkomen natuurlijk werkzaam? Wat? Wie? Waar? De gegevens zijn onvoldoende maar ze zijn met velen. Luister naar de flauwe sporen van angst- en pijnpatronen, van signalen die vertellen over verlies en onderwerping die God mag weten waarvandaan komen. Deins terug. Ga eromheen en er voorbij. Luister, luister.
    Dat daar! Een vluchtig contact uit het noorden dat uit lijkt te doven in een kramp van vrees zodra je het aanraakt. Tanu? Een menselijke vérspreker, kunstmatig versterkt? Roep nog eens, je ontvangt geen antwoord. Projecteer vriendschap, nog steeds geen antwoord. Misschien was het maar verbeelding. Luister zover als je kunt. Doorzoek dit hele Ballingschap. Broe­ders en zusters van de geest, is iemand van jullie hier te vinden? Is er iemand die met mij kan spreken op die unieke menselijke draaggolf die buitenaardsen niet verstaan? Antwoord Elizabeth Orme, vérspreekster, herstelster, zoekster . .. Antwoord! De aura van de planeet. Uitstralingen van lagere levensvormen. Mentaal gefluister van gewone mensen. Het gekakel van de Tanu en hun geringde handlangers. Een dubbelzinnig gemurmel van de andere kant van de wereld, vervagend als de restanten van een droom. Is dit werkelijk of slechts een echo? Probeer het terug te vinden, verlies het spoor weer. Blijf wanhopig hangen en weet dat het er nooit is geweest. De Aarde is stom. Treed buiten de keerkring van de planeet en luister naar de fre­quentie waar de zon haar gebrul laat horen, waar de ranke arpeggio’s van verre en dichtbije sterren weerklinken, vervuld van het leven van eigen planeten. Geen mensen nog met deze vermogens? Roep dan de Lylmik, die al oud waren in je eigen dagen, de breekbare scheppers van mentale wonderen ... maar zelfs zij bestaan nog niet. Roep de Krondaku, broeders in de geest ondanks hun afschuwelijk uiterlijk ... maar ook zij zijn nog een embryonaal ras, net als de Gi, de Poltroyanen en de ruwe Simbiari. Het levend universum is nog geen eenheid, de geest ligt nog gevangen in de materie. Het Bestel is nauwelijks aange­vangen en het Gezegende Diamanten Masker nog niet geboren. Er is niemand om te antwoorden. Elizabeth trok zich terug.
    Ze keek naar haar handen waar de diamanten ring die haar beroep symboliseerde vaag gloeide alsof hij de spot met haar dreef. Banale, mentale beelden spoelden over haar heen. Het goed leesbare innerlijke gemompel van de soldaat Billy over de verouderende maar bereikbare charmes van een herbergierster op een plek die Roniah heette. De andere bewaker, Seung Kyu, druk in de weer met plannen om te gokken bij een of andere wedstrijd waarvan de uitkomst nu zou kunnen worden veran­derd door de komst van Stein. De kapitein die pijngolven uitzond veroorzaakt door een gezwel in zijn oksel en verergerd door de bronzen borstplaat van zijn lichte wapenrusting. Stein, blijkbaar in slaap, gekalmeerd door zijn grijze halsring. Aiken en de vrouw die Sukey heet, die samen een ruw maar bruikbaar afweerscherm hebben geworpen over een handvol mentale dwaashe­den. Creyn, nu diep in gesprek met de antropoloog, over de evo­lutie van de Tanu-gemeenschap sinds het openen van de tijdpoort.
    Elizabeth weefde een schild waarachter ze rouwen kon, ontoe­gankelijk als de diamant van haar toekomstige patroonheilige. Toen het was voltooid, liet ze haar bittere verdriet en woede de vrije loop. Ze huilde om de ironie, gevlucht te zijn voor eenzaam­heid en berooidzijn, enkel om het hier in andere vorm opnieuw te ontmoeten. Opgesloten in de vurige cocon van haar verlies, dreef haar bewustzijn langzaam weg. Haar gezicht was zo kalm als dat van een standbeeld in het heldere licht van de Pliocene ster­ren en haar geest even onbereikbaar.
    ‘... het Schip kon niet weten dat deze zon binnen afzienbare tijd een periode van instabiliteit zou binnengaan, veroorzaakt door een dichtbije supernova. Binnen honderd jaar na onze aankomst was maar één op de dertig geboorten levensvatbaar. En van hen die geboren werden, was maar de helft normaal. Naar menselij­ke maatstaven gemeten is ons een lang leven beschoren, maar toch werden ze geconfronteerd met uitsterven tenzij de ramp op de een of andere manier kon worden verzacht.’ ‘Had je niet eenvoudig kunnen pakken en heengaan?’ ‘Ons Schip was een levend organisme. Het stierf heldhaftig door ons naar de Aarde te brengen waarbij het een sprong door de ruimte maakte die in de geschiedenis van ons ras nooit eerder was voorgekomen ... Nee, we konden niet meer vertrekken. We moesten een andere oplossing vinden. Het Schip en de Scheepsgade hadden de aarde voor ons uitgekozen omdat ons zaad ver­enigbaar was met dat van de hoogste levensvorm, de mensapen. Dat stelde ons in staat hen dienstbaar te maken met behulp van onze technologie ...’ ‘In slavernij te brengen, bedoelt u?’
    ‘Waarom gebruik je zo’n beschuldigende term, Bryan? Hebben jullie dat woord gebruikt voor je eigen handel met chimpansees of walvissen? De mensapen zijn nauwelijks intelligenter. Had je gewild dat we verder leefden in een soort Steentijd? We kwamen hier vrijwillig om een oude levensstijl te volgen die binnen ons eigen stelsel niet langer toelaatbaar werd geacht. Maar we ver­langden er niet naar om wortels en bessen te eten, levend in grotten.’
    ‘Dus jullie maakten slaven van de ramapithecus en gingen vro­lijk verder tot de zon vlekkerig begon te worden. En toen vonden jullie genetische ingenieurs ongetwijfeld een andere toepassing voor hen, veronderstel ik.’
    ‘Je moet onze technologie niet met de jouwe vergelijken, Bryan. In dit late stadium van ons ras zijn we tamelijk slechte technici, niet alleen op dat gebied. We waren in staat de vrouwelijke mensapen te gebruiken als broedstoven voor onze bevruchte eicellen, dat was alles. Onze voortplantingscijfers namen er maar nauwelijks door toe en het was op zijn best beter dan niets. Je kunt je voorstellen hoe de komst van menselijke tijdreizi­gers—genetisch volkomen met ons verenigbaar en vrijwel onge­voelig voor de gevolgen van de zonnestraling—ons het werk van de voorzienigheid leek te zijn.’
    ‘Oh, zeker. Maar je zult moeten toegeven dat de voordelen nogal naar één kant uitvallen.’
    ‘Ben je daar zo zeker van? Bedenk eens wat voor soort menselij­ke mislukkingen ertoe besluit hierheen te komen? Wij Tanu hebben hen heel wat te bieden. Betere dingen dan waarvan ze ooit gedroomd hebben zelfs, wanneer ze latent over psychische vermogens beschikken. En we vragen er zo weinig voor terug.’
    Iets begon Elizabeth te porren. Stop daarmee. Ramramram.
    Ram. Ramram. Kom te voorschijn help ik heb het verknoeid.
    Stop klein pikkend kindergeestje van een Aiken.
    RAM!
    Lastig insekt mep je dood Aiken! Val iemand anders lastig. RamboemWHRAM. Verdomme Elizabeth ze is bezig Stein overhoop te halen!
    Langzaam draaide Elizabeth zich in haar zadel om en keek naar de rijdster naast haar. Terwijl Aikens geest doorzeurde, richtte ze haar aandacht op die vrouwelijke vorm in donkere, wapperen­de gewaden. Een gespannen gezicht met plompe wangen en een knopneus. Donkere ogen, te dicht bijeengeplaatst om mooi te zijn, nu glazig van paniek.
    Elizabeth ging haar bewustzijn binnen zonder toestemming te vragen en overzag in een oogwenk de situatie, terwijl Aiken en de te laat gekomen Creyn gedwongen werden daarbuiten af te wachten. Sukey was in de greep van Steins dolgeworden geest, haar mentale gezondheid bijna overweldigd door de geestkracht van de gewonde man. Het was overduidelijk wat er was gebeurd. Sukey was een potentieel sterke maar latente herstelster en haar nieuwe zilveren halsring had dat vermogen operationeel gemaakt. Opgestookt door Aiken had ze haar vermogen willen testen door bij Stein naar binnen te glippen, ongetwijfeld ook aangetrokken door de schijnbare hulpeloosheid van die slapende reus. Ze was naar binnen gekomen onder de neurale laag die door de grijze halsring was bewerkt en die als het ware een bad vormde waarin de dolleman tot rust kon komen terwijl tegelij­kertijd de pijn van zijn wonden erin verdween. Daaronder had Sukey iets gezien van de armzalige staat waarin Steins onderbe­wustzijn verkeerde, oude, psychische gezwellen, maar ook nieu­we wonden rondom zijn gevoel van eigenwaarde, die te zamen een maalstroom van onderdrukte agressie opwekten. De verleiding was voor Sukey te groot geweest en haar gevoelens van mededogen hadden dat nog versterkt. Ze was begonnen aan een hopeloos slecht uitgevoerde herstellingsoperatie op Stein, vol vertrouwen dat ze in staat was hem te helpen. Maar het inwo­nende ego in die van pijn vervulde vikingsziel was opgevlogen en had haar aangevallen. Nu waren ze beiden verwikkeld in een afschuwelijke strijd tussen twee psycho-energieën en wanneer aan die strijd niet zo snel mogelijk een eind werd gemaakt, liep Sukey de kans voorgoed imbeciel te worden terwijl Steins per­soonlijkheid volkomen gedesoriënteerd kon raken. Elizabeth zond een vurig gedachtensignaal uit naar Creyn. Daarna dook ze naar beneden en vouwde de grote vleugels van haar eigen vermogens over het angstige tweetal uit. De geest van de jonge vrouw wierp ze zonder veel poespas naar buiten om daar opgevangen te worden door Creyn die tegelijkertijd met respect gadesloeg wat er verder gebeurde, een respect dat met iets anders gemengd werd naarmate het werk van Elizabeth vor­derde.
    Ze weefde beperkingen en weerstanden, dempte de psychische kolkingen en kalmeerde die razende poel van woede. Ze haalde de slordig opgebouwde wijzigingsstructuren weg die Sukey had ontworpen en die te naïef en te onbedachtzaam waren om bruik­bare kanalen te kunnen zijn voor een werkelijke catharsis. Ze benaderde zijn gewonde ego met liefdevolle aandacht, terwijl ze ondertussen de hoekigheid van zijn verwondingen wegnam en de beschadigde en verscheurde delen terugboog zodat het gene­zingsproces kon beginnen. Zelfs de veel oudere psychische abcessen zwollen onder die behandeling op en delen ervan bra­ken door zodat het gif door haar heen kon wegstromen. Vernede­ring en gevoelens van verwerping namen af. Het vader-monster schrompelde ineen en werd pathetisch menselijk en de moeder­minnares verloor iets van haar fantastische projectie. Stein, wakker geworden, keek in Elizabeths genezende spiegel en schreeuwde het uit. Daarna volgde rust. Elizabeth kwam weer te voorschijn.
    De groep ruiters was tot stilstand gekomen, iedereen dicht bij elkaar rondom Elizabeth en haar rijdier. Ze huiverde in de zwoe­le avondlucht. Creyn nam zijn eigen rood met witte mantel af en sloeg die om haar schouders.
    ‘Dat was geweldig, Elizabeth. Niemand van ons—zelfs Heer Dionket niet die toch de grootste is—had dit beter kunnen doen. Ze zijn beiden veilig.’
    ‘Het is nog steeds niet af,’ dwong ze zichzelf te zeggen. ‘Zijn weerstand is heel krachtig en zijn wil sterk. Ik had hier alle kracht voor nodig waarover ik nu beschik.’ Creyn raakte zijn eigen gouden halsring aan. ‘Ik kan door mid­del van zijn grijze band het neurale gebied van ontspanning nog verder verdiepen. Vannacht, wanneer we Roniah bereiken, kun­nen we meer voor hem doen. In een paar dagen zal hij hersteld zijn.’
    Stein, die niet eenmaal gedurende de hele metapsychische ver­warring had bewogen, liet nu een diepe zucht horen. De twee soldaten stegen af en veranderden het zadel zo dat er een hogere rugsteun door ontstond.
    ‘Hij loopt nu niet het gevaar eraf te vallen,’ zei Creyn. ‘Later kunnen we het hem gemakkelijker maken. Nu kunnen we maar beter doorrijden.’
    Bryan vroeg: ‘Zou iemand me misschien kunnen vertellen wat er allemaal aan de hand is?’ Zonder halsring was hij de enige die veel had gemist van wat er voorviel.
    Een stevige man met touwkleurig haar en een vaag Oosters uiterlijk, wees met een vinger naar Aiken Drum. ‘Vraag het die maar. Hij begon ermee.’
    Aiken grijnsde en draaide aan zijn zilveren halsring. Een paar spierwitte motten kwamen ineens uit de duisternis te voorschijn en begonnen een idiote halo te beschrijven rondom Sukey’s hoofd. ‘Alleen maar een klein beetje goeddoenerij dat slecht afliep.’
    ‘Laat dat,’ beval Creyn. De motten vlogen weg. De reusachtige Tanu sprak nu tegen Aiken op een toon van nauwelijks verhulde bedreiging. ‘Sukey deed het, maar het is duidelijk dat jij ertoe hebt aangezet. Je hebt jezelf geamuseerd door je vriend en deze onervaren vrouw aan groot gevaar bloot te stellen.’ Aikens narrenkop toonde geen spoor van berouw. ‘Ah. Maar ze leek sterk genoeg. En niemand dwong haar om met hem te rot­zooien.’
    Nu sprak Sukey zelf. Haar stem klonk koppig en overtuigd van zichzelf. ‘Ik probeerde alleen maar te helpen. Hij was er heel erg aan toe. Niemand van jullie kon dat blijkbaar schelen.’ ‘Dit was noch de plaats noch het moment om aan een moeilijke herstelling te beginnen,’ zei Creyn scherp. ‘Stein zou later behandeld zijn.’
    ‘Laat me dit goed begrijpen,’ zei Bryan, ‘probeerde zij z’n bewustzijn te veranderen?’
    ‘Ze probeerde hem te genezen,’ antwoordde Elizabeth. ‘En ik veronderstel dat Aiken haar aanzette om haar nieuwe metavermogens uit te proberen, precies zoals hij dat met de zijne aan het doen is. Maar ze kon het niet hanteren.’ ‘Houd ermee op over me te praten alsof ik een kind ben!’ riep Sukey uit. ‘Ik nam teveel hooi op mijn vork, oké. Maar ik bedoel­de het goed!’
    De touwkleurige man liet een ruwe lach horen. Zijn eigen zilve­ren band lag bijna geheel verborgen onder een hoog hemd van flanel. Hij droeg een zware keperbroek en houthakkerslaarzen met brede, uitstekende zolen. ‘Je bedoelde het goed! Dat wordt nog eens het grafschrift van de mensheid! Zelfs die vervloekte Madame Guderian bedoelde het goed toen ze mensen toestond naar deze hellewereld te reizen.’
    ‘De hel wordt het alleen maar als jij het daar naar maakt, Raimo,’ zei Creyn. ‘Nu moeten we verder rijden. Elizabeth, wil jij proberen Sukey iets duidelijk te maken over haar nieuwe vermo­gens als je je daartoe in staat voelt? Licht haar in elk geval in over de beperkingen die ze nu moet aanvaarden.’ ‘Dat kan ik inderdaad maar beter nu doen.’ Aiken reed dicht naast de mopperende Sukey en klopte haar met broederlijke gebaren op de rug. ‘Zo, liefje. De vroegere meesteresse in bewustzijnsverandering geeft jullie een vliegensvlugge cursus en dan kunnen jullie aan mij beginnen. Ik beloof dat ik jullie niet levend zal opvreten. We kunnen nog heel wat lol heb­ben terwijl jullie de kreukels uit mijn duivelse zieltje strijken.’
    Elizabeths geest reikte naar buiten en gaf Aiken een draai die hem luidkeels deed kreunen. ‘We hebben even genoeg van jou, jongetje. Ga maar oefenen op motten of egels of wat dan ook.’ ‘Motten zul je krijgen,’ beloofde Aiken duister. Hij dwong zijn rijdier naar voren over het brede pad en de stoet zette zich weer in beweging.
    Elizabeth opende zich voor Sukey, haar angsten en onbehaag­lijkheid verzachtend.
    Ik wil je graag helpen. Kleine zuster in de geest. Wees niet bang.
    Ja?
    (Eigenwijs, koppig venijn breekt langzaam af.) Oh, waarom niet. Ik heb er een verschrikkelijke bende van gemaakt. Allemaal voorbij. Ontspan je. Laat me je leren kennen . .. Sue-Gwen Davies, leeftijd zevenentwintig, geboren en opge­groeid op een van de laatste satellietkolonies rondom de Oude Wereld. Voormalig reclasseringstherapeute vol van een stoer soort medelijden en moederlijke zorg voor haar stukgelopen jon­ge cliënten. De jongeren van de satelliet waren een opstand begonnen, rebellerend tegen de kunstmatige levensstijl die hen door technocratische idealisten was opgelegd, terwijl het Bestel te laat had beslist dat de kolonie diende te worden opgeheven. Sukey Davies was er blij om geweest, ook al werd haar eigen baan daardoor overbodig. Ze voelde geen trouw voor deze satel­liet en geen toewijding aan een experiment dat zinloos was geworden op het ogenblik dat de Grote Interventie plaatsvond. Al haar dagen waren gevuld geweest met de zorg voor kinderen die zich koppig verzetten tegen de opvoeding die noodzakelijk was om het leven in deze rondcirkelende bijenkorf draaglijk te maken.
    Toen de kolonie werd opgeheven, kwam Sukey naar de Aarde, de wereld die ze zoveel lange en pijnlijke jaren beneden zich had gezien. Daar was vrede, daar bestond het paradijs. Ze was er zeker van. De Aarde was het Eden. Maar het werkelijke beloof­de land kon zich onmogelijk bevinden op die gemanicuurde oppervlakte vol drukke continenten. Het bevond zich binnen de planeet.
    Elizabeth kwam er snel achter. Sukey’s geest was redelijk intel­ligent, ze had een sterke wil en was vriendelijk. Haar latente vermogens waren sterk, maar dat om op afstand te voelen was beperkt. Sukey Davies was er bovendien van overtuigd dat de Aarde hol was! Antieke boekwerken op microfiches die door excentriekelingen en verveelde cultusaanhangers naar de satel­liet waren gesmokkeld, deden haar kennis maken met de ideeën van Bender en Giannini, Palmer, Bernard en Souza. Ze raakte gegrepen door het idee van een holle Aarde, verlicht door een kleine, centrale zon, een land van rust en onvoorstelbare goed­heid, bevolkt door dwergachtige wezens die ruimschoots beschikten over wijsheid en geluk. Hadden de ouden niet altijd verhalen verteld over het onderaardse Asar, Avalon, de Elyseese Velden, Ratmansu en Ultima Thule? Zelfs het boeddhistische Agharta werd verondersteld door tunnels in verbinding te staan met de lamakloosters in Tibet. Voor Sukey waren deze verhalen niet waanzinnig; zij woonde aan de binnenkant van een twintig kilometer lange cilinder die door de ruimte wentelde. Het was logisch dat ook de Aarde hol was!
    Dus kwam Sukey naar beneden op die Oude Wereld waar de mensen maar wat glimlachten wanneer ze hoorden wat zij zocht. Nogal wat van hen ontlastten haar van het smartegeld dat haar was uitgekeerd toen de kolonie werd opgeheven, onder het mom haar te helpen bij haar speurtocht. Ze ontdekte na langdurige persoonlijke onderzoekingen dat er geen door spiegels be­schermde openingen bestonden die bij de polen toegang gaven tot het planetaire binnenste, zoals sommige van die oude schrij­vers beweerden. Het lukte haar ook niet toegang tot die onder­wereld te verkrijgen via veronderstelde ingangen in de grotten bij Xizang. Ten slotte was ze naar Brazilië gegaan waarvan één schrijver had gezegd dat daar een tunnel naar Agharta begon in de verlaten Siërra do Roncador. Een oude Murcego Indiaan die een gerieflijke fooi rook, vertelde haar dat die tunnel inderdaad eens had bestaan, maar jammer genoeg ‘vele duizenden jaren geleden’ was afgesloten door een aardbeving. Sukey had die mededeling drie weken vol tranen bejammerd voor ze tot de conclusie kwam dat die opening alsnog te vinden moest zijn wanneer ze terug kon reizen in de tijd. Ze had zichzelf uitgerust in kleding die naar haar afkomst uit Wales verwees en was vol verwachting in het Plioceen aangekomen waar ... Creyn zegt dat zijn mensen hier het paradijs hebben gesticht! Oh Sukey.
    Jaja. En ik krachtig genezeres kan daarbij horen! Creyns belof­te!
    Rustig. Je kunt een belangrijk genezeres worden. Maar niet direct. Veel om te leren, liefje. Vertrouwluisterleer dan pas doen.
    Wil/nodig om te. Arme Stein. Andere arme donders wil ik hel­pen. Voel ze overal om ons heen voel jij dat ook? Elizabeth trok zich even terug uit de vogelachtige onvolwassen­heid van Sukey’s geest en voelde rond. Er was iets. Iets volkomen vreemds zover haar ervaring reikte en dat zich eerder op de avond al aan haar had geopenbaard als een nauwelijks merkbare glinstering langs de randen van haar waarnemingsvermogen. Wat was het? Maar het lukte haar niet een mentaal beeld te ontvangen dat zij kon identificeren. Nog niet. En dus zette Elizabeth dat probleem terzijde en keerde terug naar haar taak om Sukey instructies te geven. Dat was een moeilijk werk dat haar geruime tijd bezig zou houden en daar was ze dankbaar voor.

8

    Nog drie uren reed het gezelschap verder in de richting van de Rhöne door de donkerende nacht en toenemende koelte. Ze daalden af van een plateau langs een steil pad dat af en toe terug­week naar een woud dat zo dicht was begroeid dat het licht van de sterren niet meer zichtbaar was. De twee soldaten hadden grote fakkels ontstoken, een van hen reed voorop, de ander aan het eind van de colonne. Zo trokken ze verder oostwaarts terwijl vluchtige schaduwen hen leken te volgen vanonder de massieve, verwrongen bomen.
    ‘Spookachtig, hè?’ Aiken keek naar Raimo die naast hem reed. ‘Kun je je voorstellen hoe die grote, oude kurkeiken en kastanjes hun takken uitsteken om je te grijpen?’
    ‘Je praat als een gek,’ gromde de ander. ‘Ik heb twintig jaar lang in de diepste wouden gewerkt. Er is niks spookachtigs aan bomen.’
    Aiken was niet uit het veld geslagen. ‘Dus daar is die houthak­kersplunje goed voor. Maar als jij bomen zo goed kent, dan moet je toch ook weten dat botanici hen een primitief zelfbewustzijn toekennen? En denk je niet, hoe ouder de boom, hoe groter dat bewustzijn? Kijk eens naar die bomen om je heen. Ga me niet vertellen dat we op onze Aarde hardhout hadden met een door­snede van acht tot tien meter! Allemachtig, deze jonkies moeten duizenden jaren ouder zijn dan enige boom die wij hiervoor heb­ben gezien! Probeer naar ze te luisteren! Gebruik dat zilveren ding eens voor wat anders dan het verwarmen van je adamsap­pel. Oude bomen ... duivelse bomen! Voel je de rottige vibraties niet in dit bos? Ze konden er wel eens wat op tegen hebben dat we hier zijn. Misschien voelen ze wel dat over een paar miljoen jaar mensen als wij hen ondersteboven halen! Misschien haten die bomen ons wel!’
    ‘Ik geloof,’ zei Raimo met beheerste kwaadaardigheid, ‘dat jij mij net zo voor gek probeert te zetten als Sukey. Doe dat niet!’ Aiken voelde zich uit zijn zadel getild worden. Zijn geketende enkels hielden hem tegen als een gemartelde op de pijnbank. Maar hij werd hoger en hoger getrokken tot hij gevaarlijk dicht bij de takken kwam die over het pad hingen. ‘Hé! Het was maar een grapje en dit doet pijn!’
    Raimo grinnikte en oefende nog wat meer druk uit. Knijp. Span die ijskoude greep van je Fins-Canadese geest nog wat steviger en laat hem dan omlaagdonderen. Met een klap die de verontruste chaliko deed janken, viel Aiken in het zadel terug. Creyn draaide zich om en zei: ‘Je hebt een neiging naar wreedheid waar we iets aan zullen moeten verande­ren, Raimo Hakkinen.’
    ‘Ik vraag me af of heel jullie soort daar zo over denkt,’ merkte de vroegere houthakker onbeschoft op. ‘Hoe dan ook, zorg maar liever dat die kleine rat me niet meer lastig valt. Spookbomen!’ Aiken protesteerde. ‘In heel wat oude culturen geloofden ze dat bomen speciale krachten bezaten, waar of niet, Bryan?’ De antropoloog was geamuseerd. ‘Oh ja. In de antieke wereld van de toekomst was boomverering bijna universeel. De druïden bezaten een compleet alfabet om de toekomst te lezen, geba­seerd op bomen en struiken. En dat was blijkbaar een overblijfsel van een nog oudere religie rondom bomen, die haar wortels diep in het verleden had. De noorderlingen vereerden een machtige esdoorn die ze Yggdrasil noemden. Grieken droegen de as van bomen op aan de zeegod Poseidon. Berken waren heilig bij de Romeinen. De lijsterbes was voor Grieken en Kelten het sym­bool van macht over de dood. De meidoorn werd geassocieerd met seksorgieën in de meimaand en datzelfde gold voor de appel. Eiken waren voorwerpen van verering in heel Europa. Om de een of andere reden zijn eiken heel gevoelig voor onweer, daarom verbonden de ouden die boom met de naam van de dondergod. Grieken, Romeinen, Gallische Kelten, de Britten, Teutonen, Litauers, Slaven, allemaal hielden ze de eik voor heilig. In alle legenden uit de Europese landen vind je bovennatuurlijke wezens terug die in speciale bomen huisden of in de diepste wou­den. In Macedonië kenden ze de dryaden, in Stiermarken de vilya’s, de Germanen kenden das seligen Fraulein en de Franken hun dames vertes. Allemaal spruiten van het woud. Ook in Scan­dinavië kenden ze zulke wezens, maar ik ben de naam ervan vergeten…’
    ‘Skogsnufvar,’ zei Raimo onverwacht. ‘Mijn grootvader vertelde erover. Hij kwam van de Alanden waar de mensen Zweeds spre­ken. Ze zitten daar vol met stomme sprookjes.’ ‘Er gaat toch maar niks boven etnisch chauvinisme!’ kakelde Aiken. En dat veroorzaakte een nieuwe knokpartij toen de hout­vester weer zijn vergrote kinetische vermogen gebruikte en Aiken terugvocht met zijn eigen mentale overredingskracht, proberend Raimo te dwingen zijn eigen wijsvinger in de strot te steken.
    Ten slotte gaf Creyn een ongeduldige kreet. ‘Almachtige Tana, nou is het genoeg!’ Beide mannen kreunden van pijn, grepen zich vast aan hun zilveren halsring en doken toen in elkaar als afge­strafte schooljongens, stil maar zonder berouw. Raimo haalde een grote, zilverkleurige flacon te voorschijn en begon eruit te drinken. Aikens lippen krulden. ‘Hudson Bay Company Demerara, eenenvijftig procent gegarandeerd. Alleen voor volwassenen. Ga jij je maar zitten verbijten.’ Elizabeths koele stem vroeg: ‘Vertel ons wat over die Skogsnufvar, Bryan. De naam klinkt onheilspellend. Waren ze mooi?’ ‘Oh ja. Lang, golvend haar, verleidelijke lichamen ... en staar­ten! Zij waren onze standaard-archetypische bedreiging door de vrouwelijke anima. Ze lokten mannen de bossen in om met hen te slapen. En daarna waren de mannen volkomen in hun macht. Een man die probeerde te ontsnappen werd ziek en stierf of werd gek. Over de slachtoffers van de Skogsnufvar werd tot in de 20e eeuw in Zweden geschreven.’
    ‘In de folklore van Wales komen zulke schepsels ook voor,’ zei Sukey. ‘Maar die leefden in meren, niet in de bossen. Ze werden de Gwragedd Annwn genoemd. Ze dansten op het water op mistige, maanverlichte avonden en lokten reizigers naar hun onderwaterpaleizen.’
    ‘Het is een veel voorkomend thema,’ zei Bryan, ‘en de symboliek ligt voor de hand. Je gaat toch een beetje medelijden voelen met die mannelijke elfen. Het lijkt erop dat zij aardig wat van de lekkere, schuine lol moesten missen.’ De meesten begonnen te lachen, ook de bewakers. ‘Bestaan er dat soort legenden onder jouw volk, Creyn?’ vroeg de antropoloog. ‘Of komen in jullie cultuur verhalen over dat soort betoveringen niet voor?’
    ‘Daar was geen reden toe,’ zei de Tanu op onderdrukte toon. Elizabeth kwam op een vreemde gedachte. Ze probeerde een microscopisch kleine sonde door Creyns bescherming te krijgen zonder dat hij het merkte.
    Ah Elizabeth niet doen. Deze kleine spelletjes om macht dit gekrabbel naar overwicht.
    (Onschuldig ongeloof strafkleurige hoon.)
    Onzin. Ik ben oudvermoeid beschaafd van goede wil tegenover jou en de jouwen zelfs buitengewoon buigzaam. Maar anderen van mijn soort niet. Voorzichtig Elizabeth. Verwerp niet Tanu te makkelijk. Denk aan puffin.
    Puffin?
    Kindergedicht jouw volk van menselijke opvoeder onder ons lang geleden gestorven. Eenzame vogel at vissen van één soort huilend over eenzaamheid. Vissen boden vriendschap aan als vogel ze niet meer at. Voorstel geaccepteerd eetgewoonten ver­anderd. Vissen enige prooi in stad voor de puffin. Zoals jullie Tanu dat voor mij zijn?
    Bevestigd Elizapuffinbeth.
    Ze barstte uit in gelach en Bryan en de andere mensen keken haar in stomme verbazing aan.
    ‘Iemand,’ merkte Aiken op, ‘zit achter onze geesten om te fluis­teren. Mogen wij de grap ook horen, schatje?’ ‘De grap is ten koste van mij, Aiken.’ Elizabeth keerde zich naar Creyn. ‘We hebben een wapenstilstand. Voor het moment.’ Creyn boog het hoofd. ‘Sta me dan toe van onderwerp te veran­deren. We naderen nu de uiterwaarden van de rivier en daar zullen we de nacht doorbrengen in de stad Roniah. Morgen zet­ten we onze reis op een aangenamer wijze voort, per boot. We moeten binnen vijf dagen in de hoofdstad Muriah kunnen aan­komen wanneer de wind meezit.’
    ‘Zeilboten? Op een woeste rivier als de Rhöne?’ zei Bryan stom­verbaasd. ‘Of is het water kalmer in het Plioceen?’ ‘Dat zul je voor jezelf moeten beoordelen. Hoe dan ook, onze boten verschillen nogal van wat jullie gewend zijn. Wij Tanu zijn niet gesteld op reizen over het water. Maar met de komst van de mensheid werden praktische en veilige schepen ontworpen waar­door een uitgebreide riviervaart ontstond. We gebruiken de schepen niet enkel voor passagiersvervoer, maar ook voor de ver­scheping van vitale gebruiksartikelen vanuit het noorden—spe­ciaal uit Finiah en Goriah dat in het gebied ligt dat jullie Bretagne noemen—naar het zuiden waar het klimaat meer in overeen­stemming is met onze smaak.’
    ‘Ik heb een zeilboot meegenomen,’ zei de antropoloog. ‘Krijg ik toestemming om die te gebruiken? Ik zou dat Finiah en Goriah graag willen bezoeken.’
    ‘Zoals je zult zien is de reis stroomopwaarts per boot niet moge­lijk. In die richting gebruiken we karavanen bestaande uit chaliko’s of nog grotere lastdieren die heiladen worden genoemd. Ze lijken op giraffes met een korte nek. In de loop van je onderzoek zul je ongetwijfeld bezoeken brengen aan verschillende van onze bevolkingscentra.’
    ‘Zonder een halsring?’ onderbrak Raimo. ‘Zou je hem vertrou­wen?’
    Creyn lachte. ‘We hebben iets waarnaar hij verlangt.’ Bryan aarzelde, maar paste er wel voor op in het aas te bijten. ‘Die vitale levensbehoeften die jullie verschepen. Ik ne,em aan dat die voornamelijk uit voedsel bestaan?’ ‘In zekere zin. Maar dit Veelkleurig Land vloeit letterlijk over van eten en drinken. Het ligt allemaal voor het grijpen.’ ‘Mineralen dus. Goud en zilver. Koper en tin. IJzer.’ ‘IJzer niet. Dat hebben we in onze simpele technische economie nauwelijks nodig. Op de Tanu-werelden hebben we altijd ver­trouwd op de toepassingen van allerlei soorten onbreekbaar glas waar de mensen gewoon zijn ijzer te gebruiken. Het is opvallend dat jullie zelf in de afgelopen jaren dit veelzijdige materiaal meer en meer zijn gaan toepassen.’
    ‘Vitredur, natuurlijk. Toch lijken jullie soldaten nog de voorkeur te geven aan het traditionele brons voor hun uitrusting en hun wapens.’
    Creyn lachte bedaard. ‘Tijdens de begindagen van de tijdpoort leek het verstandig om menselijke soldaten niet meer toe te staan dan dat. Die beperking is inmiddels overbodig geworden, maar de mensen blijven een voorkeur houden voor dat metaal. Wij staan de bloei van een bronzen tijdperk toe voor zover dat niet strijdig is met onze eigen behoeften. De Tanu zijn een tolerant ras. We waren in staat in onze eigen behoeften te voorzien lang voor de mensen arriveerden en we zijn niet van hen afhankelijk in de vorm van slavenarbeid ...’
    Elizabeths gedachte doemde levensgroot in haar geest op. BEHALVE DAN VOOR DE VOORTPLANTING. ‘.. . want het zware en moeilijke werk, zoals in de mijnen en in de landbouw wordt door de mensapen gedaan behalve in de meest afgelegen nederzettingen.’
    ‘Deze rama’s, die mensapen,’ onderbrak Aiken, ‘ik heb ze rond­om het kasteel niet het vuile werk zien doen? Hoe komt dat?’ Ze zijn psychisch nogal kwetsbaar en hebben een rustige omge­ving nodig om hun werk met zo weinig mogelijk toezicht te kun­nen verrichten. Op Kasteel Doortocht is nogal wat onvermijde­lijke spanning…’
    Raimo liet een spottend gegrom horen.
    Bryan vroeg: ‘Hoe worden die schepsels onder de duim gehou­den?’
    ‘Ze dragen een vereenvoudigde uitvoering van de grijze hals­band. Maar ik heb liever niet dat je nu op een verklaring voor dit soort dingen aandringt. Wacht alsjeblieft tot we in Muriah zijn.’
    Ze waren een terrein binnengereden waar de bomen minder dicht opeenstonden en waar puntige rotsblokken oprezen aan de voet van een spaarzaam begroeide helling. Waar de top van de heuvel tegen de met sterren bezaaide hemel afstak, was een kleurige gloed zichtbaar.
    ‘Is dat de stad, daarboven?’ vroeg Sukey.
    ‘Dat zou niet kunnen,’ zei Raimo verachtelijk. ‘Kijk, het beweegt.’
    Ze hielden hun chaliko’s in en keken toe hoe de gloed veranderde in een dun snoer van licht dat met grote snelheid tussen de ver verwijderde silhouetten van de bomen doordanste. Het licht was veelkleurig, maar bestond in hoofdzaak uit goud, gemengd met blauw, groen en rood in een wilde dans van vonkende verwar­ring.
    ‘Ah,’ zei Creyn. ‘De Jacht. Wanneer ze deze kant uitkomen, kunnen jullie een mooi schouwspel zien.’
    ‘Het ziet eruit als een reusachtige regenboog van gloeiwormen die in volle vaart hierheen komt,’ zei Sukey ademloos. ‘Wat mooi!’
    ‘De Tanu tijdens hun spel?’ vroeg Bryan. Sukey liet een teleurgestelde kreet horen. ‘Ach ... ze verdwij­nen achter de heuvel. Wat zonde! Vertel ons wat de Jacht is, heer Creyn.’
    Op het gezicht van de buitenaardse man verscheen een ernstige uitdrukking. ‘Dat is een van de grote tradities van ons volk. Jullie zullen het nog heel wat keren zien. Maar het is beter wanneer jullie zelf uitvinden wat het is.’
    ‘En als we het goed doen,’ zei Aiken onbeschaamd, ‘mogen we dan meedoen?’
    ‘Mogelijk,’ antwoordde Creyn. ‘Het is niet de smaak van ieder mens. Zelfs niet van elke Tanu. Maar jij... ja, ik denk dat de Jacht jouw speciale gevoel voor sport wel zou aanspreken, Aiken Drum.’
    Een ogenblik lang waren zijn emoties voor Elizabeth duidelijk leesbaar: afkeer, vermengd met een eeuwenoud gevoel van wan­hoop.

9

    Richard zag vlammen.
    Ze kwamen in zijn richting of hij ging in de hunne en ze waren oranje en donkerrood en rezen als waaierende tongen recht omhoog in het vrijwel windstille duister. Hij zag dat het een stapel brandende struiken was, ongeveer ter grootte van een kleine hut, krakend en sissend, maar zonder von­ken. Het leek hem voorbij te komen, in te houden en dan weer te verdwijnen achter een groep duistere bomen die onzichtbaar in de nacht te voorschijn waren gekomen.
    Zijn nek deed pijn van het achterover leunen. Hij liet zijn hoofd voorover vallen. Er bevond zich iets groots recht voor hem uit, iets met lang haar dat ritmisch bewoog. Dat was heel vreemd! Hijzelf schommelde, maar hij werd stevig vastgehouden door een of ander tuig dat hem overeind hield. Zijn benen lagen onder een hoek voorwaarts, de kuiten rustten tegen iets dat hij niet kon waarnemen, zijn voeten tegen een soort sporten of treden. Zijn armen, verborgen in de vertrouwde mouwen van een meesterschipper en ruimtevaarder, lagen gevouwen in zijn schoot. Een raar sterreschip was dit, bepeinsde hij, met een harig bedie­ningspaneel. En ook met de omgeving deugde er iets niet, want het was zeker bijna dertig graden en er was stof in de lucht en het rook vreemd.
    Bomen? Een vuur? Hij keek om zich heen en zag sterren ... niet de sterren die je in de diepe ruimte behoorde te zien, maar kleine, twinkelende puntjes. Verder weg, in het zwart achter die besterde schaalvorm, was nog een ander licht te zien. ‘Richard? Ben je wakker? Wil je wat water?’ Wel, wel! Kijk es wie daar naast hem op de bestuurdersstoel van dit vreemde krat zat? Niemand anders dan die oude bottenjager! Hij zou toch gedacht hebben dat die niet meer in aanmer­king kwam. Hoewel, ze stelden misschien niet al te veel eisen als je boven de grond vloog ...
    ‘Richard, als ik je de veldfles aangeef, kun je hem dan zelf vast­houden?’
    De reuk van dieren, doordringende vegetatie, leer. Geluiden van krakend tuig, het geplof van poten, blazende ademhalingen, iets dat schreeuwde in de verte en de stem van die vasthoudende oude man naast hem. ‘Wil geen water,’ zei Richard.
    ‘Amerie zei dat je het nodig zou hebben als je wakker werd. Je bent uitgedroogd. Kom op, kerel.’
    Hij keek Claude in de duisternis wat beter aan. Deze was zicht­baar tegen het licht van de sterren en zat boven op een paardachtig beest dat met groot gemak voortsnelde. Heb je ooit! Hij zat zelf ook op zo’n ding! Daar waren de teugels, over de zadelknop voor hem en daar ... de nek van het schepsel. En het bewoog keurig rechtuit zonder iemand die er iets aan deed. Richard probeerde zijn benen op te trekken, maar merkte dat die op de een of andere manier in stijgbeugels vastzaten. Hij droeg niet langer zijn zeelaarzen en iemand had zijn operette­kostuum verwisseld voor dit ruimtevaarderspak met de vier stre­pen op de mouwen dat hijzelf onder in zijn bagage had ver­stouwd. En afgezien daarvan had hij een kater van werkelijk koninklijke allure.
    ‘Claude,’ kreunde hij, ‘heb je een borrel?’ ‘Niet voor jou, jongen. Niet voor de medicijn is uitgewerkt waar­mee Amerie je heeft volgespoten. Hier. Neem het water maar.’ Richard moest ver opzij buigen om erbij te kunnen en de besterde hemel tolde voor zijn ogen. Als zijn enkels niet waren vastgemaakt, was hij uit het zadel gevallen. ‘Jezus, Claude, ik voel me opgevreten en weer uitgespuugd. Waar zijn we en wat is dit voor een ding waar ik opzit?’ ‘We zijn vier uur bij het kasteel vandaan, we rijden naar het noorden, parallel aan de Saône. Voor zover ik weet rijd je op een groot exemplaar van de Chalicotherium goldfussi, die de inheemsen hier een chaliko noemen. Die beesten halen er hier op het plateau een aardige snelheid uit, misschien wel vijftien of zestien kilometer per uur. Maar we hebben nogal wat tijd verlo­ren met het oversteken van riviertjes rondom een klein moeras. Ik schat dat we dertig kilometer boven Lyon zitten, als er zoiets als Lyon bestond.’
    Richard vloekte. ‘En waar gaan we heen, in godsnaam?’ ‘Een of andere stad uit het Plioceen die Finiah wordt genoemd. Naar wat ze erover vertelden ligt het aan de Proto-Rijn in de buurt van Freiburg. We zullen daar in zes dagen zijn.’ Richard dronk wat van het water en merkte dat hij zeer dorstig was. Hij kon zich niets meer herinneren na de verwelkomende glimlach van Epone die hem haar kamer in het kasteel had bin­nengelokt. Hij probeerde weer bij zijn positieven te komen, maar het enige dat hij zich herinnerde waren flarden van dromen waarin zijn broer en zuster hem leken aan te manen op te staan omdat hij anders te laat op school zou komen. En als straf daar­voor zou hij eindeloos en voor altijd het grijze niets moeten door­kruisen, op zoek naar een verloren planeet waar Epone op hem zou wachten.
    Na een tijdje vroeg hij: ‘Wat is er met me gebeurd?’
    ‘We zijn er niet zeker van,’ antwoordde Claude. ‘Je weet toch dat er buitenaardsen in het kasteel waren?’
    ‘Ik herinner me een grote vrouw,’ mompelde Richard. ‘Ik denk dat zij iets met me heeft uitgehaald.’
    ‘Wat het ook was, je was urenlang buiten westen. Amerie kreeg je een klein eindje uit je bewusteloosheid zodat je tenminste samen met ons vervoerd kon worden in de karavaan. We dachten dat je dat zou verkiezen boven alleen achterblijven.’ ‘Christus, ja.’ Richard nam trage slokken van het water, leunde achterover en keek lange tijd naar de hemel. Daar waren een verdomde hoop sterren en parelachtige strepen van lichtende wolken in de richting van de horizon. Terwijl de karavaan een lange helling begon af te dalen, kon hij zien dat hij en de oude man aan het einde van een dubbele rij ruiters reden. Nu zijn ogen weer goed konden zien, ontdekte hij andere, donkere scha­duwen die aan weerszijden van de colonne met eigenaardige sprongachtige stappen voortgingen. ‘Wat zijn dat voor dingen daarbuiten?’
    ‘Amphycions die ons bewaken. Er zijn ook nog eens vijf soldaten, maar die nemen nauwelijks de moeite ons in de gaten te houden. Twee rijden achteraan en drie van voren, samen met de Verhe­ven Vrouwe.’ ‘De wart’
    ‘Epone zelf. Ze komt van Finiah. Deze buitenaardsen—ze heten trouwens Tanu—beschikken over wijd verspreide nederzettin­gen, ieder met een centrale stad en omringende plantages. Ik veronderstel dat wij mensen voor hen slaven of dienaren zijn op een paar na die speciale privileges genieten. Blijkbaar wordt de wekelijkse oogst aan tijdreizigers op kasteel Doortocht om de beurt naar een van die steden gezonden, nadat de uitzonderin­gen er zijn uitgezeefd die naar de hoofdstad gaan. En zonder de ongelukkigen natuurlijk die gedood zijn terwijl ze probeerden te ontsnappen.’
    ‘En wij zijn geen uitzonderingen, neem ik aan.’ ‘Wij horen tot de ordinaire veestapel. Amerie en Felice zijn ook in de karavaan. Maar vier van de andere Groenen zijn eruit gehaald en naar het zuiden gezonden om een mooie tijd te heb­ben. Groep Groen is in dat opzicht naar het schijnt buitenge­woon. Uit de hele rest van het wekelijkse contingent zijn maar twee anderen voor de hoofdstad geselecteerd.’ Terwijl ze verder reden, vertelde de oude man Richard zoveel hij kon over de gebeurtenissen van die dag en het veronderstelde lot van Aiken, Elizabeth, Bryan en Stein. Hij gaf ook een samenvat­ting van Waldemars kleine toespraak voor hun vertrek en vertel­de met enige tegenzin wat de toekomst speciaal voor de vrouwen in petto had.
    De vroegere ruimtevaarder stelde een paar vragen en bleef toen stil. Jammer dat de non in een harem voor buitenaardsen terechtkwam. Ze was goed voor hem geweest. Aan de andere kant, die ijskoningin van een Elizabeth had een goed opwar­mertje nodig. En Felice, dat sluwe, kleine kreng...! Richard had haar in de herberg een onschuldig klein voorstel gedaan en ze had hem ervan langs gegeven op een manier waar de honden geen brood van lusten. Verdomd, pesterig klein hoertje! Hij hoopte dat die buitenaardsen pikken hadden zo groot als baseballknuppels. Dat was precies wat haar toekwam. Ze werd er misschien nog een echt wijf door ook.
    De karavaan bewoog gestaag de helling af, nu iets meer naar het noordoosten en daardoor dichter naar de rivier. Het vuurbaken was hun geleide. Claude wist te vertellen dat soortgelijke vuren om de twee kilometer de hele weg vanaf het kasteel hadden gemarkeerd. Er reed blijkbaar een groep verkenners vooruit over hetzelfde pad, die de klaarliggende vuren ontstaken zodra zij er waren gepasseerd.
    ‘Ik geloof dat ik daar beneden een gebouw zie,’ zei Claude. ‘Mis­schien is dat de plek waar we even rust krijgen.’ Richard hoopte hartgrondig dat dat zo was. Hij had veel te veel water gedronken.
    Aan het hoofd van de stoet weerklonk de drietonige roep van een hoorn. Vanuit de verte kwam de echo terug. Na een paar minu­ten maakte ongeveer een dozijn kleine lichtvlekjes zich los van het grote vuurbaken in de verte en naderde de karavaan in een slingerende lijn: rijders met toortsen die hem kwamen escorte­ren.
    Tegen de tijd dat beide groepen samenkwamen, konden Claude en Richard zien dat het vuurbaken was ontstoken buiten de muren van iets dat het meest leek op een ouderwets Amerikaans fort. Het stond op een uitstekende rotswand boven een door bomen omgeven waterloop die ongetwijfeld in de Saöne uit­kwam. De karavaan stopte even en Vrouwe Epone en Waldemar reden naar voren om het escorte te begroeten. In het toortslicht bewonderde Richard onbekommerd de statige Tanu-vrouw die op een witte chaliko van ongewone grootte reed en een donker­blauwe mantel met een kap droeg die achter haar aan zwierde. Na een korte samenspraak, reden twee soldaten uit het fort opzij van de karavaan en dreven op een of andere manier de amphycions bijeen. De beerhonden werden daarna over een zijpad weg­geleid, terwijl de rest van het escorte zich opstelde naast de kara­vaan voor het laatste deel van hun reis. Een deur in de palissade zwaaide open en twee aan twee reden ze naar binnen. De rijdie­ren van de gevangenen werden aan palen gekluisterd die vlak voor dubbele troggen met water en voedsel stonden. Aan één kant van elke chaliko bevond zich een verhoging die het afstijgen makkelijker maakte. Nadat de soldaten hun kettingen hadden losgemaakt, stegen de reizigers met stijve spieren af en verza­melden zich tot een onrustig groepje dat direct door Waldemar werd toegesproken.
    ‘Reizigers, attentie allemaal! We rusten hier een uur, daarna gaan we acht uur door tot in de vroege morgen.’ Iedereen mom­pelde. ‘Latrines vind je in het kleine gebouw achter je, eten en drinken in het grotere gebouw daarnaast. Ieder die ziek is of wat te klagen heeft, komt naar mij toe. Maak je klaar om op te stij­gen als je het hoornsignaal hebt gehoord. En niemand komt ach­ter deze railing vandaan. Dat is alles.’
    Epone, nog steeds op de rug van haar rijdier, manoeuvreerde haar chaliko elegant door de kleine groep tot ze ver boven Richard uittorende.
    ‘Ik ben blij te zien dat je weer beter wordt.’
    Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Ik voel me weer prima. En het is fijn om te weten dat u een dame bent met hart voor haar kudde.’
    Ze gooide haar hoofd achterover en lachte, watervallen van geluid die klonken als de diepe akkoorden van een harp. Haar gedeeltelijk verborgen haar glansde in het toortslicht. ‘Het is echt jammer van jou,’ zei ze, ‘je hebt meer fut dan die suffige Middeleeuwer.’
    Ze keerde haar rijdier en reed naar de tegenoverliggende zijde van de omheining waar ze door onderdanige mannen in witte tunieken uit het zadel werd geholpen.
    ‘Wat was dat allemaal?’ vroeg Amerie die met Felice was komen aanlopen.
    Richard keek woest. ‘Hoe moet ik dat verdomme weten.’ Hij strompelde weg naar de latrines.
    Felice keek hem na. ‘Zijn al je patiënten zo dankbaar?’
    De non lachte. ‘Hij komt weer helemaal in orde. Je weet dat ze beter worden als ze weer zin hebben om je kop eraf te bijten.’
    ‘Het is alleen maar een stomme zwakkeling.’
    ‘Ik denk dat je het mis hebt,’ zei Amerie. Maar Felice snoof woedend en liep weg. Later, toen de twee vrouwen met Claude zaten te eten, kaas, koud vlees en maïsbrood, kwam Richard terug en bood zijn verontschuldigingen aan.
    ‘Denk er maar niet meer aan,’ zei de non. ‘Kom bij ons zitten en eet. We moeten wat met je bepraten.’
    Richards ogen werden kleiner. ‘Ja?’
    ‘Felice heeft een plan om te ontsnappen,’ zei Claude zachtjes, ‘maar er zijn problemen.’
    ‘ ’t Is niet waar?’ brulde de piraat luidkeels.
    De kleine ringhockeyspeelster nam zijn hand en drukte heel hard. Zijn ogen puilden uit en hij perste zijn lippen op elkaar.
    ‘Niet zo hard,’ zei Felice.
    ‘Het probleem is niet de ontsnapping, maar daarna. Ze hebben ons de kaarten en kompassen afgenomen. Claude weet door zijn paleontologische studie van zo’n honderd jaar geleden ongeveer hoe dit deel van Europa eruitzag, maar daar schieten we weinig mee op als we ons niet kunnen oriënteren terwijl we op de vlucht zijn. Kun jij ons daarbij helpen? Heb jij die grootschalige kaart van Frankrijk bestudeerd toen we nog in de herberg waren?’ Ze liet zijn hand vallen en Richard keek naar de wit weggetrok­ken huid en staarde haar daarna vol venijn aan. ‘Nee. Ik ging ervan uit dat daarvoor genoeg tijd zou zijn als we hier aankwa­men. Ik had een compenserend kompas meegenomen, een sex­tant met een computer, alle kaarten die ik nodig had. Maar ik neem aan dat dat allemaal in beslag is genomen. De enige route waar ik naar gekeken heb, is die naar het westen, naar Bor­deaux.’
    Felice gromde van weerzin. Claude bleef een vreemdzame toon aanslaan. ‘We denken dat jij veel van navigatie moet afweten. Er moet een manier zijn waarop we ons hier oriënteren kunnen. Kun jij de poolster voor ons vinden? Dat zou al een hele hulp zijn.’
    ‘Een fregat van de ruimtevloot ook,’ snauwde Richard, ‘of anders Robin Hood en zijn vriendjes.’
    Felice stak haar handen weer naar hem uit en Richard week haastig achteruit. ‘Kun je het, Richard?’ vroeg ze, ‘of heb je die strepen op je mouw alleen voor goed gedrag?’ ‘Dit is niet mijn thuisplaneet, lekkertje. En die oplichtende nachtwolken maken het er niet gemakkelijker op.’ ‘Dat komt door het vulkanisme,’ zei Claude. ‘Er zit nogal wat stof in de bovenste atmosfeer. Maar de maan is op en andere bewolking is er niet. Denk je dat je haar kunt fixeren tussen het komen en gaan van die lichtende strepen door?’ ‘Misschien,’ mompelde Richard. ‘Maar waarom ik me daar voor de donder druk over zou moeten maken, ontgaat me . .. Wat ik wel es wil weten, wat is er met mijn piratenpak gebeurd? Wie heeft me dit aangetrokken?’
    ‘Het was er,’ antwoordde Felice lievig, ‘en jij had het nodig. Zwaar nodig. Dus konden we niet anders. Je doet alles om een vriend te helpen.’
    ‘Je raakte aardig onder de viezigheid bij een vechtpartij, ginds in het kasteel,’ zei Claude haastig. ‘Ik heb je zo’n beetje schoonge­maakt en je andere kleren gewassen. Ze hangen aan de achter­kant van je zadel. Ze zouden nu droog moeten zijn.’ Richard keek de meesmuilende Felice onderzoekend aan, toen bedankte hij de oude man. Een gevecht? Met wie had hij gevoch­ten? En wie had er zo verachtelijk tegen hem gelachen? Een vrouw met ogen waar je in verdrinken kon. Maar niet Feli­ce...
    Amerie zei: ‘Probeer alsjeblieft de poolster te vinden als je je er goed genoeg voor voelt. We hebben op deze hoogte nog maar één nachtreis voor de boeg. Daarna gaan we naar beneden en reizen overdag. Het is belangrijk, Richard.’
    ‘Oké, oké,’ gromde hij. ‘Ik denk dat niemand van jullie Aardwor­men me kan vertellen op welke breedtegraad Lyon ligt?’ ‘Ongeveer op de vijfenveertigste noordelijk, denk ik,’ zei Claude. ‘Wat ik me van de hemel boven de herberg herinner, kwam ten­minste overeen met thuis in Oregon toen ik een jongen was. Jam­mer dat we Stein niet bij ons hebben. Die zou het weten.’ ‘Een ruwe schatting is goed genoeg,’ zei Richard. De non hief haar hoofd op. Van buiten kwam het geluid van een hoornsignaal. ‘Wel, daar gaan we dan weer. Geluk, Richard.’ ‘Duizendmaal dank, Zuster. Als we een ontsnappingsplan gaan volgen dat deze meid gaat verzinnen, dan zullen we het nodig hebben.’
    Ze reden de hele nacht door van het ene verlichte baken naar het andere over een pad met aan hun rechterhand de riviervallei en in het zuidwesten de verspreide kleine vulkanen van de Limagne die van tijd tot tijd rossig opgloeiden. Sterrenbeelden die voor de mensen van de 22e eeuw volkomen ongewoon waren, bedekten de hemel. Veel van die sterren waren dezelfde die ook in de toe­komst zichtbaar zouden zijn, maar hun afwijkende banen had­den het vertrouwde hemelpatroon van alle herkenning ontdaan. Er stonden sterren aan die hemel van het Plioceen die gedoemd waren te sterven voor het Galaktisch Bestel zijn vorm kreeg; andere die mensen uit die tijd wel kenden, waren nu nog duister en verborgen in hun baarmoeders van stofnevels. Richard keek onverschillig naar de hemel van het Plioceen. Hij had heel wat verschillende hemels gezien. Als hij maar voldoen­de tijd had en een vast uitgangspunt voor observatie, dan zou het vinden van de lokale poolster eenvoudig genoeg zijn, zelfs zonder instrumenten. Enkel het feit dat ze zich op diereruggen voortbe­wogen terwijl het snel moest gebeuren, maakte de zaak wat inge­wikkelder.
    Goed. Als die oude fossielengek gelijk had over de breedtegraad en als ze inderdaad over dit pad vrijwel naar het noorden koer­sten zoals Claude veronderstelde, dan moest, gezien de ligging van het landschap, de poolster zich ergens halverwege het zenit en de horizon bevinden ... daar!
    Hij had een paar stevige takken vanuit het fort meegenomen en bond die nu samen tot een soort kruis met behulp van een haar uit de manen van de chaliko. Het vizier dat daardoor ontstond was hopelijk niet te klein.
    Terwijl hij zo ging zitten dat de bewegingen van zijn rijdier zo weinig mogelijk zijn waarneming verstoorden, hield hij het kruis op armlengte voor zich uit en zette de verticale as op één lijn met het rechte pad voor hem, centrerend op een ster die verleidelijk genoeg leek om de juiste te kunnen zijn. Tegelijkertijd onthield hij zorgvuldig de posities van vijf andere, eveneens heldere ster­ren binnen het kwadrant van zijn kruis en ontspande zich toen. Over drie uur, wanneer de rotatie van de planeet de posities van deze zes sterren licht had gewijzigd, zou hij opnieuw een meting verrichten. Zijn bijna fotografische geheugen zou een vergelij­king maken van de veranderde hoeken en met een beetje geluk zou hij dan het imaginaire middelpunt moeten kunnen vinden waar al de sterren aan deze hemel omheen draaiden. Dat mid­delpunt moest de pool zijn. En daarbij, of vlak daarbij moest de ster te vinden zijn die de lokale poolster mocht worden genoemd.
    Hij zou dan zijn kruis opnieuw op dat punt richten en proberen de positie van de pool te bepalen door metingen met een tussen­tijd van twee uren. Lukte dat niet, dan zou hij het morgennacht opnieuw moeten proberen met langere tussenpozen. Richard zette zijn chronometer op 0330 uur, blij dat hij geen gevolg had gegeven aan de impuls het ding in de rozentuin van Madame Guderian weg te gooien, op die regenachtige ochtend toen hij zijn eigen universum achter zich liet. Dat was minder dan twintig uur geleden.

10

    Hoewel Creyn hem gedeeltelijk had ingelicht over wat hij kon verwachten, vond Bryan de werkelijkheid van de stad Roniah aan de oever van de rivier toch nog overweldigend. De groep ruiters stond er plotseling tegenover, nadat ze eerst een bochtig spoor hadden gevolgd door een donkere kloof waar de toortsen van de soldaten maar amper het nauwe pad verlichtten dat in de zandsteen was uitgehakt. De karavaan kwam van hieruit op een hoogte die uitzicht bood op de samenloop van de Saône en de Rhöne. De stad lag op de westelijke oever, juist ten zuiden van zwaar beboste rotspartijen waar de twee grote rivieren elkaar ontmoetten.
    Roniah was gebouwd op een plateau dat aan het water grensde. Rondom de voet van die heuvel slingerde zich een aarden wal die door een dikke, versterkte muur werd bekroond. Daar bovenop, glinsterend als een snoer oranje kralen, bevonden zich vuren op kleine onderlinge afstanden. Hoge, vierkante wachttorens sprongen uit die muur te voorschijn, niet meer dan honderd meter van elkaar verwijderd. En ook die wachttorens waren ver­licht, tot en met de van schietgaten voorziene kantelen, de ven­sters en de hoeken van de muren. De massieve stadspoort was tot in vrijwel elk detail door lampen verlicht. Naar die poort voerde een brede, door zuilen omringde heirbaan van een halve kilome­ter lengte; op iedere pilaar stond een grote, brandende toorts. In het midden werd die weg doorsneden door een oplichtend, geo­metrisch patroon dat een gazon met lampen zou kunnen zijn. Vanuit het gezichtspunt van de karavaan, hoog boven de stad, kon Bryan zien dat de stad niet dicht bevolkt kon zijn. De voor­namelijk kleine huizen bevonden zich langs brede, bochtige stra­ten. Het was reeds lang na middernacht en daardoor waren de meeste huizen niet meer verlicht, maar op de hoeken van de daken waren kleine vuren zichtbaar en de borstweringen langs de huizen werden eveneens verlicht door duizenden op gelijke afstanden geplaatste lampen. Dichter bij de rivieroever waren een aantal grotere gebouwen te zien met slanke torens van ver­schillende hoogten. De muren en de hoofdlijnen van die gebou­wen waren even helder verlicht als de stadspoort; nu echter niet door het van olie afkomstige oranje, maar in blauw, heldergroen, aquamarijn en bruingeel.
    ‘Het lijkt wel een sprookje,’ zei Sukey ademloos van bewonde­ring, ‘al die kleine, glinsterende lichtjes!’ ‘Iedere inwoner is verplicht aan de stedelijke verlichting bij te dragen door het onderhouden van eigen huislampen,’ zei Creyn. ‘De meest gebruikte olie is olijfolie die in overvloed beschikbaar is. De grotere gebouwen van de Tanu worden verlicht door inge­wikkelder lampen die hun energie krijgen door het accumuleren van overtollige psychische emanaties.’
    Ze reden naar beneden waarbij ze het pad bleven volgen totdat het uitkwam op een weg die met granietblokken was bestraat, een pad dat zich tot bijna tachtig meter verbreedde voor het aansloot op de door zuilen geflankeerde avenue. Tussen de grote pilaren stonden keurige framewerken van bamboe die onderling vierkanten vormden en van elkaar waren gescheiden door struik­gewas en groepjes palmbomen. Creyn legde uit dat hier elke maand een buitenmarkt werd opgezet waar de goederen van lokale ambachtslieden werden verkocht, maar ook de luxe produkten die van overal door karavanen werden aangevoerd. Eens per jaar was er een grote jaarmarkt die mensen uit heel West-Europa aantrok.
    ‘Is er geen dagelijkse markt voor voedsel?’ wilde Bryan weten. ‘Vlees is de hoofdbron,’ antwoordde Creyn. ‘Beroepsjagers, alle­maal mensen, brengen grote hoeveelheden jachtbuit binnen in de plantages die meer noordelijk liggen. Dagelijks wordt deze met schepen stroomafwaarts gezonden naar stedelijke distribu­teurs, te zamen met graan, fruit en andere plantageprodukten zoals olijfolie en wijn. Het meeste werk op die plantages wordt weer door de rama’s verricht. In het verleden hadden wij daar zelf de supervisie. Nu wordt dat bijna overal door mensen gedaan.’
    ‘En er schuilt geen potentieel gevaar in zo’n overeenkomst?’ vroeg Bryan.
    Creyn glimlachte, de flikkerende stadslichten leken vonken te schieten in zijn diepliggende ogen. ‘Geen enkel. Alle mensen op belangrijke posities dragen een halsring. Maar probeer te begrij­pen dat invloed van onze kant maar zelden nodig is. Op een paar werkelijk ernstig gestoorden na, is deze wereld van Ballingschap een heel gelukkige.’
    ‘En voor de vrouwen?’ informeerde Elizabeth. De niet uit het veld geslagen Tanu zei: ‘Zelfs de minste vrouw zonder enige psychische vermogens is volstrekt vrijgesteld van onaangename arbeid. Ze kunnen zich bezighouden met een beroep dat ze zelf hebben uitgekozen of hun tijd met nietsdoen doorbrengen. Ze kunnen zichzelf vermaken met menselijke min­naars. Er is maar één restrictie, hun kinderen worden door ons verwekt. De meer gelukkigen die een genetische code hebben waardoor hun psychische vermogens werkzaam kunnen worden gemaakt, genieten van een positie vol privileges. Zij worden in onze gemeenschap op proef als gelijken aanvaard. Zij die hun trouw aan de Tanu hebben bewezen, kunnen te zijner tijd hun zilveren band inruilen voor een gouden.’ ‘Zowel de mannen als de vrouwen?’ vroeg Aiken, zijn lippen nerveus bewegend.
    ‘Zowel mannen als vrouwen. Ik ben er zeker van dat jullie onze voortplantingsstrategie zullen gaan waarderen. We versterken ons eigen ras tegen de invloeden van de plaatselijke straling, we voegen ook aan jullie genen de mogelijkheid van werkzame psy­chische vermogens toe. Uiteindelijk hopen we zo de beschikking te krijgen over volledig werkzame metapsychici...’ hij knikte naar Elizabeth ‘... zoals jullie dat zelf over zes miljoen jaar zullen doen. We zullen dan bevrijd zijn van de beperking die de halsringen toch opleggen.’
    ‘Een groots plan,’ zei Elizabeth. ‘Hoe breng je dat in overeen­stemming met de werkelijkheid van de toekomst van deze pla­neet ... zonder Tanu?’
    Creyn glimlachte. ‘De Godin beschikt. Zes miljoen jaar is een lange tijd. Ik denk dat wij Tanu dankbaar zijn wanneer we een stukje daarvan de onze mogen noemen.’ Ze kwamen nu dichter bij de stadspoort die zeker twaalf of der­tien meter breed was en twee maal zo hoog, samengesteld uit reusachtige balken die zwaar met brons waren verstevigd, “s Nachts is er hier blijkbaar niet veel te doen,’ gaf Aiken als commentaar.
    ‘Er zijn wilde dieren en nog andere gevaren,’ zei Creyn. ‘De nacht is geen tijd voor mensen om buiten te zijn, tenzij ze bezig zijn voor de Tanu.’
    ‘Interessant,’ zei Bryan. ‘Deze stadsmuur en de wallen moeten bijzonder effectief zijn tegen bijna elk soort indringers. Maar als bescherming tegen wilde dieren lijkt het zwaar overdreven, zelfs nog wanneer die agressie afkomstig zou zijn van menselijke zwervers, van wie er een aantal zijn, naar ik heb begrepen.’ ‘Oh ja,’ gaf Creyn toe met een bagatelliserend gebaar van zijn hand. ‘Maar dat veroorzaakt niet meer dan een beetje onge­mak.’
    ‘Waar zijn die versterkingen dan wel tegen bedoeld?’ ‘De Firvulag,’ zei Creyn, ‘die zijn er altijd.’ Ze kwamen tot stilstand vlak voor de poort. Boven de poortboog bevond zich hetzelfde masker in goud dat ook de ingang van kasteel Doortocht versierde. Kapitein Zdenek reed, vergezeld door een soldaat met een toorts, naar een overschaduwde nis in de muur en maakte een stevige ketting los die naar beneden hing vanaf de binnenkant van de stenen boog. Aan het einde van de ketting zat een in metaal gevatte stenen bal met een doorsnede van een halve meter. Zdenek reed met de bal een klein eind terug, mikte en liet daarna de bal aan de ketting naar de poort­deur zwaaien. Daar kwam hij terecht tegen een zwart geworden bronzen plaat die in het hout was gezet en toen weerklonk een diep bonzend geluid als van een geweldige kerkklok uit de Oude Wereld. Nog terwijl de soldaat de terugkaatsende bal weer ving en terugbracht naar de nis, zwaaide de reusachtige deur al open.
    Creyn reed alleen voorwaarts, in zijn volle lengte rechtop in het zadel waardoor zijn rood met witte gewaden achter hem aan golfden op de windvlaag die door de verder opengaande poort kwam. Hij schreeuwde drie woorden in zijn eigen taal en bracht tegelijkertijd een ingewikkeld mentaal beeld over dat Elizabeth en de andere ringdragende mensen niet konden ontcijferen. Twee afdelingen menselijke soldaten met gepluimde helmen vormden een wacht aan weerszijden van de geopende poort. Hun gegraveerde bronzen wapenrustingen blonken als goud in het licht van de ontelbare brandende lampen. Daarachter, langs de verder volkomen verlaten straten, stonden aan weerszijden tot bijna aan het volgende blok huizen, de rama’s. Ieder van de klei­ne apen droeg een metalen band en een blauw met gouden man­tel. Ieder droeg een staf van glasachtig materiaal waaraan een blauw of amber licht ontsprong.
    Creyn en zijn gevolg reden langs de rijen apen en de kleine die­ren draaiden zich om en liepen mee langs de flanken van de chaliko’s, een escorte dat de ruiters door de straten van de sla­pende stad begeleidde. Op een plein, waar een fontein overvloe­dig water liet neerkomen op drijvende lantaarns, nam kapitein Zdenek met een saluut afscheid van Creyn en reed met zijn man­schappen Billy en Seung Kyu in de richting van een slecht zicht­bare barak. Hun werk was voor die nacht ten einde. De tijdreizigers vergaapten zich aan de huizen die van binnen niet meer verlicht waren, maar die aan de buitenkant talloze flikkerende olielampjes hadden langs dakgoten, de tuinmuren en de balustrades. De architectuur in Ballingschap bestond uit een mengeling van metselwerk, hout en pleister, met dikke, koele muren, door pannen bedekte daken en loggia’s en kleine patio’s waar palmen, laurier en kaneel waren geplant en waar wijnran­ken langs het latwerk kropen.
    ‘Namaak-Tudor,’ besloot Bryan. De mensheid had blijkbaar haar gevoel voor humor niet verloren, ondanks een verbanning die zes miljoen jaar overspande.
    Mensen waren nergens te zien, maar hier en daar zagen ze ande­re rama’s, gekleed in mantels van allerlei kleur, die kleine karren voortduwden of met andere, voorlopig mysterieus blijvende taken bezig waren. Eenmaal—en dat was een merkwaardig geruststellend voorval—stak een onmiskenbaar Siamese kat de hoofdweg over en verdween door het open venster van een huis. De ruiters op hun chaliko’s naderden nu een complex van grotere gebouwen dicht bij de rivier. Deze waren opgetrokken uit een materiaal dat op wit marmer leek en stonden apart van de overi­ge bebouwing, ervan gescheiden door een met ornamenten ver­sierde muur en op regelmatige afstanden onderbroken door bre­de trappen. De borstwering aan de top stond vol met stenen urnen waarin een overdaad aan bloemen bloeide. In plaats van de huiselijke olielampen van aardewerk of gevlochten metaal, markeerden hier grote fakkelhouders van zilver de woonomge­ving van de Tanu. Hun woonhuizen waren behangen met slin­gers van glazen lantaarns, waarvan het blauw en het groen en het amber een onaards contrast vormde met de vriendelijke warmte van de olielampen in de rest van de stad. Maar overeen­komsten waren er ook: waterlelies in betegelde vijvers, klimmen­de rozen ondersteund door delicaat latwerk dat uit marmer was gesneden, een nachtegaal die, gewekt door het geluid van hun voorbijkomen, een paar slaperige tonen liet horen. Ze reden een binnenplein op, omringd door sierlijke maar ijzige gebouwen. Een grote deur werd plotseling opengeworpen en goudkleurig licht stroomde naar buiten, hen onverwachts over­vallend. Terwijl de rama’s waardig ter zijde bleven, kwamen menselijke bedienden naar buiten die de teugels van de chaliko’s overnamen, de enkelkettingen van de gevangenen ontsloten en hen vervolgens hielpen afstijgen.
    Daarna kwamen de Tanu, twintig of dertig in getal, lachend en roepend naar Creyn in hun eigen taal en opgewonden babbelend over en tegen de tijdreizigers in muzikaal klinkend standaard-Engels. De Tanu droegen dunne, soepele gewaden en japonnen in levendige, tropische kleuren met prachtige sieraden—brede schouderkettingen bezet met juwelen en email waarvan voor en achter rijk versierde en met steentjes bezette linten afhingen. De vrouwen droegen hoofdtooien van metaal, eveneens bezet met edelstenen. Te midden van de grote buitenaardsen waren enkele kleinere, menselijke figuurtjes te zien, even vrolijk en duur uit­gedost maar met zilveren halsringen in plaats van de gouden die de Tanu droegen. Bryan bestudeerde deze geprivilegeerde men­sen met belangstelling. Ze leken sociaal geïntegreerd te zijn met het grotere, heersende ras en schenen even nieuwsgierig om met de verbaasde gevangenen kennis te maken. Onder hen was alleen Aiken volkomen op zijn gemak. Met zijn van talloze zakken voorziene kostuum dat glansde en flonkerde als stromend metaal, hopte en sprong hij over de binnenplaats, spottende buigingen makend voor de lachende Tanu-vrouwen van wie de meesten bijna een derde groter waren dan hijzelf. Bryan stond wat afzijdig van de anderen en keek toe. De Tanu-edelen toonden zich bezorgd over het comfort van de gevange­nen en maakten grappen over het ongewone van de situatie waardoor ze de nieuw aangekomen bannelingen het gevoel gaven welkom te zijn. Bryan was ervan overtuigd dat mentale communicatie hier even overvloedig werd gebruikt als de gewo­ne spraak. Hij vroeg zich af wat voor psychische stimulans hier op de lagere gebieden van het bewustzijn werkzaam was, want hij zag hoe de wat slome Raimo en de waakzame Elizabeth lang­zaam hun wantrouwen opgaven en zich lieten meevoeren in de algemene sfeer van opgewektheid en vriendschap. ‘We willen niet dat jij je buitengesloten voelt, Bryan.’ De antropoloog draaide zich om en zag een slanke buitenaardse man in een eenvoudige blauwe mantel die naar hem glimlachte. Hij had een knap gezicht met diep liggende ogen en lijnen langs de mondhoeken net als Creyn. Bryan vroeg zich af of dit mis­schien een teken van hoge ouderdom was onder een mensensoort die er verder zo ongewoon jeugdig uitzag. Zijn haar was zeer bleek ivoorkleurig en hij droeg een klein kroontje van een mate­riaal dat op blauw glas leek.
    ‘Sta me toe je welkom te heten. Ik ben jullie gastheer, Bormol. Net als jij bestudeer ik culturen. Wat hebben wij vol ongeduld gewacht op de komst van een goed opgeleide onderzoeker! De laatste antropoloog die hier aankwam, arriveerde zo’n dertig jaar geleden en zijn gezondheid was jammer genoeg heel zwak. En we hebben jouw kennis zo dringend nodig! We moeten nog zoveel leren over de interactie tussen onze twee rassen in deze gemeenschap, om het leven hier tot beider voordeel en voorspoed te laten verlopen. De kennis uit jullie Galaktisch Bestel kan ons helpen hier zo goed mogelijk te overleven. Maar kom mee, bin­nen wacht ons goed voedsel en drinken. Geef ons je allereerste indrukken van dit Veelkleurig Land!’
    Bryan lachte verontschuldigend. ‘U vleit me, Heer Bormol. En u overvalt me. Ik kan er voorlopig kop noch staart aan ontdekken. Uiteindelijk ben ik net aangekomen. En ik ben zo vermoeid na deze ellendige dag vol schokkende gebeurtenissen dat ik hier ter plekke zou kunnen neervallen.’
    ‘Vergeef me. Ik heb er helemaal niet aan gedacht dat je geen halsring draagt. De mentale verfrissing die onze mensen over de jouwe hebben uitgestrooid, heeft dus op jou geen vat. Maar als je wilt kunnen we...’ ‘Nee, dank u.’
    Creyn kwam erbij en glimlachte bij het zien van de plotselinge ongerustheid van de antropoloog. ‘Bryan geeft er de voorkeur aan zijn werk te doen zonder de vertroostingen van de halsring. In feite heeft hij daar zelfs een voorwaarde van gemaakt als prijs voor zijn samenwerking.’
    ‘Ik wil niet gedwongen worden,’ zei Bryan uitdagend. ‘Begrijp ons niet verkeerd.’ Bormol leek ontzet. Hij gebaarde naar de kleurige menigte die nu de andere gevangenen naar bin­nen leidde met alle vertoon van vriendelijkheid en kameraad­schap. ‘Worden je vrienden gedwongen? De halsring is geen symbool van onderwerping, maar van verbondenheid.’ Bryan voelde woede in zich omhoogkruipen, gevolgd door een dodelijk gevoel van vermoeidheid. Maar zijn stem bleef rustig. ‘Ik begrijp dat u het goed bedoelt. Maar er zijn zeer veel men­sen—ik mag wel zeggen verreweg de meesten uit mijn toekom­stige wereld, die tot de normale burgers gerekend mogen wor­den—die liever zouden sterven dan zich aan iets dergelijks onderwerpen. Ondanks al de mogelijke voordelen. Maar nu moet u me verontschuldigen. Het spijt me dat ik u moet teleur­stellen, maar mijn hoofd staat op dit ogenblik niet naar geleerde discussies. Ik wil naar bed.’
    Bormol boog zijn hoofd. Een van de menselijke bedienden kwam met Bryans bagage aansnellen. ‘We zien elkaar weer in de hoofdstad. Ik hoop dat je tegen die tijd je harde oordeel over ons hebt herzien. Dit is Joe-Don, hij zal je direct naar een rustkamer brengen. Slaap wel.’
    Bormol en Creyn verdwenen. Bijna iedereen had nu de binnen­plaats verlaten. ‘Deze kant op, meneer,’ zei Joe-Don op de joviaal-beleefde toon van een bediende uit de meer deftige hotels op de Oude Wereld. ‘We hebben een mooie kamer voor u gereed. Jammer dat u het feest moet missen.’
    Ze liepen gangen door die geschilderd waren in blauw en goud en wit. Bryan ving een glimp op van de bewusteloze Stein die op een brancard door vier andere menselijke bedienden werd wegge­dragen.
    ‘Als er een dokter in dit huis aanwezig is, Joe-Don, dan zou die man zijn hulp nodig hebben. De arme kerel heeft lichamelijk en geestelijk heel wat te verduren gehad.’
    ‘Maakt u zich geen zorgen, meneer. Vrouwe Damone—dat is Bormols vriendin—is nog beter in genezen dan Creyn. Er komen hier heel wat uitgetelde slachtoffers van de tijdpoort langs, maar de meesten daarvan komen aardig weer in orde. Deze lui van de Tanu hebben geen herstellingstanks zoals wij die vroeger gekend hebben, maar ondanks dat weten ze er heel wat van te maken. Ze hebben zelf een groot weerstandsvermogen en kunnen bijna elke verwonding en ziekte genezen. Vrouwe Damone zal uw vriend iets goeds door zijn aderen jagen en al zijn hersenknikkertjes weer op volgorde leggen. Over een dag is hij zo goed als nieuw. Het is trouwens wel een wandelende bundel spie­ren! Ze hebben hem vast voor de Grote Veldslag uitgezocht!’ ‘En wat,’ vroeg Bryan bedaard, ‘mag dat wel zijn?’ Joe-Don knipperde even en grinnikte vervolgens. ‘Een soort van groot sportevenement dat over een paar maanden gehouden wordt, ergens tegen het einde van oktober. Dat is onder hen tra­ditie. Ze geven heel veel om tradities ... Wel, hier is uw kamer, meneer.’
    Hij wierp de deur openyan een luchtige kamer waar witte gor­dijnen hingen voor een groot venster. Een verticaal snoer saffier-rood glanzende lantaarns hing opzij van een fris uitziend bed. Gewoner uitziende olielampen wierpen een gele gloed over een tafel waar een eenvoudige maaltijd was klaargezet. Joe-Don zei: ‘Mocht u iets nodig hebben, trekt u dan aan deze ring opzij van het bed en wij komen eraan. Ik veronderstel dat u nu geen behoefte hebt aan vertroostend gezelschap? Nee? Wel, dan wens ik u plezierige dromen.’
    Hij gleed naar buiten en sloot de deur stevig achter zich dicht. Bryan deed geen moeite om het slot uit te proberen. Hij liet een diepe zucht en begon zijn hemd los te maken. Op de een of ande­re manier was hij, zonder dat direct te merken, op de bovenste verdieping van dit Tanu-gebouw beland. Vanuit zijn raam kon hij het merendeel van de stad overzien en in de verte ving hij een glimp op van de stadspoort. De stad Roniah lag zwijgend en glinsterend aan zijn voeten. Het zag er zeer Aards uit en deed hem denken aan een kerstetalage die hij ooit, lang geleden, ergens had gezien op een van die meer buitensporige Spaans georiënteerde buitenwerelden.
    Hij vroeg zich oppervlakkig af wat voor soort buitenaardse vreugden zijn gezellen nu genoten op het feest van de Tanu. Daar zou hij morgen zonder twijfel alles over horen. Geeuwend trok hij zijn hemd uit. . . en voelde het kleine stevige pakketje durofilm vellen die in zijn borstzak waren gestoken. Hij haalde ze te voorschijn en keek naar haar portret, dat zacht glansde. Oh, Mercy.
    Hebben ze jou ook meegenomen en jou tot een van de hunnen gemaakt zoals ze dat met mijn vrienden proberen te doen? Magere, droevige vrouw met die hunkerende zeediepe ogen en die glimlach die me zo redeloos gevangen houdt! Ik heb je nooit op je harp horen spelen en zingen maar met mijn geestesoor kan ik je nu horen:
Er is een vrouw zo zoet en zacht,
die nooit verdwijnt uit mijn gedacht’.
Hoewel ik haar slechts éénmaal zag,
blijft zij mijn lief tot aan mijn stervensdag.
Haar houding, handen en haar lach haar geest, haar stem die mij bekoren.
Zonder haar ben ik verloren,
zij is mijn lief tot aan mijn stervensdag.

    Een diepe, koperen klank liet zich horen en rukte hem met geweld los uit zijn door vermoeidheid veroorzaakte gedroom. Het was de gong aan de stadspoort. Het grote portaal zwaaide open en even leek het alsof de opgaande zon naar binnen kwam.
    ‘Christus!’ fluisterde Bryan. Gebiologeerd keek hij toe hoe de Jacht huiswaarts keerde. Een regenboog van licht vloeide door de voornaamste straat van de stad, dezelfde weg kiezend die zijn eigen gezelschap kort daarvoor had gevolgd. Vlammend en kronkelend loste het op tot een processie van prachtig uitgedoste Tanu-ruiters, die voortreden in de verrukte opwinding die aan een oud-Aardse Braziliaanse carnavalparade deed denken. De chaliko’s en de ruiters gloeiden met een van binnenuit komende uitstraling die voortdurend veranderde en waarvan de kleuren het hele spectrum doorliepen. De Jacht kwam dichter- en dich­terbij en passeerde ten slotte onder het raam van Bryan. Hij zag dat de deelnemers, zowel de mannen als de vrouwen, bizarre wapenrustingen droegen, blijkbaar van glas en met juwelen bezet, versierd met knobbels en punten en andere uitsteeksels waardoor ze eruitzagen als menselijke schaaldieren, bezaaid met edelstenen. De chaliko’s waren deels gepantserd en droegen glanzende stenen op hun voorhoofden. Zowel de ruiters als de rijdieren hadden achter zich afhangende linten van doorschij­nend, kleurig materiaal die sprankelende vonken loslieten aan de uiteinden.
    De Jacht maakte een triomfantelijk lawaai. De mannen sloegen met hun glazen zwaarden tegen de bejuweelde schilden, sommi­ge vrouwen staken vreemd gedraaide glazen hoorns waaraan belletjes rinkelden en anderen zongen uit alle macht. Aan het einde van de stoet reden zes ruiters, hun uniformen helrood. Zij waren duidelijk de helden van deze jacht. Ze hielden lange spe­ren recht overeind, waarop de trofeeën van die nacht waren gestoken.
    Afgesneden hoofden.
    Vier van de koppen hadden aan monsters toebehoord, een van klauwen en lellen voorzien ondier, glanzend zwart en vochtig, een reptiel met oren als een vleermuis en een krans van tentakels die nog nabewogen, een ding met zware gouden geweitakken en de kop van een roofvogel, een aapachtige nachtmerrie van puur wit bont, de ogen ter grootte van appels nog open. De twee andere hoofden waren kleiner. Bryan kon ze duidelijk zien terwijl de processie voorbijtrok. Ze hadden toebehoord aan een doodgewone kleine man en een vrouw van rijpe, middelbare leeftijd.

11

    Het was de onverwachte terugkeer van een oude pijn die Amerie tot haar inzicht bracht.
    De gezwoHen enkels vastgebonden in de hoge stijgbeugels, de overstrekte spieren aan de binnenkant van haar dijen, de horde kwelduivels in haar wervels aan het ondereinde van haar rug, de krampen in kuiten en knieën, ze herinnerde het zich allemaal. Het was precies zo geweest, zesentwintig jaar geleden. Haar vader had het hele gezin verteld dat een afdaling op ezels in de Grand Canyon van Colorado een prachtig avontuur zou zijn, een reis door de opengesneden koek van de planetaire geschiedenis waarop ze allemaal met vreugde konden terugkij­ken wanneer ze weer thuis waren op Multnomah. En het was heel goed begonnen. Op het eerste stuk naar beneden had het kind Amerie verrukt met haar vingers gevoeld en gekeken naar de kleurrijke rotslagen die ouder en ouder werden naarmate ze verder afdaalden tot ze op de bodem een twee miljard jaar oud fragment van een zwart stuk leisteen had opgeraapt. Ze had het met gepaste bewondering bekeken.
    Maar toen was de terugreis begonnen naar de rand van de canyon. En de pijn. Die eindeloze tocht, met verkrampte benen doordat ze onbewust bleef proberen de ezel te helpen in zijn klim naar boven. Haar ouders waren getrainde ruiters en wisten hoe ze zitten moesten. Haar broertjes waren er ruimschoots tevreden mee zich niet in te spannen en de ezels het werk te laten doen. Maar zij, altijd zorgzaam en zich verantwoordelijk voelend, had geweten hoe afschuwelijk de taak was die haar ezel te verrichten had en was onverstandig genoeg geweest om te willen helpen. Tegen het einde was ze uitgeput en gekromd, huilend van ellen­de en de anderen hadden medelijden gehad met die kleine Annamaria. Maar natuurlijk, ze waren er nog niet en het was beter om maar door te rijden tot de rand was bereikt en alle narigheid voorbij was. Vader had haar aangemoedigd om toch zijn grote dappere meisje te zijn en moeder had medelijdend geglimlacht en de twee kleinere broers hadden superieur gekeken. Terug bovenaan, op de zuidelijke rand, had vader haar in zijn armen genomen, haar naar haar kamer gedragen en naar bed gebracht. Ze had achttien uren geslapen en de broertjes hadden haar later geplaagd omdat ze het uitstapje naar de woestijn had gemist en ze had er zich schuldig door gevoeld. Daar was het allemaal mee begonnen.
    Vader en moeder, de broers, allemaal verdwenen. Maar het gro­te meisje probeerde nog steeds dapper haar last te dragen, hoe­veel pijn het ook deed. Dat was het dus. Nu kun je beginnen te begrijpen waarom je hierheen bent gekomen. Deze pijn en de pijnen van toen maken dit bewustzijn mogelijk. En nu, zoals snijden en trekken en zetten genezing kunnen brengen, zo kun jij nu herstellen. Maar God, wat heb je je aangesteld. Nu ben je hier, hier en het inzicht is veel te laat gekomen. Amerie reed op haar chaliko in de Pliocene zonsopgang. Links van haar sliep Felice op haar rijdier nadat ze Amerie had verteld dat rijden op deze beesten een genoegen was vergeleken bij de halfwilde verruls van Acadië. Overal rondom de stoet voorover gezakte ruiters zongen de vogels in koor hun ochtendlied. Zou zij haar eigen loflied zingen, ondanks alles? De in haar slaap geleer­de Latijnse teksten kwamen naar boven. Ze was de metten ver­geten die ze omstreeks middernacht had moeten zingen. Mis­schien moest ze die eerst nemen voor de lauden die eigenlijk bij de vroege ochtend hoorden.
    Ze begon zacht te zingen terwijl de oostelijke hemel van purper­grijs naar geel verkleurde met vegen wit erdoor alsof iemand velours had verscheurd.
Cor Meum conturbatum est in me:
et formido mortis cecidit super me.
Timor est tremor venerunt super me:
et contexerunt me tenebrae.
Et dixit: Quis dabit mihi pennas sicut columbae,
et volabo, et requiescam!

    Haar hoofd zonk op haar borst en tranen vielen op het witte, handgesponnen weefsel van haar habijt. De ruiter voor haar liet een rustige lach horen.
    ‘Interessant dat je bidt in een dode taal. Maar toch, ik geloof dat we allemaal gebaat zouden zijn met een stukje uit psalm 55.’ Ze keek op. De man droeg een Tiroler hoed, hij zat half in zijn zadel gedraaid en keek haar glimlachend aan. Hij begon te declameren. ‘Mijn hart krimpt in mijn binnenste ineen, verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen, vrees en beving komen over mij, schrik overstelpt mij, zodat ik zeg: O, had ik vleugelen als een duif, ik zou wegvliegen en een woon­plaats zoeken ... Hoe gaat het verder?’
    Droevig zei ze: ‘Ecce elongavi fugiens: et mansi in solitudine.’ ‘Oh ja. ‘Zie, ver zou ik heenvlieden, ik zou vernachten in de woestijn.’
    Hij wuifde met een hand naar het opduikende landschap. ‘En hier is het! Ongelofelijk. Kijk eens naar die bergen in het oosten. Dat is de Jura. Wat een verschil in zes miljoen jaar. Sommige van deze toppen moeten drieduizend meter hoog zijn, twee maal zo hoog als de Jura uit onze tijd.’
    Amerie veegde haar ogen droog aan haar schouderkleed. ‘Je hebt ze gekend?’
    ‘Oh ja. Ik was er gek op. Ik heb over heel de Aarde gesjouwd en geklommen. Maar de Alpen bevielen me het best. Ik was van plan ze hier in hun jeugd opnieuw te beklimmen. Dat was mijn reden om hierheen te komen. Tijdens mijn laatste verjonging heb ik mijn longcapaciteit met twintig procent laten vergroten. En het hart en de voornaamste spieren verstevigd. Ik heb allerlei speciale klimmersuitrusting meegenomen. Wist je dat sommige delen van de Pliocene Alpen wel eens hoger konden zijn dan de Himalaya die wij hebben gekend? Onze Alpen zijn sterk afge­slepen door de IJstijd die er over een paar miljoen jaar aankomt. De echte hoge toppen zouden nu verder naar het zuiden moeten liggen, bij Mont Rosa aan de Zwitsers-Italiaanse grens, of in het zuidwesten in de Provence. Daar zouden wel eens plooien kun­nen voorkomen die tot 9000 meter hoogte gaan. Er zou zelfs een berg kunnen zijn die hoger is dan de Everest! Ik hoopte hier de rest van mijn leven klimmend door te brengen. Ik zou me zelfs aan een soort Everest van het Plioceen hebben gewaagd als ik een paar verwante zielen kon vinden die me wilden vergezel­len.’
    ‘Misschien lukt je dat toch nog.’ De non probeerde opgewekt te glimlachen.
    ‘Verdomd onwaarschijnlijk,’ antwoordde hij vrolijk. ‘Die buitenaardsen en hun kontlikkers zullen me wel aan het houthak­ken en het waterdragen zetten wanneer ze erachter komen dat mijn enige talenten bestaan uit klassieke verkleedpartijen en van alpen donderen. Als ik geluk heb en wat tijd overhoud na de slavernij, zit ik waarschijnlijk liedjes te neuzelen in ruil voor een gratis drankje in de plaatselijke kroegen.’ Hij verontschuldigde zich dat hij haar gebeden had onderbroken en keerde zich weer naar voren. Na een paar ogenblikken hoorde Amerie de zachte geluiden van zijn fluit zich mengen met de zang van de vogels.
    Zelf keerde ze naar haar eigen gezangen terug. De karavaan ging nu weer heuvelafwaarts, nog steeds parallel aan de Saöne in een richting die ongeveer noordelijk was. De grote rivier was onzichtbaar, maar de loop ervan werd gemar­keerd door een brede strook van in mist verzonken bos, diep in de vallei. Het landschap achter dat bos op de tegenoverliggende oever was heel wat vlakker, grasland met hier en daar bomen, dat geleidelijk overging in een moerasachtige vlakte met talloze kleine meren en watertjes die blonken terwijl de zon hoger klom. Zijrivieren baanden zich een weg door het oostelijke moeras, maar de westelijke oever van de Saöne aan hun kant lag enige honderden meters hoger, enkel doorsneden door kleine waterlo­pen en beekjes waar de geduldige chaliko’s doorheen plonsden zonder hun snelheid aanmerkelijk te verminderen. Nu het volop licht was, kon Amerie ook de anderen zien. De soldaten en Epone reden vooraan, daarachter volgde de rij van gevangenen, in paren rijdend. Richard en Claude reden achter­aan, vlak bij de lastdieren en de laatste bewakers. De beerhonden aan weerszijden galoppeerden stoïcijns mee. Een enkele maal kwamen ze wat dichterbij en dan kon ze hun boosaardige gele ogen zien en de aaslucht van hun lichamen ruiken. De cha­liko’s hadden hun eigen speciale geur, vreemd en een beetje zwa­velachtig als van winden na het eten van kool. Dat moest komen door de wortels die ze aten, dacht ze vermoeid. En al dat eten maakte ze zo sterk en groot en vooral breed. Ze kreunde en probeerde haar gekwelde spieren wat te verlich­ten. Niets hielp, zelfs bidden niet. Fac me tecum pie fiere, Crucifixo condolere, donec ego vexero. Gadverdamme, Heer! Dit helpt allemaal niks. ‘Kijk, Amerie! Antilopen!’
    Felice was wakker geworden en wees naar de savanne aan hun linkerhand waar een goudkleurig plateau overdekt leek met don­kere stengels die in alle richtingen leken te wuiven. Tot Amerie zich realiseerde dat de stengels hoorns waren en dat het hele heuvelland ginds bezaaid was met roodbruine lichamen. Dui­zenden gazelles graasden daar in het droge gras. Ze trokken zich niets aan van de passerende karavaan en tilden enkel hun zacht­zinnige, zwart met witte koppen op waarbij hun liervormige hoorns leken te knikken tegen de beerhonden die hen volkomen negeerden.
    ‘Zijn ze niet prachtig!’ riep Felice uit. ‘En daar! Die kleine paar­den!’
    De paarden waren nog talrijker dan de gazelles, door dit hoog­land trekkend in grote, losse kudden die soms meer dan een vier­kante kilometer in beslag namen. Terwijl de stoet reizigers lang­zamerhand afdaalde, werd de vegetatie uitbundiger en ze zagen nu ook meer grazende dieren: geitachtigen met zeer donkere vachten, grotere antilopen met geweien en dunne witte strepen over hun flanken en eenmaal, te midden van een groepje tanige acacia’s, reusachtige, grijsbruine elanden die spiraalvormige hoorns droegen. De mannetjes, met hun afhangende halskwab­ben, waren bij de schoften zeker twee meter hoog. ‘Al dat vlees op hoeven,’ zei Felice verwonderd, ‘en alleen maar een paar grote katten en hyena’s en beerhonden als vijand. Een jager zou in deze wereld nooit hoeven te sterven.’ ‘Sterven lijkt nauwelijks het probleem,’ zei de non zuur. Ze trok haar kleding omhoog en begon haar dijen te masseren door er met de zijkanten van haar handen stevig op te slaan. ‘Arme Amerie. Maar ik weet wat het probleem is. Ik heb eraan gewerkt. Let maar eens op.’
    Terwijl de non verbaasd toekeek, begon de chaliko van Felice langzaam in haar buurt te komen totdat de zijkanten van beide rijdieren zachtjes tegen elkaar kwamen. Daarna bewoog het rij­dier van Felice weer weg, terwijl het dezelfde stevige gang bleef behouden, maar nu een kleine meter buiten de ordelijke positie liep. Na ongeveer een halve minuut keerde het dier in de juiste lijn terug. Zo liep het enkele ogenblikken gehoorzaam verder, verbrak toen het normale tempo en verminderde daardoor de afstand tot haar voorganger met zo’n anderhalve meter. Daar bleef de chaliko de staart van zijn voorganger volgen en pas toen begreep Amerie wat hier gebeurde. De chaliko keerde net naar zijn vaste plaats terug toen een ongeruste beerhond een waar­schuwend gehuil liet horen.
    ‘Mamma mia,’ fluisterde de non. ‘Kunnen de soldaten niet mer­ken dat jij dat doet?’
    ‘Niemand verzet zich tegen mijn overheersing van hun controle. Waarschijnlijk kan dat trouwens niet eens. De dieren worden geregeerd met een eenvoudig, vooraf geïmplanteerd commando waardoor ze allemaal met dezelfde snelheid op gelijke afstand voortbewegen. Denk maar eens aan gisteravond toen de rij in de war raakte door die patrijzen. De bewakers kwamen erbij om te zorgen dat iedereen weer in de juiste volgorde kwam te staan. Dat zou niet nodig zijn geweest als ze zelf rechtstreeks informa­tie terugkregen van onze rijdieren.’ ‘Dat is waar, maar ...’ ‘Houd je vast. Nu is het jouw beurt.’
    Ameries pijn en geestelijk ongemak verdwenen in een plotselin­ge opwelling van hoop, nu haar eigen chaliko de eerdere bewe­gingen van Felices rijdier begon na te doen. Toen die spookachti­ge solo was voltooid, volvoerden beide dieren dezelfde beweging­en nog eens tegelijkertijd.
    ‘Te Deum laudamus,’ fluisterde Amerie. ‘Dat zou wel eens kun­nen werken, kind. Maar kun je hen ook bereiken?’ Ze knikte in de richting van de dichtstbijzijnde beerhond. ‘Dat zal niet makkelijk zijn. Moeilijker dan wat ik ooit in de arena’s van Acadië heb gedaan. Maar ik ben ouder geworden.
    Vier maanden tenminste. En het is nu niet langer een spelletje voor mij, waarbij ik hoopte dat ze eindelijk zouden leren om lief te hebben in plaats van bang te zijn. Hier loopt er eentje die me al vertrouwt. En de andere zouden dat ook kunnen. Maar hoe moet ik het uitproberen? Niemand mag er iets van merken. Het is zo moeilijk. Wat zou de beste manier zijn?’ De beerhond die ongeveer twintig meter links van Felice liep, kwam langzaam dichterbij, speeksel droop van de naar buiten hangende tong. Het ondier was behoorlijk uitgeput na de lange trek, zijn waakzaamheid was verslapt en zijn wilskracht vermin­derd. De prikkeling in zijn geest die hem voorwaarts dwong werd afgeslepen door honger en vermoeidheid. Het beroep op wat noodzakelijk was, werd zwak in vergelijking met de belofte van rood vlees in de trog en een slaapplaats van droog gras op een beschaduwde plek.
    Het dier kwam dichter en dichter bij Felices chaliko. Het jankte en snoof toen het zich realiseerde dat het de controle over zich­zelf had verloren, schuddend met zijn lelijke kop alsof het pro­beerde pesterige insekten te verdrijven. De zware kaken sloegen op elkaar, speeksel en schuim stoof rond, maar het bleef dichter­bij komen, voortrennend nu naast de chaliko in een wolk stof die rondom de poten dwarrelde. De beerhond loerde in verbijsterde woede naar die kleine menselijke vorm hoog boven hem, onbe­reikbaar, wiens geest de zijne omboog, forceerde, overreedde. Hij gromde van woede, trok de bovenlip omhoog waardoor geelverkleurde tanden bloot kwamen die bijna zo groot waren als de vingers van Felice. Ze liet hem gaan.
    De inspanning had haar gezichtsvermogen aangetast en haar hoofd klopte afschuwelijk door het verzet van die koppige, vlees­etende geest. Maar ...! ‘Dat deed jij, is het niet?’ vroeg Amerie. Felice knikte. ‘Maar het was moeilijk. Die dingen zijn anders dan de chaliko’s. Het verzette zich de hele tijd. Waarschijnlijk zijn ze dieper geconditioneerd. En dat is moeilijker te doorbre­ken omdat het vaster verankerd ligt in het onbewuste. Maar ik denk dat ik weet hoe het moet. Het zal het best lukken wanneer ze moe zijn, aan het einde van de dag. Misschien kan ik er twee tegelijk beheersen, misschien zelfs meer ...’ Amerie maakte een hulpeloos gebaar. De non begreep dit niet, dit directe contact van geest naar geest, dit was de werkzaam­heid van een kracht die buiten haar bereik lag. Hoe was dat om dergelijke vermogens te bezitten, zelfs wanneer ze onvolmaakt waren zoals bij Felice? Andere levende wezens te manipuleren? Materie te bewegen en te vervormen? Hoe zou het zijn om wer­kelijk te scheppen, niet alleen maar het vage beeld van een schoen zoals ze dat met behulp van Epones machine zelf had gedaan, maar een overtuigende illusie, of zelfs materie of ener­gie? Hoe zou dat zijn om in Eenheid verbonden te zijn met ande­re geesten? Om hersens te doorzoeken? Zich te verheugen in het bezit van engelachtige krachten?
    Een heldere planeet straalde in het oosten, dichtbij de rijzende zon. Venus. .. nee, noem die maar bij haar andere, oudere naam: Lucifer, de stralende ochtendster. Amerie voelde een klei­ne huivering van angst.
    Breng haar niet in verleiding en vergeef ons terwijl we ons war­men aan het vuur van Felice, zelfs als ze brandt... De karavaan bereikte het laagland en kwam van het plateau in een andere vallei die naar het westen aansloot op de Monts du Charolais. Verdwaalde dwergpalmen, pijnbomen en acacia’s maakten plaats voor esdoorns, populieren, walnoten en eikebo­men die ten slotte zelfs weer overgingen in diepe, vochtige bossen vol wilde gierst, grote cipressen, struikgewas van bamboe en geweldige oude tulpebomen met doorsneden van meer dan vier meter. Alles bloeide en groeide overvloedig en maakte van het landschap het voorbeeld van een vroege jungle. Amerie bleef dinosaurussen verwachten en vliegende reptielen, hoewel ze wist dat die verwachting onzinnig was. De fauna van het Plioceen kwam, wanneer je het goed bekeek, sterk overeen met die van de opnieuw met dieren bevolkte Aarde die ze zelf had gekend. De ruiters vingen een glimp op van kleine herten met gesplitste hoorns, een stekelvarken en een kolossale zeug, gevolgd door haar grappig gestreepte jongen. Een troep middelgrote apen zwierde door de bovenlaag van het woud de karavaan schreeu­wend achterna, maar kwam nooit genoeg dichtbij om er veel van te zien. Op sommige plekken was het struikgewas van alle groen ontdaan. Hopen uitwerpselen die naar olifant roken, gaven aan dat hier mastodonten aan het werk waren geweest. Het gebrul van een kat dwong de beerhonden tot een verdedigend gehuil. Was dit een van die luipaardachtige sabeltandtijgers die de grootste en meest voorkomende vleeseters waren in het Plio­ceen?
    Na de gevangenisachtige omgeving van het kasteel en de verdo­vende invloed van de nachtelijke reis, werden de tijdreizigers zich nu bewust van een nieuw gevoel dat zelfs hun vermoeidheid en de herinnering aan verbroken dromen overwon. Dit woud, waar de stralen van de ochtendzon doorheen braken, was onmis­kenbaar een andere wereld, een andere Aarde. Hier was de levendige werkelijkheid van een onbedorven wildernis waarvan ze allemaal hadden gedroomd. Vergeet de soldaten, de kettingen en de buitenaardse heerseres en dan kon dit Pliocene bos werke­lijk alsnog het paradijs zijn.
    Gigantische, met dauw overdekte spinnewebben, onvoorstelbare hoeveelheden bloemen, fruit, bessen; alles glinsterde als barokke juwelen gezet in veelkleurig groen .. . rotsblokken waar kleine watervalletjes voor een bemoste grot naar beneden dropen ... grote groepen vreesloze dieren ... deze schoonheid was werke­lijk! Ondanks zichzelf, betrapten de gevangenen zich erop dat ze deze jungle steeds ijveriger afzochten naar nieuwe wonderen, zich gedragend als opgewonden toeristen. Ameries pijn ver­dween bij het zien van dieprood met zwarte vlinders, lachwek­kende boomkikkers die klonken als elfenbellen. Zelfs nu, in augustus, zongen de vogels hun baltsliederen, want in een wereld zonder echte winter kenden ze de trek niet en waren in staat meer dan één broedsel per jaar te verzorgen. Een onmogelijk uitziende eekhoorn met puntige oren en een groen-oranje vacht zat kijvend op een lage tak. Een andere boom droeg een bewe­gingloze python met een lichaam zo dik als een biervaatje en fraai gekleurd als een Perzisch tapijt. Er waren kleine, hoornloze antilopen met poten, zo ragdun als stokjes en een lichaam niet veel groter dan van een konijn. En ginds vloog een vogel met de rauwe schreeuw van een kraai, maar uitgedost in een weelde van violet, blauw en roze! Bij een stroompje stond een grote otter doodstil op zijn achterpoten, en het leek of hij vriendelijk grijns­de tegen de ruiters die voorbijkwamen. Lager bij de bedding scharrelden wilde chaliko’s die wat donkerder en kleiner waren dan hun getemde en gekweekte soortgenoten. Ze groeven lisdod­den op voor hun ontbijt en slaagden erin waardig te kijken ondanks hun bekken vol druipend groen. In het korte gras opzij van het pad groeide een menigte paddenstoelen, koraalrood, licht­rood met witte vlekken, hemelsblauw met helrode onderkanten en stelen. Daar tussendoor kropen duizendpoten ter grootte van een salamiworst, die eruitzagen alsof ze net bloedrood waren gespoten en voorzien van crèmekleurige racestrepen. De hoorn liet zijn drieklank horen.
    Amerie zuchtte. Het echoënde antwoord verjoeg de dieren ver­der vooruit langs het pad, zodat het escorte de karavaan tege­moet kwam te midden van een verward tumult van vogelgezang en dierenkreten. Het woud werd dunner en ze kwamen in een parkachtig landschap langs een langzaam stromende rivier die vanuit het westen op de Saône uitkwam. Het pad ging over in een laan omzoomd door waardige cipressen, die door de poort van een zwaar versterkt fort voerde dat vrijwel gelijk was aan het fort van de afgelopen nacht.
    ‘Reizigers let op allemaal!’ brulde kapitein Waldemar, toen de laatsten van de karavaan de poort waren binnengegaan en de deur weer gesloten was. Dit is de plek waar we zullen slapen. We rusten hier tot zonsondergang. Ik weet dat jullie behoorlijk uit­geput moeten zijn. Maar neem mijn goede raad aan en laat je eerst weken in het grote hete bad in jullie badhuis voor je onder de dekens kruipt. En eet, zelfs als je denkt dat je daar te moe voor bent! Neem je bagage mee wanneer je afstijgt. Zieken of zij die wat te klagen hebben, komen naar mij. Zorg dat je na de avond­maaltijd klaar bent als de hoorn klinkt. Mocht je zin hebben om weg te lopen, denk er dan aan dat de beerhonden buiten zijn en datzelfde geldt voor de sabeltandtijgers en een behoorlijk slim­me oranje salamander die zo groot is als een collie en zo giftig als een cobra. Rust lekker uit. Dat is alles.’’ Een in het wit geklede stalknecht hielp Amerie afstijgen toen bleek dat ze dat uit eigen beweging niet meer kon. ‘U zult een lekker bad willen nemen, Zuster,’ zei de man bezorgd. ‘Dat is het beste middel ter wereld tegen doorzitten. Het water wordt verhit door zonne-energie via het dak, dus er is meer dan genoeg.’
    ‘Dank je,’ mompelde ze, ‘dat zal ik doen.’ ‘En er is iets dat u voor ons hier in het fort kunt doen, Zuster. Dat wil zeggen, als u er niet te moe en te stijf voor bent.’ Het was een kleine, koffiekleurige man met grijzend, opstaand haar en het bezige, drukdoende gezicht van een kleine ambtenaar. Amerie had het gevoel dat ze staande in slaap kon vallen als er iets was om tegenaan te leunen. Toch hoorde ze zichzelf zeggen: ‘Ik zal natuurlijk doen wat ik kan.’ Haar pijnlijke spieren trok­ken protesterend samen.
    ‘We krijgen hier niet vaak iemand van de kerk. Iedere drie of vier maanden komt er één langs, de oude Broeder Anatoly uit Finiah of Zuster Ruth uit Goriah. Er zijn vijftien katholieken onder de mannen hier en we zouden het werkelijk op prijs stellen als..
    ‘Ja. Natuurlijk. Ik denk dat jullie de votiefmis prefereren van Johannes, de Geliefde Discipel?’
    ‘Eerst een goed bad en iets te eten.’ Hij pakte haar bagage op, sloeg haar arm om zijn schouders en hielp haar op weg. Zodra Felice was afgestegen, rende ze naar Richard. ‘Is het je gelukt?’
    ‘Doodeenvoudig. Er zit nog een glimmerik van de tweede sterkte pal bovenop.’ Hij keek op haar neer vanaf de hoge rug van zijn chaliko. ‘Omdat je zo goed in vorm bent blijkbaar, kun je mij misschien een handje helpen van dit ondier af te komen?’ ‘Dóódsimpel,’ zei ze. Ze stapte op het afstijgblok, zette haar kleine handen onder zijn armen en zwaaide hem in één beweging naar de grond.
    ‘Lieve Jezus!’ riep de piraat uit.
    ‘Daar zou ik ook wat van kunnen gebruiken, Felice,’ kwam de droge stem van Claude.
    De ringhockeyspeelster ging naar de volgende chaliko en plukte de oude man uit zijn zadel alsof hij een kind was. ‘Wat voor zwaartekracht hebben jullie daar op Acadië?’ gromde Richard vragend.
    Ze schonk hem een neerbuigende glimlach. ‘Punt 0.88 van de normale Aardse. Leuk geprobeerd, kapitein Bloed, maar die vlieger gaat niet op.’
    ‘Je moet hier niets overhaast proberen, Felice,’ zei Claude onge­rust. ‘Ik denk dat ze op een plek als deze bijzonder op hun hoede zullen zijn.’
    ‘Maak je niet ongerust. Ik heb.. .’
    ‘Ze komt eraan,’ siste Richard. ‘Kijk uit! Hare Hoogheid!’
    De witte chaliko waarop Epone zat stapte vorstelijk dwars door het groepje vermoeide reizigers en hun bagage.
    ‘Geen stof of zweet op dat mens,’ merkte Felice bitter op, terwijl ze de vuile groene rokken van haar uniform afsloeg. ‘Ze ziet eruit alsof ze zo naar het bal van moeders mooiste kan. Die mantel zal wel geïoniseerd zijn.’
    Enkele van de reizigers zaten nog steeds op hun rijdieren, onder hen bevond zich de stevige, rossig gebaarde man met het leeuwe­embleem op zijn ridderuitrusting. Hij leunde met beide armen op de knop van zijn zadel, het gezicht in zijn handen verbor­gen.
    ‘Dougal!’ Epones stem klonk tegelijkertijd overredend en beve­lend.
    De ridder kwam met een schok in zijn zadel overeind en staarde verwilderd rond. ‘Nee! Niet nog een keer. Alsjeblieft!’ Maar ze wenkte de stalknechten om zijn chaliko van teugels en hoofdstel te ontdoen.
    ‘Oh, gij belle dame sans merci,’ kreunde hij. ‘Aslan. Aslan.’ Epone reed weg over de binnenplaats van het fort naar een klein gebouw waar bloempotten vanaf een verandadak omlaaghingen. De stalknechten brachten Dougal achter haar aan. Claude keek hen na en zei: ‘Wel, nu weet je het, Richard. Het is maar goed dat jij niet meetelt. Ze ziet eruit als een zware kluif.’
    De vroegere ruimteman slikte de gal in die in zijn strot omhoog­kwam bij de herinnering. ‘Wie... wie voor de donder is Aslan?’ lukte het hem te vragen.
    ‘Een soort Christusfiguur uit een oud sprookje,’ antwoordde de oude man. ‘Een magische leeuw die kinderen redde uit handen van bovennatuurlijke vijanden in een onbestaanbaar land dat Narnia heette.’
    Felice lachte. ‘Ik denk niet dat diens borg tot in het Plioceen reikt. Heeft een van de heren zin om mij gezelschap te houden in het hete bad?’
    Ze marcheerde af naar het badhuis, de stoffige pluimen achter zich aan, terwijl de anderen haar sjokkend en veel langzamer volgden.

12

    Ah, wat was dat een nacht geweest!
    Aiken Drum lag wijdbeens uitgespreid op sneeuwwitte lakens en liet zijn zilveren halsring de herinnering daaraan nog eens afspe­len. Bruisende buitenaardse drank. Verrukkelijk buitenaards eten. Lol en spelletjes en muziek en gedans en gerouwdouw en geharrewar en vliegen en rondspringen met die buitenaardse wijven met hun krankzinnige tieten die tot hier hingen. Lieve godnogantoe! Had hij ze even laten zien dat hij groot genoeg was! Had hij hier niet eindelijk het tehuis gevonden waar zijn hart naar snakte. .. Hier in Ballingschap, onder die mensen die ervan hielden te lachen en erop los te gaan zoals hijzelf. Hier zou hij gedijen en groeien en stralenl.
    ‘Worden hier het Baasje!’ giechelde hij. ‘Me gane dit hele stinkie wereldje regeren tot het schreeuwt! Me gane vliegen!’ Oh ja. Dat ook.
    Langzaam rees zijn naakte lichaam omhoog van het bed. Hij spreidde zijn armen wijd uiteen en steeg omhoog naar het pla­fond waar de vroege zon die door de gordijnen scheen groengou­den strepen veroorzaakte. De slaapkamer was een aquarium en hij een zwemmer in de lucht. Zoem! Bang! Rollen, duiken! Laat je vallen en kom verend op het bed terecht, schreeuwend van verrukking. Want dit was een zeldzaam talent, zelfs onder de Tanu en vooral de dames hadden zijn ontdekking met groot enthousiasme ontvangen. Heerlijke zilveren halsring!
    Hij krabbelde overeind van het bed en liep naar het raam. Bene­den hem was de stad wakker geworden en bezig. Menselijke figuren wandelden of waren druk aan het werk. Statige Tanu die op vrolijk uitgedoste chaliko’s voorbijkwamen. En overal waren de kleine rama’s aan het werk, vegend, tuinierend, dragend, ver­voerend. Wat een kaleidoscoop! . .. Hé, Aik. Waar ben je, makker?
    De mentale oproep kwam eerst aarzelend en verbrokkeld door, maar gaf later blijk van meer zelfvertrouwen. Raimo natuurlijk. Die zure houthakker had zijn houding opvallend veranderd toen Aikens nieuwe psychische vermogens zienderogen zichtbaar werden op het feest. De rotopmerkingen bleven achterwege en hij werd vriendelijk. En waarom ook niet? Die Raimo had in de gaten wie tot de winnaars behoorde!
    Ben jij daar, Ray. Praatje tegen mij, Houthakker?
    Tegen wie anders? Hé, Aik... als dit een droom is, maak me dan niet wakker.
    Geen droom. Alles onvervalst echies en we gaan een verdomd goeie tijd tegemoet. Hee, wat zou je ervan zeggen als we de benen namen en de stad een beetje gingen bekijken? Ze hebben me opgesloten, Aik.
    Ben je vergeten wat we op het feestje hebben geleerd? Even geduld, dan doe ik mijn kleren aan en ben zo bij je. Aiken trok zijn gouden kostuum aan, controleerde of geen Tanu hem in de gaten hield en lanceerde zichzelf toen door het raam naar buiten. Boven het gebouw zwevend als een groot, glanzend insekt, zocht hij afstemming op het ruziezoekerige gedachtenpatroon van Raimo, bepaalde zo de richting en dook door het open venster van zijn makker naar binnen. Ratatata!
    ‘Verdomme, jij hebt echt door hoe het moet, hè?’ zei Raimo met enige afgunst. ‘Ik ben blijkbaar alleen goed in het optillen van meubilair.’ Bij wijze van demonstratie liet hij het bed dansen en stuurde tafels en stoelen zeilend door de kamer. ‘We zijn allemaal anders, Bijlzwaaier. Jij hebt jouw talenten, ik de mijne. Maar je had kunnen donderjagen met het mechanisme van het slot om weg te komen.’ ‘Shit. Geen seconde aan gedacht.’
    Aiken grijnsde. ‘Van nu af aan zul je aan heel wat dingen den­ken, Raimo. En ik ook. Afgelopen nacht zijn ons de ogen openge­gaan, of niet?’
    De vroegere houtvester lachte luidkeels en samen maakten ze een stukje herhaling van de vorige nacht door, grinnikend om de verontrusting van de geschandaliseerde Sukey en Elizabeth, die hals over kop vertrokken waren toen de leden van de Jacht aan het feest begonnen mee te doen. Arme trutjes! Geen enkel gevoel voor humor en waarschijnlijk zo frigide als ijskasten. Die was je maar beter kwijt dan rijk en het feest was tot de vroege morgen doorgegaan met verrassingen die gaandeweg verrukkelijker en exotischer werden en waar beide mannen, gesterkt door hun zil­veren halsringen, ten volle van hadden genoten. Goeie ouwe metapsychische hupsakee!
    Aiken gebaarde naar het raam. ‘Kom op. Laten we gaan zien hoe de menselijke helft hier leeft. Ik ben nieuwsgierig hoe de gewone mensen zich hier in Ballingschap overeind houden. Schijt niet in je broek voor het vliegen, Ray. Ik kan ons allebei makkelijk houden.’ ‘Ze zullen ons zien.’
    ‘Ik ken nog een ander kunstje. Illusies. Kijk maar es.’ Er klonk een kort, droog geluid en de kleine gouden man was verdwenen. Een gestreepte koninginnepage fladderde rond, landde rechtstreeks op Raimo’s neus.
    ‘Houd je poten thuis of ik krijg hoorns,’ waarschuwde de stem van Aiken. De vlinder verdween en daar stond de grappenmaker weer, vlak voor Raimo met één vinger tegen diens neus. ‘Alle duivels, Aik. Jij zit er vol mee!’
    ‘Zeg dat nog maar es, Houthakker. Geef me je hand. Kom op, wees geen schijtlaars. We gaan ervandoor!’ Twee gele vlinders vlogen uit het gebouw en dansten boven de stad Roniah. Ze scheerden over de werkplaatsen van pottebakkers en dakbedekkers en wevers en timmerlui en metaalsmeden en botenbouwers en glasblazers en beeldhouwers. Ze drongen binnen bij steensnijders en schilders, mandemakers en repete­rende muzikanten; ze dronken nectar uit de jasmijn die naast zwembaden bloeide waar zwangere vrouwen uitrustten en zich vermaakten; ze vlogen een open schoollokaal binnen waar een dozijn blonde, beweeglijke kinderen hen verbaasd met de vinger nawees en waar een verontruste Tanu-leraar een dringende oproep verzond naar het huis van Bormol. ‘Naar de haven!’ beval Aiken en ze vlogen naar de rivieroever. Brede traptreden voerden naar een drukke kade waar rama-stuwadoors schepen ontlaadden en waar menselijke kadewerkers en bootslui vaak naakt tot op hun middel in de ochtendhitte aan het werk waren of op een beschaduwde plek een rustpauze namen. De twee vlinders landden op een dikke meerpaal en ver­anderden toen weer in Aiken en Raimo. Een van de dokwerkers gaf een schreeuw. Zeemeeuwen vlogen krijsend op van de straat­stenen en de gestapelde ladingen. Aiken stapte van de meerpaal en liet een knipperende Raimo achter, zelf een dwaze houding aannemend. Een stoere varensgezel brulde van het lachen en riep uit: ‘Als dat Peter Pan zelf niet is. Maar je kunt die Tinkerbell daar beter in de reparatie gooien.’
    De slenteraars rond de haven gilden het uit. Boven op de meer­paal strekte Raimo beide armen zijwaarts. Zijn wat spleetogende Finse gezicht droeg een dwaze grijns en was vertrokken van concentratie. Onmiddellijk dook een dozijn zeemeeuwen naar beneden en streek op zijn armen en schouders neer. ‘Hé, Aiken! De schiettent is klaar! Schieten voor ze vliegen of je hebt verloren!’
    De nu zwevende kleine man in het goud richtte met zijn voorvin­gers en vuurde. ‘Pam!’ zei hij, ‘pam-pam-pammidie-pam!’ Kleine lichtflitsen schoten langs Raimo’s met flanelstof bedekte armen. Hij verdween in een wolk van rook en stukjes witte veren. De toekijkers floten en klapten terwijl Raimo hoestte en snoof.
    ‘Rot op, makker, schei uit.’
    ‘En nog een toegift van mij,’ schreeuwde Aiken en maakte een gebaar met beide handen naar de meerpaal. ‘Hier heb je... sjazoeem…”
    Er weerklonk een luide explosie. De zware, samengeklonken bal­ken van Raimo’s zitplaats vielen uiteen en lieten hem boven het water zwevend achter, een pijnlijke trek van verrassing op zijn gezicht.
    ‘Moet dat leuk zijn?’ protesteerde de vroegere houtvester. Hij zweefde naar de grijnzende Aiken, greep hem bij de schouder­stukken van zijn gouden pak en zei: ‘Misschien moeten we met een duik een beetje afkoelen?’
    De twee zwevende figuren begonnen in de lucht te worstelen, laag boven het modderige gele water van de Rhöne. Te midden van de aangemeerde lichters, de veerboten en de barken zagen ze eruit als opgelaten feestballonnen. De mannen op de kade schreeuwden en stampten en de verschrikte rama’s lieten hun lasten vallen en bedekten hun ogen. Genoeg!
    Creyns mentale commando zweepte naar hen uit, haalde de twee terug op de kade en liet hen met een pijnlijke smak op de grond terechtkomen. Vier bedienden uit Bormols huis kwamen naar voren en hielden de nog nasnikkende onverlaten stevig vast. Nu de pret duidelijk over was, dropen de zeelui en de dokwerkers weer af naar hun werk.
    ‘Ik zal mentale barrières binnen je voornaamste functies pro­grammeren zolang je nog geen behoorlijke opleiding in de hoofd­stad hebt gehad,’ zei Creyn. ‘Nog meer van dit kinderlijke gedrag kunnen we niet hebben.’
    Aiken wuifde naar Elizabeth, Bryan en Sukey die langs de kadetrappen naar beneden werden geleid, gevolgd door Stein op zijn draagbaar.
    Raimo zei: ‘Hoe moeten we anders uitvinden waartoe we in staat zijn?’
    En Aiken voegde eraan toe: ‘Heer Bormol heeft ons gisteravond de raad gegeven ermiddenin te springen. En dat hebben we gedaan! En hoe!’ Hij knipoogde naar Sukey die woedend terug­keek.
    Creyn zei: ‘Van nu af doe je dat onder door ons gecontroleerde omstandigheden. Heer Bormol heeft het niet verdiend dat jullie zijn gastvrijheid terugbetalen met het vernielen van zijn wer­ven.’
    De kleine man in het goud haalde de schouders op. ‘Ik ken mijn eigen kracht nog niet, dat is alles. Wil je dat ik die meerpaal weer bij elkaar probeer te krijgen?’
    Creyns ogen, bleekblauw in het zonlicht, werden kleiner. ‘Dus jij denkt dat je dat kunt? Dat is heel interessant. Maar ik denk dat we daarmee maar moeten wachten, Aiken Drum. Het zal voor ons allemaal heel wat veiliger zijn als jij nog een poosje aan de lijn blijft.’
    Elizabeths gedachte kwam daar steels en vriendelijk tussen­door ...
    Je hebt zoveel ongecontroleerde talenten, Aiken. Wat is er nog meer in jou verborgen. Laat me eens kijken. Ze zond een doordringende peiling uit, maar die kaatste af op een haastig opgetrokken maar zeer effectieve barrière. ‘Laat dat, Elizabeth!’ schreeuwde Aiken hardop. ‘Laat dat of ik snijd je verdomme doormidden!’ Ze keek hem bedroefd aan. ‘Zou je dat echt doen?’ ‘Wel,’ hij aarzelde en gaf haar toen een scheve glimlach. ‘Mis­schien ook niet, liefje. Maar ik wil niet dat jij in mij zit rond te wroeten, zelfs niet voor de grap. Ik ben Stein niet, of Sukey, wat dat betreft.’
    Creyn zei: ‘Ons schip ligt aan het eind van de steiger op ons te wachten. We moeten gaan.’ Maar terwijl ze daarheen liepen, communiceerde de Tanu-man met Elizabeth via een beperkt sig­naal dat alleen voor haar hoorbaar was. Heb je gezien hoe hij dat deed?
    Primitief effectief. Zelfs tegen mij, onvoorbereid. Bezorgd? Verbaasd op dit ogenblik. Hoe effectief is de beperking van halsring? Voldoende dit ogenblik nu hij nog steeds ongebruik van volledig vermogen. Later zilver zal nooit goud overheersen. Onderwij­zers moeilijkheden met die daar. Moet misschien worden buiten­gesloten. Niet mijn beslissing Tanazijdank. In staat tot grote moeilijkheden zelfs nu. Vreemd oud mensen­soort weinig voorkomend in Bestel: hansworst. Niet ongewoon onder Tanu helaas. Voorspel zal Blitzmaken Muriah. Vraag Morian overleeft dat.
    Ironisch juist woestijn voor jullie slavenmeesters. Mensheid gevaarlijke prooi. Ah Elizabeth.
    Ontkennen? Lach. Manipuslimmeriken! Desocialisatie/reso­cialisatie bannelingen kunstig geprobeerd. Voorbeeld: kasteel omgeving angst omhooghalen. Volgt feest warmtevriendschap-machtscadeautjes. Versterk les afgehakte hoofden. Ruw goed-mens/slechtmens straf/beloning angst/opluchting geestbeheersing. Aiken + Raimo + (Sukey?) de jouwe. Beide Jachtpar­tijen geslaagd.
    Hoe anders minimale vertraging integreren? Sommige types als Aiken super risico.
    Lijkt meer op jij dan jijzelf?
    Ontvankelijke Elizabeth. Engelachtige waakzame hoogvliegster veracht pathetisch bannelingmislukkingen.
    ‘Ah, Elizabeth. We leren elkaar steeds beter kennen.’
    De schipper die hen op de ongewone boot waarmee ze stroomaf­waarts zouden reizen, welkom heette, droeg een kakibroek en een met zweet bevlekt T-shirt. Zijn buik puilde uit boven de riem. Een kreukelige peper-en-zout snor en een ringbaard omlijstten de joviale glimlach op zijn mahoniekleurige gezicht. Hij groette Creyn losjes door met een vinger tegen de half ver­gane rand van zijn marinemuts te tikken die uit de 20e eeuw stamde.
    ‘Welkom aan boord, dames, heren. Schipper Highjohn, tot uw dienst. Neem elke plaats die u wilt, maar vooraan is het uitzicht het best. Breng die brancard hierheen en laat hem vastzetten.’ De menselijke reizigers gingen aan boord van het vreemde vaar­tuig en gingen wat ongemakkelijk zitten in de luchtkussenstoelen die hun vorm konden aanpassen en waar bovendien een inge­wikkeld harnas aan vastzat dat de schipper hen hielp vastma­ken.
    ‘Is de rivier zo ruw, kapitein?’ vroeg Sukey. Ze was naast Stein gaan zitten en bleef ongeruste blikken werpen op de slapende reus terwijl helpers hem vastbonden.
    ‘Maakt u zich niet ongerust. Ik maak deze trip over de Rhöne nu al zestien jaar en ik heb nog nooit een boot verloren.’ Highjohn klikte een klep in de stoelleuning open en liet zien dat er een container onder zat. ‘Om over te geven als dat nodig is.’ Aiken liet zich horen. ‘Je hebt nog nooit een boot verloren, maar hoe zit dat met je passagiers?’
    ‘Je ziet eruit alsof je een sterke tikker hebt, jongen. Als de zaken te woest worden, dan zal Heer Creyn je iets kalmerends geven via de halsring. Zit iedereen? We leggen aan voor de lunch bij de Feligompo Plantage voor iedereen die dan trek heeft. Vanavond komen we aan in Darask, dat is even beneden het toekomstige Avignon. U weet wel, de plaats met die brug. Tot straks.’ Vriendelijk wuivend verdween hij naar voren. De bedienden van het huis van Bormol, die Stein en hun bagage hadden vervoerd, troepten nu samen langs de kade. Dokwerkers begonnen om het schip te zwermen om het klaar te maken voor vertrek. De passa­giers keken met gemengde interesse ongerust toe. De rivierboot had hetzelfde model als de meeste andere schepen die langs de kade lagen, het was ongeveer veertien meter lang vanaf de hoge, messcherpe boeg tot aan de afgeronde achterste­ven. Door de vorm was het een verre verwant van die onzinkbare vlotten en opblaasboten die door sportlui en onderzoekers werden gebruikt in het Galaktisch Bestel. De romp, aan weerszijden van de naam Mojo voorzien, bestond uit een sterk, met lucht gevuld membraanweefsel, aan de buitenzijde zwaar gegolfd en van grote stootkussens voorzien. Het zag eruit alsof het leeg kon lopen en in onderdelen uiteengehaald kon worden om het stroomopwaarts weer met een karavaan terug te brengen. Goed afgesloten luikopeningen gaven toegang tot de laadruimten, ter­wijl de passagiersaccommodatie zich op een open plek mid­scheeps bevond die door hoepelvormige bogen was overdekt. De dokwerkers overtrokken dit frame snel met panelen van een diep getint transparant materiaal dat wel op decamole leek. Sukey draaide zich naar Elizabeth die in de stoel naast haar zat. ‘Ik heb het niet begrepen op de manier waarop de kapitein praat­te. Wat staat ons nu weer te wachten?’
    ‘In elk geval een interessante reis, als de tekens ons niet bedrie­gen. Bryan, weet jij iets meer over de Rhöne?’ ‘In onze tijd was die helemaal getemd, met sluizen, dammen en aftakkingen,’ antwoordde de antropoloog. ‘Maar hier in het Plioceen is het hoogteverloop ongetwijfeld groter en dat wil zeg­gen dat er watervallen moeten zijn. Wanneer we in de buurt van Avignon komen, dat hier ongeveer honderdvijftig kilometer van­daan ligt, komen we in een gebied waar vast en zeker een diepe kloof is. Die werd in de 22e eeuw afgesloten door de Donzère-Mondragon Barrage, een van de grootste dammen in Europa. Maar wat we nu precies zullen tegenkomen... nou ja, al te beroerd kan het ook weer niet zijn, anders zouden ze het er niet op wagen, waar of niet?’
    Een stevig uitziende telescoopmast werd achter het passagiersgedeelte omhooggehesen. Toen hij de volle hoogte van vier meter had bereikt, kwam uit het topeind een mastboom te voorschijn waaraan zich een zeil ontplooide dat nog het meest leek op een ouderwets draagbaar filmdoek. Het zeil ontvouwde zich en begon zich aarzelend te vullen. Dokwerkers wierpen de trossen los en een lichte trilling van het dek gaf aan dat er ook een kleine motor aan het werk was gezet. De Mojo begon zich tussen het andere scheepsverkeer door te werken op weg naar de hoofd­stroom en Bryan maakte uit de bewegingen op dat het schip over meer dan één roer beschikte om het zo wendbaar mogelijk te maken.
    Onder een scherpe hoek voeren ze weg van de oever. Toen de stroming hen te pakken kreeg, verdween de ommuurde stad Roniah verbazend snel achter hen. Het was niet makkelijk om hun snelheid te schatten, maar Bryan giste dat deze met sedi­ment overvoerde stroom een snelheid had van tenminste twintig knopen. Wat er zou gebeuren wanneer die grote hoeveelheid water werd samengeperst tussen de wanden van een kloof, vorm­de een uitdaging voor de verbeelding van de antropoloog. Maar zijn speculaties daarover waren duidelijk van een onbehaaglijk soort.
    Raimo, die naast hem zat, had een andere vertroosting gevon­den. Hij nam een slok uit zijn weer bijgevulde zilveren flacon en bood Bryan niet helemaal van harte ook iets aan. ‘Tanu-spul. Het is geen Hudson Bay-kwaliteit, maar ook weer niet al te slecht.’
    ‘Misschien later,’ zei Bryan met een glimlach. Raimo gromde wat en nam nog een slok. De opwinding van zijn eerdere avon­tuur begon weg te ebben en liet de voormalige houtvester somber en slecht op zijn gemak achter. Bryan probeerde hem, door vra­gen te stellen over het feest van de vorige avond, uit zijn tent te lokken, maar hij kreeg enkel de kortst mogelijke antwoorden. ‘Dan had je er maar bij moeten zijn,’ zei Raimo en verviel weer in stilzwijgen.
    Langer dan een uur voeren ze zonder problemen over vaarwater met hooggelegen oevers, aan hun linkerhand de beboste hellin­gen van de lage Alpen en rechts de drogere plateaus die boven de vochtige, lagere jungles uitrezen. Af en toe wees Creyn de lig­ging van een plantage aan, maar doorgaans was de omgeving zo zwaar bebost dat ze van die nederzettingen slechts weinig kon­den zien. Soms passeerden ze kleinere boten die in het ondiepere water onder de oevers voeren en eenmaal haalden ze een grote bark zonder zeilen in waarvan de lading helemaal was afgedekt en die diep in het water lag. Ze werden begroet met een stoot op een luchthoorn die door schipper Highjohn werd beantwoord. De rivier maakte een wijde bocht en de stroom voerde hen nu tussen een groot stuk voorgebergte en een reeks rotsige eilandjes door. Kleine mechanische geluiden kondigden aan dat het zeil werd ingenomen, de mastboom verdween en de telescoopmast werd ingekort. Hun snelheid nam er echter niet door af, integen­deel. Bryan schatte dat ze nu zeker dertig knopen maakten en tegelijk werd hij zich bewust van een diepe vibratie, veroorzaakt door het water dat langs de romp gleed en dat zo door de opge­blazen hoofdsteun van zijn stoel in zijn schedel doordrong. De trilling nam toe tot het een hoorbaar gebrul werd, terwijl het schip inmiddels een scherpe bocht rondde. Toen rezen de wan­den van een kloof aan weerszijden op. Sukey gilde en Raimo schreeuwde een verwensing. Voor hen uit daalde de zich vernauwende Rhöne met een hellingshoek van zeker twintig procent, veranderend in een schui­mende furie te midden van de rotsen in haar bedding. Het schip dook midden in die stroomversnelling en een stortvloed van gelig gekleurd rivierwater stroomde over het dek en omringde tijdelijk de koepel van de passagiersruimte. Toen maakte de Mojo zich vrij en kwam boven, voorwaarts planerend te midden van mon­sterlijke golven en oprijzende granietwanden en soms zo diep wegzakkend dat het gele water tot halverwege het waterdichte compartiment kwam. Het geluid was bijna onverdraaglijk. Raimo’s mond stond wijd open, maar zijn kreten waren in het oor­verdovende lawaai niet te horen.
    Een donkere massa doemde voor hen op. Het schip helde bijna zestig graden naar stuurboord over, toen ze rakelings een grote rotsmassa passeerden en in een nog nauwere bedding kwamen tussen reeksen afzonderlijke rotsen. De lucht was zo vol met schuim dat het onmogelijk leek dat de schipper kon zien waar ze heengingen. Maar ondanks dat ging het schip verder op zijn onvoorspelbare zigzagkoers te midden van rotsen die niet meer dan af en toe een bons veroorzaakten tegen de met lucht gevulde stootkussens.
    Even kwam er een pauze op een stuk waar de rivier vrijer kon stromen. Maar toen waarschuwde de stem van Highjohn. ‘Nog één keer, mensen!’ en Bryan realiseerde zich dat ze schokkend door het bezoedelde water afgingen op een muur van scherpe rotsen, klauwachtige brokken graniet waar de gele wateren van de rivier in opeenvolgende gordijnen van schuim op stukspatten. Er leek geen doorgang mogelijk. De ontzette tijdreizigers grepen de leuningen van hun stoelen en bereidden zich voor op het onvermijdelijke.
    De Mojo snelde naar de grootste van de rotsen, de boeg diep duikend. Het schip dook in het schuim, maar het zonk niet en een botsing met de rotsen bleef uit. In plaats daarvan rees het schip hoger en hoger op een ongeziene onderstroom. Even was er de bonzende klap aan stuurboord toen ze tegen een rotsig oppervlak dreunden en het schip geheel leek te verdwijnen in de ondoor­zichtige razernij van water. De romp leek 360 graden heen en weer te rollen, maakte zich toen een paar ogenblikken geheel los van het water en kwam met een botten brekende klap weer op het oppervlak terecht waarbij de passagiersruimte opnieuw tij­delijk geheel door het water werd overstroomd. Maar het schip kwam direct weer boven, in complete rust drijvend in een groot bassin tussen veel lagere wanden. Achter hen lag de kloof die ze net waren gepasseerd, een waterval die eruitzag als het reus­achtige uiteinde van een onvoorstelbare afvoergoot en die een val van dertig meter maakte naar het bassin beneden. ‘Jullie kunnen nu de veiligheidsriemen losmaken,’ zei de schip­per. ‘Meer goedkope opwinding hebben we deze ochtend niet. Na de lunch wordt het pas echt spannend.’ Hij kwam naar de passagiersruimte toe om de overkapping op lekkages te controle­ren. ‘Er is geen druppel doorgekomen.’
    ‘Gefeliciteerd,’ fluisterde Bryan. Met bevende handen begon hij aan de riemen van zijn stoel te frommelen. ‘Zal ik je helpen?’ Highjohn boog zich naar hem over. Bryan kwam op wankele benen overeind. Hij zag dat al de ande­ren, inclusief Creyn en Elizabeth, bewegingloos in hun stoelen zaten, de ogen gesloten en blijkbaar in slaap. Met zijn vuisten op de heupen overzag de schipper zijn passa­giers en schudde langzaam het hoofd. ‘Iedere verdomde keer hetzelfde. Die gevoelige Tanu-kerels kunnen de Cameron Sluis gewoon niet verdragen, bang als ze zijn voor water. Dus knijpen ze ertussenuit. En iedereen onder mensen die een halsring draagt en ook maar een spoortje van ongerustheid laat merken, krijgt hetzelfde toegediend. Dat is nogal teleurstellend, weet je? Iedere kunstenaar wil graag wat applaus hebben.’ ‘Ik begrijp wat je bedoelt,’ zei Bryan.
    ‘Ik krijg niet vaak een zonderling als jij aan boord, geen halsring en toch mans genoeg om zonder klappertanden en gejammer hier doorheen te komen. ‘Die dame daar zonder…’ hij wees naar Elizabeth, ‘moet zeker flauwgevallen zijn.’ ‘Niet waarschijnlijk,’ zei Bryan. ‘Ze is een complete meta. Ik wil wedden dat ze gewoon haar eigen kalmerende oefeningen heeft gedaan en net als Creyn door de opwinding is heengeslapen op haar eigen manier.’
    ‘Maar jij niet, hè, sportman! Ik veronderstel dat je eerder op ruw water hebt gezeten?’
    Bryan haalde zijn schouders op. ‘Uit liefhebberij. De Noordzee. Het Kanaal en de Middellandse Zee. Het gebruikelijke.’ Highjohn sloeg hem op de schouders. Zijn ogen schitterden en hij gaf Bryan een kameraadschappelijke glimlach. ‘Ik zal je zeg­gen wat we doen. Jij komt met mij naar voren en dan zal ik je een paar dingen laten zien hoe je deze tobbe drijvend houdt voor we in Feligompo komen. En als het je lijkt. . . wie weet. Je kunt hier met je neus in beroerder baantjes vallen.’ ‘Ik ga graag met je mee naar de stuurhut,’ zei Bryan. ‘Maar ik denk niet dat ik de rest van je aanbod kan aannemen.’ Hij grijns­de spijtig. ‘Ik geloof dat de Tanu andere plannen met me heb­ben.’

13

    Claude werd wakker. Een koele bries kwam door de houten kraalgordijnen die de slaapplaats van de gevangenen afsloten tegen insekten. Twee bewakers deden buiten hun ronde en keken van tijd tot tijd vanonder hun bronzen helmen naar binnen, hun bogen klaar over de schouders.
    De oude man probeerde zijn spieren en godnogtoe, het werkte allemaal nog. Na al die jaren was hij nog steeds geschikt voor veldwerk. Hij kwam van zijn slaapplaats overeind en keek om zich heen. Bijna alle gevangenen sliepen nog alsof ze verdoofd waren. Maar Felice was wakker en Basil de alpinist ook en de twee Japanse ronin. Uit een gesloten mand naast een slapende vrouw kwam gekef. Andere slapers snurkten of kreunden in hun slaap.
    Claude keek op zijn gemak naar Felice. Ze sprak zachtjes met de drie andere mannen. Eenmaal probeerde één van de ronin te protesteren tegen wat ze zei, maar ze sneed hem met een woest gebaar de pas af en de Oosterse strijder gaf zijn verzet op. Het was laat in de namiddag en tamelijk heet. Binnen de muren van het fort lag alles in de schaduw. Keukengeuren kwamen uit een van de gebouwen en Claude liep het water in de mond. Een vleespot en iets dat rook naar vruchtentaart. Wat er hier ook mis was, de gemeenschap in Ballingschap at er goed van. Felice, die blijkbaar klaar was met haar gesprek, kroop over de volle vloer naar Claude. Ze zag er opgewonden uit en haar brui­ne ogen stonden wijd opengesperd. Ze droeg de mouwloze kle­ding met een kilt die onder haar hoplietenuitrusting hoorde, maar de rest ervan had ze uitgelaten op de zwarte scheenbe­schermers na. De ontblote delen van haar huid glommen een beetje van het zweet.
    ‘Maak Richard wakker,’ fluisterde ze ongeduldig. Claude pakte de slapende ex-ruimteman bij een schouder. Gore taal mompelend kwam Richard half op zijn ellebogen over­eind.
    ‘We zullen het waarschijnlijk vannacht moeten proberen,’ zei Felice. ‘Iemand van de lui hier in het fort heeft Amerie verteld dat we morgen door moeilijk begaanbaar terrein reizen en daar zou mijn plan heel wat minder goed kunnen werken. Ik moet open ruimte om me heen hebben om te kunnen zien wat ik doe. Ik denk dat een moment voor zonsopgang nog het beste is. Het is dan nog behoorlijk donker en de beerhonden lopen op hun laat­ste benen.’
    ‘Wacht eens even,’ protesteerde Richard, ‘denk je niet dat we dat plan van jou beter eerst kunnen bespreken?’ Ze schonk er geen aandacht aan. ‘De anderen—Yosh, Basil en Tat—zullen proberen ons te helpen. Ik heb die zigeuners ook gevraagd, maar die zijn half mesjokke en bovendien nemen ze van een vrouw geen bevelen aan. Luister goed, want zo gaan we het doen. Na de rustpauze, omstreeks middernacht, neemt Richard de plaats in van Amerie en komt naast me rijden.’ ‘Kom nou, Felice! Dat hebben de bewakers zo in de gaten.’
    ‘Voor die tijd trek jij in de latrine haar kleren aan.’ ‘Van zijn leven niet,’ voer Richard uit. Maar Felice greep hem bij zijn revers en trok hem op zijn buik over de grond naar haar toe tot ze neus aan neus lagen.
    ‘Jij houdt je kop en je luistert, kapitein Strontgat. Niemand van jullie heeft anders ook maar een schijn van kans om hier weg te komen. Amerie heeft vanmorgen een van de bewakers uitge­hoord nadat ze hier de mis had gelezen. Die buitenaardsen beschikken over psychische vermogens waardoor ze je hersens kunnen uitbranden en je zo leeg als een zak achterlaten. Ze kun­nen zelfs met gewone wapens niet eens gedood worden! Ze heb­ben een systeem om al hun slavensteden te controleren dat vrij­wel perfect is. Wanneer we in Finiah aankomen en ze mij uitpro­beren en erachter komen wat ik kan, dan zullen ze me zeker een halsring omdoen of vermoorden en de rest van jullie mag geluk­kig wezen als je voor je leven stront mag ruimen in de stallen van de chaliko’s. Dit is onze enige kans, Richard! En jij doet precies wat ik je zeg!’
    ‘Laat hem gaan, Felice,’ zei Claude dringend. ‘De bewakers.’ Toen ze hem losliet, fluisterde Richard: ‘Verdomme, Felice, ik heb toch niet gezegd dat ik niet zou helpen! Maar je kunt me niet als een kind blijven behandelen.’
    ‘Wat moet ik dan met een grote kerel die ’s nachts zijn bed bevuilt?’ vroeg ze. ‘Wie verwisselde je luiers toen je nog sterreschepen bestuurde, kapitein?’
    Richard trok wit weg. Claude werd woedend. ‘Stop hiermee! Allebei!... Richard, jij was ziek. Vergeet dit in godsnaam. Daar kan ook een man niks aan doen als hij zo ziek is. We waren blij dat we je konden helpen. Maar nu moet je zien weer op de been te komen en ons te helpen met dit ontsnappingsplan. De persoonlijke gevoelens tussen jou en Felice mogen die enige kans die we hebben om uit deze nachtmerrie te komen, niet verpes­ten.’
    Richard staarde woedend naar de kleine ringhockeyspeelster en liet toen een verkrampte grijns zien. ‘Jij bent misschien de enige die dat zootje aankan, zoete baby van me. Vast en zeker. Dus ik doe alles wat je maar zegt.’
    ‘Dat is mooi,’ zei ze tegen hem. Ze tastte achter het zwarte leer van haar linker beschermer en haalde iets te voorschijn dat eruit zag als een slank gouden kruis.
    ‘Het eerste goede nieuws is dat we niet helemaal zonder wapens zijn ...’
    Tegen het vallen van de avond reden ze weg terwijl een halve maan door de cipressen scheen. Nadat ze een smal stroompje waren overgestoken, wond het pad zich door het Bourgondische plateau omhoog en richtte zich weer naar het noorden. Bakens gaven de weg aan in het toenemende duister. Na een tijdje keken ze neer op een grote, stomende oppervlakte vol mist die de plaats aangaf waar te midden van grote moerassen de Saöne geboren werd uit het prehistorische Lac de Bresse. Het water van het meer strekte zich naar het noorden en het westen uit als een grote plaat zwart glas. Richard hield de oude paleontoloog bezig met beschrijvingen over de legendarische wijnen die zes miljoen jaar later in dit district zouden worden geproduceerd. Later, toen de sterren helderder werden, mat Richard voor de laatste keer de Pliocene poolster. Het was de helderste ster bin­nen een constellatie die beide mannen de Grote Kalkoen hadden gedoopt.
    ‘Dat heb je goed gedaan,’ zei Claude.
    ‘Maar het kon allemaal wel eens voor niets zijn, als we er het leven bij inschieten of voor gek worden achtergelaten ... Denk jij echt dat dat plan van Felice een kans heeft?’ ‘Je moet het anders zien. Felice zou makkelijker in haar eentje kunnen ontsnappen. Maar ze heeft dit plan bedacht om ons ook een kans te geven. Jij mag dan de pest aan haar hebben, maar het zou misschien toch kunnen lukken. Ik ga tenminste alles voor haar doen wat ik kan, al ben ik dan niet veel meer waard en maar een stapje van mijn eigen fossiel verwijderd. Maar jij bent nog jong, Richard. En je ziet eruit alsof je weet hoe je aan een knok­partij mee moet doen. We rekenen op je.’ ‘Ik schijt in m’n moeders broek van angst,’ vertelde de piraat hem. ‘Dat kleine pokkemesje van goud, dat is niet veel meer dan een stuk speelgoed! Wat moeten we daarmee beginnen?’ ‘Probeer het recept van Amerie eens,’ zei de oude man. ‘Bid wat je kan.’
    Vooraan in de karavaan bracht Basil de alpinist de zakkende maan een saluut door ‘Au clair de la lune’ op zijn fluit te spelen. De kleine danseres uit Parijs reed naast hem en zong mee. Ver­bazend genoeg viel zelfs Epone in met een volle, smeltende sopraanstem. De buitenaardse vrouw ging door met zingen toen Basil andere liedjes inzette, maar toen hij ‘Londonderry Air’ begon te spelen kwam een van de soldaten op zijn chaliko aangegaloppeerd en zei: ‘De Verheven Vrouwe Epone verbiedt het zingen van dat lied.’
    De alpinist haalde de schouders op en borg zijn fluit weg. De danseres zei: ‘Het monster heeft haar eigen woorden voor die melodie. Ik heb haar horen zingen, die eerste nacht toen we nog in kasteel Doortocht waren. Is het niet vreemd dat zo’n griezel muzikaal is? Het is allemaal net een sprookje en Epone is de mooie, verderfelijke heks.’ ‘Die heks kon voor de ochtend wel eens een ander liedje zingen,’ zei Felice, maar de non was de enige die haar hoorde. Het pad voerde steeds dichter naar de westelijke oever van het grote meer en ze zouden eromheen moeten voor ze in oostelijker richting verder konden tussen de Vogezen en de Jura door om in de Rijnvallei te komen. Het water van het meer was doodstil en weerspiegelde inktzwart de sterren. Toen het pad hen om een stuk voorgebergte had gevoerd, zagen ze in het water ook de reflectie van een vuurbaken; een lichtende streep oranje die over een grote baai in hun richting stak.
    ‘Kijk. .. niet één vuur, maar twee.’ De stem van Felice klonk opgewonden. ‘Wat voor de duivel betekent dat nou weer?’ Een van de soldaten achteraan galoppeerde hen voorbij, overleg­de met kapitein Waldemar en nam toen zijn plaats weer in. De chaliko’s verminderden hun snelheid en kwamen ten slotte tot stilstand. Epone en Waldemar verlieten het pad en reden naar de top van een kleine heuvel vanwaar ze het meer konden over­zien.
    Felice stompte zacht met haar ene vuist in de palm van de andere hand en fluisterde: ‘Shit, shit en nog eens shit.’ ‘Er is daarginds iets op het water,’ zei Amerie. Een dunne mist trok langs de oevers van de baai. Een deel ervan verdikte zich terwijl ze ernaar keken, werd helderder en verdeelde zich toen in vier afzonderlijke, vaag glanzende vor­men, donzig en amorf. Terwijl die dwaallichten dichterbij kwa­men, werden ze groter en nam hun kleur in intensiteit toe, de een bleekblauw, een ander vaag goudkleurig en twee dieprood. Ze bewogen zich op en neer terwijl ze een bedrieglijk pad over het water volgden naar een plek op de oever die niet ver van hun karavaan verwijderd was.
    ‘De spookgeesten,’ zei de danseres, haar stem schor van angst. Het centrale deel van elke vorm onthulde nu een gedaante die uit de lichtende gloed naar voren leek te treden, ronde lichamen met afhangende uitsteeksels die bewogen. Ze waren minstens twee maal zo groot als een mens.
    ‘Ze zien eruit als reusachtige spinnen,’ fluisterde Amerie. ‘De spinnewebgeesten,’ zei de danseres, ‘mijn grootmoeder heeft me die oude verhalen verteld. Het zijn de vormveranderaarsters.’
    ‘Het is een illusie,’ besloot Felice. ‘Kijk wat Epone doet.’ De Tanu-vrouw was in haar stijgbeugels gaan staan zodat ze hoog boven de rug van haar roerloze chaliko uitstak. De kap van haar mantel was afgegleden en haar haren werden verlicht door het veelkleurige schijnsel dat van de dingen rondom de meeroever afstraalde. Ze zette beide handen in haar nek en schreeuwde één enkel woord in haar eigen taal.
    De vlammende spinvormen lichtten hun buiken op in haar rich­ting. Schichten purperen licht schoten naar Epone toe, over de hoofden van de gevangenen heen. Die schreeuwden het uit, meer van verbazing dan van angst, want de gebeurtenis was zo vreemd dat het eerder een lichtshow dan een aanval leek. Het web van helder licht bereikte de grond niet. Terwijl het glan­zend boven hen hing, viel het uiteen in een veelvoud van glinste­rende fragmenten als dovend vuurwerk. De buitenste randen van de stralende spinvormen begonnen op dezelfde snelle manier uiteen te vallen, waardoor de fantomen omhuld werden door een wolk van wervelende vonken. De gloeiende spinnen veranderden in legendarische zeemonsters met krioelende tentakels, vervol­gens in monsterachtige medusahoofden met brandende ogen en ten slotte in vormloze ronde dingen die kleiner en kleiner werden en toen uitdoofden.
    Alleen de sterren en de vuurbakens weerspiegelden zich nog in het meer.
    Epone en de kapitein reden terug naar het pad en namen hun plaatsen weer in aan het hoofd van de stoet. De chaliko’s knor­den en bliezen en begonnen weer te lopen met hun gebruikelijke snelheid. Een soldaat zei iets tegen een van de gevangenen voor­aan en dat woord werd de rij doorgegeven. ‘Firvulag. Dat waren de Firvulag.’
    ‘Het was een illusie,’ hield Felice vol. ‘Maar iets veroorzaakte het, daar kun je donder op zeggen. Iets dat de Tanu al even weinig mag als wij. Dat is heel interessant.’ ‘Betekent dit dat je je plan moet veranderen?’ vroeg Amerie. ‘Niet waarschijnlijk. Het kan zelfs helpen. Als de bewakers moe­ten uitkijken voor spoken en geesten en langpotig ongedierte, hebben ze minder tijd om ons in de gaten te houden.’ Toen ze rondom de baai waren getrokken, kwamen ze op de plek waar het dubbele baken brandde en daar stond een ander fort waar ze naar binnen gingen voor hun middernachtelijke rust­pauze. Felice steeg snel af en hielp niet alleen haar vrienden maar ook nog enkele anderen. Later, toen het tijd werd weer in het zadel te klimmen, was ze er weer om vermoeide mensen te helpen hun voeten in de stijgbeugels te plaatsen net voor de sol­daten aankwamen om de bronzen enkelkettingen weer vast te maken binnen hun leren omhulsels.
    ‘Zuster Amerie voelt zich niet al te goed,’ zei de kleine atlete tegen de bewaker die haar weer op haar eigen rijdier vastzette. ‘Die vreemde ondieren uit het meer hebben haar de schrik van haar leven bezorgd.’
    ‘Maakt u zich niet bezorgd over de Firvulag, Zuster,’ zei de man tegen de gebogen, achter een sluier verborgen gedaante. ‘Zolang de Verheven Vrouwe bij ons is, kunnen ze niemand van ons pak­ken. Ze kan ze allemaal aan. U kunt zonder angst verder rij­den.’
    ‘God zegene u,’ antwoordde een fluisterstem. Terwijl de soldaat wegging om Basil en de danseres weer te kete­nen, zei Felice hardop: ‘Probeer wat te slapen, Zuster. Dat is het beste middel tegen de zenuwen.’ En op zachtere toon voegde ze daaraan toe: ‘En houd je kutlikkerskop dicht, zoals ik je gezegd heb.’
    De arme zieke non nodigde Felice uit voor een onwaarschijnlijke anatomische excursie.
    Ze bleven het meer volgen, nog steeds in noordelijke richting. Nadat er een uur was voorbijgegaan, zei Claude. ‘Ik ben vrij. Hoe is het met jou, Amerie?’
    De ruiter naast hem was wat slordig gekleed in de overall van een ruimtekapitein met daarboven een breedgerande zwarte hoed met donkere pluimen. ‘Mijn kettingen zijn gebroken. Wat een ongelofelijk kind is die Felice! Maar ik kan begrijpen waarom ze door haar teamgenoten werd buitengesloten. Het is allemaal te krankzinnig, zoveel kracht in het lichaam van een pop.’ ‘Haar fysieke kracht is anders iets waar de meesten nog wel mee uit de voeten zouden kunnen.’ Meer wilde Claude er niet over zeggen.
    Toen vroeg Amerie: ‘Hoeveel mensen heeft ze losgemaakt?’ ‘De twee Japanners die achter haar rijden. Basil, de kerel met die Tiroler hoed. En die arme middeleeuwse ridder, Dougal, die net voor Basil rijdt. Hij is de enige die niet weet dat zijn kettin­gen vrijwel gebroken zijn. Felice vindt hem niet evenwichtig genoeg om hem iets over ons plan te vertellen. Maar als het allemaal begint, krijgen we hem misschien zover dat hij mee­doet. God weet dat hij er groot en sterk uitziet en misschien haat hij die Epone genoeg om uit zijn verstarring te raken als hij anderen bezig ziet.’
    ‘Ik hoop dat het met Richard goed gaat.’ ‘Maak je daar geen zorgen over. Hij zal wel doen wat nodig is, al was het alleen maar om Felice te laten zien dat zij niet de enige is met lef.’
    De non lachte. ‘We zijn een mooie verzameling. Allemaal ban­nelingen en verliezers! We hebben precies gekregen wat ons toe­kwam door voor onze verantwoordelijkheden weg te lopen. Kijk eens naar mij. Heel wat mensen konden mijn hulp gebruiken. Maar ik moest me zo nodig zorgen maken om mijn eigen kostba­re spirituele ontwikkeling in plaats van mijn werk te doen ... Weet je, Claude, de afgelopen nacht is een kwelling voor me geweest. Rijden, dat is iets, daar krijg ik het verschrikkelijk te kwaad mee. En terwijl dat gebeurde, werd ik almaar kleiner. En ik denk dat ik ten slotte begreep waarom ik in deze rotzooi terecht ben gekomen. Ik bedoel niet alleen hierheen, ik bedoel alles.’
    De oude man antwoordde niet.
    ‘Ik denk dat jij daar ook al wel achter bent gekomen, Claude. Misschien al wel een lief tijdje geleden.’ ‘Wel, ja,’ gaf hij toe. ‘Toen we over je kindertijd spraken, die dag in de bergen. Maar ik dacht dat je dat zelf maar moest uitvin­den.’
    Zachtjes zei ze: ‘De eerstgeboren dochter met het Kleine Mamagevoel in de warme Italiaanse familiesfeer. Hardwerkende ouders die van haar afhankelijk waren om die lieve kleine broertjes groot te brengen. En ze hield ervan om dat te doen, genoot van de macht en de verantwoordelijkheid. Dan maakt het gezin zich klaar om naar een opwindende nieuwe wereld te ver­huizen. Wat spannend! Maar de dochter laat het afweten door haar spieren te verrekken en een been te breken.’… Het is maar één kort weekje in de tank, liefje en dan kom je ons met het volgende schip achterna. Maak voort en zorg dat je beter wordt, Annamaria! We zullen de hulp van ons grote meisje meer dan ooit nodig hebben op Multnomah! En jij maar haasten. Tegen de tijd dat jij beter was, waren ze allemaal dood, omgekomen bij een transmissie-ongeluk met het sterreschip. Wat zat er anders op dan boete doen? Door al die jaren heen hen te laten zien dat het je speet niet gelijk met hen gestorven te zijn? Maak je dienstbaar door het sterven van ande­ren te verlichten; dat had je bij hen niet kunnen doen ... ‘En tegelijk heb ik er al die tijd tegen gevochten, Claude. Dat weet ik nu. Ik was niet echt zo morbide en ik was blij dat ik leefde en niet dood was. Maar dat oude gevoel van schuld liet me nooit los, ook al had ik het door mijn roeping dan nog zo mooi gesubli­meerd dat ik niet eens in de gaten had hoe het me ondermijnde. Ik ben jaren doorgegaan met zwaar werk en ik weigerde vakan­ties en vrije dagen. Er was altijd wel iemand die mijn speciale hulp nodig had en ik was altijd sterk genoeg om die te geven. Maar ten slotte werd het allemaal te veel. De demonen waren niet langer op een afstand te houden. De emotionele vermoeid­heid van het werk, het begraven schuldgevoel, het begon alle­maal door elkaar te lopen en het werd ondraaglijk.’ De stem van de oude man toonde zijn meegevoel. ‘Dus toen de meer meditatieve kloostergemeenschappen jou terecht afwezen, ging je zoeken en zoeken en ten slotte vond je iets dat een nog betere boetedoening leek... Heb je nu door dat je nooit genoeg van jezelf hebt gehouden? Dit kluizenaarster spelen in Balling­schap is zo ongeveer de allerlaatste stoel, met je gezicht tegen de muur.’
    Ze had haar hoofd van hem afgewend zodat de hoed met de brede rand haar gezicht verborg. ‘Dus de kluizenaarster in Bal­lingschap is precies zo’n bedriegster als de helpende non in het tehuis voor stervenden.’
    ‘Dat laatste is niet waar!’ beet Claude haar toe. ‘Gen dacht er niet zo over en ik evenmin. En al die honderden anderen die leden en die jij hielp ook niet. In godsnaam, Amerie, probeer het objectief te zien! Ieder menselijk wezen heeft diep verborgen motieven naast heel oppervlakkige. Maar de motivatie onder­graaft het objectieve goed niet dat we hebben gedaan.’ ‘Jij wilt dat ik doorga met mijn leven en ophoud mezelf schurftig te voelen. Maar Claude, ik kan niet meer terug, ook al weet ik dat ik de verkeerde keus heb gemaakt. Ik heb niets meer over.’ ‘Als je nog iets van geloof over hebt, waarom zou je dan niet geloven dat er een reden is waarom je hier bent?’ Ze schonk hem een verkreukelde glimlach. ‘Dat is een interes­sant idee. Laten we daar de rest van de nacht over mediteren.’ ‘Prima. Ik denk dat je wat later niet veel tijd voor meditatie over zult hebben als dat plan van Felice werkt... Ik zal je wat vertel­len, jij mediteert en ik doe een dutje. Dat zal ons beiden goed doen. Maak me wakker zodra Basil het afgesproken signaal begint te spelen. Dat zal even voor zonsopgang zijn.’ ‘Wanneer het op zijn donkerst is,’ zuchtte de non. ‘Ga slapen, Claude. Droom plezierig.’
    Er waren geen dubbele vuurbakens meer. Dat was blijkbaar de manier waarop verkenners waarschuwden voor de aanwezigheid van Firvulag. De karavaan was nu het plateau afgedaald en trok over dunner beboste hellingen, onderbroken door kleine stroompjes die schuimend over rotsen tuimelden en de chaliko’s nogal wat last bezorgden terwijl die bij het sterrenlicht hun weg zochten. Het landschap werd ook ruwer en de lucht rook naar dennehars. Terwijl de nacht vergleed, stak er een wind op die het meer rimpelde en de waakvuren langs de oevers onrustiger deed opvlammen. Het was heel rustig. Buiten het geluid van de kara­vaan zelf was er niets te horen dan af en toe het roepen van een uil. Nergens lichten van boerderijen of nederzettingen, geen enkel teken van bewoning. Des te beter wanneer het inderdaad zou lukken om te ontsnappen.
    Ze kwamen bij een diep ravijn dat aan weerskanten door vuren werd verlicht en waar een eenzame bewaker op wacht stond bij een opblaasbrug die de diepte overspande. Drie toortsdragers in bronzen wapenrustingen sprongen in de houding toen Epone en kapitein Waldemar als eersten de zwaaiende brug over staken. Daarna escorteerden de soldaten de gevangenen met hun rijdie­ren in gescheiden kleine groepjes naar de overkant.
    Toen ze hun mars weer hervatten, zei Richard tegen Felice: ‘Het is al na vieren. We hebben tijd verloren met het oversteken van die riviertjes.’
    ‘Toch zullen we moeten wachten tot we ver genoeg van die bewa­kers verwijderd zijn. Ik had daar niet op gerekend. Er zijn daar vast wel meer dan drie soldaten, reken daar maar op. Epone zou hen een telepathische oproep om hulp kunnen sturen en we moe­ten ervan op aan kunnen dat die in zo’n geval te laat komen. Ik wil minstens nog een half uur wachten.’ ‘Probeer het niet te goed te doen, liefje. Wat moeten we beginnen als er verderop nog een wachtpost is? En wat dacht je van de verkenners die voor ons uit trekken en de bakens aansteken?’ ‘Oh, schei uit! Ik probeer met alles rekening te houden om een zo goed mogelijk resultaat te krijgen. Zorg jij nou maar dat jij klaar bent... Heb je het goed tegen je onderarm gebonden?’ ‘Precies zoals je gezegd hebt.’ Felice riep Basil aan. ‘Basil?’ ‘Hierzo.’
    ‘Zou je een tijdje wat slaapliedjes willen spelen?’ De tonen van de fluit weerklonken zachtjes en namen bij de rui­ters de spanning weg die door het oversteken van de brug was veroorzaakt. De dubbele rij chaliko’s en de beerhonden op hun flanken trokken nu langs reusachtige, donkere coniferen. De grond was bedekt en zacht door duizenden jaren van afgevallen naalden, waardoor alle geluid werd gedempt en zelfs de slechtste ruiters een beetje wegdommelden. Ondertussen ging hun weg langzaam omhoog tot ze ongeveer honderd meter boven het Lac de Bresse waren met aan hun rechterhand af en toe steile hellin­gen die rechtstreeks naar het water afdaalden. Al te vroeg, vond Felice, begon het in het oosten te dagen. Ze zuchtte, trok de hoplietenhelm goed over haar hoofd en leun­de naar voren in haar zadel. ‘Nu, Basil.’ De alpinist begon ‘All Through the Night’ te spelen. Toen hij dat had beëindigd en weer opnieuw begon, stoven vier beerhonden geluidloos naar de kop van de karavaan en zetten hun slagtanden tegelijkertijd in de chaliko van Epone. Het rij­dier van de buitenaardse vrouw slaakte een hartbrekend gegil toen het omviel onder het gewicht van al die lichamen. Daarna sprongen de beerhonden met woedend geblaf op Epone zelf af. De gevangenen en de soldaten vooraan gaven kreten van angst, maar de Tanu-vrouw liet haar stem niet horen. Richard zette zijn voeten schrap tegen de nek van zijn chaliko toen die begon te rennen, zich stevig vasthoudend aan de teugels. Hij galoppeerde midden in het viertal soldaten dat Epone pro­beerde te hulp te komen. Waldemar schreeuwde: ‘Gebruik je speren, niet de bogen! Haal die beesten van haar af, jullie stom­melingen!’
    Richards chaliko kwam met de voorpoten omhoog en viel neer op de kapitein die uit het zadel werd geworpen. Een gedaante in witte kleren en een zwarte sluier boog zich voorover alsof ze de gevallen officier wilde helpen. Op het ogenblik dat het tot Waldemar doordrong dat deze non een snor droeg, liet Richard de kleine dolk van Felice uit de schede glijden en duwde met het staal door, net boven de plaats waar de halsring zat. Met doorge­sneden slagaderen probeerde de kapitein de valse non vast te grijpen, maar hij kwam niet verder dan het uiten van een in schuim gesmoorde schreeuw, glimlachte vreemd en stierf. Twee ruiterloze chaliko’s bevochten elkaar in de halve duister­nis, elkaar afschuwelijke wonden toebrengend met hun grote klauwen. Richard borg de dolk weer weg in de schede aan zijn onderarm, greep het bronzen zwaard van de dode officier en sprong vloekend achteruit. Er klonken verwarde kreten en een langdurige gil van pijn op de plek waar beerhonden en soldaten samen vochten. De twee soldaten uit de achterhoede kwamen naar voren om hun kameraden te helpen. Een van hen viel met gevelde lans een kleine beerhond aan die uit de struiken kwam en smeet hem hoog in de lucht. Maar er kwam nog een duistere gedaante te voorschijn, wendend en kerend te midden van de bereden bewakers en happend en bijtend naar de poten van de woest geworden, schreeuwende chaliko’s. Felice zat op haar eigen rijdier, volkomen bewegingloos alsof ze niet meer dan een toeschouwster was bij deze slachtpartij. Een van de ronin, zijn hielen diep in de schouders van zijn rijdier, joeg op de wirwar af en trok op het laatste moment aan de teugels. De chaliko sprong omhoog en viel met zijn messcherpe klauwen in de romp van de chaliko van een der soldaten. De Japanse strijder schreeuwde een oude krijgskreet en dwong zijn rijdier keer op keer neer te komen waardoor de soldaat en zijn chaliko terecht­kwamen in de verwarde hoop mensen en dieren die al op de grond lagen. De tweede ronin kwam te voet aangesneld en greep een speer die uit de schede van een zadel stak. ‘Een beerhond! Achter je, Tat!’ schreeuwde Richard. De Japanse vechter wervelde rond en zette zijn speer schrap in de grond terwijl de beerhond toesprong. Dwars door de nek gestoken en voorwaarts gedragen door zijn eigen snelheid, viel het dier boven op de ronin die Tat heette en begroef hem onder diens massa. Richard rende naar voren en stak het worstelende monster in het dichtstbijzijnde oog terwijl hij het van de krijger probeerde af te trekken. Iemand schreeuwde: ‘Daar komt er nog een,’ en Richard keek op en zag een zwarte vorm met glinsteren­de ogen nog geen vier meter bij zich vandaan.
    Felice staarde onbewogen naar het gevecht, haar gezicht bijna verborgen achter de T-vormige opening van haar helm. De aanstormende beerhond wendde zich plotseling van Richard af en rende over de rand van de scherpe helling. Hij schreeuwde tijdens de val en kwam met een enorme klap in het water terecht. Basil en de ridder Dougal reden onmachtig langs de rand van de plek waar nog steeds gevochten werd, maar aarzelden te midden van die uitslaande bloedige klauwen. Richard scheurde de in de weg zittende sluier van zich af, pikte een andere speer op en wierp die naar Basil. Maar in plaats van ermee te steken, wierp de alpinist het ding als een strijdbijl naar een van de soldaten, precies tussen de spleten in zijn wapenrusting, hoog in de rug. De punt van de speer verdween onder de rand van de helm en door­boorde de basis van zijn schedel. Hij viel neer als een zak zand. Felice bleef toekijken.
    Er kwamen geen beerhonden meer uit het duister. Diegenen die nog leefden, hielden zich bezig met iets dat naast het lichaam van een dode witte chaliko lag. Tussen hen in stond een enkele soldaat nog overeind, langzaam hakkend naar de grauwende beerhonden als een vers geschilderde rode automaat. ‘Je moet hem doden,’ zei Felice.
    Ze konden geen speren meer vinden en dus rende Richard naar de nog steeds rijdende ridder en overhandigde hem zijn bronzen zwaard. ‘Grijp hem Dougal!’
    Als in trance greep de elegante Middeleeuwer het wapen beet en wachtte op het juiste moment voor hij op de verwarde hoop van dode en stervende dieren en mensen inreed. Hij onthoofdde de vergeefs om zich heen zwaaiende gedaante met één enkele zwaai.
    Er waren nog twee beerhonden over toen de laatste soldaat gevallen was. Richard vond een ander zwaard en maakte zich klaar om hen te weerstaan wanneer ze op hem af zouden komen. Maar de schepsels leken overvallen door waanzin. Ze deinsden eerst aarzelend van hun prooi achteruit, lucht gevend aan een bloedstollend gejank, draaiden zich toen om en renden hun ondergang tegemoet over de rand van de klip bij het meer. De hemel werd rozerood. Er klonken gesmoorde kreten en hyste­risch gehuil vanuit de groep verbaasde gevangenen die door Claude en Amerie tijdens het gevecht bijeen was gehouden en die nu langzaam naar voren kwam om te kijken. De geluiden van de stervende chaliko’s hielden abrupt op toen de overlevende ronin hen met een zwaard uit hun lijden hielp. De eerste tonen van een bastaardnachtegaal weerklonken helder en eenvoudig als een Gregoriaans gezang onder de hoge mammoetbomen. Felice verhief zich hoog in het zadel, de armen wijd uiteen, de vingers zoekend. Het hoofd in de gepluimde helm werd achter­over geworpen terwijl ze haar lichaam wrong, eenmaal schreeuwde en toen bewegingloos in haar zadel terugviel. De Japanner boog zich over het smerige karkas van de witte chaliko. Hij gromde en wenkte Richard. Verdoofd, alleen nog maar nieuwsgierig, strompelde de vroegere ruimtekapitein door de vleesmassa, gehinderd door de ongemakkelijke nonnenkle­ding.
    Op de grond lag, tussen de andere lichamen, een afschuwelijk aangevreten romp zonder ledematen, gehuld in bloeddoordrenk­te vodden. Het gezicht was aan één kant tot op het bot opengere­ten, maar de andere helft was nog steeds mooi en onbescha­digd.
    Een ooglid ging omhoog. Een jadegroene cirkel reikte naar Richard. Epones bewustzijn kreeg hem beet en begon hem naar beneden te trekken.
    Hij schreeuwde. Zijn bronzen zwaard hakte en stak naar dat ding beneden hem, maar die onverbiddelijke greep liet hem niet los. De dageraad begon te vervagen en hij werd meegenomen naar een plek waarvan hij niet zou terugkeren. ‘IJzer!’ schreeuwde de schelle stem van de ridder. ‘IJzer! Alleen daardoor kan de toverkol sterven!’
    Het onbruikbare zwaard viel en Richard tastte naar zijn pols. Terwijl hij verder wegzonk, greep hij het instrument van verlos­sing en zond het krachtige staal diep tussen de dalende en rijzen­de witte borstloze ribben naar het razende hart, dat stil viel en zo de inwonende ziel smoorde die de vlucht nam en vrijliet terwijl het zelf werd bevrijd.
    Basil en de ronin trokken Richard aan zijn armen achteruit. Zijn ogen stonden wijd open en hij schreeuwde nog steeds, maar hield de dolk met het gouden heft stevig vast. Geen van drieën besteedden ze aandacht aan de verwarde Dougal die met een sprong uit zijn zadel kwam en iets onder zijn geharnaste voeten begon te vertrappen. Felice schreeuwde een waarschuwing.
    Maar zonder op haar te letten viste de ridder een met bloed besmeurde gouden halsring uit de brokstukken en liet die ver over het meer zeilen waar hij inviel zonder een spoor achter te laten.

14

    Het paleis aan de rivier in Darask verkeerde in grote opschud­ding toen de reizigers die op weg waren naar het zuiden daar hun reis op de tweede avond onderbraken. De meesteresse van het huis lag in het kraambed en verwachtte een tweeling, maar de weeën bleven voortduren en de geboorte liet gevaarlijk lang op zich wachten. Creyn zonderde zich onmiddellijk af om zijn medische diensten aan te bieden en liet de gevangenen over aan de zorg van een hofmeester, een donkere Ier die zich direct voor­stelde als Hughie B. Kennedy VII en hen onder bewaking naar een kamer bracht die hoog in de toren van het paleis lag. ‘Jullie zullen je vannacht wat moeten schikken, vrienden,’ zei Kennedy. ‘Jongens en meisjes bij elkaar zodat het makkelijker wordt jullie in het oog te houden. We kunnen geen bewakers missen voor afzonderlijke kamers. De arme Vrouwe Estella-Sirone is er slecht aan toe en die smeerlappen van een Firvulag zwerven rond, ze ruiken wat er gaande is. Maar het is hier in elk geval koel en zo hoog zul je van de muggen geen last hebben. Er staat een goede maaltijd klaar op de balkontafel.’ De begeleidende paleiswachten droegen Steins draagbaar naar binnen en rolden hem over op een van de door muskietennetten omhangen bedden. Sukey protesteerde. ‘Hij heeft hulp nodig! Hij heeft de hele dag niets gegeten of gedronken, hij heeft niet…..
    ‘Maak je geen zorgen over hem,’ zei Kennedy. ‘Wanneer ze in slaap zijn gebracht met behulp van dit...’ hij bevoelde zijn eigen halsring, ‘dan zijn alle functies sterk vertraagd. Je vriend is nu net een beer in winterslaap, hij zal het tot morgenochtend makkelijk uithouden. En tegen die tijd, als de lieve Jezus het wil en alles in orde is met onze Vrouwe, zullen we aandacht aan hem kunnen besteden.’ De hofmeester keek Sukey slim schattend aan. ‘Ik wil wedden dat jij een goed oog op hem houdt.’ De gevangenen mochten andere kleren aantrekken, maar voor het overige was hun niet toegestaan iets uit hun bagage te halen die door de bewakers weer werd meegenomen. Kennedy veront­schuldigde zich nog eens voor de povere ontvangst en maakte zich toen gereed het vertrek af te sluiten. Elizabeth ging naar hem toe en zei op zachte toon: ‘Ik moet onder vier ogen met Creyn spreken. Het is belangrijk.’
    De hofmeester fronste. ‘Mevrouw, ik realiseer me dat u voor­rechten geniet, maar ik heb opdracht gekregen u allemaal hier te installeren.’
    ‘Kennedy, ik ben een volledige meta en een getraind herstelster. Ik kan Creyn nu niet bereiken, maar ik voel de dame en haar ongeboren kinderen en ik weet dat ze op dit ogenblik in grote moeilijkheden zijn. Ik kan van hieruit niet helpen, maar als je me meeneemt naar de kraamkamer ... daar! Creyn roept me!’ Kennedy had de telepatische oproep ook ontvangen. ‘Kom mee dan.’ Hij nam haar bij een arm en trok haar de torengang in, de deur achter zich dichtslaand.
    ‘Die komt mooi weg,’ zei Raimo zuur. ‘Wij blijven hier, maar die Kleine Rode Rijbroek mag naar het vuurwerk.’ ‘Ik zou nooit hebben gedacht dat jij geilde in verloskamers,’ sneerde Aiken.
    ‘Heb je die vent niet gehoord?’ Raimo’s bleke ogen glinsterden en hij likte zijn lippen. ‘Hij zei dat de Firvulag dit paleis gaan belegeren! Dat wil ik zien! Misschien kunnen we een partijtje meeknokken.’
    Het gezicht van Sukey vertrok van woede. ‘Jij kan niet wachten tot je mee mag doen aan de Jacht, is het niet? Jij wilt ook met de kop van een monster op een staak rondsjouwen. Zo dapper was je anders niet toen we vanmorgen over die stroomversnellingen gingen!’
    Bryan en een merkwaardig bedaarde Aiken Drum liepen naar het balkon en lieten de anderen ruziën. Op de tafel stond meer dan genoeg voedsel voor een dozijn mensen, maar het eten was koud geworden en het was merkbaar dat alles inderhaast was klaargemaakt. Aiken pakte de poot van een geroosterde vogel op en nam ongeïnteresseerd een hap terwijl hij ondertussen de vei­ligheidsvoorzieningen op het balkon in ogenschouw nam. Het was compleet afgesloten door een kooi van geornamenteerd koperwerk.
    ‘Hier zal ik niet zo makkelijk naar buiten vliegen. Ik denk dat het me wel zou lukken een paar van die spijlen door te zagen met een van die vitredur dingetjes die ik nog in mijn zakken heb. Maar het lijkt nauwelijks de moeite waard om te proberen te ontsnap­pen. Ze hebben me zo nieuwsgierig gemaakt over het goede leven onder de Tanu dat het bijna stom lijkt om de benen te willen nemen.’
    ‘Ik denk dat ze graag willen dat jij die houding aanneemt,’ zei Bryan. ‘Ze hebben gezorgd dat je net genoeg van je nieuwe ver­mogens proefde om de smaak te pakken te krijgen. Nu hebben ze die vermogens onderdrukt totdat je je onderwerpt aan hun trai­ning in de hoofdstad en dan zullen ze van jou een fraaie kleine kopie van henzelf maken.’
    ‘Dus zo denk jij erover, hè.’ Aikens potsierlijke grijns was even breed als altijd, maar zijn zwarte knoopogen hadden een boos­aardige glans. ‘Je weet geen sodemieter van mij af en de manier waarop m’n kop werkt. En wat die vermogens betreft, jij bent maar een normale. Dus houd je blufferige professorenpraatjes over hoe jij denkt dat ik me gedragen zal, maar voor je!’ ‘Ze hebben je geringd en je vindt het al leuk ook,’ zei Bryan mild.
    Aiken raakte de zilveren halsring aan. ‘Dat ding! Dat houdt mijn vermogens tegen en die beperking werkt omdat ik nog niet uitge­vogeld heb hoe ik het moet uitschakelen. Maar daar ben ik mee bezig. Denk je echt dat ze mij onder controle hebben? Wat Creyn helemaal aan het begin heeft gedaan, is ons hiermee pro­grammeren. Er zit zo’n kleine kwelbuis in je schedel die je aller­lei afschuwelijke dingen laat zien als je zou proberen weg te lopen of iets anders te doen waardoor de rust en de orde onder onze lieve Tanu-vrienden zouden worden bedreigd. Weet je hoe­veel dat soort beïnvloeding bij mij waard is. Geen reet! Bij die kleine Sukey en Rai daar, daar werkt het. Maar niet bij Aiken Drum!’
    ‘Die ringen… heb je ontdekt hoe de verschillende soorten wer­ken?’
    ‘Niet in detail, maar genoeg. Een van die Tanu-vrouwen op dat feest in Roniah liet er heel wat over los toen ik het vriendelijk vroeg. De oorspronkelijke halsringen vormen de basis, het zijn mentale versterkers die latente vermogens werkzaam maken. Ze zitten vol met barium chips en microscopische hoeveelheden zeldzame grondstoffen en andere troep die deze grapjassen van hun eigen zonnestelsel hebben meegenomen. Ze maken de ban­den met de hand en ze hebben een machine die de chips drukt en laat groeien. Maar ze begrijpen niet hoe de machine werkt en de meesten weten nog minder van de hele theorie die erachter zit, alles wat met metafysica te maken heeft. De technologie wordt in de hoofdstad bewaakt en doorgegeven door iets dat zich het Gilde der Bedwingers noemt.’ ‘Die gouden ringen, verschillen die in vermogen?’ ‘Ze zijn allemaal precies hetzelfde. Ze versterken alleen maar wat als latent vermogen al aanwezig is. Wanneer een kerel één zwak latent vermogen heeft, dan wordt hij een zwak werkzame meta. Wanneer hij volgestouwd zit met alle vijf metafuncties, dan wordt hij even krachtig als de Wizard of Oz. De meeste Tanu zijn redelijk goed in maar één van die vermogens en ze hebben de neiging tot clubvorming met lui van hetzelfde soort. De paar die werkelijk meer en sterkere krachten bezitten, dat zijn hier de aristocraten. Precies wat je mocht verwachten. Eigenlijk dezelfde verhoudingen als thuis in het Bestel, maar dan op muizegrootte. En iedereen probeert voor zichzelf eruit te halen wat erin zit. Voor zover ik nu kan nagaan, zijn er hier geen superieure meta’s en helemaal niets dat lijkt op de psychische vereniging die in het Bestel mogelijk was.’ Bryan knikte langzaam. ‘Ik voelde dat ontbreken van een hiërar­chie onder deze mensen al aan. Het zou mij niet verbazen als hun sociale structuur zich nog op het stamniveau bevond. Fasci­nerend en volkomen onverwacht als je daar hun hoge culturele ontwikkeling tegenover zet.’
    ‘Het zijn barbaren,’ verklaarde Aiken kortweg. ‘Dat is een van de dingen die me zo bevallen! En ze zijn niets te trots om ons mensen die latente meta’s zijn, te laten meegenieten.’ ‘Met zilveren halsringen!’
    Aiken lachte kort. ‘Precies. Die zilveren dingen hebben al de geestverruimende functies van de gouden ... plus controlecir­cuits. De grijze en die kleintjes voor de apen hebben alleen maar controles plus een zootje plezier-pijnverbindingen en een ding voor telepatische communicatie, dat in vermogen nogal variëren kan.’
    Bryan keek over de rand van het balkon. ‘Kun je mentaal iets opvangen van wat daarginds aan de hand is? Er is nogal wat alarm en gesjouw daar aan de gang. Ik begin zo langzamerhand heel nieuwsgierig te worden naar die Firvulag.’ ‘Er was iets raars met die afgesneden hoofden die door de Jacht werden meegebracht,’ fronste Aiken. ‘Sommige daarvan waren niet helemaal dood! En na een tijdje begonnen die—hoe zal ik het zeggen—te flikkeren. De Jagers namen ze mee en zorgden ervoor dat we het niet goed te zien kregen. Maar die hele gebeur­tenis rook naar het onderbewuste.’
    Sukey en Raimo kozen dat moment uit om naar het eten op zoek te gaan. Aiken vroeg hen: ‘Horen jullie iets? Met je geesten? Dit verdomde slot waar Creyn me mee heeft opgezadeld, sluit alles buiten, op wat gefluister na.’
    Sukey sloot haar ogen en stopte haar vingers in haar oren. Rai­mo stond er met open mond bij en zei ten slotte: ‘Godver, ik hoor alleen mijn eigen maag. Laat mij es bij dat eten.’ Nadat een paar minuten voorbij waren gegaan waarin Bryan en Aiken geduldig wachtten, opende Sukey haar ogen. ‘Ik krijg ... gretigheid. Een heleboel mentale bronnen die anders lijken te zijn. Ze zenden uit op een andere golflengte dan wij mensen. Het verschilt zelfs van de Tanu. Ik kan ze ontvangen, maar het is erg moeilijk. Begrijp je wat ik bedoel?’ ‘We begrijpen het, kindje,’ zei Aiken.
    Sukey keek ongerust van hem naar Bryan. ‘Wat denken jullie ervan?’
    ‘Niets waar wij last mee zullen krijgen, dat weet ik zeker,’ zei Bryan.
    Sukey mompelde iets van dat ze bij Stein wilde gaan zitten en verdween met een bord fruit en koud vlees naar binnen. Bryan stelde zich tevreden met een snel klaargemaakte sandwich en een beker van een op cider lijkende drank. Hij keek uit over het schemerig verlichte Darask. In het oosten weerkaatste het mon­sterachtige bolwerk van de Maritieme Alpen het schitterende roze van de zonsondergang in de hoger gelegen sneeuw. Buiten­gewoon, dacht Bryan. De toppen leken hem minstens even hoog als de hoogste uit de Himalaya of zelfs het Hlithskalf Massief op Asgard. Van de hoogten kwam een koele wind, zich uitspreidend over het eeuwige ijs tot waar de Rhône ontsprong en breeduit neerviel in het gebied rondom het nog ongeboren Lyon. De afgelopen dag had veel geleken op een tocht langs kloofachtige trappen naar beneden. Ze hadden soms dertig of veertig kilo­meter vreedzaam gezeild om dan ineens op woeste stroomver­snellingen te stuiten die hen naar het volgende, lagere niveau voerden met de snelheid van een jetboot. Ondanks de geruststel­lende verzekeringen van schipper Highjohn was Bryan van mening geweest dat hij de beproeving van zijn leven had door­staan. De laatste reeks stroomversnellingen die, zoals hij al gedacht had, zich voordeden in de kloof op ongeveer vijftig kilo­meter van het toekomstige Avignon, was ongelofelijk geweest. Het voortduren van die verschrikking had zijn zintuigen afge­stompt tot aan de rand van gevoelloosheid. Aiken Drum had Creyn gesmeekt hem niet in slaap te brengen op dat laatste tra­ject, want hij was begerig geweest naar iets van de opwinding die Bryan zo levendig had beschreven. Toen de boot hals over kop in de laatste stroomversnelling tuimelde en weer opdook in het rustige water van Lac Provençal, had hij groen gezien van ellen­de en zijn heldere ogen lagen door de schok diep weggezonken. ‘Een rottige vlooierit,’ kreunde hij, ‘in een rottige voedselmixer.’
    Tegen de tijd dat ze Darask bereikten, hadden ze bijna tweehon­derd zeventig kilometer in minder dan tien uur afgelegd. De ondieper wordende rivier wrong en verdeelde zichzelf door en in talloze rivieren die door grasland en modderbanken van elkaar werden gescheiden, bewoond door grote troepen langpotige vogels en wit en zwart getekende krokodillen. Hier en daar kwa­men eilanden uit die moerassige vlakte omhoog. Darask stond op één ervan, als een tropisch Mont Saint Michel, hoog uittorenend boven een zee van gras. Hun schip had de hulpmotoren gebruikt om uit de hoofdstroom van de Rhône in een afgeleid kanaal te komen dat naar de versterkte stad leidde. Darask bezat een klei­ne kade, veilig weggeborgen achter een twaalf meter hoge muur van kalksteen die oprees tegen onbeklimbare klippen. In de stad beneden het hooggelegen paleis waren rama’s druk bezig de nachtlampen aan te steken. Zij klommen op dunne lad­ders om ook bij de houders te kunnen die aan de daken van de huizen waren bevestigd, in ploegen werkend door snoeren met lantaarns te bevestigen op de wallen van de binnenste versterkte muren. Menselijke soldaten staken de grotere toortsen aan die op de bastions stonden. Terwijl Bryan en de anderen toekeken, trad die eigenaardige Tanu-verlichting onder hun ogen in wer­king, het van torentjes voorziene paleis verlichtend in rood en amber, de heraldische kleuren van zijn eigenaar, Heer Cranovel.
    Aiken onderzocht de Tanu-lampen langs hun eigen balkon. Ze bestonden uit stevig, gefacetteerd glas, rustend in kleine, in de steen aangebrachte nissen, zonder snoeren of andere metalen onderdelen. Ze voelden koud aan.
    ‘Bioluminescentie,’ besloot de kleine in goud geklede man, ter­wijl hij er één heen en weer schudde. ‘Wedden dat er micro­organismen inzitten? Wat zei Creyn ook weer, dat de lichten van energie werden voorzien door een surplus aan metauitstralin­gen? Dat zou kloppen. Wanneer je de lagere bandendragers ertoe krijgt op een bruikbare golflengte af te staan terwijl ze bijvoorbeeld aan het schaakspelen zijn of bier drinken of een boek lezen in het bad of het maakt niet uit welke andere semi-automatische hande ...’
    Bryan lette nog maar nauwelijks op Aikens speculaties. Buiten in het omringende moerasland waren de dwaallichten bezig hun eigen lampen te ontsteken, flardachtige vlekken van methaanblauw, vuurvliegachtige glinsteringen die aan- en uitgingen in een verstoorde synchroniteit, zwervende bleke vlammen die over de mistige achtergrond gleden als verdwaalde elfenboten. ‘Ik veronderstel dat dat gloeiende insekten zijn of brandend moerasgras,’ zei Sukey, die achter Bryan was komen staan en naar het donkerende landschap staarde. Raimo zei: ‘Nu hoor ik iets. Maar niet met mijn psychische ver­mogens. Horen jullie hetzelfde?’
    Ze luisterden. Sukey perste haar lippen opeen. ‘Kikkers!’ Een bijna onhoorbare trilling kwam op de wind aangewaaid, langzaam zwellend en ten slotte uiteenvallend in een complexe drieklank van tinkelingen en pieptonen. Een onzichtbare kik­vorsman hief zijn dirigeerstok en meer stemmen voegden zich erbij... gesnik en gegrom, ratelende snaren, plopgeluiden en geklik, trommelende noten alsof er op holle bamboestengels werd geslagen. De bijkomende stemmen van de kikkers droegen hun nabootsingen bij van langzaam druppelend water, snaren die even werden beroerd, menselijk lijkende keelklanken, zoe­mende boorgeluiden, versterkte gitaren en dwars door dat alles heen het huiselijk klinkende lawaai van de doodgewone bruikik­ker, dat levensvatbare aardse schepsel dat ook over zes miljoen jaar de mensheid nog zou begeleiden op haar weg naar verwij­derde sterren.
    De vier mensen op het balkon keken elkaar aan en barstten in lachen uit.
    ‘We zitten eerste rij,’ zei Aiken, ‘voor het geval er een invasie van Firvulag komt. En deze blauwe schenkkan zit vol met iets dat koud is en heel beslist alcoholisch. Zullen we de stoelen bijtrek­ken en het ons gemakkelijk maken voor het geval de monsters op tijd arriveren?’
    ‘Allemaal voor?’ vroeg Bryan. ‘Aye!’
    Ze hielden hun bekers bij en de kleine man in het goud vulde ze een voor een.
    Elizabeth drukte de rug van haar hand tegen haar klamme voor­hoofd. Haar ogen gingen open en ze liet een diepe, langzame ademhaling ontsnappen.
    Creyn en een doodmoe uitziende Tanu in een verkreukelde gele mantel bogen zich ongerust over haar stoel. De geest van Creyn raakte de hare, ondersteunend, vragend. Ja, ik heb hen van elkaar gescheiden. Eindelijk. Sorry zo zwak mijn bekwaamheid roestig lang niet gebruikt. Ze zullen nu gebo­ren worden.
    De geest van Heer Cranovel van Darask weende van dankbaar­heid. En zij? Veilig oh veilig mijn liefste? Mensenvrouwen sterker dan Tanu. Ze zal snel herstellen. Hij riep luid haar naam. ‘Estella-Sirone!’ en rende naar het privé-vertrek. Na een paar ogenblikken bereikte de opstandige klacht van een nieuw geboren baby de oren van de twee die ston­den te wachten. Elizabeth glimlachte tegen Creyn. Het eerste grijs van de dageraad kwam door de mist buiten de vensters van het paleis.
    Elizabeth zei: ‘Ik heb zoiets nooit eerder gedaan. Die twee onge­boren geesten waren zo met elkaar verbonden en tegelijk zo antagonistisch. Maar het lijkt ongelofelijk dat vijandschap in staat was ...’
    Een Tanu-vrouw, geheel in rood gekleed, stak haar hoofd door de met gordijnen afgesloten deuropening en riep uit: ‘Een prach­tig meisje! De tweede is een jongen, maar ook die komt er veilig uit, wees maar niet bang.’ Ze verdween weer. Elizabeth kwam overeind uit haar stoel en liep vermoeid naar het venster, terwijl ze haar geest voor het eerst in uren verder weg liet dwalen dan de kraamkamer die ze zoveel uren geleden was binnengegaan. De afwijkingen bevonden zich buiten, ze kwamen dichter en dichter bij, over elkaar struikelend in hun beluste verbetenheid. Kwetterende, kleine, niet-menselijke gees­ten, die blijkbaar metafuncties bezaten en die telkens van vorm veranderden wanneer ze hen probeerde te onderzoeken. Ze ont­snapten, weefden vermommingen, vervaagden en lichtten op, slonken tot nietigheden of dijden uit tot onheilspellende mon­sters die zichtbaar werden in de mentale mist die de torens van het eilandpaleis omgaf. Nog een baby huilde.
    Ineens doordrongen van een verschrikkelijke mogelijkheid zocht Elizabeths geest die van Creyn. Een langzame druppel van spijt trad uit een ingewikkeld complex van emoties te voorschijn. Toen liet hij tussen hen beiden met geweld een ondoordringbaar scherm neer.
    Elizabeth rende naar de deur van het privé-vertrek en trok de gordijnen opzij. Verschillende vrouwen, mensen en Tanu, waren bezig de moeder te verzorgen. Estella-Sirone glimlachte, een prachtige meisjesbaby aan haar rechterborst. Cranovel lag naast haar geknield en bette haar voorhoofd. De Tanu-verpleegster in het rood liet Elizabeth de andere baby zien. Het was een heel kleine jongen, misschien woog hij twee kilo, gerimpeld als een oude man en met een veel te groot hoofd dat bedekt was met donker, vochtig glanzend haar. Zijn ogen stonden wijd open en zijn gehuil klonk magertjes uit een mond die al geheel met kleine, scherpe tanden was bezet. Nog terwijl Elizabeth ernaar keek, veranderde de dwerg en kreeg een vacht over zijn hele lichaam, verbleekte toen weer en nam vrijwel de gelijkenis aan van zijn veel plompere blonde zuster. ‘Het is een Firvulag, een vormveranderaar,’ zei de verpleegster. ‘Zij zijn de schaduwbroeders van de Tanu zolang de werelden bestaan. Altijd bij ons, altijd tegen ons. Deze situatie met een tweeling komt maar zelden voor. De meesten sterven in zo’n geval, samen met de moeder.’ ‘Wat ga je met hem doen?’ vroeg Elizabeth. Gefascineerd en angstig doorzocht ze die kleine, vreemde bewustzijnsstructuur en herkende er, nu hij van zijn zuster was gescheiden, de afwijkende patronen van, die bij de Tanu psy­chisch veel ingewikkelder waren.
    De grote verpleegster haalde de schouders op. ‘Zijn volk wacht op hem. En dus geven we hem weg, zoals we altijd doen. Zou je het willen zien?’ Elizabeth knikte verdoofd.
    De verpleegster wikkelde de baby vlug in een zachte doek en haastte zich de kamer uit. Elizabeth kon weinig anders doen dan zorgen dat ze bijbleef terwijl de vrouw trap na trap afrende, die allemaal verlaten waren en slechts door kleine rode en amberen lampen werden verlicht. Ten slotte kwamen ze in een kelder. Een duistere gang leidde naar de buitenste stadswal en een grote, afgesloten poort die toegang gaf tot het water daarachter. Bin­nen de poort lag een ankerplaats vol verlaten kleine boten. De poort was afgesloten met een bronzen grendel die door de vrouw nu werd verwijderd.
    ‘Denk om je geest,’ waarschuwde ze en stapte naar buiten op de in mist gehulde kade.
    Er waren lichten te zien die met alarmerende snelheid en zonder enig geluid te maken, dichterbij kwamen. Ze vermengden zich tot één enkele diepgroene gloed met een doorsnede van vier meter, die over het water kwam aangerold en de mist verdreef. Met de grootste behoedzaamheid gluurde Elizabeth door het weefsel van de illusie en keek naar binnen. Er was een boot, niet veel meer dan een punter, waarin een klein, dwergachtig kereltje stond dat de boot voortboomde. In de boot zat een kleine vrouw met ronde wangen voorin. Ze hield een afgedekte mand in haar schoot.
    Dus jij ziet ons, is het niet?
    Elizabeth wankelde toen een stortvloed van licht achter haar ogen leek te ontploffen. Haar tong zwol op alsof ze erin zou stikken. De huid van haar handen werd geblakerd, werd zwart en barstte open, gekookt in levend vuur. Dat zal haar leren!
    ‘Ik heb je gewaarschuwd,’ zei de Tanu-vrouw. Elizabeth voelde grote armen om zich heen die haar overeind hielden. Ze zag de gloeiende vuurbal verdwijnen in de mist. Haar mond werd weer normaal, haar handen waren onbeschadigd. ‘De Firvulag lijken op ons, meta’s. De meesten kunnen niet meer dan over een afstand voelen en illusies spinnen, maar die kunnen heel overtuigend zijn en een geest die er niet op is voorbereid, tot krankzinnigheid drijven. We zijn goed tegen hen opgewassen in de tijd van de Grote Veldslag en op andere ogenblikken net zo goed. Maar je moet zorgen dat ze je niet onverwachts overval­len.’
    De baby was verdwenen. Na een paar seconden verdween ook de groene gloed en het daglicht kwam aarzelend door de rafelige mist. Van ver weg op de kantelen kwam het geluid van een vrou­wenstem die vreemde woorden zong op een bekende melodie. ‘We moeten nu teruggaan,’ zei de verpleegster. ‘Mijn Heer en de Vrouwe zullen u zeer dankbaar zijn. Je moet hun dank in ont­vangst nemen op de voorgeschreven wijze, dan iets eten en ver­volgens rusten. Er zal een kleine ceremonie zijn waarbij het kind een naam krijgt en de allereerste, kleine gouden halsring. Ze zullen willen dat jij de baby draagt. Dat is een grote eer.’ ‘Dus nu ben ik peetmoeder in sprookjesland,’ mompelde Eliza­beth. ‘Wat een wereld! Krijgt ze soms nog mijn naam ook?’ ‘Ze heeft al een naam. Het is bij ons traditie opnieuw de naam te gebruiken van iemand die onlangs naar Tana’s vrede is overge­gaan. Het kind zal Epone heten en moge de Godin haar gelukki­ger maken dan de laatste die deze naam droeg.’

15

    Amerie liep naar beneden naar de oever van het meer waar de bevrijde gevangenen bezig waren hun haastig opgeblazen boten in te laden.
    ‘Ik moest Felice wat verdovends geven. Ze stond op het punt die arme stakker in stukken te scheuren.’
    ‘Niet verwonderlijk,’ gromde Claude. ‘Toen ik de gevolgen had overzien, kwam ik zelf in de verleiding.’ Richard was bezig met beide voeten een paar opblaaspompen te bedienen waardoor de boten van hem en Claude met lucht wer­den gevuld, terwijl de oude man hun bagage inlaadde. Richard had zijn piratenkleding weer aangetrokken en de ruimtevaar­dersoveral kortaf aan de non teruggegeven, zeggend dat ze die maar zolang bewaren moest. Nu zei hij geestdriftig: ‘Misschien heeft Dougal ons toch wel een dienst bewezen zonder het zelf te weten. Heb je enig idee wat er van Felice kan worden als ze zo’n gouden halsring in haar vingers krijgt?’ ‘Dat is waar,’ moest Claude toegeven. ‘Aan de andere kant, als ze er een had zouden we ons niet langer zorgen hoeven te maken over de soldaten. En zoals het er nu naar uitziet, kunnen we elk ogenblik een gewapende bende achter ons aankrijgen. We kun­nen niet al te ver van het volgende fort verwijderd zijn geweest toen het gevecht begon.’
    ‘Komen jullie tweeën mij eens helpen met Felice,’ zei Amerie. ‘Yosh heeft alle bagage doorzocht en een deel van onze spullen teruggevonden.’
    ‘Zijn er wapens bij?’ vroeg Richard.
    ‘Die zijn blijkbaar in het kasteel achtergebleven. Maar de mees­te van onze gereedschappen zijn er wel. Maar geen kaarten of kompassen, vrees ik.’
    Claude en Richard keken elkaar aan. De paleontoloog zei: ‘Dan zullen we op de gok moeten koersen en maken dat we wegkomen. Begin jij maar vast, Amerie, we zijn in een paar minuten hier klaar.’
    Na het gevecht, toen al de gevangenen waren bevrijd, hadden ze haastig overlegd en besloten dat hun beste ontsnappingskansen op het water lagen. Alleen de vijf zigeuners hadden Claudes waarschuwing in de wind geslagen dat het gevaarlijk was om op chaliko’s verder te rijden die mentaal konden worden beïnvloed. Ze waren teruggegaan om de bewakerspost bij de opblaasbrug te overvallen nadat ze de besmeurde kleding van de gesneuvelde soldaten hadden aangetrokken en hun wapens meegenomen. De overblijvende vluchtelingen hadden onder elkaar de band hersteld die destijds in de herberg was gesmeed, waarbij de oor­spronkelijke groepen met elkaar overlegden om een gezamenlij­ke ontsnapping te bedenken. Claude, de enige die iets bruikbaars wist over het Plioceen, had twee mogelijkheden gesuggereerd. De ene route was kort en snel en zou hen over ruw terrein in het noordoosten voorbij het Lac de Bresse brengen naar de grote ravijnen en de zwaar beboste hellingen van de Vogezen. Het nadeel van deze route was dat ze dan de hoofdweg die naar Finiah liep moesten oversteken aan de andere kant van het meer. Maar als het lukte de bereden patrouilles te ontwijken, zouden ze nog voor de nacht een schuilplaats kunnen zoeken tussen de rotsen.
    De tweede route zou hen varend naar het zuidoosten brengen over het breedste deel van het meer naar de voet van de hooglan­den die aan de Jura voorafgingen. Dat was een afstand van onge­veer zestig kilometer, daarna zouden ze verder zuidwaarts moe­ten reizen tot in de bergen zelf. De kans leek groot dat dit gebied onbevolkt zou zijn omdat achter de Jura de Alpen lagen. Aan de andere kant was het waarschijnlijk dat de versterkte forten langs het meer zelf ook over boten beschikten die voor een achtervol­ging konden worden gebruikt. Misschien lukte het de Tanuhuurlingen voor te blijven, maar de wind was onbetrouwbaar en de bijna wolkeloze hemel maakte het mogelijk dat het weer net zo windstil zou worden als de dag daarvoor. En wanneer de boten ’s nachts kwamen stil te liggen, zouden ze de aandacht kunnen trekken van de Firvulag.
    Basil had vol vertrouwen voor de weg naar de Jura gekozen, maar de behoudende Claude voelde meer voor de Vogezen. De alpinist had welsprekend de meerderheid achter zich gekregen en daarom werd ten slotte besloten dat alle tijdreizigers, behalve de overblijvenden van Groep Groen, aangevuld met Yosh, naar het zuiden zouden reizen. De gevangenen hadden snel hun baga­ge van de chaliko’s gehaald en waren daarmee een stroompje gevolgd dat naar een klein strand voerde onder aan het ravijn. Vandaar konden de boten afvaren. Enkele van de kleinere sche­pen hadden hun zeilen al ontplooid terwijl Richard nog bezig was de twee boten van Groep Groen van ballast te voorzien. Toen hij daarmee klaar was, klauterde hij de oever op, zoekend naar de anderen.
    Hij ontdekte Claude, Amerie en Yosh, de overgebleven Japanse ronin rondom de bewusteloze Felice. De Japanse strijder zei: ‘Ik heb al het houtbewerkingsgereedschap van Claude teruggevon­den en de messen en de bijlen en de zagen uit onze standaarduit­rusting! Hij gaf Richard een afschuwelijk bevlekt pak. ‘En dit is een boog en wat pijlen waar de zigeuners overheen hebben geke­ken.’
    ‘We zijn je dankbaar, Yosh,’ zei de oude man. ‘Vooral die boog kan belangrijk zijn. We hebben nauwelijks voedsel en in onze uitrusting zitten enkel vallen en hengels. De mensen die met Basil naar het zuiden trekken hebben de tijd om nieuwe wapens te maken voor ze daar aankomen. Maar onze groep loopt over land een veel grotere kans achtervolgd te worden. We zullen voortdurend in beweging moeten blijven en jagen terwijl we voortgaan.’
    ‘Je zou met ons mee moeten gaan, Yosh,’ zei Amerie. ‘Bedenk je je niet?’
    ‘Ik heb mijn eigen overlevingseenheid en de speer van Tat. Ik neem de rest van de gereedschappen mee die de anderen hebben overgelaten. Maar ik wil niet met hen mee en ook niet met jullie.’ Hij gebaarde naar de hemel waar donkere vlekken al rondcirkel­den in het goud van de ochtend. ‘Ik heb hier een plicht te vervul­len. De Eerwaarde Zuster heeft mijn arme vriend gezegend voor de thuisreis. Maar Tat mag niet aan de aasgieren worden over­gelaten. Wanneer ik klaar ben, trek ik naar het noorden, naar de Marne. Die vloeit daar samen met de Seine en de Seine gaat naar de Atlantische Oceaan. Ik denk niet dat de Tanu de moeite zullen nemen om één enkele man te achtervolgen.’ ‘Toch zou ik hier maar niet te lang blijven rondhangen,’ zei Richard twijfelend.
    De ronin knielde vlug naast het slappe lichaam van Felice en kuste haar op haar voorhoofd. Zijn vastberaden ogen vlogen daarna van de een naar de ander. ‘Jullie moeten goed op dit krankzinnige kind letten. We hebben onze vrijheid aan haar te danken en als God het wil bereikt ze misschien nog haar doel. Ze heeft er de eigenschappen voor.’
    ‘We weten het,’ zei de non. God zegene je, Yoshimitsu-san.’ De krijger stond op, boog en liet hen alleen. ‘Het is voor ons ook tijd om te gaan,’ zei Claude. Hij en Amerie pakten het pathetisch lichte lichaam van het meisje op terwijl Richard haar helm en bagage bijeenbracht, samen met de gereedschappen en de wapens.
    ‘Ik kan in mijn eentje zeilen,’ zei de piraat toen ze de wachtende boten hadden bereikt. ‘Leg Felice maar in de mijne, dan nemen jullie tweeën de andere boot.’
    Ze duwden af, hesen de zeilen en kwamen pas weer tot rust toen de oever ver achter hen lag. Het water van het meer was koud en bleekblauw, gevoed door de rivieren die uit de Jura en de bossen van de Vogezen kwamen. Amerie staarde naar de verdwijnende oever waar aasvogels geleidelijk aan neerdaalden. ‘Claude, ik heb zitten nadenken. Waarom stierf Epone niet veel eerder aan haar verschrikkelijke verwondingen? Ze was al totaal in stukken gereten lang voor Richard en Yosh en Dougal bij haar in de buurt kwamen. Ze had al doodgebloed moeten zijn of gestorven door shock en verminderde bloeddruk. Maar dat deed ze niet.’
    ‘De mensen in het fort hebben je verteld dat de Tanu bijna onkwetsbaar waren. Wat dacht je dan dat ze daarmee bedoel­den?’
    ‘Ik weet het niet... misschien veronderstelde ik dat ze met hun psychische vermogens aanvallers konden afweren. Maar ik had nooit kunnen denken dat een Tanu een dergelijke afstraffing kon overleven. Het is erg moeilijk om niet binnen menselijke verhou­dingen aan hen te denken, zeker als je rekening houdt met dat bevruchtingsschema waar Epone met ons over sprak.’ ‘Zelfs mensen zonder metafuncties kunnen zich verdomd taai aan het leven vastklampen. Ik heb in de kolonies dingen gezien die wonderbaarlijk waren. En wanneer je dan nog de versterking van alle mentale krachten in aanmerking neemt die de Tanu bewerkstelligen door die ringen . ..’
    ‘Ik vraag me af of ze hier ook over verjongingsmethoden beschik­ken.’
    ‘Ik denk het wel, zeker in de steden. En God mag weten over wat voor technieken ze nog meer beschikken. Tot nu toe hebben we alleen met die halsringen kennis gemaakt en met dat griezelige ding dat ze op ons gebruikt hebben toen we net door de tijdpoort waren gekomen.’
    ‘Ja, precies. En dat brengt ons op het onderwerp van de dodelijke dolk.’
    De oude man trok zijn windjack uit en stopte dat als een steuntje voor zijn rug tegen de zitting. ‘Ik denk dat onze antropoloog Bryan ons van alles en nog wat zou kunnen vertellen over de legendarische afkeer van feeën voor ijzer. Hij zou dat misschien verklaren in termen van vroegere spanningen tussen mensen uit het bronzen tijdperk en zij die al tot de cultuur van het ijzeren tijdperk behoorden. Hoe dat ook zit, de Europese folklore geloof­de bijna algemeen dat ijzer afschuwwekkend en zelfs dodelijk was voor het Oude Volk.’
    De non barstte los. ‘In godsnaam, Claude! Epone was een buiten­aardse, niet een of andere verdomde elf!’ ‘Vertel jij mij dan maar waarom beten van beerhonden, afgevreten ledematen en steekwonden met een bronzen zwaard er geen einde aan maakten, terwijl één enkele stoot met een blad van staal dat wel deed.’
    Amerie overwoog het. ‘Het zou kunnen zijn dat ijzer op de een of andere manier de functies van de halsring onderbreekt. Het bloed van de Tanu is rood, net als het onze en waarschijnlijk even rijk aan ijzer. Maar misschien dat hun lichamen en geesten, door die halsring, op heel delicate wijze samenwerken en dat die samenwerking verbroken of verstoord kan worden door grote hoeveelheden ijzer. IJzer zou zelfs invloed op hun aura kunnen hebben wanneer het te dichtbij komt. Herinner je je Stein en zijn strijdbijl? Niemand van die kasteelmensen kon hem tegenhou­den toen hij zo’n verschrikkelijke ravage aanrichtte. Dat leek me op dat moment helemaal niet gek, maar als je rekening houdt met wat we nu weten, lijkt het betekenisvol.’ ‘Ze hebben ons grondig genoeg gefouilleerd,’ zei Claude. ‘Ik kan maar niet begrijpen waarom de bewakers geen kans zagen Stein van zijn bijl te laten scheiden. En hoe kreeg Felice dat mes erdoor?’
    ‘Ik weet het niet. Misschien waren ze onzorgvuldig. Of misschien is de detector bedrogen door het goud aan de buitenzijde. In elk geval biedt het mogelijkheden voor tegenaanvallen.’ Claude bestudeerde haar door half gesloten ogen. Amerie sprak met een intensiteit die nieuw en verrassend was. ‘Je begint te praten als Felice! Die heeft er geen moeite mee om het tegen alle Tanu tegelijk op te nemen en het kan haar blijkbaar niets sche­len dat ze de hele planeet onder controle hebben.’ Amerie wierp hem een zonderlinge glimlach toe. ‘Maar het is onze planeet. En over zes miljoen jaar zijn wij er nog steeds. Zij niet.’
    Ze stak de helmstok weg onder haar arm en joeg de boot op volle snelheid naar het oosten, het zeil gespannen in de toenemende wind.
    Ze kwamen ten slotte in de buurt van een drassig eiland, haalden de zeilen neer en lieten de masten en de kielzwaarden leeglopen. Ze sneden armladingen riet en jonge wilgetakken af om de boten te verbergen. Ze monteerden wrikriemen van decamole aan de achterzijde. Iemand die laag in de boot wegdook, kon de boot door het heen en weer wrikken van zo’n riem bijna onzichtbaar voorwaarts laten bewegen.
    Richard protesteerde ertegen. ‘Op die manier hebben we twee uur nodig om bij de oever te komen.’
    ‘Schreeuw niet zo hard,’ waarschuwde Claude. ‘Geluid draagt ver over het water!’ Hij bracht zijn boot dichter bij die van Richard. ‘Ergens langs die kust loopt de weg. Zelfs het fort waar we anders deze morgen hadden moeten overnachten, zou daar kunnen liggen. We zullen zo voorzichtig mogelijk moeten zijn tot we weten dat de kust vrij is.’
    Richard lachte nerveus. ‘Dus daar komt dat cliché vandaan? De kust is vrij! Waarschijnlijk piraten ...’
    ‘Houd je kop dicht, man,’ zei Claude, wiens stem door vermoeid­heid rauwer klonk dan anders. ‘Volg me gewoon van hieraf en probeer zoveel mogelijk op een bundel wrakhout te lijken.’ Claude wrikte zo langzaam dat hij geen zichtbaar kielzog achterliet. Ze leken van het ene rietveld naar het andere te drijven en naderden op die manier langzaam een lage oever waar riet er zegge vijf meter hoog groeide en waar langpotige roze en blauwe en verblindend witte watervogels door de ondiepten stapten op zoek naar kikkers en vis.
    De zon rees hoger. Het werd verstikkend warm en vochtig. Een bijtend insekt overviel hen, gebruik makend van het hen verber­gende groen. Ze kregen er jeukende zwellingen van totdat ze een afweermiddel in hun onhandig weggestopte bagage hadden gevonden. Na een vermoeiende tijd van peddelen schuurden de kielen over de bodem van een zwaar met bamboe begroeide modderbank, die stammen hadden zo dik als de dij van een man. Breedbladige altijd groene bomen stonden in volle bloei en door­drenkten de lucht met hun zoete geur. Er liep een wildspoor door de modder, vastgestampt door brede, platte poten. Het leek naar hoger gelegen terrein te voeren.
    ‘Dit is het,’ zei Claude, ‘we laten de boten leeglopen en gaan vanaf hier te voet verder.’
    Richard kwam uit de massa bladeren en twijgen en stengels overeind en overzag de omgeving vol wantrouwen. ‘Jezus, Clau­de. Moest je met alle geweld in een moeras landen? Het lijkt hier de groene hel wel! Het stikt hier waarschijnlijk van de slangen en moet je eens kijken naar die voetafdrukken? Hier hebben een paar afschuwelijk machtige moeders rondgesjouwd!’ ‘Ah, houd je in, Richard!’ zei Amerie. ‘Help me liever om Felice aan de kant te krijgen, dan zal ik proberen haar weer wakker te maken terwijl jullie ...’
    ‘Naar beneden, duiken, allemaal!’ fluisterde de oude man drin­gend.
    Ze kropen op hun buiken weg en keken over de boordranden in de richting vanwaar ze gekomen waren. Buiten de moerassige eilandjes, waar het meer diep was en de wind niet werd gebro­ken, zeilden enkele zeven meter lange eenmasters die in geen enkel opzicht leken op een van de boten die de vluchtelingen bij zich hadden gehad. Ze koersten langzaam naar het noorden. ‘Wel, nu weten we waar het fort moet liggen,’ merkte Claude op. ‘Iets zuidelijk van hier en waarschijnlijk niet ver weg. Ze zullen kijkers aan boord hebben, dus we zullen onzichtbaar moeten blijven tot ze om die punt verdwenen zijn.’ Ze wachtten. Zweet begon langs hun lichaam te druipen en ver­oorzaakte jeuk. De gefrustreerde insekten zoemden en deden aanvallen op onbeschermde ogen en neuzen. Claudes maag rom­melde en herinnerde hem eraan dat hij al twaalf uur niets had gegeten. Richard ontdekte een kleverig geworden snee in zijn haar boven zijn linkeroor en de plaatselijke variëteit van een vleesvlieg deed hetzelfde. Amerie deed een ontmoedigende poging om te bidden, maar haar geheugen wist weinig anders te voorschijn te brengen dan dankzeggingen voor de maaltijd en de tekst van ‘Now I lay me down to sleep’. Felice kreunde.
    ‘Bedek haar mond, Richard,’ zei Claude. ‘Houd haar nog een paar minuten rustig.’
    Ergens kwaakten eenden. Ergens anders snoof en slurpte een dier terwijl het door de reusachtige bamboes brak alsof het twij­gen waren. En weer ergens anders weerklonk het zilveren geluid van een hoorn, nauwelijks hoorbaar en een paar seconden later kwam het antwoord luider uit het noorden. De oude paleontoloog zuchtte. ‘Ze zijn verdwenen. Laten we de boten laten leeglopen en verder gaan.’
    De pompen, omgekeerd gebruikt, zogen water en lucht snel uit de membranen van decamole en veranderden de boten in kleine balletjes. Terwijl Amerie met een opwekkend middel Felice weer tot leven bracht, rommelde Claude in zijn bagage tot hij daar een portie noodvoedsel had gevonden, bestaande uit bis­cuits en gemineraliseerde suiker die hij met de anderen deelde. Felice was rusteloos en gedesoriënteerd, maar leek fit genoeg om te kunnen lopen. Claude probeerde haar over te halen haar leren kuras, de scheenbeschermers en handschoenen uit te doen omdat die razend ongemakkelijk moesten zijn in de hete en van muggen vergeven atmosfeer. Maar Felice weigerde en stemde er alleen in toe haar helm op te bergen, nadat Claude erop had gewezen dat de pluimen daarvan hen konden verraden. Bij wijze van slotritueel smeerden ze elkaar in met camouflerende mod­dervegen en daarna gingen ze op weg, met Claude vooraan, Richard daarachter en ten slotte Felice en Amerie. De ringhockeyspeelster had de boog met de pijlen onder haar hoede geno­men.
    Ze trokken zwijgend voort over het pad dat meer dan breed genoeg was, een omstandigheid waarmee Richard en de vrou­wen nogal tevreden waren, maar die Claude, meer bekend met wildernissen, reden tot ongerustheid gaf. Bijna twee kilometer zwoegden ze voort tussen bosjes bamboe, groepjes elzen en wil­gen en subtropische bomen die hun blad nooit verloren. Sommi­ge van die bomen waren beladen met rossige en purperen vruch­ten maar Claude waarschuwde ertegen die te plukken. Tot hun verbazing waren vogels en reusachtige bloedzuigers het enige wild dat ze tegenkwamen. Ondertussen rees de bodem en werd droger tot ze in een dicht bos kwamen vol lawaaiige vogels en andere dieren. De bomen waren met ranken overdekt en het kreupelhout bestond uit ondoordringbare doornstruiken aan weerszijden van het spoor.
    Ten slotte hield die schemerige groene wereld op en werd de zon weer zichtbaar. Claude gebaarde met zijn hand dat ze moesten stoppen. ‘Geen enkel geluid,’ waarschuwde hij ademloos, ‘ik had min of meer verwacht iets als dit te ontmoeten.’ Ze gluurden tussen een rijtje jonge bomen door naar een stuk open terrein met hier en daar verspreide bosjes. Daar liep, druk van de struiken vretend, een kudde van zes volwassen en drie jonge rinocerossen. De volwassen exemplaren waren vier meter lang en Claude schatte hun gewicht tussen de twee en de drie ton. Ze bezaten twee hoorns, kleine, varkensachtige oogjes en vreemd gepunte oren die heen en weer gingen als ze door vliegen werden gehinderd.
    ‘Dicerorhinus schliermacheri, zou ik zeggen,’ fluisterde Claude.
    ‘Dat is hun spoor dat we hebben gebruikt.’
    Felice kwam naar voren en legde een vlijmscherpe pijl op haar boog. ‘Gelukkig staat de wind van ons af. Laat ik eens proberen of ik ze kan aanvoelen. Misschien krijgen we ze weg.’
    ‘En ondertussen maar hopen dat ze geen dorst krijgen,’ zei Richard.
    Terwijl ze Felice achterlieten om te experimenteren met haar mentale overredingskracht, trokken de anderen zich een eindje langs het spoor terug op een zonnige plek opzij van het pad om uit te rusten. Richard plantte een rechte stok, zo lang als zijn bovenarm, in de aarde en markeerde de schaduw daarvan met een steentje.
    ‘Bezig de zon te schieten?’
    De piraat grijnsde. ‘Als we hier lang genoeg blijven, lukt het misschien. Het topje van de schaduw verplaatst zich terwijl de zon zich voortbeweegt. Je wacht een tijd, markeert de nieuwe plek met een ander steentje en als je dan tussen die twee een lijn trekt, heb je ongeveer de oost-west-richting. Wanneer we die hooglanden via de kortste weg willen bereiken, denk ik dat we meer linksaan moeten houden dan we totnutoe hebben ge­daan.’
    Het duurde bijna een uur voor Felice terugkwam om te zeggen dat ze de open vlakte veilig konden oversteken. Ze kozen een nieuwe route die meer overeenkwam met Richards primitieve berekening, maar omdat in die richting een bruikbaar wildspoor ontbrak, werden ze gedwongen zich dwars door het met doorn­struiken en kreupelhout bedekte terrein een weg te banen. Het was onmogelijk om zo geruisloos te reizen en het wild in de omgeving veroorzaakte een lawaai alsof het voedertijd was in de dierentuin. Daarom lieten ze alle voorzichtigheid maar varen en begonnen zich een pad te hakken met behulp van Claudes grote houthakkersbijl en de kapmessen van vitredur. Na twee uitput­tende uren kwamen ze bij een stroom van enige omvang en wa­ren in staat die geruime tijd te volgen over meer open terrein.
    ‘We komen nu op het hoger gelegen stuk boven het meer,’ zei Claude. ‘Hier ergens moet de weg naar het fort lopen. Wees zo stil mogelijk en houd je oren open.’
    Ze slopen voorwaarts, zich verbergend in de schaduwen van gro­te coniferen, cipressen en varens. Bij wijze van anticlimax strui­kelden ze bijna over het pad doordat ze hun koers moesten wijzi­gen om een reusachtig spinneweb te vermijden dat zo groot was als een tafelkleed. De smalle weg was verlaten. Felice boog zich over een hoop chaliko-uitwerpselen. ‘Die zijn hier twee uur geleden langsgekomen. Zie je dat ze naar het noor­den zijn gegaan?’
    ‘Dan komen ze terug,’ zei Claude, ‘en als ze beerhonden bij zich hebben, kunnen ze ons spoor vinden. Laten we onze eigen sporen uitwissen en maken dat we wegkomen. Hoe hoger we komen, des te minder bomen en des te sneller komen we vooruit. Onderweg zullen we ergens door water moeten om ons reukspoor uit te wissen.’
    Inderdaad stonden hogerop de bomen veel verder uiteen, maar het lopen werd er ondanks dat niet makkelijker op. Ze volgden een droge waterloop voor langer dan een uur voordat de geleide­lijke helling veranderde in een steilte die ondersteund werd door rotsblokken zo groot als huizen. De wind nam af en de hitte smoorde hen terwijl ze verder klommen.
    Wanneer ze zich tijd gunden om te rusten, konden ze uitzien over het grote meer. Ver in het zuiden waren zeilen zichtbaar, die blijkbaar niet voortbewogen. Het was onmogelijk uit te maken of het vluchtelingen waren of achtervolgers. Ze vroegen zich af wat er gebeurd zou zijn met Basil en de zijnen, met Yosh en met de zigeuners en hun uitval naar de bewakerspost. Maar onder het lopen spraken ze vanzelf minder naarmate de klim moeilijker werd. Hun hoop om de eerste hoge bergrug bijtijds te kunnen oversteken, verminderde toen Richard zijn van plastic en textiel vervaardigde loopschoenen openhaalde en gedwongen werd zijn zwaardere en lastige zeelaarzen aan te trekken. Toen begaven Ameries benen het die nog verkrampt waren van de zadelpijn. Ze struikelde en viel op een stuk bedrieglijke helling en maakte daarbij verschillende grote stenen los die op Claude terechtkwamen en zijn arm en schouder verwondden. ‘We komen vandaag nooit bij de top,’ klaagde Richard. ‘Mijn linkerhiel is één grote blaar en Amerie kan haast niet meer.’ ‘Het is nog maar een paar honderd meter,’ zei Felice. ‘Wanneer je niet meer klimmen kunt, draag ik je naar boven! Ik wil het terrein kunnen overzien waar we morgen doorheen moeten. Met wat geluk kunnen we de waakvuren van het fort zien liggen voor het donker wordt.’
    Claude vond dat hij in staat was op eigen houtje verder te gaan.
    Felice gaf Richard haar ene hand en de non haar andere en trok ze zo meter na meter verder omhoog. Het ging langzaam, maar ten slotte bereikten ze de top terwijl de zon bezig was onder te gaan achter de heuvels aan de overkant van het meer. Toen ze weer op adem waren gekomen, zei Claude: ‘Waarom maken we ons hier geen schuilplaats aan de oostelijke kant van de grote rotsen? Er is ginds een goede, droge grot en ik denk niet dat een vuur van daaraf zichtbaar zou zijn. Ik kan wat hout gaan sprokkelen.’
    ‘Een goed idee,’ zei Felice. ‘Ondertussen kijk ik wat rond.’ Ze verdween tussen de scherp gepunte rotsen en verzamelde jene­verbessen terwijl de anderen hun verwondingen verzorgden en de tenten opbliezen. Als ballast gebruikten ze aarde omdat water niet voorhanden was en begonnen spijtig aan een maal van biscuits, wafels en naar kaas smakende algenpasta. Tegen de tijd dat Claude voldoende hout had verzameld, was Felice weer terug, de boog opgewekt over de schouder terwijl ze drie dikke, marmotachtige beesten bij de achterpoten vasthield. ‘Gegroet, Diana!’ grinnikte de oude man. ‘Ik ben zelfs bereid ze te villen en schoon te maken!’
    Ze ontstaken het vuur nadat het volkomen donker was geworden en roosterden het vlees, genietend van ieder stukje. Daarna vie­len Richard en Claude binnen een paar minuten op hun veldbed­den in slaap. Amerie, haar hoofd gonzend van vermoeidheid, voelde zich verplicht het vet en de botjes zo goed mogelijk van de borden te verwijderen. Daarna steriliseerde ze de borden met hun krachtbron, liet ze leeglopen en borg ze netjes weg. Als altijd het flinke, behulpzame meisje!
    ‘Ik kan het fort zien,’ kwam de stem van Felice uit de nabije duisternis. Amerie zocht zich over de rotsen een weg tot waar Felice stond. De rand van de hoogte viel diep naar het zuidwes­ten naar beneden. De wassende maan hing boven het meer en een verbijsterde hoeveelheid Pliocene sterren werd in het water weerkaatst, waardoor dat duidelijk afgebakend werd tegen de donkerder landmassa. Ver naar het zuiden aan hun kant van het meer zagen ze een groepje oranje vlekken. ‘Hoe ver weg is dat?’ vroeg de non.
    ‘Tenminste vijftien kilometer. Misschien meer. In rechte lijn, zoals de gieren vliegen.’ Felice lachte en Amerie was ineens klaarwakker, zich bewust van dezelfde angst en gefascineerd­heid die ze eerder had gevoeld. De vrouw naast haar was niet meer dan een onduidelijk silhouet in het sterrenlicht, maar Ame­rie wist dat Felice naar haar keek.
    ‘Ze hebben me niet bedankt,’ zei de atlete met een zachte stem. ‘Ik heb hen bevrijd, maar ze hebben me niet bedankt. Ze waren nog altijd bang voor me. En die gek van een Dougal!... Nie­mand van hen… zelfs jij niet... begreep wat ik wilde doen of was het ermee eens ...’
    ‘Maar je kon Dougal niet doden! Om godswil, Felice! Ik moest je wel verdoven!’
    ‘Ik zou hem met genoegen hebben gedood,’ zei de jonge vrouw, terwijl ze dichterbij kwam. ‘Ik was met mijn plannen bezig. Plannen die ik nooit aan jullie heb verteld. Zo’n gouden halsring was de sleutel. Niet enkel om ons te bevrijden, maar ook de ande­ren, Bryan, Elizabeth, Aiken, Stein. Om alle menselijke slaven te bevrijden! Zie je dat niet? Ik zou het hebben klaargespeeld! Met die gouden halsring had ik dat ding binnen in me kunnen temmen en het zelf gebruiken.’
    Amerie hoorde zichzelf praten. ‘We zijn je allemaal dankbaar, Felice. Geloof me. We waren doodeenvoudig met stomheid geslagen door alles wat er ineens gebeurde om iets te kunnen zeggen na dat gevecht. En Dougal... hij was te vlug; Basil en Yosh konden hem niet tegenhouden. En hij is waarschijnlijk te gek om te begrijpen wat hij deed toen hij die halsring weggooide. Hij geloofde misschien wel dat hij pas veilig was voor Epones macht wanneer dat ding van haar lichaam was gescheiden.’ Felice zei niets. Na een tijdje zei de non: ‘Misschien kun je een andere te pakken krijgen.’
    Er klonk een zucht. ‘Ze weten nu wie ik ben, dus het zal gevaar­lijk worden. Maar ik moet het proberen. Misschien moet ik een andere karavaan overvallen. Of zelfs naar Finiah gaan. Het zal heel moeilijk zijn en ik zal hulp nodig hebben.’ ‘We zullen je helpen.’ Felice lachte zachtjes.
    ‘Ik zal helpen. Ik zal voorlopig nog niet in een klooster onderdui­ken.’
    ‘Aha. Dat is . .. goed. Ik heb je hulp nodig, Amerie. Ik heb je nodig.’
    ‘Felice, begrijp me niet verkeerd.’
    ‘Oh, ik weet alles over jouw eed tot afzondering. Maar die wordt over zes miljoen jaar afgelegd, in een andere wereld. Nu heb jij mij even hard nodig als ik jou.’
    ‘Ik heb je bescherming nodig. Wij allemaal.’
    ‘Je hebt meer nodig dan dat.’
    Amerie stapte achteruit, struikelde over een steen en viel, haar toch al beschadigde handen verder openhalend. ‘Laat me je overeind helpen,’ zei Felice. Maar de non krabbelde op eigen kracht overeind en liep terug naar de gloeiende restanten van het kampvuur waar de anderen al sliepen. Ze struikelde en kneep met de vingers in de palmen van haar hand zodat haar nagels de wond nog verder inscheur­den. Achter haar lachte Felice in de duisternis.

16

    ‘Hij is klaar, Sukey. Jij moet voor de laatste ontlading zorgen.’ ‘Maar... kan ik dat? Misschien verknoei ik het weer, Elizabeth.’
    ‘Dat doe je niet. Jij kunt voor dit aspect van zijn genezing zorgen. Hij wil mij niet toelaten, maar jou wel. Wees niet bang.’ ‘Goed. Maak jij hem langzaam los van de neurale verdoving van die halsring. Ik ben klaar.’
    ... De graanvelden van Illinois, vlak als een tafel en zich uit­strekkend van horizon naar horizon met speelgoedboerderijen en bijgebouwtjes die eenzaam te midden van die oneindigheid staan. Tussen een van de rijen maïs zit een jongen van drie jaar met een teef, een Duitse herder. Hij is slim en ondeugend en hij ziet kans een zendersignaal van zijn jeans los te wurmen hoewel dat is vastgemaakt met een sluiting die kinderbestendig heet te zijn. Hij geeft het aan de teef. De teef is zwanger en constant hongerig en dus slikt ze het door. De jongen komt overeind en krabbelt door de maïs in de richting van een interessant geluid in de verte. De teef, niet voldaan door het elektronische hapje, rent terug naar de boerderij waar het eten wordt klaargemaakt... ‘Nee, ik wil daar niet naar terug!’ ‘Stil nou maar. Rustig aan. Je bent er heel dicht bij.’… Een robot-oogstmachine, bijna zo groot als de boerderij zelf en helder oranje, komt dichterbij en verslindt de maïsplanten met dertig rijen tegelijk, maakt van de stengels en bladeren bruikbare pulp, schudt de kolven die zo lang zijn als de onderarm van een man en giet de rijkgouden korrels in haar containers, kant en klaar voor verscheping naar andere boerderijen ver­spreid over het hele Galaktische Bestel. Deze nieuwe variëteit gaat twintig kubieke meter graan per hectare opleveren… ‘Ik wil er niet naar kijken. Zorg dat ik er niet naar hoef te kij­ken.’
    ‘Kalm. Rustig. Kom maar met mij mee. Maar een klein eind­je.’
    . . . De jongen scharrelt door de rechte rij waar de zwarte aarde tot grijs, kruimelig stof is verpoederd. Gigantische planten bui­gen over hem heen, de kolfbladeren zijn bruin verkleurd tegen de hemel, de gezwollen kolven steken ver uit en zijn klaar om geoogst te worden. De jongen loopt in de richting van het geluid voor hem, maar het is ver weg dus moet hij een tijdje gaan zitten en uitrusten. Hij leunt tegen een van de stengels die zo dik is als van een jong boompje en de brede bladeren bieden hem bescher­ming tegen de hitte van de zon. Hij doet zijn ogen dicht. Wan­neer hij die weer open doet, is het geluid heel wat harder en de lucht is vervuld van stof.. . ‘Alsjeblieft. Alsjeblieft.’
    ‘Je moet er nog één keer heen. Maar ik ben bij je. Het is de enige manier.’
    . . . Verbazing wordt ongemak wordt angst wanneer de kleine jongen het oranje monster vretend dichterbij ziet komen. Het ingebouwde brein zoekt voortdurend de rijen voor zich af op de aanwezigheid van een zendersignaal die hem onmiddellijk zou doen stoppen. Maar er is geen signaal. De machine gaat verder. De jongen rent voor de machine uit en blijft die gestage snelheid van één kilometer per uur makkelijk voor… ‘Zij wist het! Ze had ’s middags op het scherm gecontroleerd en alleen die hond gevonden die op het erf was en twee signalen uitzond in plaats van één. Ze wist dat ik buiten in de velden moest zijn. Ze riep mijn vader op zodat die de oogstmachine kon stoppen en me kon gaan zoeken, maar ze kreeg geen antwoord. Hij was ergens buiten de boerderij, bezig de vastgelopen rotor van een antenne te repareren.’
    ‘Ja, ga door. Je ziet hoe ze naar je uitkijkt op het scherm.’ ... De kleine jongen springt verder, niet ervaren genoeg om te begrijpen dat hij opzij moet gaan, buiten het bereik van de machine en hij blijft door de rij rennen die recht vooruitloopt. Hij rent wat harder en krijgt pijn in zijn zij. Hij struikelt, valt, komt overeind en strompelt weer verder, nu met tranen in zijn helder­blauwe ogen. In de lucht hangt een helikopter boven hem. Hij stopt en wuift met zijn armen, schreeuwend om zijn moeder. De oogstmachine gaat verder, snijdt de stengels vlak bij de bodem af en werkt ze in haar muil via een spaakvormig rad. Zij snijdt en vermaalt, schudt de kolven leeg en verandert de rijen reus­achtige planten in verpakte hoeveelheden graan en fijn gemalen cellulosepulp. . . ‘Nee, alsjeblieft. Niet meer.’
    ‘Je moet. Wij moeten. Eén keer en dan is het voorgoed voorbij. Vertrouw me.’
    ... De helikopter landt en het kind staat stokstil, wachtend op zijn moeder die hem redden zal, huilend en zijn armen uitstrek­kend terwijl zij naar hem toerent, hem oppakt en het lawaai harder en harder wordt en het stof hen omringt onder de hete zon. Ze houdt hem dicht tegen zich aan terwijl ze zich een weg baant door de taaie, hinderlijke planten en het grote oranje ding dichter- en dichterbij komt, de snijders en de spaken en de mes­sen allemaal aan het werk. Maar de vijftien meter die ze moet afleggen zijn te veel. Ze snakt naar adem, tilt het kind hoog op en gooit hem buiten bereik, dwars door de stengels zodat halmen en het oranje van de machine en het blauw van de hemel om hem heen wervelen. Hij valt op de grond en de machine rommelt voorbij en in haar arbeidzame gerommel verdrinkt een ander geluid dat maar heel kort duurde .. .
    ‘Oh, Jezus, ik kan het nog steeds horen alsjeblieft nee de machi­ne stopt en hij komt naar me toe en schreeuwt jij moordenaar, jij moordzuchtig klein kreng Cary Cary oh mijn God nee Pappa Pappa Mamma viel help haar oh mijn God Cary je hebt het gedaan om hem te redden en hij vermoordde je en het is zijn schuld dat kleine moordlustige beest nee nee wat zeg ik oh mijn eigen kleine Steinie het spijt me ik bedoelde het niet zo oh God Cary Steinie… Pappa alsjeblieft doe me niet weg.’ ‘Hij heeft je gehouden, Stein.’ ‘Dat weet ik nu.’
    ‘Heb je alles gehoord? Alles wat hij zei?’ ‘Ja. Arme vader. Hij kon het niet helpen dat hij zoiets zei. Ik begrijp het nu. Angstig en boos en hulpeloos. Ik begrijp het. Toch schoot hij de hond dood. Maar ik hoef niet bang te zijn. Hij kon er niets aan doen. Arme vader. Ik begrijp het. Dank je. Dank je.’ Stein opende zijn ogen.
    Het onbekende gezicht van een vrouw was vlak bij hem, door de zon rood geworden wangen, een wipneus, donkerbruine ogen die iets te dicht bij elkaar staan. Ze glimlachte.
    Hij zei: ‘En ik hoef op geen van ons beiden meer kwaad te zijn.’
    ‘Nee,’ zei Sukey. ‘Je zult het je kunnen herinneren en verdriet voelen. Maar je zult het ook kunnen accepteren. Nooit meer schuld of angst of woede over dit stukje van je leven.’ Stein lag zonder iets te zeggen en ze liet haar geest zich vermen­gen met de zijne in een aanraking waarmee ze haar meeleven in die verschrikking bevestigde en haar zorgzaamheid voor hem duidelijk liet worden.
    ‘Je hebt me geholpen,’ zei hij. ‘Me genezen. En ik weet niet eens je naam.’
    ‘Ik ben Sue-Gwen Davies. Mijn vrienden noemen me Sukey. Het is nogal een rare naam…’
    ‘Oh nee.’ Hij kwam op een elleboog overeind en bestudeerde haar met onschuldige nieuwsgierigheid. ‘Jij hebt het trainings­programma in de herberg ook gedaan. Ik heb je gezien, de eerste twee dagen. Toen was je verdwenen. Je moet voor Groep Groen door de tijdpoort zijn gegaan.’
    ‘Ik hoorde in Groep Geel. Ik herinner me jou ook. Dat vikingpak was niet makkelijk te missen.’
    Hij grijnsde en schudde een paar van zweet doordrenkte lokken uit zijn ogen. ‘Dat leek toen een goed idee. Een soort echo van mijn persoonlijkheid… Wat stel jij voor?’ Ze gaf een klein, zelfbewust lachje en knoeide met de gebor­duurde riem van haar lange gewaad. ‘Een prinses uit het oude Wales. Mijn familie is daar lang geleden vandaan gekomen en ik dacht dat dat leuk zou zijn. Een complete breuk met mijn leven van vroeger.’
    ‘Wat was je dan ... een herstelster?’
    ‘Oh nee, politievrouw. Jeugddelicten op ON-15, de laatste Aardse satelliet.’ Ze raakte haar zilveren ring aan. ‘Ik werd pas een bruikbare meta toen ik hier kwam. Daar moet ik je alles nog over uitleggen .. .’
    Hij onderbrak haar. ‘Ik heb eerder metapsychische behandeling geprobeerd. Het werkte nooit. Ze zeiden dat mijn verzet te sterk was, dat er een speciaal soort therapeut voor nodig was, iemand die helemaal kon meevoelen, iemand die helemaal mee naar bin­nen ging om mijn rotzooi daar op te ruimen. En jij hebt het gedaan.’
    Ze protesteerde. ‘Elizabeth heeft het voorbereidende werk gedaan. Dat had ik eerst geprobeerd,’ ... haar ogen gleden van de zijne weg ... ‘en ik maakte er een knoeiboel van. Elizabeth herstelde dat allemaal geweldig en liet al de echt gevaarlijke rommel weglopen waar ik niet bij kon komen. Je bent haar een hoop verschuldigd. En ik ook.’
    Hij keek twijfelend. ‘In de herberg noemden ik en Richard haar de Ijskoningin. Ze was een ijskoud, spookachtig mens. Maar wacht es . .. Ze vertelde daar dat haar psychische vermogens verloren waren gegaan!’
    ‘Ze kwamen terug. De schok van de reis door de tijdpoort deed het. Ze is een geweldige therapeute, Stein. Ze was een van de beste leraressen in haar sector. Grote klasse. Ik zal nooit zo goed zijn, behalve dan misschien met jou.’
    Heel voorzichtig borg hij haar in zijn grote armen. Haar haren waren lang en zwart en zeer steil en roken simpel naar gras en kruiden, afkomstig van de Tanu-zeep. Ze leunde tegen zijn blote borst en hoorde zijn hart langzaam slaan. Ze durfde niet in zijn geest te kijken, bang daar niet te vinden waar ze op hoopte. Ze waren nu alleen in de torenkamer. Zelfs Elizabeth was wegge­gaan op het moment dat duidelijk werd dat de genezing een succes zou worden.
    Sukey zei: ‘Er zijn dingen die je weten moet.’ Ze raakte de zilveren halsring om haar nogal plompe hals aan. ‘Deze zilveren dingen ... je vriend Aiken heeft er een en nog een paar andere mensen die door de tijdpoort zijn gekomen ... ze zorgen ervoor dat je latente psychische vermogens bruikbaar worden. Daardoor heb ik jou kunnen helpen ... En hier in het Plioceen leeft een buitenaards ras, samen met ons. Ze noemen zich de Tanu en ze zijn hier lang geleden gekomen uit een melk­weg hier miljoenen lichtjaren vandaan. Ook bij hen zijn die func­ties latent, maar ze dragen gouden ringen waardoor ze bijna evenveel kunnen als meta’s uit ons Bestel. Ze zien er menselijk uit, maar ze zijn heel groot en hebben meestal blond haar en eigenaardige ogen. Die Tanu regeren hier zoals middeleeuwse vorsten dat op Aarde deden.’
    ‘Ik begin me iets te herinneren,’ zei Stein langzaam. ‘Een gevecht in een soort kasteel. . . Zitten we daar nog steeds opge­sloten?’
    Sukey schudde haar hoofd. ‘Ze hebben ons meegenomen—jij en ik en een paar anderen— langs de rivier de Rhöne. We zijn op weg naar hun hoofdstad. Deze plaats hier heet Darask, het ligt bijna aan de Middellandse Zee. We zijn hier nu twee dagen. Elizabeth heeft de meesteresse van dit kasteel geholpen die het moeilijk had met haar bevalling. Daarom moesten we blijven en kregen bij wijze van beloning de kans om jou te genezen. De reis over de rivier was nogal zenuwslopend.’ ‘Dus Elizabeth is hier en Aiken. Wie nog meer?’ ‘Bryan, uitjouw Groep. En nog een man, Raimo Hakkinen, een vroegere houtvester uit Brits Columbia. Ik geloof dat hij in Groep Oranje zat. En dan is er een Tanu die de opdracht heeft ons naar de hoofdstad te brengen. Zijn naam is Creyn en hij is een soort arts, geen gevangenbewaarder. Hij heeft tussen twee haakjes al jouw wonden genezen die je in het gevecht hebt opge­lopen zonder een regeneratietank of wat dan ook te gebruiken. Enkel iets dat op plastisch verbandmateriaal leek en de kracht van zijn geest. De rest van jouw vrienden en de andere mensen die daar in dat kasteel gevangen werden gehouden, zijn naar een andere plek gezonden, honderden kilometers ten noorden van hier.’
    ‘En wat zijn ze van plan met ons te doen?’
    ‘Wel, Elizabeth is natuurlijk een speciaal geval, want zij is de enige meta in het Plioceen die geen hulpmiddel nodig heeft. En ik denk dat ze van plan zijn haar Koningin van de Wereld te maken, als ze daar tegen kan.’
    ‘Jezus Heilige Christus!’
    ‘En Bryan, dat is een ander speciaal geval. Hij heeft ook geen halsring om. Ik heb nog niet uitgevonden waarom, maar de Tanu schijnen te denken dat ze een antropoloog nodig hebben om uit te leggen wat er aan hun gemeenschap is veranderd sinds er men­sen in het Plioceen zijn gekomen. Door de tijdpoort, bedoel ik. Het is allemaal erg ingewikkeld maar… wel, mensen met een zilveren ring zoals Aiken en ik en Raimo, degenen dus wier latente metafuncties werkzaam zijn geworden, krijgen de kans om deel uit te maken van hun aristocratie op voorwaarde dat we ons netjes gedragen. Gewone mensen zonder metafuncties lijken niet als slaven of zoiets te worden gebruikt, daar hebben die buitenaardsen een klein soort aap voor die het ruwe werk doet.
    De gewone mensen die wij tot nu toe hebben gezien, oefenden allerlei ambachten uit of waren kunstenaars.’ Stein hief zijn handen op om zijn eigen ring aan te raken en probeerde hem toen door draaien en trekken te verwijderen. ‘Ik krijg dit verdomde ding niet af. Volgens jou heeft dat invloed op mijn latente vermogens?’
    Sukey keek geschrokken. ‘Stein… jouw halsring .. . is niet van zilver. Hij is van een of ander grijs materiaal. Jij bent niet latent.’
    Er kwam een gevaarlijke glans in die helderblauwe ogen. ‘Waar is de mijne dan goed voor?’
    Ze beet met haar tanden op haar onderlip. Ze stak een hand uit naar het metaal van zijn halsring. Met een stem die nauwelijks hoorbaar was, zei ze: ‘Hij houdt je onder controle. Hij verschaft genoegen of veroorzaakt pijn. De Tanu gebruiken hem om telepatisch met jou te communiceren en ze kunnen je erdoor terug­vinden als je weg zou lopen. Ze kunnen je ermee in slaap bren­gen, je angsten verzachten, hypnotische suggesties invoeren en misschien nog wel meer waar ik nu geen weet van heb.’ Ze vertelde er zoveel over als ze wist. Stein zat, onheilspellend rustig, op de rand van het bed. Toen ze klaar was, zei hij: ‘Dus degenen die grijs dragen vervullen voornamelijk de baantjes die belangrijk of vitaal zijn voor de buitenaardsen. Soldaten. Bewa­kers. Die schipper die ons over die gevaarlijke rivier bracht. En ze vervullen hun baantjes zonder in opstand te komen, ook al zijn ze dan niet door die verdomde halsringen in complete automaten veranderd.’
    ‘De meesten die ik heb gezien, gedroegen zich heel gewoon en leken tevreden genoeg. Onze schipper zei dat hij van zijn werk hield. Iemand van de paleismensen met wie ik gesproken heb, zei me dat de Tanu vriendelijk en welwillend zijn tenzij je je tegen hen verzet. Ik denk ... ik verwacht dat je na een tijdje gewoon zult doen wat er van je wordt verwacht zonder dat er enige over­reding aan te pas komt. Je bent geconditioneerd en trouw. Het is in feite hetzelfde soort socialisatie dat plaatsvindt in elke hecht verbonden groep… alleen is hier de trouw gegarandeerd.’ Heel kalm zei Stein: ‘Ik zal nooit zo’n verdomde hielelikker van een of andere buitenaardse slavendrijver worden. Ik ben door de tijdpoort gekomen en ik heb alles opgegeven wat ik bezat om daarbij vandaan te komen. Om een vrij mens te zijn en te doen wat ik wilde! Ik kan op geen andere manier leven. Ik doe het niet! Ze zullen mijn hersens moeten leegbranden!’ Sukey’s ogen werden nat, haar vingers aarzelden om zijn hals. Haar geest slipte beneden de oppervlakkige bewustheid van de zijne en ze zag dat hij gewoon de waarheid had gesproken. De muur van koppigheid die iedere andere genezer had buitengeslo­ten behalve zijzelf, stond nu onwankelbaar opgetrokken en sloot iedere mogelijkheid tot aanpassen uit en verwierp alles dat zelfs maar zweemde naar er het beste van te maken. Stein zou nooit voor de Tanu buigen. Hij zou breken. Wanneer ze hem al de baas werden, zouden ze regeren over een lege huls. Haar tranen drupten op de lakens en op de kilt van wolfshuid die Stein nog steeds droeg. Hij pakte haar beide handen. Ze zei: ‘Het is dus niet de wereld waar we allemaal van gedroomd heb­ben? Ik was van plan een tunnel te vinden die naar Agharta leidde, een paradijs binnen de holle Aarde. Creyn zei dat derge­lijke legenden waarschijnlijk verwezen naar het paradijs dat zijn mensen hier hadden geschapen. Maar dat kan niet waar zijn. Agharta was een land van volmaakte vrede en rechtvaardigheid. Dit kan niet dezelfde plek zijn. Niet wanneer het jou ongelukkig maakt.’
    Hij lachte. ‘Ik ben een moeilijk geval, Sukey. Voor jou liggen de dingen anders. Jij gaat deel uitmaken van de hogere standen. Een prinses van het Plioceen in plaats van een prinses uit Wales.’
    Ze maakte zich van hem los. ‘Ik vergatje iets anders belangrijks te zeggen over het leven hier. Onze vrouwen ... de Tanu maken onze steriliteit ongedaan. Hun eigen vrouwen zijn hier zeer slecht vruchtbaar en dus. . . gebruiken ze ons ook. Sommige vrouwen worden echtgenoten van de Tanu, zoals de meesteresse van dit kasteel waar we nu zijn. Maar heel wat worden gebruikt als... als ...’
    Stein trok haar dichter naar zich toe en veegde haar tranen weg met een punt van het bedlaken. ‘Oh nee. Jij niet, Sukey. Dat zal jou niet gebeuren.’
    Ongelovig hief ze haar hoofd op. Hij zei: ‘Ga je gang. Kijk zo diep als je kunt. Zolang jij het bent, kan me dat niet schelen.’ Ze haalde sidderend adem en sprong hals over kop naar die onbekende plaats. Ze barstte in huilen uit zonder daar iets tegen te kunnen doen, toen ze ginds vond waarop ze had gehoopt, een gevoel dat nieuw en sterk was.
    Nadat hij haar had getroost en gekalmeerd en de belofte in hun beider geesten was uitgewisseld, bezegelden ze hun genezing op hun eigen wijze.

17

    Claude en Richard en Amerie hadden dagen kunnen doorsla­pen, maar toen de zon opging kwam tegelijkertijd het ver verwijderde huilen van beerhonden uit het zuiden waardoor ze zich realiseerden dat de Tanu hun uiterste best zouden doen om de ontsnapping van Felice te voorkomen, wier rol in de slachtpartij ongetwijfeld inmiddels was verraden door iemand die opnieuw gevangen was genomen. Ze verspilden geen tijd door te proberen de sporen van hun kamp uit te wissen, maar gingen na de dage­raad snel opnieuw op weg, nadat ze hun uitrusting hadden laten leeglopen en al lopend een karige maaltijd aten. Claude had geprobeerd het leiderschap aan Felice over te dragen, maar die wilde daar niet van horen.
    ‘Jij hebt ervaring met dit soort tochten, ik niet. Zie ons zo gauw mogelijk van deze helling af te krijgen, naar beneden in een of andere ondoordringbare wildernis met een flinke rivier. Dan kunnen we denk ik onze achtervolgers afschudden.’ Ze sjouwden en gleden in grote haast op hun vlucht de helling af en moesten daarbij één keer zelfs over een smal ravijn springen. Maar ze schoten wat vlugger op toen ze lager waren gekomen en daar een droge bedding konden volgen die verderop veranderde in een dun stroompje. Het werd dichter bebost en de bomen wer­den groter, hun takken uitstrekkend over de breder wordende stroom en hen beschermend tegen een deel van de ochtendhitte. Terwijl ze door het water worstelden, gehinderd door talrijke rotsen en stenen, verstoorden ze de rust van grote, bruine forel­len en vissende wezels. Ze volgden de rivier nu eens aan de ene en dan weer aan de andere kant in een poging verwarring te zaaien onder hun achtervolgers. Claude liet hen een voor de hand lig­gend spoor volgen langs een zij watertje waar ze zichzelf ontlast­ten om het spoor duidelijker te maken, daarna trokken ze door het water terug en waadden verder langs de oorspronkelijke rivier, die af en toe gevaarlijk diep werd, onderbroken door plek­ken waar steenval de loop gedeeltelijk had geblokkeerd en het water zich wit schuimend een weg zocht. Halverwege de ochtend liet Claude hen stoppen. Hij en Felice waren nog in goede conditie, maar Richard en de non zakten vermoeid en dankbaar ineen. Ze zochten een plek op half in het water verzonken rotsen in een inham met rustig water, zich inspannend om iets van achtervolgers te horen. Maar ze hoorden enkel een luidruchtig gespetter dichtbij en verder rivieraf­waarts.
    ‘Als ik niet beter wist,’ zei Amerie, ‘zou ik zeggen dat dat een bever was.’
    ‘Dat zou best kunnen,’ antwoordde Claude. ‘Het kan onze oude vriend Castor zijn, maar het is waarschijnlijker dat het een exemplaar is van Steneofiber, een primitiever soort die zich niet met dammen bouwen bezighield en gewoon een gat in de mod­der .. .’ ‘Ssstt,’ siste Felice. ‘Luister.’
    Ruisend water, vogelgezang, af en toe een kreet van een dier dat volgens Claude een boomaap was en het gepiep van een verstoor­de eekhoorn.
    En iets groots dat zich de keel schraapte. Ze verstarden op hun rotsblok en trokken instinctief hun benen op die in het water hadden gehangen. Het geluid leek op een kelige hoest, in niets lijkend op iets dat ze eerder hadden gehoord. De bosjes op de linkeroever zwaaiden licht toen daar een dier doorheen trok op weg naar de stroom om te drinken. Het was een kat, zo groot als een Afrikaanse leeuw, maar met lange slagtanden die als dolken uit de gesloten kaken staken. Het bromde in zichzelf als een lekkerbek met een slechte spijsverte­ring en nam een paar vluchtige slokken. Zijn bovenlichaam was gedecoreerd met marmerachtige veelhoeken in roestkleuren en in zwart die naar de kop toe in donkere strepen overgingen. Het onderlichaam en de poten waren zwart gevlekt. Het had snorha­ren van reusachtige afmetingen.
    De wind veranderde en droeg de geur van mensen naar de drin­kende sabeltandtijger. Hij hief zijn kop, keek hen rechtstreeks met gelige ogen aan en snauwde op de bestudeerd ingehouden manier van een schepsel dat er zich van bewust is heer en mees­ter over een vreemde situatie te zijn. Felice staarde terug.
    De anderen zaten verstard van angst, wachtend tot de kat in het water zou springen. Maar er gebeurde niets. Het had de buik vol en er waren jongen die wachtten en Felices geest streelde zijn roofdieretrots en vertelde dat de magere prooi die daar op de rotsen hurkte nauwelijks de moeite van een sprong waard was. Dus begon de machairodus zich te likken, loerde nog eens naar hen en trok hooghartig de neus op in een beledigende snauw en verdween toen in het struikgewas.
    ‘Ik heb even vijf minuten nodig om een dankgebed te zeggen,’ fluisterde Amerie, ‘daar ben ik al veel te laat mee.’ Felice schudde haar hoofd en glimlachte raadselachtig en Richard wendde zich af, maar Claude ging naar Amerie toe en deelde met haar het gouden bekertje met wijn en het stukje droog brood dat voor het opdragen van een mis bestemd was en in de zak van Richards uniform was weggeborgen. Toen dat voorbij was, gingen ze weer verder, zich een pad banend op de tegenoverliggende oever die niet door de sabeltandtijger was geclaimd.
    Ze was zo verschrikkelijk mooi,’ zei de non tegen Claude, ‘maar waarom heeft ze zulke tanden nodig? De katachtigen uit onze tijd konden heel goed uit de voeten met veel kleinere.’ Onze leeuwen en tijgers probeerden dan ook geen olifanten aan te vallen.’
    ‘Je bedoelt die verschrikkelijke slagtandendrager waarmee ze ons in de herberg schrik probeerden aan te jagen?’ riep Richard uit.
    ‘Hier in de hooglanden zullen het eerder de kleinere mastodon­ten zijn. Gomphotherium angustidens is waarschijnlijk de meest voorkomende soort. Die zijn maar half zo groot als de rino’s waar we gisteren tegenaan liepen. Een deinotherium zullen we pas in de moerassen tegenkomen of in de uiterwaarden van een grote rivier.’
    ‘Knap verwarrend,’ gromde de piraat, ‘en neem me niet kwalijk dat ik ernaar vraag, maar hebben we een bestemming voor ogen of zijn we gewoon maar op de loop?’
    ‘We zijn gewoon op de loop,’ antwoordde Claude zachtjes. ‘Wanneer we de soldaten en de beerhonden van ons hebben afge­schud, wordt het tijd om andere, strategische beslissingen te nemen. Of ben je het daar soms niet mee eens?’ ‘Oh, verdomme,’ zei Richard en hakte opnieuw in op de struiken langs de waterkant.
    Ten slotte verenigde de waterloop zich met een veel grotere, woeste rivier die in zuidelijke richting stroomde. ‘We zullen deze rivier niet volgen,’ vertelde Claude de anderen. ‘Het is waar­schijnlijk de Saöne en nog waarschijnlijker draait ze rond naar het zuidwesten om veertig of vijftig kilometer verder weer in het meer uit te komen. We zullen haar moeten oversteken en dat betekent dat we de opblaasbruggen van decamole moeten gebruiken.’
    Elke overlevingsset was uitgerust met drie brugdelen die onder­ling verbonden konden worden en dan een spanwijdte hadden van twintig meter. Het leek nog het meest op een ladder met dicht opeengeplaatste sporten. Ze zochten een plek uit waar de stroom zich vernauwde tussen twee puntige groepen rotsen door, bliezen de brugdelen op en verzwaarden ze met ballast, verbon­den de onderdelen en zwaaiden toen de ontstane brug naar de overzijde.
    ‘Ziet er nogal onbetrouwbaar uit,’ zei Richard niet op z’n gemak. ‘Gek, toen we er in de herberg mee oefenden, zag het er heel wat degelijker en breder uit.’
    De brug was ruim dertig centimeter breed en stevig genoeg. Maar in de herberg hadden ze hem gebruikt om een doodstil vijvertje over te steken, terwijl hier stroomversnellingen en scherpe rotsen beneden op hen wachtten. ‘We zouden nog een brug kunnen opblazen en die ernaast leg­gen,’ stelde Amerie voor, ‘als je je daardoor veiliger voelt.’ Maar de piraat schudde die suggestie hooghartig van zich af, hees zijn pak op zijn rug en begon over te steken als een leerling-koorddanser.
    ‘Jij volgt, Amerie,’ zei Claude.
    De non stapte er vol vertrouwen op. Hoeveel honderden balken had ze niet genomen bij het oversteken van bergbeken in Oregon? De klampen lagen minder dan een handbreedte van elkaar, het was onmogelijk erdoorheen te vallen. Het enige dat je nodig had was een stevige stap, het lichaam in evenwicht, de ogen gericht op de overzijde en niet op de schuimende waterval zes meter lager...
    Haar rechter dijspier verkrampte. Ze wankelde, herstelde zich weer, maar trok de herstellende balans te ver door naar de ande­re kant en viel met de voeten naar beneden in de rivier. ‘Laat je bagage vallen!’ schreeuwde Felice. Zo snel bewegend dat haar eigen handen vervaagden, liet ze haar boog en pijlen vallen, ontgespte haar kuras en de scheenplaten en dook Amerie achterna.
    Richard stond met open mond vanaf de overzijde toe te kijken, maar de oude man rende terug naar waar ze vandaan waren gekomen, naar de relatieve kalmte van de smallere stroom. Twee hoofden doken in de stroomversnelling op. Het voorste botste tegen een rots en verdween. Het tweede werd tegen de rots geworpen en verdween ook, maar na een eindeloze minuut kwa­men beide vrouwen weer boven en dreven in Claudes richting. Hij greep een stevig stuk wrakhout en stak dat naar hen uit. Felice zag kans dat met één hand te grijpen en Claude trok haar naar zich toe. Haar andere hand hield Amerie bij de haren vast.
    Claude waadde in het water en sleepte de non op het droge. Felice lag op handen en voeten in de ondiepte en hoestte en spoog. Hij tilde het doorweekte lichaam van Amerie omhoog in een hoek zodat het water uit de longen zou stromen en vulde ze vervolgens met zijn eigen warme adem. Ademen, kind, smeekte hij haar. Leef, dochter. Ze maakte een stikkend geluid, de borst zette voor de eerste keer uit onder de kletsnatte en verscheurde kapiteinsuniform. Hij beademde haar nog eens en toen keerde ze terug. Ameries ogen gingen open en staarden verwilderd naar Claude en dan naar de lachende Felice. Een verstikte snik welde in haar keel op, daarna begroef ze haar hoofd tegen de borst van de oude man. Hij liet Felice de warme trui uit de Orkaden te voorschijn halen uit hun bagage en wikkelde de non erin. Maar toen hij Amerie wilde optillen om haar over de brug te dragen, was ze te zwaar voor hem. Uiteindelijk was het de kleine atlete die de non naar de overzijde hielp, terwijl de paleontoloog er met hun beide rugzakken achteraan kwam.
    Ameries voorraad medicijnen was in de rivier verdwenen en dus moesten ze haar gebroken arm zetten met de schamele voorra­den uit hun individuele overlevingssets, waarbij ze de aanwijzin­gen volgden die daarin onder het hoofdstuk Veel Voorkomende Ongelukken werd behandeld. Het was een simpele fractuur van de bovenarm die ook door amateurs goed kon worden verholpen maar tegen de tijd dat Amerie was verzorgd en van pijnstillers voorzien, was de namiddag een heel eind voorbij. Richard wist Claude en Felice ervan te overtuigen dat verder trekken op dit uur weinig zin had, ook al werden ze mogelijk nog achtervolgd. Ze verwijderden zich daarom slechts een klein eindje van de rivier en vonden een redelijk goed verborgen schuilplaats onder een groep eikenbomen. Daar blies Richard twee van hun decamole hutten op terwijl Felice erop uittrok en een vette reebok schoot en Claude de eetbare knollen van rietplanten uitgroef die op een moerassig stuk grond in de nabijheid groeiden. Met hun magen vol, de bedden op maximaal zacht en de insekten werende deuren goed gesloten, waren ze nog voor de avond in slaap gevallen. Ze hoorden niets van de uilen, de nachtegalen en de boomkikkers en evenmin het verre gehuil van beerhonden die een koud en zinloos spoor naar het zuiden achterna joegen. Ze zagen niets van de damp die uit de stroomversnellingen omhoogsteeg naarmate de sterren helderder werden en nog minder merkten ze iets van de Firvulag die hun gloeiende grotesken dan­sten op de tegenoverliggende rivieroever tot de sterren bij het naderen van de dageraad verbleekten.
    De volgende morgen was Amerie koortsig en zwak. Na geza­menlijk overleg gaven ze haar medicijnen uit hun beperkte voor­raad, maakten het haar zo gemakkelijk mogelijk in de ene hut en trokken zichzelf terug in de andere, zodat zij zo rustig mogelijk kon slapen en herstellen. Ze hadden allemaal een rustpauze nodig en er leek weinig gevaar aanwezig dat achtervolgers deze door scherpe rotsen omgeven stroom zouden ontdekken zonder dat zij het bijtijds merkten.
    Felice was ervan overtuigd dat ze de achtervolgers volkomen op een dwaalspoor hadden gebracht.
    ‘Misschien vinden ze de uitrusting van Amerie wel langs de rivier en dan zullen ze geloven dat we verdronken zijn.’ Dus sliepen ze, gebruikten een lunch van koud vlees en algenpastei en zaten daarna in de schaduw van een oude eik, kleine kopjes kostbare oploskoffie drinkend en proberend te beslissen wat hun volgende stap moest zijn.
    ‘Ik heb een nieuw plan uitgedacht,’ zei Felice. ‘Ik heb verschil­lende mogelijkheden overwogen en ik heb besloten dat de beste plaats om een andere halsring te pakken te krijgen, in de buurt van Finiah is, waar genoeg Tanu leven. Er is misschien zelfs wel een opslagplaats of fabriekje van dat soort dingen. We zullen ons hier moeten schuilhouden totdat Amerie is hersteld, daarna ste­ken we de Vogezen over en zoeken een schuilplaats vlak bij de stad. We kunnen ons bevoorraden door karavanen te overvallen of omliggende boerderijen.’ Richard stikte bijna in zijn koffie.
    Felice sprak doodgemoedereerd verder. ‘En dan, nadat we iets aan de weet zijn gekomen over hun verdediging en over de manier waarop die ringen werken, kunnen we een plan uitwer­ken voor een echte aanval.’
    Richard zette zijn kopje met de grootste zorgvuldigheid op een boomwortel neer. ‘Meid, jij hebt ons omgeluld en gedwongen om tot zover met je plannen mee te doen en ik zal niet zeggen dat je er geen verdomd goed stuk werk aan hebt gedaan door ons uit handen van Epone en haar stromannen te krijgen. Maar er is geen enkele manier waarop je mij zo gek krijgt om aan een viermans invasie te beginnen tegenover een hele stad vol buitenaard­se hersenkrakers.’
    ‘Je wilt je liever in de bossen blijven verstoppen tot ze je gevon­den hebben,’ sneerde ze. ‘Denk namelijk maar niet dat ze met zoeken zullen ophouden! Integendeel, de Tanu zullen zelf gaan zoeken in plaats van hun menselijke slaven te sturen. Maar wan­neer we mijn plan volgen—en wanneer ik een gouden halsring te pakken krijg—dan kan ik hen allemaal de baas zijn!’ ‘Dat zeg jij\ Maar hoe weten wij zeker dat je dat klaarspeelt? En waar is onze winst? Worden wij jouw plaatselijke speerdragérs terwijl jij mevrouw de commandant speelt? Die verrekte gouden ringen zullen ons soort normalen waarachtig geen goed doen. En reken er maar op dat minstens één van ons door die gekken een kopje kleiner wordt gemaakt voor jouw privé-guerrilla voorbij is, ongeacht of je wint of verliest. Wil je weten wat mijn plannen zijn, Barbie?’
    Ze ging door met haar koffie, haar ogen neergeslagen. ‘Dat zal ik je vertellen!’ bulderde Richard. ‘Ik blijf hierboven nog een dag of twee bijkomen en ondertussen repareer ik mijn schoe­nen en daarna trek ik naar het noorden, naar de grote rivieren en de oceaan, precies zoals Yosh heeft gedaan. Met een beetje geluk loop ik hem zelfs nog tegen het lijf. En wanneer ik bij de Atlantische Oceaan kom, zeil ik langs de kust naar het zuiden. En terwijl jij de bandietenprinses uithangt, word ik lazerus van goede wijn en van lekkere wijven in mijn piratenhol vlak bij Bor­deaux.’
    ‘En de anderen van ons?’ Claude hield zijn stem neutraal. ‘Ga met me mee! Waarom niet? Ik doe het rustig aan, ik ga m’n nek niet breken door als een gek over de Vogezen te klauteren. Luister Claude, als jij en Amerie bij me blijven, dan help ik jullie een mooi en vredig plekje te vinden waar de Tanu nog nooit van hebben gehoord. Jij bent een beetje te oud om aan de oorlogjes van die meid mee te doen. En wat voor een leven zou dat voor een non zijn, vraag ik je? Die daar maakt mensen dood voor de lol!’
    ‘Je vergist je, Richard,’ zei Felice en dronk haar koffie. De oude paleontoloog keek van de een naar de ander en schudde toen zijn hoofd. ‘Ik moet hierover nadenken. En er is nog wat anders dat ik al van plan was. Als jullie geen bezwaren hebben, trek ik nog een eindje verder deze bosjes in. Ik wil een poosje helemaal alleen zijn.’ Hij kwam overeind, voelde even in de grote zak van zijn woudlopersjack en liep weg. ‘Neem alle tijd die je nodig hebt, Claude,’ riep Felice hem ach­terna. ‘Ik zorg wel voor Amerie en ik blijf wel op de uitkijk ook.’
    ‘Verdwaal niet,’ voegde Richard er aan toe. Felice vloekte onhoorbaar.
    Claude begon te lopen, automatisch de kenmerken van het land­schap in zich opnemend zoals hij dat zoveel jaren op nieuw geko­loniseerde planeten had gedaan. Een eik met twee geweldige, neerhangende takken als de armen van een boeman. Een rossige pinakel die te midden van grijs granietgesteente omhoogrees. Een droog stuk grasland met een esdoorn waarvan één tak al te vroeg in het seizoen goud was verkleurd. Een kleine poel, over­dekt met roze waterlelies waar een paar doodgewone wilde een­den sloom rondzwommen. Een bron die uit de rotsen te voor­schijn kwam, omzoomd door katachtige varens en overscha­duwd door een prachtige beuk. ‘Hoe vind je dit, Gen?’ vroeg de oude man. Hij knielde en stak zijn handen uit naar het stroompje water, dronk ervan en bette daarna zijn voorhoofd en zijn zonverbrande nek. Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor. Lavabis me, et super nivem dealbabor. ‘Ja, ik denk dat dit een uitstekende plaats is.’ Hij haalde een dunne, vlakke steen uit de bodem van de bron en liep naar de voet van de beuk. Nadat hij zorgvuldig een stuk mos had verwijderd, groef hij een gat en plaatste er de houten doos in. Daarna bedekte hij alles weer stevig met aarde en planten. Hij gebruikte geen steen of kruis om de plek te markeren, zij die om haar gaven zouden weten waar haar as lag. Toen hij gereed was, liep hij terug naar de bron om een paar handenvol water te halen waarmee hij het verscheurde mos opnieuw doordrenkte; daarna ging hij met zijn rug tegen de boom zitten en sloot zijn ogen. Toen hij wakker werd, was het laat in de middag. Er sloop iets rond in de buurt van de bron dat hem met waakzame groene ogen aanstaarde.
    Claude hield zijn adem in. Het was een van de mooiste kleine diersoorten die hij ooit had gezien, een sierlijk, gespierd lichaam, niet veel groter dan zijn hand en met een slanke staart die nog eens twintig centimeter aan zijn lengte toevoegde. Het onderli­chaam was bleek oranje, van boven was de vacht bruin met zwart in subtiele schakeringen als bij een jonge vos. De katachti­ge kop keek hem intelligent, mild en absoluut niet dreigend aan, hoeveel het dan verder ook op een poema in miniatuur leek. Dit moest Felis zitteli zijn, een van de allervroegste echte katten. Claude spitste zijn lippen en liet een zacht, afwisselend fluitje horen. De grote oren van het dier richtten zich op het geluid. Uiterst langzaam stak Claude een hand in zijn zak en haalde een klein stukje op kaas lijkende algenpastei te voorschijn. ‘Pss-pss-pss,’ zei hij uitnodigend, terwijl hij het voedsel op het stuk mos naast zich neerlegde.
    Rustig kwam de kleine kat naar hem toe, de neusvleugels sidde­rend, de witte snorharen naar voren. Ze snoof discreet aan het voedsel, probeerde het even met een sierlijke, roze tong en at het op. De ogen, verhoudingsgewijs veel groter dan bij de huiskat en zwart omringd, keken Claude onmiskenbaar vriendelijk aan. Er klonk een zacht, zoemend geluid. Felis zitteli was aan het spin­nen.
    De oude man gaf haar nog wat meer eten en waagde het daarna het dier aan te raken. De kat accepteerde zijn gestreel, kromde haar rug en krulde de zwart gepunte staart arrogant omhoog. Ondertussen ging ze steeds dichter naar Claude toe en duwde ten slotte haar voorhoofd tegen diens been. ‘Oh, maar jij bent een liefje, is het niet? Hele kleine tandjes. Wat eet je, insekten en soortgelijke kruipers of vis je op stekelbaars­jes?’ De kat tilde haar kop op, gaf Claude een smeltende blik en sprong op zijn schoot, waar ze ging liggen met alle vertoon van vertrouwdheid. Claude streelde het kleine ding en sprak er zachtjes tegen terwijl de schaduwen purper werden en een kille wind tussen de bosjes doorkwam.
    ‘Ik moet gaan,’ zei hij met tegenzin, terwijl hij een hand onder de kleine warme buik stak en de kat op de grond zette. Hij kwam zelf overeind, verwachtend dat het dier nu bang zou worden van zijn bewegingen en weg zou vluchten. Maar het bleef rustig zit­ten en keek toe wat hij deed en toen Claude wegliep, volgde het hem.
    Hij lachte en probeerde het met kleine geluiden weg te krijgen, maar het dier bleef. ‘Ben je van de ene op de andere seconde tam geworden?’ vroeg hij en toen dacht hij aan Amerie die nog lang nodig zou hebben om te herstellen terwijl ze met hem en Richard naar het noorden trok. Wanneer ze Felice achterlieten (en dat leek niet anders te kunnen), dan zou de non zich over haar zor­gen maken en daarbij nog eens broeden op haar eigen schuldge­voelens. Deze kleine, charmante kat zou misschien een aardige afleiding zijn.
    ‘Wil je in mijn zak meerijden? Of zit je liever op mijn schou­ders?’ Hij pakte het diertje op en stak het in een van de grote zakken van zijn jack, waar het zich een paar maal in ronddraaide en toen, nog altijd snorrend, ging liggen met zijn kop erbuiten. ‘Dat is het dan.’ De oude man vergrootte zijn pas en liep van het ene herkenningspunt naar het andere tot hij op de open plek onder de eiken kwam waar ze hun kamp hadden opgeslagen. De twee hutten van decamole waren verdwenen. De keel dichtgeknepen en met bonzend hart, deinsde Claude achteruit en verborg zich achter de dikke stam van een boom tot zijn hartslag was bedaard. Hij keek behoedzaam om de stam heen naar de open ruimte waar hun kamp was geweest. Al hun uitrusting was verdwenen. Zelfs de restanten van het vuur en van het geroosterde rendier waren weg. Er waren geen voetstappen, geen gebroken varens of struiken die wezen op een gevecht (Felice gevangen nemen zonder gevecht?), niets waaruit bleek dat zich hier onder die oude bomen ooit mensen hadden bevonden. Claude verliet zijn schuilplaats en begon aan een zorgvuldiger onderzoek. De plek was van alle sporen ontdaan door mensen die wisten hoe dat moest, maar er waren er toch een paar achterge­bleven. Op een plek waar wat zand lag, waren de naast elkaar liggende vegen van een tak zichtbaar die gebruikt was om de sporen uit te wissen. En dichterbij het water, waar alleen een zwak wildspoor zichtbaar was dat omhoogleidde, vond hij een klein stukje emeraldgroen spul dat op het takje van een den was gestoken.
    Een klein stukje van een groene veer. Groen gebleekt. Claude knikte in zichzelf toen het raadsel zichzelf begon op te lossen. Ze hadden drie mensen gevonden en hen en drie stuks bagage meegenomen. Wie? Vast en zeker niet de huurlingen van de Tanu, die zouden zich geen zorgen hebben gemaakt over het achterlaten van sporen. Wie dan? Firvulag? Claudes hart sloeg weer sneller. Hij kneep zijn neusgaten dicht en ademde zachtjes uit. De overvloed aan adrenaline werd afge­damd en het bonzen in zijn borstkas minderde. Hij kon niets anders doen dan erachteraan gaan. En als ze hem te pakken kregen… wel, hij had in elk geval een deel gedaan van dat waarvoor hij hier gekomen was.
    ‘Weet je zeker dat je niet weg wilt?’ fluisterde hij tegen de kat, terwijl hij zijn zak half opentrok om dat zo nodig te vergemakke­lijken. Maar het dier knipperde enkel met een paar grote, slape­rige ogen en kroop toen dieper weg.
    ‘Dan gaat het tussen ons tweeën en hen,’ zuchtte Claude. Hij zette er stevig de pas in en begon langs de lawaaiige rivier te lopen tot het bijna donker was geworden. Toen rook hij vuur en volgde zijn neus tot bij een groep mammoetbomen die op een rotsige helling boven de rivier stonden. Daar brandde een groot vuur, omringd door talloze donkere figuren die lachten en praat­ten.
    Claude verborg zich in de schaduwen, maar hij werd blijkbaar verwacht. Geheel tegen zijn wil merkte hij dat hij naar het vuur liep, de handen boven zijn hoofd en gedreven door een soortgelij­ke kracht als die hij eenmaal in de onderzoekskamer met Epone had ondervonden.
    ‘Het is een oudje,’ zei iemand toen hij binnen het licht van het vuur kwam.
    ‘Zo oud ook weer niet,’ merkte een hurkende schaduw op. ‘Hij is vast nog wel ergens goed voor.’
    ‘Hij gedraagt zich in elk geval wat redelijker dan zijn vrien­den.’
    Er zat misschien een dozijn taai uitziende mannen en vrouwen rondom het vuur. Ze droegen donkere leren kleding en de res­tanten van textiel terwijl ze de overblijfselen van het koude vlees opaten dat Felice had neergelegd. Een groot spit, volgestoken met vogelkarkassen, draaide boven het vuur. Een van de zwervers kwam overeind en ging naar Claude toe. Het was een vrouw van middelbare leeftijd, van gemiddelde lengte en met donker haar dat grijs werd aan de slapen en ogen die fanatiek glansden in de vonken van het vuur. Haar dunne lippen perste ze kritisch opeen terwijl ze de oude man bestudeerde. De elegante rug van haar neus kwam in een trots gebaar omhoog en Claude zag een gouden halsring onder de kraag van haar hertenleren mantel. ‘Hoe noem jij jezelf?’ vroeg ze ernstig.
    ‘Ik ben Claude Majewski. Wat heb je met mijn vrienden gedaan? Wie ben jij?’
    De greep op zijn geest werd zachter en ze keek naar hem met een streng soort humor. ‘Je vrienden zijn veilig genoeg, Claude Majewski. En wat mij betreft, ik ben Angélique Guderian. Je kunt me Madame noemen.’

18

    De rivier de Rhöne stroomde breed en langzaam. Zelfs met het zeil voluit en de kleine hulpmotor aan, deed het schip er lang over om het eiland Darask achter zich te laten. De van vocht doordrenkte vlakten van de Camarque lagen onder een gouden nevel waardoor alles op een grotere afstand dan een kilometer vaag werd en veranderde in een slecht herkenbare achtergrond. Later, toen de boot verder naar het zuiden was gevorderd, kre­gen de passagiers aan hun linkerhand bergen in zicht en in het moeras de toppen van afzonderlijke rotsmassa’s. Maar de zee was nergens te zien. Kleine, vrolijke oranje-blauwe mezen en roodgekuifde gorzen kwetterden in de grote papyrusbossen langs de oevers. De bovenkant van het passagierscompartiment was verwijderd en de hele morgen hadden ze gefascineerd kun­nen toekijken hoe krokodillen en zeekoeien om de boot zwom­men. Eenmaal zagen ze een school transparante waterslangen die glanzend en doorzichtig als golvende regenbogen onder de mistige zon doorgleden.
    Tegen het middaguur legden ze aan bij een ander eiland waar tientallen andere schepen lagen, voornamelijk vrachtboten en grotere, vrolijk versierde Tanu-schepen, overdekt met kleine, zwijgende rama’s die vijf rijen dik op hun banken zaten als klei­ne, niet-geboeide galeislaven die hun riemen waren kwijtge­raakt. Schipper Highjohn legde uit dat ze hier niet aan land zouden gaan. Ze zouden hier lang genoeg blijven om de trans­parante kap weer boven het passagiersgedeelte aan te brengen. ‘Niet nog meer van die verdomde stroomversnellingen,’ smeekte Raimo, terwijl hij zijn fles te voorschijn haalde. ‘Deze is de allerlaatste,’ stelde de schipper hem gerust. ‘En niet de ergste, ook al is ze tamelijk steil. Een van die nog niet geringde gorilla’s uit de tijd toen de tijdpoort nog maar net bestond, noemde haar La Glissade Formidable. Dat klinkt een stuk klas­sieker dan Dodelijke Glijbaan, dus op die naam houden we het tegenwoordig maar.’
    Stein, die naast Sukey zat, keek verbaasd. ‘Maar we zouden nu al lang in de Rhönedelta moeten zijn. Zowat op de oever van de Middellandse Zee. Wat zou hier nog voor afdaling kunnen zijn?’
    ‘Dan staatje een verrassing te wachten,’ vertelde Bryan hem. ‘Ik kon het zelf ook niet geloven toen de schipper het vertelde. Ik heb ook op de Middellandse Zee gevaren, zoals je weet. Waar het op neerkomt, Stein, is dat de knappe koppen die onze kaarten van het Plioceen hebben getekend, een kleine misrekening hebben gemaakt.’
    De arbeider die bezig was geweest de transparante panelen weer te bevestigen, gaf het laatste paneel een ferme duw en zei: ‘Je kunt weer, schipper.’
    ‘Iedereen de gordels om,’ beval Highjohn. ‘En kom jij maar mee naar voren, Bryan. Je zult dit een hele mooie vinden.’
    Er stak een lichte wind op toen ze hun aanlegplaats verlieten in het kielzog van een dertig meter lang vrachtschip dat geladen was met metalen blokken. De nevels die tot nu toe hun zicht hadden belemmerd, losten op en ze keken naar het zuiden om een eerste glimp van de zee op te vangen. Maar ze zagen een wolk.
    ‘Wat is dat voor de duivel?’ riep Stein uit. ‘Het ziet eruit alsof er een fabriek van plastics in de brand staat of een grote vulkaan aan het werk. Die verdomde wolk komt tot in de troposfeer.’ De mast van het schip vouwde zich samen en verdween, de hulp­motor stopte. Ze begonnen snelheid te krijgen. De drijvende vel­den moerasgras lagen nu wijder verspreid en het schip volgde een door markeringen aangegeven vaargeul die naar het zuid­oosten ging, onder een ronde kaap door aan hun linkerhand die als een soort uitloper van de Alpen uit het vlakke land stak. Ze voeren rechtstreeks op de hoog boven alles uittorenende witte wolk af, terwijl hun snelheid met de minuut toenam. Toen zei Elizabeth: ‘Goede God! De Middellandse Zee is er niet.’
    De vrachtboot die hen ongeveer een halve kilometer vooruit was, verdween uit het gezicht. In het oosten en het westen lagen over­al langs de horizon kleine brokstukken land, maar tussen hen in lag niets dan een strook water die de melkkleurige hemel ont­moette en in het midden een ondiepe inzinking had. En dan was er het geluid, een zwellend gerommel met daaronder een gesis dat oorverdovend werd naarmate ze dichter en dichter op La Glissade Formidable af joegen, daar waar de brede uitloop van de Rhöne eindigde op de rand van het continent. Creyns mentale stem drong tot iedereen door die een halsring droeg. ‘Moet ik vergetelheid programmeren?’ Maar ze ant­woordden allemaal ‘nee!’, want hun nieuwsgierigheid was groter dan de angst voor wat komen mocht.
    Het schip raasde over de rand en begon af te dalen, gedragen door modderige wateren die een steile afdaling vol sediment overspoelden. Met tachtig kilometer per uur plonsden ze in de diepten van de Lege Zee.
    Ze kwamen aan het einde van de Glissade na vier uur en dreven toen in het bleke water van een groot, bitter meer. Overal om hen heen bevonden zich de veelkleurige wortels van het continent; glinsterende, fantastisch afgesleten vormen van zout, watervrij calciumsulfaat en gips. De transparante overkapping werd ver­wijderd, het zeil weer gehesen en toen koerste het schip met gro­te snelheid naar het zuidwesten, daar waar volgens Creyn de hoofdstad Muriah lag dat door de Tanu Aven werd genoemd. Het lag aan de top van het schiereiland der Balearen, boven het smetteloze laagland dat de Witte Zilvervlakte werd genoemd. Ze reisden nog één dag verder, overrompeld door de vreemdheid en de schoonheid en nauwelijks in staat er anders over te spreken dan in uitroepen van bewondering waarop Creyn steevast ant­woordde: ‘Ja, het is mooi. En er komt nog meer, overweldigender dan jullie je kunnen voorstellen.’
    Laat op de avond van de zesde dag nadat ze van kasteel Door­tocht waren vertrokken, kwamen ze aan. Het hoge schiereiland van Aven strekte zich groen en golvend naar het westen uit, met slechtséén enkele top op het hoogste punt, half verborgen in de nevels. Een span helladotheria met glanzende sjabrakken van regenboogkleurig materiaal trok het schip over een lange, van rollers voorziene baan, terwijl chaliko-ruiters in gaasachtige gewaden en glazen wapenuitrustingen hen over die steile helling volgden. Ze droegen lampen en banieren en dierkoppige hoorns en langs de hele weg in de richting van de schitterende stad hoog boven het zout zongen de Tanu die hen verwelkomden. Hun lied had een meeslepende melodie die Bryan vreemd bekend voor­kwam, maar de mensen die halsringen droegen, verstonden ook de vreemde woorden.
Li gan nol po’köne niési,
‘Köne o lan li pred nêar,
U taynel compri la neyn,
Ni blepan algar dedöne.
Shompri póne, a gabrinel,
Shal u car metan presi,
Nar metan u bor taynel o pogeköne,
Car metan sed göne mori.

Er is een land dat schijnt door tijd en leven.
Een vriendelijk land in werelds lange jaren,
Veelkleurige bloesems bedekken het
Uit de oude bomen waarin de vogels zingen.
Iedere kleur gloeit, verrukking allerwegen
Muziek doorstroomt de Zilveren Vlakte
Op de zoet gestemde Vlakte van het Veelkleurig Land,

Op de Witte Zilvervlakte in het zuiden.
Daar zijn geen tranen, geen bedrog, geen verdriet,
Daar is geen ziekte, geen zwakheid of dood,
Daar ligt de rijkdom in talrijke kleuren,
Zoete zang voor het oor, speelse wijn voor de tong.
Gouden strijdwagens meten zich op de Vlakte van Wedijver.
Kleurige rossen rennen in gelijkmatig klimaat.
Noch de dood noch het ebben van het tijd
Bedreigen hen in het Veelkleurig Land.

III
Het Bondgenootschap

1

    De gigantische mammoetboom had tienduizend jaar overleefd. Te midden van een bos vol kleinere exemplaren, hoog in de Vogezen, was hij van binnen uitgehold door bosbrand en rotting. In voorbije millenia had de bliksem de top eraf gesneden zodat de Boom nu slechts honderd meter hoog was, terwijl de stam bij de grond ongeveer een vierde van die afstand mat waardoor de mammoetboom het uiterlijk had gekregen van een immense afgeknotte pilaar. Dat de Boom toch nog leefde, werd bewezen door spaarzame takken in de gebroken kroon, waarvan de naal­den te klein leken om licht in al het voedsel te kunnen omzetten dat voor zo’n omvangrijk monument noodzakelijk was. De mammoetboom was gastheer voor een hele familie scherp gebekte adelaars en verscheidene miljoenen rode mieren. Sinds vroeg in de middag herbergde hij ook een groep vrij levende mensen die gewoon waren de grote holle stam als wijkplaats te gebruiken in tijden van speciaal gevaar. Het regende zachtjes. Over een uur zou het donker zijn. Een vrouw in een door vocht gevlekt herteleren jasje stond naast een wortel van de Boom, haar ogen gesloten, de vingertoppen tegen haar keel gedrukt. Nadat er vijf minuten waren vergleden, open­de ze haar ogen en veegde haar vochtige voorhoofd gedeeltelijk droog. Bukkend vouwde ze de bladeren van een varen opzij en ging een onschuldig uitziende opening daarachter binnen die in feite een vrijwel dichtgetrokken spleet was die toegang gaf tot het binnenste van de Boom.
    Iemand hielp haar uit haar verregende kleren. Ze knikte dank­baar. Overal in het binnenste van de romp brandden kleine vuurtjes op kleine stenen verhogingen; de rookpluimen ervan vermengden zich met dat van een groter, centraal vuur en ver­dween hoog daarboven in de natuurlijke schoorsteen. Het hoofdvuur brandde binnen een haard die de vorm had van een X. In het centrum waren de vlammen hoog, maar aan de zijden laag genoeg om erop te kunnen koken. Mensen zaten in grote aantal­len rondom dit centrale vuur; kleinere groepen hielden zich op rondom de andere vuurplaatsen. Overal rook het naar stomende kleding die rondom de vuren te drogen was gelegd, naar brood dat in de as werd gebakken, naar hete, gekruide wijn en naar sudderend vlees.
    Richard hing boven een van de grote potten, snauwend naar de koks om zich heen terwijl hij af en toe gedroogde kruiden toe­voegde uit een verzameling aarden potten die op de grond stond. Claude en Felice zaten daar vlak bij, dicht naast elkaar en Amerie was bezig met haar goede arm medicijnen uit hun bagage te sorteren. Haar kleine wilde kat keek nieuwsgierig toe nadat ze snel had geleerd dat de medicijnen, het verband en de instru­menten geen prooi waren of dingetjes om mee te spelen. Angélique Guderian kwam naar hun kant van het vuur en strek­te haar handen uit naar de warmte. ‘Het is een goed ding, ma soeur, dat Fitharn en de andere Firvulag in staat waren jouw rugzak terug te vinden. We komen altijd medicijnen tekort en we zulllen je sociale vaardigheden evengoed kunnen gebruiken als de spirituele. Er zijn geen professionele genezers onder ons, want zij worden allemaal met een grijze halsring onderworpen zodra hun beroep bekend is. We kunnen alleen maar aannemen dat jij daaraan bent ontsnapt doordat de Tanu een vergissing hebben gemaakt.’
    ‘En er is geen mogelijkheid om te ontsnappen zodra ze die ring om hebben?’ ‘Ze kunnen ontsnappen, dat is zeker. Maar zodra de drager van een grijze of een zilveren halsring binnen het men­tale bereik komt van een Tanu, dan wordt hij gedwongen die te dienen, desnoods met verlies van eigen leven. Daarom kunnen wij niemand onder ons accepteren die de halsring draagt.’ ‘Behalve jijzelf,’ zei Felice zachtjes. ‘Maar zij die goud dragen, zijn vrij. Of niet?’
    Claude was bezig een nieuwe rozenkrans voor Amerie te snijden. Zijn mes van vitredur glansde als een saffier in het licht van de vlammen. Hij vroeg: ‘Kunnen die halsringen niet worden verwij­derd?’
    ‘Niet zolang de drager in leven is,’ antwoordde Madame. ‘We hebben dat natuurlijk geprobeerd. Het metaal zelf is helemaal niet zo sterk, maar het schijnt dat de halsring op de een of andere manier onverbrekelijk verbonden raakt met de levensenergie van de drager. Die band is al compleet nadat de ring een uur of daaromtrent is gedragen. Het losmaken of doorbranden ervan veroorzaakt de dood door krampen. De doodsstrijd heeft veel weg van wat sommige perverse Tanu door middel van hun geest weten te bewerkstelligen.’
    Felice kwam dichter naar het vuur. Ze had na een geforceerde mars van zesendertig uur naar deze Boom eindelijk haar wapen­rusting afgedaan en de natte stof van haar groene kleding daar­onder plakte aan haar slanke lichaam. Haar benen en bovenar­men zaten vol schrammen en donker gekleurde blauwe plekken. Na het nieuws dat de Tanu aan een grootscheepse Jacht waren begonnen en in de Vogezen waren doorgedrongen, was Madame met haar verkenningspatrouille en de overblijvenden van Groep Groen zo snel mogelijk naar de schuilplaats in de Boom gevlucht waar ze door andere menselijke vrijen werden ontvangen. Felice deed haar best haar stem zo gewoon mogelijk te laten klinken. ‘Dus er is geen manier om uw eigen halsring te verwijderen, Madame?’
    De oude vrouw staarde de atlete langdurig aan. Ten slotte zei ze: ‘Pas op dat je niet in de verleiding komt, mijn kind. Deze gouden halsring blijft tot aan mijn dood een deel van mij.’ Felice lachte kort en zachtjes. ‘Daar hoeft u niet bang voor te zijn. Kijk maar in mijn geest.’
    ‘Ik kan je geest niet lezen, Felice. Je weet dat. Ik ben geen bewerkster en je eigen sterke, latente vermogens beschermen je. Maar de vele jaren terug in de herberg hebben me wel inzicht verschaft in persoonlijkheden zoals jij. En hoe beperkt mijn eigen vermogens ook mogen zijn, ik geniet het vertrouwen van de Firvulag ... en zij kunnen je lezen als een simpel schoolboek.’ ‘Dus dat is het,’ merkte Felice op. ‘Ik voelde iets.’ ‘De Firvulag hebben je vrijwel vanaf het begin gevolgd,’ zei de oude vrouw. ‘Ze gaan de karavanen altijd achterna in de hoop op een samenloop van omstandigheden waardoor zij de reizigers kunnen overnemen. Ze hoorden je toen je je vrijheid bevocht aan de oever van het Lac de Bresse en ze hebben je zelfs geholpen, weet je dat? Ze hebben beelden toegevoegd aan de jouwe waar­door chaliko’s en soldaten nog verder in verwarring raakten en waardoor jij en je vrienden konden overwinnen. Ah, de Firvulag waren van jou onder de indruk, Felice! Ze onderkenden je moge­lijkheden. Maar ze waren ook bang voor je… en terecht. En dus maakte Fitharn, die de wijste was onder diegenen die jou volgden, een levendige illusie die de geest van een van je confrè­res overmeesterde…’
    ‘Dougal!’ schreeuwde Felice overeind springend.
    ‘C’est ca.’
    Richard grinnikte ironisch. ‘Handige sodemieters! Ik wil wedden dat ze zelfs die gouden halsring uit het meer konden krijgen, als ze dat wilden.’
    Een chaotische mengeling van emoties speelde over het meisjes­gezicht. Ze wilde iets zeggen, maar Madame stak haar hand op.
    ‘De Firvulag geven geschenken als het hun goeddunkt, niet zoals wij dat willen. Je zult geduld moeten hebben.’
    Claude zei: ‘Dus de Firvulag hebben ons de hele weg gevolgd. Ga me niet vertellen dat ze ook onze achtervolgers in de war hebben gebracht?’
    ‘Natuurlijk wel,’ antwoordde Madame Guderian. ‘Zouden die schepen vol grijze ringen dragende mariniers anders geen spoor yan jullie hebben gevonden? Zouden de achtervolgende soldaten jullie spoor niet hebben ontdekt, al hadden jullie nog zulke pathetische en armzalige pogingen gedaan om hen te misleiden? Natuurlijk hebben de Firvulag geholpen! En Fitharn waar­schuwde ons dat jullie in de bossen waren en dus kwamen we jullie halen. Ze waarschuwden ons ook voor de Jacht die door­gaans niet zo diep in de bossen doordringt.’ Richard proefde nog eens van de vleespot en trok een gezicht. ‘We zijn nu op een veilige plaats. Wat gaat er nu gebeuren? Ik ben niet van plan me de rest van mijn leven te blijven verstop­pen.’
    ‘Denk je dat wij dat leuk vinden? Jullie hebben ons nogal wat last bezorgd door naar de Vogezen te ontsnappen. Gewoonlijk neigen de Tanu ertoe om ons met rust te laten en wij, vrije men­sen, kunnen daardoor leven in verspreide woningen of in gehei­me dorpjes. Ikzelf leef in Verborgen Bron, dat ligt vlak bij het toekomstige Plombières-les-Bains. Maar Heer Velteyn van Finiah is woest over de moord op Epone. Jullie moeten goed begrijpen dat nog nooit eerder een Tanu is gedood door een mens zonder halsring. Velteyns Vliegende Jacht zal nu zelfs onze kleinste nederzetting uitkammen in de hoop Felice te vinden. Er zullen overal patrouilles zijn, tenminste totdat de Tanu in beslag worden genomen door de voorbereidingen voor de Grote Veld­slag. En wat we met jullie zullen doen, daar zullen we over pra­ten zodra Peo en zijn strijders terug zijn. Ik heb hun nadering al gemerkt.’
    Claude rolde een van de kralen van de rozenkrans in de richting van de kat. Het dier sloeg het met een pootje door naar Amerie en kromde daarna de rug alsof het tevreden was over zijn eigen slimheid. De non pakte de kat op en begon haar te strelen terwijl ze zich in haar draagband probeerde te nestelen. ‘Is er nieuws over de andere vluchtelingen? De mensen in de boten? Onze vriend Yosh? De zigeuners?’
    ‘Twee van de zigeuners hebben hun aanval op de bewakerspost overleefd. Ze worden hier naar toe gebracht. Over de Japanner hebben we niets vernomen. De Firvulag in het Noorden zijn wild en niet geneigd het bondgenootschap te respecteren dat hun Hoge Koning met ons heeft gesloten. Zijn kansen op overleving zijn niet erg groot. En wat de mensen in de boten betreft—de meesten zijn weer gevangen genomen door mariniers uit de for­ten rondom het meer. Ze zitten nu gevangen in Finiah. Maar zes vluchtelingen die de voet van de Jura hebben bereikt, zijn nu onder de hoede van vriendelijk gezinde Firvulag en zullen naar een schuilplaats hoog in de bergen worden gebracht waar al andere mensen leven zoals wij hier. Zeven anderen . ..’ Mada­me schudde haar hoofd, ‘... zijn gevangen genomen door les Criards, de kwaadaardige Firvulag die bekend staan als de Hui­lers.’
    ‘Wat gebeurt er met hen?’ vroeg Amerie.
    Madame haalde haar schouders op en de gouden halsring lichtte even op in de vlammen. ‘Deze buitenaardsen! Ah, ma soeur, het zijn allemaal barbaren, zelfs de besten onder hen. En de slechtsten! Hoe moet ik praten over hun misdaden? Firvulag en Tanu zijn leden van hetzelfde ras. En vérité moeten ze beschouwd wor­den als een dimorfisch ras met een heel speciaal genetisch patroon. Op hun thuisplaneet leidde dat tot een klassiek gewor­den strijd tussen de beide vormen, de een groot en psychisch latent, de ander klein van stuk en met beperkte werkzame ver­mogens. Je moet goed begrijpen dat deze buitenaardsen naar de Aarde zijn gekomen om vrijelijk hun barbaarse gewoonten te kunnen blijven volhouden, overblijfselen uit hun archaïsche cul­tuur, die door de geciviliseerde leden binnen hun galaktische beschaving terecht waren verboden. Sommige van hun gruwelij­ke spelen hebben een fysiek karakter, de Jacht, de Grote Veld­slag ... daar zul je later nog wel over horen. Maar andere zijn jeux d’esprit, spelen van de geest. De Tanu, met hun gevarieerde latente vermogens, zijn niet zo gek op dat subtiele steekspel. Dat is meer iets voor de ringloze Firvulag. Zij bezitten het vermogen om op afstand te kunnen voelen en daarnaast een zeer sterk ont­wikkelde creativiteit. Zij zijn de meesters van de illusie. Maar wat voor soort illusies! Ze zijn in staat mensen—en zelfs de zwakkeren onder de Tanu—gek te maken van angst. Gevoelige personen kunnen zelfs doodgaan door de veroorzaakte psychi­sche schok. De Firvulag, het Kleine Volk, kunnen elke vorm aan­nemen, monsters, duivels, wervelwinden, vuurstormen. Ze zor­gen dat hun beelden zich vastzetten in de geesten van hun tegen­standers en dwingen hen zo tot zelfmoord of verminking. Vooral dat laatste is een geliefkoosde bezigheid van de zogenaamde Huilers, die namelijk zelf misvormde mutanten zijn. De wapens van de Firvulag bestaan uit het materiaal van onze eigen nacht­merries en koortsdromen, de angsten en de fantomen die ons vanuit duistere schuilhoeken overvallen. Ze beleven een sadis­tisch genoegen aan verwoesting.’
    ‘Maar dat hebben ze met jou niet gedaan?’ zei Felice. ‘Ze heb­ben jou een gouden halsring gegeven. Waarom?’ ‘Omdat ze hopen mij te kunnen gebruiken, natuurlijk. Ik moet een werktuig worden, een wapen, c’est a dire, tegen hun erfvijan­den: de Tanu, hun eigen broeders.’ Amerie zei: ‘En nu hoop jij ons te kunnen gebruiken.’ De dunne lippen van Madame vertoonden een kleine glimlach. ‘Dat ligt voor de hand, of niet, ma soeur ? En jij weet niet hoe arm we zijn, wat we allemaal al hebben doorstaan. De Tanu noemen ons de Minderen ... en wij hebben die naam trots geadopteerd. Door de jaren heen is het ons gelukt aan gevangenschap te blij­ven ontkomen omdat het hun nauwelijks waard leek ons te ach­tervolgen. De meesten van ons bezitten geen speciale talenten die we tegen de buitenaardsen kunnen gebruiken. Maar jullie in jullie Groep zijn anders. De Tanu zullen op jullie wraak willen nemen, maar wij zien jullie als onschatbare bondgenoten. Je moet je bij ons aansluiten! Felice, die zonder halsring dieren kan beïnvloeden en zelfs bepaalde mensen. Ze is lichamelijk sterk en een geoefende tactica in sport. En jij Amerie, je bent arts en priesteres. Mijn volk heeft het jarenlang zonder dat moeten stel­len. Richard is een navigator, voormalig gezagvoerder van sterreschepen. Voor hem kan een sleutelpositie zijn weggelegd bij de bevrijding van het mensdom ...’
    ‘Wacht even, verdomme,’ bulderde de piraat, zwaaiend met zijn soeplepel.
    Claude mikte schilfers hout in het vuur. ‘Vergeet mij niet. Als oude fossielenjager kan ik je precies vertellen wat voor Plioceen beest aan je botten zal knagen wanneer de Tanu en de Firvulag met jullie klaar zijn.’
    ‘Altijd snel een grap bij de hand, monsieur le professeur,’ zei Madame uitdagend. ‘Misschien wil de oude fossielenjager ons zijn leeftijd vertellen?’ ‘Honderddrieëndertig.’
    ‘Dan ben je twee jaar ouder dan ik,’ antwoordde ze vinnig, ‘en dan verwacht ik van je dat je op grond van jouw levenservaring ons goed zult adviseren. Wanneer ik je mijn grote plan voor de bevrijding van de mensheid voorleg, geef ons dan je onschatbare raad en corrigeer elke jeugdige onbezonnenheid van mijn kant die je vinden kunt.’
    ‘Die zit, Claude,’ zei Richard snuivend. ‘Wat ik zeggen wou, dit vat vol slootwater is zo klaar als het maar zijn kan.’ ‘Dan gaan we eten,’ zei Madame. ‘Peo en de andere strijders zullen er spoedig aankomen.’ Ze verhief haar stem. ‘Mes enfants! Het is etenstijd!’
    Langzamerhand kwamen al de mensen bij de andere vuren van­daan, borden en bekers meenemend. De groep bestond uit onge­veer tweehonderd mensen, veel meer mannen dan vrouwen en een handvol kinderen die even rustig en waakzaam waren als de volwassenen. De meesten droegen herteleer of kleding van zelf-gesponnen wol. Er waren geen opvallend fysieke persoonlijkhe­den bij en niemand ging gekleed op de excentrieke manier van sommige tijdreizigers die ze zich uit Finiah herinnerde. Ze zagen er niet verslagen of wanhopig of fanatiek uit. Ondanks het feit dat ze net voor hun leven waren gevlucht na het mentale alarm van Madame Guderian, leken ze niet bang te zijn. Ze groetten de oudere vrouw ernstig of opgewekt en velen van hen gunden zich de tijd voor een grap tegen Richard en de andere koks die met het haastig toebereide maal bezig waren geweest. Er was maar één woord waarmee deze gevluchte guerrilla’s kon­den worden omschreven: doodgewoon.
    Amerie ging hun gezichten langs, zich afvragend wat dit handje­vol mensen ertoe had gebracht de buitenaardsen te weerstaan. Dit waren bannelingen voor wie de droom werkelijkheid was geworden. Zou het mogelijk zijn dat dit kleine groepje mensen groeide en te zijner tijd zelfs overwon?
    ‘Beste vrienden,’ zei Madame, ‘we hebben nieuwkomers onder ons die jullie allemaal al hebben gezien, maar nog niet echt ont­moet. Zij zijn de oorzaak dat we hier bij elkaar zijn. Maar we mogen ook hopen dat we met hun hulp ons doel veel eerder zul­len bereiken.’ Ze pauzeerde even en keek het gezelschap rond. Er klonk geen geluid behalve het sissen en knappen van hout in het vuur. ‘Terwijl we eten wil ik deze nieuwkomers vragen ons te vertellen hoe ze van de gevangenis in kasteel Doortocht naar deze vrije plaats zijn gekomen.’ Zich tot de overblijvenden van Groep Groen wendend vroeg ze: ‘Wie zal namens jullie spre­ken?’
    ‘Wie anders?’ vroeg Richard, met zijn lepel naar Claude wij­zend.
    De oude man kwam overeind. Hij sprak bijna een kwartier zon­der onderbreking totdat zijn verhaal bij het punt kwam waar Felice haar aanval op Epone begon. Toen klonk er een luid gesis. Ameries kleine kat sprong uit haar armen en zette een hoge rug op, starend naar de ingang van de Boom als een kleine poema die zich bedreigd voelde. ‘Het is Peo,’ zei Madame.
    Tien mensen, allemaal zwaar bewapend met bogen en messen kwamen stampend en druipnat de schuilplaats binnen. Ze wer­den aangevoerd door een reus van middelbare leeftijd die bijna zo groot was als Stein en die armbanden van schelpen en leren kleding met franjes droeg als een Indiaan. Claude wachtte met zijn verhaal tot ze alle tien eten hadden gekregen en een plaats bij het grote vuur. Toen vatte hij zijn verhaal nog eens samen en vertelde het helemaal. Daarna ging hij zitten. Madame schonk hem een beker hete wijn.
    Niemand sprak totdat de grijsharige Indiaan het woord nam. ‘En het was ijzer... ijzer waardoor Vrouwe Epone gedood werd?’
    ‘Niks anders,’ verklaarde Richard. ‘Ze was al helemaal in stuk­ken gescheurd en ik had haar een paar maal goed te grazen genomen met een bronzen zwaard, maar ze kon me nog steeds vastnagelen met haar geest. Totdat ik op het idee kwam die klei­ne dolk van Felice te proberen.’
    De rode man wendde zich naar het meisje en beval: ‘Geef hem aan mij.’
    En wie voor de duivel denk je wel dat je bent?’ vroeg ze koel. Hij bulderde van het lachen en het geluid ervan weerklonk door de holle stam van de Boom als in een lege kathedraal. ‘Ik ben Peopeo Moxmox Burke, het laatste opperhoofd van de Wallawallastam en destijds rechter van het Hooggerechtshof in de staat Washington. Ik ben tegelijk de leider van deze troep pas-kudnyaks, hun wapenmeester en opperste bevelhebber. Zou ik nu alsjeblieft je dolk mogen zien?’
    Hij lachte tegen Felice en stak een grote hand uit. Ze smakte de goudkleurige schede er pletsend in. Burke trok het bladvormige lemmet eruit en hield het hoog in het licht van het vuur. ‘Roestvrij staal met een zelfslijpende snede,’ zei het meisje. ‘Doodgewoon op Acadië, heel geschikt om mee in je tanden te peuteren, brood te snijden, vee te selecteren dat in de kudde een transmitter draagt en om de lampjes uit te blazen van mogelijke aanvallers.’
    ‘Het ziet er doodgewoon uit, afgezien van het goud op het heft,’ zei Burke.
    ‘Amerie heeft er een theorie over,’ zei Claude, ‘vertel het hem maar.’
    Burke luisterde aandachtig terwijl de non haar hypothese ont­vouwde over het mogelijk dodelijke effect van ijzer op halsringen dragende buitenaardsen. Toen zei hij: ‘Het zou kunnen. Het ijzer zou de levenskracht verstoren alsof het vergif was.’ ‘Ik vraag me af...’ begon Felice, onschuldig starend naar Madame.
    De oude vrouw ging naar Burke en nam de dolk van hem over. Terwijl de verzamelde menigte de adem inhield, stak ze zachtjes toe in haar eigen keel, net beneden de gouden halsring. Er kwam een druppel donker bloed te voorschijn. Daarna gaf ze de dolk aan Burke terug.
    ‘Het lijkt erop,’ zei Felice vriendelijk, ‘dat Madame van solider materiaal is gemaakt dan de Tanu.’ ‘Sans doute,’ was het droge antwoord van de oude vrouw. Burke dacht nog na, over het kleine mes gebogen. ‘Het is niet te geloven dat we nooit ijzer tegen hen hebben uitgeprobeerd. Maar vitredur en brons was zo makkelijk te krijgen. En we heb­ben nooit een reden kunnen bedenken waarom alles van ijzer en staal op kasteel Doortocht in beslag werd genomen . .. Khalid Khan!’
    Iemand uit de menigte, een tengere man met vurige ogen, een rafelige baard en een smetteloos witte tulband, kwam overeind. ‘Ik kan ijzer evengoed ruiken als koper, Peo. Je moet alleen voor het erts zorgen. Het religieuze verbod van de Tanu op het gebruik van ijzer onder hun menselijke onderdanen heeft ons uit geestelijke luiheid gewoon doen doorgaan met koper en brons.’ ‘Wie weet waar we ijzer zouden kunnen vinden?’ vroeg Madame aan het gezelschap. Het bleef stil totdat Claude het woord nam.
    ‘Misschien kan ik helpen. Wij oude fossielenjagers weten meest­al ook wel iets van geologie. Zo’n honderd kilometer ten noord­westen van hier, bij de rivier de Moezel, moet een bruikbare vindplaats liggen. Daar haalde de primitieve mens al ijzer van­daan. Ergens in de buurt van het toekomstige Nancy.’ Khalid Khan zei: ‘We zouden het smeden hierboven moeten doen. Pijlpunten zijn het beste om mee te beginnen. En speer­punten. Misschien een paar kleine zwaarden of messen.’ ‘Er is nog iets dat je zou kunnen proberen,’ zei Amerie, ‘zodra je een sterke ijzeren vijl hebt.’ ‘En wat is dat, Zuster?’ vroeg de getulbande smid. ‘Probeer er de grijze halsringen mee af te krijgen.’ ‘Wel verdomd!’ riep Peopeo Moxmox Burke uit. ‘Ijzer zou de verbinding tussen de ring en de hersens wel eens kunnen kortsluiten,’ ging de non verder. ‘We moeten toch ook een manier zien te vinden om die mensen te bevrijden!’ Een van Burkes strijders, een potige knaap die een meerschui­men pijp rookte, zei: ‘Dat moet zeker. Maar wat doen we met hen die niet bevrijd willen worden? Misschien weet u dat nog niet, Zuster, maar er zijn nogal wat mensen die heel tevreden zijn in hun smerige symbiose met die buitenaardsen. Vooral de soldaten. Ik vraag me wel eens af hoevelen van hen sadistische mislukkingen zijn die genieten van de rol die ze door de Tanu krijgen toebedeeld?’
    Madame Guderian zei: ‘Het is waar wat Uwe Guldenzopf ver­telt. Zelfs onder degenen van goede wil, zelfs onder hen die geen ring dragen, zijn er heel wat die de slavernij op prijs stellen. Om der wille van hen kan boete doen voor mijn schuld nooit een eenvoudige zaak zijn.’
    ‘Begin niet weer opnieuw, Madame,’ zei Burke ferm. ‘Uw plan, zoals het eruitziet, is prima. En met de toevoeging van ijzeren wapens zou het heel wat sneller kunnen gaan. Tegen de tijd dat we het Scheepsgraf hebben gevonden, zullen we voldoende bewapend zijn om een redelijke kans op succes te hebben.’ ‘Ik ga niet weken of maanden zitten wachten tot jullie je plan hebben uitgebroed,’ zei Felice. ‘Als mijn dolk werkelijk één Tanu heeft gedood, dan kan hij er meerderen doden.’ Ze stak haar hand naar Burke uit. ‘Geef hem terug.’ ‘Ze zouden je te pakken krijgen, Felice,’ zei de Indiaan. ‘Ze ver­wachten je. Denk je dat alle Tanu zo zwak zijn als Epone? Zij was een klein visje, redelijk krachtig in haar overredende vermo­gens, maar als bewerkster stelde ze niet veel voor, anders zou ze jou in het kasteel al lang door hebben gehad, ook zonder haar machine. De leiders onder de Tanu kunnen mensen als jij ont­dekken op dezelfde manier als ze de Firvulag ontdekken. Daar­om zul je uit de buurt moeten blijven totdat je zelf een gouden halsring hebt gekregen.’
    Felice ontplofte. ‘En wanneer is dat dan wel, verdomme?’ ‘Totdat het ons lukt er een voor je te pakken te krijgen. Of wan­neer de Firvulag je er een wensen te schenken.’ Het meisje antwoordde met een reeks verwensingen. Claude ging naar haar toe, pakte haar bij de schouders en dwong haar te gaan zitten op het zachte houtstof op de vloer. ‘Nu is het genoeg geweest.’ Hij wendde zich tot Madame Guderian en Burke en zei: ‘Jullie hebben het beiden over een plan gehad waarvan jullie schijnen te verwachten dat wij eraan meedoen. Laten we het daarover hebben.’
    Madame zuchtte diep. ‘Heel goed. Eerst moeten jullie weten tegen wie we het gaan opnemen. De Tanu lijken onkwetsbaar en onsterfelijk, maar dat zijn ze niet. Ze kunnen gedood worden door hersenstormen die de Firvulag veroorzaken, de zwakkeren tenminste en zelfs een mentaal krachtige Tanu kan overweldigd worden wanneer veel Firvulag tegelijk hun beelden projecteren of wanneer een van hun grote helden, zoals Pallol of Sharn-Mes, verkiest mee te vechten.’
    ‘En wat is dat voor verhaal over stormen van slechte vibraties?’ vroeg Richard haar. ‘Kun jij zoiets doen?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Mijn latente vermogens omvatten een beperkte vorm van vérvoelen, mijn overredingskracht is minder sterk en ik kan enkele illusies te voorschijn roepen. Ik kan gewo­ne mensen dwingen, en grijze-ringdragers wanneer ze niet recht­streeks onder de hoede van een Tanu staan. Ik kan geen buitenaardsen dwingen en evenmin de mensen die goud of zilver dra­gen, behalve door middel van suggesties aan hun onderbewuste en de uitkomst daarvan is nooit zeker. Mijn voelen op afstand stelt me in staat om hen op de zogenaamde spreek- of bevelsband van de mentale spraak af te luisteren. Ik kan alle halsringdragers horen wanneer ze met elkaar communiceren binnen een redelij­ke afstand, maar ik kan de nauwkeuriger afgestemde communi­caties tussen twee personen niet afluisteren. Bij zeldzame gele­genheden heb ik boodschappen gehoord die van veel verder weg leken te komen.’
    ‘En kun je dan terugspreken?’ vroeg Claude opgewonden. ‘Waarom zou ik dat doen?’ informeerde de oude vrouw. ‘We zijn omringd door vijanden!’ ‘Elizabeth!’ riep Amerie uit.
    Claude legde het uit. ‘Iemand uit ons oorspronkelijke gezel­schap. Een volledige meta. Ze werd meegenomen naar de hoofd­stad in het zuiden.’ Hij vertelde wat hij zich over Elizabeths vroegere leven kon herinneren en hoe ze haar vermogens had herwonnen.
    Madame fronste haar wenkbrauwen nadenkend. ‘Dus haar heb ik gehoord! Maar ik wist dit niet. Ik dacht dat het een truc van de Tanu was en dus trok ik me direct terug.’ ‘Zou je contact met haar kunnen zoeken?’ vroeg Claude. ‘De Tanu zouden me horen,’ antwoordde de oude vrouw terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Ik projecteer maar zelden, alleen om onze mensen te waarschuwen. Zelden om contact te zoeken met onze Firvulag-bondgenoten. En ik bezit de kennis niet om de smalle draaggolf te gebruiken die alleen kan worden beluisterd door degene voor wie de boodschap bestemd is.’ Felice onderbrak haar ruw. ‘Het plan! Laten we daarmee door­gaan.’
    Madame perste haar lippen opeen en tilde haar kin op. ‘Goed dan. Laten we het eerst hebben over de kwetsbaarheden van de Tanu. Ze doden elkaar door elkaar tijdens hun rituele veldslagen het hoofd af te slaan. In theorie zou een mens dat bij hen ook kunnen doen als hij dicht genoeg in de buurt kon komen. Maar de Tanu met een wils- of een herstellersfunctie zullen zich men­taal verdedigen, terwijl degenen met scheppende of psychokinetische vermogens in staat zijn tot een lichamelijke aanval. Bij hen blijven de zwakkeren steeds binnen de psychische sfeer van de sterksten of anders hebben ze persoonlijke bewakers met grij­ze of zilveren halsringen. Er zijn nog twee andere manieren waarop een Tanu kan sterven, beide komen uiterst zelden voor. De Firvulag hebben me eens verteld over een zeer jonge Tanu die stierf door verbranding. Hij raakte in paniek toen brandende lampolie over hem heen viel, en terwijl hij vluchtte, stortte hij van een hoge muur. Zijn menselijke bewakers bereikten hem pas nadat hij volledig was verbrand. Hadden ze hem kunnen redden voor het vuur zijn hersens bereikte, dan had hij op de gebruike­lijke manier van de Tanu kunnen genezen.’ ‘Én dat is?’ vroeg Amerie.
    Commandant Burke antwoordde: ‘Ze bezitten een psychoactie­ve substantie die zij Huid noemen. Het ziet eruit als een dun plastisch membraan. Tanu-genezers met psychokinetische ver­mogens, die tevens hersteller zijn, zien kans om dit materiaal op een of andere metapsychische manier te verwerken. De patiënt wordt erin verpakt, daarna gaan ze mentaal aan het werk. Ze krijgen resultaten die vergelijkbaar zijn met onze regeneratietanktherapie in het Bestel, maar zonder enig gebruik van machi­nes. Huid werkt ook bij mensen, maar je hebt er niets aan zonder de hulp van een Tanu-genezer.’ ‘Gebruiken de Firvulag het?’ vroeg de non. Burke schudde zijn massieve hoofd. ‘Enkel ouderwetse eerste hulp in de frontlijn. Maar het zijn taaie, kleine duivels.’ Felice lachte. ‘Dat zijn wij ook.’
    ‘De laatste manier waarop de buitenaardsen kunnen sterven,’ hervatte Madame haar betoog, ‘is door verdrinking. De Firvulag zijn uitstekende zwemmers. De meeste Tanu daarentegen zijn veel gevoeliger voor de gevolgen van een onderdompeling dan wij mensen. Toch komt de dood door verdrinking zelden onder hen voor en de slachtoffers vallen voornamelijk onder de roekeloze sportfanaten uit Goriah en Bretagne die de gewoonte hebben hun Jacht ook op zee te bedrijven. Die worden soms opgegeten of in de diepten gesleurd door woeste zeemonsters waarop ze jagen.’
    Felice gromde. ‘We zullen wel niet veel kans hebben om de kop­pen van die bastaards onder water te duwen. Dus hoe ziet jullie plan er echt uit?’
    ‘Het plan is ingewikkeld en bestaat uit verschillende fasen. We hebben er de medewerking van de Firvulag bij nodig met wie we een wankel bondgenootschap onderhouden. In het kort gezegd, we hopen de stad Finiah aan te vallen en te overrompelen met behulp van het Kleine Volk, de Firvulag, die in staat zouden zijn grote verwoestingen aan te richten wanneer ze eenmaal binnen de stadsmuren zijn. Finiah is een strategisch doelwit van de eer­ste orde en het ligt geïsoleerd van andere bevolkingscentra. Bin­nen haar invloedssfeer en goed beschermd ligt daar de enige bariummijn in Ballingschap. Dat element wordt met heel veel moeite door de rama’s gedolven uit delfstof die maar heel weinig barium bevat. En die stof is van vitaal belang voor de vervaardi­ging van de halsringen. Alle soorten. Wanneer we de aanvoer van barium kunnen afsnijden, zou de hele sociale economie van de Tanu overhoop worden gegooid.’
    ‘Dat klinkt nogal als een ramp op lange termijn,’ merkte Richard op. ‘Je zou toch denken dat ze een lief voorraadje van dat spul veilig weg hebben geborgen?’
    ‘Ik heb al gezegd dat het ingewikkeld is,’ zei Madame een beetje geïrriteerd. ‘We zullen ook een manier moeten vinden om de voortdurende stroom van tijdreizigers te stoppen. Zoals jullie begrijpen is het juist onze komst naar het Plioceen die de Tanu in staat stelt dit tijdperk te overheersen. In de tijd voordat ik me ermee ging bemoeien, bestond er een redelijk machtsevenwicht tussen Tanu en Firvulag. Door onze komst werd dat verstoord.’ ‘Ik begrijp het,’ zei Richard, de oude intrigant. ‘De Firvulag zijn bereid om jou en je troepje te helpen in de hoop dat de goede dagen van weleer terugkeren. Maar waarom zouden die kleine spoken zich niet tegen ons keren zodra zij wat dat betreft hun zin hebben gekregen?’
    ‘Dat is een aspect waar we nog over na moeten denken,’ zei Madame op lage toon. Richard bromde honend.
    ‘Er is nog meer,’ zei Peopeo Moxmox Burke. ‘En loop het niet ondersteboven voor je het hele plan hebt gehoord. Helemaal in het zuiden, bij de hoofdstad ...’ De kleine kat gromde.
    Iedereen keek naar de spleet die de toegang vormde. Daar stond een kleine, breedgeschouderde figuur in een druipende modderi­ge mantel. Zijn hoed met de hoge bol, zwaar geworden van het vele water, hing wankel op één oor. Hij grijnsde naar iedereen door een masker van modder waarin alleen de ogen en de tanden heldere puntjes waren.
    ‘Pegleg!’ riep Burke uit. ‘In godsnaam, Bubie, wat heb jij uitge­voerd?’
    ‘Ik moest de modder in. Beerhonden achter me aan.’ Terwijl hij stommelend naar het vuur kwam, fluisterde Mada­me: ‘Geen woord over het ijzer.’
    De nieuwaangekomene was nog geen anderhalve meter lang, had een brede borstkas, een lange neus en rozig gekleurde wan­gen die te voorschijn kwamen toen de modder eenmaal was ver­wijderd. Hij miste één been onder de knie, maar liep behendig genoeg rond met een simpele houten prothese. Hij zocht een plek bij het vuur en toen hij dat gedaan had, veegde hij zijn houten been schoon met een vochtige lap waardoor houtsnijwerk te voorschijn kwam van slangen en wezels en andere dieren die zich rondom het been kronkelden en waarvan de ogen met edelstenen waren ingezet.
    ‘Wat is er voor nieuws?’ vroeg Burke.
    ‘Oh, ze zijn daarbuiten druk aan het zoeken, dat is zeker,’ ant­woordde Pegleg. Iemand gaf voedsel en drank door waar de klei­ne man met flinke eetlust op aanviel terwijl hij met volle mond doorpraatte. ‘Een paar van de jongens hebben een grote pa­trouille op de vlucht gedreven die van de Uirivier kwam. We hebben er een goed half dozijn van te pakken gekregen en de rest ging ervandoor met de staart tussen hun benen, huilend om Pap­pa Velteyn. Niets te zien van de Hoogverheven Luldrager zelf. Té zij gedankt. Wil waarschijnlijk zijn prachtige glazen uitrus­ting niet nat maken met dit weer. Ik kreeg het moeilijk toen een paar beerhonden van de patrouille die we hadden afgemaakt, onverwachts op mijn spoor kwam. Die stiekeme strontlijsters hadden me te grazen kunnen nemen, maar ik was in de buurt van een mooi stinkend stuk moeras en daar ben ik ingekropen tot ze het wachten moe waren.’
    De kleine man hield de non zijn beker voor om die nog eens met wijn te vullen. De kat van Amerie was niet naar haar teruggeko­men, hoewel ze geprobeerd had haar met haar vingers te lokken, iets waardoor ze meestal wel kwam aangerend. Twee onheilspel­lend gloeiende ogen hielden Pegleg in de gaten vanaf een donke­re hoop bagage ver van het centrale vuur. En de kat bleef hoog en sidderend grauwen.
    ‘We moeten onze nieuwe metgezellen aan je voorstellen,’ zei Madame beleefd. ‘Je hebt hen natuurlijk al gezien. De eerwaar­de zuster Amerie, professor Claude, kapitein Richard... en Felice.’
    ‘Moge de Zachtmoedige Godin glimlachend op je neerzien,’ zei de kleine man. ‘Ik ben Fitharn. Maar noem me gerust Pegleg.’ Richards ogen puilden uit. ‘Christus! Je bent een Firvulag?’ De eenbenige man lachte en kwam overeind. Opzij van het vuur stond ineens een grote, diepzwarte verschijning met zwiepende tentakels in plaats van armen, rode spleetogen en een mond vol scherpe haaietanden waar het speeksel vanaf droop. De kleine kat van Amerie liet een snauwende krijs horen. Het monster verdween en Pegleg hernam zijn plaats bij het vuur, nonchalant van zijn wijn drinkend. ‘Indrukwekkend,’ zei Felice. ‘Kun je nog meer?’ De ogen van de Firvulag twinkelden. ‘We hebben geliefkoosde nummers, kleintje. Deze bedrieglijkheden voor het oog zijn het makkelijkst, begrijp je?’
    ‘Ik begrijp het,’ zei Felice. ‘En omdat je moest vluchten voor de beerhonden, maak ik daaruit op dat zij niet gevoelig zijn voor dit soort krachten.’
    De buitenaardse man zuchtte. ‘Het zijn perverse schepsels. Ook de hyena-achtigen moeten we in de gaten houden, maar die kun­nen tenminste door de Aartsvijand getemd worden.’ ‘Ik kan de beerhonden beheersen,’ zei Felice verleidelijk. ‘Als ik een gouden halsring bezat, kon ik jullie helpen deze oorlog te winnen. Waarom zouden jullie mij niet geven wat Madame Guderian al gekregen heeft?’
    ‘Verdien het,’ zei de Firvulag, terwijl hij zijn lippen likte. Felice balde haar vuisten en dwong zich tot een glimlach. ‘Je bent bang. Maar ik zou mijn metafuncties niet tegen iemand van jullie gebruiken. Dat zweer ik!’ ‘Bewijs het maar.’
    ‘Verdomd, jij!’ Ze wilde naar de kleine man toe, haar poppegezicht vertrokken van woede. ‘Hoe? Hoe?’ Madame kwam ertussen. ‘Felice. Gedraag je. Ga zitten.’ Fitharn strekte zijn houten been uit en gromde. ‘Meer hout voor het vuur! Ik ben koud tot op het bot en mijn verdwenen been kwelt me met fantoompijnen.’
    Amerie zei: ‘Ik heb er medicijnen voor, als je zeker weet dat jullie plasma bijna menselijk is.’
    Hij schonk haar een brede grijns en knikte terwijl hij de stomp uitstak. Nog terwijl ze de minidosis injecteerde, riep hij uit: ‘Ah, dat is beter, veel beter! Té’s zegen als je dit soort dingen kunt doen, Zuster.’ ‘God of godin, het zijn allemaal aspecten van de Ene. Onze ras­sen staan dichter bij elkaar dan jij denkt, Fitharn van de Firvulag.’
    ‘Misschien.’ De kleine man staarde gemelijk in zijn wijnbeker. ‘Voor je kwam, Fitharn,’ zei Madame, ‘was ik bezig nieuwko­mers mijn plan uit te leggen. Misschien wil jij zo goed zijn me daarbij te helpen. Vertel hun, als je wilt, de geschiedenis van het Scheepsgraf.’
    Zijn beker werd nog een keer bijgevuld. ‘Goed dan. Kom dich­terbij en luister. Dit is het verhaal van Breede, zoals ik het heb horen vertellen door mijn grootvader die zo’n vijfhonderd jaar geleden naar Té’s duistere buik is gegaan, wachtend op de grote wedergeboorte wanneer Té en Tana geen zusters meer zijn, maar Eén, wanneer de Firvulag en de Tanu elkaar niet langer bevechten en een vrede tot stand komt die altijd zal blij­ven.
    Hij zat lange tijd stil, de beker aan zijn lippen, de ogen gesloten tegen de sterke prikkelingen van de rijk gekruide wijn. Maar ten slotte zette hij de beker naast zich neer en vertelde de geschiede­nis op een vreemde, melodieuze zingzang: ‘Toen het Schip van Breede, dank zij Té’s lankmoedigheid, ons hierheen bracht, stierf het zelf opdat wij zouden leven, zoveel inspanning had het gevraagd van hart en kracht en geest. Toen we het Schip verlieten, spreidden de vliegers hun vleugels en iedereen zong de Zang, vriend en vijand te zamen. We trokken wenend naar de plaats waar het Graf zou komen en we zagen het Schip brandend uit het oosten komen. We zagen het komen door de hoge en de lage hemelen. Het huilde in doodsstrijd. Zoals het rijzen van de zon de duisternis verjaagt, zo veranderden de vlam­men van ons Schip de dag en deden het licht van de zon verble­ken.
    Terwijl het Schip verder raasde, werd de lucht verslonden. Wou­den en bergen vielen om en de donder rekte zich rondom de wereld. De wateren stoomden in de brakke, oostelijke zeeën. Niets dat leefde kon dit pad van dood naar het westen weerstaan, maar we wachtten rouwend tot het einde kwam. Het Schip schreeuwde luid, barstte, schonk zijn ziel weg. De val deed de planeet kreunen. De lucht, de wateren, de planeetkorst en het Schip hadden zich vermengd tot een gloeiende wonde vol jam­mer en verwoesting. Maar wij bleven en we zongen tot de regens en de tranen van Breede het vuur doofden en toen vlogen we weg.
    Pallol, Medor, Sharn en Yeochee, Kuhsarn de Wijze en Vrouwe Klahnino, de Thagdal, Boanda, Mayvar en Dionket, Lugonn de Glanzende en Leyr de Held, de besten van de Tanu en de Firvu­lag gingen op weg bij ondergaande zon om een plek te vinden waar ze wilden blijven zolang de Wapenstilstand duurde en nie­mand het gevecht zocht. De Tanu kozen voor Finiah aan de oever van de rivier; maar wij, heel wat wijzer, namen Hoog Vrazel in de mist omgeven bergen. En toen dat was gedaan, bleef één taak over, het Graf te wijden.
    In een laatste vlucht stegen alle vliegers op. We bereden hen tot aan die plaats en stegen uit, allen staande op een rand van aarde boven een schaal gevuld met vloeibare hemel, zo groot dat het einde niet te zien was. Daaromheen lag het land geblakerd en zwijgzaam. We keken naar een Groot Godsgericht, de eerste op deze wereld met Sharn die streed voor de Firvulag en voor de Tanu de glanzende Lugonn. Met Zwaard en Speer kampten zij tot hun rusting fonkelde en vogels van de hemel vielen en roeke­loze toeschouwers hun gezichtsvermogen verloren. Zij streden een maand vol lange uren en nog langer dan dat, tot degenen die toekeken het samen uitschreeuwden, getransformeerd door de glorie waarmee het Schip werd geëerd en geheiligd in zijn dood.
    Ten slotte kon dappere Sharn niet meer verdragen. Hij viel, Zwaard in de hand, vastberaden tot het eind. De overwinning was voor Lugonn de Glanzende en sindsdien bevindt het Zwaard zich in de diefachtige klauwen van de vuilbekkende Nodonn. Maar toen deed het dauw opspatten dat zich vermengde met onze tranen. Zo werden de offers gekozen van Man en Mes voor de heiliging van het Graf. Wij marcheerden weg, de stemmen van onze geest nog eenmaal verbonden in de Zang ter ere van het Schip en van hem die daarin was geofferd om het te besturen opdat zij de reis naar het helende duister zouden vinden. Daar, rustend in de schoot der Godin, wachten zij de komst van het licht...’
    De Firvulag hief zijn beker en leegde hem. Hij strekte zijn armen uit en de pezen kraakten terwijl hij met een ondoorgron­delijke blik naar Felice keek.
    Madame Guderian zei: ‘In dit oude verhaal zitten stukjes infor­matie die de moeite van een onderzoek waard zijn. Jullie zullen hebben opgemerkt dat er verwezen wordt naar vliegers. Dit zijn duidelijk machines van niet al te eenvoudige aard omdat ze blijk­baar in staat waren het ten ondergang gedoemde Schip te verla­ten voordat dit de atmosfeer van de Aarde bereikte. Gezien de geavanceerde technologie die gesuggereerd wordt door het feit dat de passagiers nauw verbonden waren met het intergalaktische scheepsorganisme, mogen we veronderstellen dat de kleine­re schepen geen eenvoudige reactiemotoren hebben bezeten, maar waarschijnlijk een krachtbron hadden die op zwaarte­kracht en magnetische velden berustte, dat wil zeggen vergelijk­baar met onze eigen toestellen en lichtschepen. En wanneer dat zo is ...
    Richard onderbrak, zijn ogen groot. ‘Dan zijn ze waarschijnlijk nog steeds bruikbaar! En Pegleg zei dat zijn volk van het Graf weg marcheerde, dus moeten ze de toestellen daar hebben ach­tergelaten!’
    ‘Waar zijn ze dan?’ schreeuwde Felice. ‘Waar is dat Scheepsgraf?’
    De kleine Firvulag zei: ‘Wanneer iemand onder ons sterft, wor­den de resten door familie of vrienden naar een geheime plaats gebracht die door geen van de rouwenden eerder is gezien. Na de begrafenisceremonie wordt het graf ook nooit meer bezocht. De ligging ervan wordt uit de geest gewist om te voorkomen dat de plaats wordt geschonden door aartsvijanden of door oneerbiedigen die de grafgeschenken zouden kunnen stelen.’ ‘Rare gewoonten,’ zei Richard.
    Felice jammerde bijna. ‘Dus jullie weten niet waar het Scheepsgraf zich bevindt?’
    ‘Het is duizend jaar geleden,’ antwoordde de kleine man. Richard smeet zijn pollepel kletterend tegen de wand van de ketel. ‘Maar verdomme, dat moet nogal geen gat van een krater zijn! Wat zei hij ook weer .. . ? Een schaal met vloeibare hemel, zo wijd dat het einde niet te zien was? En het ligt oostelijk van Finiah.’
    ‘We hebben gezocht,’ zei Madame. ‘Sinds ik er driejaar geleden voor het eerst van hoorde en ons plan gestalte kreeg, hebben we het Scheepsgraf gezocht zo goed als we konden. Maar de bodem­gesteldheid veroorzaakt problemen, Richard! Achter de Rijn in het oosten ligt het Zwarte Woud. In onze dagen een laag geberg­te, eigenlijk een romantisch parklandschap vol toeristen en makers van koekoeksklokken. Maar nu zijn die bergen van het Schwarzwald jonger en hoger. Delen ervan komen boven de vijf­entwintighonderd meter uit, ze zijn gevaarlijk om over te steken en bovendien huizen daar beruchte benden van Criards, de Hui­lers.’
    ‘En weet je wie dat zijn?’ vroeg de Firvulag, grijnzend naar Richard. ‘Dat zijn lui als ik die niets moeten hebben van mensen als jij! Opgewonden broekies die zich door Koning Yeochee of wie dan ook niet laten vertellen wie hun vijanden zijn.’ Madame zei: ‘We hebben in de afgelopen jaren riskant onder­zoek uitgevoerd in het middendeel van het Zwarte Woud, noor­delijk van Finiah. Zelfs met de hulp van welgezinde Firvulag zoals onze goede vriend Fitharn hier, is die onderneming tot nu toe desastreus geweest. Tien van onze mensen zijn er gedood, drie zijn er gek geworden. Vijf anderen zijn verdwenen zonder een spoor achter te laten.’
    ‘En wij hebben een paar van de onzen aan de Jacht verloren,’ voegde Pegleg eraan toe. ‘Gids spelen voor mensen is geen gezonde bezigheid.’
    Madame ging verder. ‘Veertig of vijftig kilometer ten oosten van het Zwarte Woud liggen de Zwabische Alpen, eigenlijk een deel van de Jura. Er wordt van gezegd dat het er vol zit met grotten die worden bewoond door monsterachtige hyena’s. Zelfs de kwaadaardige Firvulag laten dat gebied met rust, hoewel er ver­teld wordt dat een handvol bizarre mutanten daar een schamel bestaan vindt in enigszins beschermd gelegen valleien. In dat ongastvrije terrein moet het Scheepsgraf waarschijnlijk gezocht worden en daar zijn dus ook bruikbare vliegtuigen en wie weet wat nog meer aan buitenaardse kostbaarheden.’ ‘Zouden er wapens in die toestellen zijn?’ vroeg Felice. ‘Maar één,’ zei Fitharn de Firvulag, terwijl hij in het vuur staar­de. ‘De Speer. Maar dat zou meer dan genoeg zijn als je die te pakken kreeg.’
    Fronsend zei Richard: ‘Maar ik dacht dat de Speer eigendom was van iemand die Lugonn werd genoemd ... en dat was de winnaar van het gevecht!’
    ‘De winnaar verdient het voorrecht zichzelf te offeren,’ legde Madame uit. ‘Lugonn, de Glanzende Held van de Tanu schoof het vizier van zijn glazen helm omhoog en liet zich door zijn eigen Speer de ogen doorboren. Zijn lichaam bleef in de krater achter, samen met het wapen.’
    ‘En wat zouden wij voor de donder met die Speer kunnen begin­nen?’ vroeg Richard.
    Zachtjes zei Fitharn: ‘Het is niet het soort wapen waar jij aan denkt. Net zomin als het Zwaard van onze overleden held Sharn de Verschrikkelijke—dat veertig jaar lang in de diefachtige klauwen van die smerige Nodonn in Goriah is geweest—ook maar iets op een gewoon zwaard lijkt.’
    ‘Het zijn beide fotonenwapens,’ zei Madame. ‘De enige twee die de buitenaardsen uit hun thuiswereld hebben meegebracht. Ze mochten enkel door de werkelijk grote helden worden gebruikt om het Schip te verdedigen wanneer het werd achtervolgd en later alleen in de meest verheven rituele gevechten.’ ‘Tegenwoordig,’ zei Commandant Burke, ‘is het Zwaard alleen nog maar de begeerde trofee van de Grote Veldslag. Nodonn heeft het zo lang bezeten omdat de Tanu die jaarlijkse strijd nu al veertig jaar achtereen hebben gewonnen. Ik hoef je niet te zeggen dat we maar weinig kans hebben om het Zwaard ooit in onze handen te krijgen. Maar de Speer is een andere zaak.’ ‘Christus!’ Richard spoog woedend op de grond. ‘Om het plan van Madame te laten werken hoeven we dus alleen maar aan een blinde zoektocht over twee- of drieduizend vierkante kilometer waar het barst van mensenetende spoken en reusachtige hyena’s te beginnen en hupsakee, daar ligt het antieke ratelmachien. Waarschijnlijk in de poten van een of ander geraamte van een Tanu.’
    ‘En rondom diens nek,’ zei Felice, ‘zit een gouden halsring.’ ‘We zullen het Scheepsgraf vinden,’ zei Madame. ‘We zullen zoeken tot we het vinden.’
    De oude Claude kwam met enige moeite overeind, hinkte naar de stapel brandhout en nam er een armvol van mee. ‘Ik denk niet dat we nog verder in het wilde weg hoeven te zoeken,’ zei hij terwijl hij de takken in de vlammen wierp. Een grote zwerm vonken klom omhoog naar de diepste duisternis van de Boom. Iedereen staarde hem aan.
    Commandant Burke vroeg: ‘Weet jij waar die krater zou kunnen zijn?’
    ‘Iic weet waar die moet zijn. Er is maar één inslagkrater in Euro­pa die daarvoor in aanmerking komt. De Ries.’ De stoere vechtjas met de pijp sloeg de hand tegen zijn voorhoofd en riep uit: ‘Das Rieskettel bei Nördlingen! Natiirlich! Wat zijn wij een stelletje stommelingen geweest! Hansi! Gert! We lazen daar al over in de kleuterklas!’
    ‘Verdomd, ja,’ zong de stem van een andere man uit de massa. En een derde voegde daaraan toe: ‘Vergeet niet, Uwe, dat ze ons als kinderen hebben verteld dat de krater door een meteoriet is gemaakt.’
    ‘Het Scheepsgraf!’ riep een van de vrouwen uit. ‘Dus niet zomaar een legende! We hebben een kans! We zouden de mens­heid echt van deze rotzakken kunnen bevrijden!’ Er gingen in de menigte opgewonden kreten op.
    ‘In godsnaam, stilte,’ verzocht Madame. Haar handen waren voor haar borst samengevouwen als in gebed toen ze Claude aansprak. ‘Je bent er zeker van? Je weet heel zeker dat dit... Ries ... het Scheepsgraf moet zijn?’
    De oude paleontoloog pikte een twijg op uit de houtstapel. Hij maakte een stukje grond voor zijn voeten effen en tekende daar een rij verticale X’en.
    ‘Dit zijn de Vogezen. We zitten in het westen, ongeveer hier.’ Hij prikte en trok toen een lijn parallel aan en oostelijk van die rij. ‘Dit is de Rijn, die ongeveer van het noorden naar het zuiden loopt door een brede, slenkachtige vallei. Finiah ligt op de ooste­lijke oever.’ Er verscheen nog een rij X’en achter de stad van de Tanu. ‘Hier begint het Zwarte Woud, ongeveer noord-zuid lopend, net als de Vogezen. Dezelfde samenstelling. En daarach­ter, naar het noord-oosten aflopend, de Zwabische Jura. De lijn die ik hier onder de Jura trek, is de Donau. Die vloeit naar het oosten, naar Hongarije, ergens onder die houtstapel. En dan pre­cies hier...’
    Het hele gezelschap kwam overeind, de aandacht gespannen en de adem inhoudend terwijl de oude man zijn tak naar beneden liet komen.
    ‘... ligt de Rieskrater. Een paar kilometer ten noorden van de Donau, vlak bij het toekomstige Nördlingen. Alles bij elkaar driehonderd kilometer ten oosten van hier. En zo waar als God kleine groene appeltjes heeft gemaakt, dat is jullie Scheepsgraf. Een krater met een doorsnede van meer dan vijfentwintig kilo­meter. De grootste in Europa.’
    Er ontstond rumoer onder de menigte. De mensen drongen om Claude heen, feliciteerden hem en zochten naar meer wijn. Iemand haalde een rieten fluit te voorschijn en begon een opge­wekt wijsje te spelen. Anderen lachten en dansten in het rond. De dag die met een paniekerige vlucht voor de buitenaardse vijanden was begonnen, leek feestelijk te zullen eindigen. Zonder aandacht te schenken aan de feestenden, fluisterde Madame iets tegen Burke. Zij en de Indiaan wenkten de overge­bleven leden van Groep Groen en trokken zich terug in een don­kerder deel van de holle mammoetboom. ‘Het zou kunnen,’ zei Madame, ‘het zou nog net kunnen om dit deel van het plan nog dit jaar in werking te zetten. Maar dan moeten we nu gaan. Jij zult ons moeten aanvoeren, Peo. Ik zal mee moeten om de Huilers bijtijds te ontdekken en af te schrik­ken. En we zullen jouw hulp nodig hebben, Claude, om de krater te vinden en die van Felice om vijandige dieren af te leiden. Richard moet mee, want hij zal een van die vliegende toestellen moeten besturen als we er een vinden. We zullen Martha meene­men, die eens een ervaren ingenieur was en die ons helpen kan met het begrijpen en zo nodig repareren van die buitenaardse machines. En Stefanko, die testpiloot is geweest van gewone vliegtuigen. Hij kan Richard assisteren en misschien zelfs een tweede toestel zelf vliegen.’
    Commandant Burke zei: ‘Zeven dus. Twee van hen zijn al oud en Martha is niet sterk. Vreemd, Madame. Te weinig voor kracht, te veel voor snelheid. Zelfs met Felice en mij erbij voor de spier­kracht, zal het een moeizame reis worden.’ Felice zei: ‘Ik wil dat Amerie meegaat. We kunnen een arts nodig hebben.’
    De non trok aarzelend haar gezonde schouder op. ‘Ik wil wel... maar ik denk dat ik meer last dan gemak zal veroorzaken.’ ‘Er is geen sprake van dat jij met ons meegaat, ma soeur,’ zei de oude vrouw, die scherp naar Felice keek. ‘Jij kunt meer doen door hier te blijven, zelf beter te worden en de mensen hier te verzorgen. We bezitten wat gestolen medicijnen, maar die zijn slecht bruikbaar. Er zijn heel wat kwalen die jij kunt verlichten, slecht gezette breuken, longaandoeningen, parasieten. Wanneer het directe gevaar hier is geweken, kunnen Uwe Guldenzopf en Tadanori Kawai je naar ons dorp brengen. Je zult in mijn eigen huis leven en de mensen zullen naar je toe komen.’ gurke zei: ‘Khalid Khan zou de groep kunnen aanvoeren die het ijzer moet gaan zoeken. Laten we zeggen, tien sterke mannen. Claude kan Khalid uitleggen waar hij op moet letten en als het de jongens lukt om ijzererts te vinden en mee te nemen, dan ligt er misschien al een redelijk aantal wapens klaar tegen de tijd dat wij terugkomen.’
    ‘Als we terugkomen!’ riep Richard uit, ‘Godver, waarom neemt iedereen maar vanzelfsprekend aan dat ik zin heb om hiermee door te gaan? Vergeet het maar! Zodra de Tanu het hier laten afweten, neem ik de benen.’
    ‘Je kunt nu niet op de loop gaan, schijtlaars,’ zei Felice. ‘We hebben je nodig.’
    ‘Laat die andere Jan Lui, die testpiloot, maar vliegen. Ik knok niet mee in andermans oorlogen.’
    Madame stak een hand uit en raakte het zwarte fluweel aan van Richards kostuum. ‘Der fliegende Hollander, is het niet? Dat stuk heb ik heel wat keren in Lyon gezien ... Oh Richard! Wie zegt dat vluchten altijd jouw bestemming moet zijn? We hebben je nodig. Help de anderen om vrij te worden en vind zo je eigen gemoedsrust terug. Je weet hoezeer onze gewone vliegtuigen geautomatiseerd waren. Maar jij! Je hebt verteld hoe je de meest ingewikkelde sterreschepen hebt gevlogen, planeetsondes en zelfs primitieve vliegtuigen. Als er iemand is die een van die buitenaardse toestellen kan vliegen en de Speer van Lugonn mee terug kan nemen, dan ben jij het.’
    Haar geest leek de zijne te omhelzen, al zijn angsten te sussen en zijn bezwaren te onderdrukken. En ondanks zichzelf voelde Richard hoe zijn voornemens wankelden. Hij wist dat dat ver­domde wijf bezig was op hem in te werken, spelend met zijn superego, zijn eigen krachten verbuigend. Maar hoe meer hij zich verzette om weg te komen, des te steviger werd haar menta­le greep. ..
    Richard! Lieve zoon, zou ik jou niet kennen? De moeder van meer dan honderdduizend verslagen tijdreizigers die mij hebben gezien als hun laatste hoop? Je bent altijd eenzaam geweest, altijd op jezelf gericht en bang om je hart voor anderen te ope­nen, want wie dat doet loopt het risico afgewezen te worden en pijn te lijden. Maar dat is een risico waarvoor wij mensen gebo­ren worden. We kunnen niet alleen leven, kunnen geen geluk of vrede in eenzaamheid vinden. We kunnen niet in eenzaamheid liefhebben. De eenzame is altijd op de vlucht, altijd zoekende. Hij rent eindeloos weg voor zijn eigen eenzaamheid. Of hij het wil of niet, hij zoekt toch altijd naar een ander die de leegte wil vullen...
    Richard deinsde voor die verschrikkelijke oude vrouw terug tot hij tegen het oude hout van de Boom belandde, in een poging zichzelf te verdedigen tegen die kracht die gevoed werd door hoop en noodzaak en die—vervloekt zij dat mens!—ook een vloed van oprecht meeleven bevatte die als genezend water zijn angstige en verscheurde ziel doordrenkte. Hardop zei ze: ‘Ga met ons mee, Richard. Help ons, help allen die je nodig hebben. Ik kan je niet echt dwingen, dat lukt alleen maar tijdelijk. Je moet uit vrije wil kiezen. En door te geven, zul je ontvangen waarnaar je zo lang hebt gehunkerd.’ ‘Verdomme, jij!’ fluisterde hij.
    Arm beschadigd kleintje. Je bent zo dodelijk zelfzuchtig geweest en je hebt ervoor geboet. Het Bestel heeft je gedwongen te boe­ten. Maar de zonde blijft, net als bij mij en die moet in gelijke munt worden terugbetaald. Het verlies van je sterreschip, van alles wat je bezat, was niet genoeg en je weet het! Je moet jezelf durven geven, pas dan hoef je jezelf niet langer te verachten. Help ons, help je vrienden die je nodig hebben. ‘Verdomme…’ Hij knipperde de sluier van tranen weg die zijn ogen verdronken. Redden.
    Zijn woorden waren nauwelijks verstaanbaar. ‘Goed.’ De ande­ren keken naar hem, maar hij kon hun ogen niet zien. ‘Ik zal meegaan. Ik zal dat vliegtuig hierheen vliegen als ik kan. Meer kan ik niet beloven.’ ‘Dat is genoeg,’ zei Madame.
    Bij het grote vuur in het midden klonk het zingen en het gelach minder luid. Mensen maakten zich ervan los en gingen naar de kleinere vuren om een slaapplaats in orde te maken. Een kleine gestalte hinkte naar Madame, scherp afstekend tegen de gloed van het dovende vuur.
    ‘Ik heb nagedacht over die expeditie naar het Scheepsgraf,’ zei Fitharn. ‘Je zult de hulp van ons volk nodig hebben.’ ‘Om de Donau zo snel mogelijk te vinden,’ stemde Claude in. ‘Hebben jullie een idee wat de beste manier is? In onze tijd zou­den we die in het Zwarte Woud vinden, maar God mag weten waar die rivier nu begint. De Alpen? In het Meer van Konstanz?’
    ‘Er is maar één persoon met voldoende gezag om te kunnen hel­pen,’ zei de Firvulag. ‘Je zult een bezoek moeten brengen aan onze koning.’

2

    Yeochee IV, Hoge Koning van de Firvulag, liep op zijn tenen door de grote ontvangsthal van zijn fort in de bergen, met zijn mentale krachten zoekend in de schemerige holten van die immense grot.
    ‘Lulo, mijn kleine granaatappel! Waar heb je je verborgen?’ Er klonk een geluid als het tinkelen van kleine belletjes, ver­mengd met gelach. Een schaduw streek over de rode en crème­kleurige stalactieten, de hangende tapijten, de verkreukelde en deels gescheurde banieren en trofeeën uit de Grote Veldslag van veertig jaren geleden. Een muskusachtige geur nalatend, gleed iets dat op een grote mot leek in een doodlopende kamer aan één zijde van de hal.
    Yeochee zette de achtervolging in. ‘Nu heb ik je gevangen! Je kunt niet uit die kristallen grot komen zonder mij te passeren!’ De alkoof werd verlicht door kaarsen die in één enkele gouden standaard stonden. De vlammetjes weerkaatsten glinsterend in een ongelofelijke overdaad aan kwartsprisma’s in de muur, roze en purper en wit als het binnenste van een reusachtige geode. Hoopjes donkere vacht maakten inviterende bewegingen op de vloer. Een van die hoopjes trilde. ‘Dus daar ben je!’
    Yeochee kwam de grot binnen en tilde de verhullende vacht met kwellende traagheid op. Een cobra met een lichaam zo dik als zijn arm kwam overeind en siste.
    ‘Lulo! Is dat de manier om je koning welkom te heten?’
    De slang verbleekte en kreeg het hoofd van een vrouw. Haar haren hadden alle kleuren, net als de huid van de slang, haar ogen waren van een verleidelijk amber. De tong die tussen de glimlachende lippen te voorschijn kwam, was gevorkt.
    Met een kreet van verrukking opende de Koning zijn armen. De slangevrouw kreeg hals en schouders, zachte armen met slanke, beenderloze vingers, een volmaakt gevormd bovenlichaam.
    ‘Stop hier even,’ stelde Yeochee voor, ‘dan kunnen we een paar mogelijkheden uitproberen.’ Ze vielen op de stapel vachten met een geweld dat de kaarsen ervan sputterden.
    Ergens ver weg klonk een trompet.
    ‘Oh, verdomme,’ gromde de koning. De concubine Lulo klaagde en rekte zich uit, maar haar gevorkte tong bleef hoopvol spe­len.
    De trompet blaatte nog eens, dichterbij dit keer en er klonk het geluid van gongs die binnen de berg vibreerden. De stalactieten net buiten de kristallen grot gonsden als stemvorken. Yeochee kwam overeind, zijn eerst opgewekte gezicht vertrok­ken van afkeer. ‘Dat zijn die ellendige Minderen. Zij die denken dat ze een geheim wapen tegen de Tanu hebben gevonden. Ik heb Pallol beloofd dat ik met hen zal praten.’ De verleidelijke slangevrouw waaierde uiteen en versmolt en werd een plompe, kleine, naakte vrouw met appelwangen en blond kort haar. Mopperend trok ze een minkvacht over zich heen en zei: ‘Wel, als dit een tijdje gaat duren, zorg dan in Té’s naam dat ik in elk geval iets te eten krijg. Van al dit gejakker zou je de hongerdood sterven. Maar geen vies gebroed, alsjeblieft. En ook niet van die afschuwelijke gekookte salamanders.’ Yeochee bond zijn ietwat slordige goudkleurige kamerjas dicht en liet zijn vingers als een kam door zijn haren en verwarde gele baard gaan. ‘Ik zal zorgen dat je wat lekkers krijgt,’ beloofde hij. ‘We hebben een nieuwe menselijke kok gevangen gisteren die de verrukkelijkste pasteien van vlees en kaas weet te maken.’ De koning smakte met zijn lippen. ‘Dit zal niet lang gaan duren. Daarna gaan we een picknick houden en als dessert. ..’ De trompet klonk voor de derde maal, net buiten de hal. Koning Yeochee stapte de grot uit, haalde diep adem en ver­grootte zijn lengte van honderdzestig centimeter tot tweehon­derdzestig centimeter. Het versleten gewaad veranderde in een lange, achter hem aan slepende mantel van bloedrood fluweel. Daaronder verscheen een paradewapenuitrusting van obsidiaan met goud, de open helm versierd met een grote kroon die uitliep in twee gouden hoorns die leken op die van een ram en een grote snavel die over het voorhoofd heenviel en het gezicht diep in de schaduw verborg. In zijn ogen ontstond een sinistere, katachtige gloed. Rennend zag hij nog net kans tijdig op zijn troon plaats te nemen.
    De trompet klonk voor de laatste maal.
    Yeochee hief zijn gemaliede hand en een paar dozijn illusoire hovelingen en wachters verrezen achter de troon. De rotsen van de in de berg uitgehakte hal gloeiden in rijke kleuren. Muzikale rimpelingen, glasachtig van toon, vulden de ruimte toen zes Firvulag van de paleisgarde Fitharn Pegleg en de mensen naar voren leidden in de aanwezigheid van de koning. Een van de hovelingen kwam naar voren. Standaard-Engels gebruikend ter wille van de Minderen, kondigde hij aan: ‘Laat allen eer bewijzen aan Zijne Schrikbarende Hoogheid Yeochee IV, Soeverein Heerser van Hoogten en Diepten, Monarch van de infernale Oneindigheid, Vader van alle Firvulag en onweerspro­ken Heer van deze Wereld!’
    Een oorverdovend geluid als van een reusachtig orgel deed de bezoekers ter plekke stilhouden. De koning kwam overeind en leek voor hun ogen groter en groter te worden totdat hij hoog boven hen verheven was als een gigantisch idool met ogen van emerald te midden van de stalactieten.
    Fitharn lichtte even zijn hoed. ‘Hoe gaat het, Koning?’
    ‘Je hebt onze toestemming dichterbij te komen,’ galmde de stem van de verschijning.
    Fitharn hinkte naar voren, de zeven mensen in zijn spoor. Yeochee constateerde met enige spijt dat maar twee van de Min­deren—een knaap met scherpe gelaatstrekken en een grote zwarte snor en een jongere vrouw met een hol gezicht en dun, blond haar dat weinig elegant in een knot was gebonden—rede­lijk onder de indruk leken van zijn monsterachtige uitdossing. De rest van de mensen leek Zijne Schrikbarende Majesteit slechts geamuseerd of nieuwsgierig te bekijken. De oude Mada­me Guderian zag er zelfs ietwat verveeld uit. Ach, wat deed het er ook toe. Waarom zou hij zich niet ontspannen? ‘We zullen ons verwaardigen een wat minzamer uiterlijk aan te nemen,’ verklaarde Yeochee. Hij schrompelde ineen tot zijn gewone lengte en droeg weer de versleten gouden mantel, bloots­voets, het kroontje zoals gewoonlijk wat scheef op zijn hoofd. ‘Wat heeft dit allemaal te betekenen?’ vroeg hij aan Fitharn. ‘Madame Guderians plan tegen de Tanu heeft belangrijke vor­deringen gemaakt, Koning. Ze kan het beter zelf vertellen.’ Yeochee zuchtte. Madame herinnerde hem op ontstellende wij­ze aan zijn overleden grootmoeder, een dame die altijd geweten had wanneer hij weer iets in zijn schild voerde. Ondanks haar talent voor politieke diplomatie had Yeochee er al lang bitter spijt van dat hij haar ooit een gouden halsring had gegeven. De plannen van Madame leken altijd de Minderen voordeel te bren­gen, terwijl de Firvulag er nauwelijks van profiteerden. Hij had destijds zijn allereerste opwelling moeten volgen en haar met zijn psychische energie in stukjes moeten blazen op de dag dat ze de lef had om door die tijdpoort te komen stappen. Ten slotte was zij, indirect, de oorzaak van de huidige minderwaardige toe­stand van de Firvulag!
    De oude vrouw, nu gekleed in het gevlekte herteleer waaraan die menselijke woudlopers meestal de voorkeur gaven, stapte onbe­vreesd naar voren en gaf de koning op zijn troon niet meer dan een plichtmatig knikje met haar hoofd. ‘U ziet er goed uit, mijn Heer. Meer dan genoeg gezonde beweging, neem ik aan?’ Yeochee fronste. Maar goed, het oude mens had hem in elk geval weer even herinnerd aan wat hij Lulo had beloofd. Hij strekte zijn arm en trok aan een bellekoord. ‘Pallol vertelt me dat jullie de plaats van het Scheepsgraf hebben ontdekt.’ Dat is waar.’ Ze gebaarde naar een man met zilverkleurig haar. Een van onze nieuwe metgezellen, professor Claude, gelooft dat hij de plek heeft gevonden. Hij was ermee op de hoogte door zijn wetenschappelijke studies in de wereld van de toekomst.’
    ‘Nog altijd bekend dus, zes miljoen later?’ De koning wenkte de paleontoloog die dichterbij kwam. ‘Jij daar, Claude. Vertel me, hebben in jouw toekomst de mensen enige herinnering aan ons?’
    Claude glimlachte naar de kleine buitenaardse en liet zijn blik­ken dwalen door die fantastische hal die midden in het hart van de hoogste berg in de Vogezen lag.
    ‘Uwe Majesteit, op dit ogenblik zijn kleine apen die zich in de bossen verborgen houden, onze rechtstreekse voorouders. Ze bezitten geen taal en dus is er geen enkele manier waaïrop zij herinneringen aan hun afstammelingen kunnen doorgeven. Pri­mitieve mensen die wel het vermogen tot spraak bezitten, ver­schijnen pas over twee of drie miljoen jaar op deze wereld en zelfs die zullen geen werkelijk overdraagbare en betrouwbare orale traditie bezitten. Dat is pas zo’n acht- of negenhonderddui­zendjaar voor mijn tijd het geval. U zult het met me eens zijn dat het daardoor hoogst onwaarschijnlijk wordt dat de toekomstige mensheid enige herinnering zou kunnen hebben aan een klein, van vorm veranderend ras van buitenaardse wezens die in onder­grondse ruimten wonen.’
    De koning haalde de schouders op. ‘Het was maar een idee . .. Dus jij weet waar het Scheepsgraf is, is het niet?’ Claude zei: ‘Dat denk ik. En u hebt er geen bezwaar tegen wan­neer wij het Graf plunderen tot ons gezamenlijk voordeel?’ Yeochee’s kraalgroene ogen flikkerden gevaarlijk. ‘Wees voor­zichtig, oude Claude. Je zult niets uit het Schip halen dat niet te zijner tijd kan worden teruggebracht, wanneer het onsportieve voordeel van onze aartsvijanden is overwonnen en gereduceerd tot gelijkwaardigheid.’
    Madame zei: ‘Wij willen u helpen om dat doel te bereiken, mijn Heer. Ik heb daarop gezworen als deel van mijn boetedoening! Wij mensen kunnen niet langer de slaven zijn van de Tanu en de status quo tussen uw beide rassen moet worden hersteld. Onze eerste aanval zal gericht zijn op Finiah, daarvoor zullen we een vliegende machine en de Speer uit het Scheepsgraf gebruiken.’ De koning vlocht zijn baard tot gouden vlechtjes. ‘De tijd dringt! Nog maar drie weken tot de equinox, dan nog anderhalve week en dan begint al de Wapenstilstand die aan de Grote Veldslag voorafgaat. Hmmm. Wij zouden minstens een week nodig heb­ben om een aanval tegen de Tanu voor te bereiden. Is er een kans dat jullie met een vliegtuig en de Speer terug zijn voor de Wapenstilstand begint? We zouden bereid zijn jullie bij een aanval te helpen wanneer er werkelijk een redelijke kans bestond om Velteyn en zijn Vliegende Circus ondersteboven te werpen. Als we succes hebben tegen Finiah, zou het moreel onder de jongens en meiden tot grote hoogten stijgen wanneer de Spelen beginnen.’
    De oude vrouw wendde zich naar Claude. ‘Is het mogelijk om binnen een maand naar Ries te gaan en weer terug te zijn?’ ‘Met de grootst mogelijke moeite. En dan nog alleen wanneer we een gids krijgen die de kortste weg weet naar het punt vanwaar op de Donau vervoer met kleine schepen mogelijk is. Dat moet ergens achter het Zwarte Woud zijn in een met sediment gevuld bassin, waarschijnlijk tussen de Zwabische Jura en de Alpen. Ik verwacht dat daar de rivier zacht over het sediment stroomt als in mijn tijd de Afton. We zouden vandaar makkelijk naar Ries kunnen zeilen en terugvliegen.’ ‘Binnen een maand?’ hield de koning aan. ‘Wanneer u kunt helpen met een gids, dan is het haalbaar.’ Fitharn stapte naar voren. ‘De machtige Sharn-Mes stelde voor dat ene Sugoll overgehaald kon worden om de expeditie bij te staan. Hij is een slecht gehumeurde grapjas, zelfs voor een Hui­ler en zijn trouw is bedenkelijk. Maar hij beweert het gezag te hebben over het hele land rondom Feldberg en zelfs over de Watergrotten bij de Paradijskloof. Sharn-Mes denkt dat als iemand die rivier kent, hij het moet zijn. Ik kan deze mensen naar zijn behuizing brengen wanneer u Madame Guderian vol­machten verleent die hem kunnen overhalen ons te helpen.’ ‘Oh, goed dan,’ gromde de koning. Hij kroop in elkaar en begon onder de troon te tasten tot hij er een kleine doos onderuit haalde van zo te zien gesneden zwarte onyx. Na wat rommelen met de gouden sluiting, sprong de doos open en na nog wat gezoek kwam er een Parkerpen uit, daterend uit de 22e eeuw en een nogal gekreukeld vel papier. Knielend op de vloer schreef hij een aantal ideogrammen neer en bezegelde die met zijn koninklijke handtekening. ‘Dat moet voldoende zijn.’
    Hij borg het schrijfmateriaal weer in het kistje en gaf de brief aan Madame. ‘Dat is het beste dat ik kan doen. Vrij vertaald staat er: Help deze mensen ofje krijgt op je donder. Je hebt onze koninklijke toestemming om deze Sugoll over te halen of hem in een slijmprop te veranderen als hij lastig wordt.’ Madame boog gracieus en stak de brief weg. Een krombenige kleine man in een rood voorschoot met een riem kwam de audiëntiezaal binnengedrenteld en groette de koning. ‘U hebt gebeld, Schrikbarende?’
    ‘Wij hebben honger en dorst,’ zei de Monarch van het infernale Oneindige. Hij keerde zich onverwachts van de bediende naar Madame en vuurde een vraag af. ‘Denk je werkelijk dat deze expeditie succes kan hebben?’
    ‘Dat denk ik,’ bevestigde zij plechtig. ‘Kapitein Richard, hier, heeft sterreschepen gevlogen. Hij zal in staat zijn een van de vliegtuigen te besturen waarover uw legenden verhalen, wan­neer die tenminste niet door de elementen zijn verwoest. Martha en Stefanko bezitten de technische kennis om het vliegtuig en de Speer bruikbaar te maken. Commandant Burkeen Felice zullen ons verdedigen tegen gevaren onderweg. Ikzelf zal mijn metafuncties gebruiken om slechtwillende leden van uw ras in de war te brengen en zo nodig Tanu wanneer die mochten besluiten ons te achtervolgen. Professor Claude zal ons naar de krater brengen zodra we de rivier hebben bereikt. En wat succes betreft.. .’ ze veroorloofde zich een magere glimlach, ‘die beschikking blijft in handen van le bon dieu, n’est-ce pas?’
    Yeochee keek haar woest aan. ‘Waarom kun je geen Engels spreken als een gewoon mens? Heb ik al niet genoeg last van je? Oh ... ik geef toe dat het plan goed klinkt. Maar dat was ook zo toen je voorstelde een tunnel onder de muren van Finiah te gra­ven en dat verdomde explosieve mestspul te gebruiken waar jouw mensen mee op de proppen kwamen. En op het allerlaatste ogenblik liet Velteyn de Rijn in de tunnel leeglopen! Honderd­drieëntachtig Firvulag dapper voor hun leven zwemmend in een soep van vogelstront!’
    ‘Dit keer zal het anders gaan, Monseigneur.’
    Yeochee wenkte de bediende. ‘Breng me wat van het beste bier.
    En laat die nieuwe mensenkok, Mariposa, die met die neus, een paar van die grote, platte vlaaien bakken met gesmolten kaas en tomaten en die nieuwe saus.’
    De bediende boog diep en haastte zich weg.
    ‘We hebben dus uw toestemming om direct met de expeditie te vertrekken?’ vroeg Madame.
    ‘Oh ja, ja, ja.’ Het gegrom van de koning klonk humeurig. Hij trok zijn gouden kamerjas vaster om zich heen. ‘We bevelen het zelfs. En nu kunnen jullie gaan... Fitharn, jij blijft hier. Ik moet nog iets met je bepraten.’
    De paleiswachten, die onbeweeglijk hadden gestaan in hun zwartglazen wapenrustingen, stampten nu met hun korte lansen op de vloer en maakten zich gereed om de menselijke bezoekers naar buiten te geleiden. Maar de kleinste vrouw onder hen, die met de grote bos bleek haar en nauwelijks groter dan een vrouw van de Firvulag, had de brutaliteit nog het woord te nemen. ‘Uwe Majesteit! Nog één ding.’
    ‘Oh, al goed,’ zuchtte de koning. ‘Ik weet wie jij bent. Ik veron­derstel dat jij nog steeds denkt dat we jou een gouden halsring moeten geven.’
    ‘Laat me niet wachten!’ Felice hield zijn blik vast met nog meer nadruk dan Madame. ‘Met een gouden halsring zou ik het suc­ces van de expeditie kunnen verzekeren.’ De koning produceerde iets waarvan hij hoopte dat het op een minzame glimlach leek. ‘Ik weet alles over je buitengewone ver­mogens. Je zult op de juiste tijd beloond worden met wat je hart begeert. Maar nog niet! Help eerst je vrienden om de Speer en een vliegtuig te bemachtigen. Wanneer je de halsring van Lugonn in de krater mocht vinden, neem hem dan. Zo niet, dan zullen we zien wat wij op onze beurt kunnen doen. Zorg voor de levering van het beloofde en wij zorgen voor geschenken.’ Hij wuifde hen met zijn hand weg en de paleiswachten escorteer­den de mensen naar buiten.
    ‘Zijn ze weg?’ fluisterde Yeochee, van de troon springend en in de duisternis turend.
    ‘Weg,’ bevestigde Fitharn. Hij ging op de rand van het koninklij­ke platform zitten en trok een laars uit. Hij haalde er een kiezel­steentje uit te voorschijn. ‘Ah, jij kleine rotzak!’ ‘Toon alsjeblieft enig respect,’ snauwde Yeochee. ‘Ik had het tegen die steen in mijn schoen, Schrikbarende. Wel, wat denken we ervan?’
    ‘Riskant, riskant.’ De koning begon heen en weer te lopen, de handen op zijn rug. ‘Jammer dat we het niet zonder die vervloek­te lui kunnen en onze zaakjes zelf regelen.’ Fitharn zei: ‘Die verachtelijke halsringdragers moeten wel vaak dezelfde gedachten hebben. Ook zij zijn gevaarlijk afhankelijk van mensen. Maar er is voor ons geen andere weg, Afschrikwek­kende. De mensen zijn slimmer dan wij en sterker bovendien, op bepaalde terreinen. Zou het ons ooit lukken na al die tijd een vliegtuig weer operationeel te maken? Of de Speer? We hebben veertig jaar de tijd gehad om na te denken over manieren om onze Aartsvijanden ten onder te brengen en het enige wat we hebben gedaan is snotteren boven ons bier. Ik ben net zo weinig op die geduchte Guderian gesteld als u, Koning. Maar ze is een machtig persoon. Of we haar aardig vinden of verachten, zij kan ons helpen.’
    ‘Maar we kunnen mensen niet vertrouwen!’ jammerde Yeochee. ‘Voelde je die golf van woede van die Felice toen ze ons vertelde dat we aardig tegen haar moesten zijn? En zo een zouden we een gouden halsring moeten geven? Ik zou nog eerder met mijn koninklijke pik een gat boren in de lavaprop van een vulkaan!’
    ‘We kunnen Felice onder controle houden. Pallol en Sharn-Mes hebben daarover nagedacht. Zelfs wanneer ze een gouden hals­ring bij het Scheepsgraf vindt, dan nog heeft ze even tijd nodig ermee te leren omgaan. Ze vliegen bovendien direct terug en die Felice zal popelen van verlangen om Finiah te lijf te gaan. We zullen haar aan de zorg van onze krijger Ogresses toevertrou­wen ...’
    (Té’s tieten!’ zei de koning blasfemerend. .. en Ayfa of Skathe kunnen haar ombrengen bij het minste teken van verraad. Wanneer Felice de aanval op Finiah over­leeft, kunnen we haar naar het zuiden sturen naar de Veldslag. Dat lijkt in overeenstemming te zijn met dat beroemde plannetje van Guderian. Maak u geen zorgen, Koning. We zullen Felice en al die anderen in ons eigen voordeel gebruiken… Sharn en Pallol zullen een passend en heldhaftig overlijden weten te beden­ken voor onze menselijke medestanders. Wanneer we dit op de goede manier spelen, kunnen de Firvulag in het bezit komen van zowel de Speer als het Zwaard, heersers over de Tanu en de Minderen! En dan betekent het werkelijk iets wanneer u zichzelf Onbetwistbaar Heerser over de Bekende Wereld noemt.’ Yeochee gaf hem een verschrikkelijke blik. ‘Wacht maar af tot het jouw beurt is. We zullen zien hoe jij het ervan afbrengt...’
    De bediende kwam springend uit de gang te voorschijn, een blad dragend waar de damp van af sloeg, samen met een fles, gevuld met een lichtbruine vloeistof. ‘Het is klaar, Afschrikwekkende! En heet, heet, heet! Geen ordinaire salamandersaus, maar iets heel nieuws! De kok Mariposa beweert dat je ballen ervan gaan tintelen!’
    Yeochee boog zich over het blad om de geur op te snuiven van het wielvormige gebak. Tussen de spaken sudderden verrukkelijke lagen van romig wit en rood.
    ‘Vraag excuus, Koning,’ probeerde Fitharn. ‘Maar wat is dat voor de duivel?’
    De koning nam het blad en de fles bier over en begon gelukkig in de richting van de kristallen grot te lopen. ‘Dit is het speciale gerecht van ene senora Mariposa de Sanchez, afkomstig van de Krelix Plantage, daarvoor werkzaam in de Chichen Itza Pizza Eettent, Merida in Mexico… Laat ons alleen, Fitharn. Ga mee met die verdomde Minderen en houd ze in de gaten.’ ‘Zoals u beveelt, Afschrikwekkende.’
    Eindelijk werd het weer stil in de grote grot. Yeochee stak zijn hoofd om de hoek van de kristallen kamer. De kaarsen brandden laag en twee fascinerende ogen keken hem aan vanuit de stapel donkere vachten.
    ‘Joe-hoe,’ kweelde hij, ‘tijd voor wat lekkers!’ Lulo rolde zo charmant mogelijk in zijn richting. ‘Grruum. Yumyumyum!’
    Hij gaf een kreet van verrukking. ‘Kijk uit! Laat me dit eerst even neerzetten, jij gekke verleidster! Oh, dit zul je verrukkelijk vinden. Mijn allernieuwste lekkernij. Half kaas, half hagedis!’

3

    ‘De eenhoorn! De eenhoorn! De eenhoorn!’ Martha bleef dat woord eindeloos herhalen terwijl ze huilde boven het verscheurde lichaam van Stefanko dat midden op het moerassige pad lag. Grote cipressen rezen aan weerskanten uit poelen bruinig water omhoog. Waar het morgenlicht door de bomen scheen, waren wolken dansende muggen en waterjuffers te zien. Een grote rivierkreeft, misschien aangetrokken door het bloed dat in het water druppelde, kwam langzaam tegen de ondiepe oever opgeklauterd waar het pad net boven de moeras­sen van de Rijn uitkwam.
    peopeo Moxmox Burke zat tegen een bemoste boomstam, kreu­nend van pijn terwijl Claude en Madame Guderian zijn hertele­ren hemd en een van de pijpen van zijn broek wegsneden. ‘De hoorn lijkt je ribben maar net geraakt te hebben, mon petit peaurouge. Maar ik zal het toch moeten hechten. Claude, geef hem een verdoving.’
    ‘Zorg eerst voor Steffi,’ pleitte de Commandant met opeenge­klemde tanden.
    Claude schudde alleen maar met zijn hoofd. Hij haalde een Herendorfer spuit te voorschijn en drukte die tegen de slapen van Burke.
    ‘Oh, God. Dat is al beter. Hoe is mijn been? Ik kon de tanden van die rotzak tot op het bot voelen gaan.’
    ‘Je kuitspieren zijn allemaal doorgesneden,’ zei Claude, ‘en reken maar dat die slagtanden tot aan de wortels vol zaten met giftige bacteriën. Er is geen enkele manier waarop we dit hier goed voor elkaar krijgen, Peo. Je enige kans is professionele zorg, terug bij Amerie.’
    Zachtjes vloekend legde Burke zijn grote, grijze hoofd tegen de cipres en sloot zijn ogen. ‘Eigen schuld. Stomme lui. Ik had al mijn aandacht bij het verbergen van ons spoor door ons dwars door die stinkende kruiden heen te laten lopen. Ik keek uit naar beerhonden, sporen van hoorndragers en dan worden we te gra­zen genomen door zo’n verdomd varken!’ ‘Houd je stil, jongen,’ beval Madame. ‘Je brengt mijn naaiwerk in de war.’
    ‘Het was geen gewoon varken,’ zei Claude. Hij verpakte het been van Burke in porofilm nadat hij de wonden met antibioti­sche gelei had behandeld. De spalk van decamole was al opge­blazen en klaar om gebruikt te worden. ‘Ik denk dat het ondier dat hier aan het werk was niets anders was dan de Kubanochoerus, het reusachtige, eenhoornige Kaukasische zwijn. Iedereen dacht dat die in het Plioceen was uitgestorven.’
    ‘Huh! Ga dat Steffi maar vertellen, die arme schlemiel.’ Madame zei: ‘Ik ga wel verder met Peo, Claude. Let jij op Martha.’
    De paleontoloog liep naar de hysterisch geworden ingenieur, bekeek een ogenblik haar panische en verwilderde reacties en begreep toen wat er gedaan moest worden. Hij greep haar bij een van haar polsen en trok haar ruw overeind. ‘Wil je je bek houden, meid! Je stomme geschreeuw brengt ons alle soldaten op de nek! Denk je dat Steffi dat zou willen?’ Martha stikte van woede en haalde met één arm uit om de oude man te slaan. ‘Hoe weet jij wat Steffi zou willen? Je kende hem niet eens! Maar ik wel. Hij was vriendelijk en goed, hij zorgde voor me toen mijn verdomde darmen ... toen ik ziek was. En kijk nou eens. Kijk naar hem!’ Ze barstte opnieuw in tranen uit, haar eens mooie gezicht vertrokken in wanhoop. Haar tegen Claude gerichte woede verdween en ze liet haar arm zakken. ‘Steffi, oh, Steffi,’ fluisterde ze en viel toen tegen de stevige oude man aan. ‘Het ene ogenblik liep hij nog naast me, hij glimlachte tegen me over zijn schouder en toen ...’ Het grijze monster was zonder enige waarschuwing vooraf uit een dicht rietveld te voorschijn gekomen, recht op hen afstor­mend. Het had Stefanko in de lucht geworpen en was bezig hem af te slachten toen het gedwongen werd Peo aan te vallen die met getrokken machete die slachtpartij probeerde te stopppen. Fitharn had een vurige illusie veroorzaakt en daarmee het zwijn teruggedreven in het moeras terwijl Felice en Richard er met getrokken bogen achteraan gingen, het aan de anderen overla­tend om de gewonden te helpen. Maar Stefanko kon niet meer geholpen worden.
    Claude hield de bevende Martha in zijn armen en gebruikte de slip van zijn hemd om haar tranen te drogen. Hij bracht haar naar de bemoste plek waar Madame nog met Burke bezig was en dwong haar te gaan zitten. De pijpen van haar leren broek waren bevuild met opgedroogd bloed en vuil, maar er waren ook helder­rode vlekken rond haar enkels.
    ‘Je kunt maar beter ook even naar haar kijken, Madame,’ zei Claude. ‘Ik zorg wel voor Steffi.’
    Hij zocht een deken en ging ermee naar het lichaam, zijn eigen woede en weerzin onderdrukkend. Hij had Stefanko pas vier dagen gekend, maar zijn parate vaardigheid en zijn innemende persoonlijkheid hadden hem tot een aangename tochtgenoot gemaakt tijdens hun reis van Hoog Vrazel naar de moerassen van de Rijn. Nu kon Claude weinig anders meer doen dan het van pijn vertrokken gezicht terug te brengen in zijn oorspronke­lijke vorm. Je hoeft niet meer zo verbaasd te kijken Steffi. Ont­span je en rust. Rust in vrede.
    Een horde vliegen was neergedaald op de naar buiten gekomen massa ingewanden en vloog met tegenzin op terwijl Claude het lichaam van Stefanko in de deken rolde. Met een hittepistool brandde hij de deken dicht zodat de uiteinden smolten en een soort zak vormden. Hij was daar bijna mee klaar toen Fitharn, Richard en Felice met zuigende geluiden uit het moeras terug kwamen ploeteren.
    Felice hield een scherp gekant, geel voorwerp omhoog dat eruit­zag als een ivoren marlpriem.
    ‘We hebben de smeerlap, voor wat dat dan nog waard is.’ Richard schudde zijn hoofd. ‘Een varken zo groot als een os! Moet achthonderd kilo hebben gewogen! We hadden vijf pijlen nodig om er een eind aan te maken nadat Pegleg het in de strui­ken had gedreven. Ik kan er nog steeds niet bij hoe iets van die grootte zo ongemerkt in onze buurt heeft kunnen komen.’ ‘Het zijn intelligente duivels,’ gromde Fitharn. ‘Het moet ons beneden de wind hebben gevolgd. Als ik alert was geweest, had ik het moeten voelen. Maar ik dacht erover na dat we voort moesten maken om ongezien over de rivier te komen voor de ochtendmist optrok.’
    ‘Wel, nu zitten we hier vast op klaarlichte dag,’ zei Felice. Ze hield de hoorn omhoog. ‘Daar heeft deze hier voor gezorgd.’ ‘En wat nu?’ wilde Richard weten.
    Felice had de pijlen uit de houder aan haar boog gehaald en knielde bij het water naast het pad om de besmeurde glazen pijlpunten schoon te maken. ‘We zullen ons aan deze kant moe­ten verbergen tot de zon ondergaat en dan pas oversteken. Het is vannacht bijna volle maan. Misschien zien we kans in een paar uur over die smalle strook laagland aan de oostelijke oever te komen. Dan zouden we ons kamp kunnen opslaan tussen de rot­sen voor de rest van de nacht.’
    De Firvulag slaakte een uitroep. ‘Je denkt er toch niet over om verder te gaan?’
    Ze staarde hem woedend aan. ‘Denk jij er soms over terug te keren?’
    Claude zei: ‘Steffi is dood. Peo is er slecht aan toe. Hij moet door iemand van ons mee teruggenomen worden naar Amerie of hij raakt zijn been kwijt of nog erger.’
    ‘Dan blijven er nog steeds vijf van ons over,’ zei Felice. Ze fron­ste haar voorhoofd en sloeg met de hoorn van het zwijn tegen haar in leer geklede dij. ‘Pegleg zou met Burke terug kunnen gaan. Hij zou van zijn eigen mensen onderweg hulp kunnen krij­gen. Maar voor je weggaat,’ zei ze tegen de kleine man, ‘moetje ons precies vertellen hoe we in de vesting van die Sugoll komen.’
    ‘Dat zal niet gemakkelijk zijn.’ De Firvulag liet zijn hoofd heen en weer rollen. ‘Het Zwarte Woud is heel wat woester dan de Vogezen. Sugoll leeft op de noordoostelijke helling van de Feldberg, waar de Paradijsrivier uit de sneeuwvelden komt. Geen goed land.’
    ‘De Tanu zullen ons afan de andere kant van de Rijn niet zoeken,’ zei ze. ‘Als we eenmaal aan de overkant zijn, hoeven we ons over patrouilles waarschijnlijk geen zorgen meer te maken.’ ‘Er zijn altijd nog de Huilers,’ zei Fitharn. ‘En ’s nachts de Jacht. Vanuit de lucht, als die door Velteyn wordt geleid. Wan­neer de Jacht jullie op open terrein in de gaten krijgt, is het afgelopen.’
    ‘Kunnen we niet voornamelijk overdag reizen?’ suggereerde Richard. ‘Madame Guderian kan ons met haar vermogens waarschuwen tegen vijandige Firvulag.’ De oude vrouw was naar de groep toe gekomen, een uitdrukking van diepe bezorgdheid op haar gezicht. ‘Ik ben niet zozeer bang voor les Criards als wel voor Sugoll zelf. Zonder zijn medewer­king zullen we de Donau misschien nooit op tijd vinden en wan­neer Fitharn niet bij ons is, zou Sugoll wel eens kunnen denken dat hij de orders van de koning zonder schade kon negeren. En er is nog iets dat zorgen baart. .. Martha. De schok heeft ernstige bloedingen veroorzaakt. De Tanu hebben haar destijds vier kin­deren snel achter elkaar laten baren en haar vrouwelijke orga­nen ...’
    ‘Oh, in godsnaam,’ zei Felice ongeduldig. ‘Met wat rust moet ze erbovenop komen. Ondertussen moeten wij het er met Sugoll maar op wagen.’
    ‘Martha is erg verzwakt,’ hield de oude vrouw vol. ‘Het zal eerst slechter met haar gaan voor ze beter wordt. Het is eerder gebeurd. Het zou het beste zijn wanneer ze met Peo en Fitharn terugging.’
    Richard keek twijfelend. ‘Nu Stefanko er niet meer is, is zij de enige met technische kennis. God mag weten hoe lang het zonder haar hulp kan duren voor we door hebben hoe de circuits in zo’n buitenaards vliegtuig in elkaar passen.’ ‘We kunnen de expeditie uitstellen,’ zei Fitharn. ‘Dan zouden we een heel jaar moeten wachten!’ Felice was woe­dend. ‘Dat neem ik niet! Dan haal ik die verdomde Speer wel in mijn eentje op!’
    Vanaf de cipres riep Martha naar hen. ‘We kunnen het zoeken geen jaar uitstellen, Madame. In een jaar kan van alles gebeuren. Over een dag of twee ben ik weer in orde. Als jullie me een beetje helpen, haal ik het wel.’
    ‘We zouden een soort draagbaar uit de delen van onze bedden kunnen maken,’ stelde Claude voor.
    Felices gezicht verhelderde. ‘En op ruw terrein zou ik haar op mijn rug kunnen dragen. Ze heeft gelijk, er zou van alles kunnen gebeuren als we de zaak uitstellen.’ Haar ogen dwaalden af naar de Firvulag, die haar met poeslieve objectiviteit aankeek. ‘Ande­ren zouden het Scheepsgraf voor ons kunnen vinden.’ ‘Het zou het verstandigst zijn om terug te keren,’ zei Fitharn. ‘Hoe dan ook, Madame Guderian moet de beslissing nemen.’ ‘Dieu me secourait,’ mompelde de oude vrouw. ‘Een van ons heeft al het leven verloren.’ Ze deed een paar langzame stappen in de richting van de verpakte bundel op het pad. ‘We weten heel goed wat het antwoord zou zijn als we zijn mening vroegen.’ Ze keerde zich naar de anderen en tilde haar kin op met het bekende gebaar. ‘Alors… Fitharn, jij gaat met Peo terug. De rest gaat verder.’
    Gedurende de rest van de dag verborgen ze zich in een groepje taxusbomen dicht bij de westoever van de Rijn. De verwrongen, laaghangende takken boden een uitstekende schuilplaats. Ver­borgen achter gordijnen van mos en bloeiende epifijten konden ze het verkeer op de rivier gadeslaan, terwijl ze tegelijkertijd veilig waren voor krokodillen en andere potentieel gevaarlijke dieren waarvan het hier wemelde.
    Het werd zeer heet terwijl de zon hoger klom. Voedsel was geen probleem, want er was een overvloed aan schildpadden waarvan het vlees kon worden geroosterd met de hittepistolen en aan palmscheuten waarvan de kern eetbaar was en aan honingzoete druiven die zo groot waren als golfballen en die Richard tot ver­rukte speculaties over wijnbereiding voerden. Maar naarmate de ochtend zich voortsleepte en overging in de middag, begonnen verveling en reacties op het vroege geweld hun tol te eisen. Richard, Felice en Martha trokken het merendeel van hun kle­ren uit, bonden zichzelf aan grotere takken van de boom vast en vielen in slaap, het aan Madame en Claude overlatend om de wacht te houden bij de brede rivier. Er kwamen slechts een paar bevoorradingsschepen van plantages voorbij. Finiah zelf lag twintig kilometer meer naar het noorden op de andere oever, waar de korte Paradijsrivier uit een diepe kloof te voorschijn kwam die het Zwarte-Woud-massief bijna doormidden sneed. ‘Later,’ zei Madame tegen Claude, ‘wanneer het donker is, zul­len we de lichten van Finiah tegen de noordelijke hemel kunnen zien. Het staat op een vooruitstekende heuveltop in de Rijn. Het is geen grote stad, maar ze is de oudste van alle Tanu-steden en ze wordt altijd met veel pracht en praal verlicht.’ ‘Waarom zijn ze dan uit dit gebied verder naar het zuiden getrokken?’ vroeg Claude. ‘Uit wat ik heb gehoord, begrijp ik dat de meeste van hun steden rondom het Middellandse-Zeege­bied liggen, waardoor ze deze noordelijke streken min of meer aan de Firvulag hebben overgelaten.’
    ‘De Tanu houden van een goed warm klimaat. Ik denk dat in de verdeling van dit gebied tussen beide groepen ook een oud patroon naar voren komt, dat misschien wel teruggaat tot de oorsprong van dit dimorfische ras. Je zou je een wereld kunnen voorstellen met opvallende terreinverschillen waar zich hoog­land- en laaglandvormen ontwikkelden die mogelijk van elkaar afhankelijk waren en tegelijk elkaars vijanden. Met de komst van een technische beschaving en de eventuele migratie naar andere werelden, zouden die oude spanningen worden gesubli­meerd. Maar Tanu- en Firvulag-genen hebben zich blijkbaar nooit ten volle met elkaar vermengd. Van tijd tot tijd zouden oude tegenstellingen onder dit ras weer de kop op kunnen ste­ken.’
    ‘Om vervolgens onderdrukt te worden door een technisch inge­stelde meerderheid,’ zei Claude, ‘totdat een groep barbaarse orthodoxen hier een perfecte schuilplaats vond in plaats van op de gebruikelijke donquichotachtige manier aan hun einde te komen.’
    Ze knikte instemmend. ‘Onze Pliocene Aarde was perfect voor deze bannelingen totdat de ironie wilde dat precies zulke mense­lijke donquichotten dezelfde wijkplaats wilden hebben.’ Ze wees naar een vrachtschip dat door samengeperste lucht werd voortbewogen. ‘Daar gaat een van de produkten van de menselijke geest. Voor de mensen kwamen, bezaten de Tanu enkel simpele vlotten van hout. Er was maar heel weinig scheep­vaart, want ze hebben een hekel aan water. Ze hielden toezicht op hun plantages en deden zelfs een stuk eerlijk handwerk, want er waren niet veel rama-slaven. De halsringen voor de kleine apen moesten met de hand worden gemaakt op dezelfde wijze als hun eigen gouden ringen.’
    ‘Wil je daarmee zeggen dat menselijke kennis hen in staat stelde tot massaproduktie?’
    ‘Wat de halsringen van de apen betreft, ja. Het hele systeem van de zilveren en grijze ringen en hun verbinding met de gouden halsringen van de Tanu-heersers is ontworpen door een mense­lijke psychobioloog. Ze hebben een halfgod van hem gemaakt en hij leeft nog altijd in Muriah… Sebi-Gomnol, Heer Bedwin­ger! Maar ik herinner mij de gierige, kleine, zichzelf hatende man die veertig jaar geleden naar mij toekwam. Toen heette hij Eusebio Gomez-Nolan.’
    ‘Dus een mens is verantwoordelijk voor deze hele slaventoestand? Lieve Jezus! Waarom verpesten we altijd alles, waar we ook gaan?’
    Ze lachte bitter en kort. Met haar haren in zweterige krullen om haar oren en haar voorhoofd leek ze amper vijfenveertig jaar.
    ‘Gomnol is niet de enige verrader van ons ras. Ik herinner me een Turk die bij het circus had gehoord, Iskender Karabekir. Zijn liefste wens was, zoals hij me vertelde, sabeltandtijgers aan zijn dressuur te onderwerpen. Maar ik heb ontdekt dat hij zich hier vooral heeft toegelegd op het domesticeren van chaliko’s en beerhonden, en dat is van cruciaal belang geweest voor de domi­nantie van de Tanu. Vroeger, tijdens de Jacht of de Grote Veld­slag, vochten de Tanu en de Firvulag te voet. Beide groepen waren aan elkaar gewaagd, want wat de Firvulag te kort kwa­men aan listigheid en psychische vermogens, maakten ze goed door hun grotere aantallen en betere weerbaarheid. Maar een Jacht, uitgevoerd door bereden Tanu was heel wat anders. En een Grote Veldslag met Tanu-ruiters en menselijke krijgers met halsringen op chaliko’s terwijl de Firvulag nog te voet vochten, is veranderd in een jaarlijkse slachtpartij.’ Claude streek nadenkend langs zijn kin. ‘En toch ... ik moet nu denken aan de slag om Agincourt, als je me niet kwalijk neemt.’
    ‘Bogen kunnen de Tanu niet verslaan,’ zei Angélique Guderian, ‘en kruit evenmin. Niet zolang perverse leden van ons eigen ras hun soortgenoten verraden! Wie heeft de Tanu geleerd hoe de sterilisatie van onze vrouwen ongedaan moest worden gemaakt? Een gynaecoloog van de planeet Astrakhan. Een vrouw! Niet alleen onze talenten maar zelfs onze genen staan in dienst van de buitenaardsen en heel wat mensen, zoals Martha bijvoorbeeld, verkiezen de dood, liever dan fokmateriaal te worden voor de Tanu. Weet je hoe Martha bij ons is gekomen?’ Claude schudde zijn hoofd.
    ‘Ze wierp zichzelf in de Rijn en wilde in de wassende voorjaars­rivier verdrinken, liever dan nog een vijfde keer zwanger te wor­den. Maar ze spoelde weer aan, dieu merci, en Steffi vond haar en bracht haar weer op de been. En er zijn er heel wat zoals Martha onder ons. Hen te kennen, van hen te houden en te weten dat ik uiteindelijk de enige verantwoordelijke ben voor hun lij­den ... je zult begrijpen waarom ik geen rust zal hebben tot de macht van de Tanu gebroken is.’
    De tinkleurige rivier veranderde langzaam in goud. Aan de kant van het Zwarte Woud werden de hoogten van de Feldberg ver­licht door de ondergaande zon. Om Sugoll te bereiken zouden ze naar dat hoogland moeten gaan en daarbij minstens zeventig kilometer beboste bergen door trekken voordat ze zelfs maar aan hun zoektocht naar de Donau konden beginnen.
    Don Quichot,’ zei Claude met een glimlach.
    Heb je er spijt van dat je beloofd hebt te helpen? Jij bent voor mij een raadsel, Claude! Felice, Richard, Martha, die kan ik begrijpen, de sterke karakters als Commandant Burke. Maar jou niet. Ik begrijp niet waarom je naar het Plioceen bent geko­men en nog minder waarom je erin hebt toegestemd mee te gaan op deze zoektocht naar het Scheepsgraf. Je bent te overgevoelig, te zeer bezig met jezelf en ook te veel débonnaire!’ Hij lachte. ‘Je moet proberen het Poolse karakter te begrijpen, Angélique. Dat is altijd aanwezig, zelfs in een Poolse Amerikaan als ik. We hadden het over oorlogen. Weet je waarop de Polen het meest trots waren? Dat gebeurde aan het begin van de Twee­de Wereldoorlog. De pantsertanks van Hitier rolden het noorden van Polen binnen en niemand had moderne wapens om ze tegen te houden. Dus viel de Pommerse Cavalariebrigade de tanks te paard aan en ze werden weggevaagd, mensen en dieren. Het was waanzin maar het was ook glorieus en zeer, zeer Pools. En als jij me nu eens vertelde waarom jij besloot naar het Plioceen te gaan?’
    ‘Het had niets met romantiek te maken,’ zei ze. Haar gewoonlijk scherpe toon was verdwenen, er klonk zelfs niets van spijt in door. Ze vertelde haar verhaal op effen toon alsof het om de weergave ging van een toneelstuk dat ze meerdere malen had moeten bijwonen.
    ‘In het begin, toen ik belust was op geld, kon het mij niet schelen wat voor wereld daar aan de andere kant van de tijdpoort lag. Maar later, toen mijn hart erdoor werd geraakt, werd het anders. Ik heb geprobeerd te zorgen dat de tijdreizigers mij een boodschap terugzonden, zodat ik zeker wist hoe het er daar zou uitzien. Keer op keer heb ik aan betrouwbaar lijkende personen materialen meegegeven waarvan ik zeker was dat ze de omke­ring van het tijdveld konden doorstaan. Heel vroege proefnemin­gen door mijn overleden echtgenoot hadden aangetoond dat barnsteen het best was. Dus bestonden al mijn enveloppen uit dit materiaal, zorgvuldig doorgesneden en met dunne plaatjes kera­misch materiaal die eenvoudig beschreven konden worden, om ertussen te doen. Ik gaf verschillende reizigers de opdracht om het Plioceen nauwkeurig te bestuderen, hun afgewogen oordeel erover op te schrijven en daarmee terug te gaan naar de tijdpoort waar de transmissies zonder uitzondering altijd plaatsvonden bij zonsopgang. Professor Guderian had namelijk al lang geleden ontdekt dat de zonnetijd in die periode overeenkwam met de onze. Ik wilde alle nieuwkomers het voordeel geven van zoveel mogelijk daglicht om aan hun nieuwe omgeving te wennen, dus verzond ik hen altijd bij zonsopgang. Malheuresernent, dat vast­staande tijdstip maakte het voor de handlangers van de Tanu wel erg gemakkelijk om de tijdpoort te controleren! Lang voor ik mijn eerste proeven deed met die barnstenen briefhouders, had­den de buitenaardsen kasteel Doortocht al gebouwd en alle stap­pen genomen om iedere tijdreiziger direct bij aankomst te kun­nen overmeesteren.’
    ‘Dus je hebt nooit een boodschap uit het verleden ontvangen?’ ‘Niets. In latere jaren hebben we ingewikkelder technieken uit­geprobeerd, maar niets werkte. We ontvingen geen beelden, geen geluiden uit het Plioceen. We kregen onze machines altijd in onbruikbare staat terug. Natuurlijk begrijpen we nu waar­om!’
    ‘En toch bleef je de mensen doorsturen?’ Haar gezicht zag er nu opgejaagd uit. ‘Ik kwam keer op keer in de verleiding ermee te stoppen. Maar de pathetische wanhoop van hen die per se hierheen wilden en hun overreding brachten me er steeds toe door te gaan. Toen kwam er een ogenblik waar­op mijn angstige geweten niet langer wilde zwijgen. Ik nam opnieuw barnsteen en maakte daarvan een simpele schakeling om de hendel van de machine te bedienen en ging zelf naar deze wereld op zes miljoen jaar afstand om te zien wat er aan de hand was.’
    ‘Maar…’ begon Claude.
    ‘Om mijn toegewijde staf te misleiden, die me anders vast en zeker zou hebben tegengehouden, maakte ik de overtocht des nachts.’ ‘Ah.’
    ‘Ik kwam terecht in een verschrikkelijke stofstorm, een hel vol wurgende wind waardoor ik op de grond werd gegooid en als een pluisje over het droge plateau geblazen. Ik had een paar van mijn geliefkoosde rozen meegenomen en daar klemde ik mij in mijn angst aan vast. Ik werd over de rand van een droge rivierbedding gedreven door die orkaan en kwam beneden op de rotsen terecht waar ik tot de dageraad bewusteloos heb gelegen, lelijk onder de blauwe plekken, maar verder niet echt gewond. Tegen de tijd dat de zon opkwam, was de storm gaan liggen. Ik had het kasteel al ontdekt en stond net op het punt daar hulp te gaan halen toen de bedienden naar buiten kwamen om de nieuwkomers van die och­tend af te halen.’
    Ze pauzeerde en er verscheen een heimelijke glimlach om haar mond. ‘Maar die dag kwamen er geen tijdreizigers. Mijn stafle­den waren te zeer ontdaan, begrijp je. De mensen van het kasteel werden zeer opgewonden en renden terug. Niet lang daarna kwam een troep soldaten in volle galop door de kasteelpoort en ging naar het oosten. Ze kwamen de plek waar ik verborgen lag onder de struiken op nog geen dertig meter voorbij. En aan het hoofd van die troep reed een enorm grote, buitenaardse man, helemaal gekleed in purper en goud.
    Je zult begrijpen dat ik nogal wat pijn had. Ik zag kans in een soort holte tussen de rotsen te kruipen, onder de wortels van een acacia die op de rand van een droog ravijn groeide. Terwijl de zon steeg, kreeg ik steeds meer dorst. Maar die kwelling was niets vergeleken bij mijn zielsangst. Thuis had ik eindeloos veel afschuwelijke variaties op het leven in het Plioceen bedacht, afschrikwekkende dieren, onherbergzaam terrein, uitbuiting van nieuwkomers door tijdreizigers die zich ginds al gevestigd hadden, ik sloot zelfs de mogelijkheid van een verkeerd functio­neren van het transmissieveld niet uit waardoor de reizigers mis­schien wel in volstrekte vergetelheid terechtkwamen. Maar ik had me geen ogenblik voorgesteld dat in die oude tijd onze pla­neet overheerst kon zijn door een niet-menselijk ras. Zonder het te weten had ik al die pathetische en van hoop vervulde mensen rechtstreeks in slavernij gestuurd. Ik wierp mijn gezicht in het stof en ik vroeg God mij te willen doden.’ ‘Oh, Angélique.’
    Ze leek hem niet te horen of te zien. Haar stem klonk uiterst rustig, nauwelijks hoorbaar te midden van het toenemende geluid van vogels en insekten in de Rijnlanden. ‘Toen ik ten slotte met huilen ophield, zag ik een rond voorwerp dat half in het zand begraven lag, niet meer dan een armlengte bij me vandaan op de bodem van het ravijn. Het was een meloen. De schil was stevig en niet gebroken terwijl hij door de storm over het plateau was gevoerd. Ik sneed hem met mijn kleine couteau de poche doormidden en merkte dat hij overzoet was en vol met sap. Zo werd mijn dorst gestild en zag ik kans de dag te overleven.
    Heel laat in de middag verscheen er een stoet van karren, die door vreemde dieren werd getrokken. Ik weet nu dat het helladotheria waren, giraffe-achtigen met korte nekken die gebruikt werden als trekdieren. Er zaten mensen op de karren en ze ver­voerden voer, een soort bietwortels die bestemd waren voor de chaliko’s op het kasteel. De karren gingen er binnen en kwamen een tijd later de poort weer uit, beladen met mest. Terwijl ze door het laagland reden, volgde ik ze vanuit de verte. Even voor de nacht viel, kwamen we bij een soort boerderij waarvan de gebouwen door een palissade werden beschermd. Ik verborg mezelf in de struiken en probeerde te bedenken wat ik doen moest. Wanneer ik me aan de mensen op de boerderij liet zien, zouden ze me zeker herkennen. En hield dat niet de mogelijk­heid in dat ze wraak zouden willen nemen omdat ik hen hun dromen had ontnomen? Ik zou die straf accepteren wanneer God dat zo wilde. Maar tegelijk begon ik al te vermoeden dat hier een andere rol voor me was weggelegd. Ik ging dus niet naar de boer­derij, maar trok in plaats daarvan het dichte bos in dat eraan grensde. Ik vond een bron en at een klein beetje van het voedsel dat ik in mijn overlevingsset bij me had. Ik maakte me gereed om de nacht door te brengen in de vork van een grote kurkeik, pre­cies zoals we dat vandaag in deze cipres hebben gedaan ...’ De drie andere leden van het gezelschap waren ontwaakt op hun rustplaatsen in de hogere takken van het geboomte. Ze kwamen langzaam en traag als luiaards naar beneden en zochten naast Claude een plaats om mee te luisteren. De oude vrouw, die met haar voeten naar beneden bungelend ver van de stam zat, scheen hen amper op te merken.
    ‘Heel laat in de nacht, nadat de maan al was ondergegaan, kwa­men de monsters. Eerst was het heel stil, alsof alle geluiden van het oerwoud werden afgesneden. Ik hoorde het geluid van hoorns en een soort geblaf. Toen leek het alsof de maan plotseling weer opkwam boven een verhoging in het landschap, noordelijk van de boom waarin ik verborgen zat. Ik begon licht in allerlei kleuren te onderscheiden dat afkomstig was van iets vlammends dat zich wendend en kerend door de bomen scheen te werken. Het kwam over de helling in mijn richting. Tegelijk hoorde ik het geluid als van een storm, muzikaal en tevens angstaanjagend. De woeste verschijning veranderde in een stoet van elfen ... De Jacht! Het gloeide als waanzinnig terwijl het de heuvels afkwam. Ze joegen iets achterna. Toen die wervelwind van met juwelen behangen ruiters een klein bergdal instormde, ongeveer tweehonderd meter bij mij vandaan, kon ik in het heldere licht van de sterren hun prooi zien. Een groot schepsel, zo zwart als inkt met bunge­lende armen als een zeeduivel die uit zijn schouders kwamen en ogen als grote rode lampen.’
    ‘Fitharn!’ siste Richard. Claude gaf hem een por in de ribben. Madame schonk geen aandacht aan die onderbreking. ‘Het zwarte monster dook tussen de bomen op de helling bene­den me en kwam nog steeds dichterbij, met de Jacht vlak op zijn hielen. Ik ben nooit in mijn leven zo bang geweest. Mijn ziel leek te krimpen van angst, hoewel ik geen kik gaf. Uit alle macht bad ik om hulp, me vasthoudend aan de grote tak van de kurkeik en mijn ogen gesloten. Ik hoorde het geluid van carillons en donder­slagen, een loeiende wind, verblindende lichtflitsen die ik zelfs met gesloten ogen kon waarnemen en de stank van vuiligheid en verstikkend parfum. Iedere zenuw in mijn lichaam leek tot het uiterste belast en gespannen, maar ik dwong mezelf te blijven waar ik was.
    Toen trok de Jacht voorbij. Ik wist dat ik bezig was flauw te vallen, maar ik dreef mijn nagels diep in de zachte bast van de boom en voorkwam zo dat ik viel. Toen kwam de duisternis en ik wist van niets meer. Toen ik wakker werd, stond een kleine man met een grote hoed onder aan mijn boom naar mij omhoog te kijken. Het licht van de sterren scheen op zijn ronde wangen en zijn puntige neus. Hij riep: “Goed gedaan, vrouw, je hebt ons beiden bedrogen!” ’
    Claude en de anderen moesten lachen. Madame keek van de een naar de ander met een milde trek van verbazing op haar gezicht. Toen schudde ze haar hoofd en permitteerde zichzelf een kleine glimlach. ‘Fitharn zorgde voor me en nam me mee naar de ondergrondse woning van een van zijn soortgenoten waar we veilig waren voor verdere achtervolging. Later, toen ik weer wat bij mijn positieven was gekomen, sprak ik lang met het Kleine Volk en leerde hoe de werkelijke situatie in het Plioceen was. Omdat ik was wie ik was en omdat ik blijkbaar kort maar heel krachtig gebruik had gemaakt van psychische vermogens om mijzelf verborgen te houden, werd ik ten slotte door Fitharn naar het hof van de Firvulag gebracht in Hoog Vrazel in de Vogezen. Ik stelde voor dat de Firvulag de mensen voortaan als bondgeno­ten zouden beschouwen in plaats van hen te achtervolgen zoals tot nu toe hun gewoonte was geweest. Ik zocht op mijn beurt contact met de soi-disant Minderen in de omgeving en wist hen ervan te overtuigen dat zo’n bondgenootschap zinnig was. We zorgden voor verscheidene ontmoetingen met de grijzehalsringdragers die de Firvulag tot voordeel strekten en daarmee was de alliantie bezegeld. Koning Yeochee gaf mij een gouden halsring nadat onze spionnen zijn krijgers in staat hadden gesteld Iskender-Kernonn in een hinderlaag te lokken en te doden. Die Heer van de Dieren was dezelfde Turk die eerder zijn geperverteerde talenten had misbruikt in dienst van de Tanu. Daarna waren er kleine overwinningen en grotere nederlagen, verfijningen van onze strijdtechnieken, voor-en achteruitgang. Maar in mijn geest heb ik altijd de hoop gekoesterd dat ik op een dag in staat zou zijn het kwaad ongedaan te maken dat ik heb aangericht.’ Er klonk een schamper lachje uit de schemering aan de andere kant van de cipres. Martha zat afgezonderd van de anderen in een gevorkte tak. ‘Hoe nobel, Madame, om alle schuld op je te nemen. En het dan ook nog alleen goedmaken.’ De oude vrouw gaf geen antwoord. Ze bracht haar hand naar haar hals en stak twee vingers tussen de gouden band alsof ze die wilde losmaken. Haar diepliggende ogen glinsterden, maar zoals altijd bleven de tranen uit.
    Uit de moddervlakten bovenstrooms kwam het lage trompette­ren van olifanten. Dicht bij hun schuilplaats in de boom begon een of ander schepsel een klagend hoo-ah-hoo, hoo-ah-hoo ein­deloos te herhalen. Grote vleermuizen zwierden tussen de pal­men die op hogere grond stonden. Boven de waterpoelen begon zich al mist te vormen die haar armen aarzelend naar de Rijn zelf uitstrekte.
    ‘Laten we hier weggaan,’ zei Felice plotseling. ‘Het is nu donker genoeg. We moeten over de rivier zijn voor de maan boven de bergen komt.’ ‘je hebt gelijk,’ zei Claude. ‘Help jij met Richard Martha naar beneden.’ Hij stak zijn hand uit naar Angélique Guderian. Samen klommen ze uit de boom en begonnen naar de waterkant te lopen.

4

    Het Zwarte Woud van de zoveel oudere Aarde bestond uit door en door gecultiveerd bos. Van buitenaf en van een afstand leken de dennen en de sparren donker, maar binnen dat bos in de 22e eeuw was alles groen en aangenaam; zorgvuldig aangelegde voetpaden stelden zelfs de meest luie wandelaars in staat hun zwerflust te bevredigen zonder het geringste ongemak. Alleen in het meest zuidelijke deel, rondom de Feldberg en de omringende toppen, kwam het terrein boven de duizendmetergrens. Het Schwarzwald was in die eeuw bezaaid met kuuroorden, geres­taureerde kastelen, kleine nederzettingen en bergdorpjes waar bezoekers van buiten de Aarde gekostumeerd welkom werden geheten met Kirschtórten die het water in de mond deden lopen.
    Maar het Pliocene Schwarzwald was heel iets anders. Voor de erosie van de kleine Pliocene gletsjers de bergen afkalf­de, was het hoger en dreigender. Tegenover de trogvormige val­lei waardoor de Proto-Rijn stroomde, bevond zich een steilte, een bergwand die bijna anderhalve kilometer loodrecht omhoog­rees en slechts hier en daar werd onderbroken door nauwe kloven die door bergstromen waren uitgesleten. Reizigers te voet die het Zwarte Woud vanaf de rivier naderden, moesten dit stuk gebergte overwinnen, gaande langs bedrieglijke wildpaden en struikelend over rotsen van graniet die onder de overvloedige begroeiing verborgen lagen en die glibberig nat waren, zelfs in het droge seizoen, door de nevel die hier neersloeg en die afkom­stig was van talloze watervallen. Goed getrainde Firvulag kon­den die bestijging in acht uur voltooien. Madame Guderian en haar kreupele gezelschap had er drie dagen voor nodig. Boven de rand van de oostelijke horst begon het echte Zwarte Woud. Vlak bij de rivier, waar krachtige winden vanuit de Alpen kwamen, groeiden de pijnbomen en sparren in fantastisch ver­wrongen vormen. Sommige stammen leken op drakenvleugels of kronkelende bruine pythons, andere op menselijke, voorgoed in die ene vorm bevroren reuzen waarvan de bovenste ledematen in elkaar waren geweven tot een dak van takken dat vaak twintig of dertig meter boven de bodem uitstak.
    Verder naar het oosten werd dit verwrongen bos bezadigder en minder chaotisch. De grond van het zuidelijke Zwarte Woud rees snel tot een hoogte van tweeduizend meter, bestaande uit drie afzonderlijke toppen. Op de flanken van de westelijke hel­ling groeiden coniferen van ontzaglijke afmetingen, witte den­nen en Noorse pijnbomen die zeventig meter hoog zo dicht opeenstonden dat een boom die stierf, nauwelijks ruimte had om te vallen en in plaats daarvan tegen zijn buren leunde tot hij verging en in gedeelten op de bodem terechtkwam. Maar zelden was er in dat dichte woud voldoende ruimte voor Richard om hun koers te bepalen aan de hand van de zon of de Poolster. Nergens vonden ze een duidelijk pad, dus moest de vroegere ruimtevaarder er zelf een bepalen, gaande van het ene herken­ningsteken in het landschap naar het andere, zonder ooit meer zicht te hebben dan een twintigtal meters ten gevolge van de dichte begroeiing.
    In de onderste regionen van dit altijd groene landschap kwam maar weinig zon. Er heerste een eentonige, blauwachtige sche­mering waar geen lager struikgewas of planten wilden groeien. Enkel paddestoelen en zwammen vegeteerden op het afval van de grotere bomen. Sommige van de groeivormen die gedijden op die ontbinding waren planten met een gedegenereerde bloeiwijze, ziekelijk bleke stengels met knikkende, spookachtige bloe­sems in krijtwitte kleuren of geel gevlekt. Maar overheersend onder deze parasieten van de dood waren toch de mossoorten en de zwammen. Voor de vijf mensen die door het Zwarte Woud van dit Plioceen reisden, leek het dat deze—en niet de torenhoge coniferen—hier de dominante levensvorm waren. Ze zagen trillende lagen van oranje of wit of een stoffig, door­zichtig geel dat langzaam over de laag afstervende dennenaalden en vergaan hout kroop als een reusachtige amoebe. Er waren sponsachtige zwammen die met hun roze kleuren op baby-oren leken, maar ook verstijfde geweldenaren die als traptreden uit boomstammen te voorschijn sproten en sterk genoeg waren om het gewicht van een man te dragen. Er waren sponzige massa’s van mottig zwart en wit die meerdere vierkante meters bedekten alsof daaronder iets onuitspreekbaars verborgen moest worden gehouden. Er waren luchtige sluiers, bleekblauw en ivoorwit en scharlakenrood, die van rottende takken naar beneden hingen als langzaam vergaand kantwerk. In het woud stonden met poe­der gevulde paddestoelen die een doorsnede hadden van twee en een halve meter naast andere die niet groter waren dan de parels uit een snoer. Eén variëteit van zwammen overdekte alles wat vergaan was met scherpe tandjes die leken op gekleurde pop­corn. Er waren obscene voorwerpen die de vorm hadden van kan­kerende gezwellen, sierlijke, recht omhooggaande ranken, brok­ken die op rauw vlees leken, fraai gepolitoerde stervormen; zie­kelijke purperen, druipende fallussen, parasols voor feeën die binnenstebuiten waren gekeerd, sausen met een laagje bontach­tige schimmel, paddestoelen in ontelbare vormen en maten, ’s Nachts waren ze fluorescerend.
    De reizigers hadden nog eens acht dagen nodig om dit Woud van Zwammen te doorkruisen. Al die tijd zagen ze geen enkel dier dat groter was dan een insekt, maar tegelijkertijd wilde hen nooit het gevoel verlaten dat ze door onzichtbare wachters die net buiten hun gezichtsveld lagen, werden gadegeslagen. Mada­me Guderian verzekerde de overigen keer op keer dat dit hele gebied veilig was ondanks het afschrikwekkende uiterlijk. Er waren geen voedselbronnen voor vleesetende dieren in dit spon­zige koninkrijk van leven-in-dood en nog minder om de Firvulag te onderhouden die beruchte tafelschuimers waren. Het dicht in elkaar geweven dak van takken maakte het een Vliegende Jacht onmogelijk hen waar te nemen. En patrouilles van de Minderen door soortgelijke bossen hadden gerapporteerd dat die volstrekt leeg waren, op de bomen, de zwammen en de parasieten na. Maar het gevoel bleef.
    Ze leden en werkten zich grommend en klagend door die spook­achtige bossen, vaak wadend over lage zachte begroeisels waar­onder verraderlijke, beenbrekende gaten verscholen lagen. Richard klaagde dat de sporen in de lucht hem deden stikken. Martha verviel in een bloedeloze zwijgzaamheid nadat ze Madame één keer te vaak had lastig gevallen met de opmerking dat iets zich verscholen hield tussen de reusachtige padde­stoelen. Claude werd het slachtoffer van een jeukaanval die zich tot in zijn oksels voortzette. Zelfs Felice stond op het punt het uit te schreeuwen van ellende op die eindeloze tocht; ze was er zeker van dat iets bezig was in haar oren te groeien. Toen ze eindelijk het Woud van Zwammen achter zich hadden gelaten, schreeuwde iedereen, zelfs Madame, van opluchting. Ze kwamen op een zonnige alpenweide die zich naar het noorden en het zuiden uitstrekte over de helling van een golvende berg­kam. Links van hen verrees een hoge piek en rechts waren twee andere, naakt en grijs omhooggaande toppen te zien. Voor hen uit en verder naar het oosten lag de ronde steilte van de Feldberg zelf.
    ‘Blauwe lucht!’ schreeuwde Martha. ‘Groen gras!’ Zonder reke­ning te houden met haar gebrekkige fysieke conditie begon ze over de met bloemen bezaaide vlakte te rennen en klom naar de top van een verhoging aan de oostkant terwijl de anderen haar langzamer volgden. ‘Er ligt een klein meer beneden, op nog geen halve kilometer,’ riep ze. ‘En prachtige, normale bomen! Ik ga mezelf afboenen en in het water weken en in de zon liggen tot ik gekookt ben als een garnaal. En de rest van mijn leven wil ik geen paddestoel meer zien.’
    ‘Wat je gelijk hebt, liefje,’ stemde Richard in. ‘Zelfs geen truf­fel.’
    Ze daalden af naar het prachtige kleine water, dat in de diepten ijskoud was, maar in ondiepere, kleine poelen langs de rotsige begrenzing door de zon opgewarmd. Ze gunden zich de luxe eindelijk weer schoon te worden. Hun hertenleren kleding lieten ze weken in een klein stroompje dat vanuit het meer naar bene­den liep in de oostelijke valleien. Schreeuwend als kinderen spar­telden ze rond, zwemmend en duikend en rollend van plezier. Nooit sinds zijn aankomst in het Plioceen was Richard zo geluk­kig geweest. Allereerst zwom hij naar de overkant en vervolgens terug. Het water was niet veel breder dan een vijftigtal meters. Daarna vond hij een ondiepte waar het water precies de goede temperatuur had en hij liet zich daar drijven, de zon rood­gloeiend achter zijn gesloten oogleden. Donker zand, schilferig aanvoelend als mica, bedekte de bodem. Hij haalde handenvol ervan omhoog en wreef er zijn hele lichaam en zelfs zijn hoofd mee af. Daarna zwom hij nog een keer op volle snelheid over het meertje en zocht toen een warme plaat graniet uit om te dro­gen.
    ‘Je had voor de Politieke Spelen moeten inschrijven,’ zei Martha.
    Hij kroop wat hoger op zijn granietblok en keek over de rand. Ze lag beneden hem, plat op haar buik in een beschutte holte en keek hem met één oog aan. Schitterend roze bloemen groeiden in de rotsspleten om haar heen.
    ‘Hoe voel je je nu?’ wilde hij weten. En hij dacht: Hé! Ze ziet er zo heel anders uit. Schoon, ontspannen en glimlachend waar­door de ene mondhoek wat hoger kwam te staan dan de ande­re.
    ‘Ik voel me veel beter,’ zei ze. ‘Waarom kom je niet naar bene­den?’
    Op de andere oever van het meer lagen Claude en Madame Guderian naast elkaar op hun bedden van decamole tussen de gentianen, de asters en de grasklokjes. Ze lieten de ellende uit hun oude botten stromen en kauwden op bosbessen die over de hele weide aan de laaghangende struikjes groeiden. Op een steenworp afstand was Felices bleke lichaam ingespannen bezig met het volvoeren van ritmische bewegingen. Keer op keer was het kletsende geluid te horen waarmee ze haar doorweekte kle­ding tegen de rotsen in de kleine stroom sloeg. ‘Ah, om weer jong te zijn en vol energie,’ zei Madame, terwijl een trage glimlach om haar lippen speelde. ‘Die kleine zit zo vol enthousiasme over deze waanzinnige expeditie van ons. En wat een geduld en kracht heeft ze niet opgebracht voor die arme Martha. Ik vind het moeilijk om jouw harde oordeel over haar karakter te begrijpen, mon vieux.’
    Claude gromde. ‘Net een kleine, barmhartige engel. . . Angélique, ik ben aan het rekenen geslagen.’ ‘Sans blague?’
    ‘Dit is niet leuk. We zijn vijftien dagen geleden bij Yeochee in Hoog Vrazel weggegaan. Elf daarvan hebben we nodig gehad om dertig kilometer af te leggen van de Rijn naar het Schwarzwald. Ik denk niet dat we ook maar de geringste kans hebben om bij de Rieskrater te komen binnen die limiet van vier weken, zelfs niet als we door Sugoll geholpen worden. We hebben waar­schijnlijk nog een veertig of vijftig kilometer over land voor ons voor we de Donau bereiken. En dan is het nog zowat tweehon­derd verdomde kilometers naar de Ries.’ Ze zuchtte. ‘Je hebt waarschijnlijk gelijk. Maar Martha is nu sterk genoeg om ons tempo niet langer te vertragen, dus gaan we toch door. Wanneer we niet tijdig voor de Wapenstilstand terug zijn, zullen we op een andere gelegenheid moeten wachten om Finiah aan te vallen.’
    ‘Dat kunnen we niet doen tijdens de Wapenstilstand?’ ‘Niet als we hulp willen hebben van de Firvulag. Die Wapenstil­stand, die ongeveer een maand beslaat voor en na de Grote Veld­slag, is heilig voor beide rassen. Niets zou hen ertoe kunnen bewegen elkaar gedurende die Wapenstilstand te bevechten. In die tijd trekken alle strijders en helden van en naar de rituele strijd die vlak bij de Tanu-hoofdstad wordt gehouden op de Wit­te Zilvervlakte. Vroeger, toen de Fitvulag die jaarlijkse strijd soms wonnen, was het Kleine Volk zelf de gastheer op hun eigen Veld van Goud. Dat ligt ergens in het Parijse Bekken, dicht bij een grote stad van de Firvulag die Nionel heet. Maar sinds de expansie van de Tanu is die stad vrijwel verlaten en de Veldslag is daar in geen veertig jaar meer gehouden.’ ‘Het zou anders tactisch verstandig zijn om achter die mijn aan te gaan wanneer de Tanu niet in de stad zijn. Hebben we de Firvulag echt nodig?’
    ‘Dat hebben we,’ zei ze vastbesloten. ‘We zijn zelf maar met een handvol en de heerser in Finiah laat de mijn nooit helemaal onverdedigd. Er zijn altijd zilveren- en grijze-halsringdragers en sommigen van de zilveren kunnen vliegen. Maar de werkelijke reden heeft ook te maken met het ontwerp van mijn plan. Strate­gie is belangrijker dan tactiek op korte termijn. We zijn er niet op uit enkel de mijn te verwoesten, we willen het hele verbond tussen mensen en Tanu ondergraven. Het hoofdplan bestaat uit drie fasen: eerst de actie tegen Finiah; ten tweede, infiltratie van de hoofdstad Muriah waar de fabriek zou moeten worden ver­woest; en ten derde, de sluiting van de tijdpoort bij kasteel Door­tocht. Oorspronkelijk hadden we een soort guerrilla-oorlog tegen de Tanu in gedachten nadat deze drie doelen waren bereikt. Nu we de beschikking krijgen over ijzer verkeren we in een sterkere positie, sterk genoeg om een wapenstilstand te eisen en de vrijlating van alle mensen die de Tanu niet vrijwillig die­nen.’
    ‘En wanneer zouden fase twee en drie in werking moeten worden gezet? Tijdens de Wapenstilstand?’
    ‘Precies. Voor die onderdelen hebben we de Firvulag niet nodig. Tijdens elke Wapenstilstand is de hoofdstad vol met vreemdelin­gen. Zelfs Firvulag komen er dan zonder gevaar te lopen. Door­dringen in de fabriek waar de halsringen worden gemaakt, is dan het eenvoudigst. En wat de tijdpoort betreft...’ Felice kwam rennend als een berggeit naar hen toe. ‘Ik zie licht­flitsen in het oosten, langs de flank van de Feldberg!’ De twee oude mensen sprongen overeind. Madame hield een hand boven haar ogen en keek in de richting die Felice aanwees. Een reeks kortdurende dubbele flitsen kwam van een hoge, beboste helling.
    ‘Dat is het ondervragingssignaal waar Fitharn voor gewaar­schuwd heeft. Op de een of andere manier heeft Sugoll gemerkt dat we zijn domein zijn binnengetreden. Vlug, Felice. De spie­gel!’
    De atlete rende terug naar de stroom waar hun pakken lagen en kwam binnen enkele seconden terug met een vierkant van dun mylar dat over een opvouwbaar frame was gespannen. Madame keek door de centrale opening en flitste het antwoord terug dat Fitharn haar had geleerd: zeven langere flitsen, vervolgens zes, dan vijf en dan vier-drie-twee-een. Ze wachtten.
    Tot het antwoord kwam. Een-twee-drie-vier. Vijf. Zes. Zeven. Acht.
    Ze ontspanden. Claude zei: ‘Ze zullen ons in elk geval niet met­een onderuit halen.’
    ‘Nee,’ stemde Madame in. In haar stem klonk enig sarcasme door. ‘Sugoll zal ons in elk geval eerst willen zien voor hij besluit of hij onze hersens zal doorbranden of niet... Eh bien.’ Ze gaf de spiegel aan Felice terug. ‘Hoe lang denk je dat we nodig zul­len hebben om de voet van de Feldberg te bereiken? De vallei die we moeten doorkruisen is niet al te diep, maar er zijn beboste gedeelten waar les Criards zich zouden kunnen schuilhouden. Waarschijnlijk is er ook een rivier en het terrein zal ruwer zijn dan het Woud van Zwammen.’
    ‘Laten we er maar op rekenen dat Sugoll zijn vrienden en verwanten onder controle weet te houden,’ zei Claude. ‘En op stevi­ge grond in plaats van die sponzige troep kunnen we de pas erin houden, zelfs als het hier en daar wat steil is. Als er niets onver­wachts voorvalt, moeten we daar in een twaalftal uren kunnen zijn.’
    ‘Onze kleren liggen op de warme rotsen te drogen,’ zei Felice. ‘Laat dat nog een uurtje kosten. Daarna kunnen we doorlopen tot de zon ondergaat.’ Madame knikte instemmend.
    ‘Ondertussen ga ik de lunch bij elkaar jagen,’ deelde het meisje opgewekt mee. Ze greep haar boog en rende naakt in de richting van een groep nabije rotsen.
    ‘Artemis!’ riep Madame haar bewonderend achterna. ‘Iemand uit onze oude Groep Groen, een antropoloog, noemde haar ook zo. De maagdelijke Jageres, godin van de boog en de maan. Heel welwillend… zolang je haar tevreden hield met af en toe een mensenoffer.’
    ‘Allons donc! Jij kunt ook maar aan één ding denken, Claude. Je ziet dat kind voortdurend als een bedreiging. En toch kun je met eigen ogen zien hoe geschikt ze is voor de Pliocene wildernis! Als ze er maar tevreden mee wilde zijn hier als een doodgewone vrouw te leven.’
    ‘Daar zal ze nooit mee instemmen.’ Het gewoonlijk zo vriende­lijke gezicht van de paleontoloog werd zo hard als het graniet dat hen omringde. ‘Niet zolang er ergens in Ballingschap nog een gouden halsring over is.’
    ‘Dank je, Richard,’ zei Martha. Ze keek hem glimlachend in de ogen, zijn blik was nog steeds wat versluierd. Hij vond haar mooi genoeg en het was heel goed geweest tussen hen tweeën. ‘Ik was er niet zeker van of je het echt wilde,’ zei hij. ‘Ik wilde je niet... ik wilde je geen pijn doen.’
    Haar vriendelijke lach stelde hem gerust. ‘Ik ben nog geen com­plete bouwval. Hoewel sterke mannen verbleekten toen ze mijn kleine witte lichaam zagen. De vierde geboorte was een keizer­snede en die apen hadden nog nooit van een dwarsligging gehoord. Snijd haar gewoon in het midden open, haal het kostba­re kind eruit en geef dan vlug draad en naald. Het is nooit goed genezen. Een vijfde zwangerschap zou waarschijnlijk mijn einde hebben betekend.’
    ‘Die vuile zwijnen! Geen wonder dat je ... eh ... het spijt me. Je wilt er misschien niet over praten.’
    ‘Het kan me niet schelen. Nu niet meer. Weet je dat jij de eerste man bent na hen? Ik kan de gedachte eraan niet verdragen.’ ‘Maar Steffi...’ begon hij aarzelend.
    ‘Een lieve vriend. We hielden van elkaar, Richard, en hij verzorgde me maandenlang toen ik er slecht aan toe was. Alsof ik zijn jongste zusje was. Ik mis hem verschrikkelijk. Maar ik ben zo blij dat jij hier bent. Die hele reis door dat verschrikkelijke bos heb ik op je gelet. Je bent een goede gids, Richard, en een fijn mens. Ik hoopte dat ik je niet zou tegenstaan.’ Hij ging overeind zitten, zijn rug tegen een heet stuk rots. Ze lag opnieuw op haar buik, de handen onder haar kin. Nu haar buik vol littekens en de armzalig geslonken borsten verborgen waren, zag ze er bijna normaal uit. Maar haar ribben en schouderbla­den staken uit en haar huid had een transparantheid die te veel van de blauwe aderen daaronder liet zien. Onder haar ogen lagen donkere schaduwen. Haar lippen waren eerder purper dan roze terwijl ze naar hem bleef glimlachen. Maar ze had hem met verrukkelijke passie liefgehad, dit wrak van een eens aantrekke­lijke vrouw en wanneer hij eraan dacht dat zij zou kunnen ster­ven voelde hij zijn hart samentrekken van een verbijsterende ongekende pijn.
    ‘Waarom ben jij hier, Richard?’ vroeg ze. En zonder te weten waarom vertelde hij haar het hele verhaal zonder zichzelf te ontzien—de domme rivaliteit tussen de tweelingen, de hebzuch­tige trucs en bedriegerijen die hem ten slotte kapitein hadden gemaakt op een eigen sterreschip, de meedogenloosheid die hem welvaart en aanzien had gebracht, de uiteindelijke misdaad en het gevolg daarvan.
    ‘Ik had het kunnen raden,’ zei ze. ‘We hebben heel wat gemeen, jij en ik.’
    Ze was toeziend ingenieur geweest op Manapouri, een van de twee Nieuwzeelandse planeten waar intensieve mijnbouw in zee een belangrijk deel van de economie uitmaakte. Er werden offer­tes gevraagd voor het bouwen van een sigmaveld-energiekoepel voor een nieuwe stad zes kilometer onder de Zuidelijke Poolzee. Een firma uit de oude wereld stuurde haar mensen om de gene­rator te installeren en iedere fase van dat werk moest persoonlijk door Martha en de leden van haar staf worden geïnspecteerd. Ze had met die technici van buiten bijna zes maanden onafgebroken samengewerkt en tegen die tijd waren zij en het hoofd van het project minnaars geworden. Toen het generatorcomplex voor driekwart was voltooid, ontdekte ze dat de aannemer bepaalde belangrijke materialen door andere had vervangen toen een lading van de Aarde was zoekgeraakt. De vervangende materia­len voldeden maar voor drieënnegentig procent aan de gestelde eisen in de oorspronkelijke specificaties. Maar iedereen wist hoe belachelijk hoog die eisen waren, want Manapouri was aanvan­kelijk onderzocht door de uiterst precieze en pietluttige Krondaku. Haar minnaar had bij haar gepleit. Ontmanteling en vervan­ging zou maanden uitstel betekenen, zijn firma zou verlies lijden en hij liep alle kans ontslagen te worden, al was het alleen maar omdat hij de vervanging had goedgekeurd. Drieënnegentig pro­cent! De koepel en de generator zouden overeind en functioneel blijven onder alle omstandigheden, een ongehoorde tectonische verschuiving van de vierde graad daargelaten. Maar op deze wereld met zo’n stabiele planeetkorst waren de kansen daarop iets van één op twintigduizend. En dus had ze hem zijn zin gegeven.
    De sigmaveldgenerator en de gebouwen werden op tijd en bin­nen het budget voltooid. Het krachtveld ervan vloeide naar bui­ten en duwde het zeewater binnen een omtrek van drie kilometer terug. Binnen die veiligheid ontsprong een mijnstadje dat veer­tienhonderd en drieënvijftig zielen telde. Maar elf maanden later was er een vierdegraadsbeweging, 4.18 om precies te zijn. De generator liet het afweten, de wateren eisten hun verloren gebied weer op en tweederde van de bevolking verdronk. ‘Het ergste was,’ voegde ze eraan toe, ‘dat niemand mij ooit de schuld gaf. Met die 4.18 zaten we al op het randje van wat de oorspronkelijke specificaties hadden kunnen doorstaan. Ik wist dat het ding het had kunnen houden wanneer wij er niet mee geknoeid hadden, maar niemand anders stelde die vraag. Het was een grensgeval en het ding had het begeven. Jammer. Het hele complex was zozeer verwoest door de verschuiving en de watervloed dat niemand zich al te druk maakte om uit te zoeken wat er fout was gegaan. Er was dringender werk op Manapouri te doen dan vijfhonderd klom modder weg te graven om naar oorzaken te zoeken.’ ‘Wat gebeurde er met hem?’
    ‘Hij was een paar maanden eerder om het leven gekomen bij een baantje op Pelon-su-Kadafiron, een Poltryaanse planeet. Ik dacht erover mezelf om het leven te brengen, maar ik kon het niet. Toen niet. In plaats daarvan ging ik hierheen, God mag weten waarom. Wilde mezelf straffen, denk ik. Mijn keurig kop­petje lag helemaal overhoop en dolgedraaid. Je weet wel... je kon alles met me doen, stomp me, sla me, gebruik me, het maak­te niet uit zolang ik niet hoefde na te denken. Die fokmerrieboerderij waar ik hier terechtkwam na kasteel Doortocht was een nachtmerrie. Ze gebruiken er alleen de beste vrouwen voor. Onder de veertig, al of niet met verjonging en de mooisten. De anderen laten ze steriel, die zijn goed voor de dragers van grijze halsringen en de mannen zonder. Maar bij ons werd de vrucht­baarheid hersteld door die Tanu-artsen en daarna werden we doorgezonden naar de plezierkoepels in Finiah. Wil je geloven dat er heel wat versufte en lamgeslagen vrouwen waren zoals ik die dat gewoon maar pikten? En ik bedoel, als je een dame was die er geen bezwaar tegen had op die manier gebruikt te worden, dan was het een bloedgeil paradijs. Ik heb begrepen dat de Tanuvrouwen nog beter zijn als het om opgezweepte seks gaat, maar de mannen lieten wat mij betreft ook niks onberoerd. Die eerste weken waren een nymfomane verrukking. Daarna werd ik zwan­ger.
    Al de moedertjes in verwachting worden door de Tanu konink­lijk behandeld. Mijn eerste baby was blond en aanvallig. Ik had er nooit een gehad en ze lieten me acht maanden voor hem zor­gen. Ik hield zoveel van hem dat ik er geestelijk bijna weer door bovenop kwam. Maar toen ze hem weghaalden, ging ik weer psycholine slikken en wentelde me in seksuele genoegens, net als de rest van al die neukgrage stomme wijven. De volgende zwan­gerschap was afschuwelijk en de baby bleek een Firvulag te zijn. De Tanu maken één op de zeven keer een Firvulag bij mensen en één op de drie keer bij hun eigen vrouwen; Firvulag-ouders krij­gen daarentegen nooit Tanu-kinderen. Hoe dan ook, ze lieten me dat kleine spookwezentje niet verzorgen. Ze namen hem gewoon mee en lieten hem achter op een traditionele plek in het bos. Ik was van die zwangerschap maar nauwelijks bijgekomen, of ze probeerden het al weer. Maar tegen die tijd was al de lol eraf. Ik begon weer nuchter te worden, denk ik. En nuchter moetje daar niet zijn, onverschillig of je een menselijke vrouw of een man bent. Te veel stoten van die Tanu en je begint pijn te krijgen in plaats van plezier. Bij de één gebeurt het sneller dan bij de ander, maar als je tot de gemiddelde mensen behoort, ga je er aan seks met de Tanu vroeg of laat onderdoor.’ ‘Ja,’ zei Richard.
    Ze keek hem onderzoekend aan. Hij lachte, kleintjes en verne­derd. Ze zei: ‘Welkom bij de club ... Goed ... ik kreeg nog een blonde baby en toen een vierde. Dat was die met de keizersnede. Een lief, dik meisje van vier en een halve kilo, zeiden ze. Maar ik was een week doodziek, dus werd het kind uitbesteed aan een min en ze gaven me zes hele maanden rust om mijn ouwe karkas weer in vorm te krijgen. Ze gaven me zelfs een behandeling met Huid, dat is zoiets als een regeneratiebehandeling voor de armen, maar ik schoot er weinig mee op. Degene die me ermee behandelde, zei dat mijn bewustzijn er niet de juiste golflengte voor had. Maar ik wist dat ik niet meer beter wilde worden om nog meer kinderen te krijgen. Ik wilde sterven. Dus liet ik me op een mooie avond rustig in de rivier glijden.’ Hij kon geen woorden bedenken om haar te troosten. Deze spe­ciale vrouwelijke vernedering ging zijn verstand te boven. Hoe­wel hij medelijden met haar had en innerlijk razend was op dege­nen die haar zo hadden gebruikt, die een half menselijke parasiet in haar hadden geplant die zich met haar leven voedde, die haar interne organen en buikwand stukschopte en haar dan nog eens geweld aandeed wanneer het geboren werd. God! En ze zei dat ze hield van die eerste baby! Hoe was zo iets mogelijk? (Hij zou die kleine mormels hebben vermoord voor ze de kans kregen te ademen.) Maar zij had er van één gehouden en ze zou wellicht van de anderen hebben gehouden als ze die niet hadden wegge­haald. Ze hield van die pijnschenkers, die onwaardigen. Kon een man ooit de wegen van een vrouw begrijpen? Je zou toch denken dat ze nooit meer naar een vent zou willen omzien. Maar op de een of andere manier had ze zijn eigen nood geraden en ... ja!... ze had hem ook nodig gehad. Ze vond hem misschien zelfs wel een beetje aardig. Was ze werkelijk zo edelmoedig?
    Alsof ze zijn gedachten geraden had, gaf ze hem een kleine, sensuele glimlach en wenkte hem naar zich toe. ‘We hebben nog tijd over. Als je tenminste zoveel man bent als ik denk.’ ‘Niet als het jou pijn doet,’ hoorde hij zichzelf zeggen nog terwijl hij weer tot leven kwam. ‘Nooit als het jou pijn doet.’ Maar ze lachte alleen maar en trok hem naar zich toe. Vrouwen waren vreemd.
    In een ver verwijderde uithoek van zijn hersens tikte iets een boodschap aan hem uit, een overtuiging die uitgroeide tot enor­me, bijna angstaanjagende proporties terwijl de ongekende spanning in hem opliep tot een hoogtepunt. Deze persoon was niet gelijk aan ‘vrouwen’. Ze was niet, zoals dat met al de ande­ren was geweest, een symbool van vrouwelijke seksualiteit, een troosteres, een ontvangstkanaal voor fysieke ontlading. Ze was anders. Zij was Martha.
    De boodschap was moeilijk te begrijpen, maar hij moest erach­ter zien te komen wat die inhield.

5

    Het was Martha geweest die de Vogelverschrikker zijn naam had gegeven.
    Hij was er ineens geweest, zittend op een rotsblok terwijl hij hen met afkerige woede bekeek. Ze waren die morgen vroeg wakker geworden in hun kamp onder aan de zuidelijke flank van de Feldberg. Hij had zich kortaf voorgesteld als een afgezant van Sugoll en had hen toen opgedragen op te breken zonder Richard zelfs maar de kans te geven een ontbijt te maken. De snelheid die hij aangaf terwijl ze over een uitloper van de berg trokken, was een 9Pzettelijke uitdaging en hij zou hen tegen de berg hebben opge­jaagd zonder een rustpauze wanneer Madame daar niet van tijd tot tijd om had gevraagd. Het dwergachtige schepsel voelde zich duidelijk misbruikt nu hij hen als gids moest dienen en hij had besloten op zijn eigen kinderachtige manier wraak te nemen. De Vogelverschrikker was kleiner dan enige Firvulag die ze tot nu toe hadden gezien en beduidend lelijker. Hij had een tonachtig lijfje met magere armen en benen en een schedel die bijna grotesk was samengeperst tot de omvang van een vogelkopje. Grote, zwarte ogen met diepe zakken daaronder stonden dicht bij elkaar boven een snavelachtige neus. Uitstaande oren die aan de bovenkant slapjes ombogen. Zijn huid was van een vettig roodbruin en het spaarzame haar hing in strengen als bij een natte ragebol. Zijn kleren waren in tegenspraak met zijn afstote­lijke verschijning, ze waren schoon en zelfs fraai: glimmende leren schoenen, een brede riem van bewerkt zwart leer, een wijn­rode broek en hemd en een lang vest met geborduurde vlampatronen en ingenaaide halfedelstenen. Hij droeg een soort frygische muts met een grote broche erop juist boven zijn schrale wenkbrauwen die constant afkeurend waren opgetrokken. Achter hun scharminkelige gids aan trokken de vijf reizigers voorbij ravijnen langs een klein maar duidelijk te onderscheiden spoor en passeerden daarbij een deel van het Zwarte Woud dat bijna evenveel loofbomen als coniferen bevatte. Overal waar de stroompjes van de Feldberg langzaam genoeg naar beneden kwamen om stilstaande poelen te vormen, vonden ze zwaar begroeide dalkommen met grote varens en elzen, rankende cle­matis en sleutelbloemen. Ze kwamen in een ondiepte waar het water van een warme bron uit de grond omhoogwelde. Overvloe­dige en ziekelijk uitziende vegetatie groeide rondom en over het stomende water. Een groep raven kraste een sardonische begroe­ting vanaf het half leeggevreten karkas van een klein hert dat bij de rand van een mineraal bekorste poel lag. Er lagen meer bot­ten, sommige schoon en kaal, andere dik met mos bedekt, ver­spreid in de ondergroei.
    Verder naar het oosten begonnen de rotsformaties te verande­ren. Gekleurde kalkstenen uitsteeksels verschenen tussen het graniet. ‘Een gebied voor grotten,’ merkte Claude op tegen Madame. Ze liepen nu naast elkaar over een pad dat wijder werd en onder een beboste helling doorliep. De zon scheen warm, toch was de paleontoloog zich bewust van een ondergrondse kilte. Op de schaarse plekken waar de rotsen zelf zichtbaar waren, zagen ze rode en blauwe zwaluwen met lange, gevorkte staarten in en uit de holten in het kalksteen vliegen. Slanke olifantsoren groei­den dicht opeen onder de bomen. Daaronder scholen padde­stoelen, witgesteeld, de rode bollen wit gespikkeld. ‘Ze zijn hier,’ zei de oude vrouw ineens. ‘Overal om ons heen! Voel je ze niet? Het zijn er zoveel! En allemaal... misvormd.
    Een ogenblik lang begreep hij de betekenis niet van wat ze zei. IVlaar het klopte, het kwam overeen met die onderstroom van onrust die al sinds vroeg in de morgen aan de rand van zijn bewustzijn hurkte. Het klopte met de knorrigheid van de Vogel­verschrikker die Claude voor een doodgewone Firvulag had gehouden.
    ‘Les Criards,’ zei Madame. ‘Ze volgen ons. Een van hen leidt ons. De Huilers.’
    Het pad liep naar boven over een makkelijke helling, vrij van obstakels. De zwaluwen flitsten tussen de pijnbomen en de ber­ken. Grote gouden banen licht vielen schuin in het woud als zon­licht door open vensters.
    ‘Het is zo’ n mooie plek,’ zei de oude vrouw. ‘En toch huist er hier wanhoop, mon vieux, een verzieking van de geest die me dwars door het hart gaat en die me tegenstaat. En het gevoel wordt sterker en sterker.’
    Hij leende haar zijn arm, want ze struikelde, blijkbaar niet door iets lichamelijks. Haar gezicht was doodsbleek geworden. ‘We kunnen de Vogelverschrikker vragen om te stoppen,’ stelde Claude voor.
    Haar stem klonk gesmoord. ‘Nee. We moeten verder gaan . .. Ah, Claude! Dank God dat ze jou niet gevoelig hebben gemaakt voor de uitstraling van andere geesten. Alle wezens met verstand hebben hun geheime gedachten, die verborgen blijven, behalve voor God. Maar er zijn andere gedachtenstromen, hoger gemo­duleerd als het ware en op een andere golflengte, een soort niet-vocale spraak. Stromen en stormen van emoties. Die omgeven me nu helemaal en het is van een diepe vijandigheid, van een kwaadwilligheid die alleen maar van gestoorde zielen afkomstig kan zijn. De Huilers. Ze haten andere wezens omdat ze zichzelf nog meer haten. En hun gejank vervult mijn geest...’ ‘Kun je het niet buitensluiten? Of jezelf verdedigen zoals je des­tijds tegen de Jacht hebt gedaan?’
    ‘Als ik goed was opgeleid,’ zei ze hopeloos. ‘Maar alles wat ik weet, heb ik mezelf moeten leren. Ik weet niet hoe ik deze horde moet weerstaan. Ze formuleren mentaal geen concrete bedrei­ging waar ik me op richten kan.’ Ze was nu bijna in paniek. ‘Ze kunnen alleen maar haten. Ze haten met alle kracht die in hen is.’
    Lijken ze krachtiger te zijn dan gewone Firvulag?’ Daar ben ik niet zeker van. Maar ze zijn op een onnatuurlijke manier anders. Daarom noem ik ze ook misvormd. Met de Firvu­lag en zelfs met de Tanu kun je als mens een zekere mentale verwantschap voelen, ook wanneer het vijanden zijn. Maar nooit 2ou ik iets van overeenkomst kunnen voelen met deze Huilers! Ik °en nooit eerder zo dicht bij zovelen van hen in de buurt geweest.
    In onze kleine enclave in de Vogezen kom je ze maar zelden tegen en daar waren ze altijd op hun hoede. Maar deze...’ Haar stem brak af, schor en hoog. De vingers van haar rechter­hand streken langs de gouden halsring met koortsachtige geba­ren, terwijl ze met haar linkerhand pijnlijk in de arm van Claude kneep. Haar ogen vlogen van de ene kant naar de andere, speu­rend langs de rotsen. Er was niets ongewoons te zien. Felice, die achteraan had gelopen, verkortte de afstand en zei: ‘Deze plek bevalt me helemaal niet. Al een half uur lang heb ik de ellendigste gevoelens. En het lijkt niet op de spokerijen die we ons in het Zwammenwoud in het hoofd haalden. Dit keer is er echt iets om bang voor te zijn! Vooruit, Madame, wat is er aan de hand?’
    ‘De boosaardige Firvulag ... de Huilers ... ze zijn overal om ons heen. Hun mentale projecties zijn zo krachtig dat zelfs jij ze in je latente staat waarneemt.’
    De mond van de blonde atlete verstrakte tot een dunne lijn en haar ogen vonkten. In haar herteleren pak zag ze eruit als een schoolmeisje dat Indiaantje speelde. Ze vroeg Madame: ‘Maken ze zich klaar om aan te vallen?’
    ‘Ze zullen niets doen zonder de toestemming van hun heerser, Sugoll,’ antwoordde de oude vrouw.
    ‘Alleen intimidatie dus! Mogen ze blind worden! Wel, mij maken ze niet bang!’ Ze maakte de boog los van haar bagage en controleerde vakkundig de pijlen zonder een stap achter te raken. De steile helling was nu een krankzinnige tuimeling van rotsblokken geworden. De bomen werden schaarser. Ze kregen uitzicht op veel verder liggende valleien. Zelfs de verre Alpen waren in het zuiden enigszins zichtbaar. De Feldberg zelf toren­de nog eens duizend meter boven hen uit, in het zuidoosten afge­sneden tot een onbegaanbare piek alsof een of andere Titaan daar met een bijl aan het werk was geweest om de symmetrie van de verder zo afgeronde top te verstoren. Vooraan in de stoet stak de Vogelverschrikker zijn hand op. Ze waren op een alpenweide gekomen, aan alle kanten omringd door rotsen. Precies in het midden stond een bonk zwart glanzen­de rots in de vorm van een hooiberg, vol heldergele aderen die als een web door de steen waren verspreid.
    ‘Dit is het,’ zei de Vogelverschrikker. ‘En hier laat ik jullie graag alleen.’
    Hij vouwde zijn armen over elkaar en verdween met een dreigen­de blik uit hun gezicht. De frons leek langer te blijven dan hij­zelf.
    ‘Dat is een verdomd fraaie manier om ...’ begon Richard. ‘Stil!’ riep Madame uit.
    Zonder te weten waarom kwamen de andere vier dichter naar haar toe. Haar voorhoofd was nat van het zweet en ze klauwde naar de halsring alsof die ineens te krap was geworden. Boven die kleine schaal van met bloemen bezaaid gruis stond een wol­keloze hemel, maar de lucht scheen dikker te worden, een soort vloeistof waarin angstaanjagende, transparante wervelingen en stromingen zich formeerden en herformeerden met een snelheid die het oog niet kon volgen. Het werd onmogelijk om op een wat verdere afstand duidelijk te zien. De hogere hellingen van de berg verbleekten en vervloeiden tot vloeibare massa’s die einde­loos van vorm veranderden. Maar de donkere rots in het midden van de weide behield een constante helderheid. Dit was duidelijk het centrum van de activiteit die gaande was. Madame kneep dodelijk beangst in Claudes arm. ‘Zoveel, doux Jésus! Kun je ze niet voelen?’
    ‘Reken maar dat ik voor de donder wat voel,’ waagde Richard. ‘Het voelt aan als een bombardement met een krachtveld. Goeie God! Vijandige geesten, is dat het?’
    De onheilspellende druk nam toe tot een onverdraaglijk hoogte­punt. Er ontstonden zelfs in de bodem lage vibraties, die stoots­gewijs in kracht toenamen alsof onzichtbare voeten binnen de berg stampten. En dingen jankten.
    De atmosferische wervelingen werden krachtiger. Er kwam een nieuw geluid bij, een verziekte harmonie van tremolo klanken die met honderden verschillende intervallen omhoog en omlaag jammerden, elke stem met zijn eigen tempo. Ze sloegen de han­den tegen hun oren. De stortvloed van geluid dwong hen te schreeuwen in een zinloze poging het effect te neutraliseren voor het hen overweldigde.
    Toen stopte het en de Huilers werden zichtbaar. De vijf reizigers stonden doodstil als een beeldengroep, ogen en monden wijd open. De rotsen rondom de alpenweide werden door wezens overzwermd. Het leken er honderden te zijn, mis­schien wel duizenden; ze zaten boven op elkaar, bungelden aan overhangènde rotsblokken of aan elkaars ledematen, ze loerden vanuit spleten of klauterden behendig over de hoofden en de lichamen van hun soortgenoten om een betere plaats vooraan te krijgen.
    Ze zagen eruit als levende nachtmerries. De meesten waren zeer klein, minder dan een meter, met dezelfde bolvormige rompen en stakerige ledematen als de Vogelverschrikker. Velen van hen hadden onevenredig grote handen of voeten. Sommige lichamen leken misvormd, verwrongen door krommingen in de ruggegraat, andere bezaten asymmetrische bulten die onder goed gemaakte kleding deels verscholen gingen, maar die wezen op tumorachtige groeisels of verborgen gehouden extra ledematen.
    De hoofden waren grotesk, puntig of vlak, geribbeld als boom­bast, gekroond of met hoorns. Verscheidene waren te groot of te klein voor het lichaam daaronder of monsterachtig uitgedost zoals het kleine hoofd van een vrouw vol sierlijke lokken rondom een mooi gezicht dat volkomen niet paste bij het hurkende, aap­achtige lichaam daaronder. De meeste gezichten waren echter griezelig, gezwollen of vertekend waardoor iedere overeenkomst met iets menselijks verloren ging. Er waren gezichten die bedekt waren met rode en blauwe lellen, met haar, met schubben, met druipende poriën, met kazige schimmels. Er waren bolle ogen die uitpuilden, kraalogen, ogen op steeltjes, verkeerd geplaatst of amper gevormd. Sommige schepsels hadden monden zo wijd als van kikkers, bij anderen ontbraken de lippen geheel zodat de stompen van rottende tanden voortdurend in een spookachtige grijns zichtbaar bleven. Die monden varieerden in vorm van dieresnuiten in overigens gewone schedels tot onmogelijke verticale spleten, gekromde slurfjes of papegaaiesnavels. Daarbinnen waren slagtanden te zien, dicht opeengeplaatste scherpe naald­tandjes, druipend, zeverend tandvlees en zwarte tongen die fran­jes hadden of zelfs één of meermalen waren gespleten. Ditmaal heel zacht begon die misvormde menigte opnieuw te huilen.
    Op de zwarte rots zat een tamelijk grote, kale man. Zijn gezicht was prachtig en zijn lichaam, van top tot teen gekleed in nauw­sluitend purper, was dat van een welgeschapen en gespierde menselijke man.
    Het geluid stopte ineens. De man zei: ‘Ik ben Sugoll, heer van deze bergen. Zeg waarom jullie komen.’
    ‘Wij brengen,’ zei Madame met nauwelijks hoorbare stem, ‘een brief van Yeochee, Hoge Koning van de Firvulag.’
    De kale man glimlachte minzaam en strekte een hand uit. Claude moest Madame ondersteunen terwijl ze naar de rots toe liep.
    ‘Je bent bang voor ons,’ merkte Sugoll op terwijl hij het papier doorkeek. ‘Zijn wij zo afschuwelijk in menselijke ogen?’
    ‘Wij zijn bang voor wat uw geesten projecteren,’ zei Madame.
    ‘Uw lichamen roepen enkel ons medelijden op.’
    ‘De mijne is een illusie, natuurlijk,’ zei Sugoll. ‘Als de grootste onder dezen . ..’ hij zwaaide met een arm en omvatte daarmee de hele sidderende massa schepsels ‘. . . moet ik mij natuurlijk superieur tonen boven alles, zelfs in fysieke afwijking. Zouden jullie me willen zien zoals ik werkelijk ben?’
    Claude zei: ‘Machtige Sugoll, deze vrouw is ernstig aangeslagen door uw mentale uitstralingen. Ik was eens een levensgeleerde, een paleobioloog. Toon uzelf aan mij en spaar mijn vrienden.’
    De kale man lachte. ‘Een paleobioloog! Kijk maar eens of je me kunt classificeren dan.’ Hij ging op de rots overeind staan. Richard kwam naar voren en haalde Madame terug, Claude alleen achterlatend.
    Er was een korte flits te zien en al de andere mensen, behalve Claude, waren tijdelijk verblind.
    ‘Wat ben ik? Wat ben ik?’ riep Sugoll uit. ‘Je raadt het nooit, mens! Jij weet niet wie we zijn en wij kunnen het niet vertellen, want wij weten het ook niet!’ Stormen van spottend gelach klonken op. De aantrekkelijke man in het purper zat andermaal op zijn rots. Claude stond wijdbeens, zijn hoofd naar beneden, hevig en zwaar ademhalend. Er druppelde bloed waar hij zelf zijn onder­lip had stukgebeten. Langzaam tilde hij zijn hoofd op en keek Sugoll aan.
    ‘Ik weet wat jullie zijn.’
    ‘Wat zeg je daar?’ De dwergachtige heerser leunde voorover. Met een lenige beweging sprong hij op de grond en kwam dicht bij Claude staan.
    ‘Ik weet wat jullie zijn,’ herhaalde de paleontoloog. ‘Jullie alle­maal! Jullie zijn de leden van een ras dat abnormaal gevoelig is voor de straling van deze planeet Aarde. Zelfs de Tanu en de Firvulag, die in andere streken leven, lijden onder het voortbren­gen van afwijkingen veroorzaakt door die straling. Maar jullie, jullie hebben het probleem verergerd door hier te leven. Ik wil wedden dat jullie uit bronnen gedronken hebben die heel diep in de bergen ontspringen en natuurlijk ook uit watervallen en beken die vanaf de bergen komen. Waarschijnlijk leven jullie in grotten.’ Hij wees naar de geel gestreepte rots. ‘En waarschijn­lijk zit het daar vol met nog zulk attractief gesteente als dit hier.’
    ‘Dat is waar.’
    ‘Tenzij ik er volkomen naast zit en mijn oude geheugen me in de steek laat, bestaat die rots uit niveniet, een delfstof die uranium en radium bevat. De diepere bronnen zijn waarschijnlijk ook radioactief. Gedurende al de jaren dat jullie volk in dit gebied heeft geleefd, zijn jullie genen blootgesteld geweest aan vele malen de dosis straling die door andere Firvulag wordt ontvan­gen. Dat is de reden waarom jullie gemuteerd zijn, waarom jullie veranderd zijn ... in wat jullie nu zijn.’ Sugoll keerde zich om naar de fluweelzwarte rots. Toen gooide hij zijn prachtige gevormde illusoire hoofd achterover en schreeuwde. Al de dwergen en vogelverschrikkers die zijn onder­danen waren, stemden ermee in. Dit keer was het geluid voor de mensen niet angstaanjagend, maar onverdraaglijk aangrij­pend.
    Ten slotte staakten de Huilers hun raciale rouwzang. Sugoll zei: ‘Op deze planeet, met zo’n primitieve genentechnologie, kan er voor ons geen hoop zijn.’
    ‘Maar er is hoop voor de ongeboren generaties wanneer jullie hier weggaan, laten we zeggen meer naar het noorden waar zul­ke grote concentraties van mineralen niet voorkomen. Voor die­genen van nu ... wel... jullie bezitten de macht van de schep­pende illusie.’
    ‘Ja,’ stemde de buitenaardse heerser op effen toon in. ‘Wij heb­ben onze illusies.’ Maar toen drongen de implicaties van wat Claude had gezegd werkelijk tot hem door. Hij schreeuwde het uit. ‘Maar dat kan niet waar zijn? Dat wat je zei over onze kin­deren!’
    De oude man antwoordde: ‘U zou advies nodig hebben van een ervaren deskundige, maar ieder mens met een dergelijke achter­grond is waarschijnlijk door de Tanu tot slaaf gemaakt. Ik kan dus alleen maar een paar generalisaties geven. Ga uit dit gebied weg om nieuwe mutaties te voorkomen. De ergsten onder u zijn vermoedelijk steriel. De vruchtbaren zullen mogelijk minder afwijkingen ter wereld brengen. Zorg ervoor dat de meest nor­malen elkaar bevruchten. Breng nog meer onbeschadigd mate­riaal binnen de gemeenschap door de omgang met de gewone Firvulag weer te herstellen. Jullie zullen je illusoire vermogens moeten gebruiken om voor aantrekkelijke seksuele partners door te gaan. En jullie zullen je sociaal anders moeten gedragen om een dergelijke vermenging aan te moedigen. Dat wil zeggen, geen boeman meer spelen.’
    Sugoll barstte uit in een ironische schaterlach. ‘Je aanmatiging gaat alle perken te buiten! Vertrekken van onze traditionele gronden? Onze tradities opgeven? Vriendschap sluiten met onze oude vijanden? Met hen huwen?’
    ‘Wanneer u het genetische patroon wilt veranderen, dan is dat de manier om te beginnen. Er is ook een mogelijkheid op langere termijn... als het ons lukt om de mensheid te bevrijden van overheersing door de Tanu. Er zou een menselijke-geneningenieur onder ons kunnen zijn. Ik weet niet precies hoe die Tanu-Huid werkt, maar die zou wellicht bruikbaar zijn om de ergste veranderingen tot redelijker proporties terug te brengen. We zijn daar zelf toe in staat door middel van onze regeneratietanks uit de toekomst waaruit ik afkomstig ben.’ ‘Je hebt ons veel gegeven om over na te denken.’ Sugoll klonk minder vijandig. ‘Sommige informatie hebben we broodnodig- We zullen erover denken en te zijner tijd zullen we een beslissing nemen.’
    Nu trad Madame Guderian naar voren en hervatte haar leiden­de rol. Haar stem klonk weer vastberaden, de kleur was in haar gezicht teruggekeerd. ‘Machtige Sugoll, we hebben de reden van onze komst nog niet besproken. Ons verzoek aan u.’ De buitenaardse balde zijn vuist die nog steeds de boodschap van Yeochee vasthield. Het perkament kraakte. ‘Ah ... jullie ver­zoek! Dit koninklijke bevel was overbodig en zinloos, weet je. Yeochee bezit hier geen enkele macht, maar ongetwijfeld zag hij geen reden om dat toe te geven. Ik liet jullie mijn gebied binnen­komen, gehoor gevend aan een gril. Ik was buitengewoon nieuwsgierig wat jullie ertoe had gebracht zo’n risico te nemen. We hadden ons voorgenomen ons eerst met jullie te amuseren alvorens we jullie zouden toestaan te sterven .. ‘En nu?’ vroeg Madame. ‘Wat willen jullie van ons?’
    ‘We zoeken een rivier. Een zeer grote, die ergens in dit gebied ontspringt en dan naar het oosten stroomt in de grote, brakke lagunen van Lac Mer, honderd kilometer hier vandaan. We hoopten over die rivier naar de plek van het Scheepsgraf te rei­zen.’
    Er ging een verwonderd koor huilende klanken op. ‘We kennen de rivier,’ zei Sugoll. ‘Ze heet de Ystroll, een mach­tig stuk water. We kennen een paar van de legenden over het Schip. Al vroeg in de geschiedenis van ons volk op deze planeet hebben wij ons losgemaakt van de meerderheid der Firvulag om in deze bergen onafhankelijk te zijn. We wilden niets te maken hebben met de tradities van de Jacht en de zinloze jaarlijkse slachtpartij van de Grote Veldslag.’
    Madame moest met de nodige voorzichtigheid vertellen welk aandeel de mensen hadden gehad in de huidige dominantie van de Tanu en hetzelfde gold voor haar eigen plannen die beoogden het machtsevenwicht te herstellen en tegelijkertijd de mensen te bevrijden. ‘Maar om dit te kunnen doen hebben we bepaalde oude voorwerpen uit de krater van het Scheepsgraf nodig. Als u ons een gids kunt geven die ons naar de rivier brengt, zullen wij vermoedelijk de krater kunnen vinden.’
    ‘En dit plan ... wanneer gaat dat in werking treden? Wanneer zouden menselijke geleerden vrij zijn van het juk der Tanu en ons—als Téah dat wil—helpen?’
    ‘We hadden gehoopt nog dit jaar, voor het begin van de Grote Veldslag. Maar daar is nu nauwelijks meer hoop op. We hebben nog maar twaalf dagen over. Het Scheepsgraf ligt hier tweehon­derd kilometer vandaan. We zullen minstens de helft van die tijd nodig hebben, alleen al om bij de rivier te komen op het punt naar die bevaarbaar is.’ Dat is niet juist,’ zei Sugoll. Hij riep: ‘Kalipin!’ De Vogelverschrikker stapte uit de menigte naar voren. Zijn eerst zo zure gezicht getransformeerd door een brede glimlach.
    ‘Meester?’
    ‘Ik begrijp niets van die kilometers. Vertel de mensen hoe dat zit met de Ystrol!.’
    ‘Onder deze bergen,’ zei de Vogelverschrikker, ‘bevinden zich de grotten waarin wij wonen. Maar op andere niveaus, soms dieper, soms niet, bevinden zich de Watergrotten. Ze vormen een net­werk van bronnen, bodemloze poelen en stromen in die zwarte duisternis. Verscheidene rivieren ontspringen daar. De Paradijs­rivier, die voorbij Finiah naar het noordwesten stroomt is er een van. Maar de machtigste stroom onder onze bergen is de Yst­roll.’
    ‘Hij zou gelijk kunnen hebben!’ riep Claude uit. ‘De Donau bezat zelfs in onze tijd nog ondergrondse vertakkingen. Sommi­gen zeggen dat die uit het Meer van Konstanz kwamen, anderen hielden het op onderaardse verbindingen met de Rijn.’ De Vogelverschrikker zei: ‘De Ystroll komt als een volwassen rivier in een groot laagland in het noordoosten aan de oppervlak­te. Wie de Watergrotten binnengaat bij Alliky’s Schacht, kan de Duistere Ystroll vanaf hier in twee uur bereiken. Daarna is maar een onderaardse reis van één dag nodig om bij de Heldere Ystroll te komen, dat deel van de rivier dat onder de blote hemel stroomt.’
    ‘Zouden uw bootslui ons langs het ondergrondse gedeelte willen loodsen?’ vroeg Madame aan Sugoll.
    Sugoll zei niets. Hij liet zijn ogen over de omringende menigte gaan. Er steeg een muzikaal gejank op uit de massa monsterach­tige vormen. De dwergvormen begonnen te verschuiven en te veranderen. Het verschrikkelijk wervelende patroon in de lucht bedaarde. De mentale energieën van het kleine volkje gingen van ongedisciplineerde minachting en zelfhaat over in vriendelijker vormen van illusie. De monsterlijke afwijkingen verdwenen, een menigte miniatuurmannen en -vrouwen nam de plaats in van de nachtmerries.
    ‘Laat hen gaan,’ zuchtten de Huilers.
    Sugoll boog toestemmend het hoofd. ‘Het zal gebeuren.’
    Hij stond op en hief een hand. Al zijn onderdanen volgden dat gebaar. Gezamenlijk werden ze langzaam aan zo doorzichtig als een mist in de bergen die oplost in het licht van de ochtendzon.
    ‘Denk aan ons,’ zeiden ze terwijl ze verdwenen. ‘Denk aan ons.’
    ‘Dat zullen we,’ fluisterde Madame.
    De Vogelverschrikker begon al weg te lopen, hen wenkend om te volgen. Claude nam Madame Guderian bij de arm. Richard, Martha en Felice kwamen hen achterna.
    ‘Eén ding,’ zei de oude vrouw op lage toon tegen Claude. ‘Hoe zag hij er werkelijk uit, die Sugoll?’
    ‘Kun je mijn geest niet lezen, Angélique?’ ‘je weet dat ik dat niet kan.’
    ‘Dan zul je het nooit weten. En ik wilde bij God,’ voegde de oude man eraan toe, ‘dat ik het ook niet wist.’

6

    Laat op de avond, terwijl reusachtige sfinxvlinders en vliegende eekhoorns in de lucht boven de beboste kloof hun spelletjes speel­den, kwamen zeven mannen die zes zware zakken droegen, aan­gevoerd door Khalid Khan naar de nederzetting van de Minde­ren die Verborgen Bron werd genoemd. Ze zochten Uwe Goldenzopf, maar diens hut was leeg. Calistro, de geitenhoeder, die zijn dieren na het grazen huiswaarts bracht vertelde de zeven dat Uwe samen met Commandant Burke in het dorpsbadhuis was.
    ‘Is de Commandant hier?’ Khalid raakte van streek. ‘Dus de expeditie naar het Scheepsgraf is nu al mislukt?’ Calistro schudde zijn hoofd. Hij was ongeveer vijf jaar oud, ver­standig en al verantwoordelijk genoeg om iets te weten over de grote plannen die op stapel stonden. ‘De Commandant werd gewond, dus kwam hij terug. Zuster Amerie heeft zijn gewonde been verzorgd, maar dat moet nog heel wat keren per dag natge­maakt worden . .. Wat hebben jullie in die zakken?’ De mannen lachten. Khalid liet zijn lading met een klinkend geluid op de grond vallen. ‘Een schat!’ De spreker, een pezige, borstelharige man die achter Khalid stond, was de enige van de zeven die geen zak droeg. De stomp van zijn linkerarm was ver­bonden met een stuk donker gevlekt weefsel. ‘Mag ik het zien?’ vroeg het kind. Maar de mannen waren al op eg naar de vlakke vloer van de kloof. Calistro bracht zijn dieren haastig naar hun nachtverblijf en rende hen daarna achterna. Het witte licht van de sterren scheen op een open stuk gras vlak bij de bedding van een beekje dat uit een vermenging van warme en koude bronnen afkomstig was. Maar het grootste deel van het dorpje lag diep in de schaduwen verborgen, huizen en gerneenschapsgebouwtjes schuilend onder grote coniferen of nog grote­re, altijd groene eiken die ze verborgen voor de ogen van de Tanu uit Finiah. Het badhuis, een “groot, breed gebouw van ruwe bal­ken met een laag, door ranken overgroeid dak, stond tegen een van de wanden van de kloof. De vensters waren met luiken gron­dig afgedekt en een U-vormige ingang zorgde ervoor dat het licht van de toortsen binnen niet naar buiten scheen. Khalid en zijn mannen stapten een atmosfeer binnen van stoom en opgewektheid.
    Het leek wel alsof het halve dorp hier op deze nogal koude avond bijeen was gekomen. Mannen, vrouwen en een paar kinderen plasten rond in door steen omgeven hete of koude poelen, lieten zich weken in uitgeholde boomstammen of zaten gewoon maar bij elkaar om te praten, te spelen of te kaarten. Uwe Guldenzopfs stem klonk luid boven het stemmenrumoer uit. ‘Hoi! Kijk es wie daar thuisgekomen is!’ De Minderen lieten luidkeels een gezamenlijke welkomstgroet horen. Iemand schreeuwde: ‘Bier!’ En een ander uit Khalids gezelschap voegde daar een welgemeend ‘En wat te eten!’ aan toe. De jongen Calistro werd erop uitgestuurd naar de voedselbeheerders van het dorp terwijl de nieuw aangekomenen zich een weg baanden door de kletsende, lachende menigte naar een wat afzonderlijk staande kuip waarin Peopeo Moxmox Burke zat, zijn lange grij­ze haar in strengen door de dampen van het badhuis en zijn benige gezicht verwrongen in een verrukte grijns. ‘Hoe,’ zei hij.
    ‘Weet ik niet,’ antwoordde de Pakistaanse smid. ‘Maar we heb­ben het klaargespeeld.’ Hij liet zijn zak op de vloer vallen, maak­te hem open en haalde er een speerpunt uit, nog ruw van de mal. ‘Het geheime wapen, nummer I.’ Zich naar de andere mannen draaiend, greep hij opnieuw in de zak en haalde een handvol kleinere voorwerpen te voorschijn, ongeveer in de vorm van een blad. ‘Nummer II. Maak ze scherp en je hebt pijlpunten. Alles bij elkaar hebben we ongeveer tweehonderdtwintig kilo ijzer, een deel al voorgevormd zoals deze, de rest in staven, klaar voor de smidse. We hebben een oven gebouwd die gestookt werd op houtskool met zes blaasbalgen van ruwe huid, verbonden aan blaaspijpen van decamole. De koolstof kwam van gebrande bie­zen. We hebben de oven begraven zodat we terug kunnen gaan en meer ijzer maken als ons dat in de zin komt.’ Burkes ogen glinsterden. ‘Ah, gozers van me! Goed gedaan, Khalid! En jullie allemaal, Sigmund, Denny, Langstone, Gert, Smokey, Homi. Goed gedaan! Dit kon wel eens de doorbraak zijn waar we allemaal van hebben gedroomd en voor gebeden! Of de anderen nu wel of niet slagen bij het Scheepsgraf, dit ijzer zal ons voor het eerst tegen de Tanu een eerlijke kans geven.’ Uwe stond aan zijn meerschuimen pijp te lurken en liet zijn blik over de sjofele en met roet bedekte smelters gaan. ‘En wat gebeurde er met de drie anderen die bij jullie waren?’ wilde hij weten.
    De vrolijkheid verdween. Khalid zei: ‘Bob en Vrenti bleven op een avond te lang op de plek waar we het erts opgroeven. Toen we erheen gingen om te zien waar ze bleven, waren ze verdwe­nen. We hebben nooit meer een spoor van hen gevonden. Prince prancesco was aan het jagen voor de dagelijkse kost toen de Huilers hem te pakken kregen.’
    ‘We kregen hem terug trouwens,’ zei de magere met de scherpgelijnde gelaatstrekken die Smokey heette. ‘Dag later kwam arme Frankie terug in het kamp. Ze hadden hem de ogen uitge­stoken, gecastreerd en zijn handen afgesneden. En daarna heb­ben ze hem nog eens goed met hete pek te grazen genomen. Hij was natuurlijk helemaal waanzinnig geworden. Kleine kans dat die Huilers hem eerst hebben verdoofd voor ze hun verrotte spel­letjes met hem speelden.’ ‘Lijdende Christus!’ gromde Uwe.
    ‘We konden iets terug doen,’ voerde Denny aan. Zijn zwarte gezicht liet even een wrange glimlach zien. ‘Dat deed jij,’ zei Homi, de Singalees met de o-benen. Hij vertel­de hoe het gegaan was. ‘Op de weg terug liepen we in het volle daglicht tegen een Huiler op, oh, misschien zo’n veertig kilome­ter beneden de Moselle. Helemaal opgetut als een bloedgierig monster zodat ie deruit zag als een gevleugelde naga met twee koppen. Denny bezorgde hem een ijzeren pijlpunt in z’n darmen en hij ging onderuit als een verrotte wilg. En dit zal je niet gelo­ven. Wat ervan overbleef was een gebochelde dwerg met een gezicht als een wezel.’
    De mannen gromden goedkeurend en een paar van hen sloegen Denny op de schouders. De laatste zei: ‘In ieder geval weten we nu dat ijzer werkt op beide soorten buitenaardsen, waar of niet? Ik bedoel, de Huilers zijn ten slotte niks anders dan misvormde Firvulag. Dus mochten onze fraaie spookachtige medestanders ooit vergeten wie hun vrienden zijn ...’ Er ging een instemmend gemompel op en een paar mensen lach­ten.
    Commandant Burke zei: ‘Dat is iets om te onthouden, hoewel God weet dat we de Firvulag tegen Finiah nodig hebben, wil het plan van Madame slagen. Het Kleine Volk is akkoord gegaan met het oorspronkelijke plan. Wanneer we het element ijzer aan de vergelijking toevoegen, zouden ze wel eens tot andere gedach­ten kunnen komen.’
    ‘Wacht maar tot ze zien hoe wij de Tanu met ijzer te pakken nemen,’ zei Smokey vol vertrouwen. ‘Wacht maar tot ze zien hoe we die zwijnen met hun hondehalsbanden op hun plaats hebben gezet! Zal ik je wat vertellen, die Firvulag kussen onze voeten! Of ons achterwerk! Of wat anders!’ Iedereen brulde van het lachen.
    Een opgewonden jonge stem uit de menigte dorpelingen schreeuwde luidkeels. ‘Waarom moeten we met die Tanu wach­ten tot Finiah? Over twee dagen vertrekt er een karavaan van kasteel Doortocht. Laten we onze pijlen gaan slijpen en meteen zo’n Hoogverhevene te pakken nemen!’
    Een paar van de anderen lieten hun instemming blijken. Maar Burke kwam als een woest geworden mannetjesalligator uit zijn bad overeind en riep: ‘Bedaar, jullie bescheten lummels! Nie­mand raakt dit ijzer aan zonder mijn toestemming! Het moet geheim blijven. Wil je alle bereden Tanu tegelijk op je nek? Velteyn zou een krijs laten horen als een op zijn staart getrapt beest als we te vlug onze kaarten laten zien. Hij zou Nodonn kunnen roepen of versterkingen kunnen laten komen uit het zui­den!’
    Daar werd over nagedacht. De opgewonden jongeman riep: ‘Wanneer we ijzer tegen Finiah gebruiken, weten ze het ook. Waarom niet nu?’
    ‘Omdat,’ zei Burke op de lijzig-sarcastische toon die hij vroeger had gebruikt om onervaren melkmuilen van advocaten de mond te snoeren, ‘de aanval op Finiah begint net even voor de Wapen­stilstand die aan de Grote Veldslag voorafgaat. Niemand van de overige Tanu zal dan veel aandacht besteden aan Velteyns moei­lijkheden. Je weet hoe die buitenaardsen denken. Niets, maar dan ook niets mag de voorbereidingen voor die glorierijke vecht­partij in de weg staan. Twee of drie dagen voor de Wapenstil­stand—wanneer we denken aan te vallen—zal geen Tanu op Aarde Finiah komen helpen. Niet hun makkers, zelfs niet om hun bariummijn te redden, zelfs niet om mensen op hun donder te zitten die met ijzer zijn bewapend. Ze zijn er dan allemaal alleen maar op gebrand om naar het zuiden, naar de spelen te trekken.’
    De menigte viel in groepjes uiteen om na te kaarten over die verbazend eenzijdig gerichte belangstelling van de buitenaardse sportlui en Burke begon zich aan te kleden. Uwe merkte pesterig op dat de Tanu bijna net zo gek waren als de Ieren wanneer het erom ging een knokpartij op touw te zetten zonder over de gevol­gen na te denken. Iedereen begon te lachen en geen enkele zoon of dochter van Erin liet iets horen ter verdediging. De gedachte flitste door Burke heen dat daar een reden voor moest zijn en dat hij moest weten welke dat was, maar op datzelfde ogenblik kreeg Khalid Khan zijn verwondingen in de gaten. ‘Machtige Allah, Peo! Je hebt jezelf lelijk zitten krabben, of niet?’
    Burkes linkerbeen was rondom de kuit afzichtelijk ingedeukt langs een purperrood litteken van zeker twintig centimeter. Hij gromde. ‘Een aandenken van zo’n eenhoornig varken! Steffi werd erdoor gedood en ik was bijna even ver weg. Pegleg heeft me naar Amerie teruggesleept. Hooglopende bloedvergiftiging- Maar ze wist het af te stoppen. Het ziet er verschrikkelijk uit, maar ik kan lopen, ik zou zelfs kunnen rennen als ik er de prijs voor over had.’
    ‘De vergadering van het voorbereidingscomité. Dat is vanavond. Khalid zou erbij moeten zijn,’ herinnerde Uwe hem. ‘Ja. Maar we zullen dit zootje eerst moeten verzorgen. Zeg het maar,jongens. Eten en drinken is onderweg, is er nog wat anders dat jullie nodig hebben?’
    Khalid zei: ‘De hand van Sigmund. Afgezien van onze drie doden, is hij onze enige gewonde.’ ‘Hoe gebeurde dat?’ vroeg Burke.
    Sigmund verborg zijn stomp met een schaapachtig gezicht. ‘Aye. Stom van me. Een reuzensalamander besprong me en stak me zo in mijn hand. Je weet hoe snel hun vergif werkt, we konden maar één ding doen ...’
    ‘Sig zat achteraan,’ zei Denny. ‘Ineens misten we hem. Toen we teruggingen om te zien wat er aan de hand was, zat hij al dood­gemoedereerd zijn arm af te binden, zijn vitredur bijl en zijn handschoen naast hem op de grond.’
    ‘Jij gaat met ons mee naar Amerie,’ zei de Commandant. ‘Zij moet het maar nakijken.’
    ‘Aye, maar het is nou in orde. We hebben er meer dan genoeg AB en progan opgedaan.’
    ‘Houd je kop en ga mee.’ Burke keerde zich tot de anderen. ‘En de rest van jullie, neem er je gemak van, eet en zorg dat je je slaap inhaalt. We hebben een grote oorlogsvergadering over een week, wanneer de vrijwilligers uit andere nederzettingen komen. We zullen jullie nodig hebben bij het bewerken van al dat ijzer, zodra we ergens een smidse hebben opgezet die de Firvulag niet kunnen vinden. Tot zolang zal ik op de spullen passen en zorgen dat niemand in de verleiding komt.’
    Daarna verhief Burke zijn stem zodat iedereen in het badhuis hem kon horen. ‘Jullie allemaal! Als jullie enige waarde hechten aan je eigen leven en als de vrijheid van de mensen die nu nog slaven zijn je ook maar iets ter harte gaat, vergeet dan wat je hier vanavond hebt gezien en gehoord.’ Iedereen begreep het. Burke knikte en nam twee van de zware zakken op zijn nek. De andere vier werden door Khalid en Uwe weggedragen, het badhuis uit. Sigmund volgde hen op de voet.
    ‘De vergadering is in het huis van Madame, zoals gewoonlijk,’ zei Burke tegen de smid, terwijl hij verder hinkte. ‘Amerie woont daar nu. We hebben haar eenstemmig in het comité gekozen.’ Uwe zei: ‘Dat nonnetje weet wat van medicijnen. Ze heeft Max zo behandeld dat we hem niet langer de godganse dag hoeven op te sluiten. En die arme Sandra, al haar zelfmoordneigingen zijn verdwenen nu dat eczeem over is. Chaims ooglid is genezen en die joekel van een zweer op de voet van Kawai ook.’ Dan kunnen we voortaan wat rustiger vergaderen,’ merkte Khalid op. ‘Die ouwe heeft dan één ding minder om over te kla­gen. Het klinkt alsof die non een handige dame is om in de buurt te hebben.’
    Burke liet een vrolijk geknor horen. ‘En dan heb ik het nog niet over zestien gevallen van darmparasieten en bijna alle verzwe­ringen. Ik denk zo dat Madame wel eens wat aan propaganda mocht doen voor de volgende verkiezingen als ze tenminste het leidsterschap over deze bende wettelozen wil behouden.’ ‘Ik heb nooit gedacht dat ze die eer erg op prijs stelde,’ zei Khalid zuur, ‘niet meer dan jij toen jij op die hete stoel zat.’ Ze ploeterden voort en maakten bijna geen geluid op het pad dat verborgen onder de bomen doorkronkelde. De lange kloof telde heel wat doodlopende stroompjes, afkomstig uit talloze bronnen. De meeste woningen waren vlak bij die natuurlijke watervoorra­den gebouwd. Er stonden er ongeveer dertig in totaal, die samen onderdak boden aan vijfentachtig menselijke wezens die met elkaar de grootste nederzetting van Minderen vormde in de bekende Pliocene wereld.
    Ze staken een rij stapstenen over en liepen toen in de richting van een zijkloof waar een opvallend klein huis stond onder een grote pijnboom. Het was niet zoals de andere gebouwd van ruwbehakte planken of van twijgen en modder, maar het bestond uit zorg­vuldig gemetselde steen, wit gekalkt en verstevigd met donker houtwerk dat tot halverwege kwam. Het deed op een spookach­tige manier denken aan een zeker huis uit de oude wereld dat ergens in de heuvels boven Lyon stond. De stekken van de rozen van Madame, gevoed door de uitwerpselen van mastodonten, waren uitgegroeid tot reusachtige klimmers die het dak onder hun bloei bedolven. De nachtlucht was doortrokken van hun par­fum.
    De mannen liepen het pad op en hielden toen stil. Een klein dier stond hen in de weg, de poten stokstijf, de veel te grote ogen glinsterend, de bek één grom.
    ‘Hee, Deej!’ lachte Burke. ‘Wij zijn het maar, poesje. Vrien­den!’
    De kleine kat gromde nog luider, een lage grauw die hoger en hoger steeg en een dreigende krijs werd. Ze was niet van plan opzij te gaan.
    Burke legde zijn last neer en knielde met een hand uitgestrekt. Khalid Khan ging achter Sigmund staan, een herinnering en een afschuwelijke verdenking knagend aan zijn geest. De herinne­ring aan een regenachtige nacht binnen de Boom toen de kat precies zo had gegrauwd. De herinnering aan een waardevolle vriend die iets te veel vertrouwd was met het woud om verrast te kunnen worden door de verhoudingsgewijs langzame aanval van een reuzensalamander...
    Khalid was net bezig de zak bovenaan los te maken, toen de deur van het huis openging waardoor de gesluierde figuur van Amerie zichtbaar werd tegen de zwak verlichte achtergrond. ‘Déjà?’ riep de non uit. De kralen van haar rozenkrans ratelden tegen elkaar op een manier die blijkbaar als bevel was bedoeld voor de kat. Toen kreeg ze de mannen in het oog. ‘Oh, ben jij het, Commandant. En Khalid. Jullie zijn terug. Maar wat...’ De getulbande smid greep het haar van degene die zij tot nu toe Sigmund hadden genoemd. Tegelijkertijd duwde hij met zijn andere hand iets hards en grijzigs tegen de keel van de man. ‘Verroer je niet, arme kabaj, of je gaat eraan, net als je broer voor jou.’
    Amerie gilde en Uwe slaakte een vloek, want Khalid worstelde plotseling met een gorgone. In plaats van haar hield de Pakis­taan wriemelende kleine slangen vast die uit Sigmunds schedel ontsproten. Die sloegen toe en beten zich met kleine tanden vast in vlees dat opzwol en klopte, terwijl dodelijk vergif door de ade­ren snelde op weg naar Khalids hart.
    ‘Stop! Zeg ik!’ brulde de woest geworden smid. In een reflex verstrakte zijn arm en daarmee dreef hij de stompe speerpunt in de zachte holte beneden het spreekorgaan van het monster. Het ding liet een gorgelend gepiep horen en zakte ineen. Khalid sprong weg van het vallende lichaam en liet het ijzer los. Het kwam met een doffe klap op de grond terecht, vlak naast het lichaam van de dode vormveranderaar. Amerie en de drie man­nen keken op het schepsel neer dat nauwelijks meer dan twintig of dertig kilo kon hebben gewogen. Kleine tepeltjes gaven aan dat het om een vrouwelijk exemplaar ging. Het kale hoofdje was net boven de ogen afschuwelijk samengeperst en daarboven ver­lengd tot een soort benige driehoek. De neus was niet veel meer dan een gat en daaronder zat een massieve onderkaak vol losse, splinterachtige tanden. Het lichaam was rond van vorm, de lede­maten spinachtig dun; het linker voorklauwtje ontbrak. ‘Dat is geen ... Firvulag,’ zei Amerie met moeite. ‘Een Huiler,’ vertelde Burke haar. ‘Sommige biologen geloven dat zij een mutatie van de Firvulag zijn. Elk van hen wordt ver­ondersteld één eigen, echte vorm te hebben. Allemaal even afschuwelijk.’
    ‘Jullie begrijpen wat ze probeerde te doen, is het niet?’ vroeg Khalid, wiens stem beverig klonk door de reactie en van woede. ‘Ze zag dat haar partner door het ijzer werd gedood en ze moest zien uit te vinden wat dat voor een nieuw wapen was. Ze moet achter ons aan zijn geslopen en heeft Sigmund besprongen die achteraan liep. Daarna heeft ze zijn plaats ingenomen en haar hand afgehakt omdat ze anders ijzer zou moeten dragen.’ ‘Maar ze hebben zich nooit eerder als mensen voorgedaan!’ riep Uwe uit. ‘Wat kan daarvan de bedoeling zijn geweest?’ ‘Kijk haar nou ... helemaal in lompen,’ zei Amerie. Ze knielde neer in het licht dat door de deur kwam om het dwergenlichaam te onderzoeken. Een van de schoenen, van ruwe huid vervaar­digd, was in de strijd afgevallen en liet een menselijke voet zien in miniatuur, maar even perfect gevormd als die van een kind. Er zat een pathetisch grote blaar op de hiel, blijkbaar had het kleine schepsel zich moeten inspannen om de veel snellere mensen bij te houden.
    De non deed de schoen weer aan, legde de stengeldunne beentjes naast elkaar en sloot de al verglaasde ogen. ‘Ze was heel arm. Misschien hoopte ze op informatie die genoeg waarde had om te kunnen verkopen.’
    ‘Aan de gewone Firvulag?’ vroeg Burke.
    ‘Of aan de Tanu.’ De non stond op en klopte haar witte habijt af.
    Khalid zei: ‘Er zouden anderen kunnen zijn. Anderen die ons bij het smelten in het oog hebben gehouden. Wanneer deze de men­selijke vorm kon aannemen, hoe kunnen we dan voortaan ooit zeker zijn ...’
    Burke pakte het ijzeren speerpuntblad op, greep de arm van de smid en haalde het ruwe ijzer over de huid. Een paar druppels donker bloed welden omhoog. ‘Jij bent in elk geval echt genoeg, hoe dan ook. Ik zal de rest van jullie gezelschap nu meteen testen. Later bedenken we wel een manier die wat minder grof is, met een speld bijvoorbeeld.’
    Hij strompelde weg naar het badhuis. Uwe en Khalid sleepten de kostbare zakken binnen in het met rozen overgroeide huis en gingen toen naar buiten waar Amerie nog over het lichaam gebogen stond. Ze hield de kat in haar armen die nog altijd gromde.
    ‘Wat zullen we met haar doen, Zuster?’ vroeg Khalid. Amerie zuchtte. ‘Ik heb een grote mand. Misschien kun je haar daarin naar de koelkamer boven de bron brengen. Ik vrees dat ik morgen een sectie op haar zal moeten doen.’
    Terwijl het voorbereidingscomité op Burke wachtte tot hij van het huisje terugkwam, bood de vrouw die verantwoordelijk was voor de voedselvoorziening een nieuw brouwsel aan. ‘We hebben die armzalige onbewerkte wijn van Perkin genomen en die gemengd met wilde bloemen uit het bos.’ Iedereen proefde. Amerie zei: ‘Dat smaakt goed, Marialena.’ Uwe zei onverstaanbaar iets in het Duits. ‘Weet je wat jij gedaan hebt, vrouw. Je hebt de Maiwein opnieuw uitgevonden.’ ‘Dat is het! Dat is het!’ piepte Oude Man Kawai. Hij was pas zesentachtig, maar omdat hij destijds verjonging uit principe had afgewezen, zag hij eruit als een uitgepakte Egyptische mummie. ‘Heel verfrissend, schat. Als we nu nog een fatsoenlij­ke sake konden produceren ...’
    De deur ging open en Peopeo Moxmox Burke bukte om binnen te komen. De andere leden zaten doodstil totdat de rode man tevreden knikte. ‘Ze waren allemaal kosjer. Ik heb niet alleen de smelters getest, maar iedereen in het badhuis.’ ‘De hemel zij dank,’ zei de ontwerper. ‘Wat een idee ... vormveranderaars die onder onze mensen zouden infiltreren!’ Hij schudde zijn keurig onderhouden bakkebaardjes en het lukte hem eruit te zien als een accountant die er net achter is gekomen dat een van zijn beste klanten de belasting oplichtte. ‘Noch de Firvulag noch de Huilers hadden een reden om deze truc eerder toe te passen,’ waarschuwde de Commandant. ‘Maar nu, terwijl we onze aanval voorbereiden met een wapen dat misschien al niet meer zo geheim is, doen we er goed aan bedacht te zijn op soortgelijke pogingen. Wanneer de vrijwilli­gers binnenkomen, zal ieder van hen getest moeten worden. En we zullen alle deelnemers testen voor iedere belangrijke bijeen­komst.’
    ‘Dat is mijn verantwoordelijkheid,’ zei Uwe, die de Jacht en Openbare Veiligheid voor zijn rekening nam. ‘Zorg dat ik met voorrang wat naalden krijg, Khalid?’ ‘Zodra ik morgen de oven heet heb gestookt.’ Burke nam zijn plaats in aan de tafel, samen met de zeven ande­re leden van het comité.
    ‘Goed, laten we dit zo gauw mogelijk afhandelen, dan kan Kha­lid wat rust nemen. Ik verklaar deze vergadering voor geopend. Oude zaken eerst. Gebouwen. Laat maar horen, Philemon.’ ‘De hutten bij de Rijn zijn allemaal af,’ zei de ontwerper. ‘Alles is klaar behalve het hoofdgebouw. Onze jongens zullen de slaap­zaal voor bezoekers in twee of drie dagen gereed hebben.’ ‘Goed,’ zei Burke. ‘Publieke Werken. Vanda-Jo.’ Een vrouw met toffeekleurig haar, het gezicht van een madonna en de stem van een sergeant-majoor liet zich horen. ‘We hebben een verborgen pad aangelegd van hier tot aan het gebied waar de aanval gaat beginnen. Honderdzestig ellendige kilometers, onzichtbaar vanuit de lucht. De laatste twee kilometers slinge­ren door het moeras en dat was geen lolletje! We zijn nog bezig met het opzetten van een barricade van doornen rondom het kamp die het meeste ongedierte buiten moet houden en de vrij­willigers binnen.’
    ‘En hoe steken we over?’
    ‘We hebben gekozen voor pontons. Met lucht gevulde huiden en hout. Die kunnen in de laatste minuut worden klaargemaakt. Pegleg en zijn jongens zorgen voor de huiden.’ ‘Goed. Jacht en Openbare Veiligheid.’ ‘Ik heb niet veel nieuws,’ zei Uwe. ‘De meesten van mijn mensen werken met Vanda-Jo of Phil. Ik heb een overeenkomst met onze afgevaardigde in Hoog Vrazel om te helpen met het aanleggen van voorraden wild en ander voedsel zodra de extra monden bin­nenkomen. En we werken aan een procedure om alle nieuwko­mers hier voor te bereiden voor ze naar de rivier gaan.’ ‘Klinkt in orde. Uitrustingen?’
    Oude Man Kawai kneep zijn lippen op elkaar. ‘Ik zie geen kans om voor meer dan honderd van die harde leren helmen en borst­stukken te zorgen voor D-Day. Je weet hoeveel tijd het kost voor die dingen gevormd en gedroogd zijn, zelfs als je ze vult met heet zand. De meeste vrijwilligers zullen onbeschermd op weg moe­ten tenzij je onze eigen mensen daaronder wilt laten lijden. Do Shimasho? Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan geen wonderen afleveren.’
    ‘Aan dat tekort is niets te doen,’ zei Burke sussend. ‘Hoe staat het met de camouflagenetten?’
    ‘De grootste wordt morgen al naar de juiste plek gebracht voor het geval ze vroeg met dat buitenaardse vliegtuig terugkomen.’ De grijs geworden oude wierp een ongeruste blik naar de Com­mandant. ‘Denk je werkelijk dat ze een kans maken, Peo?’ ‘Amper een schijntje,’ gaf Burke toe. ‘Maar we geven de hoop niet op tot het laatste uur voor de Wapenstilstand is aangebro­ken ... Menselijke hulpverlening.’
    ‘Verbandlinnen klaar,’ zei Amerie. ‘We leggen voorraden aan van olie en alcohol en alle AB die we bij elkaar kunnen schrapen. Vijftien krijgers hebben een training gehad waardoor ze eerste hulp aan het front kunnen verlenen.’ Ze pauzeerde, haar gezicht nadenkend gefronst. ‘Ik wou dat je je mening veranderde over mijn afwezigheid als het zover is, Peo. In godsnaam, waar zullen ze me meer nodig hebben dan in het gevecht?’ De Indiaan schudde zijn hoofd. ‘Je bent de enige arts die we hebben. Misschien de enige in onze wereld van Minderen. We kunnen jou niet aan gevaar blootstellen. Als het lukt Finiah te bevrijden, kunnen we misschien anderen met medische ervaring vinden. Wanneer we falen en de troepen van de Tanu steken de Rijn over naar ons ... dan zal het lang duren tot aan de volgende slag. Onze krijgers zullen zelf hun wonden verzorgen. Jij blijft hier.’
    De non zuchtte. ‘Industrie,’ zei Burke.
    ‘We hebben tweehonderd kilo ijzer meegenomen,’ zei Khalid. ‘Vier van onze mannen zijn gedood. Maar we hebben genoeg mensen met ervaring over om de wapens af te maken zodra we wat slaap hebben ingehaald.’
    Rondom de tafel weerklonken ernstige felicitaties. ‘Bevoorrading.’
    ‘We hebben voldoende opgeslagen om vijfhonderd mensen twee weken te voeden,’ zei Marialena. ‘Daarbij zijn de kant-en-klaar voorraden niet inbegrepen die de krijgers meekrijgen op weg naar hun kamp. We kunnen bij de Rijn geen gekook hebben, want de Tanu zouden de rook kunnen zien.’ Ze haalde een zak­doekje te voorschijn uit de mouw van haar roze met gele jurk en bette haar voorhoofd. ‘Die arme donders zullen goed de pest krijgen aan gedroogd vlees en geroosterde lisdodden voor dit allemaal voorbij is.’
    ‘Als ze alleen daaraan de pest krijgen,’ zei Burke, ‘dan hebben ze geluk. Goed, dan blijft mijn rapport nog over. Opperbevel. Ik heb bericht gekregen van Pallol, de generaal van de Firvulag om het zomaar te zeggen, dat hij zijn troepen gedurende de laatste drie dagen van september gevechtsklaar zal houden. Onder opti­male omstandigheden zullen we met de aanval beginnen bij de dageraad van de 29e, waardoor we twee volle gevechtsdagen over hebben voor de Wapenstilstand begint bij zonsopgang de le oktober. Nadien zullen wij mensen de rest op ons eentje moeten doen en Finiah kan dan maar beter klaar zijn voor de schoon­maakactie. Meer details over de aanval komen later. Goed? En dan nu, nieuwe onderwerpen. We zullen moeten nadenken over de zaak met die Huiler-spion. We hebben het daar al over gehad. Openbare Veiligheid zal stappen moeten nemen.’ ‘De voltooiing van onze ijzeren wapens,’ zei Khalid. ‘Mijn man­nen zullen morgen een van de grotten geluiddicht maken en die veranderen in een smidse. Maar ik heb hulp nodig van een paar van Phils mensen.’ ‘Nog meer nieuwe zaken?’
    ‘We zullen meer alcoholische drank nodig hebben,’ zei Mariale­na. ‘Mede of bier van de Firvulag. We kunnen de vrijwilligers moeilijk onze kostelijke jonge wijn laten opzuipen.’ Burke grinnikte. ‘Ik moet er niet aan denken. Uwe... wil jij bij die lui van Hoog Vrazel nagaan of daar iets aan te doen is?’
    ‘Oké’
    ‘Andere nieuwe zaken?’
    Amerie aarzelde. ‘Misschien is het te vroeg om erover te begin­nen. Maar ik dacht aan de tweede fase van Madames plan.’ ‘Hai!’ schreeuwde Oude Man Kawai. ‘Wanneer Finiah een suc­ces wordt, zal Madame direct anderen naar het zuiden willen sturen.’
    Philemon voelde zich niet op zijn gemak. ‘Ik denk dat we er beter aan doen eerst maar eens een deel van de eerste fase van haar Plan te realiseren voor we over fase twee en drie gaan nadenken. Ik zeg, laat zij dat maar uitwerken als ze terugkomt. Het is haar plan. Misschien dat zij en dat kleine wilde ding, die Felice, daar al iets op bedacht hebben.’
    ‘Kletspraat,’ gromde Marialena. ‘Ik moet wél met de latere fasen rekening houden, ook wanneer jullie die verantwoordelijk­heid liever ontlopen. Wanneer onze mensen naar het zuiden moeten zonder behoorlijke voorraden, dan word ik daar op aan­gekeken. Nou ja ... ik zal doen wat ik kan.’ ‘Dank je, querida,’ zei de Commandant vredelievend. ‘Ik praat morgen met je over een mogelijke herverdeling van de voorra­den. Veel meer kunnen we nu voor fase twee of fase drie niet doen. Er zijn te veel onbekende factoren ...’ ‘Bijvoorbeeld, wie van ons zal Finiah overleven!’ klaagde de Oude Man Kawai. ‘En zelfs of we erin zullen slagen de aanval te beginnen!’
    Vanda-Jo sloeg met een hand op de tafel. ‘Koppen dicht. Geen defaitisme toegestaan! We gaan deze hooghartige bastaarden een klap verkopen zoals ze die nog nooit hebben gehad. En Khalid ... ik moet een van die ijzeren pijlpunten voor mezelf heb­ben, met een merkteken. Er is daarginds een zekere Tanu-hengst aan de andere kant van de Rijn die mij nog wat schuldig is.’ ‘Als je er zeker van bent dat één genoeg is,’ lachte de smid. ‘Stilte,’ maande Burke. ‘De voorzitter komt met een motie om de strategie voor de Grote Veldslag later ter tafel te brengen.’ ‘Akkoord,’ zei Amerie. Ook de anderen waren voor. ‘Nog meer nieuwe onderwerpen?’ vroeg Burke. Stilte. ‘Verdaag de vergadering,’ stelde Oude Man Kawai voor. ‘Het is mijn bedtijd.’
    ‘Voor,’ zei Uwe en zo kwam de vergadering van het Voorberei­dingscomité tot. een eind. Iedereen, behalve Burke, wenste Ame­rie goedenacht en verdween buiten in de schaduwen. De voorma­lige rechter strekte zijn been uit zodat Amerie ernaar kon kij­ken.
    Ten slotte zei ze: ‘Er is niets meer dat ik voor je kan doen, Peo. Hete baden en met mate beweging om te voorkomen dat de spie­ren stijf worden. Ik kan je een pijnstiller geven op D-day.’ Hij maakte een afwerend handgebaar. ‘Laten we dat maar bewaren voor iemand die het echt nodig heeft.’ ‘Zoals je wilt.’
    Ze gingen naar buiten. Het dorp was stil, op de vage geluiden van insekten na. Het liep tegen middernacht en de maan was nog niet op. Burke boog zijn hoofd achterover en bestudeerde het besterde hemelgewelf.
    ‘Daar is het, net boven de rand van de kloof,’ zei hij wijzend. ‘Wat?’ vroeg ze.
    ‘Ah, ik vergeet dat je hier nog maar pas bent, Amerie. Een groep sterren die wij de Trompet noemen. Zie je die driehoek en dan die vier sterren die het rechte deel van de trompet vormen? Let vooral op de ster bij het mondstuk. Dat is de meest belangrijke in heel de hemel, zeker voor de Tanu en de Firvulag. Wanneer die om middernacht hoog boven Finiah en Hoog Vrazel loopt, dat zijn de oudste buitenaardse nederzettingen, dan is het eerste uur van de grote vijfdaagse Veldslag begonnen.’ ‘De datum?’
    ‘Volgens onze kalender uit het Bestel, zo omstreeks 31 oktober of 1 november.’
    ‘Je meent het niet?’
    ‘Het is waar. Zes maanden later, rond de eerste mei, hebben de buitenaardsen een ander groot ritueel dat door de Tanu en de Firvulag afzonderlijk wordt gevierd. Het Grote Liefdesfestijn. Vooral onder de vrouwen van hun soort is het bijzonder populair, heb ik me laten vertellen.’
    ‘Dat is werkelijk heel vreemd,’ zei Amerie. ‘Ik weet niets van folklore, maar die twee data ...’
    ‘Ik weet het. In onze tijd was er geen goede verklaring voor te vinden in de astronomie of waar dan ook. Waarom zouden die twee dagen ritueel heilig zijn geworden en andere niet.’
    ‘Het is belachelijk om daar verband tussen te zien.’
    ‘Vast en zeker.’ Op het gezicht van de Indiaan stond onder het sterrelicht niets te lezen.
    ‘Ik bedoel maar ... zes miljoen jaar!’
    ‘Ken je de betekenis van die ster bij het mondstuk? Het is een baken. Hun eigen thuiswereld ligt daar direct achter.’ ‘Oh, Peo. Hoeveel lichtjaren?’
    ‘Heel wat meer dan zes miljoen. Op een bepaalde manier zijn zij dus nog verder van huis dan wij, de arme duivels.’ Hij groette haar kort en hinkte weg, terwijl hij haar onder de sterren achterliet.

7

    ‘Maar dat is niet blauw!’ protesteerde Felice. ‘Het is bruin.’ Madame veranderde de koers van hun bootje om een vastgelo­pen boomstronk te ontwijken. ‘De kleur bruin, dat heeft niet genoeg cachet. De componist wilde de schoonheid van de rivier bezingen.’
    Het meisje snoof verachtelijk terwijl ze de omgeving bestudeer­de. ‘Deze plek zou nooit wat voor prijs dan ook winnen. Het is te droog. Het ziet eruit alsof het in geen maanden heeft geregend.’ Ze kwam knielend overeind in de boeg van de kleine boot en overzag de open, mager gekleurde hellingen met behulp van Madame Guderians kleine verrekijker. Alleen rond de zij­armen en de vlakten die rechtstreeks aan de Donau grensden, was groen te zien. De ver uiteenstaande boomgroepen zagen er stoffig blauw uit.
    ‘Ik kan giraffes zien en antilopen,’ zei het meisje na een tijdje. ‘Verder schijnt er op de linkeroever niets te leven. Geen krater te zien. Alleen die kleine vulkaan, maar dat was gisteren. Je denkt toch niet dat we er voorbij zijn gegaan? Deze verdomde rivier kronkelt zo!’
    ‘Richard zal ons dat vanmiddag kunnen vertellen.’ De oude vrouw en de atlete hadden een van de decamole vaartui­gen samen gedeeld sinds hun gezelschap twee dagen geleden uit de Watergrotten te voorschijn was gekomen. Claude, Martha en Richard zaten in de tweede boot die een paar dozijn meters voor hen uit dreef op de snelle stroming van de Heldere Ystroll. Ondanks de droogte hadden ze goed voortgang geboekt, want de rivier ontving haar water voornamelijk van de Alpen die in het verre zuiden hun witte kappen omhooghieven. De nacht daar­voor hadden ze aangelegd en geslapen op een zandbank vol kie­zels; de Vogelverschrikker had hen gewaarschuwd niet op de oevers hun kamp op te slaan. Later, toen ze wakker werden door het eindeloze schreeuwen en blaffen van hyena’s, waren ze daar­voor dankbaar geweest. Claude vertelde hun dat sommige soor­ten hyena’s in het Plioceen het formaat konden krijgen van grote beren en dat ze bovendien niet enkel aaseters waren, maar ook zelf joegen.
    Voor hun navigatie beschikten ze over één enkele kostbare map. In de Boom had Richard een paar belangrijke gedeelten geko­pieerd uit het al verkleurde en eerbiedwaardig oude plastic van een Kümmerley + Frey Strassenkarte von Europa (Zweitausendjahrige Ausgabe) die door een nostalgische Mindere werd gekoesterd als de dierbaarste herinnering aan de tijd die komen moest. De oude wegenkaart was verbleekt en moeilijk te ontcij­feren en Claude had Richard gewaarschuwd dat de waterloop van de Pliocene Donau later na de IJstijd grondig zou verande­ren door grote hoeveelheden glaciaal leem die van de Alpen zou­den komen. De zijrivieren van de bovenstroom die op de map stonden, zouden waarschijnlijk ook heel andere posities innemen gedurende het Plioceen en de bedding van de rivier zelf zou ver­der naar het zuiden liggen en onherkenbaar zijn. De reizigers hadden dus niet de beschikking over herkenbare punten in het landschap. Maar er was één stukje kostbare informatie uit de oude map dat al die zes miljoen jaar hetzelfde moest zijn geble­ven: en dat was de afstand tussen de meridiaan van Hoog Vrazel (alias Grand Ballon) en die van de Ries (op de map aangegeven door de ligging van het toekomstige Nördlingen dat dan op een vlakte binnen een ringwal zou liggen). Hoe de Ystroll zich nu ook slingerde, ze moest de Ries oversteken. Voor zover Richard uit de half vergane kaart had kunnen opmaken, bedroeg de afstand rechtstreeks zo’n tweehonderd zestig kilometer, of wel drie en een halve lengtegraad oostelijk van Hoog Vrazel. Richard had zijn zeer nauwkeurige polschronometer afgesteld op 12 uur precies op Hoog Vrazel en had daarna zorgvuldig een kwadrant geconstrueerd die hem elke heldere dag in staat stelde het lokale middaguur vast te stellen. Het verschil dat door de chronometer werd aangegeven, kon in lengtegraden worden omgerekend. Wanneer ze de Ries-meridiaan bij de Donau had­den bereikt, hoefden ze alleen nog maar naar het noorden te marcheren om de krater te vinden.
    Een van de figuurtjes in de leidende boot hief een arm. De boot legde aan op de oever.
    ‘Er ligt een kleine inkeping in die noordelijke hooglanden daar,’ zei Felice. ‘Misschien heeft Richard besloten dat we daar de beste kansen hebben.’ Toen ze hun boot naast de andere hadden getrokken, vroeg ze: ‘Wat denken jullie, jongens. Is dat het?’ ‘Het is er in elk geval heel dichtbij,’ antwoordde Richard, ‘en het ziet er niet al te beroerd uit voor een wandeling, want het gaat allemaal omhoog. Ik schat dat de rand van de krater dertig kilo­meter naar het noorden ligt. Zelfs als ik er een beetje naast zit, zouden we die dus moeten kunnen zien zodra we boven op die heuvels zijn. Ten slotte hoort die verdomde krater meer dan twintig kilometer in doorsnee te zijn. Wat zouden jullie zeggen van een lunch terwijl ik nog één keer de zon schiet?’ ‘Ik heb vis,’ zei Martha. Ze hield een snoer zilverbruine figuurtjes omhoog. ‘Richard moet onze positie bepalen en dat betekent dat jullie tweeën naar die ellendige lisdodden moeten graven terwijl Madame en ik deze beestjes grillen.’ Claude en Felice zuchtten instemmend. Ze maakten een vuur op een goed beschaduwde plek aan de rand van een grote groep bomen. Helder water kwam van een kalkste­nen plateau naar beneden om te verdwijnen in een modderige ondiepte waar het wemelde van de gele vlinders. Na een minuut of vijftien begon de geur van vers gebakken jonge zalm tot de knollengravers door te dringen.
    ‘Kom op, Claude,’ zei Felice terwijl ze een net vol wortelbrokken door het water haalde om ze schoon te spoelen, ‘we hebben genoeg van deze dingen.’
    De paleontoloog stond rustig tot aan zijn knieën in de rivier te midden van hoge stengels. ‘Ik dacht dat ik wat hoorde. Mis­schien bevers.’
    Ze waadden terug naar de oever waar ze hun schoenen hadden achtergelaten. Beide paren stonden er nog, maar iets—of iemand—had eraan gezeten. ‘Kijk nou,’ zei Claude, wijzend naar de modder. ‘Kindervoetsporen!’ riep Felice. ‘Neuk me blind! Er kunnen toch geen Huilers of Firvulag in dit gebied zitten?’ Ze haastten zich met de knollen terug naar het vuur. Madame gebruikte haar psychische vermogens om het gebied af te tasten en voelde geen enkele aanwezigheid van buitenaardsen. ‘Het is vast een of ander dier,’ zei ze, ‘met voetafdrukken die lijken op die van kleine kinderen. Een kleine beer misschien.’ ‘Beren waren nogal zeldzaam in het Plioceen,’ zei Claude. ‘Ik denk eerder. . . nou ja. Wat het ook is, het is te klein om ons kwaad te doen.’
    Richard kwam terug naar de groep en borg zijn kaart, de kwad­rant en zijn notities weer weg. ‘We zitten er pal bovenop,’ zei hij. ‘Als we vanmiddag een goed stuk kunnen opschieten, kunnen we daar morgen redelijk in de vroegte zijn.’ ‘Ga zitten en neem wat vis,’ zei Martha. ‘Loopt jullie het water niet in de mond van de geur? Ze zeggen dat zalm zo ongeveer de enige vis is die alles bevat wat je nodig hebt om van te kunnen leven. Er zit vet in en proteïne.’ Ze likte haar lippen ... toen gaf ze een gesmoorde kreet. ‘Draai... je ... niet om.’ Haar ogen waren wijd opengesperd. De anderen zaten tegenover haar aan de andere kant van het vuur. ‘Pal achter jullie staat een wilde rama.’
    ‘Nee, Felice!’ siste Claude, toen de spieren van de atlete zich automatisch spanden. ‘Het is niet gevaarlijk. Draai je allemaal langzaam om.’
    Martha zei: ‘Het draagt iets.’
    Het kleine schepsel, het lichaam overdekt met een goudkleurige vacht, stond op korte afstand onder de bomen, bevend maar met een uitdrukking op het gezicht die alleen maar als vastbesloten kon worden uitgelegd. Het was ongeveer zo groot als een zesjarig kind en het had volledig ontwikkelde menselijke handen en voe­ten. Het droeg twee grote, wratachtige vruchten, groenigbruin met hier en daar een oranje streep. Terwijl de vijf reizigers vol verbazing toekeken, kwam de ramapithecine naar voren, legde het fruit op de grond en trok zich weer terug. Oneindig behoedzaam kwam Claude overeind. De kleine aap ging nog een paar stappen achteruit. Claude zei zachtjes: ‘Wel, goeiendag, mevrouw Ding. We zijn blij dat je tijd had voor de lunch. Hoe is het met de man en de kinders? Alles goed? Een beetje hongerig met die droogte misschien? Dat verbaast me niks. Fruit is heerlijk, maar er gaat toch niks boven een beetje proteïne en vet om lichaam en ziel gezond te houden. En de muizen en de eekhoorns en de sprinkhanen zijn natuurlijk hogerop getrokken, is het niet? Je had beter met ze mee kunnen gaan.’
    Hij bukte zich en pakte het fruit op. Wat kon het zijn? Meloe­nen? Papaja’s? Hij nam ze mee naar het vuur en verpakte twee van de grotere zalmen in het blad van een olifantsoor. Daarna legde hij de vis neer op dezelfde plaats waar het fruit had gelegen en keerde terug naar zijn plaats bij het vuur. De ramapithecus staarde ernaar. Toen stak ze haar hand uit, beroerde de vettige vissekop en stak een vinger in haar mond. Terwijl ze een lage, bijna roepende kreet liet horen, trok ze haar bovenlip omhoog.
    Felice grinnikte terug. Ze trok haar dolk, hief een van de vruch­ten op en sneed het open. Een zoete geur die het water in de mond bracht, steeg op uit het geelroze vruchtvlees. Felice sneed er een klein stukje af en proefde. ‘Yamyam!’
    De rama kakelde, pakte het blad met de vis op, krulde haar lippen nog eens en rende weg tussen de bomen. Felice riep haar achterna. ‘Onze groeten aan King Kong!’ ‘Dat was helemaal te gek,’ zei Richard. ‘Slimme donders, niet­waar?’
    ‘Onze rechtstreekse menselijke voorouders.’ Claude rommelde met de knollen.
    ‘In Finiah werden ze als bedienden gebruikt,’ zei Martha. ‘Ze waren heel zachtmoedig en heel schoon. Ook timide, maar ze werkten heel nauwkeurig aan de opdrachten die ze kregen van hen die halsringen droegen.’
    ‘Hoe werden ze behandeld?’ vroeg Claude. ‘Als kleine men­sen?’
    ‘Niet bepaald,’ zei Martha. ‘Ze werden ondergebracht in een soort schuren die aan de huizen waren gebouwd en die in smalle hokjes waren verdeeld, ongeveer als in een stal, opgevuld met stro. Ze waren monogaam, weet je en dus had elke familie zijn eigen hok. Er was ook een gemeenschappelijke ruimte en zoiets als een slaapruimte voor de vrijgezellen. Kinderloze volwassenen werkten twaalf uur aan één stuk en kwamen dan thuis om te eten en te slapen. De moeders zorgden voor hun jongen tot ze drie jaar waren en gaven hen dan over aan de zorg van “tantes”, oudere vrouwtjes die zich gedroegen als onderwijzeressen. Die tantes en andere zeer oude mannetjes en vrouwtjes speelden met de kinderen en zorgden voor hen wanneer de ouders weg waren. Je kon zien dat de ouders hun kinderen niet graag alleen lieten, maar de roep van de halsringen konden ze niet weerstaan. De verzorgers van de rama’s hebben me verteld dat het systeem met de tantes een variant was op iets dat ze in het wild ook toepasten. De Tanu hebben al rama’s gevangen en opgefokt zolang ze op deze planeet zijn.’
    ‘De geluiden die ze maken,’ zei Claude, ‘konden gewone mensen zonder halsring daardoor met hen communiceren?’ Martha schudde haar hoofd. ‘Ze reageerden op hun namen en er waren misschien een dozijn woorden, simpele opdrachten, die ze konden verstaan. Maar de belangrijkste manier om met hen te praten ging via de halsringen. Ze konden zeer ingewikkelde mentale opdrachten begrijpen. En natuurlijk waren ze onder­worpen aan een ingebouwd pijn-en-pleziercircuit waardoor er maar weinig op hen gelet hoefde te worden als ze routinewerk deden in en om de huizen.’
    Madame schudde langzaam haar hoofd. ‘Zo dicht bij de mens­heid en toch nog zo ver ervandaan. In gevangenschap leven ze maar veertien of vijftien jaar. In het wild misschien nog minder. Ze zien er zo breekbaar en hulpeloos uit! Hoe hebben ze ooit de hyena’s, de beerhonden, de sabeltandtijgers en al die andere monsters overleefd?’
    ‘Hersens,’ zei Richard. ‘Kijk naar die ene die naar ons toekwam. Haar gezin heeft vannacht geen honger. Je ziet de natuurlijke selectie voor je ogen aan het werk. Die aap is er eentje die over­leeft.’
    Felice keek hem pesterig aan. ‘Ik dacht al een stukje gelijkenis te zien… Daar ga je dan, kapitein Bloed. Neem een stukje dessert van je over-over-over-enzovoort grootmoeder.’
    Ze keerden de Donau de rug toe en begonnen te lopen. De tem­peratuur in de septemberzon lag boven de veertig graden, maar hun inmiddels aan hitte gewende lichamen konden ertegen. Over het door de zon verbrande gras, door krakende en ver­droogde struiken en over rotspartijen in droge rivierbeddingen trokken ze verder. Richard had hun koers bepaald, de inkeping tussen twee grote heuvels in het noorden, voorafgegaan door een langzaam omhoogrijzende vlakte waar nauwelijks schaduw was en zeker geen water. Ze trokken alles uit tot ze nog slechts korte broeken droegen, hun rugzakken en hun grote hoeden. Madame liet een kostbare knijpflacon met zonnebrandcrème rondgaan. Richard ging voorop en Felice liep achteraan. De onvermoeibare atlete verkende van tijd tot tijd het gebied opzij om er zeker van te zijn dat ze niet door een wild dier werden gevolgd en tegelij­kertijd zocht ze, overigens zonder succes, naar water. Tussen die twee in liepen Claude en Madame, die Martha zoveel mogelijk ondersteunden. Die werd zwakker naarmate er meer hete uren verstreken, maar ze wilde niet dat het tempo om harentwil lang­zamer werd. Niemand van hen wilde trouwens stoppen ondanks het feit dat er voor hen uit niets anders leek te liggen dan ver­droogd land vol dode boomstronken dat zich eindeloos uitstrekte tot aan de golvende horizon. Daarboven welfde zich, bleekgeel, de meedogenloze hemel.
    Eindelijk zakte de zon lager en werd de hemel groen van kleur. Madame stopte bij een ravijn dat bijna door gevallen rotsblok­ken was verstopt en waar ze tenminste enigszins beschut hun behoeften konden doen. Madame hielp Martha en toen die twee terugkwamen, stond het gezicht van de oude vrouw ernstig. ‘Ze heeft weer bloedingen,’ zei ze tegen Claude. ‘Zullen we hier stoppen of zullen we weer een draagbaar maken uit delen van een van onze bedden?’
    Ze besloten dat het de draagbaar zou worden. Zolang het nog licht was, wilden ze allemaal verder. Nog maar een paar kilome­ter naar de top van de heuvels.
    Ze trokken verder zoals ze dat eerder gedurende deze reis had­den gedaan, ieder aan een hoek van het aangepaste bed. Martha lag met haar onderlip tussen haar tanden geklemd, twee helroze plekken op haar bleke wangen gaven aan hoezeer ze leed. Maar ze zei niets. De lucht werd ultramarijn en daarna indigo en de eerste sterren werden zichtbaar. Maar ze konden nog altijd genoeg zien om te lopen en dus trokken ze verder, hoger en hoger, dichter naar hun doel.
    Ten slotte bereikten ze de top. Gevieren lieten ze de draagbaar zakken en hielpen Martha overeind zodat ze tussen hen in kon staan en mee kon kijken naar het noorden. Ongeveer vijf kilome­ter verder, net iets beneden de plaats waar ze stilhielden, zagen ze een lange wal. Hij steeg uit het landschap omhoog vanachter een lijn van lage heuvels te midden van een jungle vol verdroogd en doornig kreupelhout, naar weerszijden weglopend in een gro­te boog die ergens in het noorden samenviel. De kale rand van de krater glinsterde bleek in de schemering. Felice nam Richards hoofd tussen haar handen en kuste hem op de mond, op haar tenen staand om erbij te kunnen. ‘Je hebt het klaargespeeld! Precies in de roos, piratenkind! Je hebt het geflikt!’
    ‘Ik mag verdomd zijn,’ zei de piraat.
    ‘Dat denk ik niet.’ De brede, Slavische grijns van Claude zag er uitbundig uit.
    ‘Oh, Madame... Het Scheepsgraf!’ Martha’s stem brak, in haar ooghoeken verschenen tranen. ‘En nu ... nu!’ ‘Nu slaan we ons kamp op,’ zei de Française praktisch. ‘We zullen uitrusten en onze krachten herwinnen. Morgen begint het echte werk.’
    Het skelet lag met veel staatsie in het buikcompartiment van de vijfde vliegmachine die ze onderzochten.
    Anders dan bij de vorige, waarvan alle toegangen waren geslo­ten, lag het graf van Lugonn open voor al de elementen. Lange jaren hadden zoogdieren, vogels en al de insekten van de omge­ving vrij toegang gehad. Felice was, als altijd, de eerste geweest om de ladder op te klimmen. Haar triomfkreet toen ze uiteinde­lijk de resten van de Tanu-held had gevonden, ging over in een ijselijke kreet die de nekharen van de vier andere leden van de expeditie recht overeind deed staan. ‘Hij heeft geen halsring! Geen halsringï ‘Angélique!’ Claude schreeuwde gealarmeerd. ‘Zie haar te bereiken en voorkom dat ze daar iets vernielt.’ ‘Geen ... halsring!’ Een schreeuw van diabolische woede weer­kaatste door de vliegmachine en er klonk het geluid van een har­de klap. Terwijl Richard en Claude de ladder beklommen, stond Madame beneden in de schaduw van een van de vleugels, de ogen wijd open, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas, bei­de handen om het goud rond haar hals geklemd. Ze had er al haar psychische overtuigingskracht voor nodig om Felice te weerhouden, om te verhinderen dat het meisje de bron van haar frustratie met een instinctieve woede te lijf ging. Voortgedreven door laaiende teleurstelling, stonden de latente vermogens van Felice op uitbarsten en de mentale zintuigen van de oude vrouw werden er tot het uiterste door belast. Maar ze hield vol en druk­te het vulkanische ding dat in de omarming van haar geest spar­telde, heftig tegen zich aan terwijl ze ondertussen telepathisch schreeuwde: ‘Wacht! Wacht! We zullen allemaal meezoeken. Wacht!’
    Felice liet haar tegenstand zo abrupt varen dat Madame Guderian achteruit wankelde en in de breekbare armen van Martha viel.
    ‘Oké!’ schreeuwde Richard van boven. ‘Ik heb haar een knal verkocht. Ze ligt onderuit.’
    ‘Maar heeft ze wat kapotgemaakt?’ riep Martha terwijl ze Madame langzaam naar de grond liet zakken. ‘Daar ziet het niet naar uit,’ antwoordde Richard. ‘Kom naar boven, Martha, en bekijk zelf dit ding eens. Het lijkt wel iets uit een of ander verdomd sprookje.’
    Felice lag in elkaar gezakt in de verste hoek van het comparti­ment dat ongeveer drie bij zes meter mat. Ze had kans gezien de schedel van Lugonn met de helm erop tegen het instrumenten­paneel te gooien. Maar haar aanval van woede had weinig kwaad aangericht, want het interieur van het oude toestel was diep onder stof, dierlijke uitwerpselen en ander organisch afval bedolven. Claude knielde neer en legde de schedel weer op zijn plaats. Gehurkt bestudeerde hij de legende die voor hem op de bodem lag.
    De wapenrusting van Lugonn, zwaar met juwelen bedekt en door een laagje goud afgedekt, was nu zo vergaan en verroest dat zijn botten binnen de afzonderlijke delen en platen van glas nau­welijks te ontdekken waren. De kristallen helm, bekroond met een eigenaardig heraldisch beest, was een barok en ongelofelijk ingewikkeld stukje vakwerk dat er zo prachtig uitzag, zelfs nu het met vuil was overdekt, dat je bijna zou vergeten dat het een zeer praktisch doel diende: het afweren van fotonenstralen. Voorzichtig tilde Claude het vizier omhoog en maakte de elkaar overlappende keelplaten en scharnierende wangbeschermers los. Lugonns schedel was beschadigd door een grote wond, per­fect rond en twaalf centimeter in doorsnede, die dwars door het neusdeel ging en aan de achterkant van de schedel, tegenover de ogen, weer te voorschijn kwam.
    ‘Dus dat deel van de legende was waar,’ mompelde de oude man.
    Hij kon het niet nalaten de schedel te onderzoeken op verschil­len. Maar de meeste daarvan waren miniem. De Tanu bezat maar dertig tanden, hij had een opvallend lang hoofd en was massief gebouwd geweest. Afgezien van de beschadiging en het uit positie schuiven van een paar schedelnaden, was de schedel van de Tanu bijna volkomen menselijk.
    Richard keek het compartiment rond, zag de grote, gedroogde wespennesten die bijna overal het oppervlak bedekten, de ver­scheurde waterdichte isolatie en het blootgelegde keramische frame van wat eens een luxueuze cabine was geweest. Er zat zelfs een bijennest in een van de voorste open kasten. ‘Wel, we hebben geen gebed waarmee we deze lummel van de grond krijgen. We zullen een van de andere toestellen moeten proberen.’
    Martha groef in de hopen afval en rommel aan de linkerkant van het skelet in zijn wapenrusting. Ze gaf een tevreden kreet. ‘Kijk hier eens! Help me even om het uit de rotzooi te halen, Richard!’
    ‘De Speer!’ Hij hielp haar de beschimmelde rommel opzij te gooien. Binnen enkele minuten hadden ze een slank instrument blootgelegd dat bijna een meter langer was dan het skelet en dat met een kabel verbonden was met de trekker van een grote, met juwelen versierde doos die eens rondom Lugonns middel had gezeten. De riemen van de doos waren vergaan, maar het glas­achtige oppervlak van de doos en de Speer zelf leken niet aange­tast.
    Martha veegde haar handen aan haar heupen af. ‘Dat is het, vast en zeker. Een fotonenstraler, compleet met krachtbron. Voor­zichtig met die knoppen aan de bovenkant, schatje. Zo bedon­derd als het er allemaal uitziet, het ding zou er nog best door kunnen afgaan.’ ‘Maar hoe,’ vroeg Claude zich zachtjes af, ‘zag hij kans met dat ding zichzelf door de kop te schieten?’
    ‘Ah, Christusnogantoe,’ zei Richard, ‘vergeet dat nou maar en help ons om dat ding naar buiten te krijgen voor ons kleine kreng met de gouden lokken ontwaakt en weer amok gaat maken.’ ‘Ik ben wakker,’ zei Felice, haar kin masserend waarop een blau­we plek zichtbaar begon te worden. ‘Het spijt me. Ik zal mijn zelfbeheersing niet meer verliezen. En over die liefdevolle klap praten we niet meer, kapitein Bloed.’
    Madame Guderian kwam langzaam de trap op. Haar ogen ble­ven kort op het skelet op de vloer rusten en dwaalden toen af naar Felice. ‘Ah, ma petite. Wat moeten we met jou beginnen?’ Haar stem klonk zwaar van droefheid.
    Het meisje stond op en liet een engelachtige glimlach zien. ‘Ik heb niet echt kwaad aangericht met mijn woede-aanval. En ik zal ervoor zorgen dat het niet weer gebeurt. Laten we er niet meer over praten!’ Ze begon door het interieur te scharrelen, schoppend naar de rotzooi. ‘Ik denk dat die halsring hier toch ergens moet liggen. Misschien heeft een of ander beest hem bij het skelet weggehaald en ergens anders weer laten vallen.’ Claude pakte de glazen doos op en begon ermee de ladder af te dalen, gevolgd door Richard en Martha die het nog steeds ermee verbonden wapen vasthielden omdat ze het risico van het losma­ken van de kabel niet durfden wagen.
    Madame bekeek het skelet. ‘Hier lig je dus, Glanzende Lugonn. Al dood voor de avonturen van jouw verbannen volk begonnen waren. Je graf besmeurd door het kruipend gedierte van de Aar­de en nu onteerd door ons.’
    Haar hoofd schuddend, keerde ze zich om naar de ladder. Felice kwam erbij om de oude vrouw te helpen. ‘Ik heb een prachtig idee, Madame! Ik ben toch van geen enkel nut bij het werken aan het vliegtuig of de Speer. Dus als ik niet nodig ben voor kampwerk of de jacht, dan kan ik hierheen gaan en deze hele plek uitmesten. Ik maak het allemaal weer keurig netjes, ik poets zijn glazen wapenrusting en wanneer we weg­gaan, doen we het luik dicht.’ ‘Ja,’ knikte Madame, ‘dat zou passend zijn.’ ‘Ik zal al deze rommel toch moeten opruimen,’ voegde Felice eraan toe, ‘wanneer ik die halsring wil vinden. Hij moet hier ergens zijn. Geen Tanu of Firvulag zou hem durven aanraken. Ik weet dat ik hem vinden zal.’
    Weer beneden keek Madame omhoog naar Felice, zo klein, zo bekoorlijk en zo gevaarlijk. ‘Misschien vind je hem. Maar mis­schien ook niet. Wat doe je dan?’
    Het meisje was kalm. ‘Wel, dan zal ik Koning Yeochee aan zijn belofte moeten houden, dat is alles.’
    Richard zei: ‘Wat zou je ervan vinden als je naar beneden kwam om ons een handje te helpen? Je kan met die ouwe astronaut rondsjouwen zoveel je wilt nadat we ons kamp hebben opgesla­gen. Kom op, we gaan de laatste machine in de rij bekijken. Kijk jij eens of je die hele Speeruitrusting in je eentje kunt dragen. Het is nogal een onhandig kreng om met zijn tweeën te dra­gen.’
    Felice sprong soepel uit het luik in de romp naar beneden, hees de tachtig kilo van de krachtbron met één arm omhoog en stond stil terwijl Claude en Richard het lange wapen in balans op de andere schouder legden.
    ‘Dat kan ik houden,’ zei ze. ‘Maar God mag weten hoe die ouwe jongen erin slaagde dit geintje in een lopend gevecht te gebruiken. Het moet me nogal een kerel zijn geweest. Maar wacht maar tot ik zijn halsring heb gevonden.’
    Claude en Madame keken elkaar enkele ogenblikken zwijgend aan, toen hielpen ze Martha met het bijeenbrengen van hun spullen en begonnen de vijfhonderd meter terug te lopen over de rand van de krater naar Vliegmachine Nummer Vier. Madame zei: ‘We hebben geluk gehad door de Speer zo snel te vinden. Maar er is nog een andere factor die misschien belet dat we Finiah al dit jaar kunnen aanvallen.’ ‘En dat is?’ vroeg Claude.
    ‘De vraag wie het toestel zal vliegen gedurende het eigenlijke gevecht.’ Ze keek over haar schouder naar Richard die Martha ondersteunde. ‘Zoals je weet heeft hij er alleen maar in toege­stemd de machine naar de Vogezen terug te vliegen. Wanneer we voor de strijd eerst een andere piloot moeten trainen . ..’ Martha had natuurlijk elk woord gehoord. Met een verslagen uitdrukking op haar gezicht keerde ze zich naar de vroegere ruimtevaarder.
    Richard lachte gespannen. ‘Madame, je bewijst het steeds weer opnieuw. Je kunt geen gedachten lezen. Denk je werkelijk dat ik onze kleine oorlog zou willen missen?’
    Martha hield hem steviger vast en fluisterde iets. Madame zei niets, maar toen ze zich omdraaide om de wandeling langs het pad te hervatten, glimlachte ze.
    Na een tijdje zei Richard: ‘Er is trouwens wel iets anders waar we over moeten nadenken. Zou het niet beter zijn als we ons eerst concentreerden op het in orde maken van de vliegmachine en met die Speer maar even wachten tot we terug zijn? Het is vandaag 22 september en die kleine koning heeft gezegd dat de Wapenstilstand begint op 1 oktober. Dat wordt allemaal ver­domd krap als die kleine griezels een week nodig hebben voor hun mobilisatie. En dan moeten onze eigen mensen zich nog klaar maken; de tactiek met die ijzeren wapens moet worden besproken, als het al gelukt is om ze te krijgen. Hoe vlugger we hier weggaan, des te meer tijd blijft er over voor alle organisatie. En in het dorp kan Amerie de hulp krijgen die ze nodig heeft en misschien zou iemand als Khalid Khan ons kunnen helpen bij het repareren van de Speer.’
    Het was Martha die bezwaren maakte. ‘Vergeet niet dat we de Speer moeten uitproberen. Die moest eerst in orde worden gemaakt, dan op de een of andere manier in het vliegtuig geïn­stalleerd en uitgeprobeerd vanuit de lucht. Wanneer deze straler zo krachtig is als ik denk, dan heeft iedere Tanu die ook maar een greintje psychisch vermogen op afstand bezit, dat direct in de gaten als we het te dicht bij huis doen.’
    ‘Goeie God, ja,’ zei Richard verslagen. ‘Daar heb ik niet aan gedacht.’
    Madame zei: ‘We moeten doen wat we kunnen om de machine en de Speer in orde te krijgen voor we hier weggaan. Wat de zaken thuis betreft, we zullen erop moeten vertrouwen dat Peo daar alles in gereedheid heeft. Hij kent elk detail van ons plan tegen Finiah. Al houden we maar één dag over voor de Wapen­stilstand begint, dan nog kunnen we aanvallen.’ ‘Laten we dan aan de slag gaan,’ zei Felice. Ze begon harder te lopen en liet de anderen al snel ver achter zich. Ze zagen haar nog één keer kort wuiven vanaf de plek van het nabijgelegen vliegtuig en toen verdween ze in het struikgewas. Toen ze de grote metalen vogel hadden bereikt, vonden ze de Speer zorgvul­dig onder de vleugels neergezet. Ernaast had ze in het zand een boodschap gekrabbeld: BEN OP JACHT. ‘Naar wat?’ vroeg Richard zich cynisch af. Maar toen klommen Martha en hij de ladder op, openden het simpele luik en verdwe­nen naar binnen.

8

    Ze hadden er drie dagen voor nodig om het toestel luchtwaardig te maken. Richard had vanaf de eerste blik die hij op het inwen­dige had geworpen begrepen dat deze vliegtuigen gravo-magnetisch werden aangedreven. De vliegcabine en de passagiersruim­te bezaten gewone stoelen, geen ligbanken die op versnelling waren berekend. Weerstandsloze aandrijving dus, zoals die in het Galaktisch Bestel vrijwel universeel werd toegepast voor vliegtuigen en ruimteschepen wier snelheid onder die van het licht lag. Die aandrijving maakte vrijwel ogenblikkelijke versnelling of afremming mogelijk die schijnbaar in strijd leek met de zwaartekracht. Het zag ernaar uit dat de buitenaardsen ongeveer dezelfde krachtbronnen en mogelijkheden hadden toe­gepast. Met een bezwaard gemoed hadden Martha en Richard een van de zestien krachtbronnen geopend met het gereedschap dat ze in de machine vonden. Tot hun oplucht;ag vonden ze uit dat de vloeistof in de fluxgenerator inderdaad uit water bestond. Het deed er weinig toe dat de dingetjes die het netwerk van het rho-veld aandreven uit concentrische, in elkaar geplaatste bollen bestonden en niet uit de kristallen, flinterdunne bladschijven die in het Bestel daarvoor werden gebruikt. Het principe moest het­zelfde zijn. Wanneer de generator voorzien was van die goede oude aqua pura, dan zou deze exotische vogel naar alle waar­schijnlijkheid wel willen vliegen.
    Claude zette een soort distilleerketel in elkaar om het water te koken en hield de constant borrelende pot in de gaten, terwijl Richard en Martha de controlecircuits naliepen en wijs probeer­den te worden uit de vreemde interne scheepssystemen die zich­zelf gaande wisten te houden zodra er maar water in de centrale krachtbron zat. Na een dag spelen met de buitenaardse knoppen voelde Richard zich er vertrouwd genoeg mee om de verdere analyse alleen te doen, zodat Martha haar aandacht kon wijden aan de Speer. Voor het geval er iets met de vliegmachine zou gebeuren terwijl ze nog met de grondtests bezig waren, verplaat­sten ze hun kamp naar een open plek in het struikgewas, enkele kilometers verderop waar een bron uit de kraterwand te voor­schijn kwam.
    Op de avond van de derde dag, terwijl ze om hun kampvuur zaten, kondigde Richard aan dat de machine klaar was voor een eerste testvlucht.
    ‘Ik heb de meeste begroeiing eraf geschraapt en alle vogel- en insektenesten uit de inlaten weggehaald. Ze ziet er weer bijna zo goed als nieuw uit, ook al heeft ze hier duizend jaar op haar hurken gezeten.’
    ‘En de controles?’ vroeg Claude. ‘Weet je zeker hoe alles werkt?’
    ‘Al de audio heb ik uitgeschakeld, dat was uiteraard niet in onze taal. Maar het vliegpaneel is allereerst grafisch, dus dat lukt voor het grootste deel. Ik kan de hoogtemeter niet lezen, maar er is een monitor die het terrein en de positie in een mooi beeld weergeeft. Ik moet dus op mijn ogen vertrouwen, maar die waren tenslotte eerder ontworpen dan digitale afleessystemen. Wat de cijfertjes betreft zijn de motoren een nachtmerrie, maar iedere teller is voorzien van drie idiote lichtjes, blauw, geelbruin en violet voor vertrekken, wacht even en goeie reis. Dus ook dat moet kunnen. Mijn grootste probleem zijn de vleugels. Vleugels op een ding met gravo-magnetische aandrijving, dat slaat ner­gens op. Dat moet een rituele of culturele erfenis zijn, tenzij die lui ervan hielden om af en toe ook es lekker te glijen.’
    ‘Richard,’ zei Martha ademloos, ‘neem me morgen met je mee.’
    ‘Oh, Marty-baby…’ begon hij.
    Madame kwam ertussen. ‘Dat kan niet, Martha. We kunnen dat risico niet nemen, ook al is Richard nog zo vol vertrouwen.’ ‘Ze heeft gelijk,’ zei hij, terwijl hij Martha’s hand pakte. Die voelde koud aan, ondanks de warme avond. Het licht van hun vuur wierp wrede schaduwen op haar ingezonken wangen en ogen. ‘Als ik haar heb uitgeprobeerd, dan gaan we een keer samen. Maar er mag met jou niets gebeuren, kind . .. Wie zou anders die verdomde straler in elkaar moeten zetten?’ Martha kwam dichter naar Richard toe en staarde in het vuur. ‘Ik denk dat die Speer wel werkt. Hij is nog steeds half opgela­den, wat op zichzelf al merkwaardig is en geen van de kleine, interne componenten van het lanceersysteem lijkt beschadigd te zijn. De moeilijkheid zit hem in het schoonmaken van de straalpijp en het vervangen van de deels beschadigde kabel. Gelukkig lag er in het vliegtuig spul dat hetzelfde lijkt te zijn. Ik heb nog één dag nodig om het af te werken en in elkaar te zetten, dan kunnen we het gaan uitproberen en ermee oefenen.’ ‘Hoe krachtig denk je dat dit wapen is?’ vroeg Claude. ‘Er zijn verschillende standen,’ zei ze. ‘De kleinste afstelling is de enige zonder veiligheidspal, dus ik denk dat ze die in rituele gevechten hebben gebruikt. De kracht daarvan zou wel eens overeen kunnen komen met die van een lichtpistool. De vier hogere standen zijn blijkbaar voor speciale doeleinden. De hoogste is misschien net zo sterk als een draagbaar fotonenka­non.’
    Richard floot.
    ‘Ik denk dat we hem trouwens niet op maximum moeten uitpro­beren, dat zou de lading wel eens kunnen uitputten.’ ‘En geen mogelijkheid om te herladen?’ vroeg Richard. ‘Ik krijg het niet open,’ bekende ze. ‘Er is speciaal gereedschap voor nodig en ik wilde er niet mee knoeien. We zullen de grote klap voor de oorlog moeten opsparen.’
    De verwrongen takken van het struikgewas verspreidden de doordringende geur van hars en maakten voortdurend vonken die ze moesten uittrappen. In de door droogte aangetaste vlakte waren maar enkele insekten te horen. Pas wanneer het helemaal donker werd, zouden de overgebleven vogels en zoogdieren te voorschijn komen om te drinken bij de bron en dan zou Felice met haar boog weer wat voedsel bijeen kunnen garen voor de dag van morgen.
    De blonde atlete zei: ‘Ik heb de plek waar Lugonn ligt bijna helemaal schoon. Maar nergens een halsring te zien.’ Alleen Martha slaagde erin iets van spijt te laten horen. Richard zei: ‘Er moeten genoeg van die dingen rondzwerven wanneer we in Finiah slagen. Je zult er bij die kleine koning niet om hoeven bedelen. Je hoeft je straks op het slagveld maar te bukken.’
    ‘Ja,’ zuchtte Felice.
    ‘Heb je al een idee hoe je de Speer wilt monteren, Richard?’ vroeg Claude. ‘Ik zie niet zo goed hoe we iets met een trekker in elkaar kunnen zetten die door de piloot zelf kan worden bediend, tenminste niet in dat beetje tijd dat we over hebben.’ ‘Er is maar één manier om dat aan te pakken. Ik vlieg de machi­ne en iemand anders bedient de straler door het open luik. Ik denk dat we een van die zware jongens van Commandant Burke...’
    De oude man viel hem zachtjes in de rede. ‘Iedere paleontoloog die op andere werelden werkt, weet hoe je met die zware stralers moet omgaan. Hoe dacht je anders dat we die rotsen doorkregen om aan monsters te komen? In mijn tijd heb ik een paar rotswan­den goed onder handen genomen en zelfs wel een of twee bergen overhoop gehaald om bij een paar echt waardevolle fossielen te kunnen komen.’
    Richard grinnikte. ‘Godnogantoe. Oké, je bent aangenomen. Een bemanning van twee koppen dus.’
    ‘Drie,’ zei Madame. ‘Jullie zullen mij nodig hebben om een men­taal rookgordijn om het toestel te leggen.’ ‘Angélique!’ protesteerde Claude.
    ‘Daar is niets aan te doen,’ zei ze. ‘Velteyn en zijn Vliegende Jacht zouden je boven zien rondhangen.’ ‘En je gaat niet!’ Claude was woedend. ‘Van zijn leven niet! We zullen zo hoog mogelijk vliegen boven Finiah en hen bij verras­sing nemen door verticaal omlaag te komen.’ ‘Dat zul je niet.’ Madame was onvermurwbaar. ‘Ze zullen jullie opmerken. We kunnen hen alleen maar verrassen wanneer ik kans zie de machine tijdens de inleidende manoeuvres voor hen verborgen te houden. Ik moet mee. En nu wil ik er niets meer over horen.’
    Claude kwam overeind en stond over haar heen gebogen. ‘Dacht je dat? Dacht je dat ik jou midden in een vuurgevecht liet vlie­gen? Richard en ik hebben misschien een kans van één op hon­derd om er heelhuids uit te komen. We zullen al onze aandacht nodig hebben om het karwei te klaren en dan te maken dat we wegkomen. We kunnen ons niet veroorloven om ons ook nog eens zorgen te maken over jou.’
    ‘Tchah! Maak je maar zorgen over jezelf! Radoteur! Wie leidt er hier deze groep? C’est moi! Van wie is het plan, de toute façon, voor die hele aanval? Van mij! Ik ga mee!’ ‘Ik laat je niet gaan, jij koppige ouwe Kenau!’ ‘Probeer me maar eens tegen te houden, seniele Poolse vieil­lard!’ ‘Kreng!’ ‘Salaud!’ ‘Ouwe taart!’ ‘Espèce de con!’
    ‘Houd godverdomme je kop!’ donderde Felice. ‘Jullie zijn even erg als Martha en Richard!’
    De piraat grijnsde en Martha draaide zich om, op haar lippen bijtend om haar lachen te onderdrukken. Claudes gezicht zwol op van onderdrukte woede en Madame was ineens haar hoog­hartige toontje kwijt.
    Richard zei: ‘Luisteren jullie nou es. Het rho-veld van de fluxgenerator zorgt ervoor dat niemand van de Tanu het toestel kan beschadigen. Ze zouden alleen wat er uit het toestel komt, stra­ling, speren, weet ik veel, kunnen afbuigen. Waar we ons dus echt zorgen over moeten maken is de mentale kant van hun aan­vallen. Om dat tegen te gaan hebben we Madame nodig.’ ‘Had ik maar een halsring,’ mompelde Felice. Richard vroeg Madame: ‘Hoe lang denk je dat je zo’n heel stel kunt tegenhouden?’
    ‘Ik weet het niet,’ gaf ze toe. ‘We zullen lijken op een wolk totdat we de eerste schoten op de stadsmuur hebben gelost. Dan weten ze dat er een vijand is en dan zullen heel wat geesten zich op mijn afwerend schild werpen. Dat gaat er natuurlijk aan. We moeten hopen dat dat pas gebeurt nadat we de mijn hebben geraakt. Als dat is gebeurd, kunnen we op volle snelheid weg.’ ‘Hoe vlug kunnen die Velteyn en zijn makkers vliegen?’ vroeg Richard.
    ‘Niet veel harder dan een chaliko in volle ren. Die Tanu-kampioen kan door middel van psychokinese zijn eigen rijdier en die van vijfentwintig andere strijders in de lucht krijgen. Er is maar één ander die dan overtreft en dat is Nodonn, heer van Goriah in Bretagne en Meester van het Slagveld voor de Tanu. Hij kon er vijftig omhoogbrengen. Er zijn anderen met voldoende vermo­gen om zelf tot levitatie in staat te zijn en een paar die daarnaast een of twee personen omhoogkrijgen. Maar niemand is verder zo sterk als die twee.’
    ‘Als ik toch maar zo’n halsring had,’ jammerde Felice. ‘Dan zou je es wat zien!’
    ‘We laten hen wel in het stof bijten,’ schimpte Richard. ‘Een paar ladingen tegen de stadsmuren aan elke kant en misschien nog eentje tegen hun hoofdkwartier om ze goed bang te maken en dan een grote klapper voor de mijn. Als die Speer werkelijk zo goed is als een draagbaar kanon, dan maken we er een mooie hoop sintels van.’
    ‘En komen veilig weer thuis,’ zei Claude, in het vuur starend, ‘terwijl onze vrienden het beneden uitvechten.’ ‘Velteyn zal zijn rijk tot het uiterste verdedigen,’ waarschuwde Madame. ‘Hij heeft sterke creatieve vermogens en in zijn gezel­schap zijn Tanu met grote wilskracht. We zullen groot gevaar lopen. Maar we zullen gaan. En we zullen slagen.’ Er klonk een luide knap en een gloeiend stukje hout vloog als een meteoor omhoog, terechtkomend voor de voeten van de oude vrouw. Ze stond op en trapte het heel zorgvuldig uit. ‘Ik geloof dat het tijd is om te gaan slapen. We willen morgen vroeg op zijn voor de eerste testvlucht.’
    Martha stond op van haar plaats en zei tegen Richard: ‘Laten we nog een klein eindje lopen voor we gaan slapen.’ ‘Spaar je krachten, chérie,’ waarschuwde Madame. ‘We gaan echt maar een klein eindje,’ zei Richard. Hij sloeg een arm om Martha’s middel om haar te ondersteunen. Ze verlieten de lichtkring bij het vuur waar de anderen nog ble­ven napraten en wandelden naar het verste eind van de open plek. Enkel de sterren verlichtten het struikgewas, want de maan was nog niet op. Boven hen lag de begroeide helling waarover het smalle spoor liep dat naar de rand van de krater leidde. Ze kon­den de machine van hieruit niet zien, maar ze wisten dat ze daar wachtte.
    ‘We zijn gelukkig geweest, Richard. Begrijp jij dat? Een paar als wij?’
    ‘Een paar gelijken, Martha. Ik houd van je, baby. Ik had nooit gedacht dat het kon gebeuren.’
    ‘Alles wat je nodig had was een goeie, ouderwetse sexy meid.’ ‘Gek,’ zei hij. En kuste haar ogen en haar koude lippen. ‘Wanneer het allemaal voorbij is, denk je dat we dan terugko­men?’
    ‘Terug?’ herhaalde hij dommig.
    ‘Na de aanval op Finiah. We zullen anderen moeten leren hoe ze met de vliegmachine moeten omgaan en onderhouden zodat de andere twee delen van Madames plan kunnen worden uitge­voerd. Maar jij en ik hoeven ons daar geen zorgen over te maken. Wij hebben ons aandeel geleverd. We kunnen ons naar deze plek terug laten vliegen en dan . ..’
    Ze draaide zich naar hem toe en hij hield haar vast. Ze was te zwak geworden en te verscheurd door krampen en bloedingen om nog met hem naar bed te kunnen, maar ze had erop gestaan hem te blijven troosten. Elke nacht brachten ze in elkaars armen door in een van de huisjes van decamole.
    ‘Maak je geen zorgen, Marty. Amerie weet hoe ze je weer in orde moet krijgen. Voorgoed. We gaan hier naar toe terug en zorgen voor een machine alleen voor ons tweeën en zoeken een goed plekje om te leven. Geen Tanu meer, geen Firvulag, geen Huilers, niemand meer. Alleen jij en ik. We vinden een plek. Dat beloof ik je.’
    ‘Ik houd van je, Richard,’ zei ze. ‘En wat er ook gebeurt, dit hebben we gehad.’
    In de ochtend wuifde Richard de anderen vaarwel en liep naar de plek waar het toestel stond. Het zag er nog steeds tamelijk rom­melig uit ondanks al zijn geschraap, maar hij nam zich voor dat snel in orde te maken.
    Hij ging in de bestuurdersstoel zitten en beklopte het bedie­ningspaneel zoals een ruiter dat zou doen om een schrikachtig paard gerust te stellen. ‘Oh, jij lekkere druipsnuit, vleugelding van me. Jij zou een ouwe kapitein niet laten vallen, is het wel? Tuurlijk niet. Wij gaan vandaag vliegen!’ Hij startte haar en begon de controles. Hij hoorde het vertrouw­de, zachte gezoem van de rho-veldgeneratoren in zijn cabine en hij grijnsde bij de gedachte aan al die microscopisch kleine thermonucleaire reacties die alle zestien generatoren aanjoegen, klaar om een web van subtiele krachten te weven dat de metalen vogel zou bevrijden van de heerszucht der zwaartekracht. Al die idiote lichtjes stonden op blauw, klaar om te gaan. Haar nog stevig op de grond houdend, voerde hij brandstof toe. De schilfe­rige huid van het schip gloeide zwak purper in de heldere zonne­schijn, terwijl het netwerk van het rho-veld zijn kleuren spon. Al de korsten die hij niet had kunnen verwijderen, smolten weg en lieten een glad kerametalen oppervlak achter, zwart. Precies wat je mocht verwachten bij een toestel dat baantjes rond een pla­neet kon trekken.
    Hij sloot de inwendige systemen aan. Aha, ja ... kleine blauw­groene lichtjes die hem vertelden dat alles in gereedheid was om zijn veiligheid te waarborgen, waarheen het schip hem ook droeg. Langzaam aan met het opvoeren van het rho-veld. De vleugels terug in minimumstand totdat hij ermee vertrouwd was geraakt. Hij moest zorgen op zijn eerste vlucht niet als een aan­geschoten eend door de hemel te zeilen. Dit moet met klasse gebeuren, kapitein Voorhees. Oké ... oké en hups, daar gaat ie ...!
    Recht omhoog en dan doodstil en houd haar daar op onleesbare krulletjes zoveel meters op die niet te ontcijferen hoogtemeter. Laten we zeggen vierhonderd. Beneden was de Rieskrater een grote blauwe kom met hier en daar op de westelijke rand een paar vogels met gespreide vleugels, wachtend op hun beurt om te mogen drinken. Hij telde er tweeënveertig, één ontbrak er waar een aardverschuiving een toestel had bedolven en er was nog een open parkeerplaats waar zijn eigen machine had gestaan. Verdomd lastig die vleugels wanneer de wind er bij stilstand vat op kreeg. Hij kon maar beter in beweging komen. Langzaam . .. langzaam... om haar lengteas in een bocht en vooruit. Een achtje draaien en dan een verticale vijf, stoppen en weer vooruit, naar beneden donderen en dan een glijvlucht in een prachtige cirkelbaan en ... allemachtig, ze deed het! Beneden op de grond sprongen vier kleine figuurtjes op en neer. Hij volvoerde een redelijke imitatie van een vleugelgroet om te laten merken dat hij hen gezien had en barstte toen luidkeels in lachen uit.
    ‘En nu, mijn vrienden, het ga u goed, want ik moet u een tijdje verlaten. Al het andere komt later wel. Nu gaat deze ouwe kapi­tein zich een paar lessen geven hoe er met dit vliegende ding rondgejakkerd moet worden.’
    Hij sloeg de knop voor het rho-veld op vol vermogen en dat ont­stak een vuurtje onder haar staart waardoor ze verticaal de ionosfeer injoeg.

9

    Zouden er vrijwilligers komen?
    Terwijl de dagen van september voorbijgleden en de voorberei­dingen in het dorp Verborgen Bron werden voltooid, hield die vraag de volgelingen van Madame Guderian het meest bezig. Haar invloed—en ook de voordelen van de samenwerking tus­sen mensen en Firvulag—reikte niet veel verder dan een hand­vol kleine nederzettingen in de Vogezen en de wildernis rondom de Saöne, een gebied dat nooit meer dan een honderdtal strijders kon opbrengen. De communicatie met verder liggende nederzet­tingen van Minderen was minimaal, omdat altijd het gevaar dreigde van de Jacht, de patrouilles, de Huilers en zelfs van onderdanen van koning Yeochee die niet altijd geneigd waren hun vervolging van mensen op te geven. Voordat ze Hoog Vrazel verlieten hadden Madame en Burke dit probleem besproken met de slimme, oude aanvoerder van de vormveranderaars, Pallol-Eenoog. Ze waren het erover eens geworden dat hun enige hoop op rekrutering van verder weg wonende mensen in de handen van de Firvulag lag. Alleen deze wevers van illusies konden erin slagen groepen menselijke strij­ders uit verafgelegen dorpen tijdig voor de aanval op Finiah naar Verborgen Bron te leiden. Maar er was duidelijk iets meer nodig dan een simpele oproep om naar de wapens te grijpen om die sceptische mensen uit hun moerassen en versterkte hoogten te voorschijn te lokken, zeker wanneer die uitnodiging werd over­gebracht door de kleine buitenaardsen.
    Madame en Peo hadden daarom een gezamenlijke oproep geschreven en die in handen van Pallol achtergelaten. De bood­schappers van de Firvulag zouden echter de uitnodiging meer gewicht moeten geven en om dat te bereiken werden ze het eens over een strategie die de oude Strijdmeester had voorgesteld. Terwijl de expeditie van Madame Hoog Vrazel verliet op weg naar het Scheepsgraf, trokken geselecteerde groepen Firvulag, onder wie de meest tactvolle van koning Yeochee’s scheidsrech­ters voor de Grote Veldslag, naar het zuiden en het westen om alle Minderen in de bekende wereld op te roepen deel te nemen aan de aanval tegen Finiah.
    Het Kleine Volk ging, beladen met geschenken. Zo gebeurde het dat eenzame tussen de vulkanen verspreid staande groepjes hut­ten in het hele Centrale Massief ’s nachts werden bezocht door vrijgevige feeën. Zakken van het fijnste meel, flacons met honing en wijn, vette kazen, suiker en andere luxueuze buiten­sporigheden verschenen langs mysterieuze weg op de drempels van menselijke behuizingen. Verloren geraakte ganzen en scha­pen vonden op onverklaarbare wijze de weg naar hun hokken terug en zelfs zoekgeraakte kinderen kwamen veilig weer thuis, geleid door vlinders of dwaallichtjes. Op de berghellingen van de Jura verdween de slechtgelooide huid van een hert die tegen de muur van een armzalige hut was gespijkerd, maar in plaats daarvan vonden de gelukkige bewoners goed gelapte schoenen, wambuizen van bont en zijdezachte suède kleding. Diep in de moerassen van het Parijse Bekken ontdekten de veenbewoners dat hun rottende bootjes waren vervangen door gloednieuwe vaartuigen van decamole, gestolen uit Tanu-karavanen; grote netten vol waterwild werden achtergelaten op plekken waar mensen ze wel moesten vinden; plastic containers met insektenwerende middelen, kostbaarder dan edelstenen, verschenen op de vensterbanken van de op palen geplaatste moeraswoningen op hoogten waar geen gewone voorbijganger ze had kunnen neerleggen. In tal van nederzettingen kwamen mensen tot hun verbazing tot de ontdekking dat moeilijke karweitjes door onzichtbare helpers waren geklaard. Zieken werden verzorgd door elfachtige vrouwen die bij de dageraad spoorloos verdwe­nen; gebroken voorwerpen werden gerepareerd, lege voorraad­kasten gevuld en steeds waren er geschenken, geschenken en nog eens geschenken.
    Toen ten slotte de boodschappers van de Firvulag openlijk naar voren kwamen om het afschrikwekkende plan van Madame Guderian (die natuurlijk bij al de vluchtelingen bekend was) te vertellen en toe te lichten, waren de Minderen in elk geval bereid om te luisteren. Lang niet iedereen was bereid om aan de oproep gehoor te geven, want onder die zwervers bevonden zich veel emotioneel leeggebrande mensen, lichamelijk kreupelen of zwakken en zij die enkel aan hun eigen huid wensten te denken. Maar de moedigsten, de gezonden, zij die nog dromen hadden, werden aangestoken door het idee een rake klap uit te delen aan de zo gehate Tanu, terwijl nog weer anderen konden worden overgehaald toen de boodschappers de mogelijkheid van rijke buit delicaat ter sprake brachten. Zo keerden de afgezanten van de Firvulag ten slotte huiswaarts en de mensen rond Verborgen Bron raakten buiten zichzelf, want ze brachten bijna vierhon­derd mannen en vrouwen met zich mee die van heinde en verre kwamen, uit Bordeaux en Albion en uit de delta’s van de Zee van Antwerpen. Ze werden welkom geheten uit naam van de Vrije Mensheid, kortstondig getraind en uitgerust met wapens van brons en vitredur. Men was overeengekomen dat geen van de nieuwkomers iets over het ijzer zou horen tot op de dag van de aanval en slechts de bekwaamsten van de vrijwilligers zouden met dat kostbare metaal worden bewapend. De geheime plaats van voorbereiding in de laaglanden aan de Rijn tegenover Finiah was tegen het midden van de laatste week in september geheel in gereedheid. Menselijke strijders en het puikje van de Firvulag stonden klaar om de rivier in zeilboten over te steken die aan het Kleine Volk behoorden. De boten zou­den in wolken mist verborgen kunnen worden gehouden zolang de krachtigste van de Tanu daar zijn aandacht niet op richtte. Meer Firvulag waren verderop in een ander kamp verborgen, klaar om aan te vallen zodra de stadsmuur op een tweede plaats werd verwoest. Over tactiek en doelen was beslist en alle voorbe­reidingen getroffen. Het wachten was op de Speer van Lugonn.
    ‘De Jacht gaat vannacht op pad, Peopeo Moxmox Burke.’ Het was donker in het cipressenmoeras, want de maan was onder. Commandant Burke richtte zijn nachtkijker op de activi­teit aan de overkant van de rivier. Het hoge, door een smalle landengte met het vasteland verbonden schiereiland waarop de Tanu-stad was gebouwd, lag zoals altijd in een ongelofelijke zee van veelkleurige lichten. De veel scherpere blik van Pallol-Eenoog had al gezien wat Burke nu pas door zijn kijker waarnam: een gloeiende processie die opsteeg van de hoogste kantelen van het paleis van Velteyn, langzaam hoger spiralend terwijl de afzonderlijke deelnemers aan de Vliegende Jacht zelfs op deze afstand van twee kilometer zichtbaar bleven. Tanu-ruiters wier gefacetteerde wapenrusting flonkerde in elke kleur van de regenboog, rijdend op grote, witte chaliko’s. De poten van de rijdieren bewogen eendrachtig terwijl ze door die luchtige duis­ternis galoppeerden. Er bevonden zich eenentwintig ridders in de stoet plus een laatste die hen leidde, zijn wapperende mantel achter hem aan stromend als de staart van een komeet van dam­pig zilver. Vanuit de verte weerklonken de zwakke tonen van een hoorn.
    ‘Ze gaan zuidwaarts, Strijdmeester,’ zei Burke. Naast hem knikte Pallol-Eenoog, die op zijn eigen verre wereld meer dan zeshonderd winters had meegemaakt en hier meer dan duizend omwentelingen van de bijna seizoenloze Pliocene Aar­de. Hij was groter dan de Indiaan en bijna tweemaal zo massief, maar hij bewoog zich even behendig als de grote otters in deze waterige jungle, wier vormen hij vaak, in het groot, nabootste. Zijn rechteroog was een grote krans van goud met een dieprood gekleurde iris; het linker werd verborgen achter een met juwelen bezette leren lap. Men fluisterde dat wanneer hij in de strijd die ooglap oplichtte, zijn blik dodelijker werd dan een bliksemflits. En dat wilde zeggen dat het destructieve potentieel van zijn rechter hersenhelft tot de krachtigste behoorde onder Firvulag en Tanu. Maar Pallol-Eenoog was sinds lang een lichtgeraakte oude held en hij had zich al in geen twintig jaar verwaardigd zijn rusting van obsidiaan te bevuilen in een Grote Veldslag. Hij kon de jaarlijkse vernedering van zijn volk niet verdragen; hij had Madame Guderians plan tamelijk amusant gevonden, maar hij had ingestemd met de rol van de Firvulag toen zowel Yeochee als de jonge kampioen Sharn-Mes hadden besloten de Minderen te steunen. Pallol had verklaard advies te zullen verlenen en dat had hij gedaan, maar het was ondenkbaar dat hij persoonlijk zou deelnemen aan wat hij ‘Madames kleine oorlog’ noemde. Het was heel waarschijnlijk dat die oorlog oneindig zou worden uit­gesteld wanneer de dame er niet in slaagde met het beloofde materiaal terug te keren. En zelfs wanneer ze de Speer mee terugbracht, hoe zouden eenvoudige mensen zelfs maar mogen hopen dit wapen effectief aan te wenden tegen de dapperen van Velteyn? De Speer was een wapen voor een Held! En het was maar al te waar dat helden zeldzaam waren onder deze versleten jonge generatie.
    ‘Ze steken nu de Rijn over, naar het westen in de Kloof van Belfort,’ zei Burke. ‘Ze willen ongetwijfeld de laatste karavaan van kasteel Doortocht begeleiden voor de Wapenstilstand begint.’
    Nog steeds knikte Pallol alleen maar.
    ‘De Tanu kunnen geen idee hebben van onze voorbereidingen, Strijdmeester. We hebben feilloos gewerkt.’
    Ditmaal lachte Pallol, een schurend geluid als van lavablokken die over elkaar gleden. ‘Finiah glanst helder aan de overzijde van de rivier, Leider van Mensen. Bewaar je zelfgenoegzaamheid tot die lichten zijn gedoofd. Maar Madame Guderian zal niet terug­keren en heel dit komplot tegen de ringdragende Aartsvijand zal voor niets zijn geweest.’
    ‘Misschien, Strijdmeester. Maar zelfs wanneer we niet vechten, dan nog hebben we dingen bereikt waar niemand voordien van durfde te dromen. Bijna vijfhonderd Minderen zijn bijeengeko­men voor een gemeenschappelijk doel. Nog geen maand geleden was dat een ijdele illusie. We waren verstrooid en bang en door­gaans zonder hoop. Maar nu niet meer. We weten dat er een kans bestaat om de Tanu-overheersing te breken. Dat zal vlug­ger gebeuren wanneer de Firvulag ons helpen. Maar zelfs wan­neer dat bondgenootschap verbroken werd, zelfs wanneer Madame er niet in zou slagen dit jaar de Speer terug te brengen, dan nog zullen we terugkomen om te vechten. Hierna kunnen de mensen nooit meer terugkeren naar hun oude, schichtige levens­wijze. Anderen zullen het Scheepsgraf zoeken wanneer Mada­me niet slaagt. We zullen dat oude wapen vinden en zorgen dat het weer werkt, iets dat de Firvulag nooit zouden kunnen. En wanneer de Speer onvindbaar blijft—als we hem nimmer vin­den—dan zullen we andere wapens gebruiken, net zolang tot de Tanu verslagen zijn.’
    ‘Je bedoelt dat je het bloedmetaal wilt gebruiken,’ zei Pallol. Een dozijn seconden was Burke doodstil. ‘Je weet dus van het ijzer?’
    ‘De zintuigen van de ringdragers zijn misschien zo verrot dat ze machines nodig hebben om dat dodelijke metaal op te sporen, maar de neuzen van de Firvulag niet! Jullie kamp stinkt naar ijzer.’
    ‘We zullen het niet tegen onze vrienden gebruiken. Tenzij jullie verraad in de zin hebben, hebben jullie niets te vrezen. De Firvu­lag zijn onze bondgenoten, wapenbroeders.’ ‘De Tanu-Aartsvijanden zijn onze ware broeders en toch zijn we gedoemd hen eeuwig te bestrijden. Zou dat tussen Firvulag en mensen anders kunnen zijn? Deze Aarde is voorbestemd om aan mensen toe te behoren en jij weet dat. Ik geloof niet dat de mens­heid ermee tevreden zal zijn die aarde met ons te delen. Nooit zullen jullie ons broeders noemen. Jullie zullen ons indringers noemen en proberen ons te vernietigen.’ ‘Ik kan alleen maar voor mezelf spreken,’ zei Burke, ‘want mijn stam, de Wallawalla zal bij mijn dood zijn uitgestorven. Maar geen mens zal verraad kunnen plegen tegen de Firvulag zolang ’k hun generaal ben, Pallol-Eenoog. Dat zweer ik bij mijn bloed, dat even rood is als het jouwe. En of we broeders zijn of niet...
    dat vraag ik me nog steeds af. Er zijn heel wat soorten van ver­wantschap.’
    ‘Dat dacht ons Schip ook,’ zuchtte de oude kampioen. ‘Het heeft ons hier gebracht.’ Hij tilde zijn zware kop naar de hemel. ‘Maar waarom? Er waren zoveel andere gele sterren in het universum, zoveel mogelijke planeten. Maar waarom hier? Bij jullie? Het Schip was geïnstrueerd om de beste mogelijkheid te selecte­ren.’
    ‘Misschien,’ zei Peopeo Moxmox Burke, ‘maakte het Schip een oordeel op langere termijn.’
    De hele lange dag hadden roofvogels rondgecirkeld. Ze zweefden op de luchtstromingen boven de bossen van de Vogezen, elk op de hoogte die bij zijn soort hoorde. Het laagst van alle vloog een wentelende zwerm van kleine wouwen, boven hen kwam een paar bronzen buizerds en weer daarboven vlogen de scherpsnavelige adelaars. Daarboven zweefde de eenzame lammergier, de machtigste van alle bottenverslinders. Maar de meest verhevene van al de vogels was deze lange wake als eerste begonnen en had daarmee al de andere aangetrokken. Op onbe­weeglijke vleugels draaide hij cirkels op zo grote hoogte dat hij vanaf de grond nauwelijks zichtbaar was. Zuster Amerie keek naar de vogels door de spaarzame takken van een steenden, de taankleurige kat rustte in haar armen. ‘Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.’ ‘Je citeert de christelijke geschriften,’ zei de Oude Man Kawai, die zijn ogen beschaduwde met een bevende hand. ‘Denk je dat de vogels werkelijk helderziend zijn? Of hopen zij enkel, net als wij? Het is al zo laat... te laat.’
    ‘Bedaar Kawai-san. Wanneer ze deze nacht komen, hebben de Firvulag nog een heel etmaal van vierentwintig uur over om ons bij de aanval te helpen. Dat moet voldoende zijn. Zelfs wanneer onze bondgenoten zich dan bij zonsopgang terug moeten trek­ken omdat de Wapenstilstand is aangebroken, kunnen we nog steeds winnen met de hulp van het ijzer.’ De oude man bleef klagen. ‘Wat houdt Madame tegen? Het was zulk een kleine hoop. En hier is zoveel werk verzet in de verwach­ting dat die hoop zou worden vervuld.’
    Amerie streelde de kat. ‘Wanneer ze voor de dageraad komen, kan de aanval nog steeds beginnen volgens het tweede sche­ma.’
    ‘Als ze komen. Heb je nagedacht over het navigatieprobleem? Richard moet eerst naar Verborgen Bron komen. Maar hoe zal hij dat vinden? Vanuit de lucht lijken al die kleine valleien onge­twijfeld op elkaar en het onze ligt verborgen vanwege de Jacht. Richard zal onze kloof niet kunnen vinden, zelfs niet bij daglicht wanneer hij op grote hoogte aankomt. En hij zal niet laag durven vliegen omdat de vijand hem anders zal opmerken.’ Amerie was geduldig. ‘Madame zal het schip met haar mentale kracht verbergen, dat spreekt toch vanzelf? Bedaar toch! Al die zorgen doetje gezondheid geen goed. Hier ... streel de kat. Dat is heel rustgevend. Wanneer je haar vacht streelt, maak je nega­tieve ionen los.’ ‘Ah so desu ka?’
    ‘We moeten hopen dat het vliegtuig is uitgerust met een infra­rood scanner voor nachtvluchten, precies zoals de onze dat waren in de 22e eeuw. Zelfs nu alle strijders vertrokken zijn, hebben we nog steeds dertig warme lichamen in het dorp over. Richard zal ons weten te vinden.’
    Oude Man Kawai zoog zijn adem naar binnen. Een verschrikke­lijke gedachte van een heel andere aard kwam in zijn hoofd op. ‘Dat verbergen van het vliegtuig met psychische krachten! Wan­neer het volume groter is dan tien kubieke meter, dan zal het haar niet lukken om dat helemaal onzichtbaar te maken. Ze zal het alleen maar zo’n beetje kunnen verbergen en dan moeten we maar hopen dat de Tanu hun waarnemende vermogens daar niet al te grondig op richten. En wat gebeurt er wanneer de machine zo groot is dat haar vermogens totaal ontoereikend zijn om een aanvaardbare illusie te scheppen?’ ‘Ze zal er iets op weten te vinden.’
    ‘Het is een groot gevaar,’ bleef hij klagen. De kleine kat keek hem met een blik vol lijden aan terwijl zijn hand nerveus op haar vacht klopte. ‘De Vliegende Jacht zou de machine nog kunnen ontdekken terwijl ze hier aan de grond staat! Velteyn hoeft alleen maar omlaag te komen om mijn camouflagenetten van dichtbij te bekijken. Dat zijn dingen van niks.’ ‘Goed genoeg om haar een nacht te verbergen. En Velteyn heeft geen nachtogen. Hij komt bovendien tegenwoordig nooit zo ver naar het westen. Schei uit met je gezeur! Je krijgt nog een hart­aanval. Waar is je jiriki?’
    ‘Ik ben een dwaze, onbruikbare oude man. Ik zou hier helemaal niet zijn als ik wist hoe ik mezelf met Zen in de hand moest houden ... De netten ... als die niet aan hun doel beantwoor­den, ‘is het allemaal mijn schuld! Wat een schande!’ Amerie zuchtte van uitputting en gooide de kat naar Kawai. ‘Neem Deej mee naar het huis van Madame en geef haar wat van de overgebleven vis. Dan neem je haar op schoot, je sluit je ogen en je streelt haar en je denkt alleen maar aan al die prach­tige driedimensionale films die in Osaka van je produktielijnen kwamen.’
    De oude man giechelde. ‘Dat klinkt als een surrogaat voor scha­pen tellen. Yatte Mimasu! Misschien zal ik er rustiger van wor­den. Zoals je zegt, er is nog tijd over voor de aanval. . . kom mee, poes. Je mag je waardevolle negatieve ionen met mij delen.’ Hij strompelde weg, maar keerde zich na een paar stappen weer om met een slimme grijns op zijn gezicht. ‘We blijven een ver­schil van mening houden. Vergeef me mijn gepronk met verou­derde technische kennis, Amerie-san. Maar zelfs de grootste domkop op het gebied van elektronica weet dat negatieve ionen nooit hetzelfde kunnen zijn als kat-ionen!’ ‘Maak dat je wegkomt, Oude Man!’ Giechelend verdween hij in het huisje.
    Amerie begon door de kloof te lopen, langs de hutten en de hui­zen, knikkend naar de weinige mensen die, net als zij, de verlei­ding niet konden weerstaan de hemel af te speuren in hoop en afwachting.
    De allerlaatste van de gezonde mannen en vrouwen waren drie dagen eerder onder bevel van Uwe afgemarcheerd en het tijdstip voor een veel gunstiger tweedaagse aanval was al lang verstre­ken. Maar er was nog altijd tijd om een aanval van één dag te lanceren. Het was nog altijd mogelijk dat morgen bij de dage­raad menselijke wezens zich voor het eerst zouden verenigen om hun onderdrukkers uit te dagen.
    Oh Heer, laat het lukken. Laat Madame en al de anderen hier op tijd aankomen!
    Het werd koeler terwijl de zon onderging en spoedig zou de ther­miek—die omhooggerichte stromen van hete lucht—zover afnemen dat de roofvogels gedwongen werden naar de aarde terug te keren. Amerie zocht haar eigen, geheime plek op onder een lage jeneverbes met brede takken waar ze met haar ogen op de hemel gericht ging liggen om te bidden. Het was zo’n mooie maaruljeweest! Haar arm was snel genezen en al de mensen ... Ah, Heer, wat was ze dom geweest om te denken dat ze kluizenares wilde worden. De bevolking uit het dorp en al de andere bannelingen in de omgeving hadden haar nodig als arts, als raadsvrouwe en als vriendin. Onder hen was ze het werk begon­nen waarvoor ze was opgeleid. En wat was er overgebleven van die ontwortelde vrouw die zichzelf wilde straffen door weg te vluchten in de eenzame gevangenis van het Plioceen? Hier kon ze de heilige mis opdragen, mediteren in de stilte van het woud, maar wanneer de mensen haar nodig hadden, was ze beschik­baar, zoals die anderen er waren wanneer zij hen nodig had. Haar droom was in vervulling gegaan, ook al was het anders gelopen dan ze zich had voorgesteld. Voor het eerst had de taal waarin ze bad de kracht van het levende woord.
    Ik plaats mijn vertrouwen in de Heer! Wie durft tegen mijn ziel te zeggen:
    vlieg heen als een kraai naar de bergen, want zie ... de bozen hebben hun bogen gespannen en hun pijlen opgelegd, om in de nacht de goeden te doorboren; zij hebben alles verwoest wat juist was omdat rechtvaardigen het kwaad lieten geschieden!
    Maar de Heer test de rechtvaardigen en de bozen; Hij haat de wettelozen, de minnaars van het kwaad. Vurige kolen en brandende zwavel zal Hij op hen doen neer­dalen!
    Een machtige wind zal hen straffen…
    De lammergier vloog weg naar zijn horst tussen de hoge rotsen en de adelaars daalden af naar de nesten in hun bomen. Nog een uur en de zon zou onder zijn. De wouwen verspreidden zich, ze zouden hun honger met insekten moeten stillen en zelfs de bui­zerds verdwenen als laatsten, zich misschien wel afvragend wat hen er allemaal toe had gebracht zoveel tijd te verspillen in de hoop op een prooi die uitbleef. Alleen die ene cirkelde nog hoog in de lucht, volstrekt ongevoelig voor het verdwijnen van de ther­miek.
    Amerie keek naar hem, liggend onder haar boom. Ze keek naar die ver verwijderde vlek die eindeloos cirkelde, die al de andere naar zich toe had getrokken en hen toen had teleurgesteld. De vogel op bewegingloze vleugels.
    Met bonzend hart krabbelde ze overeind en rende terug naar de kloof om al de anderen te waarschuwen.
    ‘Terug! Raak niets aan voor het veld is uitgeschakeld. In gods­naam!’ schreeuwde iemand.
    Het geweldige ding, nog steeds zwak purper nagloeiend, leek heel het laagste deel van de kloof te vullen. Het was omlaaggekomen zodra de hemel volledig was verduisterd, geluidloos als een fluistering, maar toch nog een luchtstroom voor zich uitduwend die het vlechtwerk van takken van de daken trok en de ganzen van de arme oude Peppino als bladeren in een storm van hun poten gooide. Twee meter boven de hoogste bomen was het dood­stil blijven hangen, de neerwaarts gerichte neus, de vleugels als van een meeuw en de waaierstaart badend in een krioelend net­werk van nauwelijks zichtbaar vuur. De Oude Man Kawai, nu efficiënt en zelfverzekerd, zorgde ervoor dat de overige dorpelin­gen klaarstonden met de camouflagenetten. Allemaal wachtten ze af, stil van bewondering, terwijl het zwe­vende ding zijn grote vleugels langs de dertig meter lange romp vouwde en behoedzaam naar beneden zakte. Het kwam enigszins schuin tussen een paar grote pijnbomen terecht waar de bodem vrijwel onbegroeid was, leek nog een tel te aarzelen voor het helemaal bij de grond was en strekte toen zijn lange poten uit. Er klonk een luid gesis, een paar struiken begonnen te smeu­len en vlagen rook kronkelden over de voetpaden. De huid van de vogel verkleurde tot doods zwart.
    Toen braken de mensen, die tot nu toe als bevroren hadden gestaan, in luid gejuich uit. Verschillenden van hen huilden ter­wijl ze naar voren renden en de kleine brandjes uittrapten die door de hitte van het rho-veld waren ontstaan. Het luik ging open en de ladder gleed naar buiten. Langzaam kwam Madame Guderian naar beneden. Amerie zei: ‘Welkom thuis.’ ‘We hebben het meegebracht,’ zei Madame. ‘Alles is klaar. Precies volgens plan.’
    De lamme Miz Cheryl-Ann die 203 was en bijna blind, greep een van Madames handen en kuste die, maar de Française leek het nauwelijks te merken. Van boven kwam een waarschuwend geroep. Een draagbaar werd zichtbaar die door Felice en Richard langzaam neer werd gelaten.
    Madame zei enkel: ‘Je bent nodig, Zuster.’ Toen draaide ze zich om en liep als verblind naar haar huis. Amerie knielde neer en nam een van Martha’s benige polsen in haar hand. Richard stond ernaast in zijn verkreukelde piratenhemd en vies gewor­den leer, de vuisten gebald, tranen langs zijn door de zon gebla­kerde wangen.
    ‘Ze wilde niet dat we teruggingen voor de Speer helemaal goed werkte. En nu is ze bijna doodgebloed. Help haar, Amerie.’ ‘Volg me maar,’ zei de non. Allemaal gingen ze achter Madame aan, de baar tussen hen in dragend terwijl Claude achterbleef om erop toe te zien dat de grote, zwarte roofvogel veilig werd toegedekt voor de nacht.

10

    Voor de dageraad werd er een mis gehouden en daarna gebruikte Madame haar verreikende vermogens om eenmaal het raadselachtige ‘wij komen’ uit te zenden dat bestemd was voor Pallol en dat ervoor moest zorgen dat de invasievloot gereed was oni toe te slaan na het bombardement op Finiahs muren. De zonsopgang was minder dan een uur verwijderd en als vorige gelegenheden enige garantie boden dan moest Heer Velteyn en de leden van zijn Vliegende Jacht nu terug zijn in hun verster­king na hun nachtelijke rooftocht.
    Claude liep bijna aan het einde van de stoet die op weg was naar de vlieger en wilde maar dat Felice haar mond hield. Ze was andermaal gekleed in haar zwartleren ringhockey-uitrusting, die door de ambachtslui van Oude Man Kawai schitterend was hersteld en ze was wild van opwinding en vrees dat ze de oorlog zou mislopen.
    ‘Ik neem helemaal geen ruimte in. En ik zweer dat ik geen woord zal zeggen tijdens de vlucht. Claude, je moet me laten meegaan! Ik kan niet wachten tot na de aanval. Wat moet ik beginnen als jullie niet terugkomen?’
    ‘Als Velteyn de machine te pakken krijgt, ga jij er ook aan.’ ‘Maar als dat niet zo is, kun je me net buiten Finiah aan de grond zetten! Laten we zeggen aan de landkant van het schiereiland. Ik zou mee kunnen doen met de tweede aanvalsgolf van de Firvulag. Alsjeblieft, Claude!’
    ‘De Jacht heeft ons dan al misschien in de gaten. Landen zou dan op zelfmoord neerkomen en dat is niet de bedoeling van dit alles. Tenminste niet voor mij en evenmin voor Madame Guderian. Finiah is maar het begin van onze oorlog. En Richard heeft nu Martha om voor in leven te blijven.’
    Voor hen uit waren de dorpelingen al bezig de netten van de zwarte vogel te halen. Enkele kaarsen lichtten op in de mist waar Amerie bezig was de machine te zegenen. Felice zei: ‘Ik zou je met de Speer kunnen helpen, Claude. Je weet wat een ellendig groot ding dat is. Ik zou kunnen helpen.’ Ze klemde zich aan zijn hemd vast zodat hij abrupt kwam stil te staan. Hij greep haar bij de schouders.
    ‘Luister nou toch, meisje! Richard barst van de zenuwen. Hij heeft vierentwintig uur niet geslapen en is half gek van angst om Martha. Zelfs met de transfusies die Amerie haar heeft gegeven, heeft ze maar vijftig procent kans om het te overleven. Nu moet Richard een oorlogsvlucht maken in een toestel dat hij amper kent met twee oude gekken in zijn gezelschap en een geweldige druk op zijn geest omdat de hele toekomst van de mensheid hier in het Plioceen daarvan afhangt. Je weet hoe hij over je denkt. Je zou de druppel kunnen zijn die zijn emmer doet overlopen. Je zegt dat je uit de weg zult blijven. Maar ik weet dat je dat niet zult doen als het echt spannend wordt. En daarom blijf jij hier! Wij doen wat we doen moeten en maken dan dat we wegkomen. Met een beetje geluk zal Velteyn niet eens weten waarheen. Daarna komen we terug en halen jou op. Als we het halen, dan beloof ik je dat we je op het slagveld brengen een uurtje nadat de eerste aanval is begonnen.’
    ‘Claude ... Claude . ..’ Haar gezicht gluurde door de T-vormige opening van de zwarte hoplietenhelm. Paniek en woede en een nog vreemdere emotie leverden daar strijd met haar verstand. Claude wachtte af, biddend dat ze hem niet zou aanvliegen. Maar hij was zo doodop van vermoeidheid dat het hem nauwe­lijks meer kon schelen of ze hem tegen de grond sloeg en de anderen zou dwingen zijn plaats aan haar af te staan. Ze was ertoe in staat, maar ze wist ook dat hij de beste schutter was. ‘Oh, Claude.’ De van woede fonkelende ogen sloten zich. Tranen kwamen onder de wangstukken van haar helm te voorschijn en de groene pluimen zakten, terwijl ze zich van hem loswrong en terugrende naar het huis van Madame.
    Hij zuchtte diep. ‘Zorg dat je klaar bent als we terugkomen!’ riep hij haar achterna en haastte zich toen naar de anderen die al wachtten.
    De grote vogel kroop steeis uit zijn schuilplaats te voorschijn. Toen hij in open ruimte was, steeg hij in de vroege ochtendhemel omhoog als een vonk die door een onzichtbare schoorsteen raas­de, in één keer een hoogte bereikend van vijfduizend meter. Angélique Guderian stond naast Richard, zich met één hand vastklampend aan de achterkant van zijn stoel terwijl ze met de andere haar halsring vasthield. Richard had zijn oude ruimte­vaartoveral aangetrokken. ‘Heb je ons verborgen, Madame?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde ze zwak. Ze had sinds hun terugkeer nauwe­lijks meer een woord gezegd. ‘Claude. Ben jij klaar?’ ‘Zodra je het sein geeft.’ ‘We zijn op weg!’
    Een halve seconde later rolde het luik geruisloos open. Ze hingen bewegingloos boven een patroon van microscopisch kleine juwe­len, dat in zijn geheel ruwweg de vorm had van een kikkervisje wiens staart aansloot bij de oostelijke oever van de Rijn. Het patroon schoot snel op hem af terwijl de machine naar beneden kwam en tweehonderd meter boven het hoogste gebouw doodstil bleef hangen.
    ‘Geef ze ervan langs,’ zei Richard.
    Claude bracht de grote Speer in positie en richtte op de lijn van twinkelende lichtjes die de stadsmuur aan de kant van de Rijn markeerde. Ergens in de grijze mist aan de overzijde van de rivier wachtte een heel flottielje van Firvulag-schepen, volgela­den met mensen en buitenaardse krijgers. Houd haar iets lager, oude man. Je hebt geen trek om je eigen mensen uit het water te koken.
    Hij nam de veiligheidspal weg en legde die opzij. Daar .. . pre­cies daar. Druk op de tweede knop.
    Een dunne straal groenwit licht schoot geluidloos naar bene­den.
    In de diepte bloeide even een kleine oranje bloem, maar de slin­ger van lichten op de muur bleef ongeschonden. ‘Shit!’ riep Richard uit. ‘Je miste. Iets hoger.’ Bedaard richtte Claude opnieuw en drukte weer de knop in. Dit­maal geen uitbarsting van oranje vuur, maar enkei een dofrode gloed. Misschien een dozijn van de lampen werd erdoor verzwol­gen.
    ‘Heej-ho! Hebbes!’ krijste de piraat. ‘Je hebt het geflikt, Claude, m’n jongetje! Nu naar de achterdeur.’
    De machine draaide zich om haar verticale as en Claude richtte nu op een punt dicht bij de basis van de staart van de kikkervis. Hij vuurde en miste. Te hoog. Hij vuurde en miste weer ... te laag.
    ‘Jezus, schiet op!’ maande Richard.
    De derde keer was het raak. Een deel van de muur smolt weg op de plek waar de verhoogde weg over de hals van het schiereiland naar de vulkanische rotsen liep.
    Madame kreunde. Claude voelde hoe drakeklauwen naar zijn ingewanden graaiden.
    ‘Komen ze eraan?’ vroeg Richard. ‘Houd vol, Madame! Lieve Jezus, Claude, maak een beetje voort. Geef die mijn ervan langs. Het dondert niet of je die gebouwen van hun ook raakt.’ De oude man wrong de Speer in de rondte. Hij begon ineens overvloedig te zweten en de glazen kolf van het wapen gleed slippend door zijn handen. Zijn overbelaste spieren trilden toen hij het wapen probeerde te richten op de kleine krans van blauwe lichten die de ligging van de mijn markeerden. Maar hij kon de Speer niet ver genoeg omlaag brengen om het doel in het vizier te krijgen.
    ‘Vlug, Richard. Een paar honderd meter meer naar het zui­den!’
    ‘Aye,’ gromde de piraat. Het toestel veranderde in een oogwenk van positie. ‘Zo beter?’
    ‘Wacht... ja! Dat moet het zijn. Dit keer moet het in één keer goed zijn. We hebben amper genoeg energie voor nog één stoot op vol vermogen.’ ‘Merde alors,’ fluisterde Madame.
    De oude vrouw wankelde bij Richard vandaan en viel tegen de rechterwand. Met de vuisten tegen haar slapen gedrukt begon ze te schreeuwen. Claude had nooit eerder zo’n geluid uit een men­selijke keel horen komen, zo’n verschrikkelijk mengsel van wan­hoop, afschuw en pijn.
    Op hetzelfde moment flitste iets voorbij het raam van de cabine, iets dat neonrood gloeide en de vorm had van een ridder te paard.
    ‘Oh, God,’ zei Richard. Het geschreeuw van Madame hield op en ze viel bewusteloos op de vloer.
    ‘Hoeveel?’ vroeg Claude. Hij probeerde zichzelf weer in zijn macht te krijgen, probeerde tegelijk de zware Speer te richten en bad dat dit versleten oude lichaam hem niet op het allerlaatste ogenblik in de steek zou laten. Ze hadden het bijna klaarge­speeld! Bijna…
    ‘Ik tel er tweeëntwintig.’ Richards kalme stem leek van heel ver te komen. ‘Al de ridders van de Ronde Tafel zwermen om ons heen als Sioux rond een wagenkaravaan. Allemaal vuurrood, behalve hun leider… Kijk uit!’ Een van de figuren, de leider in blauw en wit, dook omlaag en nam positie in net onder het toe­stel. Hij trok zijn glazen zwaard en stak dat omhoog. Drie vuur­bollen schoten uit de zwaardpunt en gingen af op het open vlieg­tuigluik. Claude dook ineen, trok de Speer uit de weg, waarop de vuurwerkachtige voorwerpen de cabine binnenkwamen en daar rondstuiterden tegen het dek en de panelen. Daarbij maakten ze een sissend geluid terwijl de stank van ozon zich snel verspreid­de.
    ‘Schiet!’ gilde Richard. ‘In godsnaam, schiet!’ Claude haalde één keer diep adem. Hij zei: ‘Houen zo,’ en hij richtte en drukte af juist toen de kleine blauwe lichten van de mijn beneden hem in het midden van zijn vizier kwamen. Een staaf groen licht stak omlaag in de licht bespikkelde aarde. Op de plaats van de inslag lichtten de rotsen eerst helderwit op, daarna geel, oranje en ten slotte vlammend rood tot het een veel­kleurige zeester leek. Claude viel opzij en de Speer kletterde tegen het dek. Tegelijkertijd begon het luik zich te sluiten. Vurige ontladingen deden de lucht kraken. De oude man voelde hoe een ervan zijn rug raakte en brandend vanaf zijn billen tot aan zijn nek langs zijn ruggegraat gleed. Het interieur van de vliegmachine werd gevuld met rook en de stank van brandend vlees en bekleding. Er weerklonken ook geluiden die Claude registreerde alsof hij het van heel uit de verte waarnam: eerst het gesuis waarmee de twee overgebleven energiebollen hun doel zochten, gevloek en vervolgens een ijle kreet van Richard, daar­na een bevend gesnik van Angélique die over het besmeurde dek in zijn richting probeerde te kruipen. Iemand ademde in en uit in een moeizaam en rauw ritme.
    ‘Haal het bij me vandaan!’ schreeuwde een woeste stem. ‘Ik kan niks zien om te landen! Ah ... verdomme… nee.’ Een oorverdovende dreun, toen helde alles langzaam opzij. Claude voelde de wind (merkwaardig hoe dat zijn rug verbrand­de) terwijl het luik openging. Uitzicht onder een vreemde hoek op grasland, nog grijzig en vaag in het eerste licht van de mor­gen. Richard snikkend en vloekend. Angélique die geen geluid maakte. Schreeuwende stemmen. Hoofden die door het luik werden gestoken, alweer onder die eigenaardige invalshoek. Gejammer van die stomme snotneus, Oude Man Kawai. Toen de bekende stem van Amerie. ‘Langzaam aan, rustig.’ Felice die vuile taal uitsloeg toen iemand zei dat ze op die manier haar wapenrusting smerig zou maken.
    ‘Leg hem over mijn schouder. Ik kan hem dragen. Houd op met dat gewriemel, Claude. Stomme ouwe scheet! Nou moet ik in mijn eentje helemaal naar die oorlog lopen.’ Hij lachte. Arme Felice. Toen lag hij plotseling ondersteboven, te midden van haar groene rokken, naar het hem scheen, en zijn lichaam bonsde op en neer en hij schreeuwde het uit. Maar na een korte tijd hield die beweging op, hij kwam op zijn buik te liggen en er drukte iets tegen zijn slapen waardoor de pijn en de hele rest van de narigheid vaag en onduidelijk werd. Hij zei: ‘Angélique? Richard?’
    Amerie antwoordde, ongezien. ‘Die worden beter. Jullie alle­maal. Je hebt het klaargespeeld, Claude. Ga nu maar slapen.’ Wel, wat dacht je me daarvan? Een ogenblik zag hij die gloeien­de zeester weer waarvan de gouden en bloedrode uiteinden gro­ter werden en zich uitstrekten naar de hulpeloze, verder ver­spreide vuurvliegpatronen die de straten van Finiah markeer­den, voor het luik van het vliegtuig met een knal dichtvloog. Wat vind je me daarvan?... en als de lava uit die oude Kaiserstuhlvulkaan nog een poosje bleef doorlekken dan zou het lang, heel lang duren voor er in deze buurt weer barium boven de grond werd gehaald.
    ‘Maak je er geen zorgen over, Claude,’ zei Felice. En dus hield hij daarmee op.

11

    Half dommelend in het dode uur voor de dageraad hadden Moe Marshak en de andere menselijke soldaten die dienst deden in Finiah de eerste explosie van het fotonenwapen ten onrechte aangezien voor een bliksemflits. De dunne, groene straal was tussen de sterren vandaan gekomen, had de muur die het garni­zoen omwalde maar net gemist, maar in plaats daarvan een aan­grenzende eetzaal volledig verwoest. Marshak stond nog ver­doofd naar de vlammen te kijken die de ravage nog verder ver­grootten, toen het tweede schot van Claude pal insloeg in bastion Nummer Tien, waardoor de versterkte muur op nog geen twaalf meter van Marshaks eigen positie in elkaar stortte. Grote brokken graniet vlogen in alle richtingen door de lucht die vervuld was van rook en stof. Olievaten waarin wachtvuren brandende werden gehouden, vielen om en zonden stromen brandend vuur over de gebarsten omlopen.
    Toen Marshak zichzelf weer onder controle had, rende hij naar een van de schietgaten. In het door mist overdekte water bene­den zich zag hij de boten.
    ‘Attentie,’ schreeuwde hij luid. Toen zond zijn geest het alarm­sein uit over het psychisch spreekkanaal dat door zijn grijze hals­ring werd versterkt.
    MARSHAK: Invasie via Rijn. Muurbreuk Station Tien. KAPITEIN WANG: Hoeveelvoordedonder zijn er daar, Moe? Hoeveel boten?
    MARSHAK: Helekloterivier VOL! Achthonderd, weet ik veel. Kan dat tuig in de mist niet tellen overal Firvulag-scheDen maar lame es kijken. Ja.  ER ZIJN MINDEREN BIJ! Herhaal Min­deren en Aartsvijanden vallen aan. Landingen! Rotsen zitten vol met die verdomde naaiers, komen door de breuk, schat het gat op negen meter maximaal.
    KORNET FORMBY: Alle troepenbuitendienst naar Station Tien. Attentie. Rijngarnizoen te wapen! Wachtlopers, kijk uit enrapporteer. Verdedigingseenheden naar alle stations... HERROEPHERROEPHERROEP! Verdedigingseenheden naar garnizoensbinnenplaats. Invallers daar op het terrein! COMMANDANT SEABORG: Heer Velteyn. Attentie. Inva­sie van Firvulag en mensen. Hun strijdmacht heeft de stadsmu­ren doorbroken. Station Nummer Tien verwoest. HEER VELTEYN VAN FINIAH: Verwanten, sta op en ver­dedig je. Ruiters in het zadel. Na bardito! Na bardito taynel o pogeköne!
    Commandant Burke en Uwe Guldenzopf voerden het leger van bannelingen uit de Vogezen en de vrijwilligers van verder weg aan over de steile helling en dwars door het puin dat door de ingestorte muren was veroorzaakt. Pijlen van vitredur en stenen, afgevuurd door kruisbogen, kwamen van de stadswallen op hen neer, maar zolang de verdedigers zich niet op de begane grond konden hergroeperen, was het voordeel aan hun kant. Het onge­luk wilde dat de muurbreuk precies op de plaats van het voor­naamste garnizoen van Finiah was veroorzaakt. De ingestorte en nu brandende eetzaal stak de omliggende gebouwen aan en de paniek die daardoor ontstond werd nog vergroot doordat de deu­ren van een stal vol chaliko’s door vallend puin was ontwricht, waardoor tientallen van die grote dieren los rondrenden. Drie soldaten kwamen hardlopend uit het wachthuisje naast de binnenplaats te voorschijn.
    ‘Grijp hen!’ gilde Burke. De woedende massa viel over die kleine strijdmacht heen en liet er niets van over. ‘Hier moeten we weg! We moeten de straten in. Zorg dat die poortdeuren weer open­gaan!’
    Troepen stroomden uit de barakken, veel soldaten nog maar half gekleed. Overal ontstonden in de verwarring lijf-aan-lijf-gevechten, terwijl steeds meer binnendringers door de breuk in de muur kwamen en de huurlingen van de Tanu hen probeerden terug te drijven. De vrijwilligers die afzonderlijk probeerden de poorten te openen, werden aangevallen en overweldigd. Soldaten brach­ten de zware metalen grendels weer op hun plaats en de poort viel dicht.
    ‘We zijn opgesloten!’ Commandant Burke sprong boven op een omvergevallen laadkar. Zijn gezicht en bovenlijf waren beschil­derd in de oude oorlogskleuren en hij had de staartveer van een adelaar op zijn samengebonden, ijzerkleurige haar gestoken. ‘Val die zwijnen aan! Maak die poort weer open! Deze kant op!’
    Hij zag Uwe vallen onder de zwaardslag van een grijze-halsringdrager en sprong erop af, de brede tomahawk zwaaiend die Khalid Khan voor hem had gesmeed. Het bijlblad verzonk in de ron­de bronzen helm van de soldaat alsof die van zachtboard was gemaakt. Burke sleepte het lichaam opzij en vond Guldenzopf op zijn rug, met een hand naar zijn borst grijpend en met een uitdrukking van wanhoop op zijn baardige gezicht. Burke knielde neer. ‘Had-ie je te grazen, bubie?’ Op een elleboog overeind komend, graaide Uwe aan de binnen­kant van zijn hemd. Botkleurige stukjes glinsterden in het nog spookachtige ochtendlicht. ‘Daar ging op één na mijn beste meerschuimen pijp, verdomme.’
    De Minderen bleven opgesloten, niet in staat om buiten het gar­nizoensterrein te komen. Ze werden zowel samengeperst door de aanvallen van de verdedigers als door de komst van nog meer mannen die door de breuk naar binnen stroomden, vanaf de lan­dingsplaats op de oever van de Rijn. Er werd in paniek gegild. Sommigen vielen en werden in de menigte vertrapt. Een garni­zoensofficier met een zilveren halsring en in een volledige blauwglazen wapenrusting, dirigeerde een eenheid hellebaardiers recht op de menigte af. Maaiende snijkanten van kristal veegden door de dichtopeengepakte, gillende vrijwilligers. Toen kwamen de monsters hen te hulp.
    Hoog op de steile puinhelling verscheen de schemerige nachtmerrievorm van een drie meter hoge witte schorpioen, het illu­sie-aspect van Sharn de Jongere, generaal van de Firvulag. De geesten van de buitenaardsen zonden een krachtige golf uit, die angst en paniek veroorzaakte waardoor de telepathische circuits van de grijze-halsringdragers volkomen werden overbelast. Kronkelend van waanzin vielen die neer. Sharn zelf was in staat elke vijand binnen een afstand van vijfentwintig meter op die manier onder de voet te lopen, anderen in zijn nu opdringende strijdmacht bezaten niet zulke formidabele aura’s, maar wee de Aartsvijand die in hun klauwen viel!
    Afzichtelijke trollen, monsters, schepsels met mensenhoofden, leeuwelichamen en drakestaarten, duistere, ongrijpbare ge­daanten, wierpen zich op de soldaten, omknelden hen, wurgden, lieten hun klauwen diep in het vlees verzinken. Sommigen van de buitenaardsen waren in staat vuurballen van energie af te vuren waardoor de soldaten in hun kurassen werden gekookt als kreef­ten in een schelp. Andere Firvulag vielen aan met astraal vuur, stromen smerig wondvocht of andere, het brein verbijsterende illusies. De grote held, Nukalavee de Huidloze, zich ditmaal ver­tonend als een vliegende centaur met vuurschietende ogen, jank­te en gromde tot de vijandelijke soldaten sidderend op de grond vielen, hun trommelvliezen gescheurd, hun geesten de waanzin nabij. Een andere kampioen, Bles met de Vier Klauwen, viel het hoofdkwartier van het garnizoen binnen, greep de commandant met de zilveren halsring en leek hem levend, met wapenrusting en al te verslinden. Seaborg, zo heette de commandant, stierf rustig terwijl hij nog telepathisch orders uitzond naar zijn onder­geschikten die nu een laatste verdedigingslinie vormden bij de poort die toegang gaf tot de stad. Zijn adjudanten maakten ver­geefs hun wapens van vitredur bot op het schubachtig pantser van Bles en werden in ruil voor hun onbeschaamdheid levend verslonden. Tegen de tijd dat het monster de laatste adjudant had verscheurd, stond het hoofdkwartier in brand en zwermde de invasiemacht uit over de straten van Finiah. Bles trok zich tevreden terug, een zilveren tandestoker gebruikend om zijn gebit te reinigen. Zijn eetlust was net ontwaakt en de dag was nog jong.
    Vanda-Jo was nog bezig toezicht te houden op de laatste golf vrijwilligers die vanaf de Rijnoever aan boord gingen, toen Heer Velteyn en zijn Vliegende Jacht het luchtruim kozen. Angstkre­ten stegen op uit de menigte toen ze de stralende ridders vanaf de stad over het water zagen komen. Eén man schreeuwde: ‘Die rotzakken komen voor onsV en sprong in de Rijn. De paniek werd afgewend toen Vanda-Jo schreeuwend om hun lafheid tegen hen tekeerging en erop wees dat de Jacht nog altijd hoog boven Finiah cirkelde en blijkbaar een heel wat dringender doel voor ogen had.
    ‘Dus in de boten. En houd op je broeken vol te schijten!’ bulderde ze. ‘Je hoeft voor Velteyn en zijn vliegende circus niet langer bang te zijn. Zijn jullie ons geheime wapen vergeten? We heb­ben ijzer! Nu kun je de Tanu doden, makkelijker nog dan die menselijke verraders die hun vuile werk doen.’ Ogen rolden wild en angstig in de duisternis. De Firvulag-schipper van de kleine tweemaster die het dichtst bij Vanda-Jo stond, brandde van dwergachtig ongeduld. ‘Schiet op, geestloze aard­wormen of we zeilen naar de oorlog zonder jullie!’ Plotseling schoot een straal groen licht uit een schijnbaar lege hemel dwars door de wentelende Jacht en raakte een lage heuvel binnen de stad aan de overkant van de Rijn. Wit en oranje vuur kwam als een fontein omhoog op de plaats van de inslag en seconden later rolde de donder van de explosie over de rivier. ‘De mijn!’ schreeuwde iemand. ‘De bariummijn is opgeblazen! God ... het lijkt wel of er een vulkaan ontploft!’ Alsof het bombardement een signaal was geweest, sprong een andere zuil van vlammen omhoog van Finiahs verste muren, daar waar het schiereiland uitliep in een smalle landtong die het met het vasteland verbond.
    ‘Zien jullie dat?’ Vanda-Jo was uitzinnig van vreugde. ‘De twee­de golf Firvulag is geland tegenover onze eerste landingsplaats. Die vrouwelijke generaal, Ayfa heet ze, valt nu aan vanaf de kant van het Zwarte Woud. Willen jullie strontkoppen nou dan es opschieten?’
    De mannen en de vrouwen hieven hun met ijzer beslagen speren in de lucht en joelden luidkeels. Met zoveel vaart stoven ze over de wiebelende loopplanken in de wachtende boten dat de smalle vaartuigen bijna dreigden om te slaan.
    Aan de andere kant van de Rijn legden de vlammen een vuurro­de gloed over het water. En de feeërieke lichtjes van blauw en groen en zilver en goud die de omtrekken van de prachtige stad hadden omlijnd, begonnen een voor een te doven.
    Velteyn. Heer van Finiah, trok de teugels van zijn chaliko aan en hing hoog in de lucht als een brandende vlam van magnesium. De edelen van zijn Vliegende Jacht, achttien mannen en drie vrouwen, allemaal in rood gekleed, hielden hun rijdieren even­eens in en omringden hun aanvoerder. Zijn uitgezonden gedach­te was door woede en frustratie nauwelijks coherent: Verdwenen! Die vliegende machine is verdwenen ... en toch gingen mijn vuurbollen dwars door haar buik. Kamilda, gebruik je vérziende vermogens en zoek haar op.
    . . Ze verwijdert zich snel, Heer Velteyn. Ah, Tana, met wat voor onvoorstelbare snelheid! Ze verdwijnt achter de Vogezen en buiten mijn waarneming. Mijn Heer, wanneer ik naar grotere hoogte zou stijgen ...
    Blijf, Kamilda. Dringender gevaren dreigen beneden ons. Kijk, allemaal! Zie wat de Aartsvijand heeft aangericht! O de schan­de, de pijn, de verwoesting! Allemaal naar beneden. Ieder van jullie voert een groep bereden krijgers aan om onze Stad van Lichten te verdedigen. Na bardito! Na bardito taynel o pogeköne!
    Het gevecht verplaatste zich gestaag landinwaarts. Twee uur na de dageraad liep de voorste gevechtslinie dwars door de tuinen van de Koepel van Genot en door de buitenwijken van de Tanu.
    Moe Marshak had zijn verdover meerdere malen herladen uit de wapens van zijn gevallen kameraden. Hij had de opzichtige ver­siering van zijn helm gerukt en was meerdere malen door de modder gerold om de glans van zijn kuras minder in het oog te laten lopen. Anders dan zijn minder fortuinlijke kameraden was hij al snel tot de conclusie gekomen dat de Firvulag in staat waren telepathische communicatie op te sporen en dus deed hij geen enkele poging om zijn officieren te benaderen voor nieuwe orders. Zo rustig mogelijk blijvend, ging hij in zijn eentje zijn gang en bleef uit de buurt van de monsters terwijl hij door zij­straten sloop. Minderen met koele bekwaamheid neerschoot en hysterische rama’s en burgers zoveel mogelijk ontliep. Hij had zeker al een vijftiental vijanden neergelegd plus nog eens twee burgers zonder halsring die hij erop betrapte wapens te willen stelen van gevallen kameraden.
    Nu slipte hij steels over een lange veranda die aan het uiterste einde van de Koepel van Genot liep. Hij hoorde het duidelijk te onderscheiden krijgsgehuil van de Minderen en verborg zich achter dicht struikgewas dat als versiering diende terwijl hij een van de zaagvormige oorlogspijlen op zijn boog legde. Het volgende ogenblik werd hij onverwachts afgeleid door lawaai uit het gebouw. Het gebrandschilderde glas van een paar deuren vijf meter bij hem vandaan versplinterde door de inslag van een of ander zwaar voorwerp. Er weerklonken kreten en een laag gerommel. Lange handen vol ringen vochten met de ont­wrichte deursluitingen. Andere handen verbogen het overgeble­ven frame van metaal. Marshak stond onder zo’n hoek dat hij niet precies kon zien wie daarbinnen waren opgesloten, maar hun kreten van angst en ontzetting bereikten zowel zijn oren als zijn geest.
    ‘Help! De deur zit vast! En het komt eraan!’ Help ons! Helphelphelp ons HELP ONS! De mentale, dringende oproep van een Tanu klauwde in Marshaks bewustzijn. Zijn grijze halsring dwong hem te gehoorza­men. Zijn schuilplaats in de steek latend, rende hij naar de deur.
    Aan de andere kant, tegen het verbogen koperwerk van de deur gedrukt, stonden drie vrouwelijke bewoonsters van de Koepel van Genot en hun grote klant, een Tanu wiens violette en gouden overkleed duidelijk maakte dat hij een lid was van hun Mentale Gilde. Hij bezat blijkbaar niet voldoende dwingende of psychokinetische vermogens om de verschijning af te weren die nu op de drempel van een binnendeur stond, gereed om aan te vallen. De Firvulag zag eruit als een groot roofinsekt, een onderwater­dier met blikkerende, scheermesscherpe klauwen. De kop van het monster was een meter in omvang, terwijl het lange, uit seg­menten opgebouwde lichaam, slijmerig van een of andere stin­kende afscheiding, de hele gang daarachter leek te vullen. ‘Tana zij gedankt,’ schreeuwde de Tanu. ‘Vlug, man! Richt op zijn nek.’
    Marshak hief zijn boog, veranderde iets van positie om de wor­stelende vrouwen te vermijden en schoot. De met glas bedekte schacht zonk bijna over de volle lengte tussen de chitineplaten die de knippende kaken bedekten. Marshak hoorde hoe de Fir­vulag een telepathisch gebulder losliet. Zonder zich te haasten legde hij achter elkaar nog twee pijlen op zijn boog en schoot die af in de glinsterende oranje ogen. De insektevorm loste op, werd doorzichtig ... toen was het afschuwelijke ding verdwenen en in plaats daarvan lag een dwerg in een zwarte wapenrusting van obsidiaan op de vloer; dood, keel en oogkassen doorboord. De soldaat gebruikte zijn korte zwaard van vitredur om de ver­nielde grendels open te krijgen. Rillingen van genot, in werking gesteld door de dankbare buitenaardsen, gleden door de zenu­wen van zijn bekken en vormden de gebruikelijke, zoete belo­ning. Toen de edelman en zijn ontdane gezelschap waren bevrijd, groette Marshak, de rechtervuist tegen de borst gebald.
    ‘Ik ben tot uw dienst, Verheven Heer.’
    Maar de Tanu aarzelde. ‘Waar moeten we heen? De weg naar het paleis van Velteyn is afgesneden!’ De afwezige uitdrukking op zijn gezicht liet zien dat hij bezig was de omgeving met zijn geest te verkennen.
    ‘We kunnen niet terug naar binnen,’ zei de kleinste van de bewoonsters van de Koepel. ‘Die verdomde schoften komen uit alle kieren en gaten te voorschijn.’
    ‘Oh, Heer Koliteyr,’ piepte een huilerige blondine. ‘Red ons.’ ‘Stilte!’ eiste de Tanu. ‘Ik probeer het... maar niemand geeft aan mijn oproep gehoor.’
    De derde vrouw, mager en met doodse ogen, haar provocerende kleding half van haar benige schouders gescheurd, zonk neer op de bestrating en begon te lachen.
    Koliteyrs mond viel open. ‘De Koepel is omsingeld. Ik roep . .. maar de ridders van Heer Velteyn bevinden zich in het heetst van de strijd!. . . Aha ... de indringers deinzen terug voor de wilskracht van de Tanu-cavalerie. De Godin zij gedankt, er zijn er velen die machtiger zijn dan ik.’
    Er weerklonken brekende geluiden vanuit het binnenste van de Koepel. Ver geschreeuw kwam snel dichterbij. Er brak nog meer glas en ze hoorden een ritmisch gebeuk. ‘Ze komen! De monsters komen!’ Opnieuw brak de blonde in hysterisch gehuil uit.
    ‘Soldaat, jij moet ons leiden.’ De Tanu fronst zijn voorhoofd en schudde zijn hoofd alsof hij het helderder wilde maken. ‘Leid ons naar de Noordelijke Waterpoort! Misschien is er een boot.. .’ Maar het was te laat. Dwars door de tuin, bloembedden en strui­ken vertrappend op hun weg, kwam een wanordelijke strijd­macht van ongeveer twintig Minderen, aangevoerd door een halfnaakte rode man van reusachtige afmetingen. Marshaks hand rustte als bevroren tegen het gevederde uiteinde van de pijl. De meesten van de indringers droegen bogen die net zo goed waren als de zijne en ze waren schietklaar. ‘Geef je over!’ schreeuwde Peopeo Moxmox Burke. ‘Amnestie voor alle mensen die zich vrijwillig aan ons overgeven.’ ‘Terug!’ schreeuwde de Tanu. ‘Ik… ik zal jullie geesten leegbranden. Jullie waanzinnig maken!’
    Commandant Burke lachte. Zijn beschilderde gezicht, omringd door slierten grijs haar, zag er dreigender uit dan de fantomen die de Firvulag schiepen. De buitenaardse man wist dat zijn bluf nergens toe diende en hij wist evengoed dat er geen genade zou zijn voor de leden van zijn ras.
    Marshak bevelend om de anderen tot de dood te verdedigen, probeerde Koliteyr te vluchten. De ijzeren tomahawk wentelde door de lucht en kliefde het hoofd van de Tanu eer hij twee stap­pen had gezet.
    Marshak ontspande zich. Hij liet pijl en boog op de tegels vallen en wachtte de nadering van de Minderen in een verlammende stilte af.
    Het strategische belang van de bariummijn was Sharn-Mes dui­delijk geworden op een van de voorbereidende besprekingen die de mensen voor de invasie hadden gehouden. Ze hadden de gene­raal van de Firvulag duidelijk gemaakt dat het verwoesten van die mijn belangrijker was dan de vernedering van de gehate Aartsvijand. Wilde het grote plan van Madame Guderian luk­ken, dan was het noodzakelijk dat de toevoer van barium, nodig voor de vervaardiging van de halsringen, volstrekt werd afgesne­den.
    Kort voor het middaguur, terwijl Sharn met Bles en Nukalavee een adempauze hielden in een inderhaast in elkaar gezette com­mandopost die goed voorzien was van veroverd bier, kwam er een Firvulag-verkenner met belangrijk nieuws. De Machtige Ayfa en haar vleesetende krijgsvrouwen hadden een succesvolle aanval gedaan door de oostelijke muurbreuk en zwermden nu uit over het gebied rondom de mijn. Daarbij was gebleken dat de gesmolten lavarots, die door de schoten van Claude met de Speer was losgemaakt, de hoofdingang naar de mijn had afgesloten. De raffinaderij en het hele complex waarin menselijke arbeids­krachten en rama’s waren ondergebracht, was daardoor levend begraven en de rest van de vloeibare massa was nog over geruime afstand door de straten gevloeid alvorens te stollen. Maar het administratiegebouw met de rijke voorraad puur barium stond nog stevig overeind. De plek was volledig omringd door zwarte, stomende lava dat langzaam tot sintels begon af te koelen en waarvan het vurige binnenste alleen nog door scheuren in het materiaal waarneembaar was. Er waren nog steeds ingenieurs van de Tanu in het gebouw, onder hen iemand met creatieve wilskracht van de eerste orde. Ayfa en haar strijdmacht hadden die intelligentie wel moeten opmerken toen een onverwachte lichtflits van psycho-energie een van de verkenners tot een rokende spaander had verbrand, daarbij de Verschrikkelijke Skathe op een haar na missend. Zij met de snuffeltanden en de druipklauwen had een psychisch veld geschapen waarachter de overlevenden veilig waren geweest tot ze zich wanordelijk buiten mentaal bereik hadden teruggetrokken. ‘En dus wacht de Machtige Ayfa op uw suggesties, Grote Kapi­tein,’ besloot de verkenner.
    Bles liet een ruw geblaat horen dat voor ironisch gelach moest doorgaan. Hij goot een halve kan bier naar binnen. ‘Ahhh .. . laten we dan gaan om die arme dames te helpen hun eer te red­den.’
    ‘Eer? Mijn kloten!’ siste Nukalavee. ‘Wanneer de creatieve ver­mogens van die tegenstander groot genoeg zijn om van Skathe het uiterste te eisen, dan is hij een waardig tegenstander voor elk van ons. We zouden al onze kracht verspillen aan het overeind houden van een verdedigingsscherm en niet genoeg over houden voor een offensief.’
    ‘Zelfs het dichterbij komen is al niet zonder gevaar,’ merkte Sharn op. ‘Die korst van afkoelende lava is nog dun, zoals de verkenner heeft verteld, en kan makkelijk breken onder het gewicht van een dappere. Jullie weten dat onze geesten niet diep genoeg in de korst kunnen doordringen om die te verstevigen. En in het gloeiende magma daaronder vallen, betekent onze zekere ondergang.’ Hij wendde zich tot de dwergachtige gestalte van de boodschapper. ‘Pliktharn, hoe breed is het stuk lava dat we zou­den moeten oversteken?’
    ‘Tenminste honderd reusachtige stappen, Grote Kapitein.’ Pliktharns stem werd begerig. ‘Maar de korst zou mijn gewicht makkelijk kunnen dragen!’
    ‘Je zou mij en Nukalavee mee kunnen sturen om hem mentaal te beschermen, samen met Ayfa en Skathe,’ stelde Bles voor. ‘Met ons vieren is ons bereik groot genoeg.’
    ‘En wat gebeurt er dan wanneer onze dappere kleine broer het gebouw heeft bereikt?’ sneerde Nukalavee. ‘Hoe moet hij de Aartsvijand aanvallen? Dwars door ons eigen mentale scherm soms? Bles met de Vier Klauwen, jij hebt die reptielvorm van jou zo lang gedragen dat je hersens vanzelf zijn gekrompen om in zo’n kleine schedel te kunnen passen!’
    ‘De grote kapitein Ayfa is erachter gekomen,’ waarschuwde de verkenner, ‘dat de Tanu-ingenieurs Heer Velteyn te hulp heb­ben geroepen.’
    Sharn liet een grote hand met een smak op de tafel vallen. ‘Té’s strottehoofd! En als hij komt, haalt hij hen er door de lucht uit, met barium en al! Dat risico kunnen we niet lopen. Ik houd er niet van om die spelletjes van de Minderen mee te spelen, maar in dit geval zit er niks anders op.’
    ‘Rustig aan, jongens,’ riep Ayfa. ‘Krijg niet de zenuwen nu jullie er bijna zijn.’
    Homi, de kleine Singalese ijzersmelter, hield de nek van Plik­tharn nog steviger vast. De lavakorst boog door als een ijsvloer terwijl de Firvulag de schaduwzijde van het mijngebouw nader­de. Daar was de stroom lava dikker geworden en had dus de warmte langer vastgehouden. De dunne huid afgekoelde rots kon hier elk ogenblik barsten en hen in het magma daaronder laten vallen.
    Rondom die onsamenhangende vorm, ontstaan doordat de een de ander op de rug droeg, hing een stralende hemisfeer, het men­tale scherm dat tot stand was gekomen door de gezamenlijke kracht van Ayfa, Skathe, Bles en Nukalavee. De vier helden hadden zich, net als de overige krijgsvrouwen, verborgen achter de stevige muren van uitgebrande woonhuizen, ver genoeg bij de lavastroom vandaan en zeker tweehonderd meter van het hoofd­kwartier van de mijn verwijderd. Ontladingen energie, afge­vuurd door de ingesloten Tanu, joegen uit een bovenraam op het scherm af en desintegreerden daartegen tot een veelvoud van kleinere lichtflitsen. Eindelijk bereikten Pliktharn en Homi een lager gelegen raam en klommen daardoor naar binnen. Ayfa, die sterk was in het zien op afstand, zag wat er daarna gebeurde. ‘De drie Aartsvijanden dalen af naar die langere kamer, gewa­pend met staven vitredur! Een van hen straalt grote wilskracht uit. Hij probeert Pliktharn te bewegen het scherm neer te laten… maar dat lukt natuurlijk niet. De sterkste Tanu verza­melt nu al zijn energie voor één machtige stoot van heel dichtbij! Hij werkt meer met constante druk dan met plotselinge projec­tie. Ons scherm wankelt! Het komt in het spectrum, het wordt blauw! Nu wordt het geel! Oh, het zal falen ... Maar nu heeft de Mindere zijn kruisboog gereed en legt aan. Ahh! Het wapen van bloedmetaal gaat dwars door ons scherm alsof het een regen­gordijn was! De Aartsvijand valt. Een tweede schot en nog een derde! Al de Aartsvijanden zijn getroffen!’ De vier helden sprongen overeind en de krijgsvrouwen gilden van vreugde om hun triomf. Zelfs op deze grote afstand voelden ze allen in hun geesten de doodsflits van eerst één Tanu-geest en vervolgens van de andere.
    Maar hij die de vuurbollen had veroorzaakt was sterk, zelfs in de dood. Versterkt door zijn doodsstrijd, donderde zijn gedachte door de ether:
    De Godin zal ons wreken. Vervloekt is hij tot in lengte van dagen die het bloedmetaal gebruikt. Een zee van bloed zal hen overspoelen.
    Een seconde later doofde zijn ziel uit.
    De Mindere die Homi heette, had de drie ijzeren pijlen voor hernieuwd gebruik weer verzameld en verscheen wuivend voor het venster. Daarna begonnen hij en Pliktharn te werken aan de zware kalkstenen vensterbank, hakkend en brekend tot het met­selwerk het begaf. De losgevallen steen smakte op de dunne lavakorst daar beneden en zond een golf van vuur en rook omhoog. Voor de dunne korst zich andermaal kon sluiten, wierpen de mens en de Firvulag kleine containers in dat gat vol gesmolten rots. Vervolgens klommen ze voorzichtig door een ander raam naar buiten en volgden zorgvuldig dezelfde weg terug.
    Een jong meisje in glanzend zwart rende zonder enig spoor van vermoeidheid over het smalle voetspoor dat dwars door de Voge­zen leidde. De schaduwen vielen en een koele wind kwam van de hoogten in het ravijn waar het pad doorheen liep. Boomkikkers begonnen hun avondlied. Nog even en de roofdieren zouden ont­waken. Nadat de nacht was gevallen, zouden er zoveel van hen op jacht zijn dat Felice ze onmogelijk allemaal met haar mentale kracht op een afstand kon houden. Ze zou gedwongen worden ergens haar kamp op te slaan om te wachten tot de dageraad. ‘En dan zal ik te laat zijn! De Wapenstilstand begint bij zonsop­gang en dan zal de oorlog in Finiah voorbij zijn.’ Hoe ver was ze gevorderd? Misschien had ze twee derde van de honderdzes kilometers afgelegd die Verborgen Bron scheidden van de westelijke oever van de Rijn. Ze had die ochtend zoveel tijd verloren voor ze op weg kon gaan en de zon ging al om zes uur onder...
    ‘Verdomde Richard! Verdomde sukkel om gewond te raken!’ Ze had erop kunnen staan met hem mee te gaan in de vliegma­chine. Ze had in elk geval iets kunnen doen. Ze had de oude Claude kunnen helpen met het vasthouden van de Speer. Ze had Madame kunnen helpen bij haar mentale verdediging. Mis­schien had ze zelfs die vuurbal kunnen afweren waardoor Richard in één oog was geraakt en een soort noodlanding moest maken.
    ‘Verdomd, verdomd, verdomd! De Firvulag houden met vechten op zodra de Wapenstilstand begint en dan zullen onze mensen het gevecht ook moeten staken. Ik zal te laat zijn om nog een gouden halsring te bemachtigen. Te laat!’ Ze stormde dwars door een kleine stroom. Een paar raven, ver­stoord in hun feestmaal van wat een otter had laten liggen, steeg schreeuwend op en verdween in de wijnranken die van de laagste boomtakken een soort koepel maakten. Een hyena bespotte haar, zijn waanzinnige gelach weerkaatsend tegen de wand van het ravijn. Te laat.
    De glazen trompet van een vechtende Tanu-vrouw kondigde de charge aan. Bepantserde chaliko’s, die ridders droegen in alle kleuren, galoppeerden over de met lichamen bezaaide boulevard in de richting van de barricade waar een afdeling Minderen ver­beten standhield. ‘Na bardito! Na bardito!’
    Er waren geen bondgenoten van de Firvulag in de buurt om de mentale aanval af te zwakken. Beelden van hersenverblindende kracht zwiepten uit naar de menselijke verdedigers. De nacht was ineens vervuld van onuitsprekelijke dreiging en pijn. Voor­waarts stormende buitenaardsen in hun schitterende harnassen leken ineens van alle kanten te komen, overweldigend om te zien en onkwetsbaar. De mensen schoten hun met ijzer beslagen pij­len af, maar de vaardige psychokinetici onder de Tanu wisten het meeste daarvan af te weren, de rest viel zonder schade aan te richten kletterend tegen de glazen wapenrustingen. ‘De Firvulag! Waar zijn de Firvulag?’ huilde een wanhopige Mindere. Een seconde later stormde een van de ridders op hem in en doorboorde het al door chaliko-klauwen verscheurde lichaam met een lans van saffier.
    Van de drieënzestig mensen die hier stand hadden gehouden, ontsnapten er maar vijf door de kleinere zijstraten waar dekzei­len, waslijnen en door angstige rama’s in de steek gelaten karren de bereden Tanu verhinderden hen te volgen.
    Op het Centrale Plein in Finiah loeide een reusachtig vuur. Jui­chende fantomen in honderd verschillende vermommingen ren­den eromheen, zwaaiend met hun strijdbanieren die versierd waren met snoeren vers beschilderde schedels. Khalid Khan protesteerde. ‘Ze verknoeien hun tijd, Machtige Sharn! Onze mensen lijden een verschrikkelijke nederlaag wan­neer de Firvulag hen niet mentaal beschermen. Zelfs de bereden grijze-halsringdragers kunnen dwars door onze linies breken. We moeten samenwerken. En we moeten een manier zien te vinden om hun cavalerie te weerstaan.’
    De grote, lichtgevende schorpioen boog zich over de getulbande Pakistaan; de veelkleurige organen binnen zijn doorzichtige lichaam trilden op het ritme van de buitenaardse oorlogsdans. ‘Het is lange jaren geleden sinds we reden hadden om feest te vieren.’ De niet-menselijke stem weergalmde in Khalids hoofd. ‘Al te lang heeft de Vijand zich kunnen verbergen achter stevige stadsmuren om ons te bespotten. Jij weet niet wat wij hebben doorgemaakt, de vernedering die ons ras heeft moeten onder­gaan waardoor onze moed teloorging en zelfs de dappersten onder ons tot hopeloze inactiviteit vervielen. Maar zie! Kijk naar de trofeeën van deze schedels, en dat is nog maar een klein deel van het totaal!’
    ‘En hoeveel daarvan behoren aan de Tanu? Verdomme, Sharn, de meeste slachtoffers onder onze tegenstanders zijn mensen! De niet-strijdende Tanu hebben zich allemaal verborgen in het paleis van Velteyn waar wij hen niet kunnen bereiken. Van hun bereden ridders is er maar een handvol gedood!’ De spookachtige stem leek te aarzelen en kwam toen tot een weifelende bevestiging. ‘De ruiterij van de Tanu is een formida­bele uitdaging voor ons. Hun gepantserde rijdieren, wier geesten door de ruiters worden beheerst, zijn niet ontvankelijk voor onze angstaanjagende illusies. We moeten hen fysiek weerstaan en lang niet alle Firvulag zijn daar groot genoeg voor. Onze wapens van obsidiaan—onze zwaarden, hellebaarden, kettingen en werpsperen—zijn vaak niet effectief gebleken tegen de chaliko’s in een Grote Veldslag. En hetzelfde geldt ook hier.’ ‘Jullie hebben een andere tactiek nodig. Er zijn manieren waar­op soldaten te voet aanvallende ruiters kunnen weerstaan.’ De tanden van de smid glinsterden in een brede grijns. ‘Mijn voor­ouders, het Pathaanse heuvelvolk, weet daar alles van.’ De reactie van de Firvulag-generaal was koeltjes. ‘Onze strijdgewoonten worden bepaald door rituele tradities.’ ‘Geen wonder dat jullie verliezers zijn! De Tanu waren niet bang om iets nieuws te proberen en voordeel te behalen uit wat men­sen wisten. Nu hebben de Firvulag mensen als bondgenoten, jul­lie steken één voorzichtige teen in de strijd en dan springen jullie rond om te zingen en te dansen in plaats van op de hoofdprijs af te gaan!’
    ‘Pas op, voor ik je onbeschaamdheid bestraf!’ Maar die woeden­de opmerking miste alle overtuigingskracht. Khalid zei zachtjes: ‘Zouden jullie ons helpen als wij een nieuwe tactiek uitprobeerden? Zouden jullie onze geesten beschermen als wij probeerden om die langbenige rotzakken uit het zadel te gooien?’
    ‘Ja… dat zouden we doen.’ ‘Luister dan goed.’
    De monsterachtige schorpioen veranderde in een aantrekkelijke kleine dwerg die heel bedachtzaam en nadenkend keek. Na een paar minuten lieten de dansende gnomen om het vuur hun waan­zinnig vertier in de steek, veranderden in dwergachtige krijgers die dicht bijeenkropen om toe te luisteren.
    Het overtuigen van Sharns luitenants bleek wat moeilijker. Kha­lid moest er zelfs een demonstratie voor organiseren. Hij bracht tien vrijwilligers bij elkaar en rustte die uit met ijzer gepunte werpsperen. Vervolgens bracht hij hen naar de ingang van paleis Velteyn, waar grijze-halsringdragers en Tanu-ruiters de toe­gang bewaakten tot die laatste wijkplaats.