Скачать fb2
De linkerhand van God

De linkerhand van God

Аннотация

    Dexter Morgan is geen alledaagse politieagent. Naast zijn werk op het forensisch laboratorium van de politie van Miami heeft hij nog een duistere kant: hij moordt.
    Hij heeft een overzadigbare honger naar geweld en een groot verlangen om mensen te vermoorden van wie hij vindt dat zij de dood verdienen. Hij beschouwt zichzelf als de linkerhand van God.
    Wanneer een seriemoordenaar een aantal prostituees begint te vermoorden, wordt Dexter bij het onderzoek betrokken. Hij raakt eerst gefascineerd door de briljante en sadistische methode van de nieuwe seriemoordenaar, maar later voelt hij zich bedreigd en uitgedaagd door de moordenaar, wanneer deze Dexters moordmethodes blijkt toe te passen en te kopiëren. Een confrontatie lijkt onvermijdelijk.


Jeff Lindsay
De linkerhand van God

    Voor Hillary die mijn alles is

Dankwoord

    Dit boek zou niet zijn geschreven zonder de praktische en mentale ondersteuning van Einstein en de Diaken. Zij vertegenwoordigen datgene waarin de politie van Miami uitblinkt, en ze hebben me een goede indruk gegeven van wat het betekent om dit soort werk te doen.
    Verder wil ik graag een aantal mensen bedanken die zeer waardevolle ideeen hebben aangedragen, met name mijn vrouw, de Barclays, Julio S., de heer en mevrouw A.L. Freundlich, Pookie, Bear en Tinky.
    Veel dank ben ik verschuldigd aan Jason Kaufman voor zijn wijsheid en voor zijn kennis van het opzetten van een roman.
    Ook dank ik Doris, de Lady of the Last Laugh.
    En ten slotte een woord van dank voor Nick Ellison, die alles is wat een literair agent zou moeten zijn, maar niettemin zelden is.

1

    Maan. Glorieuze maan. Volle, ronde, rode maan die de nacht tot dag maakt, die het land dompelt in beeldschoon licht en die vreugde, vreugde, vreugde brengt. En die nog veel meer brengt: de luidkeelse roep van de tropische nacht, de zachte, schorre stem van de wind die de haartjes op je armen overeind blaast, het holle gejank van de sterren en het tandenknarsende gekreun van het licht dat weerkaatst op het water.
    Allemaal geluiden die de behoefte deden ontwaken. O, het symfonische gekrijs van duizend verloren stemmen, de schreeuw van de behoefte binnenin, het wezen, de zwijgende observator, het stille, kille ding, het ding dat lachte, de maandanser. De ik die ik niet was, het ding dat me plaagde, me uitlachte en me riep met zijn honger. Met de behoefte. En de behoefte was nu heel sterk, heel beheerst maar ook kil, kruipend, krakend en er helemaal klaar voor, beresterk maar toch afwachtend en loerend, waardoor ook ik werd gedwongen om te blijven afwachten en loeren.
    Ik had de dominee nu vijf weken geobserveerd en wachtte nog altijd af. De behoefte had me net zolang geplaagd en getreiterd totdat ik de volgende ging zoeken, een nieuw slachtoffer, totdat ik deze geestelijke ging zoeken. Ik wist al drie weken dat hij de volgende was en dat wij, hij en ik samen, in de macht van de Zwarte Ruiter waren. En in die drie weken had ik me verzet tegen de druk, de toenemende behoefte die in me opwelde als een vloedgolf die brullend op het strand sloeg, zich niet meer terugtrok en met elke seconde alleen maar sterker werd.
    Maar het was ook tijd om voorzichtig te zijn, tijd om zeker te zijn. Niet om zeker te zijn van de dominee, nee, van hem was ik al lang zeker. Tijd om er zeker van te zijn dat het goed gedaan kon worden, netjes, keurig afgewerkt en zonder rommel achter te laten. Ik kon me niet veroor loven om gepakt te worden, niet meer. Ik had te hard en te lang gewerkt om de juiste formule te vinden en mijn prettige leventje te beschermen.
    En bovendien was het veel te leuk om er nu nog mee op te houden. En daarom was ik altijd voorzichtig. Altijd netjes. Altijd goed voorbereid zodat het echt goed gedaan kon worden. En als alles goed was, nam ik nog wat extra tijd om daar helemaal zeker van te zijn. Dit was Harry’s aanpak — God zegene hem — de verziende, volmaakte politieman, mijn stiefvader. Wees altijd zeker van je zaak, wees zorgvuldig en precies, had hij gezegd, en ik was er nu al een week honderd procent zeker van dat alles goed was op een manier die ook Harry goedgekeurd zou hebben. En toen ik die avond van mijn werk kwam, wist ik dat het zover was. Dit was de avond. Deze avond was anders. Deze avond zou het gebeuren, moest het gebeuren. Precies zoals het daarvoor was gebeurd. Precies zoals het opnieuw zou gebeuren, en opnieuw…
    En op deze avond zou het de geestelijke gebeuren.
    Hij heette dominee Donovan. Hij gaf muziekles aan de kinderen van St. Anthony’s weeshuis in Homestead, Florida. De kinderen waren gek op hem. En natuurlijk was hij gek op de kinderen… nou, dat was hij zeker. De kinderen waren zijn leven. Voor hen had hij Spaans en creools geleerd. Had hij ook geleerd van wat voor muziek ze hielden. Niets was te gek voor zijn kinderen. Alles wat hij deed, deed hij voor de kinderen.
    Alles.
    Op deze avond observeerde ik hem zoals ik hem al zo veel avonden had geobserveerd. Ik zag hoe hij voor de ingang van het weeshuis bleef staan om te praten met een jong zwart meisje dat net naar buiten was gekomen. Ze was klein, hooguit een jaar of acht en zelfs voor die leeftijd klein van stuk. Hij ging op de treden voor de ingang zitten en praatte een minuut of vijf met haar. Zij zat naast hem op en neer te wippen. Ze lachten. Zij vlijde zich tegen hem aan. Hij streelde haar haar. Er verscheen een non in de deuropening, die even naar het tweetal bleef kijken voordat ze iets zei. Toen glimlachte ze en stak ze haar hand uit. Het meisje duwde haar hoofd tegen de geestelijke aan. Dominee Donovan omhelsde haar, stond op en kuste haar welterusten. De non lachte en zei iets tegen dominee Donovan. Hij zei iets terug.
    En toen ging hij op weg naar zijn auto. Eindelijk. Ik zette me schrap om toe te slaan en…
    Nee, nog niet. Vijf meter van de ingang stond een busje van de schoonmaakdienst. Toen dominee Donovan het naderde, ging de zijdeur open. Een man met een sigaret boog zich naar buiten om de dominee te groeten. Die bleef staan, leunde tegen het busje en praatte even met hem.
    Geluk. Ik had weer geluk gehad. Ik had altijd geluk op avonden als deze. Ik had de man niet gezien, had niet vermoed dat hij er was. Maar hij zou mij wel hebben gezien. Tenminste, als ik geen geluk had gehad.
    Ik haalde een keer diep adem. Ademde weer heel langzaam uit en riep mezelf tot de orde. Een klein detail was genoeg. Ik had nog nooit een fout gemaakt, bij niemand. Het was altijd goed gegaan, altijd, op de manier waarop het gedaan moest worden. Ook deze keer zou het goed gaan.
    Nu.
    Dominee Donovan liep door naar zijn auto. Toen draaide hij zich om en riep iets. De schoonmaker zwaaide naar hem vanuit de deuropening van het weeshuis, trapte zijn sigaret uit en ging naar binnen. En weg was hij.
    Geluk. Weer geluk.
    Dominee Donovan haalde zijn sleutels te voorschijn, draaide het portier van het slot en stapte in de auto. Ik hoorde de sleutel in het contact glijden. Hoorde de motor starten. En toen…
    Nu!
    Ik kwam overeind op de achterbank en gooide de lus over zijn hoofd. Een korte, snelle ruk en de lus van vislijn, met een trekkracht tot vijftig pond, zat muurvast om zijn nek. Hij slaakte een kreetje van schrik en dat was alles.
    ‘Je bent nu van mij,’ zei ik tegen hem, en hij bleef volmaakt stilzitten, alsof hij het had gerepeteerd, bijna alsof hij die andere stem had gehoord, die van de lachende observator binnen in me.
    ‘Je doet precies wat ik zeg,’ zei ik.
    Hij kreunde schor en keek in de achteruitkijkspiegel. Hij zag mijn gezicht, gehuld in het witzijden masker dat alleen mijn ogen vrijliet.
    ‘Heb je me begrepen?’ vroeg ik. Het zijden masker bewoog voor mijn lippen wanneer ik iets zei.
    Dominee Donovan gaf geen antwoord. Staarde alleen maar naar mijn ogen. Ik trok de lus strakker.
    ‘Heb je me begrepen?’ herhaalde ik, zachter nu.
    Deze keer knikte hij. Hij bracht zijn hand naar de lus, onzeker van wat er zou gebeuren als hij zou proberen die los te trekken. Zijn hoofd begon paars te worden.
    Ik liet de vislijn een stukje vieren. ‘Doe wat ik zeg,’ zei ik. ‘Dan leef je langer.’
    Hij haalde diep adem. Ik hoorde zijn adem raspen in zijn keel. Hij hoestte en haalde weer adem. Maar hij bleef stilzitten en probeerde niet te ontsnappen.
    Dat was goed, heel goed.
    We reden weg. Dominee Donovan volgde mijn instructies op, aarzelde niet en haalde geen trucs uit. We reden in zuidelijke richting door Florida City en namen daarna de Card Sound Road. Ik merkte dat die weg hem nerveus maakte, maar hij protesteerde niet. Hij probeerde niet tegen me te praten. Zijn beide handen lagen op het stuur, bleek en hard knijpend, zodat ik zijn witte knokkels kon zien. Ook dat was heel goed.
    We reden nog een minuut of vijf in zuidelijke richting, in stilte, met geen ander geluid dan het ruisen van de banden op het asfalt, de wind en het lied van de glorieuze maan, die almachtige muziek in mijn aderen en op de achtergrond, in de kloppende roes van de nacht, het zachte gelach van de o zo voorzichtige toeschouwer.
    ‘Hier afslaan,’ zei ik ten slotte.
    De dominee keek plotseling in de achteruitkijkspiegel naar me. Paniek probeerde uit zijn ogen te kruipen, over zijn wangen naar zijn mond, om te praten, maar…
    ‘Afslaan!’ zei ik, en hij sloeg af. Hij zeeg ineen alsof hij dit al die tijd al had verwacht, alsof hij er al heel lang op wachtte.
    De smalle onverharde weg was moeilijk te zien. Je moest weten dat die er was, anders zag je hem niet. Maar ik wist dat. Ik was hier eerder geweest. De weg liep een kilometer of vier landinwaarts, met drie bochten, langs het hoge gras en de bomen, langs een smalle vaart steeds dieper het moerasgebied in, tot aan een open plek.
    Vijftig jaar geleden had iemand daar een huis gebouwd. Het grootste deel ervan stond nog overeind. Dat was nog flink groot. Drie kamers, het halve dak nog intact en er was al jarenlang geen mens geweest.
    Dat gold niet voor de verwaarloosde moestuin aan de zijkant van het huis. Daar waren sporen te zien van iemand die er onlangs iets had opgegraven.
    ‘Stop de auto,’ zei ik toen de koplampen de restanten van het huis in het licht zetten.
    Dominee Donovan gehoorzaamde. Angst hield hem gevangen in zijn eigen lichaam, verlamde zowel zijn ledematen als zijn gedachten.
    ‘Zet de motor af,’ zei ik, en hij deed het.
    Het werd opeens heel stil.
    Er ritselde iets kleins in een boom. De wind beroerde het gras. Daarna meer stilte, een stilte zo intens, dat die de stampende muziek in mijn geheime binnenste bijna overstemde.
    ‘Uitstappen,’ zei ik.
    Dominee Donovan verroerde zich niet. Zijn blik bleef op de moestuin gericht.
    Daar waren een paar bergjes aarde te zien. De opgeschepte aarde zag er heel donker uit in het maanlicht. Voor dominee Donovan zag ze er vast nog veel donkerder uit. Maar hij bewoog nog steeds niet.
    Ik gaf een harde ruk aan de vislijn, harder dan hij dacht te kunnen overleven, harder dan hij voor mogelijk had gehouden. Zijn rug kromde zich tegen de leuning van zijn stoel, de aderen werden zichtbaar op zijn voorhoofd en hij dacht dat hij ging sterven.
    Maar dat was niet zo. Nog niet. Voorlopig nog niet zelfs.
    Ik klom over de leuning, trapte het portier open en trok hem achter me aan naar buiten om hem te laten voelen hoe sterk ik was. Hij viel in het zand en lag daar te kronkelen als een aangeschoten slang. De Zwarte Ruiter vond het prachtig en lachte, en ik speelde mijn rol. Ik zette mijn gelaarsde voet op de borstkas van de dominee en trok de vislijn strak.
    ‘Je moet goed luisteren en doen wat ik zeg,’ zei ik tegen hem. ‘Echt, dat moet.’ Ik boog me voorover en trok de lus wat losser. ‘Onthoud dat goed. Dat is belangrijk,’ zei ik.
    En hij hoorde me. Zijn ogen, tranend en uitpuilend van pijn en angst, keken in de mijne en herkenden de dingen die nog te gebeuren stonden en die daar voor hem werden aangekondigd. En hij zag ze. En hij wist hoe belangrijk het voor hem was dat hij gehoorzaamde. Hij begon het te begrijpen.
    ‘Opstaan,’ zei ik.
    Langzaam, heel langzaam en terwijl hij me bleef aankijken, kwam dominee Donovan overeind. We bleven lange tijd tegenover elkaar staan, met onze blikken in elkaar geboord en terwijl we een persoon met een behoefte werden, en toen begon hij te beven. Hij wilde een hand naar zijn gezicht brengen maar liet die halverwege weer zakken.
    ‘Naar binnen,’ zei ik, heel zacht. Binnen, waar alles klaarstond.
    Dominee Donovan sloeg zijn ogen neer. Daarna sloeg hij ze weer op, maar hij kon me niet meer aankijken. Hij draaide zich om naar het huis maar verstrakte toen hij de hopen donkere aarde in de moestuin zag. En weer probeerde hij me aan te kijken, en weer lukte dat niet, niet nadat hij de hopen zwarte aarde in het maanlicht had gezien.
    Hij begon naar het huis te lopen en ik hield zijn lijn vast. Hij liep gehoorzaam door, met het hoofd gebogen, als een braaf, gehoorzaam slachtoffer. De vijf doorgezakte treden op en over de smalle veranda naar de deur, die dicht was. Dominee Donovan bleef staan. Hij keek niet op. Keek me niet aan.
    ‘Doe de deur open,’ zei ik op vriendelijke commandotoon.
    Dominee Donovan beefde.
    ‘Doe die deur open en ga naar binnen!’ herhaalde ik.
    Maar hij kon het niet.
    Ik boog me langs hem en duwde de deur open. Daarna zette ik mijn voet tegen zijn achterwerk en gaf hem een zet. Hij struikelde, ging weer rechtop staan en bleef net achter de drempel staan, met zijn ogen stijf dichtgeknepen.
    Ik deed de deur achter hem dicht. Naast de deur, op de vloer, had ik een acculamp neergezet en ik knipte die aan.
    ‘Kijk,’ fluisterde ik.
    Langzaam en heel voorzichtig deed dominee Donovan een oog open.
    Hij verstrakte.
    De tijd bleef stilstaan voor dominee Donovan.
    ‘Nee,’ zei hij.
    ‘Ja,’ zei ik.
    ‘O, nee,’ zei hij.
    ‘O, ja,’ zei ik.
    Hij begon te schreeuwen. ‘Nee!’
    Ik gaf een ruk aan de vislijn. De schreeuw werd gesmoord en de geestelijke viel op zijn knieen. Hij liet een vochtig, schor gekreun horen en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. ‘Ja,’ zei ik. ‘Het is wel een rommeltje, he?’
    Hij gebruikte al zijn aangezichtsspieren om zijn ogen dicht te knijpen. Hij kon niet kijken, niet naar wat er te zien was. Ik kon het hem eigenlijk niet kwalijk nemen, niet echt, want het was inderdaad geen prettige aanblik. Ik had er zelf ook moeite mee gehad nadat ik alles voor hem had uitgestald. Maar hij moest het zien. Dat moest. Niet alleen voor mij. Ook niet voor de Zwarte Ruiter. Maar voor hemzelf. Hij moest het zien. En hij keek niet.
    ‘Doe je ogen open, dominee Donovan,’ zei ik.
    ‘Alsjeblieft,’ zei hij op een zeurende, snikkende toon die enorm op mijn zenuwen werkte. Het had niet mogen gebeuren, want ik was de ijskoude die alles in de hand had, maar toen hij naar de ravage op de vloer keek en begon te janken, werd dat te veel voor me en schopte ik zijn benen onder zijn lijf vandaan. Ik gaf een harde ruk aan de vislijn, klemde mijn rechterhand om zijn nek en beukte zijn gezicht een paar keer tegen de vuile vloerplanken. Zijn neus begon te bloeden en dat maakte me nog bozer.
    ‘Doe ze open,’ zei ik. ‘Doe je ogen open. Doe ze nu open en kijk!’ Ik pakte hem bij zijn haar en trok zijn hoofd omhoog. ‘Je moet doen wat ik zeg,’ zei ik. ‘Kijk of ik snij je oogleden eraf.’
    Dat klonk heel overtuigend. Dus gehoorzaamde hij en deed hij wat hem gezegd was. Hij keek.
    Ik had hard gewerkt om het goed te krijgen, maar ik had moeten werken met wat er was en dat was nog niet zo gemakkelijk. Het zou me helemaal niet gelukt zijn als ze niet lang genoeg binnen hadden gelegen om goed op te drogen, maar ze waren allemaal erg vuil geweest. Het was me gelukt de meeste aarde weg te wassen, maar enkele van hen hadden zo lang in de grond gelegen, dat je niet meer kon zien waar het lijk ophield en de aarde begon. Je kon het uberhaupt niet zien als je weigerde erover na te denken. Al dat vuil…
    Het waren er zeven, zeven kleine lijken, zeven vuile weeskinderen die waren neergelegd op plastic douchegordijnen om het netjes te houden en omdat die niet doorlekten. Zeven rechte lijnen die naar de andere kant van de kamer wezen.
    Die naar dominee Donovan wezen. Dus hij wist het.
    Hij wist dat hij hen straks gezelschap ging houden.
    ‘Moeder Maria, vol van genade…’ begon hij. Ik gaf een harde ruk aan de vislijn.
    ‘Dat wil ik niet horen, eerwaarde. Niet nu. Het is nu tijd voor de echte waarheid.’
    ‘Alsjeblieft,’ kreunde hij.
    ‘Ja, smeek me maar. Goed zo. Dat is al beter.’ Ik gaf nog een ruk aan de lijn. ‘Denk je dat dit ze zijn, eerwaarde? Zeven lijken? Hebben ze jou gesmeekt?’ Daar wist hij niets op te zeggen. ‘Denk je dat dit ze allemaal zijn? Deze zeven? Heb ik ze allemaal gevonden, eerwaarde?’
    ‘O, mijn god,’ kermde hij met een pijn die duidelijk hoorbaar was.
    ‘En hoe zit het met de andere steden, eerwaarde? Fayetteville bijvoorbeeld? Zullen we het over Fayetteville hebben?’ Er kwam een schorre snik uit zijn mond, maar geen woorden. ‘Of over East Orange? Waren het er drie daar? Of ben ik er een vergeten? Het was ook zo moeilijk te zien. Waren het er misschien vier in East Orange, eerwaarde?’
    Dominee Donovan probeerde te schreeuwen. Hij had niet genoeg ruimte in zijn keel voor een harde schreeuw, maar hij legde er een hoop gevoel in, wat het gebrek aan volume weer goedmaakte. Daarna viel hij voorover, op zijn gezicht, en ik liet hem een tijdje liggen voordat ik hem weer overeind trok. Hij wankelde en had zichzelf niet meer in bedwang. Hij had de inhoud van zijn blaas laten lopen en er zat kwijl op zijn kin.
    ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Ik kon er niets aan doen. Ik kon mezelf niet beheersen. Alsjeblieft, begrijp dat dan toch…’
    ‘Ik begrijp het, eerwaarde,’ zei ik, en er zat iets in mijn stem, die nu de stem van de Zwarte Ruiter was, wat hem nog meer aan het schrikken maakte. Zijn hoofd kwam langzaam omhoog, hij keek me aan en wat hij in mijn ogen zag, zorgde ervoor dat hij heel stil werd. ‘Ik begrijp het volkomen,’ zei ik terwijl ik mijn gezicht vlak bij het zijne bracht. Het zweet op zijn wangen bevroor ter plekke. ‘Want zie je,’ zei ik, ‘ik kan mezelf namelijk ook niet beheersen.’
    We stonden nu heel dicht bij elkaar, raakten elkaar bijna aan, maar hij was zo vies, dat het me opeens te veel werd. Ik gaf een ruk aan de vislijn en schopte zijn benen weer onder zijn lijf vandaan. Dominee Donovan viel languit op de houten vloer.
    ‘Maar kinderen?’ zei ik. ‘Ik zou dit nooit met kinderen kunnen.’ Ik zette mijn laars op zijn achterhoofd en drukte zijn gezicht hard tegen de vloer. ‘Ik ben anders dan jij, eerwaarde. Geen kinderen voor mij. Maar wel mensen als jij.’
    ‘Wie ben je?’ fluisterde dominee Donovan.
    ‘Ik ben het begin en het einde,’ zei ik. ‘Ik ben de antischepper. Aangenaam kennis te maken, eerwaarde.’ Ik had de injectiespuit al in mijn hand en de naald ging soepel zijn nek in, zoals het hoorde. Zijn verstrakte spieren boden een lichte weerstand, maar de geestelijke zelf niet. Ik drukte op de zuiger, leegde de spuit en vulde de geestelijke met pure, snelle kalmte. Al na een paar seconden begon zijn hoofd te tollen en draaide zijn gezicht mijn kant op.
    Kon hij me nu zien? Zag hij de twee paar gummihandschoenen die ik aanhad, mijn overall, het zijden masker voor mijn gezicht? Kon hij me echt zien? Of zag hij me pas in de andere kamer, de kamer van de Zwarte Ruiter, de schone kamer? Twee avonden daarvoor had ik hem grondig schoongemaakt, geveegd, gesopt, geboend en wit geschilderd, totdat hij zo schoon was als hij maar kon zijn. In het midden van de kamer, waarvan ik de ramen had dichtgeplakt met dik wit plastic, onder de lampen aan het plafond, op de tafel die ik had gemaakt, kon hij me daar zien, te midden van de dozen met witte vuilniszakken, de flessen met chemicalien en het tafeltje met de diverse messen en zagen? Kon hij me daar uiteindelijk zien?
    Of zag hij die zeven donkere, slordige hoopjes, en wie weet hoeveel hoopjes nog meer? Zag hij eindelijk zichzelf, niet meer in staat te schreeuwen terwijl hij werd verwerkt tot de rommel die straks de tuin in zou gaan?
    Nee, natuurlijk niet. Zijn fantasie stond hem niet toe dat hij zich tot dezelfde groep rekende. En in zekere zin had hij nog gelijk ook. Want hij zou nooit veranderen in de puinhoop die hij van de kinderen had gemaakt. Ik zou dat nooit doen, mezelf dat nooit toestaan. Ik ben niet zoals dominee Donovan, niet dat soort monster.
    Ik ben een heel net monster.
    Netheid vergt tijd, natuurlijk, maar is die ook waard. Het is het waard om de Zwarte Ruiter tevreden te houden en ervoor te zorgen dat die zich weer een tijdje koest houdt. Waard om het goed en netjes te doen. Om een zoveelste hoop vuil van deze wereld te verwijderen. Het leverde een paar keurig ingepakte vuilniszakken op, maar mijn kleine hoekje op deze wereld zou er schoner, netter en gelukkiger van worden.
    Ik had ongeveer acht uur de tijd voordat ik hier weg moest zijn. Ik zou ze alle acht nodig hebben om het goed te doen.
    Ik zette de geestelijke aan de tafel vast met breed grijs plakband en sneed zijn kleren open. Daarna deed ik snel het voorbereidende werk: wassen, scheren en het verwijderen van een paar onnette lichamelijke uitsteeksels. Zoals altijd voelde ik hoe het heerlijke bevrijdende gevoel inzette en zich heel langzaam door mijn hele lichaam verspreidde. Het zou door me heen golven wanneer ik aan het werk was, aanzwellen en me met zich meenemen tot het einde, wanneer de behoefte en de geestelijke zouden wegzwemmen in de zich terugtrekkende branding.
    En net voordat ik aan het echte werk wilde beginnen, deed dominee Donovan zijn ogen open en keek hij me aan. Er was geen angst meer in te zien; dat gebeurt soms. Hij keek me recht aan en zijn lippen bewogen.
    ‘Wat?’ vroeg ik, en ik boog me een stukje voorover. ‘Ik kan je niet verstaan.’
    Ik hoorde hem ademhalen, een trage, vredige ademhaling, en voordat hij zijn ogen dichtdeed, zei hij het nog een keer.
    ‘Graag gedaan,’ zei ik, en toen ging ik aan het werk.

2

    Tegen halfvijf in de ochtend was de geestelijke keurig opgeruimd. Ik voelde me een stuk beter. Ik voelde me naderhand altijd beter. Moorden geeft me een goed gevoel. Het haalt de knopen uit het duistere brein van de brave Dexter. Het is een zoete bevrijding, een noodzakelijk openzetten van al die stoompijpjes binnen in me. Ik geniet van mijn werk en het spijt me als u dat niet leuk vindt. O, het spijt me zelfs heel erg. Maar het is niet anders. En het zijn natuurlijk ook niet zomaar moorden. Ze moeten op de juiste manier, op het juiste moment en op het juiste slachtoffer worden gepleegd, wat niet alleen knap ingewikkeld kan zijn maar ook strikt noodzakelijk is.
    En best vermoeiend ook. Dus was ik moe, maar de spanning van de afgelopen week was verdwenen, de kille stem van de Zwarte Ruiter was tot zwijgen gebracht en ik kon weer mezelf zijn. De grappige, charmante, uiterlijk zo gelukkige maar vanbinnen morsdode Dexter. Niet langer Dexter met het mes, Dexter de Wreker. Niet tot aan de volgende keer.
    Ik begroef alle lijken weer in de tuin, met een nieuwe buurman erbij, en maakte het half ingestorte huis zo goed mogelijk schoon. Ik laadde al mijn spullen in de auto van de geestelijke en reed in zuidelijke richting naar de vaart waar ik mijn boot had aangemeerd, een zes meter lange Whaler met een ondiepe kiel en een forse buitenboordmotor. Ik duwde de auto van de geestelijke achter mijn boot in de vaart, ging aan boord en wachtte totdat de auto was volgelopen en onder water was verdwenen. Daarna startte ik de buitenboordmotor en voer ik weg naar het noorden om de baai over te steken. De zon kwam net op en schitterde op het water. Ik plooide mijn gezicht in een frisse, opgewekte uitdrukking en zag eruit als een visser die ’s ochtends vroeg naar huis terugkeert. Iemand trek in rode snapper? Om ongeveer halfzeven was ik terug in mijn appartement op Coconut Grove. Voorzichtig haalde ik het objectglaasje uit mijn zak, het dunne strookje glas dat nu, precies in het midden, werd versierd door een enkele druppel bloed van de geestelijke. Het was inmiddels droog en ik kon het zo onder mijn microscoop schuiven als ik aan het gebeuren wilde terugdenken. Ik borg het op bij de andere glaasjes, zesendertig stuks, allemaal met een heel zorgvuldig aangebrachte, opgedroogde druppel bloed erop.
    Ik nam een heel lange douche, liet het gloeiend hete water afrekenen met de laatste restanten van de spanning en de knopen in mijn spieren, en daarna schrobde ik de achtergebleven geursporen van de geestelijke en de tuin van het huis bij het moeras van mijn lijf.
    Kinderen. Ik had hem twee keer moeten vermoorden.
    Wat mij heeft gemaakt tot wat ik ben — wat dat ook was — zorgde ervoor dat ik me vanbinnen hol en leeg voelde, niet in staat om iets anders te voelen. Als ik het zo zeg, lijkt dat niet al te veel voor te stellen. Ik ben er redelijk zeker van dat de meeste mensen in hun dagelijkse contacten met andere mensen een groot deel van hun gevoelens en emoties spelen. Nou, ik speelde ze dus allemaal. Ik was daar heel goed in en de gevoelens waren er gewoon niet. Maar ik hou van kinderen. Ik kon hen zelf nooit hebben want het idee van seks stond me ronduit tegen. Stelt u zich uzelf voor terwijl u dat soort dingen doet. Hoe kunt u? Waar is uw gevoel voor waardigheid gebleven? Maar kinderen… kinderen zijn bijzonder. Dominee Donovan moest sterven. Dat verdiende hij. Ik had me aan Harry’s code en aan die van de Zwarte Ruiter gehouden.
    Om kwart over zeven was ik weer helemaal schoon. Ik dronk een kop koffie, at een bord cornflakes en ging op weg naar mijn werk.
    Het gebouw waar ik werk is zo’n groot modern ding, wit en met veel glas, vlak bij het vliegveld. Mijn laboratorium is op de eerste verdieping, aan de achterkant. Naast het lab is mijn kantoor. Het is klein en stelt niet veel voor, maar het is van mij, helemaal van mij. Niemand anders werkt er en er mag niemand zomaar binnenkomen, dus al mijn spullen blijven waar ik ze heb neergelegd. Een bureau met een stoel, plus nog een stoel voor een eventuele bezoeker, als die niet te breed is. Een computer, een paar boekenplanken, een archiefkast, een telefoon en een antwoordapparaat.
    Het rode lampje van het antwoordapparaat knipperde toen ik binnenkwam. Een ingesproken bericht is voor mij geen dagelijkse kost. Om de een of andere reden zijn er op deze wereld maar heel weinig mensen die tijdens werkuren iets willen zeggen tegen een analist van bloedspatpatronen. Een van de weinige mensen die wel iets tegen me wilde zeggen, was Deborah Morgan, mijn stiefzusje. Ze werkte bij de politie, net als haar vader had gedaan.
    Het bericht was van haar.
    Ik drukte op de knop, hoorde blikkerige tejano-muziek en daarna Deborahs stem. ‘Dexter, alsjeblieft, zodra je binnenkomt… Ik ben op een plaats delict op Tamiami Trail, in het Cacique motel.’ Er viel een stilte. Ik hoorde dat ze haar hand over het spreekgedeelte van de hoorn legde en iets tegen iemand zei. Daarna volgde er weer een golf Mexicaanse muziek en was ze weer aan de lijn. ‘Kun je hiernaartoe komen? Nu meteen? Alsjeblieft, Dex?’
    Ze hing op.
    Ik heb geen ouders en geen familie. Tenminste, voorzover ik weet. Want ergens op de wereld moeten mensen rondlopen met hetzelfde genetische materiaal als ik. Daar ben ik van overtuigd. Ik benijd hen niet. Ik heb hen in ieder geval nog nooit ontmoet. Ik ben ook nooit naar hen op zoek geweest en zij blijkbaar ook niet naar mij. Ik ben geadopteerd en grootgebracht door Harry en Doris Morgan, de ouders van Deborah. En als we in aanmerking nemen wat er van me is geworden, hebben ze fantastisch werk gedaan, vindt u ook niet?
    Ze zijn inmiddels allebei overleden. Dus is Deb op deze wereld de enige persoon die het nog een stinkdierenscheet kan schelen of ik leef of niet. Om redenen die ik niet kan benoemen, denk ik zelfs dat ze er de voorkeur aan geeft dat ik leef. Ik vind dat aardig van haar en als ik in staat zou zijn gevoelens te hebben, zouden die voor Deb zijn.
    Dus ging ik. Ik reed het parkeerterrein van bureau Metro-Dade af en draaide even later de Turnpike op, die me in noordelijke richting voerde naar het deel van Tamiami Trail waaraan het Cacique motel gelegen is, te midden van enkele honderden van zijn broertjes en zusjes. Op zijn eigen manier is het een paradijs. Zeker wanneer je een kakkerlak bent. Rijen en rijen gebouwen die erin slagen op hetzelfde moment te schitteren en te schimmelen. Felle neonlichten boven oude, ingezakte, door en door verrotte gebouwen. Als je er niet ’s avonds laat naartoe gaat, kun je maar liever helemaal niet gaan. Want een plek als deze bij daglicht bekijken is als een confrontatie met het absolute dieptepunt van wat het leven je te bieden heeft.
    Elke grotere stad heeft wel een buurt als deze. Als een kale dwerg met vergevorderde lepra seks wil bedrijven met een kangoeroe en een kinderkoor, kan hij hier een kamer nemen om dat te doen. En als hij klaar is, kan hij ’s avonds met het hele gezelschap naar de bar op de hoek voor een kop Cubaanse koffie en een broodje. Het kan niemand iets schelen wat hij doet, zolang hij maar fooi geeft.
    Deborah had hier de laatste maanden al veel te veel tijd doorgebracht. Dat was haar opvatting, niet de mijne. Het leek mij wel een geschikte plek als je politieagente was en je kansen wilde vergroten om iemand te betrappen die iets afschuwelijks deed.
    Deborah zag dat niet zo. Waarschijnlijk omdat ze bij Zedenzaken werkte. Een aantrekkelijke jonge vrouw die bij Zedenzaken werkte en op Tamiami Trail werd gestationeerd, deed dat meestal als lokaas voor een arrestatie. Ze werd bijna naakt op straat neergezet om mannen te pakken die bereid waren te betalen voor seks. Deborah vond dat vreselijk. Ze wilde niets met prostitutie te maken hebben, tenzij als sociologisch verschijnsel. Condooms rapen in motelkamers vond zij geen echte misdaadbestrijding. Bovendien — en dat wist alleen ik — had ze de pest aan alles wat te veel de nadruk legde op haar vrouwelijkheid en haar weelderige vormen. Ze wilde politieagente zijn en het was niet haar schuld dat ze er meer als een centerfoldmodel uitzag.
    En toen ik het parkeerterrein tussen het Cacique en zijn buurman, Tito’s Cafe Cubano, op reed, zag ik meteen dat ze op dat moment alle nadruk van de wereld op haar vormen legde. Ze was gekleed in een lichtgevend roze topje, een kort broekje van spandex, zwarte netkousen en pumps met naaldhakken. Rechtstreeks afkomstig van de kostuumafdeling van Hollywood Hookers in 3-D.
    Een paar jaar daarvoor had iemand van bureau Zedenzaken het gerucht gehoord dat de pooiers hen op straat vierkant uitlachten. Het scheen dat de outfits voor de agentes die aan de operaties meewerkten vooral door de mannen van Zedenzaken werden uitgezocht. En hoewel hun kledingkeuze heel veel vertelde over hun eigen voorkeuren op het gebied van kinky seks, zag de kleding er niet uit als iets wat hoeren echt zouden aantrekken. Dus wist iedereen op straat meteen dat het nieuwe meisje een politiepenning en een pistool in haar zijden tasje had.
    Nadat dit bekend was geworden, hadden de agenten van Zedenzaken erop aangedrongen dat de meisjes die undercover werkten voortaan zelf hun kleding uitzochten. De meisjes wisten immers beter dan zij hoe ze zich voor die gelegenheid moesten kleden, of niet soms?
    De meesten van hen waarschijnlijk wel. Maar Deborah niet. Behalve in een spijkerbroek en hemd voelde ze zich in geen enkel kledingstuk prettig. U had moeten zien wat ze voor het afscheidsbal van school had willen aantrekken. En nu… ik had nog nooit een beeldschone vrouw in weinig verhullende kleding gezien die er zo onsexy uitzag als Deb nu deed.
    Maar ze viel zeker op. Ze stond bij de afzetting voor de toeschouwers, met haar penning op haar topje. Ze was beter zichtbaar dan de halve kilometer gele afzettingstape die al om de gebouwen en aan de bomen was geknoopt, beter zichtbaar ook dan de drie patrouillewagens die met knipperende lichten schots en scheef voor het motel stonden. Haar roze topje gaf gewoon net iets meer licht.
    Ze stond aan de zijkant van het parkeerterrein en hield de toeschouwers op een afstand terwijl de mensen van de technische recherche bezig waren met het doorzoeken van de afvalcontainer van het cafe. Ik was blij dat ik dat niet hoefde te doen. De stank kwam me tegemoet over het parkeerterrein en door het open raampje van mijn auto… de zware lucht van Braziliaanse koffieprut vermengd met rot fruit en bedorven varkensvlees.
    De agent bij de afzetting van het parkeerterrein was iemand die ik kende. Hij wuifde me door en ik vond een parkeerplek.
    ‘Deb,’ zei ik terwijl ik naar haar toe liep. ‘Leuke outfit. Komt je figuur ten volle in uit.’
    ‘Krijg de pest,’ zei ze en ze begon te blozen. Echt iets wat je verwacht van een volwassen agente van Zedenzaken.
    ‘Ze hebben weer een vermoorde prostituee gevonden,’ zei ze. ‘Tenminste, ze denken dat het een prostituee is. Moeilijk te zien aan wat er van haar over is.’
    ‘Dat is al de derde in de afgelopen vijf maanden,’ zei ik.
    ‘De vijfde,’ corrigeerde ze me. ‘In Broward zijn er ook twee gevonden.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Die klootzakken blijven zeggen dat er officieel geen sprake is van een verband.’
    ‘Dat zou hun een flinke berg papierwerk opleveren,’ zei ik toeschietelijk.
    Deb ontblootte haar tanden. ‘Wat dacht je van doodgewoon elementair politiewerk?’ snauwde ze. ‘Zelfs een idioot kan zien dat er een verband tussen de moorden is.’ En ze rilde.
    Ik keek haar verbaasd aan. Ze was politieagente en dochter van een politieman. Dit soort dingen raakte haar niet. Toen Deborah pas bij de politie was en de oudere jongens trucjes met haar uithaalden — haar opengesneden lijken lieten zien die dagelijks in Miami opduiken, om haar van haar lunch af te helpen — had ze geen krimp gegeven. Ze had het allemaal al eens gezien.
    Maar deze maakte haar aan het rillen.
    Interessant.
    ‘Dit is een bijzonder geval. Gaat het daarom?’ vroeg ik.
    ‘Deze is tijdens mijn dienst gevonden.’ Ze zette haar wijsvinger op mijn borstkas. ‘En dat houdt in dat ik een kans heb om me in het onderzoek te werken, om te laten zien wat ik kan en overplaatsing naar Moordzaken aan te vragen.’
    Ik schonk haar een vriendelijke glimlach. ‘Ambitieus, Deborah?’
    ‘Dat ben ik zeker, verdomme,’ zei ze. ‘Ik wil weg bij Zedenzaken en uit dit soort speelpakjes. Ik wil naar Moordzaken, Dexter, en dit is mijn kans. Met een beetje geluk…’ Ze wachtte even en zei toen iets wat me compleet overrompelde. ‘Help me, Dexter, alsjeblieft,’ zei ze. ‘Ik ben het zo zat, dit gedoe.’
    ‘Alsjeblieft, Deborah? Zeg je “alsjeblieft” tegen mij? Weet je niet hoe nerveus ik daarvan word?’
    ‘Hou op met die onzin, Dex.’
    ‘Maar, Deborah, echt…’
    ‘Hou op, zei ik. Wil je me helpen of niet?’
    Toen ze het zo stelde, terwijl dat rare, voor haar zeldzame woord ‘alsjeblieft’ nog in de lucht hing, wat kon ik toen anders zeggen dan: ‘Natuurlijk help ik je, Deb. Dat weet je toch?’
    En ze keek me strak aan, nam het ‘alsjeblieft’ weer terug. ‘Nee, dat weet ik niet, Dex. Met jou weet ik nooit iets.’
    ‘Natuurlijk help ik je, Deb,’ herhaalde ik en ik probeerde gekwetst te klinken. En na die goede imitatie van gekwetste waardigheid liep ik naar de vuilstortplaats en voegde me bij de rest van de laboratoriumratten.
    Camilla Figg kroop al door het vuilnis op zoek naar vingerafdrukken. Ze was een gedrongen vrouw van 35, met kort haar, en ze was iemand die nooit scheen te willen reageren op mijn charmante aanwezigheid. Maar toen ze me zag, kwam ze overeind op haar knieen, begon te blozen en keek me zonder iets te zeggen na toen ik voorbijliep. Dat scheen ze altijd te doen, me aankijken en blozen.
    Achter in de vuilstortplaats, op een omgekeerde plastic melkkrat, wroetend in een hoopje afval, zat Vince Masuoka. Hij was half-Japans en maakte altijd het grapje dat hij de kleinste helft had gekregen. Tenminste, hij noemde dat een grapje.
    Er klopte iets niet aan Vinces opgewekte Aziatische glimlach. Het leek net alsof hij die uit een handboek had geleerd. Niemand werd ooit boos op hem, ook niet wanneer hij de gebruikelijke zieke grapjes tegen de agenten maakte. Er lachte ook nooit iemand om, maar dat weerhield hem er niet van ze te blijven maken. Hij kende alle vereiste rituele gebaren maar ze kwamen nooit helemaal echt over als hij ze maakte. Dat was de reden dat ik hem wel mocht, denk ik. Nog iemand die deed alsof hij mens was, net als ik.
    ‘Hallo, Dexter,’ zei Vince zonder op te kijken. ‘Wat doe je hier?’
    ‘Ik kom eens kijken hoe de echte profs hun werk doen,’ zei ik. ‘Heb je er ook een gezien?’
    ‘Ha ha ha,’ zei Vince. Het moest een luidkeelse lach voorstellen maar hij was nog onechter dan zijn glimlach. ‘Je denkt zeker dat je in Boston bent?’ Hij vond iets, hield het tegen het licht en tuurde ernaar. ‘Maar even serieus, waarom ben je hier?’
    ‘Waarom zou ik hier niet zijn, Vince?’ vroeg ik en ik probeerde gekrenkt te klinken. ‘Dit is een plaats delict, of niet soms?’
    ‘Jij doet bloedspatten,’ zei hij terwijl hij weggooide wat hij had bekeken en weer doorging met zoeken.
    ‘Dat weet ik.’
    Hij keek op met zijn breedste onechte glimlach. ‘Er is hier geen bloed, Dex.’
    Ik kreeg een licht gevoel in mijn hoofd. ‘Wat bedoel je?’ ‘Geen bloed, nergens op, nergens in en nergens naast,’ zei hij. ‘Helemaal geen bloed. Zoiets raars heb ik nog nooit meegemaakt.’
    Helemaal geen bloed. De woorden bleven door mijn hoofd galmen en klonken elke keer harder. Geen warm, plakkerig bloed. Geen spatpatroon. Geen druppel. Helemaal geen bloed!
    Waarom had ik daar niet aan gedacht?
    Ik voelde me als een ontbrekend stukje van iets waarvan ik niet had geweten dat er iets aan ontbrak.
    Ik pretendeer niet dat ik begrijp wat het precies is met Dexter en bloed. Alleen al de gedachte eraan zorgt ervoor dat ik mijn kiezen op elkaar klem… en toch was bloed het belangrijkste bestanddeel van mijn studie en heb ik er mijn werk van gemaakt. Het is duidelijk dat daar een diepere betekenis achter zit, maar wat die is, heeft me altijd maar tijdelijk kunnen boeien. Ik ben wat ik ben, en is het geen mooie avond om een kindermoordenaar open te snijden?
    Maar dit…
    ‘Voel je je wel goed, Dexter?’ vroeg Vince.
    ‘Ik voel me prima,’ zei ik. ‘Hoe doet hij het?’
    ‘Dat hangt ervan af.’
    Ik keek naar Vince. Hij zat naar een handvol koffieprut te staren en roerde erin met zijn door gummi beschermde wijsvinger. ‘Waarvan af, Vince?’
    ‘Van wie “hij” is en van het “het” wat hij doet,’ zei hij. ‘Ha ha ha.’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Soms doe je te veel je best om ondoorgrondelijk te zijn,’ zei ik. ‘Hoe ontdoet de moordenaar zich van het bloed?’
    ‘Dat is op dit moment moeilijk te zeggen,’ zei hij. ‘Maar we hebben in ieder geval niets gevonden. En het lijk is niet in een goede staat, dus het zal moeilijk worden om daarop veel sporen te vinden.’
    Ik voelde mijn interesse afnemen. Ik laat mijn lijken graag netjes achter. Geen franje, geen rommel, geen druipend bloed. Als deze moordenaar weer zo’n hond was die botten afkluift, dan was dit geen interessante zaak voor me.
    Mijn ademhaling kwam weer enigszins tot rust. ‘Waar is het lijk?’ vroeg ik aan Vince.
    Hij knikte naar een plek een meter of zes verderop. ‘Daar,’ zei hij. ‘Waar LaGuerta staat.’
    ‘O, jeetje,’ zei ik. ‘Doet LaGuerta het onderzoek?’
    Hij wierp me weer een nepglimlach toe. ‘De moordenaar heeft geluk.’ Ik keek naar de plek. Een paar mensen stonden rondom een stel vuilniszakken geschaard. ‘Ik zie het niet,’ zei ik.
    ‘Daar. In de vuilniszakken. In elke zak zit een lichaamsdeel. Hij heeft het slachtoffer in stukken gehakt en die toen keurig ingepakt alsof het kerstcadeautjes waren. Heb je ooit zoiets gezien?’
    Natuurlijk had ik dat eerder gezien.
    Zo deed ik het ook.

3

    De aanblik van een plaats delict in de stralende zon van Miami heeft iets wat raar en ontwapenend is. Het zorgt ervoor dat zelfs de meest gruwelijke moorden er chemisch en geensceneerd uitzien. Alsof je een nieuwe, spannende attractie van Disney World bezoekt. Dahmerland. Maak een ritje met de vrieskist. Deponeer uw maaginhoud alleen in de daarvoor bestemde emmers, alstublieft.
    Niet dat de aanblik van verminkte lijken mij ooit van streek had gemaakt. O nee, integendeel. Ik hou niet zo van die rommelige waarbij slordig met de lichaamsvloeistoffen is omgesprongen, maar verder doen ze me net zoveel als een portie spareribs bij de slager. Het is wel zo dat beginnelingen en bezoekers van een plaats delict de neiging hebben om over te geven, hoewel hier om de een of andere reden minder wordt overgegeven dan in het noorden. Ik denk dat de zon de scherpe kantjes eraf haalt. Die maakt dit soort dingen minder erg, maakt ze netter. Misschien hou ik daarom zoveel van Miami. Het is zo’n nette stad.
    En het was weer een prachtige, zonnige, warme dag. Iedereen die die ochtend een jasje had aangetrokken, zocht nu naar een haakje om het aan op te hangen. Helaas waren die er niet op dit smerige, verlaten parkeerterrein. Er stonden vijf of zes auto’s en verder was er alleen de container. Die stond in de hoek, bij het cafe, naast een roze muur met prikkeldraad erbovenop. Daar was ook de achterdeur van het cafe. Een nors kijkende jonge vrouw liep in en uit en dreef een handeltje in cafe cubano en pasteles met de agenten en technische rechercheurs op het parkeerterrein. Het groepje rechercheurs in pak die altijd op plaatsen delict rondhangen, om zich te laten zien, druk uit te oefenen op de technische recherche of zich er zelf van te overtuigen wat er gaande was, kwamen handen tekort, want ze hadden nu koffie, broodjes en hun jasje, die ze nergens kwijt konden.
    De jongens van de technische recherche droegen geen pakken. Lichtgewicht bowlinghemden met twee borstzakken waren meer hun stijl. Ik had er zelf ook een aan. Met een patroon van tamtamspelers en palmbomen tegen een lichtgroene achtergrond. Stijlvol en praktisch.
    Ik liep op het dichtstbijzijnde bowlinghemd in het groepje mensen bij het lijk af. Dat werd gedragen door Angel Batista-geen-familie-van, zoals hij zichzelf altijd voorstelde. Hallo, ik ben Angel Batista, geen familie van. Hij werkte op het gerechtelijk lab. Op dat moment zat hij gehurkt bij een van de vuilniszakken en keek erin.
    Ik ging naast hem staan, want ik wilde ook graag een blik in de zak werpen. Iets wat Deborah een dergelijke reactie kon ontlokken, moest de moeite waard zijn.
    ‘Angel,’ zei ik, ‘wat hebben we hier?’
    ‘Hoezo “we”, blanke man?’ zei hij. ‘Er is geen bloed, dus je bent hier niet nodig.’
    ‘Ik heb het gehoord.’ Ik hurkte naast hem neer. ‘Is het hier gedaan, of heeft hij haar hier gedumpt?’
    Hij schudde zijn hoofd. ‘Moeilijk te zeggen. Ze legen de container twee keer per week, dus ze kan hier hooguit een dag of twee hebben gelegen.’
    Ik liet mijn blik over het parkeerterrein gaan en keek ten slotte naar de groezelige voorgevel van het Cacique. ‘Hoe zit het met het motel?’
    Angel haalde zijn schouders op. ‘Dat zijn ze nog aan het nagaan, maar ik denk niet dat ze daar iets zullen vinden. De vorige keren heeft hij ook alleen de container gebruikt. He,’ zei hij opeens.
    ‘Wat is er?’
    Hij haalde een pen uit zijn borstzak en duwde het plastic van de vuilniszak terug. ‘Moet je die snee zien.’
    De onderkant van een afgesneden been stak uit de zak en in het felle zonlicht zag het er bleek en heel dood uit. Dit deel eindigde bij de enkel, en de voet was keurig verwijderd. Op de zijkant zag ik een kleine tatoeage van een vlinder waarvan de onderkant met de voet was afgesneden.
    Ik liet een zacht gefluit horen. De snee was met chirurgische precisie gemaakt. De dader had heel knap werk geleverd… bijna zo goed als ik het kon. ‘Een mooie, schone snee,’ zei ik. En dat was het, meer dan mooi zelfs. Ik had nog nooit zo’n schoon, droog en keurig uitziend stuk dood vlees gezien. Prachtig gewoon.
    ‘Me cago en diez met je mooi en schoon,’ zei hij. ‘Het was nog niet af.’
    Ik keek over zijn schouder en tuurde dieper in de zak. Er bewoog niets. ‘In mijn ogen ziet het er heel af uit, Angel.’
    ‘Kijk hier,’ zei hij en hij trok een van de andere zakken open. ‘Dit been heeft hij in drie stukken gesneden. Het lijkt wel alsof hij een liniaal of zoiets heeft gebruikt, zie je? En dan zou hij dit been…’ Hij wees naar de enkel die ik zo intens had bewonderd. ‘… maar in twee stukken snijden? Hoe kan dat, nou?’
    ‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Misschien kan inspecteur LaGuerta ons dat vertellen.’
    Angel keek me even recht aan en we moesten allebei ons best doen om ons gezicht in de plooi te houden. ‘Misschien kan ze dat,’ zei hij en hij richtte zijn aandacht weer op zijn werk. ‘Waarom ga je het haar niet vragen?’
    ‘Hasta luego, Angel.’
    ‘Dat zit er dik in,’ antwoordde hij, met zijn hoofd bijna in de vuilniszak.
    Een paar jaar daarvoor was het gerucht gegaan dat inspecteur Migdia LaGuerta zich in Moordzaken had gewerkt door met iemand naar bed te gaan. Als je haar zag, zou je het zo geloven. Ze had alle vereiste onderdelen op de juiste plekken om haar lichamelijk aantrekkelijk te maken op een stuurse, aristocratische manier. Ze was een ware kunstenares met haar make-up en ze kleedde zich heel goed. Chic op de Bloomingdale-manier. Maar het gerucht kon niet waar zijn. Om te beginnen had ik nog nooit een vrouw ontmoet die ondanks haar puur vrouwelijke buitenkant vanbinnen zo mannelijk was. Ze was bikkelhard, ambitieus zonder weerga en haar enige zwakheid was haar voorkeur voor knappe mannen — fotomodelknap — die een paar jaar jonger waren dan zij. Dus ben ik er vrij zeker van dat ze niet met behulp van seks bij Moordzaken terecht is gekomen. Ze is bij Moordzaken gekomen omdat ze Cubaanse is, bedreven is in politieke spelletjes en heel goed weet hoe je hielen moet likken. Met die combinatie breng je het in Miami veel verder dan met seks.
    LaGuerta was heel erg goed in hielen likken, de beste hielenlikker van de hele wereld. Ze had zich helemaal naar de verantwoordelijke positie van inspecteur Moordzaken omhoog gelikt. Helaas is dat een functie waarin haar likkwaliteiten zelden aan bod kwamen en ze was een uiterst beroerd rechercheur.
    Het gebeurt: incompetentie wordt vaker wel dan niet beloond. Hoe dan ook, ik moest met haar werken. Dus had ik mijn aanzienlijke charme in de strijd geworpen om ervoor te zorgen dat ze me graag mocht. Wat gemakkelijker was dan u misschien denkt. Iedereen kan charmant zijn als hij er niet voor terugdeinst om toneel te spelen en de stupide, onware en misselijkmakende dingen te zeggen die gewetensvolle mensen niet uit hun mond kunnen krijgen. Gelukkig heb ik geen geweten. Ik zeg ze gewoon.
    Toen ik het groepje bij het cafe naderde, was LaGuerta iemand aan het ondervragen in snelle mitrailleursalvo’s Spaans. Ik spreek Spaans en kan zelfs Cubaans redelijk volgen, maar bij LaGuerta lukte me dat met slechts een op de tien woorden. Het Cubaanse dialect brengt de Spaanssprekende gemeenschap tot absolute wanhoop. Het enige doel van het spreken ervan is blijkbaar dat je een race tegen de klok houdt en in drie seconden zo veel mogelijk woorden zonder medeklinkers zegt.
    De truc om het te kunnen volgen is weten wat de persoon gaat zeggen voordat die het zegt. Maar het schijnt bij te dragen aan de ondoorgrondelijkheid waar niet-Cubanen zich soms over beklagen.
    De man die door LaGuerta onder vuur werd genomen, was klein en gedrongen, donker met indiaanse gelaatstrekken, en hij was zichtbaar onder de indruk van LaGuerta’s dialect, de toon van haar stem en haar politiepenning. Hij probeerde haar blik te vermijden terwijl ze tegen hem praatte, wat ervoor scheen te zorgen dat ze nog sneller praatte.
    ‘No, no hay nadie afuera,’ zei hij zacht, aarzelend en met terneergeslagen ogen. ‘Todos estan en cafe.’ Er was niemand buiten; ze waren allemaal in het cafe.
    ‘Donde estabas?’ wilde LaGuerta weten. Waar was jij?
    De man keek naar het hoopje lichaamsdelen en wendde snel zijn blik weer af. ‘Cocina.’ De keuken. ‘Entonces yo saco la basura.’ En toen ging ik het vuilnis buitenzetten.
    LaGuerta ging door, zette hem verbaal onder druk en stelde hem de verkeerde vragen op een toon die hem kleineerde en intimideerde, net zolang totdat hij de gruwelijke vondst van de lichaamsdelen in de container begon te vergeten, niets meer durfde te zeggen en steeds minder tot meewerken bereid was.
    Een knap staaltje verhoortechniek. Neem je belangrijkste getuige en zorg ervoor dat die zich tegen je keert. Als je je zaak in de eerste belangrijke uren om zeep kunt helpen, scheelt dat je later een hoop tijd en papierwerk.
    Ze sloot het gesprek af met een paar dreigementen en stuurde de man weg. ‘Stomme indiaan,’ mopperde ze toen hij buiten gehoorsafstand was.
    ‘Niet iedereen is hetzelfde, inspecteur,’ zei ik. ‘Zelfs campesinos niet.’ Ze draaide zich om en liet haar blik langzaam over me heen gaan terwijl ik me afvroeg waarom ze dat deed. Was ze vergeten hoe ik eruitzag? Maar uiteindelijk verscheen er een brede glimlach op haar gezicht. Ze mocht me echt, de idioot.
    ‘Hola, Dexter. Wat doe jij hier?’
    ‘Ik hoorde dat jij hier was en kon me gewoon niet beheersen. Alsjeblieft, inspecteur, wanneer gaan we trouwen?’
    Ze giechelde. De andere rechercheurs binnen gehoorsafstand wisselden een blik met elkaar en keken toen de andere kant op. ‘Ik koop nooit schoenen voordat ik ze heb gepast,’ zei LaGuerta. ‘Hoe goed ze er ook uitzien.’ En hoewel ik ervan overtuigd was dat ze dat meende, verklaarde het nog niet waarom ze haar tong langs haar tanden liet gaan terwijl ze het zei. ‘Ga nu maar weg. Je leidt me af. Ik heb belangrijk werk te doen.’
    ‘Dat zie ik,’ zei ik. ‘Heb je de dader al gepakt?’
    Ze snoof. ‘Je lijkt wel een reporter. Die klojo’s krijg ik zo meteen op mijn dak.’
    ‘Wat ga je tegen hen zeggen?’
    Ze keek naar het hoopje lichaamsdelen en fronste haar wenkbrauwen. Niet omdat de aanblik haar hinderde. Wat ze zag, was haar carriere, en ze probeerde te bedenken wat ze straks tegen de pers zou zeggen.
    ‘Dat het alleen een kwestie van tijd is voordat de moordenaar een fout maakt en we hem dan pakken…’
    ‘Wat inhoudt,’ zei ik, ‘dat hij tot nu toe nog geen fouten heeft gemaakt, dat je geen enkel spoor hebt en dat je moet wachten totdat hij nog een slachtoffer maakt voordat je iets kunt doen?’
    Ze bleef me even strak aankijken. ‘Fris mijn geheugen eens op. Waarom mocht ik je ook alweer?’
    Ik haalde mijn schouders op. Ik had geen idee, maar waarschijnlijk wist ze het zelf ook niet.
    ‘Wat we hebben is nada y nada. Die Guatemalteek…’ Ze wierp een vuile blik naar de weglopende indiaan. ‘… heeft het lijk gevonden toen hij het vuilnis van het restaurant buitenzette. Hij herkende de vuilniszakken niet en heeft er een opengemaakt om te zien of er iets bruikbaars in zat. En toen vond hij het hoofd.’
    ‘Kiekeboe,’ zei ik zacht.
    ‘Wat?’
    ‘Niks, laat maar.’
    Ze keek om zich heen en fronste haar wenkbrauwen, misschien in de hoop dat er ergens een aanwijzing te voorschijn zou springen en zij die kon neerschieten.
    ‘En dat is alles. Niemand heeft iets gezien of gehoord. Niks. Ik zal moeten wachten totdat jouw collega-nerds klaar zijn voordat ik meer weet.’
    ‘Inspecteur,’ zei een stem achter ons. Korpschef Matthews kwam op ons af lopen in een wolk Aramis-aftershave, wat inhield dat de pers ieder moment kon arriveren.
    ‘Hallo, commissaris,’ zei LaGuerta.
    ‘Ik heb agent Morgan gevraagd mee te werken aan het onderzoek,’ zei hij en LaGuerta kromp ineen. ‘In haar hoedanigheid van undercoveragente heeft ze bronnen binnen de prostitutiegemeenschap die kunnen bijdragen aan het vinden van een oplossing.’ De man sprak als een grammaticaboek. Hij had te veel jaren rapporten geschreven.
    ‘Commissaris, ik weet niet of dat echt nodig is,’ zei LaGuerta.
    Hij knipoogde en legde zijn hand op haar schouder. Personeelsmanagement is een kunst. ‘Ontspan je, inspecteur. Ze zal jou als leider van het onderzoek op geen enkele manier in de weg lopen. Ze neemt alleen contact met je op wanneer ze iets te melden heeft. Over getuigen en dat soort dingen. Haar vader was een verdomd goede politieman. Afgesproken?’ Zijn blik dwaalde af en werd toen gericht op iets aan de andere kant van het parkeerterrein. Ik keek en zag het busje van Channel 7 News aankomen. ‘Als jullie me willen excuseren,’ zei Matthews. Hij trok zijn das recht, plooide zijn gezicht in een serieuze uitdrukking en liep op het busje af.
    ‘Puta,’ mompelde LaGuerta.
    Ik wist niet of ze daarmee op de situatie in het algemeen of op Deb doelde, maar het leek me een goed moment om me ook uit de voeten te maken, voordat LaGuerta zich herinnerde dat agent Puta mijn zus was.
    Toen ik naar Deb toe liep, drukte Matthews de hand van Jerry Gonzalez van Channel 7. Jerry was in Miami en omgeving de autoriteit op het gebied van de ‘als het bloedt, scoort het goed’-journalistiek. Een man naar mijn hart. Alleen zou hij deze keer wel teleurgesteld worden.
    Ik voelde een lichte huivering over mijn rug lopen. Helemaal geen bloed.
    ‘Dexter,’ zei Deborah, die haar best deed om als een politievrouw te klinken, hoewel ik kon horen dat ze opgewonden was. ‘Ik heb met commissaris Matthews gepraat. Hij laat me meedoen aan het onderzoek.’
    ‘Ik heb het gehoord,’ zei ik. ‘Pas maar op.’
    Ze keek me aan. ‘Waar heb je het over?’
    ‘Over LaGuerta,’ zei ik.
    Deborah snoof. ‘O, die,’ zei ze.
    ‘Ja, die. Ze mag je niet en ze wil je niet in haar onderzoek.’
    ‘Dat is haar probleem. Ze heeft haar orders van de commissaris.’
    ‘Ja, en ze staat nu al vijf minuten zwaar te denken aan hoe ze zich daaraan kan onttrekken. Dus zorg voor goede rugdekking, Deb.’
    Ze haalde alleen haar schouders op. ‘Wat heb jij ontdekt?’ vroeg ze.
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niks. LaGuerta is het spoor al bijster, maar Vince zei…’ Ik stopte. Zelfs praten erover leek al heel prive.
    ‘Wat zei Vince?’
    ‘Een ding, Deb. Een detail. Weet je wat dat betekent?’
    ‘Niemand zal het ooit weten als jij het niet zegt, Dexter.’
    ‘Er… er schijnt geen bloed meer in het lijk te zitten. Helemaal geen bloed meer.’
    Deborah zei een minuut lang niets en dacht na. Het was geen zwijgen van ontzag, zoals ik het voelde. Ze dacht gewoon na. ‘Oke, zei ze ten slotte. ‘Ik geef het op. Wat betekent dat?’
    ‘Daar is het nog te vroeg voor,’ zei ik.
    ‘Maar je denkt wel dat het iets betekent?’
    Het betekende een merkwaardig licht gevoel in mijn hoofd. Het betekende het jeukende verlangen om meer over de moordenaar te weten te komen. Het betekende een goedkeurend gegrinnik van de Zwarte Ruiter, die zich zo kort na de dominee koest had moeten houden. Maar dat was allemaal nogal moeilijk aan Deb uit te leggen, nietwaar? Dus zei ik alleen: ‘Dat zou kunnen, Deb. Wie zal het zeggen?’
    Ze bleef me even recht aankijken en haalde toen haar schouders op. ‘Goed dan,’ zei ze. ‘Verder nog iets?’
    ‘O, ja, en niet zo weinig ook,’ zei ik. ‘Heel mooi snijwerk. Het zou bijna door een chirurg gedaan kunnen zijn. Tenzij ze iets in het motel vinden, wat niemand verwacht, is het slachtoffer ergens anders vermoord en later hier gedumpt.’
    ‘Waar?’
    ‘Een heel goede vraag. De helft van politiewerk bestaat uit het stellen van de juiste vragen.’
    ‘En de andere helft uit de antwoorden erop,’ zei ze tegen me.
    ‘Ja, nou… niemand weet nog waar, Deb. En ik heb alle forensische gegevens nog niet.’
    ‘Maar je begint al wel het juiste gevoel te krijgen?’ vroeg ze.
    Ik keek haar aan en zij keek terug. Ik had al eerder voorgevoelens gehad. Ik had zelfs een zekere reputatie op dat gebied. Mijn voorgevoelens waren vaak heel goed. En waarom zouden ze dat niet zijn? Ik weet vaak hoe moordenaars denken, want zo denk ik zelf ook. Natuurlijk had ik het niet altijd bij het juiste eind. Soms zat ik er zelfs compleet naast. Het zou trouwens niet goed zijn als ik het altijd goed had. En ik wilde niet dat de politie alle seriemoordenaars zou pakken. Wat zou er dan van mijn hobby overblijven? Maar deze… Wat was de beste manier om betrokken te blijven bij deze zo interessante zaak?
    ‘Vertel op, Dexter,’ drong Deborah aan. ‘Heb je vermoedens over deze zaak?’
    ‘Mogelijk,’ zei ik. ‘Maar daar is het nog wat vroeg voor.’
    ‘Kijk eens aan, Morgan,’ zei LaGuerta achter ons. We draaiden ons allebei om. ‘Ik zie dat je je hebt gekleed voor het echte politiewerk?’
    Er zat iets in LaGuerta’s stem wat aankwam als een klap in je gezicht. Deborah verstrakte. ‘Inspecteur,’ zei ze, ‘hebt u al iets gevonden?’ Op een toon die aangaf dat ze het antwoord al wist.
    Een aanval die doel miste. LaGuerta wuifde het weg met haar hand. ‘Ik zie alleen maar putas,’ zei ze met een strenge blik op Debs decollete, dat er in haar hoerenpakje heel prominent uitzag. ‘Alleen hoeren. Het belangrijkste op dit moment is dat we ervoor zorgen dat de pers niet te opgewonden raakt.’ Ze schudde langzaam haar hoofd alsof ze haar ogen niet kon geloven en keek toen op. ‘Met jouw behendigheid in het opheffen van de zwaartekracht moet dat te doen zijn.’ Ze knipoogde naar me en liep weg, naar de plek waar korpschef Matthews met grote waardigheid het woord richtte tot Jerry Gonzalez van Channel 7.
    ‘Rotwijf,’ zei Deborah.
    ‘Het spijt me, Deb. Wat wil je dat ik zeg? We zullen haar een poepje laten ruiken? Of moet ik me beperken tot: ik heb je toch gewaarschuwd?’
    Ze keek me boos aan. ‘Godverdomme, Dexter,’ zei ze. ‘Ik wil degene zijn die deze dader vindt, echt!’
    En toen ik nadacht over het feit dat er helemaal geen bloed was…

4

    Die avond, na het werk, ging ik een stukje varen met mijn boot. Om afstand te nemen van Debs vragen en na te gaan wat ik voelde. Voelen. Ik en voelen. Het idee alleen al.
    Ik stuurde de Whaler langzaam de vaart in en dacht aan niets, bevond me in een vredige, bijna meditatieve staat. Met een soepel gangetje voer ik langs de grote huizen, die van elkaar waren gescheiden door hoge heggen of hekken van draadgaas. Ik wekte twee boeggolven op en wierp een brede glimlach naar al mijn buren in hun tuinen, die doorliepen tot aan de waterkant. Er speelden kinderen op de keurig onderhouden gazons. Pa en ma waren aan het barbecuen, zaten in ligstoelen of poetsten het hek terwijl ze met argusogen de kinderen in de gaten hielden. Ik zwaaide naar iedereen en sommige buren zwaaiden zelfs terug. Ze kenden me, hadden me eerder voorbij zien varen, altijd opgewekt en met een hartelijk ‘hallo’ voor iedereen. Het was altijd zo’n aardige man. Altijd heel vriendelijk. Ik kan gewoon niet geloven dat hij al die vreselijke dingen heeft gedaan…
    Aan het eind van de vaart draaide ik de gashendel verder open, stuurde naar het zuidoosten en zette koers naar Cape Florida. De wind in mijn gezicht en de smaak van zout water op mijn tong hielp me mijn hoofd leeg te maken, me schoon en fris te voelen. Dit was de ideale manier om goed na te denken. Deels door de vrede en rust van het water en deels door het feit dat alle andere watersportliefhebbers — geheel volgens de beste tradities van de watersport in Miami — me probeerden te overvaren. Ik vond dat heel ontspannend. Hier voelde ik me echt thuis. Dit was mijn terrein en dit waren mijn mensen.
    Op het werk waren er gedurende de hele dag nieuwtjes over het sporenonderzoek binnengekomen. Rond lunchtijd wist het hele land van de moord. De hoerenmoorden waren het nieuws van de dag na de ‘misselijkmakende vondst’ bij het Cacique motel. Channel 7 was er op ronduit meesterlijke wijze in geslaagd de hysterie over de gruwelijke vondst van de lichaamsdelen in de container in beeld te brengen zonder er werkelijk iets over te zeggen. Zoals inspecteur LaGuerta nuchter had vastgesteld, ging het hier slechts om hoeren, maar toen door de pers de publieke druk begon toe te nemen, hadden het net zo goed de dochters van senatoren kunnen zijn. En dus had de politie zich overgegeven aan een strategie van defensieve manoeuvres, want men wist precies wat voor commentaar er uit die hoek te verwachten viel.
    Deb was op de plaats delict gebleven totdat de korpschef begon te vrezen dat er te veel overuren geschreven zouden worden en was toen naar huis gestuurd. Om twee uur ’s middags belde ze me om te vragen wat ik had ontdekt, wat heel weinig was. In het motel waren geen sporen van betekenis gevonden en op het parkeerterrein stonden zo veel bandensporen, dat geen ervan te herkennen was. Geen vingerafdrukken en sporen op de container en evenmin op de vuilniszakken en de lichaamsdelen. Alles was brand- en brandschoon.
    De enige aanwijzing van betekenis van die dag was het linkerbeen. Zoals Angel had vastgesteld, was het rechterbeen in drie keurige stukken gesneden, op de heup, de knie en de enkel. Maar het linkerbeen was dat niet. Dat was in slechts twee stukken gesneden, die later netjes waren ingepakt. Aha, had inspecteur LaGuerta, het genie, gezegd. Iemand had de moordenaar gestoord, hem verrast en aan het schrikken gemaakt waardoor hij de laatste snee niet had kunnen maken. Hij was gezien en in paniek geraakt. En ze had het hele onderzoek gericht op het vinden van die getuige.
    Er was echter een probleempje met de theorie van LaGuerta. Een detail, muggenzifterij misschien, maar… het lijk was heel zorgvuldig schoongemaakt en ingepakt nadat het in stukken was gesneden. En daarna had hij alles naar de container gebracht, heel voorzichtig en blijkbaar met voldoende tijd om geen fouten te maken en geen sporen achter te laten. Of niemand had LaGuerta hierop opmerkzaam gemaakt, of — de wonderen waren de wereld nog niet uit — was het mogelijk dat niemand op het idee was gekomen? Dat kon best, want een groot deel van politiewerk is routine en het passen van details in bestaande patronen. En als een patroon helemaal nieuw is, lijkt een onderzoek soms op drie blinde mannen die met een vergrootglas een olifant zoeken.
    Aangezien ik niet blind was en ook niet werd geplaagd door routine, kwam het me als veel waarschijnlijker voor dat de moordenaar gewoon ontevreden was geweest. Hij had tijd genoeg gehad om te doen wat hij wilde, maar dit was al de vijfde moord in hetzelfde patroon. Begon het hem te vervelen om de lijken alleen maar in stukken te hakken? Was onze vriend misschien op zoek naar iets nieuws, iets anders? Wilde hij nieuwe wegen gaan verkennen, zich op onbekend terrein begeven?
    Ik kon zijn frustratie bijna voelen. Om zover te komen, helemaal tot het eind, tot en met het in mootjes hakken van het lijk en die als cadeautjes verpakken, en dan opeens tot het besef te komen: dit is het niet. Dit is gewoon niet genoeg. Coitus interruptus.
    Het gaf hem op deze manier gewoon niet genoeg voldoening meer. Hij had behoefte aan iets anders. Hij probeerde iets uit te drukken maar had de juiste taal nog niet gevonden. In mijn persoonlijke opvatting — ik bedoel, als ik hem was — zou dit hem heel erg frustreren. En was er een grote kans dat hij verder zou gaan kijken op zoek naar een antwoord.
    Binnenkort.
    LaGuerta mocht naar haar getuige gaan zoeken. Die zou ze niet vinden. Het ging hier om een kil, berekenend monster dat voor mij uitermate fascinerend was. Maar wat ging ik daaraan doen, aan die fascinatie? Dat wist ik niet precies en daarom was ik een eindje gaan varen om daarover na te denken.
    Een Donzi schoot met honderd kilometer per uur op twintig centimeter afstand voor mijn boeg langs. Ik zwaaide hem breed lachend na en keerde terug naar het heden. Ik naderde Stiltsville, de grotendeels verlaten verzameling paalwoningen aan de kust van Cape Florida. Ik maakte een wijde bocht, zonder precies te weten waar ik naartoe wilde, en liet mijn gedachten zo’n zelfde bocht beschrijven.
    Wat moest ik doen? Ik moest dat nu beslissen, voordat ik Deborah echt ging helpen. Ik kon haar helpen deze zaak op te lossen, absoluut. Niemand kon dat beter dan ik. Er was niet eens iemand die zelfs maar in de juiste richting dacht. Maar wilde ik haar ook helpen? Wilde ik dat deze dader werd gearresteerd? Of wilde ik hem zelf opsporen en er zelf voor zorgen dat hij stopte? Of sterker nog — o, wat een tergende, verleidelijke gedachte was dat — wilde ik eigenlijk wel dat hij ophield?
    Wat moest ik doen?
    Rechts van me, in de schemering, zag ik Eliot Key. En zoals altijd dacht ik terug aan de keer dat ik daar kampeerde met Harry Morgan. Mijn stiefvader. De befaamde politieman.
    Je bent anders dan anderen, Dexter.
    Ja, Harry, dat ben ik zeker.
    Maar je kunt dat anderszijn leren beheersen en het constructief leren gebruiken.
    Oke, Harry, als jij dat zegt.
    Hoe dan?
    En hij vertelde het me.
    Er bestaat geen mooiere sterrenhemel dan die van Zuid-Florida als je veertien jaar oud bent en daar kampeert met je vader. Ook als hij alleen maar je adoptiefvader is. En zelfs als de indrukwekkende aanblik van al die sterren slechts een lichte tevredenheid in je teweegbrengt, aangezien er van emoties geen sprake kan zijn. Want je voelt het niet. Dat is een deel van de reden dat je hier bent.
    Het kampvuur is bijna gedoofd, de sterren schijnen erop los en je goede oude adoptiefvader heeft al enige tijd niets gezegd. Hij neemt kleine slokjes uit een ouderwetse heupflacon die hij uit een zijvak van zijn rugzak heeft gehaald. Hij doet dat een beetje onwennig, niet zoals de meeste andere politiemensen, want hij is niet echt een drinker. Maar de flacon is nu leeg en als hij ooit tegen me gaat zeggen wat hij heeft voorgenomen, is het daar nu het moment voor.
    ‘Je bent anders, Dexter,’ zegt hij.
    Ik maak mijn blik los van de sterren. Op de zanderige open plek werpt de laatste gloed van het vuur flauwe schaduwen om zich heen. Sommige daarvan bewegen over Harry’s gezicht. Hij kijkt me op een vreemde manier aan, met een blik die ik nog niet eerder heb gezien. Vastbesloten, ongelukkig en een beetje wezenloos. ‘Wat bedoel je, papa?’
    Hij wendt zijn blik af. ‘De Billups hebben me verteld dat Buddy is verdwenen,’ zegt hij.
    ‘Dat luidruchtige mormel. Hij blafte de hele nacht. Mama kon er niet van slapen.’
    En mama had haar slaap hard nodig. Ze leed aan kanker en had niet lang meer te leven, dus ze moest veel rusten, en dat kon ze niet als dat ellendige rothondje aan de overkant dag en nacht blafte naar elk blaadje dat van de bomen viel.
    ‘Ik heb het graf gevonden,’ zegt Harry. ‘Er zaten nog veel meer botten in, Dexter. Niet alleen die van Buddy.’
    Daar kan ik weinig op zeggen. Ik pak een handje dennennaalden, laat ze langzaam naar de grond dwarrelen en wacht tot Harry doorgaat.
    ‘Hoelang doe je dit al?’
    Ik kijk naar Harry’s gezicht en daarna gaat mijn blik over de open plek naar het strand. Onze boot ligt daar zachtjes te deinen in de branding. Helemaal rechts zijn de lichtjes van Miami, een zachte lichtgloed. Ik weet niet precies welke kant Harry op wil, wat hij wil horen. Maar mijn adoptiefvader is een direct mens, heel recht door zee, dus de waarheid is meestal de beste optie met Harry. Want of hij weet het al, of hij is van plan het uit te zoeken.
    ‘Anderhalf jaar,’ zeg ik.
    Harry knikt. ‘Waarom ben je ermee begonnen?’
    Dat is een goede vraag, zeker voor iemand van veertien. ‘Het was gewoon zoiets als… alsof ik het moest doen,’ zeg ik tegen hem. Zelfs toen al, nog zo jong maar al een gladde prater.
    ‘Hoor je een stem in je hoofd?’ wil hij weten. ‘Iets of iemand die tegen je zegt wat je moet doen, en dat je het daarom doet?’
    ‘Eh…’ zeg ik, met de welbespraaktheid van een veertienjarige. ‘Nee, niet echt.’
    ‘Vertel het me maar,’ zegt Harry.
    Ik wou dat de maan er was, die lekkere dikke ronde maan, iets groters om naar te kijken. Ik pak nog een handje dennennaalden en knijp ze fijn. Mijn gezicht gloeit alsof hij me vraagt hem over mijn seksdromen te vertellen. Wat op een bepaalde manier… ‘Ik, eh… je weet wel, voel iets,’ zeg ik. ‘Binnen in me. Iets wat me in de gaten houdt en me… eh, uitlacht, misschien? Maar het is niet echt een stem. Alleen…’ Weer een welbespraakt schouderophalen. Maar Harry schijnt te begrijpen wat ik bedoel.
    ‘En dat iets dwingt je om dingen dood te maken?’
    Hoog boven ons schuift langzaam een vliegtuig voorbij. ‘Eh… nee, het dwingt me niet,’ zeg ik. ‘Maar het zorgt er wel voor dat het een goed idee lijkt.’
    ‘Heb je ook al eens iets anders dood willen maken? Iets wat groter is dan een hond?’
    Ik probeer antwoord te geven maar er komt geen geluid uit mijn mond. Ik schraap mijn keel. ‘Ja,’ zeg ik.
    ‘Een mens?’
    ‘Niemand in het bijzonder, papa. Alleen…’ Ik haal mijn schouders weer op.
    ‘Waarom heb je het niet gedaan?’
    ‘Omdat… omdat ik dacht dat jij dat niet leuk zou vinden. Jij en mama.’
    ‘En dat heeft je ervan weerhouden?’
    ‘Eh… ja. Ik wilde niet dat je… eh, boos op me werd? Dat je… je weet wel… teleurgesteld in me zou zijn?’
    Ik kijk opzij naar Harry. Hij zit me aan te kijken, naar me te staren. ‘Zijn we daarom gaan kamperen, papa? Om hierover te praten?’
    ‘Ja,’ zegt Harry. ‘We hebben behoefte aan duidelijkheid.’
    Duidelijkheid. Ja, dat is typisch Harry, helemaal hoe hij vindt dat het leven geleefd moet worden. Duidelijkheid, overzicht en gepoetste schoenen. En zelfs toen wist ik het al, wist ik dat behoefte om af en toe iets dood te maken vroeg of laat in de weg van die duidelijkheid zou komen te staan.
    ‘Waarom?’ vraag ik, waarna hij me enige tijd recht blijft aankijken en ten slotte knikt wanneer hij ziet dat ik een en al aandacht ben.
    ‘Je bent een goeie jongen,’ zegt hij. ‘Kijk…’ Maar in plaats van door te gaan duurt het een hele tijd voordat hij weer iets zegt. Ik kijk naar de lichtjes van een schip dat ongeveer tweehonderd meter van ons strandje voorbijvaart. Boven het geronk van de motor uit hoor ik schelle Cubaanse muziek. ‘Kijk,’ zegt Harry weer, en ik kijk hem aan. Maar hij wendt zijn blik af en kijkt naar het nagloeiende vuur alsof daar de toekomst te zien is. ‘Het zit zo,’ zegt hij. Ik luister aandachtig toe. Dit zegt Harry altijd wanneer hij een waarheid van de hogere orde gaat verkondigen. Hij zei het toen hij me leerde hoe ik een boogbal moest gooien en hoe ik een bal een links effect mee moest geven. Het zit zo, zei hij toen, en dat was ook altijd zo.
    ‘Ik begin ouder te worden, Dexter.’ Hij wacht totdat ik protesteer maar als ik dat niet doe, knikt hij. ‘Ik geloof dat mensen de dingen anders begrijpen wanneer ze ouder worden,’ zegt hij. ‘Het is niet zozeer dat ze milder worden of dat ze in plaats van zwart-wit alleen nog de grijze tussengebieden zien, maar ik geloof echt dat ze de dingen anders gaan begrijpen. Beter gaan begrijpen.’ Hij kijkt me aan met zijn typische Harry-blik, blauwe ogen vol ongepolijste genegenheid.
    ‘Oke,’ zeg ik.
    ‘Tien jaar geleden zou ik je in een inrichting hebben laten opsluiten,’ zegt hij en ik knipper met mijn ogen van schrik. Ik voel me bijna gekwetst, hoewel ik er zelf ook aan heb gedacht. ‘Maar nu weet ik wel beter,’ zegt hij. ‘Ik weet hoe je bent en ik weet dat je een goeie jongen bent.’
    ‘Nee,’ zeg ik, heel zacht en zwak, maar Harry heeft het gehoord.
    ‘Jawel,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Je bent een goeie jongen, Dex, dat weet ik. Ik weet het.’ Bijna alsof hij het tegen zichzelf heeft, misschien voor het effect, en dan kijkt hij me recht aan. ‘Anders had het je niets kunnen schelen hoe ik erover dacht, of hoe mama erover dacht. Dan had je het gewoon gedaan. Je kunt er niets aan doen, dat weet ik. Omdat…’ Hij zwijgt en blijft me even aankijken. Ik begin me onbehaaglijk te voelen. ‘Wat herinner je je van vroeger?’ vraagt hij. ‘Je weet wel, van voordat je bij ons kwam?’
    Die vraag doet nog steeds pijn, hoewel ik niet precies weet waarom. Ik was pas vier. ‘Niks,’ zeg ik.
    ‘Mooi zo,’ zegt hij. ‘Niemand hoort dat soort dingen te onthouden.’ En zolang als hij zal leven is dit het enige wat hij er ooit over zal zeggen. ‘Maar ook al herinner je je niks, Dex, het heeft toch iets met je gedaan. Het heeft je gemaakt tot wat je nu bent. Ik heb er met een paar mensen over gepraat.’ En totaal onverwacht werpt hij me een half, bijna verlegen Harry-glimlachje toe. ‘Ik heb dit verwacht. Wat jou is overkomen toen je klein was, heeft je gevormd tot wat je nu bent. Ik heb geprobeerd het glad te strijken maar…’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het was te sterk en te veel. Het heeft je in een te vroeg stadium te pakken gekregen en dat krijg je er niet zomaar weer uit. Het zorgt ervoor dat je wilt moorden. En daar kun jij niets aan doen. Je kunt dat niet veranderen. Maar…’ zegt hij, en dan wendt hij zijn blik weer af, kijkt hij naar iets wat ik niet kan zien. ‘Maar je kunt het wel sturen. Je kunt het beheersen. Je kunt kiezen…’ Hij koos zijn woorden nu heel zorgvuldig, zorgvuldiger dan ik ooit had meegemaakt. ‘… kiezen wat… of wie je vermoordt.’ Daarna wierp hij me een glimlach toe die heel anders dan anders was, heel vaag en zo droog als de as van het vuur dat bijna gedoofd was. ‘Er zijn genoeg mensen die het verdienen, Dex…’
    En met die laatste woorden zou hij mijn hele leven vormgeven, alles, wie ik was en wat ik zou doen. De geweldige, scherpziende, alwetende Harry. Mijn vader.
    Als ik in staat was geweest van iemand te houden, wat zou ik dan veel van Harry hebben gehouden!
    Het was zo lang geleden. Harry was al zo lang dood. Maar zijn lessen leefden voort. Niet vanwege warme, emotionele gevoelens die ik voor hem zou hebben. Maar omdat Harry gelijk had. Ik had dat keer op keer bewezen. Harry kende me en hij had me waardevolle lessen geleerd.
    Wees voorzichtig, had Harry gezegd. En hij had me geleerd hoe ik voorzichtig moest zijn zoals alleen een politieman dat aan een moordenaar kan leren.
    Hij leerde me ook om zorgvuldig mijn slachtoffer te kiezen uit de groep van degenen die het verdienden. Om helemaal zeker van mijn zaak te zijn. Om netjes te werken. Geen sporen achter te laten. En om emotionele betrokkenheid altijd te vermijden, want die kon leiden tot het maken van fouten.
    En voorzichtig zijn ging natuurlijk veel verder dan alleen tijdens het feitelijke plegen van de moord. Voorzichtig zijn betekende ook heel zorgvuldig een leven opbouwen. Dat leven in te delen in segmenten. Er sociale contacten op na te houden. Het echte leven na te bootsen.
    Wat ik allemaal met de grootst mogelijke zorgvuldigheid had gedaan. Ik was een bijna volmaakt hologram. Boven verdenking verheven, onberispelijk en nietsontziend. Een keurig en beleefd monster, de ideale schoonzoon. Zelfs Deborah trapte er regelmatig in, in ieder geval wat sommige dingen betrof. Maar natuurlijk geloofde ook zij wat ze wilde geloven.
    En nu geloofde ze dat ik haar kon helpen deze moorden op te lossen en haar carriere bij de politie een zetje in de goede richting te geven zodat ze haar sekspoezenpakje kon inruilen voor een keurig mantelpakje. En ze had natuurlijk gelijk. Ik kon haar helpen. Maar eigenlijk wilde ik dat niet, want ik vond het best leuk om een andere seriemoordenaar aan het werk te zien, en bovendien was er sprake van een zekere esthetische overeenkomst, en van…
    Emotionele betrokkenheid.
    Kijk, daar had je het. Ik was duidelijk in overtreding van de wet van Harry.
    Ik stuurde mijn boot terug naar de vaart die naar mijn huis leidde. Het was inmiddels aardedonker maar ik navigeerde op de radar en stuurde een paar graden naar links, naar de vertrouwde wateren.
    Het was niet anders. Harry had altijd gelijk gehad en hij had ook nu gelijk. Vermijd emotionele betrokkenheid, had hij gezegd. Dus dat zou ik doen.
    Ik zou Deb gaan helpen.

5

    De volgende ochtend regende het en was het verkeer een enorme puinhoop, zoals het dat in Miami altijd is wanneer het regent. Sommige automobilisten reden langzamer dan anders omdat de wegen nat waren. Dat maakte de andere heel erg boos, en ze drukten op hun claxon, schreeuwden verwensingen uit hun open raampje, schoten de vluchtstrook op en werkten zich slippend en schuddend met hun gebalde vuist langs de auto’s die de zaak ophielden.
    Bij de oprit naar LeJeune had een grote zuiveltruck nogal slordig in gevoegd en een busje met kinderen van een katholieke school geraakt. De zuiveltruck was omgeslagen. En nu zaten vijf meisjes in geruite wollen rokjes en met een verdwaasde uitdrukking op hun gezichtje in een reusachtige plas melk.
    Het verkeer werd bijna een uur opgehouden. Een van de meisjes werd per helikopter naar het Jackson Hospital afgevoerd. De andere zaten in hun uniformpje in de melk en keken wezenloos toe terwijl de volwassenen elkaar de huid vol scholden.
    Ik reed er met een slakkengang voorbij en luisterde ondertussen naar de radio. Zo te horen was de politie de ‘Tamiami Butcher’ op het spoor. Er werden geen feiten gegeven maar korpschef Matthews had een mooi verhaal in elkaar gedraaid. Hij deed het voorkomen alsof hij persoonlijk de arrestatie ging verrichten zodra hij zijn koffie op had.
    Na een tijdje kon ik de snelweg verlaten en schoot ik iets sneller op. Ik maakte een tussenstop bij een donutshop niet ver van het vliegveld, waar ik een donut en een appelpunt kocht. Maar ik had de appelpunt al bijna op voordat ik weer in de auto stapte. Ik heb een heel snelle stofwisseling. Die hoort waarschijnlijk bij het goede leven dat ik leid.
    Tegen de tijd dat ik op mijn werk aankwam, regende het niet meer. De zon scheen en er steeg stoom op van het wegdek toen ik achteromkeek voordat ik de grote hal in liep, mijn legitimatie liet zien en de trap naar boven nam.
    Deb zat al op me te wachten.
    Ze zag er deze ochtend niet erg blij uit. Nu ziet ze er de laatste tijd zelden blij uit. Ze zit tenslotte bij de politie en het merendeel van de mensen kan het werk niet aan. Veel te lange diensten tijdens welke ze hun best moeten doen er niet menselijk uit te zien. Die uitdrukking blijft in hun gezicht gegrift staan.
    ‘Hallo, Deb,’ zei ik terwijl ik de papieren zak met de donut op mijn bureau legde.
    ‘Waar was je gisteravond?’ vroeg ze. Ze was boos, zoals ik had verwacht. Als ze zo doorging, zouden die groeven permanent in haar voorhoofd blijven staan en haar mooie gezicht ruineren: haar diepblauwe ogen, zo sprekend en intelligent, haar wipneusje met een paar sproetjes aan weerszijden, het geheel omlijst door haar zwarte haar. Haar mooie gelaatstrekken die op dat moment dicht waren geplamuurd met een kilo goedkope make-up.
    Ik wierp haar een liefdevolle blik toe. Het was duidelijk dat ze van haar werk kwam, want ze was gekleed in een kanten beha, een felroze spandex broekje en gouden pumps met heel hoge hakken. ‘Dat maakt niet uit,’ zei ik. ‘Waar was jij?’
    Ze begon te blozen. Ze vond het zo vreselijk om gekleed te gaan in iets anders dan frisgewassen denim. ‘Ik heb je gebeld,’ zei ze.
    ‘Het spijt me,’ zei ik.
    ‘Ja, dat zal best.’
    Ik ging achter mijn bureau zitten en zei niets. Deb reageerde zich graag op me af. Daar was familie toch voor? ‘Waar had je me zo dringend voor nodig?’ vroeg ik.
    ‘Ze sluiten me buiten,’ zei ze terwijl ze de papieren zak openmaakte en erin keek.
    ‘Wat had je dan verwacht?’ vroeg ik. ‘Je weet hoe LaGuerta over je denkt.’
    Ze haalde de donut uit de zak en propte die in haar mond.
    ‘Ik verwacht,’ zei ze met haar mond vol, ‘dat ik aan de zaak kan meewerken, zoals Matthews heeft gezegd.’
    ‘Je hebt geen ervaring,’ zei ik. ‘En de politieke handigheid mis je eveneens.’
    Ze maakte een prop van de zak en gooide die naar mijn hoofd. Ze miste. ‘Verdomme, Dexter,’ zei ze. ‘Je weet verdomd goed dat ik het verdien om bij Moordzaken te werken. In plaats van…’ Ze trok aan het schouderbandje van haar beha, liet het terugspringen en maakte een wuivend handgebaar naar haar minimale outfit. ‘… deze onzin.’
    Ik knikte. ‘Hoewel het je best goed staat,’ zei ik.
    Ze trok een lelijk gezicht waarbij woede en afkeer om voorrang vochten. ‘Ik vind dit zo erg,’ zei ze. ‘Als ik dit nog veel langer moet doen, word ik hartstikke gek. Ik zweer het je.’
    ‘Het is nog te vroeg voor me om met ideeen over de zaak te komen, Deb.’
    ‘Shit,’ zei ze. Je kon veel zeggen over politiewerk, maar het kwam Deborahs woordenschat in ieder geval niet ten goede. Ze wierp me een kille, harde smerissenblik toe, die ik nog niet eerder van haar had gezien. Dit was Harry’s blik, dezelfde ogen en hetzelfde gevoel alsof ze dwars door je heen tot op de kern van de waarheid keken. ‘Lul niet, Dexter,’ zei ze. ‘Het enige wat jij meestal hoeft te doen is naar het lijk kijken en dan weet je wie het gedaan heeft. Ik heb je nooit gevraagd hoe je dat doet, maar als je in deze zaak vermoedens hebt, welke dat ook zijn, wil ik die horen.’ Ze gaf een schop tegen mijn bureau en liet een deuk in het plaatstaal achter. ‘Godverdomme, ik wil deze stomme outfit uittrekken.’
    ‘En dat willen we allemaal graag zien, Morgan,’ zei een zware, onechte stem vanuit de deuropening. Ik keek op. Vince Masuoka stond naar ons te glimlachen.
    ‘Je zou niet eens weten wat je dan moest doen, Vince,’ zei Deb tegen hem.
    Zijn glimlach, die onechte uit het handboek, werd breder. ‘Misschien kunnen we het uitproberen?’
    ‘In je dromen, Vince,’ zei Debbie, en ze trok een pruillip die ik niet meer van haar had gezien sinds ze twaalf was.
    Vince knikte naar de prop papier op mijn bureau. ‘O ja, het was jouw beurt vandaag. Wat heb je voor me meegebracht? Waar is het?’
    ‘Sorry, Vince,’ zei ik, ‘Debbie heeft je donut opgegeten.’
    ‘Mooi zo,’ zei hij, met zijn scherpe nepsarcasme. ‘Dan mag ik een hap van haar kadetjes nemen. Je bent me een donut schuldig, Dex, een grote.’ ‘De enige grote die jij ooit zult krijgen,’ zei Deborah.
    ‘Het gaat niet om het formaat van de donut, maar om het meesterschap van de bakker,’ zei Vince tegen haar.
    ‘Alsjeblieft,’ zei ik. ‘Ik krijg pijn in mijn frontale hersenkwab van jullie. Het is veel te vroeg voor dat soort snedigheden.’
    ‘Ha, ha,’ zei Vince met zijn afschuwelijke neplach. ‘Ha, ha. Ha, ha. Ik zie jullie straks wel. En denk aan mijn donut.’ Hij liep weg naar zijn werkplek verderop in de gang.
    ‘En, wat heb je uitgeknobbeld?’ vroeg Deb me.
    Deb geloofde dat ik af en toe ingevingen had. En ze had ook een goede reden om dat te geloven. Mijn geinspireerde ingevingen hadden meestal te maken met gewelddadige gestoorden die om de zoveel tijd voor hun plezier een of andere arme sloeber in mootjes hakten. Het was diverse keren gebeurd dat ik snel en zonder aarzelen de vinger had gelegd op iets waarvan de anderen het bestaan niet eens kenden. Ze had er nooit iets van gezegd, maar mijn zus is een verdomd goeie smeris en dus verdacht ze me al een tijdje van iets wat niet helemaal klopte. Ze wist niet wat het was maar wel dat er iets niet klopte en dat zat haar af en toe heel erg dwars, want tenslotte houdt ze van me. Ze is het enige levende wezen op deze aarde dat van me houdt. Dit is geen zelfbeklag maar doodgewone, nuchtere zelfkennis. Ik was onbeminbaar. Toen ik Harry’s plan volgde, had ik geprobeerd mezelf in te laten met andere mensen, met relaties, en zelfs — op mijn meest naieve momenten — met de liefde. Maar dat werkt niet. Er is iets in me gebroken, of er ontbreekt iets, en vroeg of laat ontdekt de andere persoon dat ik toneelspeel of dat er enge dingen te gebeuren staan.
    Ik kan zelfs geen huisdieren houden. Dieren haten me. Ik had een keer een hond gekocht maar die heeft alleen maar naar me zitten blaffen en grommen, alleen naar mij, onophoudelijk, twee dagen lang, totdat ik hem weer heb moeten wegdoen. Daarna heb ik een schildpad geprobeerd. De eerste de beste keer dat ik hem aanraakte, trok hij zijn kop terug onder zijn schild, heeft hij nooit meer naar buiten gekeken en een paar dagen later was hij dood. Hij verkoos de dood boven een aanblik of aanraking van mij.
    Niets of niemand houdt van me en dat zal ook nooit gebeuren. Zelfs — of vooral — ikzelf niet. Ik weet wat ik ben en dat is niet iets om van te houden. Ik ben alleen op de wereld, moederziel alleen, afgezien van Deborah. En afgezien, natuurlijk, van het ding binnen in me, dat niet al te vaak tevoorschijn komt om te spelen. En als het tevoorschijn komt, is dat niet om met mij te spelen maar met iemand anders.
    En daarom geef ik om haar, mijn lieve Deborah, zoveel als ik kan. Het is niet echt dat ik van haar hou, maar ik zie toch het liefst dat ze gelukkig is.
    En daar zat ze dan, mijn lieve Deborah, zichtbaar ongelukkig. Mijn enige familie. Ze zat me aan te staren en wist niet wat ze moest zeggen, maar ze was dichter bij het punt om iets te zeggen dan ooit tevoren.
    ‘Nou,’ zei ik, ‘eigenlijk…’
    ‘Zie je wel! Je hebt iets ontdekt!’
    ‘Verstoor mijn concentratie niet, Deborah. Ik ben in contact met mijn spirituele schemerwereld.’
    ‘Vertel op,’ zei ze.
    ‘Het gaat om de ontbrekende snede, Deb. In het linkerbeen.’
    ‘Wat is daarmee?’
    ‘LaGuerta denkt dat de moordenaar is betrapt. Dat hij nerveus is geworden en zijn werk niet heeft afgemaakt.’
    Deborah knikte. ‘Ze heeft me gisteravond aan de hoeren laten vragen of die iets hadden gezien. Iemand moet iets gezien hebben.’
    ‘O nee, begin jij ook al?’ zei ik. ‘Denk na, Deborah. Als hij werd betrapt en zijn werk niet kon afmaken…’
    ‘De vuilniszakken,’ riep ze. ‘Hij heeft ruim de tijd genomen om het lijk schoon te maken en in te pakken.’ Ze keek verbaasd. ‘Shit, nadat hij was betrapt?’
    Ik keek haar stralend aan en applaudisseerde. ‘Bravo, Miss Marple.’
    ‘Maar dan slaat dat plotselinge afbreken nergens op.’
    ‘Au contraire. Hij heeft voldoende tijd maar het ritueel wordt niet op passende wijze voltooid. En vergeet niet, Deb, dat het ritueel het allerbelangrijkste voor hem is. Wat maak je daaruit op?’
    ‘Jezus christus, waarom vertel je me dat niet gewoon?’ snauwde ze.
    ‘Wat is daar voor lol aan?’
    Ze slaakte een geergerde zucht. ‘Godallemachtig! Goed dan, Dex. Als hij niet werd gestoord maar zijn werk niet heeft afgemaakt… shit. Was het inpakken voor hem belangrijker dan het in stukken snijden?’
    Ik keek haar teleurgesteld aan. ‘Nee, Deb. Denk na. Dit is het vijfde slachtoffer en hij doet precies hetzelfde met het lijk als met de vier vorige. Vier linkerbenen zijn perfect in drieen gesneden. En nu, met nummer vijf…’ Ik haalde mijn schouders op en keek haar met een opgetrokken wenkbrauw aan.
    ‘Ach, stik, Dexter. Hoe moet ik dat weten? Misschien waren vier linkerbenen genoeg voor hem. Misschien… ik weet het niet, echt niet. Ik zweer het. Wat is het?’
    Ik glimlachte en schudde mijn hoofd. Voor mij was het zo klaar als een klontje. ‘De kick is verdwenen, Deb. Het is gewoon niet genoeg meer voor hem. Het werkt niet meer. Een essentieel onderdeeltje van de betovering die de daad perfect moet maken, is er gewoon niet meer.’
    ‘En er wordt van mij verwacht dat ik daaraan denk?’
    ‘Iemand had eraan moeten denken, Deb, geloof je ook niet? En dus komt hij min of meer pruttelend tot stilstand, zoekt hij naar inspiratie maar hij vindt die niet.’
    Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Dus hij is klaar? Hij zal het niet meer doen?’
    Ik begon te lachen. ‘O mijn god, nee, Deb. Eerder het tegenovergestelde. Als jij religieus was en je geloofde echt in God, maar je kon niet de juiste manier bedenken om Hem te vereren, wat zou je dan doen?’
    ‘Het blijven proberen,’ zei ze, ‘totdat ik de juiste manier had gevonden.’ Ze keek me strak aan. ‘Jezus, is dat echt wat je denkt? Dat hij binnenkort weer gaat toeslaan?’
    ‘Het is maar een voorgevoel,’ zei ik bescheiden. ‘Ik kan ernaast zitten.’ Maar ik wist zeker dat dat niet zo was.
    ‘Dus we moeten een manier bedenken om hem te betrappen wanneer hij dat doet,’ zei ze. ‘En niet zoeken naar een getuige die niet bestaat.’ Ze stond op en liep naar de deur. ‘Ik bel je. Dag!’ En weg was ze.
    Ik porde met mijn wijsvinger in de witte papieren zak. Er zat niets meer in. De zak was net zoals ik: een schoon, knisperend omhulsel met helemaal niets erin.
    Ik pakte de prop en gooide die in de prullenmand naast mijn bureau. Ik had deze ochtend werk te doen. Echt officieel gerechtelijk labwerk. Ik moest een lang rapport schrijven, de bijbehorende foto’s uitzoeken en bewijs aan het dossier toevoegen. Het was routinewerk, een dubbele moord die waarschijnlijk nooit voor de rechter zou komen, maar ik ben er graag zeker van dat alles wat in mijn handen komt, keurig georganiseerd wordt opgeborgen.
    Bovendien was dit wel een interessante zaak. Het bloedspatpatroon was heel moeilijk te lezen want er was sprake van slagaderlijke bloedingen, twee slachtoffers die zo te zien in het rond hadden gelopen en een zijwaarts spatpatroon dat bijna zeker door een kettingzaag was veroorzaakt, zodat het praktisch onmogelijk was om vast te stellen waar de dader had gestaan. Om de hele kamer te doen had ik gebruik moeten maken van twee flessen Luminol, de chemische stof die zelfs de kleinste bloedspatjes zichtbaar maakt en die met twaalf dollar per fles uiterst duur is.
    Om vast te stellen uit welke hoek het bloed op de vloer en de muren was gespat, had ik zelfs touwtjes door de kamer moeten spannen, een techniek zo oud dat die aan alchemie deed denken. De spatpatronen waren indrukwekkend, wild en levendig, en ze zaten overal: op de muren, het meubilair, de tv, de handdoeken, de beddensprei, de gordijnen… een verbijsterende orgie van rondvliegend bloed. Zelfs in Miami zou je toch denken dat iemand iets gehoord moest hebben. Twee mensen waren levend in stukken gezaagd met een kettingzaag, in een mooie, dure hotelkamer, en de buren hadden gewoon het geluid van de tv wat harder gezet.
    U zult misschien zeggen dat de brave, toegewijde Dexter zich laat meeslepen door zijn werk, maar ik hou nu eenmaal van een grondige aanpak en wil weten waar alle bloed zich heeft verstopt. De beroepsmatige redenen hiervoor liggen voor de hand, maar die zijn toch minder belangrijk dan de persoonlijke redenen. Misschien zal een door justitie toegewezen psychiater me ooit helpen vast te stellen waarom dat precies is.
    Hoe dan ook, de lichaamsdelen waren helemaal koud tegen de tijd dat we op de plaats delict arriveerden en het was uiterst onwaarschijnlijk dat we de dader ooit zouden vinden. Die was rechtshandig, te zwaar, had een vreselijk slechte backhand en hij had handgemaakte Italiaanse schoenen maat 401/2 aangehad.
    Maar ik had al het bloed gevonden en een heel knap staaltje werk geleverd. Het is niet mijn taak om de slechteriken te pakken. Waarom zou ik dat willen? Nee, ik doe mijn werk om orde te scheppen in de chaos. Om die akelige bloedspatten te dwingen zich netjes te gedragen en dan zelf naar huis te gaan. Anderen mogen mijn werk gebruiken om de daders te pakken. Dat vind ik best, maar het maakt me niet echt uit of ze dat wel of niet doen.
    Als ik ooit zo onvoorzichtig ben dat ik word gepakt, zullen ze van me zeggen dat ik een psychopathisch monster ben, een doodzieke, gestoorde duivel die geen enkele menselijke trek heeft, en het is heel waarschijnlijk dat ze me met een zelfingenomen glimlach naar de elektrische stoel zullen sturen. Als ze maat 401/2 ooit pakken, zullen ze van hem zeggen dat hij een ontspoord mens is, bezweken onder de sociale druk die hij jammer genoeg niet aankon, waarna ze hem voor tien jaar naar de gevangenis zullen sturen en hem dan weer vrijlaten met genoeg geld voor een pak en een nieuwe kettingzaag.
    Na elke dag op mijn werk begrijp ik Harry iets beter.

6

    Vrijdagavond. Uitgaansavond in Miami. En geloof het of niet, ook uitgaansavond voor Dexter. Hoe vreemd het ook mag lijken, ik had iemand gevonden. He? Wat? De innerlijk morsdode Dexter ging uit met argeloze meisjes? Eenzijdige necrofiele seks? Ging mijn imitatie van het echte leven zover dat ik orgasmen fingeerde?
    Rustig maar. Er kwam geen seks aan te pas. Na jarenlang beschamend gewriemel en zinloze pogingen om normaal te lijken had ik eindelijk de perfecte vriendin gevonden.
    Rita was bijna net zo ernstig beschadigd als ik. Ze was veel te jong getrouwd en had tien jaar lang geknokt om er iets van te maken voor zichzelf en haar twee kinderen. Haar charmante levensgezel had een paar probleempjes. Eerst drank, toen heroine en ten slotte — geloof het of niet — crack. En hij sloeg haar, de bruut. Hij maakte het meubilair kapot, schreeuwde, gooide dingen naar haar en bedreigde haar. En hij verkrachtte haar ook. Besmette haar met diverse nare ziektes die crackgebruik met zich meebrengt. Dit gebeurde allemaal regelmatig en Rita verdroeg het, deed haar uiterste best en bleef hem zelfs trouw toen hij twee keer in de gevangenis zat. Toen, op een avond, wilde hij zich aan de kinderen vergrijpen en dat was het moment waarop Rita er genoeg van had.
    Haar gezicht was al lang geheeld, natuurlijk. En gebroken armen en ribben zijn voor de artsen in Miami dagelijkse kost. Rita was weer heel aantrekkelijk en dat was precies wat het monster nodig had.
    De scheiding was definitief, de bruut werd opgesloten, maar toen? Ah, de menselijke geest is vol mysteries. Om de een of andere reden besloot de lieve Rita dat het weer tijd was om uit te gaan. Ze was ervan overtuigd dat dat het juiste was, maar als gevolg van de talloze afranselingen van de man die ze had liefgehad, was ze absoluut niet geinteresseerd in seks. Alleen in een beetje mannelijk gezelschap, af en toe.
    Ze was op zoek gegaan naar de juiste man, iemand die gevoelig en zachtaardig was en die bereid was te wachten. Wat natuurlijk niet eenvoudig was. Ze was op zoek naar een soort denkbeeldige man die het belangrijker vond dat hij iemand had om mee te praten of mee naar de bioscoop te gaan dan dat hij behoefte had aan seks, want daar was ze nog niet helemaal klaar voor.
    Zei ik ‘denkbeeldige man’? Ja, dat zei ik. Want menselijke mannen zijn niet zo. De meeste vrouwen weten dat wel voordat ze twee kinderen hebben en aan hun eerste scheiding toe zijn. Maar arme Rita was gewoon veel te jong getrouwd en zodoende was deze waardevolle les aan haar voorbijgegaan. Dus als bijproduct van het herstel van haar afschuwelijke huwelijk, en in plaats van het besef dat alle mannen beesten waren, had Rita voor zichzelf het romantische beeld gecreeerd van de perfecte heer die geduldig zou wachten totdat zij zich heel langzaam, als een bloem, voor hem zou openen.
    Ja, echt. Nou, misschien heeft zo’n man ooit bestaan in het Victoriaanse Engeland, waar ze op elke straathoek een bordeel hadden waar hij stoom kon afblazen tussen de demonstraties van zijn belangeloze liefde door, maar bij mijn weten niet in het Miami van de 21e eeuw.
    Desondanks was ik in staat al dat soort dingen perfect te imiteren. En ik was daar ook toe bereid. Ik had geen interesse in een seksuele relatie. Wat ik wilde was een vermomming, dus was Rita de perfecte vrouw voor mij.
    Ze was, zoals ik al zei, heel aantrekkelijk. Klein van stuk en met een slank, strak atletisch figuurtje, kort blond haar en blauwe ogen. Ze was een fitnessfanaat die al haar vrije uren besteedde aan joggen, fietsen en nog veel meer. Ons in het zweet werken was een van onze favoriete gezamenlijke bezigheden. We hadden al door de Everglades gefietst, veldlopen van vijf kilometer gedaan en zelfs samen met gewichten getraind.
    En het beste van alles waren haar twee kinderen. Astor was acht en Cody was vijf en ze waren allebei veel te stil. Wat natuurlijk niet zo vreemd was. Kinderen van ouders die elkaar regelmatig naar het leven staan, hebben de neiging zich wat op de achtergrond te houden. Ieder kind dat in een oorlogsgebied opgroeit doet dat. Maar ze kunnen zich daar uiteindelijk overheen zetten… kijk maar naar mij. Ik had in mijn kindertijd talloze onbekende gruwelen moeten doorstaan maar desondanks was het me gelukt een oppassend burger te worden, een hoeksteen van de samenleving.
    Misschien maakte dat deel uit van de merkwaardige genegenheid die ik voor Cody en Astor voelde. Want ik mocht die twee echt, hoewel ik daar zelf niets van begreep. Ik weet wat ik ben en ik begrijp veel dingen over mezelf. Maar een van de weinige karaktertrekken die me oprecht verbaast, is de genegenheid die ik jegens kinderen voel.
    Ik vind kinderen leuk.
    Ze zijn belangrijk voor me. Ze doen ertoe.
    Ik begrijp dat niet echt. Normaliter zou het me geen zier kunnen schelen wanneer alle menselijke wezens opeens van de aardbodem verdwenen, mogelijk met uitzondering van mezelf en misschien Deborah. Andere mensen zijn minder belangrijk voor me dan mijn tuinmeubilair. Ik beschik niet, zoals psychiaters dat zo welbespraakt formuleren, over enig inlevingsgevoel jegens anderen. En dit besef bezwaart me niet in het minst.
    Maar kinderen… met kinderen is het gewoon anders.
    Ik ging nu bijna anderhalf jaar met Rita om en gedurende die tijd had ik Astor en Cody langzaam maar zeker voor me gewonnen. Ik was oke. Ik zou hun geen kwaad doen. Ik onthield wanneer ze jarig waren, wanneer ze hun rapport kregen en wanneer ze vakantie hadden. Ik mocht hun huis binnen komen en zou hun geen kwaad doen. Ze konden me vertrouwen.
    Ironisch maar waar.
    Ik: de enige man die ze konden vertrouwen. Rita dacht dat het deel uitmaakte van mijn lange, ongehaaste hofmakerij jegens haar. Dat ik haar wilde laten zien dat de kinderen me mochten om een stap dichter bij haar te komen. Maar de werkelijkheid was dat de kinderen meer voor me betekenden dan zij. Het was misschien al te laat, maar ik wilde gewoon niet dat ze later net zo zouden worden als ik.
    Op deze vrijdagavond deed Astor de deur voor me open. Ze had een groot T-shirt aan met de woorden rug rats erop, dat tot over haar knieen reikte. Ze had twee staartjes in haar rode haar en ze had nagenoeg geen uitdrukking op haar kleine, verstilde gezichtje.
    ‘Hallo, Dexter,’ zei ze op haar veel te stille manier. Voor haar waren twee woorden een lang gesprek.
    ‘Goedenavond, beeldschone jongedame,’ zei ik met mijn best mogelijke Lord Mountbatten-stem. ‘Mag ik vaststellen dat u er vanavond oogverblindend uitziet?’
    ‘Mij best,’ zei ze terwijl ze de deur voor me openhield. ‘Hij is er,’ riep ze achterom naar de schemerige woonkamer.
    Ik liep langs haar heen. Cody stond niet ver achter haar, in de gang, alsof hij haar rugdekking bood, voor het geval dat nodig was. ‘Cody,’ zei ik, en ik gaf hem een rol Necco Wafers. Hij pakte hem aan zonder me uit het oog te verliezen en liet zijn hand langs zijn zij zakken zonder naar het snoepgoed te kijken. Hij zou dat pas doen als ik weg was en dan zou hij het snoep met zijn zusje delen.
    ‘Dexter?’ riep Rita vanuit de slaapkamer.
    ‘Ik ben hier,’ zei ik. ‘Kun je je kinderen niet eens wat manieren bijbrengen?’
    ‘Nee, dat kan ze niet,’ zei Cody zacht.
    Hij maakte een grapje. Ik staarde hem aan. En wat nu? Zou hij vandaag gaan zingen? Tapdansen op het tuinpad? Het congres van de Democraten toespreken?
    Rita kwam de woonkamer in terwijl ze een grote oorring vastmaakte. Voor haar doen was ze nogal provocatief gekleed in een praktisch gewichtloos lichtblauw zijden jurkje dat tot halverwege haar dijbenen viel, en daaronder natuurlijk haar allerbeste New Balance-loopschoenen. Ik had nog nooit een vrouw ontmoet, of zelfs maar horen praten over een vrouw, die voor een avondje uit echt sportschoenen aantrok. Een verfrissend wezen, die Rita.
    ‘He, knappe man,’ zei ze. ‘Ik moet even met de oppas praten en dan kunnen we gaan.’ Ze liep de keuken in en ik hoorde haar instructies geven aan het buurmeisje dat altijd op de kinderen paste. Hoe laat ze naar bed moesten. Huiswerk. Wat ze wel en niet op tv mochten zien. Het nummer van haar mobiele telefoon. Alarmnummers. Wat ze moest doen in geval van onverhoopte vergiftiging of afgehouwen ledematen.
    Cody en Astor staarden me aan.
    ‘Gaan jullie naar de film?’ vroeg Astor aan mij.
    Ik knikte. ‘Als we er een kunnen vinden waarbij we niet hoeven over te geven.’
    ‘Gatver,’ zei Astor. Ze trok een vies gezichtje en ik voelde een warme tevredenheid omdat ik weer een piepklein stapje dichter bij haar was gekomen.
    ‘Geven jullie over tijdens films?’ vroeg Cody.
    ‘Cody,’ zei Astor.
    ‘Nou?’ drong hij aan.
    ‘Nee,’ zei ik, ‘maar ik zou het soms wel willen.’
    ‘Kom op, we gaan,’ zei Rita, die de kamer binnen kwam en zich vooroverboog om beide kinderen een kusje op de wang te geven. ‘Naar Alice luisteren, he. Om negen uur naar bed.’
    ‘Kom je terug?’ vroeg Cody.
    ‘Cody! Natuurlijk kom ik terug,’ zei Rita.
    ‘Ik bedoel Dexter,’ zei Cody.
    ‘Dan slaap jij al,’ zei ik. ‘Maar ik zal naar je zwaaien, oke?’
    ‘Dan slaap ik nog niet,’ zei hij grimmig.
    ‘Oke, dan kom ik bij je langs en gaan we een potje kaarten,’ zei ik.
    ‘Echt?’
    ‘Zeker weten. Poker, zonder inzetlimiet. De winnaar krijgt alles.’
    ‘Dexter!’ riep Rita, maar ze glimlachte erbij. ‘Dan slaap jij allang, Cody. Nou, welterusten, kinderen. Wees lief voor Alice.’ En ze nam me bij de arm en stuurde me de deur uit. ‘Ongelooflijk,’ fluisterde ze. ‘Die twee eten uit je hand.’
    De film was niet bijzonder. Ik hoefde er niet van over te geven maar ik was hem alweer vergeten tegen de tijd dat we voor een cafeetje op South Beach stopten voor een afzakkertje. Dat was Rita’s idee. Hoewel ze het grootste deel van haar leven in Miami had gewoond, dacht ze nog steeds dat South Beach over glamour beschikte. Misschien kwam het door al die rolschaatsers. Of misschien dacht ze dat een tent die zo vol zat met slechtgemanierde mensen wel glamour moest hebben.
    Hoe dan ook, we wachtten twintig minuten op een tafeltje en daarna nog eens twintig minuten tot iemand ons kwam bedienen. Het maakte me niet uit. Ik vermaakte me kostelijk met het kijken naar al die goed uitziende idioten die elkaar kwamen bekijken. Een kijkfestijn zonder weerga.
    Naderhand wandelden we over Ocean Boulevard en praatten we over onbenulligheden, een kunst die ik tot in de puntjes beheers. Het was een heerlijke avond. Er was een randje geknaagd van de volle maan van een paar avonden geleden, toen ik me met dominee Donovan had vermaakt.
    En toen we na ons standaard avondje uit terugreden naar Rita’s huis in South Miami en over een kruising in een van de minder vriendelijke delen van Coconut Grove reden, werd mijn aandacht getrokken door rode knipperende lichten in een zijstraat. Een plaats delict, al afgezet met gele tape en een paar patrouillewagens in een slordig groepje ernaast.
    Hij heeft weer toegeslagen, dacht ik en voordat ik wist wat ik daar precies mee bedoelde, was ik de straat naar de plaats delict in gereden.
    ‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg Rita, wat een redelijke vraag was.
    ‘Eh…,’ zei ik. ‘Ik moet even gaan kijken of ze me daar nodig hebben.’
    ‘Heb je geen pieper?’
    Ik wierp haar mijn beste vrijdagavondglimlach toe. ‘Ja, maar ze weten niet altijd dat ze me nodig hebben,’ zei ik.
    Ik zou er waarschijnlijk toch langs zijn gereden, al was het alleen maar om met Rita te pronken. Het belangrijkste van het dragen van een vermomming was namelijk dat die ook werd gezien. Maar in werkelijkheid was het dat onweerstaanbare, fluisterende stemmetje in mijn oor dat ervoor zorgde dat ik er hoe dan ook naartoe gereden zou zijn. Hij had weer toegeslagen. En ik moest zien waartoe hij in staat was. Ik liet Rita in de auto wachten en haastte me naar de plaats delict om te kijken.
    Hij was weer flink bezig geweest, de schavuit. Dezelfde berg keurig ingepakte lichaamsdelen. Angel Batista stond eroverheen gebogen in bijna dezelfde houding waarin ik hem op de vorige plaats delict had gezien.
    ‘Hijo de puta,’ zei hij toen ik bij hem aankwam.
    ‘Ik niet, geloof me,’ zei ik.
    ‘Iedereen loopt te klagen dat ze op vrijdagavond moeten werken,’ zei Angel, ‘en jij komt met je verloofde aanzetten. Maar er is weer niks voor je te doen.’
    ‘Dezelfde man, hetzelfde patroon?’
    ‘Ja,’ zei hij en hij schoof het plastic weg met zijn pen. ‘Weer kurkdroog,’ zei hij. ‘Helemaal geen bloed.’
    De opmerking veroorzaakte een licht gevoel in mijn hoofd. Ik boog me voorover om te kijken. Opnieuw waren de ledematen verbazingwekkend schoon en droog. Ze hadden een bijna lichtblauwe tint en leken speciaal bewaard te zijn om op dit moment in de tijd getoond te worden. Prachtig gewoon.
    ‘Een paar kleine verschillen in de sneden deze keer,’ zei Angel. ‘Op vier plaatsen.’ Hij wees. ‘Hier. Heel ruw, bijna emotioneel. Daar, een stuk minder. En daar en daar, ertussenin. Zie je?’
    ‘Heel mooi,’ zei ik.
    ‘En moet je dit zien,’ zei hij en hij duwde met de punt van zijn pen een bloedeloze homp vlees opzij. Daaronder zat iets wits. Het vlees was heel zorgvuldig weggesneden, in de lengterichting, tot er een schoon stuk bot te zien was.
    ‘Waarom zou hij dat hebben gedaan?’ vroeg Angel zacht.
    Ik haalde diep adem. ‘Hij experimenteert,’ zei ik. ‘Hij zoekt naar een nieuwe aanpak.’ En ik staarde naar het keurig afgesneden droge stuk vlees totdat ik me bewust werd dat Angel me aandachtig zat op te nemen.
    ‘Als een kind dat met zijn eten speelt,’ beschreef ik het aan Rita toen ik weer in de auto zat.
    ‘Mijn god,’ zei Rita. ‘Dit is verschrikkelijk.’
    ‘Ik geloof dat “gruwelijk” het juiste woord is,’ zei ik.
    ‘Hoe kun je daar grapjes over maken, Dexter?’
    Ik schonk haar een geruststellende glimlach. ‘Je raakt er min of meer aan gewend in mijn werk,’ zei ik. ‘We maken allemaal grapjes om onze afschuw te camoufleren.’
    ‘Nou, goeie god, ik hoop dat ze die gek snel pakken.’
    Ik dacht aan de keurig afgesneden lichaamsdelen, de variatie in de sneden en de wonderschone totale afwezigheid van bloed. ‘Maar niet te snel,’ zei ik.
    ‘Wat zei je?’ vroeg ze.
    ‘Ik zei dat ik niet verwacht dat ze hem al te snel zullen pakken. De dader is heel slim en de rechercheur die de leiding over het onderzoek heeft, is meer geinteresseerd in politieke spelletjes dan in het oplossen van moorden.’
    Ze keek me aan om te zien of ik een grapje maakte. Daarna keek ze enige tijd zwijgend voor zich uit terwijl we over de us1 naar het zuiden reden. Ze zei niets totdat we South Miami binnen reden. ‘Ik zal nooit kunnen wennen aan… Ik weet niet hoe ik het moet zeggen,’ zei ze ten slotte. ‘De onderkant van het leven? De dingen zoals ze echt zijn? Zoals jij ze ziet?’
    Daar overviel ze me mee. Ik had de stilte gebruikt om na te denken over de hoop keurig ingepakte lichaamsdelen die ik net had gezien. Mijn gedachten vlogen als hongerige gieren rond boven de schoongemaakte, droge, afgehakte stukken vlees alsof ze er een hap uit wilden nemen. Rita’s opmerking kwam zo onverwacht, dat ik compleet sprakeloos was. ‘Wat bedoel je?’ kon ik ten slotte uitbrengen.
    Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Dat… dat weet ik niet precies. We gaan er allemaal van uit dat de dingen… zich op een bepaalde manier manifesteren. Dat ze zijn zoals we denken dat ze horen te zijn. En dat zijn ze nooit, want ze zijn altijd… Wat zal ik zeggen? Donkerder? Echter? Menselijker? Neem dit geval. Ik denk dan: natuurlijk wil die rechercheur de moordenaar pakken, want daar zijn rechercheurs toch voor? Het zou nooit in me opgekomen zijn dat politiek iets met moord te maken zou kunnen hebben.’
    ‘Politiek heeft met vrijwel alles te maken,’ zei ik terwijl ik haar straat in draaide en vaart minderde toen we haar nette, onopvallende huis naderden.
    ‘Maar jij…’ zei Rita, die niet in de gaten scheen te hebben waar we waren en wat ik had gezegd, ‘… jij gaat veel verder. De meeste mensen zouden er nooit op die manier over nadenken.’
    ‘Zo diepzinnig ben ik ook weer niet, Rita,’ zei ik terwijl ik de auto parkeerde.
    ‘Het lijkt wel alsof alles twee gedaanten heeft, het beeld dat we er zelf aan geven en dat wat het werkelijk is. En jij weet dat, en daarom is het een spel voor jou.’
    Ik had geen idee wat ze probeerde te zeggen. Ik moet bekennen dat ik ook niet erg mijn best deed om haar te begrijpen en dat, terwijl ze aan het woord was, mijn gedachten weer waren afgedwaald naar de nieuwste moord: de schoongemaakte hompen vlees, de variaties in de sneden, de totale afwezigheid van bloed…
    ‘Dexter…’ zei Rita, en ze legde haar hand op mijn arm.
    Ik kuste haar.
    Ik weet niet wie van ons beiden het meest verbaasd was. Het was zeker niet iets wat ik van plan was geweest. En haar parfum was het ook niet. Maar ik drukte mijn lippen op de hare en kuste haar.
    Ze duwde me weg.
    ‘Nee,’ zei ze. ‘Ik… niet doen, Dexter.’
    ‘Oke,’ zei ik, zelf diep geschokt door wat ik had gedaan.
    ‘Ik geloof niet dat ik dit wil… Ik ben er nog niet klaar voor… Verdomme, Dexter.’ Ze klikte haar riem los, opende het portier en rende naar haar huis.
    Hemeltje, dacht ik. Wat heb ik nu gedaan?
    En ik wist dat ik me dat moest afvragen, dat ik teleurgesteld in mezelf moest zijn omdat ik mijn vermomming, waar ik anderhalf jaar hard aan had gewerkt, zonet om zeep had geholpen.
    Maar het enige waaraan ik kon denken was het keurige stapeltje lichaamsdelen.
    Geen bloed.
    Helemaal geen bloed.

7

    Het lichaam ligt klaar zoals ik het graag heb. De armen en benen zijn vastgezet en de mond is dichtgeplakt met tape, dus het zal stil blijven in mijn werkruimte en er zal geen tegenstand worden geboden. En mijn handen, met in een ervan het mes, zijn zo vredig en vast, dat ik er zeker van ben dat dit een heel goede gaat worden, een heel bevredigende…’
    ‘ Behalve dat het geen mes is maar een of andere…’
    ‘ Behalve dat het mijn hand niet is. Zelfs hoewel het mijn hand is die met deze hand beweegt, is het niet de mijne die het mes vasthoudt. En de kamer is eigenlijk nogal klein, zo smal, wat niet zo gek is want… Want wat?’
    ‘ En nu zweef ik boven de brandschone werktafel met dat uitdagende lichaam erop en voel ik opeens een koele wind die dwars door me heen blaast. Het is dat ik mijn tanden niet voel, anders zou ik er zeker mee klapperen. En mijn hand, in volmaakte eenheid met die andere hand, gaat omhoog en daalt dan langzaam voor de perfecte snede…
    En natuurlijk werd ik wakker in mijn eigen huis. Hoe het kan weet ik niet, maar ik stond bij de voordeur, spiernaakt. Van slaapwandelen had ik eerder gehoord, maar slaapstrippen? Belachelijk. Ik strompelde terug naar bed. Het beddengoed lag in een hoop op de grond. De airconditioner had de temperatuur teruggebracht tot amper vijftien graden. Op het moment, de vorige avond, had dat een goed idee geleken, want ik was een beetje van slag geweest na wat er met Rita was gebeurd. Bespottelijk, als het echt was gebeurd. Dexter de Don Juan, de kusjesdief. Daarom had ik toen ik thuiskwam een lange, hete douche genomen en de thermostaat zo laag mogelijk gezet voordat ik in bed kroop. Ik pretendeer niet dat ik begrijp waarom, maar op mijn meer duistere momenten vind ik kou reinigend. Niet zozeer verfrissend, maar gewoon noodzakelijk.
    En koud was het zeker. Veel te koud voor koffie en de start van een nieuwe dag terwijl de laatste flarden van de droom nog door mijn hoofd spookten.
    Ik herinner me mijn dromen vrijwel nooit en als ik me ze wel herinner, hecht ik er geen belang aan. Dus was het heel vreemd dat deze me wel was bijgebleven.
    … Ik zweef boven de brandschone werktafel… Mijn hand, in volmaakte eenheid met die andere hand, gaat omhoog en daalt dan langzaam voor de perfecte snede…
    Ik had boeken over dromen gelezen. Misschien omdat ik er zelf nooit een zal zijn, interesseren mensen me mateloos. Dus kende ik alle symbolen: zweven is een vorm van vliegen en dat duidt op seks. En het mes…
    Jawohl, Herr Doktor. Het mes ist eine Mutter, ja?
    Zeur niet, Dexter.
    Het was gewoon een stomme droom die niks te betekenen had. De telefoon begon te rinkelen en ik zat bijna tegen het plafond van schrik.
    ‘Zin in een ontbijt bij Wolfie’s?’ vroeg Deborah. ‘Ik trakteer.’ ‘Het is zaterdag,’ zei ik. ‘Dan zit het daar stampvol.’
    ‘Ik ga vooruit om een tafeltje te regelen,’ zei ze. ‘Ik zie je daar.’ Wolfie’s Deli op Miami Beach was een begrip in Miami. En omdat de Morgans vrijwel hun hele leven in Miami hadden gewoond, waren ze met bijzondere gelegenheden altijd daar gaan eten. Waarom Deborah dacht dat het vandaag een bijzondere gelegenheid was, was me een raadsel, maar ik was ervan overtuigd dat ik dat straks te horen zou krijgen. Dus nam ik een douche, trok mijn beste zaterdagse vrijetijdskleding aan en reed naar de Beach. Er was weinig verkeer op de nieuwe, verbeterde MacArthur Freeway en algauw werkte ik me beleefd met de ellebogen door de jetset in Wolfie’s.
    Deborah had woord gehouden en een tafeltje in de hoek veroverd. Ze maakte een praatje met een oudere serveerster die zelfs ik herkende. ‘Rose, mijn liefste,’ zei ik en ik boog me naar voren om haar op haar gerimpelde wang te zoenen. ‘Mijn wilde Ierse Rose.’
    ‘Dexter,’ zei ze op raspende toon en met een zwaar Iers accent, ‘hou op met dat gezoen. Je lijkt wel een faigelah.’
    ‘Faigelah? Is dat Iers voor verloofde?’ vroeg ik terwijl ik ging zitten. ‘Feh,’ zei ze, waarna ze hoofdschuddend terugliep naar de keuken. ‘Volgens mij vindt ze me leuk,’ zei ik tegen Deborah.
    ‘Dat is dan tenminste iemand die je leuk vindt,’ zei Deb. ‘Hoe was je uitje van gisteravond?’
    ‘Erg leuk,’ zei ik. ‘Moet je ook eens proberen.’
    ‘Feh,’ zei Deborah.
    ‘Je kunt niet elke avond in je ondergoed op de Tamiami Trail gaan staan, Deb. Ook jij hebt behoefte aan een leven.’
    ‘Ik heb behoefte aan overplaatsing,’ zei ze bits. ‘Naar Moordzaken.
    Daarna ga ik wel eens over een leven nadenken.’
    ‘Ik begrijp het,’ zei ik. ‘Het is beter voor de kinderen wanneer mama bij Moordzaken werkt.’
    ‘Dexter, in godsnaam,’ zei ze.
    ‘Dat is een heel natuurlijke gedachte, Deborah. Neees en nichtjes.
    Meer kleine Morgans. Waarom niet?’
    Ze slaakte een diepe zucht, wat haar geheime manier was om haar zelfbeheersing terug te vinden. ‘Mama is dood, Dexter,’ zei ze. ‘Ik sta in contact met haar,’ zei ik. ‘Ontvang berichten van haar.’ ‘Nou, stem dan maar gauw af op een andere zender. Wat weet je van celkristallisatie?’
    Ik knipperde met mijn ogen. ‘Wauw,’ zei ik. ‘Je hebt de concurrentie in het wereldkampioenschap Van Onderwerp Veranderen ineens verachter je gelaten.’
    ‘Ik meen het,’ zei ze.
    ‘Dan sta ik echt met een mond vol tanden, Deb. Wat bedoel je met celkristallisatie?’
    ‘Door kou,’ zei ze. ‘Cellen die gekristalliseerd zijn door kou.’ Een reusachtig licht gloeide op in mijn hersenen. ‘Natuurlijk,’ mompelde ik, ‘prachtig.’ Ergens diep binnen in me vielen de dingen op hun plaats. Kou… Pure, brandschone kou, en het gekoelde mes glijdt bijna knisperend door het vlees. Antiseptisch schone kou. De bloedstroom vertraagt, zo helemaal goed en zo absoluut noodzakelijk. Kou. ‘Waarom heb ik daar niet…’ begon ik, maar ik viel stil toen ik Deborahs gezichtsuitdrukking zag.
    ‘Wat?’ wilde Deb weten. ‘Hoezo natuurlijk?’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Vertel me eerst waarom je het wilt weten.’ Ze bleef me enige tijd onderzoekend aanstaren en slaakte weer een zucht. ‘Ik denk dat je dat wel weet,’ zei ze ten slotte. ‘Er is weer een moord gepleegd.’
    ‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Ik ben er gisteravond langsgereden.’ ‘Ik hoorde dat je meer hebt gedaan dan alleen langsrijden.’ Ik haalde mijn schouders op. Het was zo’n kleine familie, de politie van Metro-Dade.
    ‘En wat bedoel je met “natuurlijk”?’
    ‘Niks,’ zei ik, licht geirriteerd. ‘Het weefsel van het lijk zag er gewoon iets anders uit. Alsof het was blootgesteld aan kou…’ Ik stak mijn handen op. ‘Dat is alles, oke? Hoe koud?’
    ‘Als in een koelhuis voor vlees,’ zei ze. ‘Waarom zou hij dat hebben gedaan?’
    Omdat het zo prachtig is, dacht ik. ‘Omdat het de bloedstroom vertraagt,’ zei ik.
    Ze nam me aandachtig op. ‘Is dat belangrijk?’
    Ik haalde diep en misschien licht trillend adem. Ik kon het haar niet uitleggen en als ik dat probeerde, zou ze me waarschijnlijk arresteren. ‘Het is essentieel,’ zei ik, en om de een of andere reden voelde ik iets van gene. ‘Waarom?’
    ‘Het, eh… ik weet het niet. Ik denk dat hij iets met bloed heeft, Deb.
    Maar dat is alleen maar een gevoel… ik weet het niet zeker, want er is geen bewijs, zoals je weet.’
    Ze bleef me aanstaren. Ik probeerde iets te bedenken wat ik kon zeggen, maar het lukte me niet. Dexter, de gladde, makkelijke mooiprater, zat met een droge mond vol tanden.
    ‘Shit,’ zei ze ten slotte. ‘Dat is alles? Kou vertraagt de bloedstroom en dat is essentieel? Kom op, Dexter, wat heb ik daar verdomme aan?’ ‘Ik doe geen wonderen voordat ik koffie heb gehad, Deborah,’ zei ik, in een heroische poging me te herstellen. ‘Ik stel alleen maar iets vast.’ ‘Shit,’ zei ze weer. Rose kwam onze koffie brengen. Deborah nam een slokje. ‘Ik kreeg gisteravond een uitnodiging voor de driedaagse briefing,’ zei ze.
    Ik klapte in mijn handen. ‘Geweldig. Ze hebben je geaccepteerd.
    Waar heb je mij dan nog voor nodig?’ Het politiekorps van Metro-Dade voerde het beleid dat ongeveer drie dagen ofwel 72 uur na een moord het hele onderzoeksteam bijeenkwam. De leidinggevende rechercheur en haar team namen de informatie dan door met de patholoog-anatoom en soms was er ook iemand van het Openbaar Ministerie bij. Als Deborah was uitgenodigd, zat ze in het onderzoeksteam.
    Ze keek me boos aan. ‘Ik ben niet goed in politieke spelletjes, Dexter.
    Ik voel gewoon dat LaGuerta me uit het team wil werken, maar ik kan er niets aan doen.’
    ‘Is ze nog steeds op zoek naar haar mysterieuze getuige?’ Deborah knikte.
    ‘Echt? Zelfs na de moord van gisteravond?’
    ‘Ze zegt dat die dat juist bewijst. Omdat de sneden in het nieuwe lijk wel compleet waren.’
    ‘Maar ze zijn anders,’ wierp ik tegen.
    Ze haalde haar schouders op.
    ‘En heb je dat tegen haar gezegd?’
    Deb wendde haar blik af. ‘Ik heb gezegd dat ze haar tijd verspilde met het zoeken naar de getuige, omdat het overduidelijk is dat de dader niet bij zijn werk gestoord werd, maar dat hij gewoon niet tevreden was.’ ‘Oef,’ zei ik. ‘Je weet echt niets van politieke spelletjes.’
    ‘Wel godverdomme, Dexter,’ zei ze. Twee oudere dames aan het tafeltje naast ons keken naar haar. Ze merkte het niet. ‘Wat jij me hebt gezegd, kwam zinnig over. Het is nuttige informatie, maar zij negeert me. De situatie is trouwens nog erger.’
    ‘Wat kan er erger zijn dan genegeerd te worden?’ vroeg ik. Ze begon te blozen. ‘Ik heb een paar agenten in uniform betrapt die om me stonden te lachen. Er gaat een grapje en het gaat over mij.’ Ze beet op haar lip en wendde haar blik af. ‘Ze noemen me Einstein,’ zei ze. ‘Ik begrijp je niet.’
    ‘Als mijn tieten hersens waren, zou ik Einstein zijn,’ zei ze verbitterd.Ik schraapte mijn keel om te voorkomen dat ik in de lach schoot. ‘Dat is wat ze over mij tegen de anderen heeft gezegd,’ vervolgde ze. ‘Dat is nou precies het soort etiket dat aan je blijft kleven en dan krijg je geen promotie meer omdat ze denken dat je met zo’n bijnaam geen respect meer kunt afdwingen. Godverdomme, Dexter,’ zei ze weer, ‘ze ruineert mijn carriere.’
    Ik voelde een licht gole beschermende warmte door me heen gaan.
    ‘Ze is niet goed snik.’
    ‘Moet ik dat tegen haar zeggen, Dex? Is dat politiek handig?’ Ons eten werd gebracht. Rose kwakte de borden voor ons neer alsof ze door een corrupte rechter was veroordeeld om twee kindermoordenaars te bedienen. Ik schonk haar mijn breedste glimlach, waarna ze in zichzelf mompelend wegslofte.
    Ik nam een hap en probeerde me weer op Deborahs probleem te concentreren. Ik moest er op die manier aan denken, als aan Deborahs probleem. Niet ‘die buitengewoon fascinerende moorden’, of ‘die oogstrelende modus operandi’ of ‘de aanpak zo overeenkomstig aan hoe ik het zelf ooit nog eens zou willen doen’. Ik moest proberen erbuiten te blijven, ook al werd er nog zo hard aan me getrokken. Zelfs door die droom van de afgelopen nacht, met die koude lucht. Puur toeval natuurlijk, maar desondanks verontrustend.
    Want deze moordenaar had de kern geraakt van wat mijn eigen moorden inhielden. In de manier waarop hij werkte, uiteraard, niet in de keuze van zijn slachtoffers. Hij moest tegengehouden worden. Daar bestond geen enkele twijfel over. Die arme hoeren.
    Toch… die behoefte aan kou… Het zou heel interessant zijn om dat eens uit te proberen. In een aangename, donkere, smalle ruimte… Smal? Waar kwam dat nu weer vandaan?
    Natuurlijk, uit mijn droom. Wat wilde zeggen dat mijn onderbewustzijn wilde dat ik dat dacht, nietwaar? En smal voelde op de een of andere manier aan als juist. Koud en smal…
    ‘Een koelwagen,’ zei ik hardop.
    Ik deed mijn ogen open. Deborah zat te worstelen met een mondvol roerei voordat ze iets kon zeggen. ‘Wat?’
    ‘O, het is maar een idee. Ik heb helaas niets om het te onderbouwen.
    Maar het zou logisch zijn, nietwaar?’
    ‘Wat zou logisch zijn?’ vroeg ze.
    Ik keek naar mijn bord, fronste mijn wenkbrauwen en probeerde me voor te stellen hoe het in elkaar zat. ‘Hij wil een koude omgeving, om de bloedstroom te vertragen en omdat het eh… schoner is.’
    ‘Als jij dat zegt.’
    ‘Ja, dat zeg ik. En het moet een smalle ruimte zijn…’
    ‘Waarom moet dat? Smal? Waar komt dat verdomme nu weer van daan?’
    Ik deed alsof ik haar laatste vraag niet had gehoord. ‘Een koelwagen voldoet aan al die eisen en is bovendien mobiel, wat het voor hem een stuk gemakkelijker maakt om naderhand de vuilniszakken te dumpen.’ Deborah nam een hap van haar bagel en kauwde enige tijd terwijl ze nadacht. ‘Dus,’ zei ze uiteindelijk, en ze slikte, ‘het kan zijn dat de moordenaar over zo’n wagen kan beschikken? Of dat hij er zelf een heeft?’ ‘Hm, wie weet? Behalve dat de moord van gisteravond de eerste is waarbij sporen van kou zijn aangetroffen.’
    Deborah knikte. ‘Dus hij is op pad gegaan en heeft een koelwagen gekocht.’
    ‘Dat denk ik niet. Hij is nog aan het experimenteren. Het was een plotselinge ingeving om kou te proberen, vermoed ik.’
    Ze knikte weer. ‘Maar het zou natuurlijk veel te mooi zijn wanneer hij voor zijn werk of zoiets in zo’n soort wagen reed, he?’
    Ik schonk haar mijn vrolijke haaienglimlach. ‘Ah, je bent vanochtend heel scherp, Deb. Nee, ik denk dat onze vriend veel te slim is om zich op die manier te verraden.’
    Deborah nam een slokje koffie, zette haar kopje neer en leunde achterover. ‘Dus we zijn op zoek naar een gestolen koelwagen,’ zei ze tenslotte.
    ‘Dat denk ik, ja,’ zei ik. ‘Maar hoeveel van die dingen kunnen er in de afgelopen achtenveertig uur gestolen zijn?’
    ‘In Miami?’ Ze snoof. ‘Iemand steelt er een, het gerucht lekt uit dat ze het stelen waard zijn en opeens moet elke verdomde derderangs gangster, marielito, cracksnuiver en straatschoffie er ook een stelen, al was het alleen maar om zich niet te laten kennen.’
    ‘Laten we dan hopen dat het nog niet is uitgelekt,’ zei ik. Deborah slikte het laatste hapje van haar bagel door. ‘Ik zal het nagaan,’ zei ze.

8

    In theorie geeft de driedaagse bespreking van de Metro-politie iedereen voldoende tijd om al een paar resultaten te boeken in het onderzoek maar is deze tegelijkertijd vroeg genoeg om een goede kans te hebben dat de sporen nog warm zijn. En dus kwam op maandagochtend, na 72 uur, het onderzoeksteam aangevoerd door de onbuigzame inspecteur LaGuerta bijeen in een vergaderzaal op de eerste verdieping. Ik was er ook bij. Ik kreeg een paar boze blikken en een paar goedbedoelde opmerkingen van de mensen die me kenden. Gewoon, onschuldige pesterijtjes als: ‘He, bloedhond, waar is je kluif?’ Het zout in de pap van mijn bestaan, deze mensen, en binnenkort zou mijn Deborah een van hen zijn. Ik voelde me trots en nederig om met hen in een kamer te mogen verkeren.
    Helaas werd mijn komst niet door alle aanwezigen op prijs gesteld.
    ‘Wat kom jij hier verdomme doen?’ blafte brigadier Doakes. Hij was een heel grote zwarte man die een permanente wolk van vijandigheid om zich heen had. Hij had een kille roofdierenmentaliteit die iemand met mijn hobby zeker goed van pas zou komen. Ik vond het jammer dat we geen vrienden konden zijn. Maar om de een of andere reden had hij de pest aan alle technisch rechercheurs en met name aan mij. Hij was ook recordhouder bankdrukken van de politie van Metro-Dade. Dus wierp ik hem mijn politiek correcte glimlach toe.
    ‘Ik kom alleen meeluisteren, brigadier,’ zei ik tegen hem.
    ‘Je hebt hier verdomme niks te zoeken,’ zei hij. ‘Maak dat je wegkomt.’
    ‘Hij mag blijven, brigadier,’ zei LaGuerta.
    Doakes keek haar boos aan. ‘Waarom, verdomme?’
    ‘Ik wil jullie niet tot last zijn,’ zei ik terwijl ik zonder het te menen een stap in de richting van de deur deed.
    ‘Nee, het is oke,’ zei LaGuerta, en ze glimlachte zelfs naar me. Ze wendde zich tot Doakes. ‘Hij kan blijven.’
    ‘Ik krijg de rillingen van die engerd,’ mompelde Doakes. Ik begon bewondering te krijgen voor de fijnzinnigheid van de man. Natuurlijk bezorgde ik hem de rillingen. De vraag was alleen waarom hij de enige was in een zaal vol politiemensen die voldoende inzicht zouden moeten hebben om precies hetzelfde te voelen als hij.
    ‘Laten we beginnen,’ zei LaGuerta, die haar denkbeeldige zweep liet knallen om er onder de aanwezigen geen twijfel over te laten bestaan dat zij de leiding had. Doakes wierp me nog een norse blik toe en liet zich weer in zijn stoel zakken.
    Het eerste deel van de bespreking werd in beslag genomen door routinezaken: rapporten, ambtelijke zaken en alle kleine dingen die ons menselijk maken. Tenminste, degenen onder ons die dat waren. LaGuerta instrueerde de persvoorlichters over wat ze wel en niet tegen de pers mochten zeggen. De informatie die ze wel mochten vrijgeven, werd begeleid door een nieuwe foto die LaGuerta speciaal voor deze gelegenheid van zichzelf had laten maken. Ze stond er ernstig maar toch ook met de nodige glamour op, indringend en verfijnd tegelijk. Een foto waaraan je bijna kon zien dat ze het tot hoofdinspecteur zou brengen. Had Deborah maar een deel van haar pr-kwaliteiten.
    Het duurde bijna een uur voordat we aan de feitelijke moorden toekwamen. Maar uiteindelijk vroeg LaGuerta om rapporten over de voortgang in de zoektocht naar haar mysterieuze getuige. Niemand had iets te melden. Ik deed mijn best om verbazing te veinzen.
    LaGuerta liet haar gezaghebbende blik over de aanwezigen gaan. ‘Kom op, mensen,’ zei ze. ‘Iemand moet die getuige toch kunnen vinden?’ Maar niemand kon dat blijkbaar en er viel een stilte waarin de aanwezigen naar hun nagels, de vloer of de geluiddempende plafondtegels staarden.
    Deborah schraapte haar keel. ‘Ik, eh…’ begon ze en ze schraapte opnieuw haar keel. ‘Ik had, eh… een idee. Een ander idee. Het idee om iets in een andere richting te proberen.’ Ze zei het alsof achter elke zin een vraagteken stond. Ondanks mijn uitgebreide coaching kwam ze niet natuurlijk over terwijl ze het zei, maar gelukkig hield ze zich wel aan het politiek correcte woordgebruik dat ik haar had ingeprent.
    LaGuerta trok een van haar perfect bijgetekende wenkbrauwen op. ‘Een idee? Echt?’ Ze trok een gezicht dat moest aangeven hoe verrast en verheugd ze was. ‘Alsjeblieft, ga je gang, vertel ons je idee, agent Ein… ik bedoel agent Morgan.’ Doakes grinnikte. Wat een heerlijke man.
    Deborah bloosde maar ze zette door. ‘Het gaat om de, eh… celkristallisatie. Bij het laatste slachtoffer. Ik zou graag willen nagaan of er in de afgelopen week koelwagens zijn gestolen.’
    Stilte. Absolute, verbijsterde stilte. Ze begrepen het niet, de sukkels, en Deborah deed niets om het duidelijk te maken. Ze liet de stilte voortduren totdat LaGuerta haar mooie wenkbrauwen fronste, een vragende blik langs de aanwezigen liet gaan om te zien of iemand anders het wel kon volgen en Deborah ten slotte beleefd aankeek.
    ‘Gekoelde… wagens?’ vroeg LaGuerta.
    Deborah had een vuurrood hoofd, het arme kind. Ze was niet iemand die graag in het openbaar sprak. ‘Ja, dat is juist,’ zei ze.
    LaGuerta liet de stilte nog even voortduren en genoot ervan. ‘Hm,’ zei ze.
    Deborahs gezicht werd nog donkerder, wat geen goed teken was. Ik schraapte mijn keel en toen dat geen effect had, hoestte ik, hard genoeg om haar eraan te herinneren dat ze kalm moest blijven. Ze keek mijn kant op. Net als LaGuerta. ‘Sorry,’ zei ik, ‘ik geloof dat ik kou heb gevat.’
    Had iemand zich een betere broer kunnen wensen?
    ‘De, eh… kou,’ stotterde Deborah, die mijn reddingsboei vastgreep. ‘Een koelwagen zou er de oorzaak van kunnen zijn dat dit soort weefselschade is opgetreden. Die maakt de dader mobiel, zodat hij moeilijker te pakken is. En op deze manier is het voor hem een stuk gemakkelijker om zich van het lijk te ontdoen. Dus, eh… als er een gestolen zou zijn… een koelwagen, bedoel ik… zou dat ons een spoor kunnen opleveren.’
    Nou, dat was het ongeveer wel, en het was haar gelukt het uit haar mond te krijgen. Een of twee aanwezigen fronsten bedachtzaam hun wenkbrauwen. Je kon sommigen bijna horen nadenken.
    Maar LaGuerta knikte alleen maar. ‘Dat is… heel interessant, agent,’ zei ze, met een lichte nadruk op ‘agent’ om ons eraan te herinneren dat er wel sprake was van een democratie waarin iedereen zijn zegje mocht doen, maar in werkelijkheid… ‘Maar ik denk toch dat het beter is wanneer we onze getuige opsporen. We weten dat hij ergens moet rondlopen.’ Ze glimlachte met haar professionele, quasi-bescheiden glimlachje. ‘Of zij,’ vervolgde ze, om te laten zien dat ze ook scherp kon zijn. ‘Maar iemand heeft iets gezien. Dat kunnen we opmaken uit het bewijs. Dus laten we ons daarop concentreren en de strohalmen aan de jongens in Broward overlaten, oke?’ Ze zweeg even en wachtte totdat er zacht werd gegrinnikt in de vergaderzaal. ‘Maar, agent Morgan, ik zou het zeer waarderen wanneer je de contacten met de hoeren bleef onderhouden. Die kennen je immers?’
    Mijn god, wat was ze goed. Ze had ervoor gezorgd dat niemand nog serieus nadacht over Debs idee, had Deb op haar plaats gezet en het hele team weer achter haar geschaard met een grapje over onze rivaliteit met de politie van Broward County. En dat allemaal in een paar zinnen. Ik had bijna geapplaudisseerd.
    Maar dat kon ik natuurlijk niet doen, want ik stond aan Debs kant en ze was zojuist op haar nummer gezet. Ze deed haar mond open, deed hem weer dicht en ik zag haar kaakspieren werken terwijl ze haar gezicht in een neutrale uitdrukking dwong. Op zich ook een bewonderenswaardige prestatie, maar bij lange na niet van dezelfde klasse als die van LaGuerta.
    De rest van de bespreking verliep zonder incidenten. Na wat er was gezegd, viel er eigenlijk niet veel meer te bespreken. Dus kort na LaGuerta’s meesterlijke optreden werd de bijeenkomst opgebroken en liepen we de gang weer in.
    ‘Laat haar de pest krijgen,’ mompelde Deborah. ‘Laat haar doodvallen, dat rotwijf!’
    ‘Absoluut,’ beaamde ik.
    Ze keek me aan. ‘Bedankt, broer. Voor al je steun.’
    Ik trok mijn wenkbrauwen op. ‘Maar we hadden afgesproken dat ik me erbuiten zou houden, zodat alle eer naar jou zou gaan.’
    Ze gromde. ‘Alle eer… ze heeft me compleet voor gek gezet.’
    ‘Met alle respect, zusje, daar was je zelf ook debet aan.’
    Deborah keek me aan, wendde haar blik toen af en hief haar handen ten hemel. ‘Wat had ik dan moeten zeggen? Ik zit niet eens in het team. Ik ben daar alleen omdat de baas heeft gezegd dat ze me moesten laten meedoen.’
    ‘Hij heeft niet gezegd dat ze naar je moesten luisteren,’ zei ik. ‘Dat doen ze niet en dat zullen ze ook nooit doen,’ zei Deborah verbitterd. ‘In plaats van me bij Moordzaken te krijgen, is nu mijn hele carriere om zeep geholpen. Ik zal tot mijn pensioen parkeerwachter blijven, Dexter.’
    ‘Er is een uitweg, Deb,’ zei ik, en in de blik waarmee ze me aankeek, was weer een sprankje hoop te zien.
    ‘En die is?’ vroeg ze.
    Ik keek haar aan en schonk haar mijn meest geruststellende glimlach. ‘Zorg ervoor dat je die koelwagen vindt,’ zei ik.
    Het duurde drie dagen voordat ik weer iets van mijn lieve adoptiefzusje hoorde, wat meteen de langste periode was dat we elkaar niet hadden gesproken. Op donderdag, net na de lunch, kwam ze met een zuur gezicht mijn kantoor in. ‘Ik heb hem gevonden,’ zei ze, en ik wist niet meteen wat ze bedoelde.
    ‘Wat heb je gevonden, Deb?’ vroeg ik. ‘De fontein van het chagrijn?’ ‘Die auto,’ zei ze. ‘De koelwagen.’
    ‘Maar dat is toch goed nieuws?’ zei ik. ‘Waarom zie je er dan uit alsof je iemand wilt slaan?’
    ‘Omdat dat zo is,’ zei ze en ze zeilde vier of vijf aan elkaar geniete velletjes papier over mijn bureau naar me toe. ‘Kijk maar.’
    Ik pakte de blaadjes op en bekeek het bovenste. ‘O,’ zei ik. ‘Hoeveel zijn het er in totaal?’
    ‘Drieentwintig,’ zei ze. ‘In de afgelopen maand zijn er drieentwintig koelwagens als gestolen opgegeven. De jongens van de Verkeerspolitie zeggen dat de meeste uit het water worden gehaald, nadat ze eerst in brand zijn gestoken om het verzekeringsgeld te innen. Niemand zoekt er nog erg hard naar. Dus niemand doet iets aan deze lijst en niemand is dat ook van plan.’
    ‘Welkom in Miami,’ zei ik.
    Deborah zuchtte, pakte de lijst van me aan en liet zich als een lappenpop in mijn extra stoel vallen. ‘Ik kan deze onmogelijk allemaal nagaan, niet in mijn eentje,’ zei ze. ‘Dat gaat maanden tijd kosten. Godverdomme, Dexter, wat doen we nu?’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Het spijt me, Deb,’ zei ik. ‘Maar we zullen moeten wachten.’
    ‘We kunnen niets anders doen dan wachten?’ ‘Ja, daar blijft het bij,’ zei ik.
    En daar bleef het bij. Twee weken moesten we wachten. En toen…

9

    Badend in het zweet werd ik wakker, zonder precies te weten waar ik was maar met de absolute zekerheid dat er weer een moord te gebeuren stond. Ergens niet ver weg was hij op zoek naar zijn volgende slachtoffer, gleed hij door de stad als een haai door het koraalrif. Ik was er zo zeker van, dat ik het afscheuren van het plakband bijna kon horen. Hij was daar en luisterde naar zijn Zwarte Ruiter, die weer in gesprek was met de mijne. En in mijn slaap was ik met hem meegereden, als een transparante zuigvis die hem gezelschap hield tijdens zijn ronden door de stad.
    Ik ging rechtop zitten en sloeg de natte, gekreukelde lakens van me af. De klok op het nachtkastje wees aan dat het 3.14 uur was. Er was vier uur verstreken sinds ik naar bed was gegaan en ik had het gevoel alsof ik al die tijd met een piano op mijn rug door het oerwoud had gelopen. Ik was bezweet, had spierpijn en was amper in staat tot nadenken, maar ik wist honderd procent zeker dat er buiten iets gaande was zonder dat ik erbij was.
    Het was uitgesloten dat ik die nacht nog zou slapen. Ik deed het licht aan. Mijn handen waren vochtig en ze trilden. Ik veegde ze af aan het laken maar dat hielp niet want dat was net zo vochtig. Ik strompelde naar de badkamer om ze te wassen. Ik hield ze onder het stromende water. Het water dat uit de kraan kwam was warm, op kamertemperatuur, maar opeens werd het rood en waste ik mijn handen in bloed, heel even stroomde er in het schemerige licht in de badkamer rood bloed in de wastafel.
    Ik deed mijn ogen dicht.
    De wereld kantelde.
    Het was de bedoeling een eind te maken aan deze zinsbegoocheling ten gevolge van het slechte licht en mijn slaperige hoofd. De ogen sluiten, ze weer opendoen en het beeld zou verdwenen zijn en er zou weer gewoon helder water uit de kraan komen. Maar dat gebeurde niet, want toen ik mijn ogen sloot, werd er een ander paar ogen geopend, die in een andere wereld keken.
    Ik was terug in mijn droom, zweefde als het lemmet van een mes boven de lichtjes van Biscayne Boulevard, ijskoud en vlijmscherp, en ik naderde mijn doelwit…
    Ik deed mijn ogen open en het water was weer gewoon water. Maar wat was ik?
    Ik schudde mijn hoofd hard heen en weer. Rustig aan, ouwe jongen, alsjeblieft, een op hol geslagen Dexter kunnen we nu niet gebruiken. Ik haalde een keer diep adem en bekeek mezelf. In de spiegel zag ik eruit zoals ik eruit hoorde te zien. Zorgvuldig geboetseerde gelaatstrekken. Kalme, ondeugende blauwe ogen, een perfecte imitatie van een echt mens. Afgezien van het feit dat mijn haar rechtop stond als dat van Stan Laurel was er geen spoor te zien van wat er zonet door mijn halfwakkere brein was geflitst en me plotseling uit mijn slaap had gewekt.
    Voorzichtig deed ik nog een keer mijn ogen dicht.
    Het werd donker.
    Gewoon donker, verder niks. Ik vloog niet, zag geen bloed en geen stadslichtjes. Gewoon de beste, brave Dexter die met zijn ogen dicht voor de spiegel stond.
    Ik deed ze weer open. Hallo, ouwe jongen, fijn dat je er weer bent. Maar waar ben je in hemelsnaam geweest?
    Dat was natuurlijk de grote vraag. Ik heb het grootste deel van mijn leven droomloos doorgebracht en van hallucinaties heb ik helemaal nooit last gehad. Voor mij geen apocalyptische visioenen, geen verontrustende freudiaanse symbolen die opborrelden uit mijn onderbewustzijn en geen op mysterieuze wijze terugkerende beelden. Niets had de nachtrust van Dexter ooit gestoord. Als ik sliep, sliep ik ook helemaal.
    Maar wat was er dan gebeurd? Waarom had ik die beelden gezien?
    Ik plensde wat water in mijn gezicht en duwde mijn haar naar beneden. Dat beantwoordde mijn vraag natuurlijk niet maar ik voelde me er wel iets beter door. Hoe erg kon het allemaal zijn als mijn haar goed zat?
    De waarheid was dat ik dat niet wist. De situatie kon best heel slecht zijn. Misschien begon ik wel gek te worden, of halfgek. Of was ik in de loop der jaren langzaam maar zeker steeds iets gekker geworden, totdat deze nieuwe moordenaar me het laatste zetje naar de totale gekte had gegeven. Was ik nog wel genoeg bij zinnen om over iemand als mezelf een oordeel te vellen?
    De beelden hadden zo echt geleken en gevoeld. Maar dat konden ze niet zijn, want ik had gewoon hier in mijn bed gelegen. Toch had ik bijna de zilte geur van het zeewater kunnen ruiken, en van de uitlaatgassen en de parfums die boven Biscayne Boulevard zweefden. Het had allemaal zo echt geleken, en was dat niet een teken dat je gek aan het worden was, wanneer je je waanvoorstellingen niet meer van de realiteit kon onderscheiden? Ik had hier geen antwoord op, noch hoe ik er een zou kunnen vinden. Met een psychiater gaan praten was natuurlijk uitgesloten. Ik zou de arme man de stuipen op het lijf jagen en hij zou zich misschien moreel verplicht voelen me ergens te laten opsluiten. Ik kon niet eens ontkennen dat dat geen wijs besluit zou zijn. Dus als ik de grip op de werkelijkheid verloor, de werkelijkheid zoals ik die voor mezelf had gecreeerd, was dat helemaal mijn probleem en was het eerste deel van dat probleem dat ik op geen enkele manier kon uitvissen of het eigenlijk wel bestond of niet.
    Alhoewel, toen ik erover nadacht, was er toch een manier.
    Tien minuten later reed ik langs Bayfront Park. Ik reed langzaam want ik wist niet precies waar ik naar op zoek was. Dit deel van de stad sliep, voorzover het dat ooit deed. Er zwierven nog altijd mensen rond in het landschap van Miami. Toeristen die te veel Cubaanse koffie hadden gedronken en niet konden slapen. Mensen uit Iowa die op zoek waren naar een benzinestation. Buitenlanders die op zoek waren naar South Beach. En natuurlijk de nachtelijke roofdieren: dieven, overvallers, junkies, vampiers en monsters zoals ik, in alle soorten en maten. Maar op dit uur en in dit gedeelte van de stad waren het er maar weinig. Dit was Miami bij nacht, Miami op z’n leegst, extra leeg door het grote contrast met de drukte die er overdag heerste. Dit was de stad die zich had ontdaan van zijn dagvermomming van zonlicht en vrolijk gekleurde T-shirts en zich tot jachtterrein had getransformeerd.
    Dus ging ik op jacht. De andere nachtelijke ogen volgden me maar schreven me af als prooi toen ik zonder vaart te minderen langsreed. Ik reed in noordelijke richting, over de oude ophaalbrug, door de binnenstad van Miami, nog steeds zonder precies te weten waar ik naar op zoek was en zonder iets te zien, maar er om de een of andere onheilspellende reden absoluut zeker van dat ik het zou vinden, dat ik in de juiste richting reed en dat het daar ergens op me wachtte.
    Achter het sportstadion nam het nachtleven toe, was er meer te zien en waren er meer activiteiten te bespeuren. Er hingen mensen rond op de stoepen en er klonk blikkerige muziek uit de open raampjes van de auto’s. De meisjes van de nacht waren naar buiten gekomen, stonden in kleine groepjes op de straathoeken en giechelden naar elkaar of keken wezenloos naar de voorbijrijdende auto’s. En die auto’s minderden vaart en de bestuurders keken terug, gaapten naar de piepkleine outfits en vooral naar wat die onbedekt lieten. Twee blokken verderop kwam een nieuwe Corniche tot stilstand, een hele groep meisjes schoot tevoorschijn uit de schaduw en ze liepen de straat op om de auto te omsingelen. Het verkeer kwam tot stilstand en er werd getoeterd. De meeste automobilisten vonden het niet erg om even te wachten en gaven hun ogen ondertussen goed de kost, maar een ongeduldige truck stuurde naar links en reed over de verkeerde weghelft langs de rij auto’s heen.
    Een koelwagen.
    Dat had niets te betekenen, zei ik tegen mezelf. Zuivelproducten die ’s nachts werden bezorgd, of braadworstjes voor bij het ontbijt, gegarandeerd vers. Een lading vis die naar het noorden of naar het vliegveld werd gebracht. Er reden altijd koelwagens door Miami, ook op dit uur van de nacht. Dit was er een van dus het had verder niets te betekenen.
    Maar toch zette ik mijn voet op het gaspedaal. Ik laveerde tussen het verkeer door en ging hem achterna. Ik kwam tot drie auto’s achter de Corniche en zijn belegerde bestuurder. Het verkeer stond vast. Ik keek naar de koelwagen. Die reed richting Biscayne en naderde een reeks verkeerslichten. Als ik hem te ver weg liet rijden, zou ik hem uit het oog verliezen. En opeens wilde ik dat niet, absoluut niet.
    Ik wachtte op een opening in het naderende verkeer en stuurde snel de andere rijbaan op. Al gauw was ik de Corniche voorbij, kon ik gas geven en de afstand verkleinen. Ik reed niet te hard want ik wilde niet opvallen, maar toch werd de afstand tussen ons kleiner. Eerst reed hij drie stoplichten voor me uit en toen nog maar twee.
    Toen sprong zijn licht op rood en voordat ik kon reageren het mijne ook. Ik stopte. Tot mijn verbazing merkte ik dat ik op mijn onderlip beet. Ik was gespannen, ik, Dexter het ijskonijn. Het waren menselijke gevoelens die ik ervoer: angst, wanhoop en echte emotionele ongerustheid. Ik wilde die koelwagen inhalen en mezelf overtuigen. O ja, ik wilde niets liever dan mijn hand op de portierknop leggen, het portier van de cabine openen, naar binnen kijken en…
    En wat dan? Hem eigenhandig arresteren? Hem bij de arm nemen en hem naar inspecteur LaGuerta brengen? Kijk eens wat ik heb gevangen? Mag ik hem houden? Er was net zo veel kans dat hij mij zou houden. Hij was immers op jacht en ik reed alleen maar achter hem aan als een lastig jonger broertje. En waarom deed ik dat? Wilde ik mezelf alleen maar bewijzen dat hij het was, de hij, dat hij op jacht was en dat ik niet gek was? Maar als ik niet gek was, hoe wist ik dat dan? Wat was er in mijn hoofd gaande? Misschien zou het voor iedereen beter zijn als ik wel gek was.
    Een oude man schuifelde voor mijn auto langs, stak ongelooflijk langzaam en moeizaam de straat over. Ik keek even naar hem en vroeg me af hoe het leven moest zijn wanneer je je nog maar zo langzaam kon bewegen, en toen ging mijn blik weer naar de koelwagen.
    Zijn verkeerslicht was net op groen gesprongen. Het mijne nog niet.
    De koelwagen trok snel op, reed op de uiterste grens van de toegestane snelheid in noordelijke richting en de achterlichten werden snel kleiner terwijl ik toekeek en wachtte totdat mijn verkeerslicht op groen sprong.
    Wat het mooi niet deed. En dus klemde ik mijn kaken op elkaar, dacht: hou je vast, Dex, en reed door het rode licht, waarbij ik de oude man maar net miste. Hij bleef niet staan en keek zelfs niet om.
    De maximumsnelheid op dit deel van Biscayne Boulevard was zestig kilometer per uur, maar als je minder dan tachtig reed, werd je van de weg geduwd. Ik gaf gas tot honderd en stuurde door het weinige verkeer in een wanhoopspoging de afstand tussen ons te verkleinen. Het achterlicht van de koelwagen knipoogde naar me toen hij een bocht nam… of sloeg hij af? Ik trapte het gaspedaal verder in, schoot met honderd per uur voorbij de afslag naar 79th Street, reed met een boog om Publix Market, draaide de snelweg weer op en zocht koortsachtig naar sporen van de koelwagen.
    En ik zag hem. Daar… een eind voor me…
    De schoft had een U-bocht gemaakt. Had hij door dat ik hem volgde? Waren mijn uitlaatgassen me vooruitgesneld? Hoe dan ook, hij was het, dezelfde wagen, zonder enige twijfel, en toen ik hem voorbijschoot, draaide hij net de Causeway op.
    Ik trapte op de rem, kwam met piepende banden tot stilstand op het parkeerterrein van een winkelcentrum, draaide de auto en schoot Biscayne Boulevard weer op, nu in zuidelijke richting, en amper een blok verderop draaide ik ook de Causeway op. Heel in de verte, bijna bij de eerste brug, zag ik de rode achterlichtjes uitdagend naar me knipogen. Ik ging op het gaspedaal staan en schoot vooruit.
    Hij was inmiddels vlak bij de brug en maakte vaart, zodat de afstand tussen ons ongeveer gelijk bleef. Wat inhield dat hij moest weten, gemerkt moest hebben dat iemand hem volgde. Ik drukte het gaspedaal dieper in en slaagde erin iets op hem in te lopen.
    En toen was hij achter het hoogste punt van de brug verdwenen, reed hij aan de andere kant naar beneden en ging hij met veel te hoge snelheid op North Bay Village af. Een wijk waar veel gepatrouilleerd werd. Als hij te hard reed, zou hij gezien en aangehouden worden. En dan…
    Ik bereikte het hoogste punt van de brug en keek…
    Niets.
    Een verlaten weg.
    Ik minderde vaart, maakte gebruik van het hoge gezichtsveld boven op de brug en keek beide kanten op. Een auto kwam me tegemoet, niet de koelwagen maar een Mercury Marquis met een gedeukte voorbumper. Ik reed de brug af.
    Aan de overkant werd North Bay Village in tweeen gedeeld door de Causeway, die er dwars doorheen liep. Links van me was een benzinestation met daarachter een rij koopflats en appartementen die samen een wijde boog vormden. Aan de rechterkant stonden woningen die er klein maar duur uitzagen. Aan geen van beide kanten zag ik iets bewegen. Er brandde nergens licht en ik zag geen verkeer. Nergens een teken van leven.
    Langzaam reed ik de Village in. Niets te zien. Hij was verdwenen. Op een eiland met maar een hoofdweg had hij me afgeschud. Maar hoe?
    Ik reed de berm in, zette de motor af en deed mijn ogen dicht. Ik weet niet waarom. Misschien hoopte ik wel op een nieuw visioen. Maar er gebeurde niets. Het bleef gewoon donker, afgezien van de dansende lichtpuntjes aan de binnenkant van mijn oogleden. Ik was moe en voelde me oerdom. Ja, ik, de bijdehante Dexter die de helderziende probeerde uit te hangen bij het opsporen van de kwade genius. Hem had achtervolgd in zijn Batmobile. In alle waarschijnlijkheid was hij gewoon een bezorger die verstoppertje had gespeeld met de enige weggebruiker die hij die nacht was tegengekomen. Iets wat in ons mooie Miami elke dag en met elke automobilist gebeurde. Pak me dan, als je kan. Gevolgd door een opgestoken middelvinger, of een geladen pistool, en dan weer snel aan het werk.
    Een doodgewone koelwagen, meer niet, die zich nu richting Miami Beach spoedde terwijl de heavy metal uit de luidspreker van de autoradio knalde. Niet mijn moordenaar en niet een of ander mysterieus teken dat me uit mijn slaap had gehaald en ervoor had gezorgd dat ik midden in de nacht door de stad toerde. Want dat was gewoon te gek voor woorden voor iemand die zo koel en rationeel dacht als ik.
    Ik liet mijn voorhoofd op het stuur rusten. Wat heerlijk toch om een echt menselijke ervaring te mogen genieten. Ik wist nu in ieder geval wat het was om een complete idioot te zijn. In de verte hoorde ik de bel van de ophaalbrug rinkelen om aan te geven dat die zo meteen omhoog zou gaan. Ding-ding-ding. Ik geeuwde. Het was tijd om naar huis en weer naar bed te gaan.
    Achter me werd een auto gestart. Ik keek achterom.
    In een strakke bocht en met flinke snelheid kwam hij achter het benzinestation bij de brug vandaan. Hij schoot slippend langs me heen en door de hoge snelheid zag ik slechts een vage flits toen de bestuurder achter het open raampje iets hard en wild mijn kant op slingerde. Ik dook ineen. Het ding raakte de zijkant van mijn auto en liet er een deuk in achter die me zo te horen een hoop geld ging kosten. Voor de zekerheid wachtte ik even. Toen ging ik rechtop zitten en keek. De koelwagen maakte nog altijd snelheid, reed dwars door de houten slagboom van de brug, die al een stukje openstond, en schoot over de opening terwijl de brugwachter hem verwensingen naschreeuwde. En toen was de koelwagen aan de andere kant uit het zicht verdwenen, achter het gapende gat dat steeds groter werd naarmate de brug zich verder opende. Weg, helemaal weg alsof hij er nooit geweest was. En ik zou nooit weten of het mijn moordenaar was of alleen maar een stomme hufter die een spelletje had willen spelen.
    Ik stapte uit de auto om naar de deuk te kijken. Het was een flinke. Ik keek om me heen om te zien wat hij had gegooid.
    Het was een meter of vijf doorgerold en lag midden op de rijbaan. Zelfs vanaf deze afstand kon ik zien wat het was maar om een eind te maken aan alle twijfel, voor het geval ik die nog mocht hebben, lichtte het voorwerp op in het licht van de koplampen van een naderende auto. De auto zwenkte opzij, schampte een heg en ondanks het aanhoudende gejank van de claxon kon ik de bestuurder horen vloeken. Ik liep naar het ding toe om helemaal zeker te zijn.
    En ja hoor, het was wat ik had gedacht.
    Het hoofd van een vrouw.
    Ik boog me voorover. Het was een schone, kaarsrechte snede, knap werk. Langs de randen van de wond was nauwelijks bloed te zien.
    ‘Goddank,’ zei ik en ik betrapte me erop dat ik glimlachte. En waarom niet?
    Was dat geen enorme opluchting? Ik was toch niet gek.

10

    Om een paar minuten over acht in de ochtend zat ik op de motorkap van mijn auto en kwam LaGuerta naar me toe lopen. Ze stond met haar achterste tegen de auto en schoof naar me toe totdat onze dijbenen elkaar raakten. Ik wachtte totdat ze iets zou zeggen maar ze scheen voor deze gelegenheid geen praatje klaar te hebben. Ik evenmin. Dus zat ik enige tijd naar de brug te staren, voelde de warmte van haar been tegen het mijne en vroeg me af waar onze vriend met zijn koelwagen was gebleven. Maar ik werd uit mijn gedachten gewekt door een lichte druk op mijn dijbeen.
    Ik keek omlaag. LaGuerta had haar hand op mijn dij gelegd en kneedde die alsof het een homp deeg was. Ik keek op naar haar gezicht. Zij keek terug.
    ‘Ze hebben het lijk gevonden,’ zei ze. ‘Je weet wel… de rest… wat bij het hoofd hoort.’
    Ik ging staan. ‘Waar?’
    Ze keek me aan met de blik waarmee een rechercheur kijkt naar iemand die afgehouwen hoofden op straat vindt. Maar ze gaf antwoord. ‘Het Office Depot Center,’ zei ze.
    ‘Waar de Panthers spelen?’ vroeg ik en er trok een ijzig rillinkje door me heen. ‘Op het ijs?’
    LaGuerta knikte maar bleef me aankijken. ‘Het ijshockeyteam,’ zei ze. ‘Heten ze zo, de Panthers?’
    ‘Volgens mij wel,’ zei ik, meer wijsneuzig dan ik gewild had.
    Ze tuitte haar lippen. ‘Het lag in een van de doelen, achter in het net.’
    ‘Het uit- of het thuisdoel?’ vroeg ik.
    Ze knipperde met haar ogen. ‘Maakt dat uit?’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik maak maar een grapje, inspecteur.’
    ‘Want ik zou je het verschil niet kunnen vertellen,’ zei ze. ‘Misschien moet ik er iemand naartoe sturen die verstand van ijshockey heeft.’ Waarna ze haar blik eindelijk van me losmaakte en keek naar het groepje politiemensen dat zich om het hoofd had geschaard. ‘Ik ben blij dat je nog grapjes kunt maken,’ vervolgde ze. ‘Wat is een…’ Ze fronste haar wenkbrauwen en dacht diep na. ‘… een sambolie?’
    ‘Een wat?’
    Ze haalde haar schouders op. ‘Een soort apparaat. Voor het ijs?’
    ‘Een Zamboni?’
    ‘Ja, zoiets. De man die dat ding bestuurt, is er vanochtend mee het ijs op gegaan, om het klaar te maken voor de training. Er zijn een paar spelers die graag vroeg beginnen. En ze houden van glad ijs dus die man, de…’ Ze aarzelde even. ‘… de samboliechauffeur? Hij komt ’s ochtends heel vroeg als er getraind wordt. Dus hij rijdt met dat ding over het ijs en ziet die pakketjes achter in het doel. Hij klimt van het apparaat af en gaat kijken.’ Ze haalde haar schouders weer op. ‘Doakes is daar nu. Hij zegt dat die man zo is geschrokken, dat ze verder geen woord uit hem hebben kunnen krijgen.’
    ‘Ik weet het een en ander van ijshockey,’ zei ik.
    Ze keek me weer aan met een ietwat vermoeide blik in haar ogen. ‘Er is zoveel wat ik niet over je weet, Dexter. Speel je zelf ook?’
    ‘Nee, ik heb het nooit gespeeld,’ zei ik bescheiden. ‘Ik ben een paar keer naar een wedstrijd gaan kijken.’ Ze zei niets en ik moest op mijn lip bijten om niet uit mijn nek te gaan kletsen. Want de werkelijkheid was dat Rita seizoenkaarten voor de Florida Panthers had en dat ik tot mijn eigen grote verbazing had gemerkt dat ik ijshockey best leuk vond. Niet echt de sport zelf, want de vrolijke moordlust waarmee de twee teams elkaar te lijf gingen was me veel te chaotisch. Het was meer het zitten in die grote, koele hal dat ik op de een of andere manier ontspannend vond, hoewel ik het ook prima had gevonden wanneer ze er golf hadden gespeeld. En eerlijk gezegd was ik bereid alles te zeggen zolang dat maar tot effect had dat ik met LaGuerta mee mocht. Ik wilde namelijk heel erg graag naar de Arena. Ik moest dat lijk zien, keurig ingepakt en in het net van het doel op het ijs gepropt, en meer dan alles wilde ik het plastic eraf pellen en dat schone, bloedeloze vlees zien. Ik wilde het zo graag zien, dat ik me voelde als de tekenfilmhond die zijn bot beschermt, wilde er zo graag bij zijn, dat ik het gevoel had dat ik daar recht op had, dat het mijn lijk was.
    ‘Goed dan,’ zei LaGuerta ten slotte, net voordat ik bijna uit mijn vel sprong van ongeduld. En ze wierp me een vaag, merkwaardig glimlachje toe dat deels officieel was en deels… tja, wat? Iets anders, iets menselijks helaas, zodat ik het niet kon plaatsen. ‘Geef me even de tijd om met hen te praten.’
    ‘Dat zou ik heel fijn vinden,’ zei ik, een en al broeierige charme. LaGuerta reageerde er niet op. Misschien had ze me niet gehoord, maar eigenlijk was dat ook niet belangrijk. Het ontbrak haar totaal aan ook maar enig gevoel voor sarcasme wanneer het haar zelfbeeld betrof. Je kon haar met de meest gruwelijke en doorzichtige vleierijen om de oren slaan en ze zou die zonder meer in ontvangst nemen alsof het haar verdiensten waren. Ik vond het allang niet leuk meer om haar te vleien. Er was geen lol aan wanneer er geen uitdaging in zat. Maar ik had geen idee wat ik anders moest zeggen. Waar zou zij over willen praten? Ze had me al genadeloos uitgehoord toen ze hier aankwam.
    We stonden naast mijn arme gedeukte auto en keken naar de opkomende zon. Ze had naar de snelweg staan kijken en me zeven keer gevraagd of ik de bestuurder van de koelwagen had gezien, elke keer op een iets andere toon en terwijl ze me strak aankeek. Ze had me al vijf keer gevraagd of ik er wel zeker van was dat het echt een koelwagen was geweest, wat zelfs voor haar doen weinig subtiel was. Ze had me die vraag nog veel vaker willen stellen, maar ze had zich kunnen beheersen. Daarna had ze haar zelfbeheersing weer verloren en had ze me de vraag zelfs in het Spaans gesteld. Ik had haar gezegd dat ik seguro was, waarna ze me had aangekeken en haar hand op mijn arm had gelegd, maar ze had het niet nog een keer gevraagd.
    Drie keer had ze naar de toerit van de brug staan kijken, haar hoofd geschud en ‘Puta! ’ gemopperd. Dat was duidelijk een verwijzing naar agent Puta, mijn lieve zusje. Het feit dat er een echte koelwagen op het toneel was verschenen, zoals Deborah had voorspeld, maakte het voor LaGuerta noodzakelijk dat ze een zekere mate van flexibiliteit in haar denken introduceerde en aan de manier waarop ze op haar lip stond te bijten, kon ik zien dat ze daar druk mee bezig was. Ik was er vrij zeker van dat ze voor Deb iets onaangenaams zou bedenken — want daar was ze nu eenmaal het beste in — maar voorlopig hoopte ik op een bescheiden stijging in het aanzien van mijn zusje. Niet bij LaGuerta, natuurlijk, maar er was hoop dat haar briljante staaltje denkwerk de anderen niet was ontgaan.
    Vreemd genoeg vroeg LaGuerta me niet wat ik op dat uur van de nacht op de snelweg deed. Hoewel ik geen rechercheur ben, leek het me toch een voor de hand liggende vraag. Het zou misschien onvriendelijk zijn om te zeggen dat dit gebrek aan inzicht typerend voor haar was, maar het was wel zo, want ze vroeg het gewoon niet.
    Toch was er blijkbaar meer voor ons om over te praten, dus liep ik achter haar aan naar haar auto, een grote twee jaar oude lichtblauwe Chevrolet die ze als dienstauto gebruikte. Voor haar vrije tijd had ze een kleine bmw waar niemand van af mocht weten.
    ‘Stap in,’ zei ze, en ik nam plaats op de blauwe stoel naast haar.
    LaGuerta reed hard, zigzagde door het verkeer en binnen een paar minuten waren we weer aan de Miami-kant van de Causeway, voorbij Biscayne en minder dan een kilometer van de i-95. Ze voegde in op de snelweg en scheurde in noordelijke richting met een snelheid die zelfs voor Miami aan de hoge kant was. Maar al heel kort daarna sloegen we af naar Sunrise. Ze observeerde me van opzij, vanuit haar ooghoek, drie keer voordat ze ten slotte iets zei. ‘Dat is een mooi hemd,’ zei ze.
    Ik keek omlaag naar mijn hemd. Ik had het aangeschoten toen ik mijn appartement uit rende en het was alsof ik het nu pas voor het eerst zag, een polyester bowlingshirt met felrode draken erop. Ik had het de vorige dag op mijn werk aangehad en het was rijp voor de was, maar inderdaad, het was nog redelijk schoon. En het was ook best mooi, natuurlijk, maar toch…
    Probeerde LaGuerta een praatje met me te maken zodat ik me voldoende op mijn gemak zou voelen om mezelf te verspreken? Vermoedde ze dat ik meer wist dan ik zei en dacht ze dat ze me zover zou krijgen dat ik me zou blootgeven?
    ‘Je draagt altijd zulke mooie kleren, Dexter,’ zei ze en ze keek me aan met een brede, onbeholpen glimlach, zich onbewust dat ze op het punt stond een tankwagen te rammen. Ze draaide net op tijd haar hoofd om, stuurde met een vinger bij, we zoefden om de tankwagen heen en volgden de 75 verder naar het westen.
    Ik dacht na over de mooie kleren die ik altijd droeg. Natuurlijk deed ik dat. Ik was er trots op het bestgeklede monster in Dade County te zijn. Ja, dat is juist: hij heeft inderdaad die aardige meneer Duarte in mootjes gehakt, maar hij zag er zo keurig uit! De juiste kleding voor alle gelegenheden. Trouwens, wat moest je aantrekken voor een in stukken gehakt lijk in de vroege ochtend? Precies, een bowlingshirt en een bandplooibroek van de dag daarvoor. Ik was in stijl. Maar afgezien van de overhaaste kledingkeuze van de afgelopen nacht was ik heel voorzichtig. Dat was een van Harry’s lessen geweest: verzorg jezelf, kleed je goed en vermijd extra aandacht.
    Maar waarom zou een rechercheur Moordzaken die van politieke spelletjes hield daar ook maar enige aandacht aan schenken? Het was toch niet zo dat…
    Of wel? Er gloorde een lichtje in de verte. Het was iets in die merkwaardige glimlach die heel even haar gezicht beroerde wat me het antwoord gaf. Het was belachelijk, maar wat kon het anders zijn? LaGuerta was niet op zoek naar een manier om me een rad voor ogen te draaien en me vervolgens scherpere vragen te stellen over wat ik had gezien. En mijn kennis van het ijshockey kon haar geen zier schelen.
    LaGuerta probeerde gewoon aardig te zijn.
    Ze mocht me.
    Daar zat ik dan, nog steeds van streek door de enorme schok als gevolg van het bizarre feit dat ik had geprobeerd Rita te kussen… en nu dit? LaGuerta mocht me? Hadden terroristen iets in het drinkwater van Miami gedaan? Was ik bestoven met een of andere onbekende lokstof? Waren alle vrouwen van Miami opeens tot het besef gekomen dat alle mannen hopeloze sukkels waren en was ik tot het nieuwe rolmodel van aantrekkelijkheid gebombardeerd? In alle ernst, wat was er verdomme aan de hand?
    Ik kon het natuurlijk mis hebben. Ik wierp me op de gedachte als een barracuda op een glinsterend aasvisje. Want was het geen bespottelijk vertoon van egotisme om te denken dat een slimme carrierevrouw als LaGuerta ook maar enige interesse in mij als persoon zou hebben? Was het niet veel waarschijnlijker dat… dat…
    Dat wat? Hoe slecht het me ook uitkwam, er zat wel iets in. We zaten min of meer in hetzelfde werk en zoals een oude politiewijsheid zei, was het daardoor waarschijnlijker dat we elkaar begrepen en bereid waren elkaar te vergeven. Het was mogelijk dat onze relatie haar diensturen en jachtige levensstijl kon overleven. En hoewel ik er zelf nooit veel aan had gedaan, was ik heel presentabel. Schoon op het lijf, zoals we dat hier zeggen. En ik spande me al diverse jaren in om charmant tegen haar te zijn. Natuurlijk was dat puur politieke mooipraterij, maar dat hoefde zij niet te weten. Ik was heel goed in charmant zijn. Dat was een van mijn weinige goede eigenschappen. Ik had er lang genoeg voor geoefend en als ik een beetje mijn best deed, merkte niemand dat ik het speelde. Ik was heel erg goed in het zaaien van de zaadjes van de charme. En misschien was het een natuurlijk verschijnsel dat die zaadjes na verloop van tijd ontkiemden.
    Maar ontkiemden tot dit? Wat kregen we nu? Ging ze me uitnodigen voor een rustig dineetje bij haar thuis? Of voor een paar uur zweterige seks in het Cicaque motel?
    Net voordat de paniek compleet toesloeg, kwamen we gelukkig bij de Arena aan. LaGuerta reed er een keer omheen om te zien waar de ingang was. Die was niet moeilijk te vinden. Voor de grote dubbele deuren stond een slordig geparkeerd legertje politiewagens. Ze wrong haar auto ertussen. Ik stapte snel uit voordat ze haar hand op mijn knie kon leggen. Zij stapte ook uit, bleef me even aankijken en trok een mondhoek op.
    ‘Ik ga kijken,’ zei ik. Net niet rennend liep ik de Arena in. Ja, ik was op de vlucht voor LaGuerta maar was er ook erg op gebrand om te zien wat mijn creatieve vriend had gedaan, om naast zijn werk te staan, het wonder in te ademen en ervan te leren.
    Binnen in het stadion hoorde ik het zachte, galmende gemompel dat je op elke plaats delict hoort, maar toch had ik de indruk dat er hier een speciale tinteling in de lucht hing, een onderdrukt gevoel van opwinding en spanning dat je op een gewone plaats delict niet aantrof, het gevoel dat hier iets bijzonders aan de hand was en dat er nieuwe, geweldige dingen te gebeuren stonden. Maar misschien lag het wel aan mij. Bij het dichtstbijzijnde doel stond een groepje mensen. Enkelen van hen droegen het uniform van de politie van Broward en ze keken met de armen over elkaar toe terwijl korpschef Matthews met een andere man in pak ruziemaakte over de jurisdictie van de misdaad. Toen ik dichterbij kwam, zag ik Angel in een voor hem ongebruikelijke houding. Hij stond rechtop naast een kalende man die op een knie met zijn pen in een hoopje netjes ingepakte pakketjes zat te porren.
    Ik bleef bij de balustrade staan en keek door het glas. Daar was het dan, amper drie meter van me vandaan. Het zag er zo perfect en puur uit op het spiegelende ijs, dat zo te zien net met de Zamboni was bewerkt. Iedere juwelier kan u vertellen dat de juiste zetting van vitaal belang is voor het uiteindelijke juweel, maar dit… dit was gewoonweg adembenemend. Absolute perfectie. Ik voelde me een beetje duizelig worden en wist opeens niet zo zeker meer of de balustrade mijn gewicht wel kon houden, of ik niet als een geest dwars door de hardhouten leuning zou vallen.
    Zelfs vanaf enige afstand kon ik het zien. Hij had de tijd genomen en had zijn best gedaan, ondanks het feit dat ik nog niet zo lang geleden op de Causeway achter hem aan had gejaagd. Of had hij op de een of andere manier geweten dat hij van mij niets te vrezen had?
    En nu ik daarover nadacht, was dat ook zo en had hij van mij niets te vrezen? Was ik echt van plan hem te volgen tot in zijn schuilhol om vervolgens alles aan Deborah over te dragen om haar carriere uit het slop te halen? Ik dacht wel dat ik dat aan het doen was, maar was ik ook sterk genoeg om dat vol te houden als de zaak zich op zo’n interessante manier bleef ontwikkelen? Want hier waren we dan, in het ijshockeystadion waar ik zoveel aangename uren had doorgebracht, en was dit niet wederom bewijs dat deze kunstenaar — neem me niet kwalijk, ik bedoel natuurlijk deze ‘moordenaar’ — praktisch dezelfde technieken hanteerde als ik? Moet je zien wat een prachtig werk hij hier had geleverd.
    En het hoofd… het hoofd was de sleutel. Dat vormde natuurlijk een veel te belangrijk aspect van waar hij mee bezig was om het gewoon bij de rest achter te laten. Had hij het naar me toe gegooid om me bang te maken, om gevoelens van angst en afschuw bij me teweeg te brengen? Of had hij op de een of andere manier aangevoeld dat ik net zo was als hij? Voelde hij misschien ook dat we iets met elkaar gemeen hadden, of was hij gewoon in een speelse bui geweest? Daagde hij me uit? Hij moest een belangrijke reden hebben gehad om me die trofee te geven. Ik was ten prooi aan zulke sterke, duizelingwekkende gevoelens… hoe was het dan mogelijk dat hij niets voelde?
    LaGuerta kwam naast me staan. ‘Wat heb je een haast,’ zei ze, met een spoortje van verwijt in haar stem. ‘Ben je bang dat ze wegloopt?’ Ze knikte naar het hoopje ingepakte lichaamsdelen.
    Ik wist dat er diep binnen in me wel ergens een snedig antwoord moest zitten, iets wat een glimlach op haar gezicht zou brengen, haar nog meer voor me zou innemen en de plooitjes van mijn plotselinge vlucht uit haar auto zou gladstrijken, maar toen ik daar bij de balustrade stond en keek naar het lijk op het ijs, in het net van het doel — die indrukwekkende presentatie — wilde er niets naar boven komen. Het lukte me om niet tegen haar te schreeuwen dat ze haar mond moest houden, maar het scheelde heel weinig of ik had het gedaan.
    ‘Ik moest het zien,’ zei ik naar waarheid, waarna ik me herstelde en eraan toevoegde: ‘Het is het doel van het thuisteam.’
    Ze gaf me een speels klapje op mijn arm. ‘Je bent onmogelijk,’ zei ze. Gelukkig kwam brigadier Doakes onze kant op lopen en had LaGuerta geen tijd om ondeugend naar me te giechelen, want dat zou ik niet hebben kunnen verdragen. Zoals altijd leek Doakes meer geinteresseerd in het bedenken van de juiste manier om mijn ribbenkast in tweeen te scheuren dan in iets anders, en hij wierp me zo’n broeierige, doordringende welkomstglimlach toe, dat ik me snel excuseerde en de twee alleen liet. Hij keek me na met een blik alsof hij vermoedde dat ik ergens schuldig aan was en niets liever wilde dan mijn gangen nagaan om uit te vinden wat dat was. Ik weet zeker dat hij een stuk gelukkiger zou zijn in een land waar het de politie was toegestaan af en toe eens een arm of pols te breken. Ik liep bij hem vandaan, langs de balustrade, op zoek naar de opening waar ik het ijs op kon. Ik had die net gevonden toen er vanuit mijn blinde hoek iets op me afkwam en ik een nogal harde por in mijn ribben kreeg.
    Met een gespannen glimlach draaide ik me om naar mijn belager. ‘Hallo, zusje,’ zei ik. ‘Wat fijn om weer eens een vriendelijk gezicht te zien.’
    ‘Vuile schoft!’ siste ze naar me.
    ‘Dat zou kunnen,’ zei ik. ‘Maar waarom kom je daar nu ineens mee?’
    ‘Omdat jij, akelige rotzak, een spoor had en me niet hebt gebeld!’
    ‘Een spoor?’ zei ik half stotterend. ‘Hoe kom je erbij dat ik…’
    ‘Lul niet, Dexter,’ snauwde Deborah naar me. ‘Je reed niet om vier uur ’s nachts door de stad omdat je naar een hoertje op zoek was. Je wist waar hij was, verdomme.’
    Er ging me een lichtje op. Ik was zo in beslag genomen geweest door mijn eigen problemen, die waren begonnen met mijn droom — die duidelijk meer was geweest dan alleen een droom — en daarna door die benauwende confrontatie met LaGuerta, dat ik er geen moment aan had gedacht dat ik Deborah tekort had gedaan. Ik had mijn informatie niet aan haar doorgegeven. Natuurlijk was ze boos. ‘Het was geen spoor, Deb,’ zei ik, in een poging haar een beetje te kalmeren. ‘Geen concreet spoor. Alleen maar een… een gevoel. Een idee, meer niet. Eigenlijk helemaal niks…’
    Ze stoof weer op. ‘Behalve dat het wel iets bleek te zijn,’ snauwde ze. ‘Je hebt hem gevonden.’
    ‘Dat weet ik nog zo net niet,’ zei ik. ‘Volgens mij heeft hij mij gevonden.’
    ‘Hou op met bijdehand doen,’ zei ze, en ik stak mijn handen op om aan te geven dat ze nu wel het onmogelijke van me vroeg. ‘Je had het me beloofd, verdomme.’
    Ik kon me niet herinneren dat ik haar had beloofd dat ik haar midden in de nacht zou bellen om haar mijn dromen te vertellen, maar het leek me niet verstandig om dat nu tegen haar te zeggen. ‘Het spijt me, Deb,’ zei ik. ‘Ik geloofde echt niet dat er iets uit zou komen. Het was maar een… een voorgevoel, echt.’ Ik was niet van plan om te proberen de parapsychologische aspecten van het gebeuren uit te leggen, zelfs niet aan Deb. Of misschien vooral niet aan Deb. Maar toen kwam er een andere gedachte in me op. Ik ging zachter praten. ‘Misschien kun je me helpen. Wat moet ik hun vertellen als ze op het idee komen om me te vragen waarom ik daar om vier uur ’s nachts rondreed?’
    ‘Heeft LaGuerta je al uitgehoord?’
    ‘Op slopende wijze,’ zei ik en ik onderdrukte een rilling.
    Deb trok een afkerig gezicht. ‘En zij heeft het niet gevraagd.’ Het was geen vraag.
    ‘Ik weet zeker dat de inspecteur veel aan haar hoofd heeft,’ zei ik, maar ik voegde er niet aan toe dat ik daar zelf blijkbaar ook deel van uitmaakte. ‘Maar vroeg of laat zal iemand het vragen.’ Ik keek naar de plek waar ze het onderzoek stond te leiden. ‘Vermoedelijk brigadier Doakes,’ zei ik met oprechte ongerustheid.
    Ze knikte. ‘Doakes is een goed politieman. Jammer dat hij altijd zo vijandig overkomt.’
    ‘Hij is een en al vijandigheid,’ zei ik. ‘Om de een of andere reden mag hij me niet. Hij zal me alles vragen als hij denkt dat hij me daarmee het leven zuur kan maken.’
    ‘Vertel hem dan de waarheid,’ zei Deborah doodleuk. ‘Maar vertel die eerst aan mij.’ En ze porde me weer in mijn ribben, precies op dezelfde plek.
    ‘Alsjeblieft, Deb,’ zei ik, ‘je weet hoe snel ik blauwe plekken krijg.’
    ‘Nee, dat wist ik niet,’ zei ze. ‘Maar je hebt het ernaar gemaakt.’
    ‘Het zal niet weer gebeuren,’ beloofde ik. ‘Het was alleen maar zo’n ingeving die je soms om drie uur ’s nachts krijgt, Deborah. Wat zou je gezegd hebben als ik je uit bed had gebeld en als zou blijken dat ik er compleet naast zat?’
    ‘Maar dat was niet zo, want je zat goed,’ zei ze, met een derde por in mijn ribben.
    ‘Ik had dat echt niet verwacht. En dan zou ik mezelf schuldig hebben gevoeld omdat ik je erbij betrokken had.’
    ‘Stel je eens voor hoe ik me zou hebben gevoeld als hij je had vermoord,’ zei ze.
    Die opmerking overrompelde me. Ik had geen flauw idee wat ze zou hebben gevoeld. Berouw? Teleurstelling? Woede? Voor dat soort dingen moet je dus niet bij mij zijn. Dus herhaalde ik maar weer: ‘Echt, Deb, het spijt me.’ En omdat ik zo’n opgewekt mens ben die altijd de zon ziet schijnen, voegde ik eraan toe: ‘Maar de koelwagen was er in ieder geval wel.’
    Ze keek me aan en knipperde met haar ogen. ‘Je hebt de koelwagen gezien?’
    ‘O, Deb,’ zei ik, ‘hebben ze je dat niet verteld?’
    Ze porde me nog harder, en weer op dezelfde plek. ‘Godverdomme, Dexter,’ beet ze me toe. ‘Vertel op over die koelwagen.’
    ‘Die was er, Deb,’ zei ik, een beetje gegeneerd vanwege haar onverhulde emotionele reactie en, natuurlijk, het feit dat ik bont en blauw werd gepord door een aantrekkelijke jonge vrouw. ‘Hij reed in een koelwagen. Toen hij het hoofd naar me toe gooide.’
    Ze pakte me bij mijn bovenarmen en staarde me aan. ‘Dat meen je verdomme niet,’ zei ze ten slotte.
    ‘Dat meen ik verdomme wel.’
    ‘Jezus christus,’ zei ze, waarna ze langs me heen in de verte staarde en daar ongetwijfeld haar promotie zag zweven. En ze wilde vast nog veel meer zeggen maar op dat moment verhief Angel zijn stem in het galmende gemompel van de Arena. ‘Inspecteur?’ riep hij naar LaGuerta. Het was een bijzonder geluid, de halfgesmoorde roep van een man die nooit in het openbaar zijn stem verhief, en dat zorgde ervoor dat iedereen onmiddellijk doodstil was. De toon drukte zowel schrik als trots uit: ik heb iets belangrijks gevonden maar o, mijn god. Alle hoofden werden Angels kant op gedraaid en hij knikte naar de knielende kale man die langzaam en heel voorzichtig iets uit de bovenste zak haalde.
    Uiteindelijk kreeg hij het ding eruit maar liet het toen vallen, en het schoot weg over het ijs. Hij probeerde het te pakken, gleed uit en gleed achter het glimmende ding uit de vuilniszak aan, totdat beide tegen de boarding tot stilstand kwamen. Met trillende hand pakte Angel het voorwerp op en hield het omhoog zodat wij het konden zien. De plotselinge stilte in de Arena was net zo ontzagwekkend, adembenemend en beeldschoon als het aanzwellende, donderende applaus bij de onthulling van het werk van een genie.
    Het was de achteruitkijkspiegel van de koelwagen.

11

    De deken van stilte die op ons neerdaalde, verdween alweer snel. Meteen daarna klonken de stemmen weer op, met een ander geluid, en deed iedereen zijn best om de vondst te zien, die te verklaren en erover te speculeren.
    Een spiegel. Wat had die verdomme te betekenen?
    Goeie vraag. Ondanks het feit dat de vondst diepe indruk op me maakte, had ik niet meteen theorieen klaar over wat die te betekenen kon hebben. Met echte kunst ging dat soms zo. Je werd door iets gegrepen en wist niet waarom. Was hier sprake van een dieper symbolisme? Een cryptische boodschap? Een wanhoopsschreeuw om hulp en begrip? Moeilijk te zeggen, en voor mij op dit moment ook niet het allerbelangrijkste. Ik wilde het gebeuren alleen maar inademen. Anderen mochten zich zorgen maken over hoe het ding daar terecht was gekomen. Misschien was de spiegel gewoon losgeraakt en had hij die in de eerste de beste vuilniszak gestopt.
    Dat was natuurlijk niet zo. En zonder het te willen ging ik er nu ook over nadenken. De spiegel was ingepakt met een reden, een heel belangrijke reden. Dit waren voor hem ook geen vuilniszakken. Zoals hij met zijn elegante uitstalling in het ijshockeydoel had aangetoond, vormde presentatie een belangrijk onderdeel van wat hij deed. Hij zou geen enkel detail verwaarlozen. En daarom begon ik na te denken over wat de spiegel te betekenen kon hebben. Ik moest aannemen dat, hoe geimproviseerd het misschien ook leek, het inpakken van de spiegel bij de lichaamsdelen doelbewust was gebeurd. En daarnaast had ik het gevoel, een borrelende sensatie die ergens achter mijn longen begon, dat hier sprake was van een heel zorgvuldig geplande boodschap aan iemand.
    Een boodschap aan mij?
    En zo niet aan mij, aan wie dan? De rest van de daad was een boodschap aan de wereld in het algemeen: zie wat ik ben. Zie wat we allemaal zijn. Zie wat ik daaraan doe. De spiegel maakte geen deel uit van dat laatste statement. Het verdelen van het lijk in stukken alsmede het laten weglopen van het bloed was zowel elegant als noodzakelijk. Maar de spiegel was een heel andere zaak, zeker als die afkomstig bleek te zijn van de koelwagen waar ik achteraan had gereden. Elegant, zeker, maar wat zei het over de werkelijke stand van zaken? Niets. De spiegel was toegevoegd met een ander doel, en dat doel moest een nieuw, ander soort statement zijn. Die gedachte trok als een tintelende elektrische stroom door me heen. Want als de spiegel afkomstig was van die specifieke koelwagen, kon de boodschap alleen voor mij bedoeld zijn.
    Maar wat was die boodschap?
    ‘Wat moet dit verdomme voorstellen?’ zei Deb naast me. ‘Een spiegel? Waarom?’
    ‘Dat weet ik niet,’ zei ik terwijl ik de tinteling nog steeds door me heen voelde trekken. ‘Maar ik wed om een etentje bij Joe’s Stone Crabs dat die van de koelwagen is.’
    ‘Nee, geen weddenschap,’ zei ze. ‘Maar het geeft in ieder geval antwoord op een belangrijke vraag.’
    Ik keek haar geschrokken aan. Had ze een gedachtesprong gemaakt die mij was ontgaan? ‘Welke vraag, zusje?’
    Ze knikte naar het groepje korpschefs dat een eindje verderop nog steeds stond te ruzien. ‘Over de jurisdictie. Dit is onze zaak. Kom mee.’
    Uiterlijk was inspecteur LaGuerta niet erg onder de indruk van het nieuwe bewijsstuk. Misschien was ze diep in haar hart wel bezorgd over het symbolisme van de spiegel en wat dat te betekenen kon hebben, en verborg ze dit onder een zorgvuldig aangebrachte facade van onverschilligheid. Of anders was ze echt zo dom als een kist vol keien. Ze stond nog steeds met Doakes te praten. Het sprak in zijn voordeel dat hij een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht had, maar het kon zijn dat zijn aangezichtsspieren gewoon moe waren geworden van die eeuwige valse roofdierenblik en dat ze iets nieuws wilden proberen.
    ‘Morgan,’ zei LaGuerta tegen Deb. ‘Ik herkende je niet met kleren aan.’
    ‘Er zijn wel meer overduidelijke dingen die iemand kunnen ontgaan, inspecteur,’ zei Deb voordat ik haar kon tegenhouden.
    ‘Inderdaad,’ zei LaGuerta. ‘Daarom zullen sommigen van ons het nooit tot inspecteur brengen.’ Het was een totale en moeiteloze zege en LaGuerta nam niet eens de moeite om ervan te genieten. Ze wendde zich af van Deb en zei tegen Doakes: ‘Zoek uit wie de sleutels van de Arena hebben. Wie hier naar binnen kan wanneer hij dat wil.’
    ‘Oke,’ zei Doakes. ‘Moeten we ook alle sloten controleren om te zien of iemand er een geforceerd heeft?’
    ‘Nee,’ zei LaGuerta, met guitig gefronste wenkbrauwen. ‘We hebben nu het verband met het ijs.’ Ze keek om naar Deborah. ‘Die koelwagen is alleen gebruikt om ons in de war te brengen.’ Ze wendde zich weer tot Doakes. ‘De weefselschade moet veroorzaakt zijn door het ijs, dit ijs. Dus de moordenaar moet iets te maken hebben met het ijs in dit stadion.’ Ze draaide zich nog een laatste keer om naar Deb. ‘Niet met een koelwagen.’
    ‘Oke,’ zei Doakes. Hij klonk niet overtuigd, maar hij had de leiding niet.
    LaGuerta richtte zich tot mij. ‘Ik denk dat jij wel naar huis kunt gaan, Dexter,’ zei ze. ‘Als ik je nodig heb, weet ik waar je woont.’ Het ontbrak er nog maar aan dat ze naar me knipoogde.
    Deborah liep met me mee naar de uitgang van de Arena. ‘Als het zo doorgaat, ben ik binnen een jaar klaar-over,’ mompelde ze tegen mij.
    ‘Onzin, Deb,’ zei ik. ‘Binnen twee maanden, hooguit.’
    ‘Je wordt bedankt.’
    ‘Luister, je kunt LaGuerta niet en plein publique aanvallen. Heb je niet gezien hoe brigadier Doakes het deed? Jezus, je moet een beetje subtieler zijn.’
    ‘Subtieler?’ Ze bleef opeens staan en pakte me vast. ‘Luister, Dexter,’ zei ze. ‘We zijn hier geen spelletje aan het spelen.’
    ‘Toch is het dat wel, Deb. Een politiek spel. En jij speelt het niet volgens de regels.’
    ‘Ik speel het helemaal niet,’ zei ze boos. ‘Er staan hier mensenlevens op het spel. Er loopt een slachter vrij rond en dat blijft zo zolang die halfgare LaGuerta hier de leiding heeft.’
    Ik voelde iets van hoop maar onderdrukte die. ‘Dat kan wel zo zijn…’
    ‘Dat is zo,’ hield Deb vol.
    ‘… maar, Deborah, we hebben er niets aan als je je laat verbannen naar de verkeerspolitie op Coconut Grove.’
    ‘Nee,’ zei ze, ‘maar we hebben er wel iets aan als ik de moordenaar kan vinden.’
    Nou, daar had je het dan. Sommige mensen hebben echt geen idee hoe het leven in elkaar zit. Voor het overige was Deborah een heel intelligent mens, echt waar. Ze had al Harry’s eigenschappen geerfd, zijn aardse directheid en zijn rechtstreekse manier om de dingen tegemoet te treden, maar dan zonder zijn ervaring en wijsheid waarop beide gestoeld waren. Harry’s directheid was een manier geweest om door de buitenlaag te dringen. Die van Deborah was een manier om te doen alsof die er niet was.
    Ik kreeg een lift terug naar mijn auto van een van de patrouilleteams die voor de Arena hadden gepost. Ik reed naar huis terwijl ik fantaseerde dat ik het hoofd nog had, zorgvuldig ingepakt in vloeipapier, op de achterbank, om het mee naar huis te nemen. Afstotelijk en stompzinnig, ik weet het. Voor het eerst kon ik iets begrijpen van die meelijwekkende, onderdanige mannen die niets liever deden dan aan vrouwenschoenen ruiken of die met gedragen slipjes in de zak van hun jasje rondliepen. Een heel naar gevoel dat ervoor zorgde dat ik bijna net zo graag onder de douche had willen gaan staan als het hoofd had willen strelen.
    Maar ik had het hoofd niet. Er zat niets anders op dan naar huis te gaan. Ik reed vrij langzaam, een kilometer of vijf onder de maximumsnelheid. In Miami is dat alsof je een reusachtige sticker met rij me aan op je achterbumper hebt. Niemand reed me echt aan, natuurlijk. Want dan zouden ze vaart moeten minderen. Maar er werd zeven keer naar me getoeterd, er werden acht middelvingers naar me opgestoken en vijf auto’s schoten met brullende motoren langs me heen, zowel over de stoep als over de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer.
    Maar vandaag konden zelfs de energieke fratsen van mijn medeweggebruikers me niet opbeuren. Ik was doodmoe, in verwarring en ik moest nodig nadenken, ver weg van de galmende stemmen in de Arena en het stompzinnige geklets van LaGuerta. Langzaam rijden gaf me de tijd om na te denken over de betekenis van alles wat er was gebeurd. En ik betrapte mezelf erop dat er een zinsnede in mijn hoofd bleef hangen en door de holten van mijn vermoeide brein bleef stuiteren. En die zinsnede ging een eigen leven leiden. Hoe vaker ik hem hoorde, hoe logischer hij me voorkwam. En algauw werd hij een verleidelijke mantra die verder ging dan het gezonde verstand. Ze werd de sleutel bij het nadenken over de moordenaar, over het hoofd dat over de weg rolde en de achteruitkijkspiegel die tussen die prachtige, droge lichaamsdelen verstopt zat.
    Als ik het was geweest…
    Zoals in: ‘Als ik het was geweest, wat zou ik dan met die spiegel hebben willen zeggen?’ Of: ‘Als ik het was geweest, wat zou ik dan met de koelwagen hebben gedaan?’
    Natuurlijk was ik het niet geweest en was mijn jaloezie heel slecht voor de ziel, maar aangezien ik die niet had, voorzover ik wist, maakte dat niet veel uit. Als ik het wel was geweest, zou ik de koelwagen op een plek niet ver van de Arena in het water hebben gedumpt. En daarna zou ik me zo ver mogelijk uit de voeten hebben gemaakt… in een auto die ik ergens had verstopt? Een gestolen auto? Dat hing ervan af. Als ik het was geweest, zou ik dan lang van tevoren hebben gepland het lijk in de Arena achter te laten, of werd dat idee pas geboren als een reactie op de achtervolging op de Causeway?
    Behalve dat dat nergens op sloeg. Hij kon onmogelijk hebben voorzien dat iemand hem naar North Bay Village achterna zou rijden… toch? Maar hoe kon het dan dat hij het hoofd klaar had liggen om het naar me toe te gooien? En waarom zou hij de rest van het lijk dan naar de Arena hebben gebracht? Dat kwam mij voor als een merkwaardige keuze. Ja, natuurlijk was er daar ijs en was de kou een goede zaak. Maar aan de andere kant was er die grote open ruimte die helemaal niet paste bij mijn ideeen over het intieme moment van het dumpen… tenminste, als ik het was geweest. Er was sprake van een nare, desolate kaalheid die absoluut niet paste in het creatieve proces. Leuk om een keer naartoe te gaan, maar niet het atelier van de echte kunstenaar. Een dumpplek maar geen werkruimte. Het ontbrak hier gewoon aan het juiste gevoel.
    Tenminste, als ik het was geweest.
    Dus was de Arena een willekeurige keuze geweest. De politie zou er conclusies uit trekken, conclusies die hen hoogstwaarschijnlijk in de verkeerde richting zouden sturen. Als ze zich tenminste bewust werd dat er een richting was waarin ze gestuurd konden worden, iets wat steeds onwaarschijnlijker werd.
    En dan was er nog het extra detail van de spiegel. Als ik het bij het rechte eind had over zijn redenen om de Arena te nemen, dan werd dat bevestigd door de toevoeging van de spiegel. Die vormde een commentaar op wat er daarvoor was gebeurd en hield verband met het hoofd dat hij naar me toe had gegooid. Op die manier werd het een statement waarin alle andere aanwijzingen samenkwamen, keurig ingepakt, net als de afgehouwen lichaamsdelen, als een elegante onderstreping van het eigenlijke werk. Maar, als ik het was geweest, wat zou dat statement dan zijn?
    Ik zie je.
    Ja, natuurlijk was het dat, ondanks het feit dat het zo voor de hand lag. Ik zie je. Ik weet dat je achter me rijdt en ik hou je in de gaten. Maar ik rij ook een stuk voor je uit. Ik bepaal waar je naartoe gaat en hoe hard je rijdt en ondertussen hou ik je in de gaten. Ik zie je. Ik weet wie je bent en waar je bent en het enige wat je van mij weet, is dat ik je zie. Ik zie je.
    Die uitkomst klopte volgens mij. Maar waarom nam ze mijn ongerustheid niet weg?
    Bovendien, hoeveel hiervan kon ik aan de arme Deborah vertellen? Dit begon zo persoonlijk te worden, dat ik steeds meer de neiging had om te vergeten dat er een publieke kant aan zat, de kant die belangrijk was voor mijn zus en haar carriere. Ik kon onmogelijk tegen haar of iemand anders zeggen dat ik geloofde dat de moordenaar mij iets probeerde te vertellen en dat ik dacht dat ik wist wat dat was. Maar was er daarnaast nog iets anders dat ik haar moest vertellen, en wilde ik dat eigenlijk wel?
    Dit was te veel voor me. Ik moest eerst slapen voordat ik dit allemaal kon uitdokteren.
    Ik kreunde nog net niet toen ik in bed kroop maar het scheelde niet veel. Al snel gaf ik me over aan de slaap, liet ik me opslokken door het duister. En ik had bijna tweeenhalf uur geslapen toen de telefoon begon te rinkelen.
    ‘Met mij,’ zei de stem aan de andere kant.
    ‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘Deborah, he?’ Natuurlijk was ze het.
    ‘Ik heb de koelwagen gevonden.’
    ‘He, gefeliciteerd, Deb. Dat is geweldig nieuws.’
    Het bleef lange tijd stil aan de andere kant van de lijn.
    ‘Deb?’ vroeg ik ten slotte. ‘Dat is toch goed nieuws?’
    ‘Nee,’ antwoordde ze.
    ‘O.’ Mijn hoofd bonsde van de slaap en ik voelde me als een vloerkleed dat met de mattenklopper wordt bewerkt, maar ik probeerde me te concentreren. ‘Eh, Deb… wat heb je… wat is er gebeurd?’
    ‘Ik heb de auto geidentificeerd,’ zei ze. ‘Om er absoluut zeker van te zijn. Foto’s, framenummers, alles. Daarna heb ik het als een brave padvindster aan LaGuerta verteld.’
    ‘En ze geloofde je niet?’ vroeg ik verbijsterd.
    ‘Waarschijnlijk wel.’
    Ik wilde met mijn ogen knipperen maar die waren nog dicht dus dat ging niet. ‘Sorry, Deb, maar ik kan je niet volgen. Ligt dat aan mij?’
    ‘Ik heb geprobeerd het haar uit te leggen,’ zei Deborah met een vermoeid, timide stemmetje dat me het afschuwelijke gevoel gaf dat ik zonder reddingsvest in de golven dreef. ‘Ik heb haar het hele verhaal verteld. Ik ben zelfs beleefd gebleven.’
    ‘Goed van je,’ zei ik. ‘En wat zei ze?’
    ‘Niks,’ zei Deb.
    ‘Helemaal niks?’
    ‘Helemaal niks,’ herhaalde Deb. ‘Bedankt, dat was het enige wat ze zei. Daarna wierp ze me een vreemd, half glimlachje toe en liep ze weg.’
    ‘Maar, Deb,’ zei ik, ‘je kunt niet van haar verwachten dat ze…’
    ‘En toen ontdekte ik waarom ze zo vreemd naar me glimlachte,’ vervolgde Deb. ‘Alsof ik een idioot was en zij eindelijk een manier had bedacht om me te lozen.’
    ‘O, nee,’ zei ik. ‘Bedoel je dat je van de zaak bent gehaald?’
    ‘We zijn allemaal van de zaak gehaald, Dexter,’ zei Deb en ze klonk zo vermoeid als ik me voelde. ‘LaGuerta heeft een arrestatie verricht.’
    Het was opeens zo stil aan de lijn, dat ik niet meer kon nadenken, maar ik was in ieder geval wel klaarwakker. ‘Wat?’ vroeg ik.
    ‘LaGuerta heeft iemand gearresteerd. Een of andere knaap die in de Arena werkt. Ze heeft hem in hechtenis genomen en is ervan overtuigd dat hij de moordenaar is.’
    ‘Dat is onmogelijk,’ zei ik, hoewel ik besefte dat het wel degelijk mogelijk was. Dat hersenloze rotwijf! LaGuerta, niet Deb.
    ‘Dat weet ik, Dexter. Maar probeer LaGuerta dat maar eens wijs te maken. Ze is ervan overtuigd dat ze de juiste man te pakken heeft.’ ‘Hoe overtuigd?’ vroeg ik. Mijn hoofd tolde en ik voelde me een beetje misselijk. Ik had geen idee waarom dat was.
    Deb snoof. ‘Over een uur geeft ze een persconferentie,’ zei ze. ‘Voor haar is dat overtuigd.’
    Het bonzen in mijn hoofd werd zo hard, dat ik niet meer kon horen of ze daarna nog iets zei. LaGuerta had iemand gearresteerd? Wie dan? Wie kon ze deze moorden in de schoenen hebben geschoven? Het kon toch niet waar zijn dat ze alle aanwijzingen naast zich neer had gelegd, zich niets had aangetrokken van de geur en het gevoel en de smaak die deze moorden omgaven en toch iemand had gearresteerd? Want iemand die in staat was tot wat deze moordenaar had gedaan — en nog steeds deed — zou nooit en te nimmer toestaan dat een amateur als LaGuerta hem zou pakken. Nooit! Daar durfde ik mijn leven om te verwedden.
    ‘Nee, Deborah,’ zei ik. ‘Dit kan niet. Ze heeft de verkeerde man te pakken.’
    Deborah lachte, een vermoeid, verbitterd smerissenlachje. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dat weet ik. En jij ook. Maar LaGuerta weet het niet. En zal ik je eens iets grappigs vertellen? Hij weet het ook niet.’
    Nu kon ik haar echt niet meer volgen. ‘Wat bedoel je, Deb? Wie weet het niet?’
    Ze herhaalde dat akelige lachje. ‘De knaap die ze heeft gearresteerd. Ik vermoed dat hij bijna net zo erg in de war is als LaGuerta, Dex, want hij heeft bekend.’
    ‘Wat?’
    ‘Hij heeft bekend, Dexter. De idioot heeft bekend.’

12

    Hij heette Daryll Earl McHale en hij was, zoals we dat noemen, een complete mislukkeling. Van de afgelopen twintig jaar had hij er twaalf in de staatsgevangenis van Florida doorgebracht. Brigadier Doakes had zijn naam in de personeelsbestanden van de Arena opgegraven en in een computercontrole voor werknemers met een strafblad voor diefstal en geweldsdelicten was McHales naam twee keer tevoorschijn gekomen.
    Daryll Earl was een dronkelap en hij sloeg zijn vrouw. Blijkbaar pleegde hij af en toe ook overvallen op benzinestations, al was het maar voor de amusementswaarde. Een baantje met minimumloon kon hij ongeveer twee maanden houden. Maar toen, op een mooie vrijdagavond, had hij een paar sixpacks bier achterovergeslagen en was hij gaan geloven dat hij de Toorn van God was. Hij had rondgereden totdat hij een benzinestation tegenkwam dat hem niet aanstond. Hij was zwaaiend met een pistool naar binnen gegaan, had het geld uit de kassa gehaald en was weer weggereden. Vervolgens had hij zijn enorme buit van tachtig a negentig dollar gebruikt om nog meer sixpacks bier te kopen en had hij gedronken totdat hij zich goed genoeg voelde om iemand in elkaar te slaan. Daryll Earl was geen grote man: een vijfenzestig lang en tenger. Dus om het zekere voor het onzekere te nemen was het meestal zijn vrouw die hij in elkaar sloeg.
    Hij had dat zelfs een paar keer straffeloos kunnen doen. Maar op een avond was hij een beetje te ver gegaan en had zijn vrouw een maand lang in het gips gelopen. Ze had hem bij de politie aangegeven en omdat Daryll Earl al een strafblad had, had hij geruime tijd achter de tralies gezeten.
    Hij dronk nog steeds maar blijkbaar had zijn verblijf in Raiford hem genoeg schrik aangejaagd om hem min of meer op het rechte pad te houden. Hij had een baantje als schoonmaker in de Arena gekregen en was erin geslaagd dat te houden. Voorzover de politie wist, had hij zijn vrouw de afgelopen jaren met rust gelaten.
    Onze vriend had zelfs zijn paar momenten van roem gekend toen de Panthers meededen in het toernooi voor de Stanley Cup. Een deel van zijn werk had er namelijk uit bestaan om het ijs op te gaan en het schoon te houden wanneer het publiek er dingen op gooide. In dat Stanley Cup-jaar was dat een hele klus geweest want elke keer dat de Panthers scoorden, hadden de fans honderden plastic ratten op het ijs gegooid. Daryll Earl moest ze allemaal bij elkaar vegen en opruimen, wat geen leuk werk was. Dus had hij op een avond, aangemoedigd door een paar glaasjes goedkope wodka, een van de plastic ratten opgepakt en er een rondedansje mee gedaan. Het publiek had het prachtig gevonden en om meer geschreeuwd. Vanaf dat moment riepen ze er al om zodra Daryll Earl het ijs op kwam en zodoende had hij de rest van het seizoen talloze keren zijn rattendansje gedaan.
    Plastic ratten waren tegenwoordig verboden. En zelfs al was dat niet zo geweest, dan zou niemand ze meer op het ijs hebben gegooid. De Panthers hadden sindsdien namelijk geen doelpunt meer gescoord, maar McHale was nog altijd aanwezig bij de wedstrijden, in de hoop dat hij nog een laatste keer voor de camera zou kunnen schitteren.
    Tijdens de persconferentie speelde LaGuerta dat deel van het verhaal prachtig uit. Ze deed het voorkomen alsof de herinneringen aan die momenten van glorie Daryll Earl over de rand hadden geduwd en hem hadden aangezet tot moord. En met zijn verleden van dronkenschap en geweld jegens vrouwen was hij natuurlijk de perfecte verdachte voor deze reeks brute moorden. Maar de hoeren van Miami konden weer opgelucht ademhalen want er zouden geen moorden meer worden gepleegd. Bezweken onder de immense druk van een diepgaand en nietsontziend verhoor had Daryll Earl bekend. De zaak was gesloten en de meisjes konden weer aan het werk.
    De pers vrat het. Je kon het ze niet eens echt kwalijk nemen, denk ik. LaGuerta had een meesterstukje afgeleverd door net genoeg feiten te geven en die op dusdanige wijze in te kleuren dat vrijwel iedereen overtuigd was. Je hoefde natuurlijk geen intelligentietest te doen om verslaggever te worden. Desondanks hoop ik altijd op een klein wonder. En word ik keer op keer teleurgesteld. Misschien heb ik als kind te veel zwartwitfilms gezien. Waar bleef de wereldwijze cynicus met de drankneus van de grote stadskrant, die een pijnlijke vraag stelde waardoor de onderzoekers werden gedwongen nog eens heel goed naar het bewijs te kijken?
    Maar helaas volgt het leven de kunst niet altijd. En op LaGuerta’s persconferentie werd de rol van Spencer Tracy gespeeld door een reeks mannelijke en vrouwelijke fotomodellen met perfecte kapsels en dure lichtgewichtkostuums. Hun diepgravende vragen gingen niet verder dan: ‘Hoe was het om het hoofd te vinden?’ en: ‘Kunnen we een paar foto’s krijgen?’
    Een enkele verslaggever, Nick Dinges van het plaatselijke persbureau van nbc-tv, vroeg LaGuerta of ze er zeker van was dat McHale de dader was. Maar toen ze daarop antwoordde dat het allesoverheersende overwicht van het bewijs daarop wees en daarnaast de getuigenis doorslaggevend was, liet hij het lopen. Of hij was tevreden, of ze had te moeilijke woorden gebruikt.
    Maar zo ging het dus. De zaak was gesloten en er was recht gedaan. De almachtige machinerie van het ontzagwekkende misdaadbestrijdingsapparaat van de Metro-politie had weer eens gezegevierd boven de duistere krachten die ons mooie Miami bedreigden. Het was een prachtige vertoning. LaGuerta deelde een stel heel sinistere politiefoto’s van Daryll Earl uit, met daaraan geniet haar gloednieuwe glamourfoto waarop ze zogenaamd aan het werk was, gemaakt door een heel trendy fotograaf van 250 dollar per uur op South Beach.
    Samen de ironie ten top: de schijn van gevaar en de dodelijke werkelijkheid, zo volkomen verschillend van elkaar. Want hoe afstotelijk en bruut Daryll Earl er ook uitzag, de echte bedreiging voor de gemeenschap was LaGuerta. Zij had de honden teruggeroepen, de kreten van angst het zwijgen opgelegd en de mensen het brandende gebouw weer in gestuurd.
    Was ik de enige die inzag dat Daryll Earl McHale de moordenaar niet kon zijn? Dat er hier sprake was van een stijl en een vernuft waar een sufkop als McHale nooit zelfs maar een fractie van zou kunnen begrijpen?
    Ik voelde me eenzamer dan ooit in mijn bewondering voor het werk van de echte moordenaar. Elk lichaamsdeel zong me toe in een rapsodie van wonderlijke bloedeloosheid die mijn hart deed juichen en mijn aderen vulde met een verdovend gevoel van ontzag. Maar het zou me er zeker niet van weerhouden mijn kruistocht tegen de echte moordenaar voort te zetten, die harteloze, nietsontziende slachter van onschuldige mensen die absoluut voor de rechter moest worden gebracht. Zo was het toch, Dexter? He, hallo, Dexter?
    Ik zat in mijn woonkamer, wreef mijn slaperige ogen uit en dacht na over de vertoning die ik net op tv had gezien. Als persconferentie was die vrijwel perfect geweest, zo perfect als maar mogelijk was zonder gratis eten en stripteasedanseressen. LaGuerta had duidelijk aan alle touwtjes getrokken die ze in handen had om er de sappigste, grootst mogelijke vertoning van te maken, en daar was ze in geslaagd. Het kon zelfs zo zijn dat LaGuerta voor het eerst in haar hielenlikkerscarriere echt geloofde dat ze de juiste man te pakken had. Ze moest dat wel geloven. Eigenlijk was het heel triest. Ze dacht echt dat ze deze keer alles goed had gedaan. Dit was niet alleen een politieke carrierezet. Nee, ze geloofde echt dat ze een goed staaltje politiewerk had geleverd en dat alle eer haar echt toekwam. Ze had de misdaad opgelost, op haar eigen manier, de dader gepakt en een eind gemaakt aan de moorden. Ze had goed werk geleverd en oogstte nu haar welverdiende applaus. Maar wat zou ze verrast worden wanneer het volgende lijk opdook.
    Want ik wist zonder enige twijfel dat de moordenaar nog vrij rondliep. Hij had waarschijnlijk ook zitten kijken naar de persconferentie op Channel 7, de favoriete zender van mensen met oog voor stijl. Hij zou op dit moment zo hard lachen, dat hij geen mes meer kon vasthouden, maar dat zou gauw weer over zijn. En als het zover was, zou zijn gevoel voor humor hem ongetwijfeld aanzetten tot een reactie op het gebeuren.
    Om de een of andere reden vervulde die gedachte me niet met angst en afkeer en evenmin met de grimmige vastbeslotenheid om deze gek tegen te houden voordat het te laat was. In plaats daarvan voelde ik iets wat op verwachting leek. Ik wist dat dit heel erg verkeerd was, maar misschien voelde het daardoor juist nog beter. O, natuurlijk wilde ik dat deze moordenaar werd gepakt en voor de rechter werd geleid, absoluut, maar moest dat al meteen?
    En er moest ook nog een kleine ruil worden gemaakt. Want als ik mijn aandeel ging leveren in het tegenhouden van de echte moordenaar, dan moest daar op z’n minst iets positiefs tegenover staan. Ik zat daarover na te denken toen de telefoon begon te rinkelen.
    ‘Ja, ik heb het gezien,’ zei ik in de hoorn.
    ‘Jezus,’ zei Deborah aan de andere kant van de lijn. ‘Ik geloof dat ik moet overgeven.’
    ‘Nou, ik kom de rommel niet opdweilen, zusje. We hebben werk te doen.’
    ‘Jezus,’ zei ze nog een keer. ‘Wat voor werk?’
    ‘Vertel op, Deb,’ zei ik. ‘Ben je besmet?’
    ‘Ik ben moe, Dexter. En ik heb meer de ziekte in dan ooit. Is dat correct Engels?’
    ‘Wat ik vraag is of je, zoals papa het genoemd zou hebben, uitgerangeerd bent. Wordt je naam op het bureau door het slijk gehaald? Heeft je professionele reputatie een deuk opgelopen, is die gekleurd, beschadigd, met de grond gelijk gemaakt en word je niet meer serieus genomen?’
    ‘Na al die dolksteken in mijn rug van LaGuerta en die Einstein-grap is mijn reputatie geen bal meer waard,’ zei ze, met meer verbittering dan ik had verwacht van iemand die nog zo jong was.
    ‘Mooi zo, want het is belangrijk dat je niets meer te verliezen hebt.’
    Ze snoof. ‘Fijn dat ik je ter wille kan zijn. Want het is waar, Dexter. Als ik nog verder afzak binnen het korps sta ik straks koffie te zetten op de afdeling Publieksvoorlichting. Wat ben je van plan, Dex?’
    Ik deed mijn ogen dicht en leunde achterover in mijn stoel. ‘Jij gaat een rapport schrijven, aan commissaris Matthews en het hele korps, waarin je stelt dat jij gelooft dat Daryll Earl de verkeerde man is en dat er nog een moord gepleegd zal worden. Je stelt dat jouw onderzoek je enkele goede redenen heeft gegeven om dit te denken, maar je zult wel een tijdje het lachertje van de Metro-politie zijn.’
    ‘Dat ben ik al,’ zei ze. ‘Dus dat maakt niet meer uit. Maar welke reden heb ik om dit te gaan doen?’
    Ik schudde mijn hoofd. Soms kon ik nauwelijks bevatten hoe ongelooflijk naief ze kon zijn. ‘Lief zusje,’ zei ik. ‘Je gelooft toch niet echt dat Daryll Earl schuldig is, of wel soms?’
    Ze gaf geen antwoord. Ik kon haar horen ademhalen en nam aan dat ze moe was, ongeveer net zo moe als ik, of iets meer, want ik voelde nog wat energie omdat ik absoluut zeker wist dat ik gelijk had. ‘Deb?’
    ‘Hij heeft bekend, Dexter,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik weet het niet. Ik heb er eerder naast gezeten, zelfs toen… ik bedoel, hij heeft bekend! Dat betekent toch dat… dat… shit. Misschien is het beter dat we ons terugtrekken, Dex.’
    ‘O, gij, slecht van vertrouwen,’ zei ik. ‘Ze heeft de verkeerde man te pakken, Deborah. En nu ga jij haar laten zien hoe het wel moet.’
    ‘Ja ja, dat zal best.’
    ‘Daryll Earl McHale is de dader niet,’ zei ik. ‘Daar bestaat geen twijfel over.’
    ‘Zelfs als je gelijk hebt, wat dan?’ vroeg ze.
    Nu was het mijn beurt om verbaasd met mijn ogen te knipperen. ‘Pardon?’
    ‘Nou kijk, als ik de moordenaar zou zijn, dan weet ik nu toch dat ik vrijuit ga? Nu die andere vent gearresteerd is, is de klopjacht toch voorbij? Ik kan nu toch gewoon ophouden? Of ergens anders naartoe gaan en daar opnieuw beginnen?’
    ‘Uitgesloten,’ zei ik. ‘Jij begrijpt niet hoe deze man denkt.’
    ‘Nee, dat weet ik,’ zei ze. ‘Hoe komt het dat jij dat wel begrijpt?’
    Ik besloot die vraag te negeren. ‘Hij blijft zitten waar hij zit en hij gaat een nieuwe moord plegen. Hij gaat ons laten zien wat hij van ons denkt.’
    ‘En dat is?’
    ‘Niet veel goeds,’ gaf ik toe. ‘Door een overduidelijke kwezel als Daryll Earl te arresteren, hebben we iets heel doms gedaan. Iets lachwekkends.’
    ‘Ja, ha ha ha,’ zei Deb zonder enig plezier.
    ‘Maar we hebben hem ook beledigd. We hebben een hersenloze, derderangs mislukkeling de eer van zijn werk gegeven, wat net zoiets is als tegen Jackson Pollock zeggen dat je zoontje van zes zijn schilderijen heeft gemaakt.’
    ‘Jackson Pollock? De schilder? Dexter, we hebben het hier over iemand die mensen in stukken hakt!’
    ‘Op zijn eigen bijzondere manier is hij een kunstenaar, Deborah. Zo ziet hij zichzelf in ieder geval.’
    ‘Hou toch op! Dat is het stomste wat ik ooit…’
    ‘Geloof me, Deb.’
    ‘Goed, ik geloof je. Waarom zou ik je niet geloven? Dus we hebben het over een boze, miskende kunstenaar die niet van plan is weg te gaan?’
    ‘Precies,’ zei ik. ‘Hij moet nog een moord plegen. Dat moet onder onze neus gebeuren en waarschijnlijk gaat hij het groter aanpakken.’
    ‘Je bedoelt dat hij deze keer een dikke hoer als slachtoffer neemt?’
    ‘Groter van opzet, Deborah. Met een grotere impact. Smeriger.’
    ‘O, nog smeriger. Met een gehaktmolen.’
    ‘De inzet is omhooggegaan, Deb. We hebben hem uitgedaagd en beledigd en dat zal in de volgende moord te zien zijn.’
    ‘Oke,’ zei ze, ‘en hoe moet ik me dat voorstellen?’
    ‘Dat weet ik niet precies,’ gaf ik toe.
    ‘Maar je weet zeker dat het gaat gebeuren.’
    ‘Ja, dat klopt,’ zei ik.
    ‘Geweldig,’ zei ze. ‘Nu weet ik waar ik naar moet uitkijken.’

13

    Toen ik de volgende dag thuiskwam van mijn werk en de voordeur opendeed, wist ik meteen dat er iets mis was. Er was iemand in mijn huis geweest.
    De deur was niet geforceerd, er was niet aan de ramen gerommeld en ik zag nergens sporen van braak, maar toch wist ik het. Noem het een zesde zintuig, of welke naam u er ook aan wilt geven. Er was iemand binnen geweest. Misschien rook ik de geursporen die de indringer op mijn luchtmoleculen had achtergelaten. Of misschien had hij de aura rondom mijn Lazy Boy-fauteuil verstoord. Het maakte niet uit hoe ik het wist. Ik wist het gewoon. Er was iemand in mijn huis geweest terwijl ik aan het werk was.
    Op zich was dat helemaal niet zo bijzonder. Dit was tenslotte Miami. Er kwamen hier elke dag mensen thuis die ontdekten dat hun tv was verdwenen, dat hun sieraden en elektronische apparaten waren meegenomen, hun leefruimte was binnengedrongen, hun bezittingen waren doorzocht en hun hond zwanger was. Maar bij mij was het anders. Al terwijl ik aan het rondkijken was, wist ik dat er niets zou ontbreken.
    En ik had gelijk. Er ontbrak niets.
    Maar er was wel iets bij gekomen.
    Het kostte me een paar minuten om het te vinden. Ik denk dat een beroepsmatige reflex ervoor zorgde dat ik eerst de bekende dingen controleerde. Wanneer er iemand in je huis was geweest, dan waren normaliter ‘jouw dingen’ verdwenen: speelgoedjes, kostbaarheden, prive-aandenkens, de laatste paar chocoladekoekjes. Dus die zaken bekeek ik het eerst.
    Maar al mijn ‘dingen’ waren er nog: de computer, de geluidsapparatuur, de tv en de video… alles stond nog waar ik het had neergezet. Zelfs mijn kostbare collectie objectglaasjes, elk met een enkele druppel opgedroogd bloed erop, stond nog op zijn plek in de boekenkast.
    Daarna controleerde ik de slaapkamer, de badkamer en het medicijnkastje, voor de zekerheid. Ook daar was alles in orde en leek het erop dat er niets was aangeraakt, maar toch kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat er dingen waren aangeraakt, opgepakt en teruggezet, zij het met zo’n grote zorgvuldigheid, dat zelfs de stoes nog op de juiste plek lagen.
    Ik liep terug naar de woonkamer, liet me in mijn fauteuil zakken, keek om me heen en voelde me opeens onzeker. Ik was er absoluut zeker van dat er iemand binnen was geweest, maar waarom? En wie kon er zo in mijn persoon geinteresseerd zijn dat hij mijn bescheiden huisje binnendrong en alles precies zo achterliet als hij het had aangetroffen? Want er ontbrak niets en alles stond op de juiste plek. De stapel kranten in de doos voor oud papier leek iets naar links over te hellen, of verbeeldde ik me dat? Kon de luchtstroom van de airconditioning daar misschien verantwoordelijk voor zijn? Niets was echt veranderd, verplaatst of verdwenen. Helemaal niets.
    En waarom zou iemand uberhaupt in mijn huis inbreken? Er was niets bijzonders aan mijn huis. Daar had ik wel voor gezorgd. Dat maakte deel uit van mijn Harry-profiel. Ga op in de massa. Doe normaal, op het saaie af. Doe niets of koop niets wat de aandacht zou kunnen trekken. En daar had ik me aan gehouden. Afgezien van de computer en de stereo had ik geen echte kostbaarheden. Er waren andere, veel aantrekkelijker doelwitten in de directe omgeving te vinden.
    De vraag bleef: waarom zou iemand in mijn huis inbreken en vervolgens niets meenemen, niets doen en geen enkel spoor achterlaten? Ik leunde achterover, deed mijn ogen dicht en zei tegen mezelf dat ik me alles verbeeldde. Dit was gewoon te wijten aan mijn gespannen zenuwen. Een direct gevolg van te weinig slaap en te veel zorgen over Deborahs vroegtijdig om zeep geholpen politiecarriere. Gewoon weer zo’n klein symptoom dat de arme oude Dexter aan het afzakken was. Dat hij de laatste pijnloze overgang van sociaal onaangepaste naar psychopaat aan het maken was. Het wordt in Miami niet als een afwijking beschouwd wanneer je denkt dat je wordt omringd door anonieme vijanden. Pas als je je zo gaat gedragen wordt dat als sociaal onacceptabel beschouwd. Als ik zo doorging, konden ze me binnenkort opsluiten.
    En toch bleef het gevoel en was het heel sterk. Ik probeerde het van me af te schudden als onzin, als een oprisping van de zenuwen, een indigestie van tijdelijke aard. Ik stond op, rekte me uit, haalde een keer diep adem en probeerde aan leuke dingen te denken. Het lukte me niet. Ik schudde mijn hoofd en liep naar de keuken voor een glaasje water.
    En daar was het.
    Aan de vriezer, aan het haar aan de deur bevestigd met een van mijn magneetjes in de vorm van tropische vruchten, hing het hoofdje van een barbiepop. Ik kon me niet herinneren dat ik hem daar had opgehangen. Ik kon me ook niet herinneren dat ik ooit een barbiepop had gehad. Dat leek me niet iets wat je zou vergeten.
    Ik stak mijn vinger uit en raakte het kleine hoofdje aan. Het bewoog licht heen en weer en viel met een zacht tik terug tegen het metaal. Het draaide een kwartslag totdat Barbie me aankeek met haar intelligente collieblik. Ik keek terug.
    Zonder echt te weten wat ik deed of waarom trok ik de deur van de vriezer open. Daar, zorgvuldig neergelegd op het bakje met ijsblokjes, lag Barbies bovenlije. De armen en benen waren eruit getrokken en ook het onderlichaam was eraf. Alle lichaamsdelen waren netjes ingepakt en met een roze lintje bij elkaar gebonden. En in een van Barbies handjes was een accessoire geklemd, een piepklein Barbie-kapspiegeltje.
    Na lange tijd deed ik de deur van de vriezer dicht. Het liefst was ik op de grond gaan liggen en had ik mijn wang tegen het koele linoleum gedrukt. Maar in plaats daarvan stak ik mijn pink uit en trok Barbies hoofdje naar voren. Met een zacht tik-tik viel het terug tegen de deur. Ik deed het nog een keer. Tik-tik. Tjonge, ik had een nieuwe hobby.
    Ik liet de pop waar ze was, liep terug naar de woonkamer, liet me in de zachte kussens van mijn fauteuil zakken en deed mijn ogen dicht. Ik wist dat ik me van streek had moeten voelen, boos, bang en gekwetst moest zijn, vol van paranoide vijandigheid en terechte woede. Maar dat was niet zo. Ik voelde me… tja, hoe voelde ik me? Licht in mijn hoofd, meer dan anders. Iets van angst misschien. Of was het opwinding?
    Er bestond natuurlijk geen twijfel over wie er in mijn huis was geweest. Tenzij ik me kon vinden in het idee dat een of andere onbekende om onbekende redenen mijn huis had uitgekozen om daar zijn onthoofde barbiepop tentoon te stellen.
    Nee, ik had bezoek gehad van mijn favoriete kunstenaar. Hoe hij me had gevonden, was niet belangrijk. Het was heel goed mogelijk dat hij mijn kentekennummer had opgeschreven toen ik hem die nacht op de Causeway had achtervolgd. Vanaf zijn schuilplaats achter het benzinestation had hij tijd genoeg gehad om me te observeren. En iedereen die een beetje handig met computers was, kon met behulp van mijn kentekennummer mijn huisadres vinden. Vervolgens was het evenmin bijzonder moeilijk om bij me in te breken, eens goed rond te kijken en ten slotte een boodschap achter te laten.
    En de boodschap was dat het hoofdje apart was opgehangen en de lichaamsdelen netjes ingepakt boven op mijn bakje met ijsblokjes lagen. En dan was er natuurlijk nog dat verdomde spiegeltje. In combinatie met het totale gebrek aan interesse voor alle andere zaken in mijn huis, kon die boodschap maar een ding betekenen.
    Maar wat?
    Wat wilde hij me vertellen?
    Hij had van alles en nog wat in mijn huis kunnen achterlaten. Hij had een bloederig koeienhart met een groot slagersmes op het linoleum in de keuken kunnen vastprikken. Ik was blij dat hij dat niet had gedaan — wat een rommel — maar waarom Barbie? Afgezien van het feit dat de pop het lijk van zijn laatste moord moest voorstellen, waarom moest hij dat dan aan mij vertellen? En was dit griezeliger dan een andere, meer bloederige boodschap, of juist niet? Betekende het: ik hou je in de gaten en ik krijg je wel?
    Of wilde hij zeggen: ‘Hallo, kom je buiten spelen?’
    En dat wilde ik. Natuurlijk wilde ik dat.
    Maar hoe zat het met dat spiegeltje? Dat hij het deze keer had toegevoegd, was niet alleen een verwijzing naar de koelwagen en de achtervolging op de Causeway. Deze keer had het veel meer te betekenen. Maar het enige wat ik kon verzinnen was: kijk naar jezelf. En waar sloeg dat op? Waarom zou ik naar mezelf moeten kijken? Daar ben ik niet ijdel genoeg voor, tenminste, als het om mijn uiterlijke verschijning gaat. En waarom zou ik naar mezelf willen kijken terwijl de enige persoon in wie ik echt interesse had, de moordenaar was? Dus moest dat spiegeltje een andere betekenis hebben, een die ik nog niet kon doorgronden.
    Maar zelfs daarvan kon ik niet helemaal zeker zijn. Het was best mogelijk dat het helemaal geen betekenis had. Ik kon het moeilijk geloven van een elegant kunstenaar als hij, maar het was mogelijk. En de boodschap kon net zo goed heel sinister, gestoord en aan hem zelf gericht zijn. Ik kon het echt niet zeggen. En daarom kon ik ook niet zeggen wat ik eraan moest doen. En of ik er wel iets aan moest doen.
    Ik besloot tot de menselijke keuze. Grappig als je erover nadenkt: ik, die een menselijke keuze maak. Harry zou trots op me zijn geweest. Mijn menselijke keuze was dat ik niets ging doen. Ik zou afwachten en niet aangeven wat er gebeurd was. Wat viel er trouwens aan te geven? Er was niets gestolen. Het enige wat ik kon zeggen was: ah, commissaris Matthews, ik vond dat u moest weten dat er blijkbaar iemand in mijn huis heeft ingebroken en een barbiepop in mijn vriezer heeft gelegd.
    Het kwam niet eens slecht over. Ik was ervan overtuigd dat er op het bureau veel over gepraat zou worden. Misschien mocht brigadier Doakes de zaak wel onderzoeken en zou hij eindelijk de kans krijgen om zijn verborgen talenten op het gebied van creatieve verhoormethoden op me toe te passen. Of ze zouden me gewoon op de lijst ‘mentaal niet in staat te functioneren’ zetten, samen met de arme Deb, want officieel was de zaak gesloten en zelfs toen die nog open was, had hij niets met barbiepoppen van doen.
    Nee, ik kon niets zeggen, in ieder geval niets wat ik kon uitleggen zonder mezelf in de problemen te brengen. Dus nam ik het risico van een zoveelste por in mijn ribben van Deborah en besloot ik zelfs niets tegen haar te zeggen. Om redenen die ik niet kan verklaren, ook niet aan mezelf, was dit een persoonlijke zaak geworden. En door die persoonlijk te houden, had ik een betere kans om dichter bij mijn bezoeker te komen. Om hem uiteindelijk voor de rechter te krijgen… natuurlijk.
    Nadat ik het besluit had genomen, voelde ik me een stuk minder bezwaard. Bijna opgewekt zelfs. Ik had geen idee waar het allemaal toe zou leiden, maar ik was bereid het te nemen zoals ik het voorgeschoteld kreeg. Dat gevoel bleef de hele nacht voortduren en ook de volgende werkdag terwijl ik een labrapport schreef, Deb troostte en een donut van Vince Masuoka pikte. Het duurde zelfs nog voort toen ik ’s avonds door het drukke, moordlustige verkeer naar huis reed. Ik bevond me in een soort meditatieve staat, bereid tot alles en op alle verrassingen voorbereid.
    Tenminste, dat dacht ik.
    Ik was net thuisgekomen en hing languit in mijn fauteuil toen de telefoon begon te rinkelen. Ik liet hem bellen. Ik wilde even op adem komen en kon niets bedenken wat niet een paar minuten kon wachten. Trouwens, ik had bijna vijftig dollar voor een antwoordapparaat betaald dus dat mocht zijn geld nu eens terugverdienen.
    De telefoon ging voor de tweede keer over. Ik deed mijn ogen dicht en ademde diep in. En een derde keer. Ik ademde uit. Het antwoordapparaat klikte aan en mijn prachtig ingesproken boodschap werd afgespeeld.
    ‘Hallo, ik ben er op dit moment niet maar als u na de pieptoon een bericht inspreekt, bel ik u zo gauw mogelijk terug. Bedankt.’
    Wat een stem! En wat een scherpzinnige tekst! Een ronduit prachtig bericht, dat moest gezegd worden. Het was bijna menselijk. Ik was buitengewoon trots op mezelf. Ik ademde weer diep in en luisterde naar de melodieuze piep die volgde.
    ‘Hallo, met mij.’
    Een vrouwenstem. Niet Deborah. Een van mijn oogleden begon te trillen van irritatie. Waarom begonnen zo veel mensen hun boodschap altijd met ‘met mij’? Natuurlijk met jou. Dat weten we allemaal allang. Maar wie ben je, verdomme? In mijn geval was de keuze beperkt. Het was niet Deborah. Ze klonk niet als LaGuerta, hoewel alles mogelijk was. Dan restte er alleen…
    Rita?
    ‘Eh, sorry, ik…’ Een diepe zucht. ‘Hoor eens, Dexter, het spijt me. Ik had gedacht dat je me zou bellen en toen je dat niet deed, dacht ik…’ Nog een zucht. ‘… Hoe dan ook, ik wil met je praten, want ik heb gemerkt dat ik… ik bedoel… o, verdomme. Kun je me… eh, terugbellen? Als… je weet wel.’
    Nee, dat wist ik niet. Verre van dat. Ik wist niet eens zeker wie ik aan de lijn had. Was het echt Rita?
    Weer een diepe zucht. ‘Het spijt me als…’ Gevolgd door een lange stilte waarin ze twee keer ademhaalde. Eerst diep in en lang weer uit. Nog een keer diep in en toen snel en kort uit. ‘Bel me alsjeblieft, Dexter. Gewoon om…’ Weer een stilte. Nog een zucht. En toen hing ze op.
    Het is in mijn leven diverse keren voorgekomen dat ik het gevoel had dat ik iets miste, een of ander essentieel stukje van de puzzel dat alle andere mensen, zonder er ooit over na te denken, wel hadden. Normaliter maakt het me niet uit, want meestal blijkt het te gaan om verbijsterend stompzinnige zaken als voorrang verlenen aan inkomend vliegverkeer of niet te ver gaan tijdens je eerste afspraakje.
    Maar het gebeurt soms ook dat ik het gevoel heb dat ik een of ander groot reservoir van warme wijsheid mis, een eigenschap die ik niet bezit en die voor alle andere mensen zo normaal en vanzelfsprekend is dat ze er nooit over praten of zelfs maar de behoefte voelen om die onder woorden te willen brengen.
    Dit was een van die momenten.
    Ik wist dat er van me werd verwacht dat ik begreep dat Rita in feite iets heel begrijpelijks tegen me zei en dat haar stilten en zuchten samen iets vormden wat elke man intuitief zou aanvoelen. Maar ik had echt geen flauw idee wat dat zou kunnen zijn, noch hoe ik erachter moest komen. Moest ik het aantal zuchten tellen? De stilten timen en de getallen omzetten naar bijbelverzen die me dan een of andere geheime code zouden opleveren? Wat probeerde ze me te vertellen? En sterker nog, waarom?
    Zoals ik het begreep had ik door Rita te kussen — gedreven door een merkwaardige, stompzinnige impuls — een grens overschreden waarvan we waren overeengekomen dat we die niet zouden overschrijden. Daarna was er geen weg terug meer geweest en kon het niet meer ongedaan gemaakt worden. Op zijn eigen manier was die kus een poging tot moord geweest. Of anders was het geruststellend om er op die manier over te denken. Ik had onze zorgvuldig opgebouwde relatie vermoord door mijn tong in het hart ervan te wringen en de relatie in het ravijn te duwen. Boem, dood. Ik had sindsdien niet eens aan Rita gedacht. Ze was er niet meer, uit mijn leven verdwenen door een onbegrijpelijke trivialiteit.
    En nu belde ze me om me te laten horen hoe mooi ze kon zuchten.
    Waarom? Wilde ze me straffen? Me uitschelden? Me met mijn neus in mijn gebrek aan tact duwen? Me dwingen te begrijpen dat ik een onvergeeflijke misdaad had gepleegd?
    Het hele gebeuren irriteerde me meer dan ik prettig vond. Ik ijsbeerde door het huis. Waarom zou ik uberhaupt aan Rita moeten denken? Ik had op dit moment veel belangrijker zaken aan mijn hoofd. Rita was immers mijn valse baard, mijn rare kinderkostuum dat ik in het weekend aantrok om te verhullen dat ik de persoon was die de dingen deed die mijn interessante soortgenoot nu aan het doen was en ik niet.
    Was ik jaloers? Natuurlijk deed ik die dingen nu niet. Daar was ik voorlopig mee klaar. Ik zou ze de eerstkomende tijd zeker niet doen. Veel te riskant. Ik had ook nog niets voorbereid.
    En toch…
    Ik liep de keuken in en liet Barbies hoofdje weer tegen de deur van de vriezer stuiteren. Tik, tik, tik. Er kwam een zeker gevoel in me naar boven. Speelsheid? Diepe bezorgdheid? Beroepsmatige jaloezie? Ik wist het niet en Barbie zei ook niets.
    Het was gewoon te veel voor me. Die nepbekentenis, de onrechtmatige betreding van mijn heiligdom en nu ook nog Rita? Een mens kon maar tot een bepaalde grens getergd worden. Zelfs een nepfiguur als ik. Ik begon me onrustig te voelen, duizelig, verward, hyperactief en doodmoe op hetzelfde moment. Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Het was inmiddels donker en in de verte, boven het water, was een licht naar de hemel geklommen, en de aanblik ervan bracht diep binnen in me een zacht, kwaadaardig stemmetje tot leven.
    Maan.
    Een zacht gefluister in mijn oor. Het was niet eens een geluid, alleen de vage aanwezigheid van iemand die je naam uitsprak, bijna hoorbaar, van heel, heel dichtbij. Het waren geen woorden, alleen het droge geritsel van iets wat geen stem was, een klank die geen klank was, een fluisterende zucht. Mijn gezicht begon te gloeien en opeens kon ik mezelf horen ademhalen. En daar was de stem weer, het zachte geluid dat de buitenste rand van mijn oorschelp beroerde. Ik draaide me om, ook al wist ik dat er niemand achter me stond en dat het geluid niet in mijn oor zat maar afkomstig was van mijn goede vriend binnen in me, die tot leven was gewekt door god weet wat en de maan.
    Die lekkere dikke vrolijke maan. En o, wat had ze een hoop te vertellen. Hoezeer ik ook mijn best deed om haar ervan te overtuigen dat haar timing niet klopte, dat ze veel te vroeg was en dat ik andere, veel belangrijker dingen te doen had, had ze op alles een antwoord, meer dan een zelfs. Dus ook al stond ik daar een kwartier lang te protesteren, ik had geen schijn van kans.
    Ik begon ten slotte wanhopig te worden, verzette me met alles wat ik in me had maar toen ook dat niets opleverde, deed ik iets wat me tot in de kern van mijn ziel raakte. Ik belde Rita.
    ‘O, Dexter,’ zei ze. ‘Ik… ik was bang dat… Fijn dat je belt. Ik wilde alleen maar…’
    ‘Dat weet ik,’ zei ik, hoewel dat natuurlijk niet zo was.
    ‘Kunnen we… Ik weet niet wat je… Kunnen we misschien iets afspreken? Ik zou echt heel graag met je willen praten.’
    ‘Natuurlijk,’ zei ik tegen haar, en we spraken af dat ik bij haar langs zou gaan terwijl ik me nog steeds afvroeg wat me daar te wachten zou staan. Schoppen en slaan? Tranen van verontwaardiging? Scheldkanonnades op vol volume? Ik bevond me hier op onbekend terrein dus ik kon overal in terechtkomen.
    En toen ik had opgehangen, was ik bijna een halfuur lang ernstig van streek door wat er zojuist gebeurd was, totdat het inwendige stemmetje mijn hersens weer in kroop om me in te fluisteren dat het vanavond een heel bijzondere avond zou worden.
    Ik voelde dat ik werd teruggetrokken naar het raam en daar was het weer, dat grote gelukzalige gezicht dat aan de hemel stond, de maan die naar me glimlachte. Ik trok het gordijn dicht, draaide me om, ijsbeerde door het huis, ging van kamer naar kamer, raakte dingen aan en maakte mezelf wijs dat ik nog een keer wilde controleren of er iets ontbrak terwijl ik heel goed wist dat dat niet zo was en zelfs wist waarom. En elke keer dat ik het huis door liep, werden de cirkels rondom mijn kleine bureau in de woonkamer kleiner, want daarop stond mijn computer en ik wist wat ik wilde doen — en dat ik het niet moest doen — totdat na drie kwartier de kracht me ten slotte te sterk werd. Ik voelde me te duizelig om te blijven staan dus leek het me het beste om even te gaan zitten, en toen ik eenmaal achter mijn bureau zat, was het nog maar een kleine stap om mijn computer aan te zetten, en toen ik dat eenmaal had gedaan…
    Maar het kan niet, dacht ik. Ik ben er niet klaar voor.
    Maar dat maakte niet uit. Of ik er klaar voor was of niet maakte geen enkel verschil.
    Want het was er wel klaar voor.

14

    Ik was er bijna zeker van dat hij het moest zijn, maar alleen bijna, en ik was nog nooit bijna zeker geweest. Ik voelde me zwak, vergiftigd en misselijk door de combinatie van opwinding, onzekerheid en het feit dat dit zo vreselijk verkeerd was, maar de Zwarte Ruiter zat op de achterbank en reed met me mee, en die vond het helemaal niet zo belangrijk hoe ik me voelde, want hij voelde zich koelbloedig en sterk, hunkerend en er helemaal klaar voor. En ik voelde hem binnen in me groeien, tevoorschijn komen uit de duistere hoeken van Dexters reptielenbrein, een proces dat maar op een manier kon eindigen, en als ik daar dan toch niets aan kon veranderen, dan moest hij het slachtoffer maar zijn.
    Ik had hem een paar maanden geleden al gevonden maar nadat ik hem een tijdje had geobserveerd, had ik besloten dat de dominee een veel zekerder kandidaat was en dat hij nog maar even moest wachten totdat ik meer zekerheid had.
    Wat een verkeerde inschatting was dat geweest. Ik merkte nu dat hij helemaal niet kon wachten.
    Hij woonde in een straatje in Coconut Grove. Een paar blokken aan de ene kant van zijn armzalige huisje werd de buurt voornamelijk gevormd door lage inkomens, zwarten, tweederangs eethuisjes en een paar verwaarloosde kerken. Een kleine kilometer de andere kant op woonden de miljonairs die natuurstenen muurtjes hadden laten bouwen om mensen als hij uit hun tuin te houden, in moderne, luxueuze huizen te midden van veel groen. Maar Jamie Jaworski zat er precies tussenin, in een huisje samen met een half miljoen palmettokevers en de lelijkste hond die ik ooit had gezien.
    Desondanks was het een huis dat hij zich normaliter niet zou kunnen veroorloven. Jaworski was parttime schoonmaker op Ponce de Leon Junior High en voorzover ik wist, was dat zijn enige bron van inkomsten. Hij werkte drie dagen per week en dat was net genoeg om zichzelf in leven te houden, maar meer ook niet. Natuurlijk was ik niet geinteresseerd in zijn financien. Maar ik was zeker wel geinteresseerd in het feit dat er een onmiskenbare toename was geweest in het aantal leerlingen dat van Ponce was verdwenen sinds Jaworski daar aan het werk was gegaan. En al die leerlingen waren blonde meisjes van twaalf of dertien jaar oud.
    Blond. Dat was belangrijk. Een detail dat de politie om de een of andere reden over het hoofd had gezien maar dat iemand als ik meteen opviel. Helemaal politiek correct was het misschien niet, want hadden meisjes met een donkere huid en donker haar niet evenveel recht om gekidnapt en seksueel misbruikt te worden?
    Jaworski was te vaak de laatste persoon geweest die het vermiste meisje had gezien. De politie had met hem gepraat, hem een nacht vastgehouden en verhoord maar was er niet in geslaagd hem iets aan te wrijven. Natuurlijk had de politie zich te houden aan vrij strikte regels wanneer het ging om verhoren. Iemand martelen, bijvoorbeeld, werd tegenwoordig als afgekeurd en zonder dergelijke overtuigende methoden zou Jamie Jaworski nooit zeggen welke hobby hij erop na hield. Ik wist dat hij dat niet zou doen.
    Maar ik wist wat hij deed. Hij liet die meisjes verdwijnen en hielp hen aan een snelle maar korte filmcarriere. Ik was er bijna honderd procent zeker van. Ik had geen lichaamsdelen gevonden en het hem nooit zien doen, maar alles klopte. En ik had op internet diverse foto’s van drie van de vermiste meisjes ontdekt. Ze zagen er niet erg gelukkig op uit hoewel van sommige van de dingen die ze deden, werd verondersteld dat ze genot zouden moeten opleveren. Tenminste, dat was me verteld.
    Het was me nog niet gelukt de foto’s met Jaworski in verband te brengen. Maar het adres van de mailbox was in South Miami, op een paar minuten rijden van de school. En hij woonde boven zijn stand. Hoe dan ook, ik werd er door de sterker wordende kracht op de donkere achterbank aan herinnerd dat de tijd drong en dat absolute zekerheid in dit geval niet het allerbelangrijkste was.
    Maar de lelijke hond baarde me zorgen. Honden vormden altijd een probleem. Ze mogen me niet en zijn het meestal niet eens met wat ik met hun baasje doe, vooral niet omdat ik niet bereid ben de mooie stukken vlees aan ze te geven. Ik moest een manier bedenken om langs de hond bij Jaworski te komen. Misschien zou hij naar buiten komen. Zo niet, dan moest ik een manier bedenken om binnen te komen.
    Ik reed drie keer langs Jaworski’s huis maar ideeen schoten me niet te binnen. Ik had een beetje geluk nodig en liefst voordat de Zwarte Ruiter me zou dwingen overhaaste dingen te doen. En net toen mijn goede vriend me riskante suggesties in het oor begon te fluisteren, keerde het geluk mijn kant op. Op het moment dat ik langsreed, kwam Jaworski zijn huis uit en stapte hij in zijn oude rode Toyota pick-up. Ik minderde vaart, zo snel mogelijk en zonder op te vallen, zag hoe hij achteruit zijn oprit af reed en wegreed in de richting van Douglas Road. Ik keerde mijn auto en ging hem achterna.
    Ik had geen idee hoe ik dit ging aanpakken. Ik had niets voorbereid, had geen veilige werkruimte, geen schoon schort, niets anders dan een rol breed grijs plakband en een fileermes, onder de zitting van mijn stoel. Ik moest het ongezien en perfect doen en had geen idee hoe. Ik had een hekel aan improviseren maar in dit geval moest ik wel.
    Opnieuw had ik geluk. Er was heel weinig verkeer toen Jaworski richting Old Cutler Road reed en na bijna twee kilometer links afsloeg. Daar, aan het water, was een gigantisch bouwproject dat het leven voor iedereen moest veraangenamen door bomen en dieren te vervangen door beton en oude mensen uit New Jersey. Jaworski reed langzaam de bouwplaats op, langs een golfbaan waar al vlaggetjes stonden maar nog geen gras was gelegd, totdat hij bijna bij de waterkant was. Daar, onder het licht van de maan, stond het reusachtige skelet van een half voltooid blok koopappartementen. Ik hield afstand, deed de lichten van de auto uit en reed heel langzaam door totdat ik dichtbij genoeg was om te zien wat mijn vriend van plan was.
    Jaworski had de auto naast het blok appartementen gezet. Hij stapte uit en bleef tussen zijn pick-up en een hoge berg zand staan. Hij keek om zich heen en ik reed de berm in en zette de motor af. Jaworski staarde naar het blok appartementen en keek de weg in de richting van het water af. Toen hij tevreden was, ging hij het bouwwerk binnen. Ik wist dat hij had gekeken of er een nachtwaker was. Ik deed dat zelf ook en hoopte dat Jaworski zijn huiswerk had gedaan. Op grote ontwikkelingsprojecten als deze was er meestal maar een nachtwaker die in een golfkarretje van het ene bouwwerk naar het andere reed. Dat scheelde een hoop geld en dit was tenslotte Miami. Van elk bouwproject was een zeker deel van de overheadkosten gereserveerd voor bouwmaterialen waarvan werd aangenomen dat ze stilletjes zouden verdwijnen. Zo te zien was Jaworski van plan de aannemer te helpen zijn cijfers kloppend te houden.
    Ik stapte uit de auto en stopte het fileermes en de rol plakband in een oude boodschappentas die ik had meegenomen. uis had ik er al een paar rubberen tuinhandschoenen en een paar foto’s in gedaan, verder niets. Een paar pornofoto’s die ik van internet had gehaald. Ik hees de tas op mijn schouder en sloop geruisloos door de nacht naar de oude pickup. De laadbak was leeg, net als de cabine, afgezien van een berg Burger King-doosjes en wikkels en lege Camel-pakjes. Alleen klein huisvuil, zoals Jaworski dat zelf was.
    Ik keek omhoog. De gloed van het maanlicht was zichtbaar boven de dakrand van het bouwwerk. Een nachtelijk briesje streelde mijn gezicht en voerde de lieflijke geuren van ons tropische paradijs met zich mee: die van uitlaatgassen, rottend groen en beton. Ik ademde diep in en concentreerde me weer op Jaworski.
    Hij bevond zich ergens in het omhulsel van het gebouw. Ik wist niet hoeveel tijd ik had en het stemmetje binnen in me zei dat ik een beetje moest opschieten. Ik liep weg bij de pick-up en ging het gebouw binnen. Zodra ik binnen was, hoorde ik hem. Of beter gezegd: ik hoorde een knarsend, ratelend geluid waarvan ik aannam dat hij het was, of…
    Ik bleef staan. Het geluid kwam van de zijkant van het gebouw en ik sloop die kant op. Over de muur liep een pijp, een elektriciteitsleiding. Ik legde mijn hand erop en voelde hem trillen alsof er iets in bewoog.
    In mijn hoofd begon een lichtje te branden. Jaworski was bezig de draden eruit te trekken. Koperdraad was duur en er was altijd een zwarte markt voor koper, in elke vorm. Dit was een van zijn manieren om zijn karige salaris van schoonmaker aan te vullen gedurende de lange, door geldgebrek geplaagde perioden tussen de ontvoeringen van de schoolmeisjes. Met een enkele lading koper kon hij zeker een paar honderd dollar verdienen.
    Nu ik wist wat hij aan het doen was, begonnen zich achter in mijn geest de vage contouren van een plan te vormen. Zo te horen bevond hij zich ergens boven me. Ik kon hem vrij eenvoudig opzoeken, hem observeren totdat het juiste moment zich aandiende en dan toeslaan. Maar ik had hier vrijwel geen dekking en zou me onvoorbereid door open, kale ruimten moeten bewegen. Ik was eraan gewend om dit soort dingen op mijn eigen manier te doen. Dat ik mijn zorgvuldig getrokken grenzen moest overschrijden, gaf me een buitengewoon onaangenaam gevoel.
    Ik voelde een rilling over mijn rug lopen. Waarom deed ik dit?
    Het doodsimpele antwoord was natuurlijk dat ik het niet was die dit deed. Mijn goede vriend op de achterbank van de auto deed dit. Ik mocht alleen mee omdat ik een rijbewijs had. Maar we waren tot een akkoord gekomen, hij en ik. Dankzij Harry’s oplossing hadden we een zorgvuldig uitgebalanceerd bestaan opgebouwd, een manier om samen te existeren. En nu was hij over Harry’s keurig getekende krijtlijnen gestapt. Waarom? Uit boosheid? Was de inbraak in mijn huis zo’n ernstig vergrijp geweest dat hij op wraak uit was?
    Bij mij wekte hij geen boze indruk, was hij koel, licht geamuseerd en gretig hongerend naar zijn prooi als altijd. En ik voelde zelf ook geen boosheid. Ik voelde me eerder halfdronken, licht in mijn hoofd, balancerend op de messcherpe rand van de euforie en zigzaggend door een reeks innerlijke rimpelingen die heel merkwaardig aanvoelden en waarvan ik altijd heb gedacht dat het emoties waren. En het was die geprikkeldheid die me naar deze gevaarlijke, onnette en ongeplande plek had gebracht om op de bonnefooi iets te doen wat ik hiervoor altijd grondig had voorbereid. En zelfs al wist ik dit allemaal, toch wilde ik het heel graag doen. Ik moest het doen.
    Nou, goed dan. Maar ik hoefde het niet zo te doen. Ik keek om me heen. In de hoek van het vertrek lag een groot pak met blokken gasbeton, met dikke plastic folie eromheen. Even later had ik uit de folie een schort en een nogal vreemd halftransparant masker gesneden, met vier openingen voor ogen, neus en mond om te kunnen zien en te ademen. Ik bond het strak over mijn gezicht, voelde dat mijn gelaatstrekken werden vervormd en bond de uiteinden met een geimproviseerde knoop achter mijn hoofd vast. Ik zag er waarschijnlijk belachelijk uit maar ik was in ieder geval onherkenbaar. Ik was nu eenmaal gewend om gemaskerd op jacht te gaan. En afgezien van de dwangneurose om alles op de juiste manier te doen, was het masker gewoon een ding minder om me zorgen over te maken. Het zorgde ervoor dat ik me iets ontspande dus was het een goed idee. Ik haalde de handschoenen uit de boodschappentas en trok ze aan. Toen was ik er klaar voor.
    Ik vond Jaworski op de tweede verdieping te midden van een grote kluwen elektriciteitsdraad. Ik bleef staan in de schaduw van het trappenhuis en zag hoe hij de draden uit de leidingen trok. Ik deed een stap achteruit, opende de boodschappentas, scheurde een paar stukken plakband af en pakte de foto’s die ik had meegebracht. Het waren foto’s van de vermiste meisjes in allerlei uitdagende en weinig verhullende posen. Ik plakte ze vast op de betonnen muren zodat Jaworski ze zou zien wanneer hij de gang op kwam.
    Ik keek weer naar Jaworski. Hij trok nog eens twintig meter draad uit een leiding. Maar het bleef klem zitten en gaf niet meer mee. Jaworski gaf er twee keer een ruk aan, haalde een zware draadtang uit zijn achterzak en knipte de draden door. Hij pakte de bos die aan zijn voeten op de grond lag en rolde het draad op om zijn onderarm. Daarna kwam hij naar het trappenhuis lopen… naar mij toe.
    Ik drukte mijn rug tegen de muur en wachtte af.
    Jaworski deed niet eens zijn best om geen herrie te maken. Hij verwachtte niet dat hij gestoord zou worden… en mij verwachtte hij zeker niet. Ik luisterde naar zijn voetstappen en het geritsel van de draden die hij achter zich aan sleepte. Hij kwam dichterbij…
    Zonder me te zien kwam hij de kamer uit. En toen zag hij de foto’s.
    ‘Oef!’ zei hij alsof iemand hem een harde stomp in zijn maag had gegeven. Hij staarde naar de foto’s, slikte, was niet in staat zich te bewegen, en toen stond ik achter hem en stond de punt van het mes op zijn keel.
    ‘Verroer je niet en maak geen geluid,’ zeiden we.
    ‘He, hoor eens…’ zei hij.
    Ik draaide mijn pols een kwartslag en duwde de punt van het mes in de huid onder zijn kin. Hij maakte een sissend geluid toen er een dun straaltje bloed uit zijn hals spoot. Volkomen onnodig, maar waarom luisteren mensen dan niet?
    ‘Ik zei dat je geen geluid moest maken,’ zeiden we tegen hem, en nu bleef hij stil.
    Daarna waren de enige geluiden nog het knisperen van het plakband, Jaworski’s gejaagde ademhaling en het zachte gegrinnik van de Zwarte Ruiter. Ik plakte zijn mond dicht, bond zijn polsen samen met een eind van zijn eigen dure koperdraad en sleepte hem naar de plek waar nog een stel grote pakken met blokken gasbeton lagen. Even later lag hij op zijn rug vastgeplakt op een geimproviseerd bed van gasbeton.
    ‘Nu gaan we even praten,’ zeiden we met de zachte, koele stem van de Zwarte Ruiter.
    Hij wist niet of het hem toegestaan was om iets te zeggen en anders zou het plakband dat erg moeilijk hebben gemaakt, dus bleef hij stil.
    ‘Laten we het over de vermiste meisjes hebben,’ zeiden we terwijl ik het plakband van zijn mond trok.
    ‘Au! Wa… wat bedoel je?’ vroeg hij, maar erg overtuigend klonk hij niet.
    ‘Ik denk dat je heel goed weet wat ik bedoel,’ zeiden we tegen hem.
    ‘Ne… nee,’ zei hij.
    ‘Je… ja,’ zeiden wij.
    Te bijdehand, vond ik zelf. Het ontbrak me aan timing, zoals het me vanavond aan alles ontbrak. Maar hij putte er moed uit en keek me recht in mijn gemaskerde gezicht. ‘Wat ben jij, een smeris of zoiets?’ vroeg hij.
    ‘Nee,’ zeiden wij en ik sneed zijn linkeroor af. Dat zat het dichtstbij. Het mes was vlijmscherp en even kon hij niet geloven dat het echt gebeurde, dat hij nu voor altijd zijn linkeroor kwijt was. Dus liet ik het oor op zijn borstkas vallen zodat hij het zelf kon zien. Zijn ogen werden groot en hij haalde diep adem om het op een schreeuwen te zetten, maar ik was hem voor en propte snel een stuk plastic in zijn mond.
    ‘Geen geschreeuw,’ zeiden we. ‘Er kunnen nog veel ergere dingen gebeuren.’ Dat zou ook zeker zo zijn, ongetwijfeld, maar dat hoefde hij nu nog niet te weten.
    ‘Nou, de vermiste meisjes?’ vroegen we op koele, vriendelijke toon, waarna ik even wachtte, hem recht in de ogen bleef kijken om er zeker van te zijn dat hij het niet op een schreeuwen zou zetten en toen pas haalde ik de prop uit zijn mond.
    ‘Jezus,’ zei hij met schorre stem. ‘Mijn oor…’
    ‘Je hebt er nog een. Dat is genoeg,’ zeiden we. ‘Vertel ons over de meisjes op die foto’s.’
    ‘Ons? Hoe bedoel je, ons? Jezus, wat doet dat zeer.’
    Sommige mensen leren het ook nooit. Ik stopte de prop plastic weer in zijn mond en ging aan het werk.
    Ik liet me er bijna door meeslepen, wat onder deze omstandigheden niet zo vreemd was. Mijn hart klopte als bezeten en ik moest mijn uiterste best doen om het trillen van mijn handen tegen te gaan. Maar ik ging aan de slag, verkende het materiaal en zocht naar iets wat zich altijd net buiten het bereik van mijn vingertoppen bevond. Het was opwindend en tegelijkertijd vreselijk frustrerend. De druk binnen in me nam toe, deed mijn oren suizen en schreeuwde om ontlading, maar die kwam niet. Wat restte was de toenemende druk en het gevoel dat er iets heel moois was dat zich net buiten het bereik van mijn zintuigen bevond en wachtte totdat ik het vond en me erover ontfermde. Maar ik vond het niet en wat ik tot nu toe aan het doen was, schonk me geen enkele vreugde. Wat moest ik doen? In mijn verwarring opende ik een ader en zag ik hoe zich op het plastic onder de schoonmaker een afzichtelijke plas bloed vormde. Ik hield even op, dacht koortsachtig na over een antwoord maar vond het niet. Ik wendde mijn blik af en keek door de rechthoekige opening van het raam naar buiten. Ik begon te staren en vergat adem te halen.
    De maan stond boven het water. Om redenen die ik niet kon verklaren leek dat zo juist en zo noodzakelijk, dat ik geruime tijd naar het wateroppervlak bleef turen, naar die volmaakte schittering van het maanlicht op het water. Ik begon te wankelen, stootte tegen mijn geimproviseerde werktafel en kwam weer tot mezelf. Maar die maan… of was het het water?
    Zo dichtbij… ik was zo dicht bij iets dat ik het bijna kon ruiken, maar wat was het? Er trok een rilling door me heen. Dat was ook goed, zo goed zelfs dat die een hele reeks van rillingen in gang zette, totdat mijn tanden ervan klapperden. Maar waarom? Wat betekende het? Er was iets, iets wat heel belangrijk was, in die overweldigende puurheid en transparantie van de maan en het water, iets wat zich achter de punt van mijn fileermes bevond en wat ik maar niet te pakken kon krijgen.
    Ik richtte mijn aandacht weer op de schoonmaker. Hij maakte me verschrikkelijk boos zoals hij daar lag met die slordige sneden en al dat onnodige bloed. Maar het was moeilijk om boos te blijven met die beeldschone maan die naar me glimlachte, het koele, tropische avondbriesje en de prachtige nachtelijke klanken van scheurend plakband en jagende ademhaling. Ik moest er bijna om lachen. Er waren mensen die bereid waren hun leven te geven voor de meest ongebruikelijke dingen, maar dit walgelijke insect hier spande de kroon, want hij was bereid te sterven voor een bos koperdraad. En dan die uitdrukking op zijn gezicht, zo bang en verward en wanhopig. Als ik me niet zo gefrustreerd had gevoeld, zou het bijna grappig zijn geweest.
    Maar hij verdiende wel een betere poging van me. Het was tenslotte niet zijn schuld dat ik vandaag niet in vorm was. Hij was niet eens slecht genoeg geweest om boven aan mijn lijst van ‘nog af te werken slachtoffers’ te staan. Hij was maar een afstotelijk onderkruipsel dat zich aan jonge meisjes vergreep voor geld en voor de kick, en voorzover ik wist, waren dat er maar vier of vijf geweest. Ik kreeg bijna medelijden met hem. Hij was echt geen slachtoffer voor het grote werk.
    Maar ja… Ik ging weer aan de slag. Ik ging naast Jaworski staan. Hij bewoog niet veel meer maar was toch nog veel te levend voor mijn gebruikelijke aanpak. Natuurlijk had ik al mijn geavanceerde gereedschappen en speelgoedjes vanavond niet bij me en de geimproviseerde aanpak was waarschijnlijk wat te heftig voor hem geweest. Maar hij had zich moedig gedragen en had niet geklaagd. Ik voelde iets van genegenheid voor hem, stopte mijn grove aanpak en besteedde meer aandacht aan zijn handen. Hij reageerde vol enthousiasme en ik liet me erdoor meeslepen, verloor mezelf in allerlei experimenten.
    Het waren uiteindelijk zijn gedempte kreten en wilde geworstel die me weer tot mezelf brachten. Op dat moment bedacht ik dat ik nog niet eens zeker wist of hij wel schuldig was. Ik wachtte totdat hij wat gekalmeerd was en haalde de prop plastic weer uit zijn mond.
    ‘De vermiste meisjes?’ vroegen we.
    ‘O jezus, o god, o jezus,’ mompelde hij zwakjes.
    ‘Ik denk het niet,’ zeiden we. ‘Ik denk dat het daar te laat voor is.’
    ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘O, alsjeblieft…’
    ‘Vertel me over de vermiste meisjes,’ zeiden we.
    ‘Oke,’ kreunde hij.
    ‘Jij hebt hen ontvoerd.’
    ‘Ja…’
    ‘Hoeveel?’
    Hij bleef enige tijd zwijgen. Zijn ogen waren dicht en even was ik bang dat hij te vroeg de geest zou geven. Maar ten slotte deed hij zijn ogen open en keek me aan. ‘Vijf,’ zei hij. ‘Vijf beeldschone jonge meisjes. Ik heb er geen spijt van.’
    ‘Natuurlijk niet,’ zeiden we. Ik legde mijn hand op zijn arm. Dat was toch nog een mooi moment. ‘En ik heb ook geen spijt van wat ik nu ga doen.’
    Ik stopte de prop plastic terug in zijn mond en ging weer aan de slag. Maar ik begon net mijn ritme terug te vinden toen ik beneden de nachtwaker hoorde aankomen.

15

    Het was het gekraak van zijn mobilofoon dat hem verraadde. Ik was druk bezig met iets wat ik nog niet eerder had geprobeerd toen ik het hoorde. Ik was het bovenlichaam aan het bewerken met de punt van het mes, voelde de eerste tintelingen van genot langs mijn rug en door mijn benen lopen en wilde nu niet ophouden. Maar een mobilofoon was slechter nieuws dan alleen een nachtwaker. Als hij om assistentie verzocht of om een wegafzetting, dan kon het voor mij erg moeilijk worden om uit te leggen wat ik hier aan het doen was geweest.
    Ik keek neer op Jaworski. Ik was bijna klaar met hem maar was niet erg gelukkig met de manier waarop het was gegaan. Ik had er een rommeltje van gemaakt en niet gevonden waar ik naar op zoek was. Er waren een paar momenten geweest dat ik meende dat ik op de drempel stond van iets wat prachtig kon zijn, een verbazingwekkende openbaring die te maken had met… Ja, met wat? Het kabbelende water achter het raam? Maar wat het ook was geweest, het was niet gebeurd. Dus zat ik nu met een onafgewerkte, onbevredigende kinderverkrachter en een nachtwaker die onderweg was om ons gezelschap te komen houden.
    Ik vond het vreselijk om dit soort dingen af te raffelen. Het naderende einde was zo’n belangrijk moment, zo’n enorme opluchting, zowel voor de Zwarte Ruiter als voor mij. Maar wat kon ik anders? Even — veel te lang eigenlijk, en daar schaam ik me voor — overwoog ik de nachtwaker te vermoorden en dan rustig door te gaan. Zo moeilijk was dat niet, en dan zou ik een nieuwe verkenningstocht kunnen beginnen…
    Maar nee. Natuurlijk niet. Dat kon ik niet doen. De nachtwaker was onschuldig, of in ieder geval zo onschuldig als iemand die in Miami woont dat kan zijn. Het ergste wat hij waarschijnlijk in zijn leven had gedaan, was een paar keer op de Palmetto Expressway op andere automobilisten schieten. Dus zijn ziel was praktisch hagelwit. Nee, het enige wat ik kon doen was me voortijdig terugtrekken. En als ik de schoonmaker daardoor onafgewerkt moest achterlaten en daar zelf een ontevreden gevoel aan zou overhouden… nou ja, volgende keer beter.
    Ik keek neer op het half ontlede insect en voelde een en al walging. Het ding lag snot en bloed te kwijlen, het gezicht was een vieze, natte bende en er kwam een stroompje rood bloed uit zijn mondhoek. In een enkele snelle beweging sneed ik Jaworski’s keel door. Ik had onmiddellijk spijt van mijn overhaaste daad. Een fontein van smerig bloed spoot in het rond en de aanblik maakte alles nog betreurenswaardiger, een totale, bloederige vergissing. Besmeurd en ontevreden rende ik naar het trappenhuis, gevolgd door een ijzig, verontwaardigd gemopper van de Zwarte Ruiter binnen in me.
    Ik kwam op de eerste verdieping en sloop zijwaarts naar het raam zonder glas. Onder me stond het golfkarretje van de nachtwaker, met de neus in de richting van Old Cutler Road, wat inhield — hoopte ik — dat hij van de andere kant was gekomen en mijn auto niet had zien staan. Naast het golfkarretje stond een gezette jongeman met een olijfkleurige huid, zwart haar en een dikke snor tegen het gebouw op te kijken, gelukkig dat aan de overkant van waar ik stond.
    Had hij iets gehoord? Of maakte hij gewoon zijn ronde? Ik hoopte het van harte. Want als hij echt iets had gehoord en buiten bleef staan totdat er assistentie arriveerde, zou ik waarschijnlijk gepakt worden. En ik mocht dan slim en een gladde prater zijn, maar ik geloofde niet dat dat genoeg was om me hieruit te kletsen.
    De jonge nachtwaker streek met zijn duim over zijn snor alsof hij op die manier de haargroei kon stimuleren. Hij fronste zijn wenkbrauwen en liet zijn blik over de voorgevel van het gebouw gaan. Ik deinsde achteruit. Toen ik even later weer naar buiten gluurde, zag ik nog net de bovenkant van zijn hoofd. Hij kwam naar binnen.
    Ik wachtte totdat ik zijn voetstappen op de trap hoorde. Toen klom ik snel het raam uit, ging met mijn vingertoppen aan het ruwe betonnen raamkozijn hangen en liet me een verdieping naar beneden vallen. Ik kwam slecht terecht, verdraaide mijn enkel op een kei en schaafde een van mijn knokkels. Zo snel mogelijk hinkend schoot ik de schaduw in en ging op weg naar mijn auto.
    Mijn hart bonsde hard en snel toen ik achter het stuur plaatsnam. Ik keek achterom maar van de nachtwaker was geen spoor te bekennen. Ik startte de motor, liet de lichten uit en reed zo snel en zo geruisloos mogelijk Old Cutter Road op. Even later sloeg ik af richting South Miami en nam ik de lange weg naar huis via Dixie Highway. Mijn hart bonsde me nog steeds in de keel. Wat een oerdom risico had ik genomen. Ik had nog nooit zo impulsief gehandeld, iets gedaan zonder het heel grondig en zorgvuldig te plannen. Dat was immers de Harry-aanpak: wees voorzichtig, let op je veiligheid en wees op alles voorbereid. Ons padvindersmotto.
    En nu dit. Ik had gepakt kunnen worden. Gezien kunnen worden. Dom, dom, dom! Als ik de jonge nachtwaker niet op tijd had gehoord, had ik hem misschien moeten vermoorden. Een onschuldig man moeten vermoorden. Ik weet zeker dat Harry dat niet goedgekeurd zou hebben. Zo bloederig en onaangenaam ook.
    Natuurlijk was ik nog steeds niet in veiligheid. Het was heel goed mogelijk dat de nachtwaker mijn kentekennummer had opgeschreven toen hij in zijn golfkarretje langs mijn auto reed. Ik had reusachtige en oerdomme risico’s genomen, mijn gebruikelijke aanpak genegeerd en mijn hele zorgvuldig opgebouwde leven op het spel gezet, en waarvoor? Een impulsieve moord? Ik moest me schamen. En uit een donker hoekje van mijn geest kwam de echo: ja, je moet je schamen, gevolgd door het bekende gegrinnik.
    Ik haalde een keer diep adem en keek naar mijn handen op het stuur. Maar het was toch een kick geweest, of niet soms? Het was uitermate opwindend geweest, een nieuwe sensatie te midden van voorziene frustratie. Iets wat geheel nieuw en fascinerend was. Plus het vreemde gevoel dat het ergens naartoe zou leiden, naar een plek die zowel nieuw als vertrouwd was… zeker iets wat de moeite waard was om het de volgende keer beter te doen.
    Niet dat er een volgende keer zou komen, natuurlijk. Iets wat zo dom en impulsief was zou ik niet nog een keer doen. Nooit meer. Maar het was best leuk om het een keer gedaan te hebben.
    Hoe dan ook, ik zou naar huis gaan, heel lang onder de douche gaan staan en tegen de tijd dat ik eronderuit kwam…
    Tijd. Ongevraagd en ongewenst dook het woord in mijn geest op. Ik had afgesproken met Rita om… Ik keek op mijn dashboardklokje… nu ongeveer. En met welk duister doel? Ik had geen idee wat er omging in het hoofd van een vrouw. Hoe was het mogelijk dat ik op een moment als dit, met al mijn zenuwuiteinden in opperste staat van paraatheid en tintelend van frustratie, aan het waarom van onze afspraak dacht? Het kon me niet schelen wat Rita allemaal tegen me wilde schreeuwen. Het zou me weinig deren, met welke scherpe observaties van de tekortkomingen van mijn karakter ze ook zou komen, maar het was irritant om gedwongen te zijn ernaar te luisteren nu ik andere, veel belangrijker dingen had om over na te denken. Ik wilde mezelf met name afvragen wat ik met de arme Jaworski anders had moeten doen. Tot aan de brute interruptie en de nog niet bereikte climax waren er zo veel nieuwe dingen gebeurd, dat ik al mijn aandacht nodig had om daar eens heel goed over na te denken in een poging te begrijpen waar het mij naartoe zou leiden. En hoe het misschien te maken had met die andere kunstenaar, die me schaduwde en me uitdaagde met zijn werk.
    Waarom zou ik op dit moment behoefte hebben aan Rita als ik dat allemaal had om over na te denken?
    Maar ik zou natuurlijk wel gaan. Er was een menselijk doel mee gediend, namelijk dat ik misschien een alibi nodig zou hebben voor de avontuurlijke uren die ik met de schoonmaker had doorgebracht. Maar, inspecteur, hoe kunt u nu denken dat ik…? Trouwens, ik was op dat moment ruzie aan het maken met mijn vriendin. Eh… inmiddels mijn ex-vriendin. Want er bestond in mijn geest geen enkele twijfel over wat Rita van me wilde. Ze wilde — hoe noemde men dat tegenwoordig? — haar ongenoegen ‘ventileren’? Ja, dat was het. Rita wilde me zien om haar ongenoegen jegens mij te ventileren. Ik had een paar ernstige tekortkomingen in mijn karakter en zij ging mij uitleggen, begeleid door de bijbehorende emotionele uitbarstingen, wat die waren, dus mijn aanwezigheid was daarbij gewenst.
    Met dit vooruitzicht in gedachten nam ik wat extra tijd om me op te frissen. In een wijde bocht reed ik terug naar de Grove, ik stak de brug over en parkeerde aan de waterkant. Het was een brede, diepe vaart met een sterke onderstroom. Tussen de bomen op de oever vond ik een paar grote koraalstenen die ik in de boodschappentas met het plastic schort, de handschoenen en het mes stopte, waarna ik de tas in het midden van de vaart gooide.
    Ik maakte nog een tussenstop, in een donker parkje niet ver van Rita’s huis, waar ik me zorgvuldig waste. Ik moest netjes en presentabel zijn, want uitgescholden worden door een woedende vrouw moest tegemoetgetreden worden als een semi-formeel gebeuren.
    Maar stelt u zich mijn verbazing voor toen ik een paar minuten later bij haar aanbelde. De deur werd niet opengerukt en ik werd niet bestookt met verwensingen en meubilair. In plaats daarvan deed ze de deur heel langzaam open en bleef ze er half achter staan alsof ze bang was voor wat haar aan de andere kant te wachten kon staan. En aangezien ik dat was, gaf dit blijk van een gezond verstand. ‘Dexter…?’ vroeg ze op zachte, verlegen toon alsof ze niet zeker wist of ze wilde dat ik daarop ja of nee antwoordde. ‘Ik… had niet verwacht dat je zou komen.’
    ‘En toch ben ik er,’ zei ik behulpzaam.
    Ze bleef veel langer zwijgen dan in deze situatie gepast leek. Maar uiteindelijk deed ze de deur iets verder open en zei: ‘Wil je… binnenkomen? Alsjeblieft?’
    En als haar onzekerheid en aarzelende manier van praten — die ik nooit eerder van haar had gehoord — al een verrassing waren, stelt u zich dan mijn verbijstering voor toen ik zag wat ze aanhad. Ik geloof dat zoiets een peignoir wordt genoemd, of een neglige, maar hoe dan ook, de hoeveelheid stof die men had gebruikt voor het maken van het kledingstuk was niet noemenswaardig. Hoe het ding ook heette, zij had het in ieder geval aan. En hoe bizar het misschien ook mag klinken, ik geloof dat het ding voor mij bedoeld was.
    ‘Alsjeblieft?’ zei ze nog een keer.
    Het werd me allemaal een beetje te veel. Ik bedoel, echt, wat werd er in hemelsnaam van me verwacht? Ik liep nog na te vibreren van mijn onbevredigende experiment op de schoonmaker, werd nog steeds achtervolgd door het verwijtende gemopper van de Zwarte Ruiter en een snelle blik op het grote geheel leerde me dat ik heen en weer werd geslingerd tussen mijn lieve zusje Deb en de Onbekende Kunstenaar, en nu werd er hier van me verwacht dat ik iets menselijks deed als… nou, als wat? Ze kon dit toch niet willen? Ik bedoel, was ze dan niet boos op me? Wat was er allemaal aan de hand? En waarom had het met mij te maken?
    ‘Ik heb de kinderen naar de buren gestuurd,’ zei Rita terwijl ze de voordeur met haar heup dichtdeed.
    Ik ging naar binnen.
    Ik kan diverse manieren bedenken om te beschrijven wat er daarna gebeurde, maar geen daarvan lijkt me echt toereikend. Ze liep naar de bank. Ik liep haar achterna. Ze ging zitten. Ik ook. Zo te zien voelde ze zich niet op haar gemak, want ze kneep met haar rechterhand in haar linker. Ze wekte de indruk dat ze op iets wachtte en aangezien ik niet precies wist wat dat was, dwaalden mijn gedachten alweer gauw af naar mijn onvoltooide werk met Jaworski. Had ik maar meer tijd gehad! Wat ik dan niet allemaal had kunnen doen!
    En terwijl ik daarover nadacht, werd ik me bewust dat Rita zachtjes zat te huilen. Ik keek haar even aan en probeerde de beelden van de in mootjes gehakte, leeggebloede schoonmaker uit mijn hoofd te verdrijven. Ik had echt geen flauw idee waarom ze zat te huilen maar omdat ik lang en hard had geoefend om me als mens te gedragen, wist ik dat er van me werd verwacht dat ik haar troostte. Ik boog me naar haar toe en sloeg mijn arm om haar schouders. ‘Stil maar, Rita,’ zei ik. ‘Het is goed.’ Niet echt een tekst om trots op te zijn, maar deskundigen denken daar anders over. En het hielp. Rita schoof dichter tegen me aan en legde haar hoofd op mijn borst. Ik liet mijn arm verder om haar heen glijden en zag mijn eigen hand. De hand die nog geen uur geleden met een fileermes boven die akelige schoonmaker had gezweefd. De gedachte maakte me duizelig.
    En echt, ik weet niet hoe het gebeurde, maar het gebeurde. Het ene moment zat ik met mijn arm om haar heen en zei: ‘Stil maar’ terwijl ik naar de aderen op mijn handrug keek en de bewegingen van een uur daarvoor weer in mijn vingers voelde, die golf van macht en het blinkende lemmet dat zich een weg door Jaworski’s buikholte zocht, en het volgende moment…
    Ik geloof dat Rita me aankeek. Ik ben er ook redelijk zeker van dat ik terugkeek. Maar op de een of andere manier was het niet Rita die ik zag maar een hoopje netjes ingepakte, koude, bloedeloze ledematen. Het waren ook niet Rita’s handen die mijn broekriem losmaakten en ik hoorde het ontevreden gezang van de Zwarte Ruiter op de achtergrond. En een poosje later…
    Nou ja, ik kan het nog steeds niet geloven. Ik bedoel, op de bank!
    Hoe heeft dat in hemelsnaam kunnen gebeuren?
    Tegen de tijd dat ik thuis in mijn bedje kroop, was ik bekaf. Normaliter heb ik niet zoveel slaap nodig maar dit keer had ik het gevoel dat ik wel 36 uur kon doorslapen. Alle gebeurtenissen van de afgelopen avond en al die nieuwe ervaringen waren dodelijk vermoeiend geweest. Voor Jaworski natuurlijk nog veel meer, die vieze, bloederige smeerkees, maar ik had het gevoel dat ik op een avond mijn adrenalinevoorraad van een hele maand had gebruikt. Ik had echt geen idee wat al deze zaken te betekenen konden hebben, vanaf die merkwaardige impuls om zonder na te denken de deur uit te vliegen en domme dingen te gaan doen tot en met de ondenkbare dingen die met Rita en mij waren gebeurd. Ik had haar slapend en zichtbaar een stuk gelukkiger achtergelaten. Maar de arme, verbijsterde Dexter tastte weer eens volledig in het duister en toen mijn hoofd het kussen raakte, sliep ik vrijwel onmiddellijk in.
    … En daar ben ik weer, zwevend boven de stad als een gewichtloze vogel, zeilend en zwenkend in de kille buitenlucht, en er wordt aan me getrokken… Ik word naar beneden getrokken en stort me in een keurig nette snijkamer waar de kleine schoonmaker naar me opkijkt en lacht… Met gespreide armen en benen ligt hij onder het mes te lachen en door de inspanning vertekent zijn gezicht, verandert het, en nu is hij Jaworski niet meer maar een vrouw, en de man met het mes kijkt op naar waar ik boven die rode bloederige massa zweef en als hij zich naar me omdraait, hoor ik Harry op de deur kloppen en draai ik me om om te zien wie er op tafel ligt maar…
    Ik schrok wakker. Weer een interlokaal telefoongesprek via mijn partylijn met de schemerwereld. Geen wonder dat ik het grootste deel van mijn leven hardnekkig had geweigerd om te dromen. Zo stompzinnig en zinloos, al die voor de hand liggende symbolen. Een totaal onbeheersbare brij van angsten, haat en banale onzin.
    Desondanks bleef ik aan die stomme beelden denken en kon ik niet meer in slaap komen. Als ik dan toch moest dromen, waarom kon dat dan niet op meer gepaste wijze, meer zoals ik was, anders en interessant?
    Ik ging rechtop zitten en masseerde mijn kloppende slapen. De laatste akelige flarden van mijn onderbewustzijn liepen weg als badwater in een afvoerputje en in een staat van slaperige verwarring ging ik op de rand van het bed zitten. Wat was er met me aan de hand? Waarom kon dit niet een ander overkomen?
    Deze droom had anders aangevoeld, maar ik wist niet wat dat andere was of wat het te betekenen had. De vorige keer had ik absoluut zeker geweten dat er een nieuwe moord gepleegd zou gaan worden en zelfs waar. Maar deze keer…
    Ik slaakte een zucht en slofte naar de keuken om een glaasje water te drinken. Barbies hoofdje deed tik-tik toen ik de deur van de koelkast opendeed. Ik stond erbij en keek ernaar terwijl ik een groot glas ijskoud water dronk. Haar blauwe ogen keken me aan en knipperden niet.
    Waarom had ik gedroomd? Was het gewoon de spanning van al mijn avonturen van de afgelopen avond die in mijn getergde onderbewustzijn was blijven hangen? Ik had die spanning nooit eerder gevoeld want het was altijd juist een ontlading van spanning geweest. Goed, maar ik was ook nog nooit zo dicht bij een rampzalige afloop geweest. Maar waarom moest ik erover dromen? Sommige van de beelden waren pijnlijk duidelijk geweest, die van Jaworski en Harry en het onbekende gezicht van de man met het mes. Maar echt, waarom moest ik worden lastiggevallen met dit soort psychologische onzin?
    Waarom moest ik uberhaupt met dromen worden lastiggevallen? Daar zat ik niet op te wachten. Ik had behoefte aan rust, maar in plaats daarvan stond ik hier in de keuken met een barbiepop te spelen. Ik liet het hoofdje weer tegen de deur stuiteren. Tik-tik. En nu we het daar toch over hadden, wat had Barbie met dit alles te maken? En hoe kon ik alles op tijd uitdokteren om Deborahs carriere te redden? Hoe kon ik me langs LaGuerta werken terwijl de arme ziel me zo leuk vond? En het allerergste van alles, waarom had Rita me nodig gehad om dat met haar te doen?
    Het leek wel alsof ik in een tv-soap terecht was gekomen en het was me gewoon te veel. Ik pakte het potje aspirine en leunde tegen het aanrecht terwijl ik er drie innam. Ik proefde amper waar ze naar smaakten. Ik had niets met medicijnen, van welke soort ook, tenzij als hulpmiddel bij mijn hobby.
    Zeker niet sinds Harry was overleden.

16

    Harry stierf geen snelle en ook geen gemakkelijke dood. Hij nam er heel veel tijd voor, en dat was ook het enige egoistische dat hij in heel zijn leven had gedaan. Harry had er anderhalf jaar voor nodig en deed het in etappen. Hij takelde wekenlang steeds verder af, vocht zich dan terug tot hij weer bijna helemaal beter was en liet ons daarbij voortdurend in het ongewisse over wat komen ging. Zou hij deze keer heengaan, of had hij alles weer onder de duim? We wisten het gewoon niet maar omdat het om Harry ging, was het voor ons uitgesloten dat wij hem zouden opgeven. Harry zou doen wat het juiste was, hoe moeilijk dat ook was, maar gold dat ook voor doodgaan? Was het juist om te blijven knokken en ons al die tijd mee te laten lijden terwijl de dood toch een keer zou komen, ongeacht wat Harry ook deed? Of was het juist om gracieus en zonder heibel te vertrekken? Ik was negentien en wist het antwoord op die vraag niet, hoewel ik toen al wel veel meer van de dood wist dan het merendeel van de puisterige domkoppen van het tweede jaar op de universiteit van Miami. En op een mooie herfstmiddag na een college scheikunde, toen ik over de campus naar het studentenhuis liep, kwam Deborah naast me lopen. ‘Deborah,’ zei ik tegen haar, waarbij ik zo geleerd mogelijk probeerde over te komen, ‘zullen we een cola gaan drinken?’ Harry had gezegd dat ik dat moest doen, in het studentenhuis rondhangen en cola drinken. Hij zei dat het me zou helpen om voor een normaal mens door te gaan en ik kon daar zien hoe andere mensen zich gedroegen. En hij had natuurlijk gelijk. Terwijl mijn gebit de nodige schade opliep, leerde ik er veel over het onaangename wezen dat mens heet.
    Deborah, zeventien jaar oud en al veel te serieus voor haar leeftijd, schudde haar hoofd. ‘Het gaat niet goed met papa,’ zei ze. En kort daarna reden we door de stad naar het verpleeghuis waar Harry naartoe was gebracht. Een verpleeghuis is meestal geen goed nieuws. Het betekende dat de artsen van mening waren dat Harry klaar was om te sterven en dat ze van hem verwachtten dat hij een beetje meewerkte.
    Harry zag er niet goed uit toen we binnenkwamen. Zijn gezicht was bijna groen en hij lag zo stil, dat we dachten dat we te laat waren. Hij was ernstig vermagerd door zijn lange strijd en het leek wel alsof iets hem van binnenuit aan het opvreten was. Het beademingsapparaat naast hem zuchtte, een schor Darth Vader-geluid dat uit een doodskist afkomstig leek. Maar officieel was Harry nog in leven. ‘Papa,’ zei Deborah en ze pakte zijn hand vast. ‘Dexter is er ook.’
    Harry opende zijn ogen en zijn hoofd kantelde onze kant op alsof een onzichtbare hand het een duwtje had gegeven. Maar het waren niet Harry’s ogen die we zagen. Het waren troebele blauwe rondjes, mat, leeg en levenloos. Harry’s lichaam mocht dan nog in leven zijn, maar hijzelf was er niet meer.
    ‘Het gaat niet goed,’ zei de verpleegster. ‘We kunnen alleen nog proberen alles zo aangenaam mogelijk voor hem te maken.’ En daarna pakte ze een grote injectiespuit van het blad, vulde die en hield hem tegen het licht om de lucht eruit te spuiten.
    ‘… Wacht…’ Het klonk zo zacht en zwak, dat ik eerst dacht dat het uit het beademingsapparaat kwam. Ik keek om me heen en ten slotte ging mijn blik weer naar Harry, naar wat er van hem over was. Achter de matte leegheid in zijn ogen zag ik toch een vonkje opgloeien. ‘Wacht…’ zei hij weer, en hij knikte in de richting van de verpleegster.
    Maar die hoorde hem niet, of wilde hem niet horen. Ze kwam naast het bed staan, tilde voorzichtig zijn broodmagere arm op en begon de binnenkant schoon te maken met een wattenschije.
    ‘Nee…’ zei Harry nauwelijks hoorbaar.
    Ik keek naar Deborah. Ze stond doodstil en keek onzeker voor zich uit. Ik keek weer naar Harry. Zijn blik boorde zich in de mijne.
    ‘Nee…’ zei hij, en wat ik in zijn ogen zag, kwam heel dicht in de buurt van doodsangst. ‘… Geen… injectie…’
    Ik deed een stap naar voren en legde mijn hand op de arm van de verpleegster, net voordat ze de naald in Harry’s ader kon steken. ‘Wacht,’ zei ik. Ze keek me aan en heel even, een fractie van een seconde maar, zag ik iets in haar ogen. Ik viel bijna achterover van verbazing. Het was kille woede, de onmenselijke insectenblik van ‘ik doe wat ik wil’, de overtuiging dat de wereld haar speeltuin was. Het was maar een flits, maar ik wist het zeker. Het liefst had ze de naald in mijn oog geramd omdat ik haar had tegengehouden. Had ze de injectiespuit in mijn borst gestoten en net zolang rondgedraaid totdat al mijn ribben gebroken waren, mijn hart uit mijn borstholte gerukt en het fijngeknepen totdat ze het laatste beetje leven eruit had gewrongen. Dit was een monster, een jager en een moordenaar. Dit was een roofdier, puur kwaadaardig en zonder ziel.
    Net als ik.
    Maar meteen daarna was haar glimlach weer terug. ‘Wat is er, schat?’ vroeg ze poeslief, zo helemaal de perfecte verpleegster.
    Mijn tong was opeens veel te groot voor mijn mond en het leek wel alsof ik enkele minuten lang niet kon praten, maar ten slotte lukte het me om te zeggen: ‘Hij wil geen injectie.’
    Ze glimlachte weer, een beeldschone, serene glimlach alsof ze de almachtige God zelve was. ‘Uw vader is heel erg ziek,’ zei ze. ‘Hij heeft veel pijn.’ Ze hield de injectiespuit omhoog, heel melodramatisch in het licht dat schuin door het raam naar binnen viel. De naald fonkelde alsof die haar eigen Heilige Graal was. ‘Hij heeft behoefte aan een injectie,’ zei ze.
    ‘Maar hij wil hem niet,’ zei ik.
    ‘Hij heeft pijn,’ zei ze.
    Harry zei iets wat ik niet kon verstaan. Ik bleef de verpleegster aankijken, en zij mij, als twee roofdieren die bij dezelfde buit stonden. Zonder mijn blik van haar los te maken boog ik me naar Harry toe.
    ‘Ik… wil pijn,’ zei Harry.
    Dat zorgde ervoor dat ik hem aankeek. Achter het vage skelet, onder het stekeltjeshaar dat opeens te veel leek voor zijn hoofd, was Harry teruggekeerd, had hij zich door de mist naar boven gevochten. Hij knikte naar me, bracht zijn hand heel langzaam naar de mijne en kneep erin.
    Ik keek weer naar de verpleegster. ‘Hij wil de pijn,’ zei ik tegen haar en ergens in haar stuurse blik en het afwijzende hoofdknikje hoorde ik het gebrul van het wilde beest dat ziet dat zijn prooi aan hem ontsnapt.
    ‘Ik zal dat tegen de dokter moeten zeggen,’ zei ze.
    ‘Mij best,’ antwoordde ik. ‘Wij wachten hier wel.’
    Als een dodelijke roofvogel liep ze met grote passen de kamer uit. Ik voelde dat er weer in mijn hand werd geknepen. Harry had de verpleegster ook nagekeken.
    ‘Je… kunt het zien…’ zei Harry.
    ‘Bedoel je de verpleegster?’ vroeg ik. Hij deed zijn ogen dicht en knikte net zichtbaar. ‘Ja,’ zei ik. ‘Ik zie het ook.’
    ‘Zoals… jij…’ zei Harry.
    ‘Wat?’ vroeg Deborah. ‘Waar hebben jullie het over? Papa, voel je je wel goed? Wat bedoel je met “zoals jij”?’
    ‘Ze vindt me leuk,’ zei ik. ‘Hij denkt dat die verpleegster op me valt, Deb.’ Daarna richtte ik me weer op Harry.
    ‘O, dat,’ mompelde Deborah, maar ik had me al van haar afgewend.
    ‘Wat heeft ze gedaan?’ vroeg ik aan Harry.
    Hij probeerde zijn hoofd te schudden maar kwam niet verder dan een licht gewiebel. Hij kromp ineen. Het was me duidelijk dat de pijn aan het terugkomen was, zoals hij dat had gewild. ‘Te veel,’ zei hij. ‘Ze… geeft me te veel…’ Hij kreunde en deed zijn ogen dicht.
    Ik was die dag blijkbaar niet op mijn slimst, want ik begreep niet meteen wat hij bedoelde. ‘Te veel wat?’ vroeg ik.
    Harry opende een van pijn tranend oog. ‘Morfine,’ fluisterde hij.
    Ik voelde me getroffen door een felle lichtstraal. ‘Een overdosis,’ zei ik. ‘Ze doodt mensen met een overdosis. En in een tent als deze, waar het min of meer haar werk is, zal niemand argwaan koesteren… Tjonge, dat is…’
    Harry kneep weer in mijn hand en ik hield op met raaskallen. ‘Laat het niet toe,’ zei hij met schorre maar verrassend krachtige stem. ‘Sta niet toe dat… dat ze me nog meer injecties geeft.’
    ‘Alsjeblieft,’ zei Deborah op een toon die aan hysterie grensde, ‘waar hebben jullie het over?’ Ik keek Harry aan maar hij kneep zijn ogen dicht toen hij opeens weer door een nieuwe golf van pijn werd getroffen.
    ‘Hij denkt dat, eh…’ begon ik, maar toen viel ik stil. Deborah had geen idee wat ik was en Harry had me altijd op het hart gedrukt haar in het ongewisse te laten. Dus wat ik haar kon vertellen zonder me te veel bloot te geven, was een probleem. ‘Hij denkt dat die verpleegster hem te veel morfine geeft,’ zei ik ten slotte. ‘Doelbewust.’
    ‘Dat is waanzin,’ zei Deb. ‘Ze is verpleegster.’
    Harry lag naar haar te kijken maar zei niets. En eerlijk gezegd wist ik ook niet hoe ik op Debs naiviteit moest reageren.
    ‘Wat moet ik doen?’ vroeg ik aan Harry.
    Harry bleef me lange tijd aankijken. Eerst dacht ik dat hij niet meer kon nadenken vanwege de pijn maar toen ik hem in de ogen keek, zag ik dat hij juist erg bij was. Zijn kaakspieren waren zo strak gespannen dat het eruitzag alsof zijn botten ieder moment konden knappen en door de dunne, bleke huid zouden dringen, en de blik in zijn ogen was net zo helder en scherp als toen we aan het kamperen waren geweest en hij me de oplossing voor mijn anderszijn had aangeboden. ‘Hou haar tegen,’ zei hij ten slotte.
    Ik voelde een ijskoude rilling langs mijn rug lopen. Haar tegenhouden? Kon dat? Bedoelde hij haar echt tegenhouden? Voor altijd? Tot nu toe had Harry me geholpen mijn Zwarte Ruiter in bedwang te houden door hem huisdieren te voeren en op herten te jagen, en die ene heerlijke keer dat ik met hem mee mocht om een ontsnapte agressieve aap te vangen die een woonwijk in South Miami terroriseerde. Dat was zo dicht bij het echte werk geweest, zo bijna alsof het om een mens ging… maar natuurlijk nog net niet helemaal goed. En we hadden ons samen beziggehouden met alle theoretische facetten van het observeren en volgen, het wegwerken van sporen en dat soort dingen. Harry wist dat ooit de dag zou komen dat ‘het’ zou gebeuren en hij wilde dat ik er dan klaar voor was om ‘het’ goed te doen. Toch had hij me tot nu toe kunnen weerhouden van de werkelijke daad. Maar nu… moest ik haar tegenhouden? Zou hij dat echt menen?
    ‘Ik ga met de dokter praten,’ zei Deborah. ‘Dan kan hij tegen haar zeggen dat ze de dosering moet aanpassen.’
    Ik wilde iets zeggen maar Harry kneep in mijn hand en knikte, wat hem zichtbaar pijn deed. ‘Ja, ga maar,’ zei hij, en Deborah bleef hem even aankijken voordat ze zich ten slotte omdraaide en de kamer uit liep om de dokter te gaan zoeken. Toen ze weg was, viel er een diepe stilte in de kamer. Ik kon alleen maar denken aan wat Harry had gezegd: hou haar tegen. En ik kon geen enkele andere manier bedenken om die woorden te interpreteren dan dat hij me eindelijk de vrije hand liet, dat hij me toestemming gaf om het ‘echte werk’ te gaan doen. Maar ik durfde hem niet te vragen of dat zo was, uit angst dat hij me zou vertellen dat hij iets heel anders had bedoeld. Dus bleef ik lange tijd naast zijn bed staan en staarde door het raam naar buiten, naar de tuin en de rode bloemen die om de fontein stonden. Er gingen enkele minuten voorbij en ik kreeg een droge mond. ‘Dexter…’ zei Harry ten slotte.
    Ik gaf geen antwoord. Ik kon niets bedenken wat in deze situatie voldeed. ‘Het zit zo,’ zei Harry, langzaam en pijnlijk, en ik draaide mijn hoofd naar hem om. Toen hij zag dat hij mijn aandacht had, verscheen er een moeizaam glimlachje om zijn mond. ‘Straks ben ik er niet meer,’ zei Harry. ‘Dan kan ik je niet meer weerhouden van wat je wilt doen… omdat je bent wie je bent.’
    ‘Ben wat ik ben, papa,’ zei ik.
    Hij wuifde het weg met zijn magere, bleke hand. ‘Vroeg of laat… zul je de behoefte voelen… om het met een mens te doen,’ zei hij en mijn bloed begon te tintelen bij het vooruitzicht. ‘Met iemand die… het verdient…’
    ‘Zoals de verpleegster,’ zei ik met dikke tong.
    ‘Ja,’ zei hij, waarna hij zijn ogen dichtkneep, en toen hij weer iets zei, klonk zijn stem zacht en schor van de pijn. ‘Ze verdient het, Dexter. Kijk…’ Hij haalde moeizaam adem. Ik kon zijn tong horen bewegen in zijn kurkdroge mond. ‘Ze geeft patienten… doelbewust overdoses… Ze vermoordt hen… expres… Ze is een moordenaar, Dexter… een moordenaar…’
    Ik schraapte mijn keel. Ik voelde me een beetje onzeker en licht in mijn hoofd, maar dit was tenslotte een heel belangrijk moment in het leven van een jongeman. ‘Wil je…’ begon ik, maar mijn stem brak. ‘Is het goed als ik haar… tegenhoud, papa?’
    ‘Ja,’ zei Harry. ‘Je moet haar tegenhouden.’
    Om de een of andere reden had ik behoefte aan absolute zekerheid.
    ‘Bedoel je, je weet wel, zoals ik het eerder heb gedaan? Zoals toen, met die aap?’
    Harry’s ogen bleven dicht en het was duidelijk dat hij zich schrap zette tegen een nieuwe golf van pijn. Zacht en hortend ademde hij in. ‘Ja… houd de verpleegster tegen,’ zei hij, ‘… zoals je de aap hebt tegengehouden.’ Hij boog zijn hoofd een stukje achterover en begon sneller maar nog steeds raspend adem te halen.
    Nou.
    Daar was het dan.
    Houd de verpleegster tegen zoals je de aap hebt tegengehouden. Dat was goed om te horen. Het duizelde me en in mijn hoofd klonk wilde muziek. Harry gaf me de vrije hand. Ik had zijn toestemming. We hadden het erover gehad dat deze dag ooit zou komen, maar tot nu toe had hij me ervan kunnen weerhouden. Tot vandaag.
    Dit moment.
    ‘We… hebben het erover gehad,’ zei Harry, met zijn ogen nog steeds dicht. ‘Je weet wat je moet doen…’
    Deborah kwam de kamer binnen. ‘Ik heb met de dokter gepraat,’ zei ze. ‘Hij komt straks en zal de dosering op de kaart veranderen.’
    ‘Mooi zo,’ zei ik terwijl ik het ‘iets’ in me omhoog voelde komen, helemaal langs mijn wervelkolom tot in mijn hoofd, een elektrische stroom die door me heen ging en me omhulde als een donkere cape. ‘Ik ga met de verpleegster praten.’
    Deborah keek me geschrokken aan, waarschijnlijk door de toon van mijn stem. ‘Dexter…’ zei ze.
    Ik bleef staan en verzette me tegen het barbaarse gevoel dat me in bezit had genomen. ‘Ik wil niet dat er vergissingen worden gemaakt,’ zei ik. Mijn stem klonk zelfs mij vreemd in de oren. Ik werkte me langs Deborah voordat ze de uitdrukking op mijn gezicht kon zien.
    En in de gang van het verpleeghuis, terwijl ik mijn weg zocht tussen de stapels schoongewassen wit linnen, voelde ik hoe de Zwarte Ruiter voor de eerstkomende tijd mijn nieuwe chauffeur werd. Dexter verdween naar de achtergrond, werd vrijwel onzichtbaar, als de lichte strepen van een jagende, transparante tijger. Ik loste op en was nauwelijks meer te zien, maar ik was er wel en ik was op jacht, met mijn neus in de wind om mijn prooi te vinden. In dat beeldschone, verblindende licht van vrijheid, op weg om ‘het’ voor de eerste keer te doen, met de zegen van de almachtige Harry, liet ik mezelf verdwijnen, loste ik op in de contouren van mijn duistere zelf terwijl de andere ik dicht bij de grond bleef en gromde. Eindelijk ging ik het doen, doen waarvoor ik geboren was.
    En ik deed het.

17

    En ik had het gedaan. Het was al zo lang geleden, maar de herinnering was nog springlevend. Natuurlijk had ik nog altijd die eerste opgedroogde druppel bloed op een objectglaasje. Het was mijn eerste moord geweest en ik kon de herinnering simpelweg oproepen door het glaasje tevoorschijn te halen en ernaar te kijken. Om de zoveel tijd deed ik dat. Het was voor Dexter een heel bijzondere dag geweest. De verpleegster was mijn eerste speelkameraadje geweest en ze had zo veel geweldige deuren voor me geopend. Ik had sindsdien zo veel geleerd en zo veel nieuwe dingen ontdekt.
    Maar waarom moest ik nu aan de verpleegster denken? Waarom had deze huidige reeks van gebeurtenissen me terug in de tijd gezwiept? Ik kon me nu niet veroorloven me bezig te houden met herinneringen a la die van mijn eerste lange broek. Er werd actie van me verwacht, ik moest belangrijke beslissingen nemen en grootse daden verrichten in plaats van me rond te wentelen in zoete herinneringen aan mijn eerste druppel bloed.
    Die ik, nu ik eraan dacht, niet van Jaworski had meegenomen. Het was maar een piepklein, volkomen onbelangrijk detail, van het soort dat sterke, ondernemende mannen in muggenziftende, zeurende neuroten veranderde. Toch moest ik die druppel bloed hebben. Jaworski’s dood was zinloos zonder die druppel bloed. Het hele krankzinnige gebeuren was niet alleen impulsief en stompzinnig geweest, het was nu ook nog onaf. Ik had geen objectglaasje met een druppel bloed.
    Ik schudde mijn hoofd in een spastische poging de grijze cellen met de neuzen in dezelfde richting te krijgen. Eigenlijk had ik wel zin in een boottochtje in de vroege ochtend. Misschien kon de zoute buitenlucht de domheid uit mijn hoofd verdrijven. Of ik kon in zuidelijke richting varen, naar Turkey Point, en hopen dat de stralen van de opkomende zon me weer in een redelijk denkend wezen konden veranderen. Maar in plaats daarvan ging ik koffie zetten. Geen objectglaasje dus. Het deed afbreuk aan de hele ervaring. Zonder glaasje had ik net zo goed thuis kunnen blijven. Tenminste, bijna. Er waren andere beloningen geweest. Ik dacht terug aan de combinatie van het maanlicht en de gedempte kreten en glimlachte gelukzalig. Tjonge, wat een onbesuisd monstertje was ik geweest. Het was een episode die afweek van alle vorige. Het was goed om af en toe los te breken uit de saaie routine. En dan was er natuurlijk nog Rita, maar ik had nog steeds geen idee wat ik daarvan moest denken dus probeerde ik dat ook niet. Ik dacht aan het koele briesje terwijl ik me bezighield met het kermende mannetje dat het leuk vond om kleine meisjes kwaad te doen. Ik was op dat moment bijna gelukkig geweest. Maar over een jaar of tien zou die herinnering natuurlijk vervaagd zijn en zonder objectglaasje zou ik die niet meer kunnen oproepen. Ik moest mijn aandenken hebben. Nou, we zouden wel zien.
    Terwijl de koffie doorliep, ging ik kijken of de krant er al was, zonder veel hoop echter. Het gebeurde zelden dat de krant voor halfzeven werd bezorgd, en op zondag kwam hij meestal pas na achten. Alweer zo’n voorbeeld van de verloedering van de samenleving, waar Harry zich zoveel zorgen om had gemaakt. Maar zeg nu zelf: als ik niet eens de ochtendkrant op tijd kon krijgen, hoe kon men dan van mij verwachten dat ik geen mensen vermoordde?
    Normaliter maakte het me niet zoveel uit. De verslaggeving over mijn avonturen had me nooit erg geinteresseerd. En Harry had me op het hart gedrukt dat ik niet zo stom moest zijn om een soort plakboek bij te houden. Niet dat het echt nodig was, want ik las eigenlijk nooit de recensies van mijn optredens. Deze keer lag het echter iets anders omdat ik zo ondoordacht te werk was gegaan en me een beetje zorgen maakte over de vraag of ik mijn sporen wel goed had gewist. En ik was ook nieuwsgierig naar wat ze te zeggen zouden hebben over mijn onverwachte feestje. Dus zat ik met mijn kop koffie voor mijn neus totdat ik drie kwartier later de krant tegen de voordeur hoorde slaan. Ik ging hem halen en vouwde hem open.
    Wat je ook over journalisten kunt zeggen — en dat is heel wat — ze worden zelden geplaagd door een goed geheugen. Dezelfde krant die een paar dagen geleden politie pakt moordenaar had uitgebazuind, schetterde nu arrestatie ijscoman onterecht? Het was een lang en amusant stuk, geschreven met veel gevoel voor dramatiek en met talloze details over de vondst van het ernstig verminkte lijk op de bouwplaats bij Old Cutler Road. Een woordvoerder van de politie van Metro-Dade — dat moest inspecteur LaGuerta zijn; daar was ik van overtuigd — had verklaard dat het nog veel te vroeg was om iets met zekerheid te zeggen, maar dat het vermoedelijk ging om het werk van een imitator. Maar de krant had zijn eigen conclusies getrokken — ook iets waar men zelden terughoudend in is — en vroeg zich nu hardop af of de man die in hechtenis was genomen, Daryll Earl McHale, wel de dader was. Of liep de werkelijke dader nog steeds vrij rond en was dit het bewijs van zijn laatste provocatie van de publieke moraal? Want, zo stelde de krant, hoe kon het mogelijk zijn dat er op hetzelfde moment twee van dit soort moordenaars rondliepen? Dat was helemaal niet zo slecht gedacht en ik vroeg me af of de pers, wanneer ze zo veel energie en doortastendheid hadden besteed aan de moorden, zij die niet al lang de wereld uit hadden kunnen helpen.
    Maar het was natuurlijk buitengewoon interessant leesvoer. Het bood zelfs ruimte voor speculaties. Lieve hemel, was het echt mogelijk dat dit gestoorde beest nog steeds vrij rondliep? Waren we nu veilig of niet?
    De telefoon begon te rinkelen. Ik keek naar de klok aan de muur. Het was kwart voor zeven. Dat kon alleen Deborah zijn.
    ‘Ik zit het nu te lezen,’ zei ik in de hoorn.
    ‘Jij zei dat het groter zou zijn,’ zei Deborah. ‘En smeriger.’
    ‘Nou, is het dat dan niet?’ vroeg ik in alle onschuld.
    ‘Het is niet eens een hoer,’ zei ze. ‘Een of andere parttime schoonmaker van Ponce Junior High, in stukken gesneden op een bouwplaats bij Old Cutler Road. Wat moet dit verdomme voorstellen, Dexter?’
    ‘Je weet dat ik niet perfect ben, Deborah, of wist je dat niet?’
    ‘Het past niet in het patroon. Waar is de kou waarvan jij zei dat die er zou zijn? Waar is de smalle ruimte gebleven?’
    ‘Dit is Miami, Deb. Mensen pikken hier alles van elkaar.’
    ‘Het is niet eens een imitator,’ zei ze. ‘Het lijkt niet op de vorige moorden. Zelfs LaGuerta ziet dat goed. Ze heeft het al aan de pers verklaard. Godverdomme, Dexter, mijn naam staat hier op het spel en jij komt met een of andere willekeurige slachter, of misschien wel een drugsmoord.’
    ‘Het lijkt me niet helemaal eerlijk om mij daar de schuld van te geven.’
    ‘Godverdomme, Dex!’ zei ze en toen hing ze op.
    Het ochtendnieuws op tv besteedde wel negentig seconden aan de schokkende vondst van het verminkte lijk. Channel 7 had nog de beste details. Maar niemand wist meer dan er in de krant had gestaan. Iedereen straalde woede en verontwaardiging uit, en het grimmige besef dat er nog meer rampen te gebeuren stonden, een atmosfeer die zelfs doorsloeg naar het weerbericht, hoewel ik ervan overtuigd was dat een groot deel daarvan te danken was aan het ontbreken van beelden en foto’s.
    Weer een mooie dag in Miami. Verminkte lijken en in de namiddag kans op een bui. Ik kleedde me aan en ging naar mijn werk.
    Ik geef toe dat ik een achterliggende reden had om zo vroeg naar het lab te gaan, maar ik stelde het iets uit door onderweg twee donuts, een appelpunt en een kaneelrondo ter grootte van mijn reserveband te kopen. Ik at de appelpunt en een donut op terwijl ik me door het moordlustige verkeer bewoog. Ik heb nooit begrepen hoe ik ongestraft zo veel donuts kan eten. Ik kom niet aan, krijg geen puistjes en hoewel dat misschien oneerlijk lijkt, is het nooit in me opgekomen om erover te klagen. Ik stond blijkbaar voor in de rij toen de genen werden uitgedeeld, want ik heb een snelle stofwisseling en ben groot en sterk, wat me voor mijn hobby allemaal goed uitkwam. En er was me verteld dat ik er niet eens zo afstotelijk uitzag, wat, geloof ik, als een compliment werd bedoeld.
    Ik had ook niet veel slaap nodig en ook dat kwam me deze ochtend goed uit. Ik hoopte namelijk om eerder op het lab te zijn dan Vince Masuoka en zo te zien was dat me gelukt. Het was donker in zijn kamer toen ik daar binnen kwam met de witte papieren zak in mijn hand als camouflage, maar mijn vroege bezoek had niets met donuts te maken. Snel liet ik mijn blik over zijn werktafels gaan en zocht ik naar de bewijsdoos met de naam jaworski en de datum van gisteren.
    Ik vond hem en haalde de weefselmonsters eruit. Het zou genoeg moeten zijn. Ik trok een paar gummihandschoenen aan en even later had ik uit een van de monsters een bloeddruppel op een schoon objectglaasje geknepen. Ik besef hoe oerdom het was om weer zo’n groot risico te nemen, maar ik moest mijn bloeddruppel hebben.
    Ik had het net opgeborgen in een afsluitbaar bewijszakje toen ik hem hoorde aankomen. Ik zette snel alles terug en draaide me om naar de deur, op het moment dat hij binnenkwam en me zag.
    ‘Mijn god,’ zei ik. ‘Wat loop jij geruisloos. Heb je soms ninjatraining gehad?’
    ‘Ik heb twee oudere broers,’ zei Vince. ‘Dat is bijna hetzelfde.’
    Ik liet hem de papieren zak zien en maakte een buiging. ‘Meester, ik kom u een geschenk brengen.’
    Hij keek nieuwsgierig naar de zak. ‘Moge Boeddha je zegenen, grasshopper. Wat zit erin?’
    Ik gooide de zak naar hem toe. Die raakte hem op zijn borst en viel op de grond. ‘Tot zover de ninjatraining,’ zei ik.
    ‘Mijn fijngevoelige lichaam heeft koffie nodig om te kunnen functioneren,’ zei Vince terwijl hij zich bukte om de zak op te rapen. ‘Au, dat deed zeer. Wat zit erin?’ Hij keek in de zak en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Hopelijk geen vergeten lichaamsdeel.’ Hij haalde de reusachtige kaneelrondo eruit en keek ernaar. ‘Ai, caramba. Mijn dorp zal dit jaar niet omkomen van de honger. Wij zijn u zeer dankbaar, grasshopper.’ Hij maakte een buiging en stak de rondo omhoog. ‘Een schuld die is terugbetaald, is een zegen voor ons allen, mijn zoon.’
    ‘In dat geval,’ zei ik, ‘heb jij het zaakdossier van die man die ze gisteravond bij Old Cutler Road hebben gevonden?’
    Vince nam een grote hap van de rondo. Zijn lippen waren wit van de poedersuiker terwijl hij langzaam kauwde. ‘Mmmmm,’ zei hij en hij slikte. ‘Hebben we het gevoel dat we worden buitengesloten?’
    ‘Als je met “we” Deborah bedoelt, ja, dat hebben we,’ zei ik. ‘Ik heb haar beloofd dat ik een blik in het dossier zou werpen.’
    ‘Grmfl,’ zei Vince met zijn mond vol. ‘Goewoe bloeb duz kib.’
    ‘Vergeef me, meester,’ zei ik. ‘De taal die u spreekt is mij onbekend.’
    Hij kauwde en slikte. ‘Ik zei dat er deze keer in ieder geval genoeg bloed is. Maar je staat toch aan de zijlijn. Ze hebben de klus aan Bradley gegeven.’
    ‘Mag ik het dossier zien?’
    Hij nam weer een hap. ‘Ie waf nof ulluffuh…’
    ‘Ongetwijfeld, en in het Engels?’
    Vince slikte weer. ‘Ik zei: hij was nog in leven toen zijn been eraf werd gehaald.’
    ‘Sommige mensen zijn echte volhouders, vind je niet?’
    Vince nam de rondo tussen zijn tanden, pakte het dossier, stak het me toe en nam op hetzelfde moment een grote hap van de rondo.
    Ik pakte het dossier aan en zei: ‘Ik moet gaan, voordat je weer iets probeert te zeggen.’
    ‘Te laat,’ riep hij me kauwend na.
    Ik wandelde terug naar mijn kantoor en nam onderweg de inhoud van het dossier door. Gervasio Cesar Martez had het lijk gevonden. Hij was beveiligingsmedewerker en werkte voor Sago Security Systems. Hij werkte daar al veertien maanden en had geen strafblad.
    Martez had het lijk gevonden om 22.17 uur en had meteen de directe omgeving afgezocht voordat hij de politie belde. Hij wilde de pendejo pakken die dit had gedaan, want mensen hoorden dit soort dingen niet te doen en zeker niet wanneer hij, Gervasio, dienst had. Dan was het alsof ze het hem hadden aangedaan, begrijpt u? Dus wilde hij dit monster zelf in de kraag vatten. Maar dat was helaas niet gelukt. Want hij had nergens een spoor van de dader gezien, dus had hij de politie maar gebeld.
    De arme man had het persoonlijk opgevat. Ik had begrip voor zijn verontwaardiging. Een dergelijke brutaliteit kon niet worden getolereerd. Natuurlijk was ik ook heel blij dat zijn eergevoel mij genoeg tijd had gegeven om te ontsnappen. Ik, die altijd had gedacht dat moraliteit zinloos was.
    Ik wilde mijn donkere kantoor binnen lopen maar botste tegen inspecteur LaGuerta op. ‘He,’ zei ze. ‘Zag je me niet?’ Maar ze ging niet opzij.
    ‘Ik ben geen ochtendmens,’ zei ik. ‘Mijn bioritme ontwaakt pas om een uur of twaalf.’
    Van heel dichtbij keek ze naar me op. ‘Ik kan het niet aan je zien,’ zei ze.
    Ik schoof langs haar heen naar mijn bureau. ‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg ik. ‘Kan ik een bijdrage leveren aan het majestueuze apparaat van de gezagshandhaving?’
    Ze staarde me aan. ‘Je hebt een bericht,’ zei ze. ‘Op je antwoordapparaat.’
    Ik keek naar mijn antwoordapparaat. Inderdaad, het lichtje knipperde. Deze vrouw was echt scherpzinnig.
    ‘Een of andere vrouw,’ zei LaGuerta. ‘Ze klinkt slaperig en gelukkig. Heb je soms een vriendin, Dexter?’ Haar stem had een uitdagende ondertoon.
    ‘Ach, je weet hoe het gaat,’ zei ik. ‘Vrouwen zijn tegenwoordig zo vooruitstrevend en als je zo knap bent als ik, verliezen ze onmiddellijk hun hoofd.’ Het was geen erg gelukkige woordkeuze, want terwijl ik het zei, moest ik denken aan het vrouwenhoofd dat kortgeleden naar me toe was geslingerd.
    ‘Kijk maar uit,’ zei LaGuerta. ‘Vroeg of laat blijft er een aan je plakken.’ Ik had geen idee wat ze daarmee bedoelde, maar het beeld was al verontrustend genoeg.
    ‘Je hebt ongetwijfeld gelijk,’ zei ik, ‘maar tot dan is het carpe diem.’
    ‘Wat?’
    ‘Dat is Latijn,’ zei ik. ‘Het betekent: “klachten alleen overdag, a.u.b.” ’
    ‘Wat denk je van die van de afgelopen nacht?’ vroeg ze opeens.
    Ik liet haar het dossier zien en zei: ‘Ik wilde er net naar gaan kijken.’
    ‘Het is niet dezelfde dader,’ zei ze met een boze blik. ‘Die verdomde verslaggevers mogen zeggen wat ze willen. McHale is schuldig. Hij heeft bekend. Het kan dezelfde dader niet zijn.’
    ‘Toch lijkt het me een te groot toeval,’ zei ik. ‘Dat er tegelijkertijd twee van zulke moordenaars zouden rondlopen.’
    LaGuerta haalde haar schouders op. ‘Dit is Miami. Dat soort gasten komt hier hun vakantie doorbrengen. Er lopen hier zo veel moordenaars rond. Ik kan ze niet allemaal pakken.’
    Om u de waarheid te zeggen kon ze er niet een pakken, tenzij hij zich van een hoog gebouw wierp en door het open dak van haar auto naast haar op de passagiersstoel terechtkwam. Maar het leek me niet het juiste moment om dat tegen haar te zeggen. LaGuerta kwam dichter bij me staan en tikte met een donkerrode nagel op het dossier. ‘Je moet hierin iets zien te vinden, Dexter. Iets wat aantoont dat het niet dezelfde dader is.’
    Er ging me een licht op. Ze werd onder druk gezet, vermoedelijk door korpschef Matthews, iemand die alles geloofde wat hij in de krant las zolang ze zijn naam maar juist spelden. En ze had behoefte aan munitie om terug te knokken. ‘Natuurlijk is het niet dezelfde,’ zei ik. ‘Maar waarom ben je bij mij gekomen?’
    Ze staarde me enige tijd aan met half dichtgeknepen ogen, wat er nogal vreemd uitzag. Ik vermoed dat ze die blik had gezien in een van de films waar Rita me altijd mee naartoe sleepte, maar waarom LaGuerta die blik nu op mij toepaste, was me een raadsel. ‘Ik heb je de driedaagse laten bijwonen,’ zei ze. ‘Zelfs toen Doakes je de deur uit wilde schoppen. Ik heb ervoor gezorgd dat je kon blijven.’
    ‘Hartelijk bedankt.’
    ‘Omdat jij soms gevoel voor dit soort dingen hebt. Voor de seriemoordenaars. Dat zegt iedereen. Dat Dexter soms het juiste voorgevoel heeft.’
    ‘Is dat zo?’ zei ik. ‘Ik heb gewoon een of twee keer goed gegokt.’
    ‘En ik heb iemand in het lab nodig die iets voor me kan vinden.’
    ‘Waarom vraag je het dan niet aan Vince?’
    ‘Hij is niet zo leuk,’ zei ze. ‘Jij zult iets vinden, denk ik.’
    Ze stond nog steeds verontrustend dichtbij, zo dichtbij dat ik haar shampoo kon ruiken. ‘Ik zal mijn best doen,’ zei ik.
    Ze knikte naar het antwoordapparaat. ‘Ga je haar terugbellen? Je hebt nu geen tijd om achter de vrouwtjes aan te jagen.’
    Ze was nog steeds niet achteruitgegaan en het duurde even voordat ik doorhad dat ze het over het bericht op mijn antwoordapparaat had. ‘Volgens mij jagen ze achter mij aan, inspecteur.’
    ‘Ha! Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben.’ Ze keek me nog even strak aan, draaide zich toen om en liep weg.
    Ik weet niet waarom maar ik keek haar na. Het ging helemaal vanzelf. En net voordat ze de hoek om liep, streek ze haar rok glad over haar heupen, draaide ze haar hoofd om en keek ze me nog een keer aan. Toen was ze weg, opgeslokt door de ondoorgrondelijke mysteries van de politiek binnen het politiedekorps.
    En ik? De arme, verwarde Dexter? Wat kon ik anders doen? Ik liet me in mijn bureaustoel zakken en drukte op het afspeelknopje van het antwoordapparaat. ‘Hallo, Dexter. Met mij.’ Natuurlijk. En hoe vreemd het misschien ook mag klinken, de lome, enigszins schorre stem leek op die van Rita. ‘Mm… ik zat weer aan gisteravond te denken. Bel me terug, tijger.’ Zoals LaGuerta al had vastgesteld, klonk ze vermoeid en gelukkig. Ik had blijkbaar een nieuwe vriendin.
    Waar zou deze waanzin eindigen?

18

    Ik bleef zitten nadenken over de wrede ironie van het leven. Nadat ik zo veel jaren als solitair had geleefd, werd ik nu opeens van alle kanten belaagd door hongerige vrouwen. Deb, Rita, LaGuerta… blijkbaar waren ze geen van drieen in staat zonder mij verder te leven. Maar de enige persoon aan wie ik mijn tijd wilde besteden, was de onbekende die barbiepoppen in mijn koelkast achterliet. Was dit wel eerlijk?
    Ik stak mijn hand in mijn zak en voelde het smalle, dunne object glaasje dat veilig opgeborgen zat in het afgesloten bewijszakje. Het zorgde ervoor dat ik me even iets beter voelde. Ik deed tenminste iets. En was de enige voorwaarde die je aan het leven mocht stellen niet dat het interessant was? Nou, dat was het in ieder geval wel, interessant, meer dan dat zelfs. Ik zou een jaar van mijn leven willen geven als ik meer te weten kon komen over deze ongrijpbare schim die me genadeloos treiterde met zijn elegante werk. Het was zelfs zo dat het korte intermezzo met Jaworski me bijna een jaar van mijn leven had gekost.
    Ja, de zaken stonden er zeker interessant voor. En werd er op het bureau echt gezegd dat ik een goed gevoel voor seriemoorden had? Dat zat me niet lekker. Dat betekende dat mijn zorgvuldig opgebouwde vermomming mogelijk gaten vertoonde. Het was blijkbaar te lang goed gegaan. Dit kon een probleem worden. Maar wat kon ik er aan doen? Me een tijdje van de domme houden? Ik betwijfelde of ik wel wist hoe dat moest, zelfs na mijn jarenlange studie van menselijk gedrag.
    Maar goed. Ik sloeg het dossier van Jaworski open, de arme man. Na een uurtje lezen was ik tot een paar conclusies gekomen. Ten eerste, en dat was het belangrijkste, ik ging vrijuit, ondanks de onvergeeflijke slordigheid en impulsiviteit waaraan ik me schuldig had gemaakt. Ten tweede was er misschien een mogelijkheid voor Deb om haar voordeel te doen met wat er was gebeurd. Als zij kon aantonen dat dit het werk was van onze kunstenaar terwijl LaGuerta bleef vasthouden aan haar theorie van iemand die hem had geimiteerd, kon Deb zichzelf daarmee omtoveren van iemand die ze niet serieus namen in het genie van de maand. Natuurlijk was dit niet het werk van dezelfde man, maar dat was op dit moment niet van belang. Aangezien ik zonder enige twijfel wist dat er binnenkort meer lijken aangetroffen zouden worden, hoefden we ons hier geen zorgen om te maken.
    En natuurlijk moest ik die irritante inspecteur LaGuerta op hetzelfde moment genoeg touw verschaffen om zichzelf op te knopen. Wat me, bedacht ik, in mijn prive-leven trouwens ook niet slecht zou uitkomen. Als LaGuerta met haar rug tegen de muur stond en de kans liep voor idioot versleten te worden, zou ze natuurlijk proberen de schuld af te schuiven op de betweterige labtechnicus die haar fout had voorgelicht: de saaie, onbetekenende Dexter. Mijn reputatie zou een deuk oplopen en ik zou terugvallen in de middelmatigheid. Mijn baan zou geen gevaar lopen, want ik was aangenomen om bloedspatten te analyseren en niet om daderprofielen te verschaffen. Ook dat zou ertoe bijdragen dat LaGuerta werd ontmaskerd als de domkop die ze in werkelijkheid was en het zou Deborahs aanzien zelfs nog meer verhogen.
    Heerlijk als de dingen zich op zo’n leuke manier ontwikkelden. Ik belde Deborah.
    De volgende dag om halftwee ontmoette ik Deb in een restaurantje op een paar blokken afstand van het vliegveld. Het zat weggestopt in een smal winkelstraatje, tussen een winkel in auto-onderdelen en een wapenhandel. Het was een zaak die we allebei kenden, niet te ver van het hoofdbureau van Metro-Dade en ze hadden er de beste Cubaanse broodjes van de hele wereld. Dat kan misschien onbelangrijk lijken, maar ik kan u verzekeren dat er momenten in het leven zijn waarop alleen een medianoche uitkomst kan bieden, en op zulke momenten was je bij Cafe Relampago op het juiste adres. De Morgans kwamen er al sinds 1974.
    Ik had het gevoel dat de huidige situatie een licht accentje verdiende, niet echt een feestje maar tenminste de erkenning dat de dingen er iets beter voor stonden dan daarvoor. Misschien voelde ik me gewoon opgewekt omdat ik de kans had gekregen om stoom af te blazen met Jaworski, maar in ieder geval voelde ik me goed, zonder precies te weten waarom. Zo goed zelfs, dat ik een batido de mame’ bestelde, een Cubaanse milkshake met een unieke smaak die het midden hield tussen watermeloen, perzik en mango.
    Deb had natuurlijk geen weet van mijn op niets gebaseerde goede humeur en kon er dan ook niet in mee gaan. Ze zag eruit alsof ze de gelaatsuitdrukkingen van grote vissen had bestudeerd, zo sip en chagrijnig keek ze.
    ‘Toe nou, Deborah,’ smeekte ik haar. ‘Als je niet ophoudt, blijft je gezicht voor altijd zo staan. De mensen zullen denken dat je een karper bent.’
    ‘Ze zullen in ieder geval niet denken dat ik een politieambtenaar ben,’ zei ze, ‘want dat ben ik straks niet meer.’
    ‘Onzin,’ zei ik. ‘Ik heb je toch beloofd dat dat niet zou gebeuren?’
    ‘Ja, en je hebt me ook beloofd dat deze aanpak zou werken. Maar je hebt niets gezegd over de blik waarmee korpschef Matthews me aankeek.’
    ‘Mijn god, Deb,’ zei ik. ‘Heeft hij je aangekeken? Dat spijt me oprecht.’
    ‘Krijg de pest, Dexter. Je was er niet bij en het is niet jouw carriere die het riool in spoelt.’
    ‘Ik heb je gewaarschuwd dat het een tijdje moeilijk zou worden, Debs.’
    ‘Nou, dat heb je in ieder geval goed gezien. Volgens Matthews sta ik op het punt om geschorst te worden.’
    ‘Maar hij heeft je wel toestemming gegeven om in je vrije tijd nog wat onderzoek te doen?’
    Ze snoof. ‘Hij zei: “Ik kan je niet tegenhouden, Morgan. Maar je hebt me erg teleurgesteld en ik vraag me af wat je vader hiervan gezegd zou hebben.” ’
    ‘En toen zei jij: “Mijn vader zou een zaak nooit afsluiten met een onschuldig mens in de cel.” ’
    Ze keek me verbaasd aan. ‘Nee,’ zei ze. ‘Maar ik dacht het wel. Hoe weet jij dat?’
    ‘Maar je hebt het niet echt gezegd, he, Deborah?’
    ‘Nee,’ zei ze.
    Ik schoof haar glas naar haar toe. ‘Neem een slok mame’, zusje. Er gloort licht aan de horizon.’
    Ze keek me aan. ‘Weet je zeker dat je me geen onzin verkoopt?’
    ‘Natuurlijk, Deb. Alsof ik dat zou kunnen.’
    ‘Met het grootste gemak.’
    ‘Echt, zusje, je moet me vertrouwen.’
    Ze bleef me even aankijken en sloeg toen haar ogen neer. Ze had haar milkshake nog niet aangeraakt, wat zonde was want de mijne smaakte uitstekend. ‘Ik vertrouw je, al weet ik bij god niet waarom.’ Ze keek me weer aan en er kwam een merkwaardige uitdrukking op haar gezicht, een die kwam, ging en weer terugkwam. ‘En soms denk ik zelfs dat ik dat beter niet zou kunnen doen.’
    Ik wierp haar mijn meest geruststellende grotebroerglimlach toe. ‘In de komende twee a drie dagen gaat er iets gebeuren. Dat beloof ik je.’
    ‘Dat kun je niet weten,’ zei ze.
    ‘Ik weet dat ik dat niet kan, Deb. Maar toch weet ik het. Echt.’
    ‘En waarom ben jij daar zo vrolijk over?’
    Ik had willen zeggen: omdat het idee me dolgelukkig maakt. Omdat het vooruitzicht dat ik meer van het bloedeloze wonder mag aanschouwen me gelukkiger maakt dan alles wat ik kan bedenken. Maar die gedachte kon ik natuurlijk niet aan Deb vertellen, dus hield ik haar voor mezelf. ‘Omdat ik blij ben voor jou, natuurlijk.’
    Ze snoof. ‘O ja, dat was ik vergeten,’ zei ze. Maar ze nam in ieder geval een slokje van haar milkshake.
    ‘Hoor eens,’ zei ik. ‘Of LaGuerta heeft gelijk…’
    ‘Wat inhoudt dat ik dood en begraven ben.’
    ‘… of ze heeft het mis, wat inhoudt dat je springlevend bent. Kun je me tot zover volgen, zusje?’
    ‘Hm,’ gromde ze, veel te chagrijnig gezien het geduld dat ik met haar had.
    ‘Als jij een gokker was, zou je dan wedden dat LaGuerta gelijk had? Het maakt niet uit op welk terrein?’
    ‘Misschien op modegebied,’ zei ze. ‘Ze kleedt zich erg goed.’
    De broodjes werden gebracht. De ober zette ze zonder een woord en met een smak op tafel en trok zich weer terug achter de counter. Toch waren het heel lekkere broodjes. Ik weet niet wat ze lekkerder maakte dan alle andere medianoches in de stad, maar ze waren het wel. Het broodje krokant vanbuiten en zacht vanbinnen, het volmaakte evenwicht tussen het varkensvlees en de augurk, de kaas perfect gesmolten… een ware lekkernij. Ik nam een flinke hap. Deborah speelde met het rietje van haar milkshake.
    Ik slikte. ‘Deb, als mijn keiharde logica je niet kan opbeuren en een broodje van Relampago ook niet, is het echt te laat. Dan is het gebeurd met je.’
    Ze keek me aan met haar karpergezicht en nam een hap van haar broodje. ‘Erg lekker,’ zei ze zonder enige overtuiging. ‘Zie je hoe ik geniet?’
    Het arme kind was niet overtuigd, wat een flinke dreun voor mijn ego was. Maar ik had haar in ieder geval op een traditionele Morgan-lekkernij getrakteerd. En ik had haar goed nieuws verteld, ook al herkende ze het niet als zodanig. Als dit alles geen glimlach op haar gezicht kon brengen… Nou ja, men kon niet van mij verwachten dat ik alles deed.
    Wat ik nog wel kon doen, was LaGuerta iets te snoepen aanbieden… Nee, geen lekker broodje van Relampago maar iets wat ze toch heel smakelijk zou vinden. Dus bracht ik de inspecteur die middag een bezoek op het bureau, waar ze een heel mooie werkplek had in de hoek van een groot vertrek dat in nog zes werkplekken was verdeeld. Het hare was natuurlijk het mooiste en aan de met stof beklede scheidingswandjes hingen diverse smaakvolle foto’s waarop ze met enkele beroemdheden stond. Ik herkende Gloria Estefan, Madonna en Jorge Mas Canosa. Op haar bureau, schuin achter de lederen bureauset met het zeegroene vloeiblad, stond een groene onyx pennenset met een kwartsklokje in het midden.
    LaGuerta zat in rap Spaans in de telefoon te praten toen ik binnenkwam. Ze keek op, keek me aan zonder me te zien en wendde haar blik weer af. Maar even later keek ze opnieuw op. Deze keer zag ze me wel en nam ze me aandachtig en met gefronste wenkbrauwen op. ‘Oke, oke, ta luo,’ zei ze, wat Cubaans is voor hasta luego. Ze hing op en bleef me aankijken.
    ‘Wat heb je voor me meegebracht?’ vroeg ze ten slotte.
    ‘Mooi weer,’ zei ik.
    ‘Als je daarmee goed nieuws bedoelt, kan ik dat heel goed gebruiken.’
    Ik haakte mijn voet achter een poot van een klapstoeltje en trok het naar haar bureau. ‘Er bestaat geen enkele twijfel over,’ zei ik terwijl ik ging zitten, ‘dat je de juiste man hebt opgesloten. De moord bij Old Cutler Road is gepleegd door een ander.’
    Ze bleef me weer enige tijd aankijken. Ik vroeg me af waarom het zo lang duurde voordat ze de informatie had verwerkt en erop kon reageren. ‘Kun je dat aantonen?’ vroeg ze me ten slotte. ‘Me zekerheid geven?’
    Natuurlijk kon ik dat, maar dat was ik niet van plan, hoe goed een bekentenis misschien ook voor mijn zielenrust mocht zijn. In plaats daarvan liet ik het dossier op haar bureau vallen. ‘De feiten spreken voor zich,’ zei ik. ‘Er bestaat geen enkele twijfel over.’ Natuurlijk bestond er geen twijfel over, maar ik was de enige die dat wist. ‘Kijk…’ zei ik terwijl ik een getypt lijstje met zorgvuldig uitgekozen vergelijkingen uit het dossier haalde. ‘Ten eerste is het slachtoffer een man. Alle vorige slachtoffers waren vrouwen. Ten tweede is dit slachtoffer bij Old Cutler Road gevonden. Alle slachtoffers van McHale zijn bij Tamiami Trail gevonden. Ten derde was het lijk van dit slachtoffer nog min of meer intact en is hij vermoord op de plaats waar hij aangetroffen is. McHales slachtoffers zijn in mootjes gehakt en naderhand op een andere plek gedumpt.’
    Ik ging door en zij luisterde vol aandacht. Het was een goed lijstje. Het had me een paar uur gekost om de meest voor de hand liggende, compleet doorzichtige feiten naast elkaar te zetten en ik moet zeggen dat ik knap werk had verricht. En ook LaGuerta speelde haar rol goed want ze slikte alles. Ze hoorde natuurlijk wat ze graag wilde horen.
    ‘Samengevat,’ zei ik, ‘deze nieuwe moord draagt de signatuur van een moord uit wraak en heeft hoogstwaarschijnlijk met drugs te maken. De man in de cel heeft de andere moorden gepleegd en daar is nu voorgoed, definitief, voor eeuwig en altijd een eind aan gekomen. Er zal nooit meer zo’n moord worden gepleegd. Zaak gesloten.’ Ik hield haar het lijstje voor.
    Ze pakte het aan en bleef er lange tijd naar kijken. Ze fronste haar wenkbrauwen en haar ogen gingen enkele keren op en neer over de bladzijden. Haar ene mondhoek trilde even. Toen legde ze het blaadje papier op haar bureau en zette er een zware nietmachine van groene jade op.
    ‘Oke,’ zei ze terwijl ze de nietmachine perfect evenwijdig aan de rand van haar vloeiblad zette. ‘Oke, heel goed. Hier heb ik wat aan.’ Ze keek me weer aan, met de wenkbrauwen nog steeds gefronst van concentratie, maar toen brak er een glimlach door op haar gezicht. ‘Oke, bedankt, Dexter.’ Haar glimlach was zo onverwacht en zo oprecht, dat ik me, als ik een geweten had gehad, me zeker schuldig zou hebben gevoeld.
    Ze stond op, nog steeds glimlachend, en voordat ik kon reageren had ze haar armen om mijn nek geslagen om me te omhelzen. ‘Je hebt me een grote dienst bewezen,’ zei ze. ‘Ik ben je heel… heel erg dankbaar.’ En ze wreef haar lichaam tegen het mijne op een manier die alleen als suggestief omschreven kan worden. Mijn laatste twijfel was verdwenen. Ik bedoel, hier was ze, de beschermer van de publieke moraal, voor iedereen te zien, terwijl ik zelfs in de privacy van een geluiddichte bankkluis niet geinteresseerd zou zijn in dat gewrijf van haar lichaam tegen het mijne. Ik mocht haar dan een touw hebben gegeven waaraan ze zichzelf kon ophangen, maar moest dat op deze onsmakelijke wijze gevierd worden? Was de hele wereld nu echt gek geworden? Wat was er toch mis met mensen? Was dit nu echt het enige waaraan ze konden denken?
    Ik begon de grens van de totale paniek te naderen en probeerde me aan haar greep te ontworstelen. ‘Inspecteur, alsjeblieft…’
    ‘Zeg toch Migdia,’ zei ze terwijl ze nog harder begon te wrijven. Haar hand ging naar de voorkant van mijn broek en ik maakte een luchtsprongetje van schrik. Het positieve effect daarvan was dat de amoureuze inspecteur me moest loslaten. Het negatieve effect was dat ze een halve pirouette maakte, met haar heup tegen haar bureau stootte, over haar stoel struikelde en languit op de grond viel.
    ‘Ik, eh… moet nu echt terug naar mijn werk,’ stamelde ik. ‘Er ligt een heel belangrijke, eh…’ Maar ik kon niets bedenken wat belangrijker was dan te rennen voor mijn leven, dus liep ik achteruit weg van haar werkplek en liet haar op de grond achter.
    Het was geen bijzonder vriendelijke blik waarmee ze me nakeek.

19

    Ik werd wakker en stond bij de wastafel. De kraan liep. Ik werd overvallen door totale paniek en een gevoel van complete desorientatie, mijn hart bonkte in mijn borstkas en mijn dichtgekoekte oogleden trilden toen ik mijn ogen opendeed. De plek klopte niet. De wastafel ook niet. Ik wist niet eens zeker wie ik was… want in mijn droom had ik bij de wastafel gestaan terwijl het water liep, maar het was niet deze wastafel geweest. Ik had mijn handen staan wassen, had de zeep keer op keer door mijn handen laten gaan in een poging mijn huid te reinigen van elk microscopisch deeltje bloed en het weg te spoelen met water dat zo heet was, dat mijn handen er roze en jong en brandschoon uitzagen. En het water had nog heter aangevoeld door de kilte in de kamer die ik net had verlaten, de speelkamer, de snijkamer, de kamer waar ik het precieze, kurkdroge snijwerk had verricht.
    Ik draaide de kraan dicht, bleef daar even staan en leunde met mijn buik tegen het koele keramiek van de wastafel. Het was allemaal zo echt geweest, zo heel anders dan ik ooit in een droom had meegemaakt. En ik herinnerde me de kamer zo duidelijk. Als ik mijn ogen dichtdeed, zag ik die meteen weer voor me.
    Ik sta over een vrouw gebogen, zie hoe ze zich in bochten wringt en trekt aan het plakband dat haar op haar plaats houdt, zie de doodsangst in haar opengesperde ogen, zie die overgaan in gelatenheid, voel het almachtige wonder in mezelf omhoogkomen en doorstromen naar de arm met de hand waarin ik het mes houd. En als ik het mes omhoog doe om te beginnen…
    … Maar dit is niet het begin. Want onder de tafel ligt er nog een, al helemaal leeggebloed en netjes ingepakt. En in de hoek van de kamer zit er nog een, te wachten op haar beurt, gehuld in die duistere doodsangst die anders is dan ik daarvoor heb gezien maar die me op de een of andere manier toch als vertrouwd en noodzakelijk voorkomt, dit loslaten van alle laatste kansen op overleven, zo totaal dat het me vervult met pure, schone energie die giftiger is dan…
    Drie.
    Het zijn er deze keer drie.
    Ik deed mijn ogen open. Zag mezelf in de spiegel. Hallo, Dexter. Heb je gedroomd, ouwe jongen? Interessant, nietwaar? Het waren er drie, he? Het was maar een droom, meer niet. Ik glimlachte naar mezelf, probeerde al mijn aangezichtsspieren uit, maar erg overtuigend zag het er niet uit. En hoe hartstochtelijk en meeslepend de droom ook was, ik was nu klaarwakker en had er alleen een kater en een paar natte handen aan overgehouden.
    Wat een aangenaam intermezzo van mijn onderbewustzijn had moeten zijn, had me bang en onzeker gemaakt. Ik had het nare gevoel dat mijn geest de hort op was en ik hier was achtergelaten om de huur te betalen. Ik dacht aan de drie speelkameraadjes en wilde naar hen terug om het werk af te maken. Ik dacht aan Harry en wist dat dat uitgesloten was. Ik werd heen en weer geslingerd tussen een herinnering en een droom en wist niet welke van de twee verontrustender was.
    Dit was niet leuk meer. Ik wilde mijn geest terug.
    Ik droogde mijn handen en ging weer naar bed, maar er was de arme, verwarde Dexter deze nacht geen slaap meer gegund. Ik lag op mijn rug en staarde naar de bewegende donkere vlekken op het plafond totdat om kwart voor zes de telefoon begon te rinkelen.
    ‘Je had gelijk,’ zei Deb toen ik opnam.
    ‘Wat fijn,’ zei ik, met de grootste moeite om zo snedig als altijd te zijn. ‘Gelijk over wat?’
    ‘Over alles,’ zei Deb. ‘Ik sta hier op een plaats delict aan Tamiami Trail. En raad eens?’
    ‘Ik had gelijk?’
    ‘Het is hem, Dexter. Het moet hem zijn. En hij heeft het deze keer een stuk groter aangepakt.’
    ‘Groter? Op welke manier, Deb?’ vroeg ik terwijl ik dacht aan drie lijken, hoopte dat ze het niet zou zeggen en me opgewonden voelde omdat ik ervan overtuigd was dat ze dat wel zou doen.
    ‘Er schijnen meerdere slachtoffers te zijn,’ zei ze.
    Er ging een schok door me heen, vanuit mijn maag recht omhoog, alsof ik een volle batterij had doorgeslikt. Maar ik deed een uiterste poging om iets scherpzinnigs te zeggen. ‘Dat is geweldig, Deb. Je lijkt wel een politierapport.’
    ‘Ja, nou, ik begin het gevoel te krijgen dat ik er binnenkort een zal moeten schrijven. Maar ik ben blij dat het nu niet is. Dit is te gek voor woorden, Dex. LaGuerta weet niet wat ze ervan moet denken.’
    ‘Of hoe ze moet denken. Wat is er zo gek aan, Deb?’
    ‘Ik moet ophangen,’ zei ze opeens. ‘Kom hiernaartoe, Dexter. Je moet dit zien.’
    Tegen de tijd dat ik er aankwam, stonden de mensen al drie rijen dik achter de afzetting en het merendeel daarvan was van de pers. Het valt niet mee om je een weg te banen door een massa verslaggevers die bloed hebben geroken. Je zou het misschien niet zeggen want voor de camera komen ze over als kwezels met hersenschade en ernstige eetstoornissen. Maar zodra ze achter een politieafzetting staan, ondergaan ze een miraculeuze verandering. Dan worden ze sterk en agressief en zijn ze meer dan bereid om alles en iedereen opzij te duwen en desnoods onder de voet te lopen. Het leek wel wat op het verhaal over de oudere moeder die een vrachtwagen kon optillen toen haar kind eronder beklemd zat. Kracht is soms afkomstig uit mysterieuze bronnen en als er bloed op de grond ligt, zijn persmuskieten in staat zich overal doorheen te dringen. En zelfs zonder hun haar in de war te brengen.
    Gelukkig werd ik herkend door een van de agenten in uniform achter de afzetting. ‘Ga eens opzij, mensen,’ riep hij naar de verslaggevers. ‘Laat hem erdoor.’
    ‘Bedankt, Julio,’ zei ik tegen de agent. ‘Het lijkt wel of er elk jaar meer persmensen komen.’
    Hij snoof. ‘Volgens mij worden ze gekloond. Ze lijken allemaal op elkaar.’
    Ik kroop onder het gele lint door en toen ik me weer oprichtte, had ik het vreemde gevoel dat er iemand met de zuurstof in de buitenlucht van Miami had gerotzooid. Ik stond op een bouwplaats, te midden van het puin. Zo te zien waren ze hier een kantoorpand van drie verdiepingen aan het bouwen, van het soort dat door kleinere projectontwikkelaars wordt gemaakt. En toen ik langzaam naar voren liep, met mijn blik gericht op de activiteiten rondom het half voltooide gebouw, wist ik dat het geen toeval was dat we hier allemaal waren samengebracht. Niets was toeval bij deze moordenaar. Alles gebeurde weloverwogen, werd zorgvuldig afgemeten naar het esthetische effect en beoordeeld op artistieke noodzakelijkheid.
    We stonden hier op een bouwplaats omdat dat noodzakelijk was. Hij maakte een statement, zoals ik tegen Deb had gezegd dat hij dat zou doen. Jullie hebben de verkeerde te pakken, zei hij. Jullie hebben een of andere sufkop opgesloten omdat jullie zelf sufkoppen zijn. Jullie zijn te stom om dat in te zien, dus moet ik jullie met je neus erin wrijven. Nou, bij dezen dan.
    Maar meer nog dan dat, meer dan een boodschap aan de politie en het grote publiek, was dit een boodschap voor mij. Hij daagde me uit, treiterde me door me een passage uit mijn eigen overhaaste werk voor te lezen. Hij had zijn slachtoffers naar een bouwplaats gebracht omdat ik Jaworski op een bouwplaats had vermoord. Hij speelde een spelletje met me, liet ons zien hoe goed hij was en liet een van ons weten — mij — dat hij met ons meekeek. Ik weet wat je hebt gedaan, was de boodschap, en ik kan dat ook. Veel beter dan jij.
    Ik neem aan dat ik hier enigszins nerveus van had moeten worden.
    Maar dat gebeurde niet.
    Ik voelde me bijna frivool, als het tienermeisje dat toekeek terwijl de aanvoerder van het voetbalteam zich in het zweet werkte om haar voor het eerst mee uit te vragen. Bedoel je mij? Ik? O hemeltje, echt? Mijn wimpers trillen van opwinding.
    Ik haalde een keer diep adem en probeerde mezelf eraan te herinneren dat ik een oppassend meisje was en dat ik dat soort dingen niet deed. Maar ik wist dat hij ze wel deed en ik wilde niets liever dan met hem op stap. Toe, Harry, mag het?
    Want ver voorbij het simpele verlangen om interessante dingen met een nieuwe vriend te doen, lag de wens om deze moordenaar te vinden. Ik moest hem zien, met hem praten, mezelf ervan overtuigen dat hij echt bestond en dat hij…
    Dat hij wat?
    Dat hij mij niet was?
    Dat ik niet degene was die al deze interessante dingen deed? Waarom dacht ik dat? Dat was een ronduit stompzinnig idee, absoluut de aandacht onwaardig van de geest waar ik ooit zo trots op was geweest. Behalve dat ik het idee, nu het eenmaal post had gevat in mijn hoofd, niet meer kon temperen en kon dwingen zich te gedragen. Als ik het nu echt was geweest? Als ik deze dingen op de een of andere manier had gedaan zonder er iets van te weten? Onmogelijk, natuurlijk, absoluut uitgesloten, maar…
    Ik was wakker geworden bij de wastafel waar ik het bloed van mijn handen had staan wassen na een ‘droom’ waarin ik bewust en met veel plezier bloed op mijn handen kreeg terwijl ik dingen deed waarvan ik normaliter alleen maar droom. En ik wist dingen over deze hele reeks van moorden, dingen die ik onmogelijk kon weten tenzij…
    Tenzij niks. Neem een kalmeringspil, Dexter, en begin nog eens overnieuw. Haal een paar keer diep adem, gekke man, adem de frisse lucht in en de slechte uit. Dit was gewoon het zoveelste symptoom van de spanning waaraan ik de laatste tijd had blootgestaan. Ik begon gewoon voortijdig seniel te worden door de constante druk van het oppassende leventje dat ik leidde. Hoewel ik moest toegeven dat ik de afgelopen weken een paar momenten van menselijke domheid had ervaren. Nou en? Dat hoefde toch niet per se te bewijzen dat ik menselijk was? Of dat ik tijdens mijn slaap op avontuur was gegaan?
    Nee, natuurlijk niet. Ik was er vrijwel zeker van dat het niet zoiets betekende. Maar, eh… wat betekende het dan wel?
    Ik had aangenomen dat ik gewoon gek aan het worden was, dat ik de kluts kwijt was omdat die voor een deel in de vuilnisbak was beland. Heel geruststellend… Maar als ik bereid was dat te geloven, waarom zou ik dan niet toegeven dat het mogelijk was dat ik een paar rare fratsen had uitgehaald zonder me die te kunnen herinneren, of alleen als flarden van dromen? Was gekte gemakkelijker te accepteren dan dingen doen zonder je die bewust te zijn? Misschien was het wel een veredelde vorm van slaapwandelen. Slaapmoorden. Waarschijnlijk algemeen bekend. Waarom niet? Ik had de stuurknuppel van mijn bewustzijn al zo vaak uit handen gegeven wanneer de Zwarte Ruiter zin had in een avontuurtje. Het was helemaal niet zo’n grote sprong om te accepteren dat er nu iets soortgelijks was gebeurd, zij het in een enigszins andere vorm. De Zwarte Ruiter had gewoon mijn auto geleend terwijl ik lag te slapen.
    Hoe moest ik het anders uitleggen? Dat ik mezelf astraal projecteerde terwijl ik sliep en dat mijn vibraties toevallig waren afgestemd op de aura van de moordenaar omdat we elkaar in een vorig leven hadden gekend? Natuurlijk, zoiets moest het zijn: als we hier in Zuid-Californie waren, zou het nog niet eens zo gek overkomen. Maar voor Miami was het wat mager. Toch, als ik dit half voltooide gebouw binnen ging en ik zou daar drie lijken zien liggen, tentoongesteld op een manier die me aansprak, zou ik rekening moeten houden met de mogelijkheid dat er zoiets gebeurd was. Klonk dat niet redelijker dan dat ik via een of andere feestlijn in verbinding stond met mijn onderbewustzijn?
    Ik was inmiddels aangekomen bij het externe trappenhuis van het gebouw. Ik bleef daar even staan, leunde tegen het kale beton van de buitenmuur en deed mijn ogen dicht. Het beton was ruw en koeler dan de buitenlucht. Ik legde mijn wang ertegenaan, wat zowel prettig als pijnlijk was. Ik wilde niets liever dan naar boven gaan om te bekijken wat er te zien was, maar tegelijkertijd wilde ik het helemaal niet zien. Praat met me, fluisterde ik naar de Zwarte Ruiter. Vertel me wat je hebt gedaan.
    Maar afgezien van het gebruikelijke kille, zachte gegrinnik kreeg ik geen antwoord. Dus daar schoot ik weinig mee op. Ik voelde me een beetje misselijk, duizelig en onzeker en vond het helemaal niet prettig dat ik dit soort dingen voelde. Ik haalde een paar keer diep adem, ging rechtop staan en opende mijn ogen.
    Brigadier Doakes stond me aan te staren van amper een meter afstand, net om de hoek van het trappenhuis, waar hij met zijn voet op de eerste trede stond. Zijn gezicht was een donker, gebeeldhouwd masker van nieuwsgierige vijandigheid, als van een rottweiler die je beide armen wil afrukken maar die zich alvorens afvraagt hoe je gaat smaken. Er zat iets in zijn gezichtsuitdrukking wat ik nog nooit bij iemand anders had gezien, behalve bij mezelf in de spiegel. Het was de diepgewortelde, bittere leegheid van iemand die in zijn leven alles had gezien en alles had meegemaakt.
    ‘Tegen wie sta je te praten?’ vroeg hij, waarbij hij me zijn witte, hongerige tanden liet zien. ‘Zit er soms nog iemand in je?’
    Die woorden en de manier waarop hij ze uitsprak, verrasten me volledig en deden mijn knieen knikken. Waarom had hij dat nu juist gezegd? Wat bedoelde hij met ‘zit er iemand in me’? Kon hij het weten van de Zwarte Ruiter? Uitgesloten! Tenzij…
    Tenzij Doakes wist wat ik was.
    Net zoals ik het meteen van die verpleegster had geweten.
    Het ding binnen in me maakte zich bekend zodra het een soortgenoot tegenkwam. Had brigadier Doakes ook een Zwarte Ruiter in zich? Hoe kon dat mogelijk zijn? Een rechercheur Moordzaken met Dexter-achtige roofdierentrekjes? Ondenkbaar. Maar hoe was het anders te verklaren? Ik kon niets bedenken om tegen hem te zeggen en stond hem lange tijd alleen maar aan te staren. En hij staarde terug.
    Ten slotte schudde hij zijn hoofd, maar zonder zijn blik van me af te wenden. ‘Er komt een dag…’ zei hij. ‘Dan is het jij en ik.’
    ‘Ik heb geen haast,’ zei ik met alle opgewektheid die ik kon opbrengen. ‘Maar als je me nu wilt excuseren?’
    Hij stond daar, nam de hele breedte van de trap in beslag en keek me alleen maar aan. Maar uiteindelijk knikte hij en ging opzij. ‘Er komt een dag…’ zei hij weer toen ik me langs hem heen wrong en de trap op liep.
    De schok van deze ontmoeting had me in een keer losgerukt uit mijn gedachten over mezelf. Natuurlijk pleegde ik geen moorden zonder het me bewust te zijn. Ten eerste was dat een ronduit belachelijk idee en ten tweede zou het eeuwig zonde zijn om zoiets te doen en het me vervolgens niet meer te herinneren. Er moest een andere verklaring zijn, een simpele, nuchtere verklaring. Ik was toch niet de enige die tot dit soort dingen in staat was? Dit was tenslotte Miami en het wemelde hier van de levensgevaarlijke types als brigadier Doakes.
    Ik liep snel de trap op, voelde de adrenaline door mijn aderen golven en kwam weer een beetje tot mezelf. Mijn stappen kregen weer die gezonde veerkracht, hoewel die voor een deel te danken was aan het feit dat ik aan de brigadier was ontsnapt. Ik was er nu nog meer op gebrand om deze laatste aanslag op de openbare veiligheid te aanschouwen. Het was een natuurlijke nieuwsgierigheid, meer niet. Mijn eigen vingerafdrukken zou ik hier zeker niet aantreffen.
    Ik kwam aan op de eerste verdieping. Er stonden al een paar muren, maar het merendeel van de verdieping bestond uit een grote open ruimte. Toen ik die vanaf de overloop binnen liep, zag ik Angel in het midden zitten, gehurkt en zonder zich te verroeren. Zijn ellebogen stonden op zijn knieen, zijn hoofd rustte op zijn handen en hij staarde recht voor zich uit. Ik bleef staan en keek hem geschrokken aan. Dit was een van de merkwaardigste dingen die ik ooit had gezien, een technisch rechercheur van Moordzaken die als versteend zat te staren naar wat hij op een plaats delict had aangetroffen.
    En wat hij had aangetroffen, was zelfs nog interessanter.
    Het zag eruit als een scene uit een pikzwart drama, een toneelstuk voor vampiers. Net als op de bouwplaats waar ik Jaworski had vermoord, was er gebruikgemaakt van een groot pak met blokken gasbeton. Het was tegen de muur geschoven en baadde in het licht van de bouwlampen en de paar extra schijnwerpers die door het onderzoeksteam waren neergezet.
    Boven op de blokken gasbeton stond een zwarte workmate, als een altaar. Hij stond keurig in het midden, zodat het licht er precies goed op viel… Of beter gezegd, viel op wat er op het werkblad van de workmate stond.
    Dat was natuurlijk een vrouwenhoofd. Uit de mond stak een achteruitkijkspiegel van een auto of vrachtwagen, waardoor de mond werd vervormd tot een bijna komische verbaasde grijns.
    Links daarachter, op het andere werkblad, dat hoger was gedraaid, stond nog een hoofd. Ervoor, tegen de kin aan, was het lije van een barbiepop geschoven, zodat het eruitzag als een piepklein lichaampje met een reusachtig hoofd.
    Aan de rechterkant bevond zich het derde hoofd, dat aan de oren en zo te zien met speciale betonschroeven op een blok gasbeton was vastgeschroefd. Er was nergens bloed te zien. Op geen van de drie hoofden was ook maar een bloedspat te bekennen.
    Een spiegel, een barbiepop en gasbeton.
    Drie slachtoffers.
    Zonder een druppel bloed.
    Hallo, Dexter.
    Er bestond geen enkele twijfel over. De barbiepop was een duidelijke verwijzing naar die in mijn vriesvak. De spiegel verwees naar het hoofd op de Causeway en het gasbeton naar Jaworski. Of iemand was zo diep mijn hoofd binnen gedrongen dat hij me kende als zijn broekzak, of hij was mij.
    Ik haalde diep en moeizaam adem. Ik weet niet of mijn emoties dezelfde waren als de zijne, maar het enige wat ik op dat moment wilde, was neerhurken naast Angel. Ik had tijd nodig om na te denken en de betonnen vloer leek me daar een goede plek voor. Maar in plaats daarvan liep ik langzaam naar het altaar toe alsof ik op een geoliede rails stond en ernaartoe werd getrokken. Het lukte me niet om te blijven staan of terug te gaan. Ik kon alleen maar vooruit lopen. Ik kon niets anders doen dan kijken, me verwonderen en ervoor zorgen dat ik op tijd in- en uitademde. En langzaam maar zeker werd ik me bewust dat ik hier niet de enige was die niet kon geloven wat hij zag.
    Gedurende mijn carriere bij de politie — om nog maar te zwijgen van mijn hobby — had ik al enkele honderden moorden gezien, waarvan vele zo gewelddadig en gruwelijk, dat zelfs ik erdoor was geschokt. En bij al deze moorden was het onderzoeksteam van Metro-Dade komen opdraven en had iedereen op een ontspannen en vakkundige manier zijn werk gedaan. Stuk voor stuk hadden ze koffie staan drinken, iemand op pad gestuurd om donuts en pasteles te halen en sommigen hadden zelfs grapjes gemaakt of over het weer gepraat terwijl ze de smurrie opruimden. En op elke plaats delict had ik een of meer groepjes rechercheurs gezien die zo volkomen onaangedaan waren door wat ze daar aantroffen, dat ze net zo goed op het bowlingtoernooi van de kerk hadden kunnen staan.
    Tot vandaag.
    Deze keer was het onnatuurlijk stil in de grote, kale ruimte. De agenten en rechercheurs stonden zwijgend bijeen in groepjes van twee of drie alsof ze te bang waren om hier alleen te staan, en het enige wat ze deden, was kijken naar wat er achter in de ruimte tentoon was gesteld. Als iemand per ongeluk een geluid maakte, schrok iedereen op en werd er boos naar de herriemaker gekeken. De hele scene was zo komisch en bizar, dat ik zeker hardop gelachen zou hebben als ik niet net zo wezenloos als iedereen naar de hoofden had staan staren.
    Had ik dit gedaan?
    Het was zo mooi… op een afschuwelijke manier, natuurlijk. Maar toch, de opstelling was volmaakt, oogstrelend en prachtig bloedeloos. Ze verried een grote intelligentie en een uitstekend gevoel voor compositie. Iemand had een heleboel moeite gedaan om hier een waar kunstwerk van te maken. Iemand met stijl, talent en een morbide gevoel voor speelsheid. Gedurende mijn hele leven had ik maar een persoon gekend die hiertoe in staat was.
    Was het mogelijk dat die persoon de duister dromende Dexter was?

20

    Ik ging zo dicht mogelijk bij de opstelling staan, zonder iets aan te raken, alleen om te kijken. Het kleine altaar was nog niet op vingerafdrukken onderzocht. Er was nog helemaal niets mee gedaan, hoewel ik aannam dat er foto’s van waren genomen. En o, wat had ik daar graag een afdruk van gehad, om die thuis op te hangen. In posterformaat, en natuurlijk in kleur. Als ik dit had gemaakt, was ik een veel groter kunstenaar dan ik zelf ooit had gedacht. Zelfs van dichtbij leken de hoofden te zweven in de ruimte, hadden ze zich verheven boven het sterfelijke aardse leven in een tijdloze en bloedeloze parodie op het paradijs, zich letterlijk losgemaakt van hun lichamen…
    De lijken. Ik keek om me heen. Er was geen spoor van te zien, nergens een veelzeggende hoop zorgvuldig verpakte pakketjes. Alleen deze piramide van hoofden.
    Ik bleef ernaar kijken. Na een tijdje kwam Vince Masuoka langzaam mijn kant op lopen, met open mond en een bleek gezicht. ‘Dexter,’ zei hij, en hij schudde zijn hoofd.
    ‘Hallo, Vince,’ zei ik. Hij schudde zijn hoofd weer. ‘Waar zijn de lijken?’ Hij bleef lange tijd naar de hoofden staren. Ten slotte keek hij me aan met een uitdrukking van verloren onschuld op zijn gezicht. ‘Ergens anders,’ zei hij.
    Er klonk gestommel op de trap en de betovering werd verbroken. Ik liep weg van het altaar toen LaGuerta binnenkwam, gevolgd door drie met zorg uitgekozen persmensen: Nick Dinges en Rick Sangre van de plaatselijke tv en Eric de Viking, een excentrieke maar gerespecteerde columnist van de krant. Het was opeens druk in het vertrek. Nick en Eric wierpen een blik op het altaar en renden terug naar het trappenhuis met hun hand voor hun mond. Rick Sangre fronste zijn wenkbrauwen, keek naar de schijnwerpers en wendde zich tot LaGuerta.
    ‘Is er licht?’ zei hij. ‘Dan moet ik mijn fotograaf laten komen.’ LaGuerta schudde haar hoofd. ‘Pas als wij hier klaar zijn,’ zei ze. ‘Ik moet foto’s hebben,’ drong Rick Sangre aan.
    Achter Sangre verscheen brigadier Doakes. De verslaggever draaide zich om en zag hem. ‘Geen foto’s,’ zei Doakes. Sangre wilde iets zeggen, keek Doakes toen aan en deed zijn mond weer dicht. Opnieuw had de strengheid van de brigadier de situatie gered. Hij liep weg en ging beschermend voor de tentoongestelde hoofden staan alsof het een schoolproject was dat hij persoonlijk had begeleid.
    Er klonk gegeneerd gekuch op de trap en even later kwamen Nick Dinges en Eric de Viking schuifelend als oude mannen het vertrek weer binnen. Eric durfde niet naar de achterste muur te kijken. En Nick probeerde niet te kijken, maar zijn blik werd steeds weer die kant op getrokken en elke keer draaide hij zich snel om naar LaGuerta.
    LaGuerta begon haar toespraak. Ik ging dichter bij haar staan om te horen wat ze zei. ‘Ik heb jullie drieen verzocht om dit te komen bekijken voordat we de pers officieel toestemming geven om hier verslag van te doen,’ zei ze.
    ‘Maar we mogen er wel officieus verslag van doen?’ onderbrak Rick Sangre haar.
    LaGuerta negeerde hem. ‘We willen geen wilde speculaties in de pers over wat er hier gebeurd is,’ zei ze. ‘Zoals jullie kunnen zien, gaat het hier om een heel bizarre en buitengewoon gewelddadige moord…’ Ze zweeg even en vervolgde toen met grote nadruk: ‘Iets wat nog nooit eerder is vertoond.’ Ze sprak het uit alsof er achter elk woord een punt stond.
    ‘Hm,’ zei Nick Dinges en hij keek bedachtzaam. Eric de Viking begreep het meteen. ‘Ho, wacht eens even,’ zei hij. ‘Wilt u zeggen dat het hier om een nieuwe moordenaar gaat? Een compleet andere reeks moorden?’
    LaGuerta keek hem met heel gewichtige blik aan. ‘Het is natuurlijk nog te vroeg om iets met zekerheid te zeggen,’ zei ze zelfverzekerd, ‘maar laten we dit geval eens nuchter bekijken, oke? Ten eerste…’ Ze stak haar wijsvinger op. ‘… hebben we iemand die de andere moorden heeft bekend. Hij zit in hechtenis en we hebben hem geen vrij gegeven om dit te doen. Ten tweede lijkt dit absoluut niet op iets wat we eerder hebben gezien, of wel soms? Want het gaat hier om drie slachtoffers en een zorgvuldige presentatie, oke?’ God zegene haar. Het was haar opgevallen.
    ‘Waarom mag ik mijn fotograaf er niet bij halen?’ vroeg Rick Sangre.
    ‘Was er bij een van de eerdere moorden geen spiegel aangetroffen?’ vroeg Eric de Viking zacht terwijl hij zijn uiterste best deed om niet naar de hoofden te kijken.
    ‘Zijn de slachtoffers al ge… eh…’ vroeg Nick Dinges. Zijn hoofd draaide weer in de richting van het altaar, maar hij merkte het en draaide zich meteen om naar LaGuerta. ‘Zijn de slachtoffers prostituees, inspecteur?’
    ‘Luister,’ zei LaGuerta. Ze klonk licht geirriteerd en even slopen er spoortjes van haar Cubaanse accent in haar stem. ‘Ik zal jullie iets uitleggen. Het kan me niet schelen of ze prostituees zijn of niet. Het kan me niet schelen dat we een spiegel hebben gevonden. Dat soort details maken me niet uit.’ Ze haalde een keer diep adem en vervolgde op rustiger toon: ‘We hebben de andere moordenaar in hechtenis. We hebben zijn bekentenis. Dit is een geheel nieuwe zaak, oke? Daar gaat het om. Jullie kunnen allemaal zien dat dit… anders is.’
    ‘Waarom hebben ze u er dan op gezet?’ vroeg Eric de Viking. Een heel redelijke vraag, vond ik.
    LaGuerta liet hem haar haaiengrijns zien. ‘Omdat ik de andere zaak heb opgelost,’ zei ze.
    ‘Dus u bent er zeker van dat het hier om een andere moordenaar gaat, inspecteur?’ vroeg Rick Sangre.
    ‘Daar bestaat geen twijfel over. Ik kan je nog geen details geven, maar ik heb forensische bewijzen die mijn theorie ondersteunen.’ Ik wist zeker dat ze mij bedoelde en voelde een lichte huivering van trots.
    ‘Maar dit komt toch heel dicht in de buurt, of niet soms? Dezelfde omgeving, merendeels dezelfde aanpak…’ begon Eric de Viking, maar LaGuerta onderbrak hem.
    ‘Heel anders,’ zei ze. ‘Absoluut anders.’
    ‘Dus u bent ervan overtuigd dat McHale alle vorige moorden heeft gepleegd en dat deze anders is,’ zei Nick Dinges.
    ‘Voor honderd procent,’ zei LaGuerta. ‘Trouwens, ik heb nooit gezegd dat McHale de andere moorden heeft gepleegd.’
    Even vergaten de drie persmensen het gruwelijke feit dat ze geen foto’s mochten nemen.
    ‘Wat?’ riep Nick Dinges ten slotte.
    LaGuerta begon te blozen maar ze hield voet bij stuk. ‘Ik heb nooit gezegd dat McHale het heeft gedaan. McHale heeft zelf gezegd dat hij het heeft gedaan. Wat had ik dan moeten doen? Tegen hem zeggen: “Ga weg, ik geloof je niet”?’
    Eric de Viking en Nick Dinges wisselden een betekenisvolle blik met elkaar. Ik zou dat ook hebben gedaan als er iemand was geweest met wie ik dat kon doen. Dus in plaats daarvan keek ik naar het middelste hoofd op het altaar. Het knipoogde niet echt naar me, maar ik weet zeker dat het net zo verbaasd was als ik.
    ‘Dat is waanzin,’ mompelde Eric, maar hij werd onderbroken door Rick Sangre.
    ‘Vindt u het goed als we McHale een interview afnemen?’ vroeg Sangre. ‘Met een camera erbij?’
    LaGuerta’s antwoord bleef ons bespaard door de komst van korpschef Matthews. Hij kwam de trap op sloffen en bleef als versteend staan toen hij het kunstwerk zag. ‘Jezus christus,’ zei hij. Daarna ging zijn blik naar de persmensen die zich om LaGuerta hadden geschaard. ‘Wat doen jullie hier, verdomme?’ vroeg hij.
    LaGuerta keek van de een naar de ander maar niemand zei iets. ‘Ik heb ze binnengelaten,’ zei ze ten slotte. ‘Officieus. Vertrouwelijk.’
    ‘Vertrouwelijk?’ riep Rick Sangre. ‘Dat hebt u niet gezegd. U zei officieus!’
    LaGuerta keek hem aan. ‘Officieus betekent vertrouwelijk!’
    ‘Eruit,’ blafte Matthews. ‘Officieus en vertrouwelijk. Wegwezen.’
    Eric de Viking schraapte zijn keel. ‘Commissaris, bent u het met inspecteur LaGuerta eens dat het hier gaat om een nieuwe reeks moorden en een andere dader?’
    ‘Eruit,’ herhaalde Matthews. ‘Buiten beantwoord ik jullie vragen.’
    ‘Ik heb videobeelden nodig,’ zei Rick Sangre. ‘We zijn zo klaar.’
    ‘Brigadier Doakes?’ zei Matthews en hij knikte naar de uitgang.
    Doakes materialiseerde zich naast Rick Sangre en pakte hem bij de arm. ‘Heren, mag ik u verzoeken?’ zei hij vriendelijk maar dreigend. De drie persmensen keken hem aan. Ik zag Nick Dinges slikken van angst. Toen draaiden ze zich om en lieten zich zonder iets te zeggen naar de uitgang brengen.
    Matthews keek hen na. Toen ze veilig buiten gehoorsafstand waren, wendde hij zich tot LaGuerta. ‘Inspecteur,’ zei hij op een toon zo giftig dat hij die van Doakes geleerd moest hebben, ‘als je iets als dit nog een keer flikt, ben je binnen twee weken parkeerwachter bij de Walmart.’
    LaGuerta werd eerst groen en daarna vuurrood. ‘Commissaris, ik wilde alleen…’ zei ze, maar Matthews had haar al zijn rug toegekeerd. Hij trok zijn das recht, haalde zijn hand door zijn haar en liep de trap af, de persmensen achterna.
    Ik keek nog een keer naar het altaar. Dat was niet veranderd maar ze waren begonnen het op vingerafdrukken te onderzoeken. Daarna zouden ze het uit elkaar halen om alle onderdelen te analyseren. Over niet al te lange tijd zou het alleen nog een dierbare herinnering zijn.
    Ik slofte de trap af en ging op zoek naar Deborah.
    Buiten was Rick Sangre al aan het filmen. Korpschef Matthews stond in een zee van licht met talloze microfoons bij zijn mond en gaf zijn officiele verklaring. ‘… Het is altijd het beleid van ons korps geweest om de rechercheur die de leiding over het onderzoek heeft de vrije hand te laten, echter totdat zich het moment aandient waarop een opeenvolging van beoordelingsfouten vragen oproept over de competentie van de betreffende rechercheur. Dat moment is nog niet aangebroken, maar ik blijf de zaak scherp in de gaten houden. Nu er zoveel op het spel staat voor de gemeenschap…’
    Ik zag Deborah en liep het groepje voorbij. Ze stond bij de gele afzetting, gekleed in haar blauwe uniform. ‘Leuke outfit,’ zei ik tegen haar.
    ‘Het bevalt me wel,’ zei ze. ‘Heb je het gezien?’
    ‘Ja, ik heb het gezien,’ zei ik tegen haar. ‘En ik heb ook gezien dat Matthews een gesprekje met LaGuerta had over de aanpak van de zaak.’
    Deborah ademde sissend in. ‘Wat zei hij?’
    Ik klopte haar zachtjes op de arm. ‘Ik geloof dat ik papa ooit eens een heel kleurrijke omschrijving heb horen gebruiken die het uitstekend omschrijft. Hij heeft haar zo’n harde trap voor haar reet gegeven, dat ze nu een tweede anus heeft. Kende je die?’
    Ze keek eerst geschrokken maar toen verheugd. ‘Dat is geweldig. Ik heb nu echt je hulp nodig, Dex.’
    ‘Naast wat ik allemaal al voor je gedaan heb, bedoel je?’
    ‘Ik weet niet wat je hebt gedaan, maar het is in ieder geval niet genoeg.’
    ‘Dat is niet eerlijk, Deb. En zo onaardig van je. Je staat hier verdorie op een plaats delict en je hebt je uniform aan. Of geef je de voorkeur aan je poezenpak?’
    Ze huiverde. ‘Daar gaat het niet om. Je hebt al die tijd iets voor me achtergehouden en ik wil nu weten wat dat is.’
    Even wist ik niet wat ik moest zeggen, wat ik altijd een onprettig gevoel vind. Ik had nooit geweten dat ze zo scherpzinnig was. ‘Maar, Deborah…’
    ‘Luister, jij denkt dat ik niet weet hoe al dat politieke gerotzooi werkt en oke, misschien ben ik daar minder slim in dan jij, maar ik weet wel dat ze zich de eerstkomende tijd voornamelijk zullen bezighouden met zichzelf indekken. Wat betekent dat niemand veel tijd zal hebben voor het echte politiewerk.’
    ‘En dat betekent dat jij een kans ziet om dat wel te gaan doen. Bravo, Deb.’
    ‘Maar het betekent ook dat ik je hulp nu harder nodig heb dan ooit.’ Ze pakte mijn hand vast en kneep erin. ‘Alsjeblieft, Dexy?’
    Ik weet niet wat me het meest aan het schrikken maakte: haar scherpe inzicht, haar hand die in de mijne kneep of het gebruik van mijn koosnaam ‘Dexy’. Ik had haar die niet meer horen uitspreken sinds ik een jaar of tien was. Of het haar bedoeling was of niet, door me Dexy te noemen voerde ze ons allebei terug naar Harry-land, het oord waar familie telde en familieverplichtingen net zo reeel waren als onthoofde hoeren. Dus wat kon ik anders zeggen?
    ‘Natuurlijk, Deb,’ zei ik. Zei Dexy. Het zorgde er bijna voor dat ik bepaalde emoties voelde.
    ‘Mooi zo,’ zei ze, weer een en al zakelijkheid, een razendsnelle verandering waarvoor ik alleen maar bewondering kon hebben. ‘Nou, wat is het detail dat er deze keer echt uitspringt?’ vroeg ze met een hoofdknikje naar de eerste verdieping.
    ‘De lichaamsdelen,’ zei ik. ‘Is er al iemand naar op zoek, voorzover je weet?’
    Deborah wierp me haar kersverse ervarensmerissenblik toe, die strenge, verbitterde. ‘Voorzover ik weet zijn er meer politiemensen ingezet om de tv-camera’s op een afstand te houden dan om het feitelijke politiewerk te doen.’
    ‘Goed,’ zei ik. ‘Als wij de lichaamsdelen kunnen vinden, geeft dat ons een leuke voorsprong op de anderen.’
    ‘Oke, waar gaan we zoeken?’
    Het was een redelijke vraag maar ze bracht me wel in verlegenheid, want ik had geen idee waar we moesten zoeken. Waren de lichaamsdelen achtergebleven in de ruimte waar hij de vrouwen had vermoord? Dat leek me niet… het kwam me voor als te rommelig, zeker als hij diezelfde ruimte nog een keer zou willen gebruiken terwijl al die rommel daar rondslingerde.
    Dus konden we er waarschijnlijk van uitgaan dat hij ze ergens anders had gedumpt. Maar waar?
    Of misschien, bedacht ik opeens, was een betere vraag: waarom?
    Het altaar met de hoofden was met een reden gemaakt. Wat zou de reden zijn om de rest van de lichaamsdelen ergens anders te dumpen? Om ze gewoon ergens te verstoppen?
    Nee, niets was gewoon bij deze man, en dingen verstoppen was niet iets wat bij hem hoog in het vaandel stond. Zeker nu niet, nu hij zich een beetje aan het uitsloven was. En als dat zo was, waar zou hij dan die berg restanten tentoonstellen?
    ‘Nou, komt er nog wat van?’ vroeg Deborah. ‘Waar moeten we gaan zoeken?’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat weet ik niet,’ zei ik ten slotte. ‘Waar hij de rest heeft gedumpt, maakt deel uit van zijn statement. Maar wij weten nog niet precies wat dat statement is, of wel soms?’
    ‘Godverdomme, Dexter…’
    ‘Ik weet wel dat hij ons de feiten onder de neus wil wrijven. Hij moet tegen ons zeggen dat we iets vreselijk doms hebben gedaan en zelfs al was dat niet zo, dat hij veel slimmer is dan wij.’
    ‘Tot nu toe heeft hij daar gelijk in,’ zei ze en ze zette haar verzuurde gezicht weer op.
    ‘Dus… waar hij de rest ook heeft gedumpt, moet een voortzetting van dat statement zijn. Dat we dom zijn… Nee, dat is niet goed. Dat we iets doms hebben gedaan.’
    ‘O, dat is een essentieel verschil.’
    ‘Alsjeblieft, Deb, als je zo blijft kijken gaat je gezicht zeer doen. Dat is wel degelijk belangrijk, want hij geeft commentaar op de daad en niet op de betrokken acteurs.’
    ‘Geweldig, Dex. Dus we moeten naar de dichtstbijzijnde schouwburg en zoeken naar een acteur die tot aan zijn ellebogen in het bloed staat.’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, geen bloed, Deb. Helemaal geen bloed. Dat is een van de belangrijkste details.’
    ‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’
    ‘Omdat er op geen van de plaatsen delict een druppel bloed te vinden is geweest. Dat was zijn opzet en is van vitaal belang voor wat hij doet. En deze keer zal hij niet alleen het belangrijkste deel van zijn statement herhalen, maar ook commentaar geven op wat hij al eerder heeft gedaan, omdat wij dat niet hebben opgemerkt, begrijp je?’
    ‘Natuurlijk, het is allemaal volkomen logisch. Dus we moeten in het Office Depot Center gaan zoeken? Waarschijnlijk heeft hij alle lichaamsdelen in het ijshockeydoel gepropt.’
    Ik opende mijn mond om een scherpzinnige opmerking te maken. Het ijshockeydoel was verkeerd, helemaal, compleet verkeerd. Het was een experiment geweest, om eens iets anders te doen, maar ik wist dat hij het niet nog eens zou doen. Ik wilde dit aan Deb uitleggen, dat er maar een reden kon zijn dat hij opnieuw voor het ijshockeydoel zou kiezen… toen ik verstrakte en haar met open mond bleef aangapen. Natuurlijk, dacht ik, dat moet het zijn.
    ‘Wie trekt er nu een vissengezicht, he? Wat is er, Dex?’
    Even kon ik geen woord uitbrengen. Ik had het veel te druk met het ordenen van mijn rondtollende gedachten. De enige reden dat hij opnieuw het ijshockeydoel zou gebruiken, was om ons te laten zien dat we de verkeerde man hadden opgesloten.
    ‘O, Deb,’ zei ik uiteindelijk. ‘Natuurlijk. Je hebt gelijk, de Arena. Je hebt gelijk om de verkeerde redenen, maar toch…’
    ‘… is dat een stuk beter dan ongelijk hebben,’ zei ze, waarna ze zich omdraaide en naar haar auto liep.

21

    Je begrijpt toch dat dit een slag in de lucht is, he?’ zei ik. ‘Dat we waarschijnlijk niets zullen vinden?’
    ‘Dat weet ik,’ zei Deb.
    ‘En we hebben in feite geen jurisdictie. We zijn hier in Broward. En de politie van Broward mag ons niet erg, dus…’
    ‘Jezus, Dexter, zit niet zo te zeuren,’ snauwde ze. ‘Je lijkt wel een schoolmeisje.’
    Misschien was dat wel zo, maar het was niet erg aardig van haar om het op deze manier tegen me te zeggen. Het was wel zo dat Deb inmiddels was veranderd in een bundel stalen, strakgespannen zenuwen. Toen we de Sawgrass Expressway verlieten en het parkeerterrein van het Office Depot Center op draaiden, klemde ze haar kiezen zo hard op elkaar, dat ik haar kaken bijna kon horen kraken. ‘Rotzus,’ mompelde ik, maar Debhad het gehoord.
    ‘Hou je kop,’ zei ze.
    Ik keek van Debs granieten profiel naar de Arena. Met het vroege ochtendlicht rechts van ons zag die er heel even uit alsof hij werd omringd door een vloot vliegende schotels. Natuurlijk waren dat gewoon de buitenlampen die als overmaatse stalen paddestoelen uit de muren staken. Iemand had zeker tegen de architect gezegd dat dat leuk was.
    Jeugdig en onderscheidend, zoiets. En dat waren ze waarschijnlijk ook, in het juiste licht.
    Ik reed een keer om de Arena heen om te zien of ik iemand zag.
    Tijdens de tweede ronde stopte er een oude Toyota bij een van de ingangen. Het rechterportier werd dichtgehouden door een touw dat van de deurstijl door het open raampje naar binnen liep. Het portier aan de bestuurderskant ging open toen ik naast de Toyota parkeerde en Deb was al uitgestapt voordat we goed en wel stilstonden.
    ‘Een ogenblikje, meneer,’ zei Deb tegen de man die uitstapte. Hij was een jaar of vijftig, niet al te groot en hij had een groene werkbroek en een blauw nylon jack aan. Hij zag Debs uniform en werd meteen nerveus. ‘Wat is er?’ zei hij. ‘Ik heb niks gedaan.’
    ‘Werkt u hier, meneer?’
    ‘Ja, natuurlijk. Waarom zou ik hier anders ’s morgens om acht uur zijn?’
    ‘Mag ik uw naam, meneer, alstublieft?’
    Hij zocht naar zijn portefeuille. ‘Steban Rodriguez. Ik kan me legitimeren.’
    Deborah wuifde dat weg. ‘Dat is niet nodig,’ zei ze. ‘Wat komt u hier zo vroeg doen, meneer?’
    Hij haalde zijn schouders op en stak de portefeuille weer in zijn zak.
    ‘Ik ben hier meestal vroeger, maar het team is op tournee, naar Vancouver, Ottawa en Los Angeles. Daarom kan ik wat later beginnen.’ ‘Zijn er nog meer mensen hier, Steban?’
    ‘Nee, alleen ik. Alle anderen slapen uit.’
    ‘En ’s nachts? Is er een nachtwaker?’
    Hij gebaarde om zich heen. ‘De nachtwaker controleert het parkeerterrein, maar veel meer doet hij niet. Ik ben hier ’s ochtends meestal de eerste.’
    ‘De eerste die naar binnen gaat, bedoel je?’
    ‘Ja, dat zeg ik toch?’
    Ik stapte uit de auto en leunde op het dak. ‘Ben jij degene die de Zamboni bestuurt voor de ochtendtraining?’ vroeg ik. Deb keek me geergerd aan. Steban staarde me aan, keek naar mijn frivole hawaihemd en mijn gabardine bandplooibroek. ‘Ben jij ook een smeris?’
    ‘Een bureausmeris,’ zei ik. ‘Ik werk in het lab.’
    ‘O… natuurlijk,’ zei hij, knikkend alsof het hem volkomen duidelijk was.
    ‘Bestuur jij de Zamboni, Steban?’ vroeg ik nog een keer. ‘Ja, maar niet tijdens de wedstrijden. Dan nemen de hoge heren het over. Die zetten hun kinderen erin, of een of andere beroemdheid. Om rondjes te rijden en te zwaaien, dat soort onzin. Maar ik doe het ijs voor de ochtendtraining, tenminste, als het team komt trainen. ’s Morgens vroeg, heel vroeg. Maar ze zijn nu op tournee, dus kom ik wat later.’ ‘We willen graag even binnen kijken,’ zei Deb voordat ik weer iets zou zeggen. Steban draaide zijn hoofd naar haar om en in zijn ene oog gloeide een lichtje op.
    ‘Mij best,’ zei hij. ‘Heb je een gerechtelijk bevel?’
    Deborah begon te blozen. Het creeerde een prachtig contrast met haar blauwe uniform maar het was mogelijk niet de meest effectieve manier om haar autoriteit te behouden. En omdat ik haar zo goed kende, wist ik dat ze zou voelen dat ze bloosde en daar boos om zou worden. Aangezien we geen gerechtelijk bevel hadden en hier goedbeschouwd niets te zoeken hadden zonder officiele toestemming van wie ook, kwam het me voor dat boos worden in deze situatie niet de beste tactiek zou zijn. ‘Steban?’ zei ik voordat Deb iets kon zeggen waar ze spijt van zou krijgen.
    ‘Ja?’
    ‘Hoelang werk je hier al?’
    Hij haalde zijn schouders op. ‘Sinds het hier open is. En daarvoor heb ik nog twee jaar in de oude Arena gewerkt.’
    ‘Dus je was hier vorige week ook, toen ze het lijk op het ijs hebben gevonden?’
    Steban wendde zijn blik af. Onder zijn gebruinde huid kreeg zijn gezicht een groene tint. Hij slikte. ‘Zoiets wil ik nooit meer zien, man,’ zei hij. ‘Nooit meer.’
    Ik knikte, quasi-oprecht meelevend. ‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei ik. ‘Maar daarom zijn we hier, Steban.’
    Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wat bedoel je?’
    Ik wierp even een blik op Deb om er zeker van te zijn dat ze geen gekke dingen zou doen. Ze keek me aan met op elkaar geknepen lippen van afkeuring en tikte ongeduldig met haar voet op de grond, maar ze zei niets.
    ‘Steban,’ zei ik terwijl ik dichter bij hem ging staan en mijn stem zo vertrouwelijk en mannelijk mogelijk liet overkomen, ‘wij denken dat als je hier vanochtend naar binnen gaat, er een goede kans is dat je weer zoiets te zien krijgt.’
    ‘Shit!’ barstte hij uit. ‘Daar wil ik niks mee te maken hebben.’ ‘Natuurlijk wil je dat niet.’
    ‘Me cago en diez met die shit!’ zei hij.
    ‘Absoluut,’ beaamde ik. ‘Dus misschien is het een goed idee dat je ons eerst even laat kijken. Gewoon, voor de zekerheid.’
    Hij bleef me even aanstaren en keek toen naar Deborah, die me nog steeds met norse blik stond te observeren, wat haar, in combinatie met haar uniform, best goed stond.
    ‘Dan kan ik in de problemen komen,’ zei Steban. ‘Mijn baan kwijtraken.’
    Ik glimlachte zo meelevend mogelijk naar hem. ‘Of jij kunt eerst naar binnen gaan en daar een berg afgehakte armen en benen aantreffen. Weet je, het zijn er meer dan de vorige keer.’
    ‘Shit,’ zei hij weer. ‘Als ik jullie binnenlaat, raak ik in de problemen en word ik misschien ontslagen. Waarom zou ik dat riskeren?’ ‘Omdat het je burgerplicht is. Wat dacht je daarvan?’
    ‘Kom op, man,’ zei hij. ‘Sta me niet te besodemieteren. Wat kan het jou schelen als ik mijn baan kwijtraak?’
    Hij hield niet echt zijn hand op, wat ik heel netjes van hem vond, maar het was duidelijk dat hij hoopte op een kleine tegemoetkoming om hem over de drempel van zijn mogelijke ontslag te krijgen. Niet onredelijk. Dit was tenslotte Miami. Maar het enige wat ik bij me had, was een biljet van vijf dollar en die had ik toch echt nodig voor een donut en een kop koffie. Dus knikte ik naar hem, als mannen onder elkaar. ‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘We hadden gehoopt dat je de lichaamsdelen niet hoefde te zien. Had ik al gezegd dat het er deze keer veel meer zijn?
    Maar ik zou absoluut niet willen dat je je baan kwijtraakt. Sorry dat we je hebben lastiggevallen. Een prettige dag nog!’ Ik glimlachte naar Deborah. ‘Kom op, agent, we gaan. We moeten naar die andere plaats delict om te zien of we de vingers kunnen vinden.’
    Deborah keek nog steeds boos maar ze was in ieder geval zo slim om het spel mee te spelen. Ze opende het portier van de auto terwijl ik Steban opgewekt gedag zwaaide en ook instapte.
    ‘Wacht!’ riep Steban. Met beleefde interesse keek ik naar hem op.
    ‘Ik zweer het bij god, man, ik wil die shit nooit meer zien,’ zei hij. Hij bleef me even aankijken alsof hij hoopte dat ik alsnog wat meegaander zou worden en hem een handvol krugerrands zou geven, maar zoals ik al zei,waren de donut en de koffie van cruciaal belang voor mijn geestelijke welzijn, dus gaf ik niet toe. Steban liet zijn tong langs zijn lippen gaan, draaide zich toen om en ramde zijn sleutel in het slot van de grote poort.
    ‘Ga maar kijken. Ik wacht hier wel.’
    ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik.
    ‘Kom op, man, wat wil je nog meer van me? Ga kijken!’ We stapten uit en ik keek Deborah aan. ‘Hij weet het zeker,’ zei ik.
    Deborah zei niets, schudde alleen haar hoofd en keek me aan met een merkwaardig mengsel van kleine-meisjesbewondering en verbitterde smerissenhumor.
    Ze liep om de auto heen naar de ingang en ik ging haar achterna. Het was donker en koud in de Arena, maar dat was niet echt een verrassing. Het was tenslotte een ijshockeybaan en het was vroeg in de ochtend. Steban wist ongetwijfeld waar de lichtknop zat maar hij had het ons niet verteld. Deb haalde de grote zaklantaarn van haar riem en liet de lichtstraal over het ijs gaan. Ik hield mijn adem in toen die eerst naar het ene doel en daarna naar het andere ging. Langzaam liet ze hem nog een keer in het rond gaan, nam een paar keer de tijd om beter te kijken en stopte ten slotte weer bij mij.
    ‘Niks,’ zei ze. ‘Geen reet.’
    ‘Je lijkt teleurgesteld.’
    Ze snoof, draaide zich om en liep weg. Ik bleef op de middenstip staan, voelde de kou optrekken vanaf het ijs en gaf me over aan mijn gedachten. Of beter gezegd: aan gedachten die niet van mij waren. Want op het moment dat Deb wegliep, hoorde ik vanachter mijn schouder een zacht stemmetje, een kil en droog gegrinnik, dat vertrouwde vederlichte briesje dat net onder de gehoorgrens bleef. En terwijl Deborah wegliep, bleef ik doodstil op het ijs staan, kneep mijn ogen dicht en luisterde naar wat mijn oude vriend me te vertellen had. Het was niet veel meer dan een transparant gefluister, de aanzet tot een stem die er niet was, maar ik luisterde er toch naar. Ik hoorde hem grinniken en heel zacht vreselijke dingen in mijn ene oor fluisteren terwijl mijn andere oor me liet weten dat Deborah tegen Steban zei dat hij binnen moest komen en de lichten moest aandoen. Wat hij even later deed, met als direct effect dat het onverstaanbare gefluister aanzwol tot een schaterend vrolijk en kwaadaardig gelach.
    Wat is er? vroeg ik beleefd, maar het enige antwoord was opnieuw een golf van vrolijkheid. Ik had geen idee wat dit te betekenen had, maar ik was ook niet echt verbaasd toen er iemand begon te schreeuwen. Steban was een vreselijk slechte schreeuwer. Wat hij uitbracht was een schor, gedempt gekreun dat meer klonk alsof hij opeens heel erg misselijk was geworden. De man had absoluut geen talent.
    Ik deed mijn ogen open. Ik kon me in deze omstandigheden onmogelijk concentreren en bovendien viel er niets meer te horen. Het gefluister was opgehouden zodra het schreeuwen begon. Al dat geschreeuw zei immers voldoende? En dus deed ik mijn ogen open en was ik net op tijd om te zien hoe Steban als door een katapult werd weggeschoten bij de kast achter in de Arena. Hij vloog over het ijs, slippend en glijdend en jankend in het Spaans totdat hij ten slotte tegen de boarding kletterde. Hij krabbelde overeind en strompelde kreunend van ellende naar de uitgang.
    Ik zag een kleine bloedvlek op het ijs op de plek waar hij was gevallen. Deborah kwam met getrokken pistool de Arena binnen, maar Steban wrong zich langs haar heen en rende het daglicht in. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Deborah, met haar pistool nog steeds in de hand. Ik hield mijn hoofd schuin, hoorde het droge gegrinnik nagalmen en terwijl de angstkreten nog steeds naklonken in mijn oren, begreep ik het.
    ‘Ik geloof dat onze Steban iets heeft gevonden,’ zei ik.

22

    Politiek binnen het politieapparaat was, zoals ik had geprobeerd Deborah uit te leggen, een spekglad en gevaarlijk terrein. En wanneer je twee politiediensten samenbracht die niet goed met elkaar overweg konden, ging het gezamenlijke werk meestal heel langzaam, zeer volgens het boekje en met een hele hoop getreuzel, excuses, bedekte dreigementen en beledigingen. Allemaal erg leuk om te zien, natuurlijk, maar het maakte de procedures wel een stuk trager dan nodig was. Zodoende duurde het na Stebans rare geschreeuw een paar uur voordat alle plooien uit de jurisdictieproblemen waren gestreken en ons team kon beginnen aan het onderzoek van de verrassing die onze vriend Steban in de kast had aangetroffen.
    Tijdens het wachten stond Deborah het merendeel van de tijd alleen bij de boarding, waar ze haar uiterste best deed om haar ongeduld te verbergen maar daar niet goed in slaagde. Korpschef Matthews arriveerde met inspecteur LaGuerta in zijn kielzog. Ze schudden de hand van hun collega’s uit Broward County, korpschef Moon en inspecteur McClellan. Daarna volgde een partijtje touwtrekkerij dat ongeveer hierop neerkwam: Matthews was er redelijk zeker van dat de vondst van de drie rompen, zes armen en zes benen in Broward in direct verband stond met het onderzoek van zijn korps in Miami-Dade naar drie hoofden waaraan de overige lichaamsdelen ontbraken. Hij stelde — veel te simplistisch naar mijn idee — dat het nogal vergezocht zou zijn om te denken dat de rompen en ledematen die hier waren aangetroffen niet bij de hoofden hoorden die hij had gevonden.
    Moon en McClellan stelden met evenveel logica dat er in Miami voortdurend hoofden werden aangetroffen terwijl dat in Broward veel ongebruikelijker was, dat ze de zaak daarom heel serieus namen, dat we onmogelijk zeker konden weten dat alle verschillende onderdelen bij elkaar hoorden, dat daar dus eerst onderzoek naar moest worden gedaan en dat zij dat onderzoek moesten doen aangezien dit hun jurisdictie was. Als dat eenmaal gebeurd was, zouden ze de uitkomst met genoegen aan Matthews overdragen.
    Wat voor Matthews natuurlijk onacceptabel was. Hij legde omzichtig uit dat de mensen van Broward niet wisten waarnaar ze moesten zoeken, dingen over het hoofd zouden kunnen zien en zelfs belangrijk bewijsmateriaal zouden kunnen vernietigen. Niet door domheid of incompetentie, natuurlijk, want Matthews was ervan overtuigd dat de politie van Broward buitengewoon competent was.
    Deze laatste opmerking viel bij Moon niet in goede aarde want hij meende een zeker sarcasme te bespeuren en dacht dat er werd gesuggereerd dat zijn politiekorps bestond uit amateuristische idioten. Korpschef Matthews had dit natuurlijk ontkend maar hij maakte de fout dat op veel te beleefde toon te doen waardoor Moon juist in zijn opvatting werd gesterkt. Het zou zeker op een vuistgevecht zijn uitgedraaid als er niet iemand van de fdle was gearriveerd om als scheidsrechter te fungeren.
    De fdle, Florida Department of Law Enforcement, is een soort regionale fbi. Heel Florida is hun jurisdictie, op elk willekeurig moment, en ze worden gerespecteerd door het merendeel van de plaatselijke politiekorpsen, in tegenstelling tot de fbi. De fdle-man in kwestie was van gemiddelde lengte en lichaamsbouw en had een kaalgeschoren hoofd en een kort baardje. Hij kwam me als heel onopvallend voor maar toen hij tussen de twee korpschefs in ging staan, die beiden groter waren dan hij, hielden die onmiddellijk hun mond en deden ze een stap achteruit. In een mum van tijd had hij de gemoederen gesust en de zaak geregeld en waren we terug op een keurige, ordelijke plaats delict van een meervoudige moord.
    De man van de fdle had bepaald dat Metro-Dade het onderzoek kon doen tenzij en totdat weefselmonsters hadden aangetoond dat de hoofden en de overige lichaamsdelen niet met elkaar in verband stonden. In de praktijk betekende dit dat het korpschef Matthews was die zijn foto kon laten nemen door de eerste golf persmensen die zich inmiddels bij de ingang hadden gemeld.
    Angel Batista arriveerde en ging aan het werk. Ik wist niet wat ik van dit alles moest denken, en dan bedoel ik niet het gekissebis over de jurisdictie. Nee, ik werd veel meer in beslag genomen door het gebeuren zelf, want dat had me wat stof gegeven om over na te denken, en niet alleen over het feit dat er drie moorden waren gepleegd en de lichaamsdelen op verschillende plekken waren gedumpt, wat op zich al pikant genoeg was. Want het was me natuurlijk gelukt om eerder, voordat de troepen arriveerden, een blik te werpen in Stebans kast der gruwelen. Dat kan niemand me kwalijk nemen, is het wel? Ik wilde gewoon zien hoe het was neergelegd en proberen te begrijpen waarom mijn onbekende geachte collega die plek had gekozen om de restanten te dumpen… Echt, alleen maar even kijken.
    Dus onmiddellijk nadat Steban glijdend en slippend en krijsend als een varken dat zich in een grapefruit had verslikt de Arena uit was gerend, was ik snel naar de kast geslopen om te zien wat hem zo aan het schrikken had gemaakt.
    De lichaamsdelen waren deze keer niet netjes ingepakt. In plaats daarvan waren ze in vier groepjes op de grond neergelegd. En toen ik er eens goed naar keek, ontdekte ik iets geweldigs.
    Een been lag recht tegen de linkerwand van de kast. Het had een blauwwitte tint, er was nergens een druppel bloed te zien en er zat zelfs een gouden kettinkje met een hartvormig hangertje om de enkel. Heel mooi werk, zonder storende bloedvlekken. Echt heel elegant. Twee donkere armen, ook netjes afgesneden, waren bij de elleboog gebogen en tegen het been aan gelegd, met de ellebogen naar buiten gericht. Rechts daarvan lagen de overige ledematen, deels gebogen op de gewrichten en deels recht tegen elkaar aan gelegd.
    Het duurde even voordat ik het zag. Ik knipperde met mijn ogen, zag wat er lag en moest mijn uiterste best doen om niet te gaan giechelen als het schoolmeisje waarvoor Deborah me eerder die dag had uitgemaakt.
    Want hij had letters gevormd met de armen en benen, en die letters vormden een woord.
    boe.
    En daaronder lagen de drie bovenlichamen, tegen elkaar aan in een kwart cirkel, zodat ze een lachende mond vormden.
    Wat een lef!
    Maar al terwijl ik de speelsheid van de uitstalling bewonderde, vroeg ik me af waarom hij ervoor had gekozen die hier te maken, in een kast in plaats van op het ijs, waar ze een veel groter publiek zou hebben getrokken. Het was een heel ruime kast, dat geef ik toe, maar toch een besloten ruimte die maar net groot genoeg was voor de uitstalling. Dus waarom had hij dat gedaan?
    En terwijl ik me dat stond af te vragen, zwaaide de poort van de Arena open — het eerste reddingsteam, ongetwijfeld — en toen dat gebeurde, trok er een koel windje over het ijs, dat ik op mijn rug voelde…
    De koele lucht ging langs mijn rug en werd beantwoord door een gole warmte dat zich langs dezelfde weg omhoog bewoog. Vederlicht klauterden ze omhoog totdat ze de donkere onderkant van mijn bewustzijn bereikten en iets veranderden in de duistere, maanloze nacht van mijn insectenbrein, en ik voelde dat de Zwarte Ruiter het hartstochtelijk eens was met iets wat ik niet kon horen en niet begreep, behalve dat het op de een of andere manier voortkwam uit de primitieve behoefte aan koele lucht, overhellende muren en een groeiend gevoel van…
    Juistheid. Geen twijfel mogelijk. Er was hier iets wat helemaal juist was en wat mijn duistere bijrijder verheugde, opwond en tevredenstelde op een manier waar ik helemaal niets van begreep. En daarboven zweefde het vreemde besef dat het allemaal nog heel vertrouwd was ook. Ik begreep er echt niets van, maar zo gebeurde het. En voordat ik deze merkwaardige gewaarwording aan een grondige analyse kon onderwerpen, werd ik door een breedgeschouderde jongeman in een blauw uniform gesommeerd opzij te gaan en mijn handen zo te houden dat hij ze kon zien. Hij behoorde ongetwijfeld tot de eerste hulptroepen en het dienstwapen dat hij op me richtte, zag er heel overtuigend uit. Aangezien hij maar een wenkbrauw had, een dikke die boven beide ogen doorliep, en vrijwel geen voorhoofd, leek het me een goed idee om aan zijn wensen tegemoet te komen. Hij zag eruit als een hersenloze bruut die een onschuldig mens of zelfs mij overhoop zou schieten. Dus deed ik een stap achteruit van de kast.
    Helaas werd daardoor het schouwspel in de kast zichtbaar en opeens was de jongeman druk op zoek naar een plek waar hij zijn ontbijt kon deponeren. Hij redde het nog net tot een grote vuilnisemmer drie meter verderop voordat hij vreemde blafgeluiden begon te maken. Ik bleef staan waar ik stond en wachtte totdat hij klaar was. Een nare gewoonte, om zo slordig met je halfverteerde voedsel om te springen. Zo onhygienisch ook. En dat moest dan waken voor de openbare veiligheid?
    Er kwamen meer agenten in uniform binnen en algauw moest onze blaffende vriend de vuilnisemmer samen met enkelen van zijn collega’s delen. De geluiden waren ronduit onaangenaam, om nog maar te zwijgen van de lucht die mijn kant op kwam drijven. Maar ik wachtte geduldig totdat iedereen klaar was aangezien het fascinerende van een handwapen in een hand is dat het ook kan afgaan terwijl iemand aan het overgeven is. Maar ten slotte ging een van de agenten in uniform rechtop staan, veegde zijn mond af met zijn mouw en begon me te ondervragen. Algauw werd duidelijk wie ik was en werd me verteld dat ik bij de muur moest gaan staan en niets mocht aanraken.
    Niet lang daarna arriveerden korpschef Matthews en inspecteur LaGuerta en toen zij de leiding over de plaats delict overnamen, kon ik me eindelijk weer een beetje ontspannen. Maar hoewel ik weer kon gaan en staan waar ik wilde en dingen kon aanraken, ging ik op de grond zitten om na te denken. En de dingen waar ik over nadacht, waren zonder meer verontrustend.
    Waarom was de tentoonstelling in de kast me zo vertrouwd voorgekomen?
    Tenzij ik terugviel op het idiote idee van eerder die dag en mezelf ervan overtuigde dat ik dit zelf had gedaan, waarom was ik dan helemaal niet verrast door de vondst? Natuurlijk had ik dit niet gedaan. Ik had me al geschaamd voor de stompzinnigheid van die gedachtekronkel. Boe, inderdaad. Het was niet eens de moeite waard om het idee in overweging te nemen. Ronduit belachelijk.
    Maar waarom kwam de aanblik me dan zo vertrouwd voor?
    Ik zuchtte en ervoer een nieuw gevoel, dat van algehele verwarring. Ik had echt geen idee van wat er gaande was, behalve dat ik er op de een of andere manier deel van uitmaakte. Daar schoot ik verder weinig mee op aangezien het aansloot bij al mijn eerdere conclusies over dit gebeuren. Als ik afzag van het absurde idee dat ik dit zelf had gedaan zonder het te weten — en dat deed ik — had het geen enkele zin om daar verklaringen voor te zoeken. En daarom luidde mijn samenvatting van de zaak ongeveer als volgt: ik was er op de een of andere manier bij betrokken maar wist niet wat dat inhield. Ik kon de radertjes van mijn ooit zo trotse brein horen vastlopen en op de grond horen kletteren. Kling-klang. Dexter was uit de rails gelopen.
    Gelukkig werd ik van de totale ondergang gered door de komst van de lieve Deborah. ‘Kom op,’ zei ze bruusk. ‘We gaan naar boven.’
    ‘Mag ik vragen waarom?’
    ‘We gaan met het kantoorpersoneel praten,’ zei ze. ‘Kijken of ze iets weten.’
    ‘Als ze een kantoor hebben, zullen ze wel iets weten,’ zei ik.
    Ze bleef me even aanstaren en draaide zich toen om. ‘Kom mee,’ zei ze.
    Misschien was het de strenge toon van haar stem, maar ik deed wat ze zei. We staken de ijsbaan over en gingen de lobby binnen. Bij de lift stond een agent van de politie van Broward en door de rij glazen deuren ernaast kon ik er nog meer bij de politieafzetting zien staan. Deb liep naar de agent bij de lift en zei: ‘Ik ben Morgan.’ Hij knikte en drukte op de knop voor omhoog. Hij keek me aan met een gebrek aan interesse dat veelzeggend was. ‘Ik ben ook Morgan,’ zei ik tegen hem. Hij keek me nog even aan, draaide toen zijn hoofd om en staarde door de glazen deuren naar buiten.
    Er klonk een gedempt ding-dong en de deuren schoven open. Deborah stapte in en gaf zo’n harde klap op de knop, dat de agent nog even omkeek voordat de deuren dichtschoven.
    ‘Waarom ben je zo chagrijnig, zusje?’ vroeg ik haar. ‘Dit is toch wat je wilde?’
    ‘Het is gezocht, overbodig werk en dat weten ze allemaal,’ snauwde ze.
    ‘Maar het blijft recherchewerk,’ bracht ik ertegenin.
    ‘Dat rotwijf LaGuerta heeft de leiding weer overgenomen,’ zei ze kwaad. ‘Zodra ik hier klaar ben, kan ik buiten weer de hoer gaan spelen.’
    ‘O, hemeltje. In je poezenpak?’
    ‘Ja, in mijn poezenpak,’ gromde ze, maar voordat ik een paar magische woorden van troost kon bedenken, kwamen we aan op de kantoorverdieping en schoven de liftdeuren open. Deb beende met grote passen de lift uit en ik ging haar achterna. Even later kwamen we bij de kantine waar het kantoorpersoneel was samengebracht om te wachten totdat de dienaren van de wet tijd hadden om zich met hen bezig te houden. Bij de ingang stond een andere agent van de politie van Broward, waarschijnlijk om te voorkomen dat iemand van het personeel zou ontsnappen in een poging de grens met Canada over te vluchten. Deborah knikte naar de agent en we gingen de kantine binnen. Zonder veel enthousiasme liep ik achter haar aan en dwaalden mijn gedachten weer af naar mijn eigen probleem. Maar algauw schrok ik op uit mijn mijmeringen toen Deborah me wenkte en ze een jongeman met een vadsig gezicht en lang, vet haar naar de deur leidde. Ik liep haar weer achterna.
    Ze scheidde hem van de anderen om hem te ondervragen, wat de juiste politieprocedure was, maar eerlijk gezegd sprong mijn hart niet op van enthousiasme. Zonder te weten waarom wist ik dat geen van deze mensen iets aan het onderzoek bij te dragen zou hebben. Te oordelen naar dit exemplaar was het waarschijnlijk veilig om aan te nemen dat zijn leven te saai was om ook maar iets met deze moord te maken te kunnen hebben. Dit was gewoon dom routinewerk waar Deb mee was opgezadeld omdat Matthews vond dat ze iets goed had gedaan maar haar ook nog steeds als een lastpak beschouwde. Dus had hij haar weggestuurd met een echte rechercheopdracht, om haar zowel bezig als uit zijn buurt te houden. En ik was meegesleept omdat Deb me erbij wilde hebben. Misschien wilde ze zien of ik met mijn fantastische paranormale gave kon vaststellen wat deze kantoorschapen als ontbijt hadden gegeten. Een blik op de gezichtshuid van deze jongeman was voldoende om er redelijk zeker van te zijn dat hij die ochtend een stuk koude pizza, een zak chips en een liter cola had genuttigd. Het had zijn huid aangetast en hem een air van permanente vijandigheid gegeven.
    Toch liep ik braaf mee toen meneer Chagrijn Deborah voorging naar een vergaderzaal achter in het stadion. In het midden stond een lange eikenhouten tafel met tien zwarte stoelen met hoge rugleuning en in de hoek stond een bureau met een computer en audiovisuele apparatuur erop. Terwijl Deb en haar puisterige jonge vriend aan de vergadertafel plaatsnamen, wandelde ik naar het bureau. Naast het bureau, bij het raam, stond een laag boekenkastje. Ik keek naar buiten. Bijna recht onder me zag ik de patrouillewagens en de toenemende massa persmensen die zich verdrongen bij de ingang waar wij met Steban naar binnen waren gekomen.
    Ik keek naar het boekenkastje en overwoog een plekje vrij te maken om daar te gaan zitten en me op die manier tactvol buiten het gesprek te houden. Er lag een stapel dossiermappen op en daarbovenop stond een grijs apparaatje. Het was rechthoekig en van kunststof. Er kwam een zwart snoer uit dat naar de achterkant van de computer liep. Ik pakte het apparaatje op om het ergens anders neer te zetten.
    ‘He!’ riep onze puisterige vriend. ‘Blijf van die webcam af!’
    Ik keek naar Deb. Ze keek boos terug en ik zweer dat ik haar neusgaten open en dicht zag gaan, als van een briesend renpaard bij de start. ‘Die wat?’ vroeg ze zacht.
    ‘Ik had hem op de ingang gericht,’ zei hij. ‘Nu moet ik hem opnieuw scherp stellen. Man, kun je niet gewoon van mijn spullen afblijven?’
    ‘Hij zei webcam,’ zei ik tegen Deborah.
    ‘Een camera,’ zei ze tegen mij.
    ‘Ja.’
    Ze wendde zich tot de jonge Adonis. ‘Staat hij aan?’
    Hij gaapte haar aan en deed nog steeds zijn best om haar boos en verontwaardigd aan te kijken. ‘Wat?’
    ‘De camera,’ zei Deborah. ‘Doet hij het?’
    Hij snoof en haalde zijn wijsvinger langs zijn neus. ‘Wat denk je dan? Dat ik zo moeilijk zou doen als hij het niet deed? Dat ding kost tweehonderd ballen. Natuurlijk doet hij het!’
    Ik keek uit het raam naar de plek waarop de camera gericht had gestaan, terwijl onze vriend bleef mopperen. ‘Ik heb een website en alles, Kathouse.com. Daarop kunnen de mensen de spelers zien als ze hier aankomen en later als ze weer weggaan.’
    Deborah liep naar het bureau toe, ging naast me staan en keek naar buiten. ‘Hij stond op de ingang gericht,’ zei ik.
    ‘Ja, natuurlijk,’ zei onze vrolijke vriend. ‘Hoe moeten de mensen van mijn website de spelers anders zien?’
    Deborah draaide zich om en keek hem aan. Na vijf seconden begon hij te blozen en keek hij naar het tafelblad. ‘Stond de camera de afgelopen nacht aan?’ vroeg ze.
    Hij keek niet op en mompelde alleen: ‘Ja. Ik bedoel, ik neem aan van wel.’
    Deborah keek me aan. Haar kennis van computers was beperkt gebleven tot het invullen van rapporten over verkeersovertredingen. Ze wist dat ik er iets handiger mee was.
    ‘Hoe heb je het ingesteld?’ vroeg ik aan het gebogen hoofd van de jonge man. ‘Worden de beelden automatisch gesaved?’
    Nu keek hij wel op. Ik had blijkbaar het juiste werkwoord gebruikt, dus ik moest wel oke zijn. ‘Ja,’ zei hij. ‘Het beeld wordt elke vijftien seconden vernieuwd en dan op de harde schijf gezet. Meestal wis ik het ’s ochtends.’
    Deborah kneep zo hard in mijn arm, dat ik bang was dat haar vingertoppen door mijn huid zouden gaan. ‘Heb je het vanochtend gewist?’ vroeg ze aan hem.
    Hij sloeg zijn ogen weer neer. ‘Nee,’ zei hij. ‘Want jullie kwamen hier binnenstampen en een hoop heibel maken. Ik heb nog niet de kans gehad om mijn e-mail te bekijken.’
    Deborah keek me aan. ‘Bingo,’ zei ik.
    ‘Kom hier,’ zei ze tegen onze vriend.
    ‘He?’ zei hij.
    ‘Kom hier,’ herhaalde ze, waarna hij langzaam opstond, met open mond, en de knokkels van zijn rechterhand masseerde.
    ‘Wat is er?’ vroeg hij.
    ‘Wilt u alstublieft hier komen, meneer?’ commandeerde Deborah op ervarensmerissentoon, en eindelijk kwam hij in beweging. ‘Kunnen we de foto’s van de afgelopen nacht zien, alstublieft?’
    Hij keek eerst naar de computer en toen naar haar. ‘Waarom?’ vroeg hij. Tja, de mysteries van de menselijke geest.
    ‘Omdat,’ zei Deborah heel langzaam en duidelijk articulerend, ‘ik denk dat u misschien een foto van de moordenaar in uw computer hebt zitten.’
    Hij gaapte haar aan, knipperde met zijn ogen en begon weer te blozen. ‘Dat kan niet,’ zei hij.
    ‘Ja hoor, dat kan wel,’ zei ik.
    Hij staarde eerst mij met open mond aan en daarna Deb. ‘Gaaf!’ zei hij. ‘Echt? Ik bedoel, echt? Ik bedoel…’ Zijn gezicht werd nog roder.
    ‘Mogen we de foto’s zien?’ vroeg Deb weer. Hij verroerde zich nog steeds niet, maar toen liet hij zich eindelijk in zijn bureaustoel vallen en pakte zijn muis vast. De monitor kwam tot leven en hij begon furieus commando’s in te voeren en dingen aan te klikken. ‘Hoe laat moet ik beginnen?’
    ‘Hoe laat ging iedereen weg?’ vroeg Deborah.
    Hij haalde zijn schouders op. ‘We hadden niets gisteravond. Iedereen was om… een uur of acht vertrokken, denk ik.’
    ‘Begin om middernacht,’ zei ik en hij knikte.
    ‘Oke.’ Hij was enige tijd zwijgend aan het werk. ‘Kom op,’ mompelde hij. ‘Het is maar een zeshonderd megahertz. Ze willen geen nieuwe aanschaffen. Zeggen dat hij nog best een tijdje mee kan, maar hij is zo verdomde langzaam, en…’ Opeens viel hij stil. ‘Hier,’ zei hij.
    Op de monitor verscheen een donker beeld: het verlaten parkeerterrein onder ons. ‘Middernacht,’ zei hij, turend naar het scherm. Na vijftien seconden werd het beeld vervangen door hetzelfde beeld.
    ‘Moeten we hier vijf uur lang naar kijken?’ vroeg Deborah.
    ‘Klik ze door,’ zei ik. ‘Zoek naar koplampen van een auto of iets wat beweegt.’
    ‘Okidoki,’ zei de jongen. Hij begon sneller te klikken en de foto’s gingen met een snelheid van een per seconde over het scherm. Eerst veranderde er niet veel. Het verlaten parkeerterrein, met een lantaarn aan de uiterste rand van het beeld, bleef zoals het was. Maar na ongeveer vijftig keer klikken verscheen er een lichtvlek in beeld. ‘Een auto!’ riep Deborah.
    Onze vriend schudde zijn hoofd. ‘Beveiliging,’ zei hij en op de volgende foto reed de auto in beeld.
    Hij bleef klikken en de beelden bleven verschijnen, steeds weer opnieuw en vrijwel ongewijzigd. Om de dertig a veertig beelden zagen we de wagen van de beveiliging, maar daarna niets meer. Nadat we dit een paar minuten lang hadden aanschouwd, kwam er een eind aan dit patroon en gebeurde er een hele tijd niets meer. ‘Knock-out,’ zei onze vriend met het vette haar.
    Deborah staarde hem aan. ‘Heeft de camera het begeven?’
    Hij keek haar aan, begon weer te blozen en sloeg zijn ogen neer. ‘Die gasten van de beveiliging,’ legde hij uit. ‘Die deugen echt niet! Elke nacht om een uur of drie parkeren ze de auto aan de andere kant en gaan ze daar slapen.’ Hij knikte naar de beelden, die ongewijzigd over het scherm gingen. ‘Zien jullie wel? Hallo? Heren van de beveiliging? Zijn we hard aan het werk?’ Uit zijn neus kwam een hol, vochtig geluid waarvan ik vermoedde dat het gelach moest voorstellen. ‘Ik dacht het niet!’ Hij maakte het holle geluid nog een keer en ging door met het doorklikken van de beelden.
    En toen opeens… ‘Wacht!’ riep ik.
    Op het scherm zagen we een busje dat bij de ingang stond. Er klonk weer een klik en toen het beeld veranderde, stond er een man naast het busje. ‘Kun je hem dichterbij halen?’ vroeg Deborah.
    ‘Inzoomen,’ zei ik voordat hij haar onnozel kon aankijken. Hij trok een stippellijntje om de donkere gedaante en klikte met de muis op de rechthoek. De gedaante kwam dichterbij.
    ‘Veel meer resolutie dan dit zullen we niet krijgen,’ zei hij. ‘Het aantal pixels…’
    ‘Stil,’ zei Deborah. Ze staarde zo intens naar het scherm, dat haar ogen er gaten in konden branden, en toen ik ook keek, zag ik waarom.
    Het beeld was donker en de man stond te ver weg om er zeker van te zijn, maar door de paar details die ik kon onderscheiden, had het beeld iets wat me vreemd vertrouwd voorkwam, zoals hij daar roerloos in beeld stond met zijn lichaamsgewicht rustend op beide voeten, en de algehele indruk van zijn gezichtsprofiel. Zo vaag als het beeld was, maakte het ons toch iets duidelijk. En vanaf de achterbank van mijn geest klonk een golf van vals gegrinnik, loeihard, alsof er op het klavier van een concertvleugel werd geramd, want de man in beeld leek akelig veel op…
    ‘Dexter…?’ zei Deborah op schorre, hijgende toon alsof iemand haar keel dichtkneep.
    Ja, inderdaad.
    Op Dexter.

23

    Ik ben er redelijk zeker van dat Deborah onze jonge vriend met het vette haar de vergaderzaal uit had gestuurd, want toen ik uiteindelijk opkeek, stond ze voor me en was ze alleen. Ondanks haar blauwe uniform leek ze in de verste verte niet op een politieagente. Ze zag er ronduit bezorgd uit, alsof ze niet wist of ze moest gaan schreeuwen of huilen, als een moeder wier favoriete zoontje haar op een vreselijke manier teleur had gesteld.
    ‘Nou?’ wilde ze weten, en ik moest toegeven dat dit een redelijke vraag was.
    ‘Wat nou?’ probeerde ik.
    Ze gaf een schop tegen een stoel, die omviel. ‘Godverdomme, Dexter, hou op met dat bijdehante gedoe van je! Vertel op. Vertel me dat jij dit niet bent!’ Ik zei niets. ‘Vertel me dan dat je het wel bent. Vertel me iets! Het maakt niet uit wat!’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik…’ Ik wist echt niet wat ik moest zeggen, dus schudde ik mijn hoofd weer. ‘Ik ben er redelijk zeker van dat ik het niet ben,’ zei ik. ‘Ik bedoel, ik denk het niet.’ Zelfs in mijn eigen oren klonk het als een uitermate dubieus antwoord.
    ‘Wat betekent dat, redelijk zeker?’ vroeg Deb. ‘Houdt dat in dat je het niet echt zeker weet? Dat er een kans bestaat dat je het wel bent?’
    ‘Nou…’ zei ik, een briljant verweer, gezien de situatie. ‘Misschien wel. Dat weet ik niet.’
    ‘En betekent “dat weet ik niet” dat je niet weet hoe je het me moet vertellen, of betekent het dat je echt niet weet of jij dat bent op die foto of niet?’
    ‘Ik ben er vrij zeker van dat ik het niet ben, Deborah,’ herhaalde ik. ‘Maar echt zeker weet ik het niet. Ik bedoel, hij lijkt wel op me, vind je ook niet?’
    ‘Shit,’ riep ze en ze gaf een trap tegen de omgevallen stoel. Die sloeg tegen een van de tafelpoten. ‘Hoe is dat verdomme mogelijk, dat je dat niet weet?’
    ‘Dat is nogal moeilijk uit te leggen.’
    ‘Probeer het toch maar!’
    Ik opende mijn mond maar voor het eerst in mijn leven kwam er niets uit. En alsof dat nog niet erg genoeg was, wist ik ook helemaal niets te bedenken. ‘Ik eh… ik heb de laatste tijd… van die dromen, maar… Deb, ik weet het echt niet,’ zei ik, maar het kan zijn dat ik het alleen maar mompelde.
    ‘Shit, shit, shit!’ riep Deborah. Trap, trap, trap.
    En ik kon het moeilijk oneens zijn met haar reactie op de situatie.
    Al mijn stompzinnige, zelfbeschuldigende overwegingen kwamen weer in me omhoog, maar met een scherp, verontwaardigd randje. Natuurlijk was ik het niet. Hoe kon dat nu? Zou ik het niet weten als ik het was? Blijkbaar niet, beste jongen. Het begint erop te lijken dat je helemaal niks weet. Omdat je diepe, duistere hersentjes je allerlei dingen vertellen die als visjes de realiteit in en uit zwemmen. Maar foto’s liegen niet.
    Deb opende een nieuwe golf aanvallen op de stoel en kwam vervolgens weer overeind. Haar hoofd was vuurrood en haar ogen leken meer op die van Harry dan ooit tevoren. ‘Oke,’ zei ze, ‘het zit zo.’ Ze schrok en viel stil toen we allebei beseften dat ze zojuist Harry’s woorden letterlijk had gebruikt.
    En heel even was Harry bij ons in de vergaderzaal en stond hij tussen ons in, wij die zo verschillend van elkaar waren maar toch allebei Harry’s kinderen, hoewel twee uitersten van zijn unieke nalatenschap. De stalen onverzettelijkheid verdween voor een deel uit Deborahs houding en ze zag er weer menselijk uit, wat me wel zo lief was. Ze bleef me geruime tijd aankijken en wendde haar blik toen af. ‘Je bent mijn broer, Dex,’ zei ze. Ik was er heel zeker van dat dat niet was wat ze eigenlijk wilde zeggen.
    ‘Dat kan niemand je kwalijk nemen,’ zei ik.
    ‘Godverdomme, Dex, je bent mijn broer!’ riep ze en de intensheid waarmee ze het zei, verraste me volledig. ‘Ik weet niet wat er tussen papa en jou is voorgevallen. Die dingen waar jullie nooit over wilden praten. Maar ik weet wel wat hij gedaan zou hebben.’
    ‘Hij zou me gearresteerd hebben,’ zei ik en Deborah knikte.
    ‘Precies,’ zei ze, ‘hij zou je gearresteerd hebben. En ik ben ook van plan dat te doen.’ Ze draaide zich van me weg en keek uit het raam, naar de horizon in de verte.
    ‘Ik moet mijn gesprekken hier afmaken,’ zei ze. ‘Ik laat het aan jou over om te bepalen of dit bewijs relevant is of niet. Kopieer het, stop het thuis in je computer en doe ermee wat je ermee moet doen. En als ik hier klaar ben, maar voordat ik aan mijn avonddienst begin, kom ik naar je toe om het op te halen en te luisteren naar wat je erover te zeggen hebt.’ Ze keek op haar horloge. ‘Om acht uur ben ik bij je. En als ik je dan moet arresteren, zal ik dat doen.’ Ze draaide zich om en bleef me lange tijd aankijken. ‘Godverdomme, Dexter,’ zei ze zacht en toen liep ze de vergaderzaal uit.
    Ik liep naar het raam en keek naar buiten. Onder me stond nog altijd het circus van politiemensen, persmensen en glurende belangstellenden. Verderop, ver achter het parkeerterrein, zag ik de Expressway vol auto’s en vrachtwagens die met 150 kilometer per uur de maximumsnelheid overtraden. En daar weer achter, aan de nevelige horizon, was de skyline van Miami.
    En hier, helemaal vooraan, stond de verdwaasde Dexter uit het raam te staren naar een stad die niet kon praten en die hem niets te vertellen zou hebben als dat wel zo was geweest.
    Godverdomme, Dexter.
    Ik weet niet hoelang ik uit het raam heb staan kijken, maar uiteindelijk kwam ik tot het besef dat ik daar de antwoorden niet zou vinden. Misschien zou ik die wel kunnen vinden in de computer van meneer Mee-eter. Ik ging bij het bureau staan en keek. De computer had een cd-brander. In de bovenste la zat een doos beschrijfbare cd’s. Ik stopte er een in de drive, kopieerde het hele fotobestand ernaartoe en haalde de cd er weer uit. Ik hield hem tegen het licht en keek ernaar, maar de cd had me niets te vertellen, of het moest het zachte gegrinnik zijn dat van de achterbank van mijn geest klonk, maar misschien verbeeldde ik me dat. Om het zekere voor het onzekere te nemen, wiste ik het hele fotobestand van de harde schijf.
    Op weg naar buiten werd ik niet tegengehouden door de agenten van Broward en zei niemand iets tegen me, hoewel ik de indruk had dat er met scherpe, argwanende blik naar me werd gekeken.
    Ik vroeg me af of dit was hoe je je zou voelen als je een geweten had. Ik nam aan dat ik het nooit te weten zou komen, in tegenstelling tot de arme Deborah, die innerlijk werd verscheurd door te veel gevoelens van loyaliteit die onmogelijk in een en hetzelfde hoofd konden samenleven. Ik had bewondering voor de oplossing die ze me had aangeboden, om het aan mij over te laten om vast te stellen of het bewijs relevant was of niet. Knap werk. Het had een hoog Harry-gehalte, zoiets als een geladen pistool op tafel neerleggen, voor de neus van je schuldige vriend, en dan weggaan in de wetenschap dat zijn schuldgevoel de trekker zou overhalen en de stad de kosten van een proces zou besparen. In Harry’s wereld kon een gewetensvol mens niet leven met dat soort schaamte.
    Maar zoals Harry zich heel goed bewust was geweest, bestond die wereld al lang niet meer. Bovendien had ik geen geweten en waren gevoelens als schaamte en berouw me volstrekt onbekend. Het enige wat ik had, was een cd met een stel foto’s erop. En net zomin als met een geweten kon ik iets met die foto’s.
    Er moest een of andere verklaring zijn waarin Dexter, die in zijn slaap in een busje door Miami reed, niet voorkwam. Natuurlijk reden er wel meer automobilisten slapend rond, maar die waren ten minste nog enigszins wakker geweest toen ze van huis gingen. Maar zelfs dat deed ik nooit, want ik was altijd scherp, opgewekt en alert en in ieder geval niet het type man dat ’s nachts door de stad sloop en moorden pleegde zonder het zich bewust te zijn. Nee, ik was juist iemand die op zulke momenten klaarwakker wilde zijn om van elke seconde te genieten. Trouwens, er was ook nog die bewuste nacht op de Causeway. Waarmee ik bedoel dat het lichamelijk onmogelijk was om dat hoofd naar mijn eigen auto te slingeren, waar of niet?
    Tenzij ik mezelf ervan overtuigde dat ik op twee plaatsen tegelijk kon zijn… Ja, dat moest het zijn, want ik kon gewoon niets anders bedenken… Dat ik alleen maar had gedacht dat ik daar in mijn auto zat en zag dat er iemand een hoofd naar me toe gooide terwijl ik in werkelijkheid zelf het hoofd naar mijn auto had gegooid en…
    Nee. Belachelijk. Ik kon van de laatste restanten van mijn ooit zo trotse geest niet verlangen dat ze dat soort sprookjes geloofden. Er moest een simpele, logische verklaring zijn en ik was van plan die te vinden, en ook al kwam ik over als iemand die zichzelf ervan probeerde te overtuigen dat er geen enge monsters onder zijn bed lagen, zei ik het toch hardop.
    ‘Er moet een simpele, logische verklaring zijn,’ zei ik tegen mezelf, en omdat ik wist dat er niemand meeluisterde, voegde ik eraan toe: ‘En er ligt niks onder mijn bed.’
    Maar opnieuw was het enige antwoord de betekenisvolle stilte van de Zwarte Ruiter.
    Te midden van de vertrouwde bloeddorst van de andere weggebruikers vond ik op weg naar huis evenmin een antwoord op mijn vraag. Of in ieder geval geen antwoord dat ergens op sloeg. Stompzinnige antwoorden waren er genoeg. Maar die kwamen allemaal op hetzelfde neer, namelijk dat er iets niet helemaal goed zat in het hoofd van ons geliefde monster, en dat kon ik maar moeilijk accepteren. Mogelijk omdat ik me niet gekker voelde dan gewoonlijk. Ik had niet de indruk dat er grijze massa ontbrak, ik dacht niet langzamer of vreemder dan normaliter en voorzover ik wist, had ik tot nu toe geen gesprekken gevoerd met onzichtbare vrienden.
    Behalve in mijn slaap, natuurlijk, maar telde dat echt mee? Waren we tijdens onze slaap allemaal niet een beetje gek? Was slaap immers niet het proces waarin we onze gekte dumpten in de bodemloze put van het onderbewustzijn, dat er op zijn beurt voor zorgde dat we de volgende ochtend gewoon cornflakes als ontbijt aten in plaats van de kinderen van de buren?
    En afgezien van de dromen die ik had gehad, was de rest toch echt gebeurd. Iemand anders had op de Causeway een hoofd naar me toe gegooid, iemand anders had een barbiepop in mijn huis achtergelaten en iemand anders had de lijken in intrigerende posen neergelegd. Iemand anders dan de beste, brave Dexter. En die persoon was nu eindelijk gevangen, in beeld op deze cd. En ik zou de foto’s nog eens goed bekijken en voor eens en voor altijd bewijzen dat…
    Dat de moordenaar wel verdacht veel op mij leek?
    Heel goed, Dexter. Knap werk. Ik had u toch gezegd dat er een logische verklaring was? Iemand anders die in werkelijkheid mij was. Dat was nog eens een logische verklaring, of niet soms?
    Ik kwam thuis en liep het hele huis door. Er zat niemand op me te wachten. Natuurlijk niet, want daar was ook geen reden voor. Maar de wetenschap dat deze aartsvijand die Miami terroriseerde, wist waar ik woonde, vond ik toch enigszins verontrustend. Hij had bewezen dat hij het soort monster was dat nergens voor terugdeinsde, dus het was best mogelijk dat hij nog een keer binnen was gekomen om meer onderdelen van poppen achter te laten. Zeker wanneer hij mij was.
    Wat natuurlijk niet zo was. Absoluut niet. Op de foto’s zou ik bepaalde kleine details vinden die aantoonden dat de gelijkenis met mij puur toeval was, net zoals het feit dat ik paranormaal zo gevoelig was voor deze moorden puur toeval was. Ja, er was hier gewoon sprake van een reusachtige reeks logisch verklaarbare toevalligheden. Misschien moest ik de redactie van het Guinness Book of Records bellen. Ik vroeg me af wat het wereldrecord niet-zeker-weten-of-je-al-dan-niet-een-reeks-moordenhad-gepleegd zou zijn.
    Ik zette een cd van Philip Glass op en ging in mijn fauteuil zitten. De muziek raakte de leegte binnen in me en na een paar minuten voelde ik mijn gebruikelijke kalmte en ijzige logica terugkeren. Ik stond op en zette mijn computer aan. Ik stopte de cd in de drive en begon de foto’s te bekijken. Ik zoomde in en uit en deed alles wat ik wist om de beelden duidelijker te krijgen. Ik deed zelfs dingen waarvan ik alleen maar had gehoord, en dingen die ik ter plekke verzon, maar niets werkte. Na een hele tijd modderen was ik nog net zover als toen ik begon. Het lukte me gewoon niet om genoeg resolutie te krijgen om het gezicht van de man op de foto beter te zien. Toch bleef ik naar de foto’s staren. Ik bekeek ze vanuit verschillende hoeken. Ik printte ze en hield ze tegen het licht. Ik deed alles wat een normaal mens ermee zou doen, maar hoewel de imitatie me deugd deed, ontdekte ik niets anders dan dat de man op de foto op mij leek.
    Het lukte gewoon niet om een duidelijke indruk van hem te krijgen, ook niet van zijn kleding. Hij had een overhemd aan dat wit kon zijn maar ook beige, geel of lichtblauw. In de lantaarn op het parkeerterrein zat zo’n felle antimisdaadlamp die een oranjeroze gloed op hem wierp, en tezamen met het gebrek aan resolutie was het gewoon onmogelijk om meer details te onderscheiden. Hij had een ruimvallende lichte broek aan, een doodgewone broek die iedereen aan kon hebben, ook ik. Ik had massa’s van dat soort kleding, genoeg om een heel leger van Dexterimitators te kleden.
    Het lukte me om ver genoeg in te zoomen op de zijkant van het busje om de letter A te kunnen onderscheiden, en daaronder een B, gevolgd door een R en een C of een O. Maar het busje stond in een schuine hoek op de camera dus verder dan dat kwam ik niet.
    Geen van de andere foto’s leverde me een aanwijzing op. Ik nam de hele reeks nog eens door: de man was weg, verscheen weer in beeld en toen was het busje weg. De beeldhoek was niet goed dus een blik op de nummerplaat werd me ook niet gegund. Kortom, het was absoluut onmogelijk om met zekerheid te zeggen of het hier al dan niet om de dromende Dexter ging.
    Toen ik uiteindelijk opkeek van de monitor, was het al laat en donker buiten. Ik deed wat een normaal mens waarschijnlijk al een paar uur eerder zou hebben gedaan: ik hield ermee op. Ik kon niets anders doen dan wachten tot Deborah kwam. Ik zou moeten toestaan dat mijn arme, innerlijk verscheurde zusje me in de cel zou stoppen. En terecht, want ik was tenslotte schuldig, zij het op een andere manier. Ik moest gewoon achter de tralies worden gezet. Misschien konden ze me bij McHale in de cel stoppen. Dan kon hij me zijn rattendansje leren.
    En met die gedachte in mijn hoofd deed ik het beste wat ik op dat moment kon doen.
    Ik ging slapen.

24

    Ik droomde niet, maakte geen reizen buiten mijn lichaam en zag geen parade van spookbeelden van onthoofde, leeggebloede lijken. Geen visioenen van suikerspinnen die door mijn hoofd dansten. Helemaal niks. Zelfs ik was er niet. Niets anders dan zwarte, tijdloze slaap. En toch, toen ik wakker schrok van de telefoon, wist ik dat het over Deborah zou gaan en dat ze niet zou komen. Het zweet stond al in mijn handpalmen toen ik de hoorn oppakte. ‘Ja?’ zei ik.
    ‘Met commissaris Matthews,’ zei de stem. ‘Kan ik agent Morgan even spreken, alsjeblieft?’
    ‘Die is hier niet,’ zei ik, en onmiddellijk daalde er een lichte bezorgd heid op me neer.
    ‘O, nou, dan… Hoe laat is ze weggegaan?’
    Automatisch keek ik op de klok. Het was 21.15 uur en ik voelde dat ik heviger begon te transpireren. ‘Ze is hier niet geweest,’ zei ik tegen de korpschef.
    ‘Maar ze heeft zich afgemeld om naar jouw huis te gaan. Ze heeft dienst… Ze moet er zijn.’
    ‘Ze is helemaal niet geweest.’
    ‘Wel godverdomme,’ zei hij. ‘Ze zei dat jij het bewijs had waarop we zaten te wachten.’
    ‘Dat heb ik ook,’ zei ik en daarna hing ik op.
    Ik had inderdaad bewijs. Dat was zeker. Ik wist alleen niet precies wat dat bewijs was. Ik moest dat zien uit te vinden en dacht niet dat ik daar nog veel tijd voor had. Of om preciezer te zijn, dat Debbie nog veel tijd had. En weer begreep ik niet hoe ik dit wist. Ik zei niet bewust tegen mezelf:
    hij heeft Deborah. In mijn hoofd verschenen geen alarmerende beelden van haar lot. En ik beleefde geen verhelderende inzichten, noch dacht ik: goh, Deb had er allang moeten zijn… Het is niks voor haar om te laat te komen. Ik wist het gewoon, zoals ik het al had geweten zodra ik wakker werd, dat Deb naar mijn huis was gegaan en dat ze het niet had gehaald.
    En ik wist wat dat betekende.
    Hij had haar.
    En hij had haar meegenomen vanwege mij. Dat wist ik ook. Hij had om me heen geslopen en was steeds dichterbij gekomen, was in mijn huis geweest, had me via zijn slachtoffers boodschappen doorgegeven en had me uitgedaagd met aanwijzingen en me blikken gegund op wat hij aan het doen was. En nu was hij zo dichtbij als maar mogelijk was zonder met mij in dezelfde ruimte te zijn. Hij had Deb meegenomen en wachtte samen met haar. Op mij.
    Maar waar? En hoelang kon hij wachten voordat hij zijn geduld verloor en het spel zou beginnen zonder mij?
    En als hij zonder mij zou beginnen, wist ik heel goed wie zijn speelkameraadje zou zijn: Debbie. Ze was gekleed voor haar nachtdienst naar mijn huis gegaan, in haar poezenpak, voor hem dus in cadeauverpakking. Hij moet gedacht hebben dat ze een kerstcadeautje was. Hij had haar en zij zou vanavond zijn speelkameraadje zijn. Ik wilde liever niet op die manier aan haar denken, geboeid en vastgeplakt op tafel terwijl ze toekeek hoe er delen van haar voor altijd zouden verdwijnen. Maar zo zou het wel gaan. Onder andere omstandigheden zou het een avond vol heerlijk vertier opleveren, maar nu niet… niet met Deborah. Ik was er redelijk zeker van dat ik dat niet wilde, dat ik niet wilde dat hij iets prachtigs en onherstelbaars zou doen, niet vanavond. Misschien een andere keer wel, met iemand anders. Wanneer we elkaar iets beter kenden.
    Maar niet nu. Niet met Deborah.
    En door die gedachte voelde ik me iets beter. Het was fijn om dat vastgesteld te hebben. Ik gaf er de voorkeur aan dat mijn zusje bleef leven en niet in kleine leeggebloede stukken werd verdeeld. Wat aardig van me, bijna menselijk. Maar nu dat geregeld was, wat nu? Ik kon Rita bellen.
    Misschien konden we naar de film gaan, of gaan wandelen in het park.
    Of… wacht eens even… misschien kon ik… Deborah gaan redden? Ja, dat leek me wel leuk. Maar…
    Hoe?
    Ik had natuurlijk een paar aanwijzingen. Ik wist tenslotte hoe hij dacht, want ik dacht zelf net zo. En hij wilde dat ik hem zou vinden.
    Die boodschap had hij me luid en duidelijk doorgegeven. Als ik alle afleidende onzin uit mijn hoofd kon zetten — alle dromen en al die newage-onzin en de rest — was ik er zeker van dat ik op logische wijze moest kunnen uitdokteren waar ze waren. Hij zou Deb niet hebben meegenomen tenzij hij meende dat hij me alles had gegeven wat een slim monster nodig had om hem te kunnen vinden.
    Goed dan, slimme Dexter, vind hem. Spoor die Deb-napper op. Laat je meedogenloze logica als een roedel hongerige wolven los op de sporen die er moeten zijn. Zet je onmetelijke brein in een hogere versnelling en laat de wind waaien langs de hardwerkende kwabben van je superintelligente geest totdat die tot een wonderschone en onweerlegbare conclusie komt. Kom op, Dexter!
    Dexter?
    Hallo? Is er iemand thuis?
    Blijkbaar niet. Ik hoorde geen wind langs mijn kwabben ruisen. Mijn hoofd was zo leeg als het nog nooit was geweest. Draaikolken van verwijtende emoties waren er evenmin aangezien ik geen emoties had om te laten kolken. Maar het resultaat was net zo onheilspellend. Ik voelde me aangeslagen en leeg, alsof ik echt dingen kon voelen. Deborah was verdwenen en ze stond op het punt om in een fascinerend kunstwerk veranderd te worden. En haar enige hoop om te blijven voortbestaan, afgezien van als een serie foto’s op het prikbord van de afdeling Moordzaken, was haar onthutste, hersenloze broer. Arme Dexter, die in zijn stoel zat terwijl zijn geest rondjes rende als een hond die zijn eigen staart achternazat en die huilde naar de maan. Ik haalde diep adem. Van alle keren dat het nodig was geweest om echt mezelf te zijn, was deze de belangrijkste. Ik concentreerde me, dwong mezelf tot kalmte en voelde hoe er weer een stukje Dexter terugvloeide in de galmende leegte van mijn geest, net groot genoeg om te beseffen hoe menselijk en oerdom ik was geworden. Er was helemaal geen sprake van een mysterie. Het lag zelfs heel erg voor de hand. Mijn vriend had alles gedaan behalve me een uitnodiging sturen met de tekst: uw aanwezigheid bij de vivisectie van uw zus wordt zeer op prijs gesteld. Maar zelfs dit wolkje van logica werd uit mijn geest geblazen door een nieuwe gedachte, een die lak had aan logica.
    Ik had geslapen op het moment dat Debbie was verdwenen. Kon dat betekenen dat ik het weer had gedaan zonder het me bewust te zijn? Maar als ik Deb al in stukken had gesneden en die had opgeslagen in een kleine, koele ruimte…?
    Kleine, koele ruimte? Waar kwam dat nu weer vandaan? Het gevoel van beslotenheid… de kast in het ijshockeystadion en het gevoel dat die precies goed gekozen was… de koele lucht die langs mijn rug omhoog kroop… Waarom waren die dingen belangrijk? Waarom kwam ik daar steeds weer bij terug? Dat ging vanzelf. Ongeacht wat er verder gebeurde, bleef ik terugkeren naar die onlogische herinneringen, en zonder reden, voorzover ik kon zien. Maar wat betekende dat? En waarom kon het mij ook maar ene fluit schelen dat het misschien iets betekende? Omdat het, of het iets te betekenen had of niet, alles was wat ik had om mee aan het werk te gaan. Ik moest een plek vinden die paste bij het gevoel van kou en die heel goed gekozen was. Het was gewoon de enige manier die me restte: open de juiste deur. En daar zou ik Debbie dan ook vinden, plus iemand die mijzelf of niet mijzelf was. Makkelijk toch?
    Nee, misschien gemakkelijk gedacht maar helemaal niet gemakkelijk uit te voeren. Het sloeg werkelijk nergens op om ook maar enige aandacht te besteden aan spookachtige geheime boodschappen die me vanuit mijn dromen tegemoet kwamen zweven. Dromen bestonden niet in de realiteit, lieten geen gekruiste Freddy Krueger-littekens achter op het dagelijkse leven. Het paste niet bij mij om het huis uit te rennen om doelloos en als een gek in het rond te gaan rijden. Ik was een koel en logisch denkend wezen. En daarom draaide ik op een koele, logisch denkende manier de voordeur op slot en wandelde naar mijn auto. Ik had geen idee waar ik naartoe ging maar de noodzaak om snel ergens naartoe te rijden had de teugels in handen genomen en dwong me naar het parkeerterrein te lopen waar ik mijn auto had neergezet. Maar een meter of zes van mijn vertrouwde voertuig bleef ik plotseling staan alsof ik tegen een onzichtbare muur aan was gelopen.
    De binnenverlichting was aan.
    Ik was er zeker van dat ik die niet had laten branden, want het was licht geweest toen ik de auto parkeerde, en ik kon zien dat beide portieren goed dicht zaten. Als iemand in mijn auto ingebroken zou hebben, zou hij het portier op een kier hebben laten staan om overbodig lawaai van het sluiten te vermijden.
    Langzaam liep ik op de auto toe, onzeker over wat me te wachten zou staan en of ik dat eigenlijk wel wilde zien. Ik was de auto tot anderhalve meter genaderd toen ik iets op de passagiersstoel zag liggen. Behoedzaam en met tintelende zenuwen liep ik om de auto heen en keek door het raampje naar binnen. En daar lag het.
    Weer een barbiepop. Ik begon al een hele verzameling te krijgen. Dit exemplaar had een matrozenpetje op en was gekleed in een topje dat het middenrif vrijliet en strakke roze hotpants. In haar ene hand had ze een klein koffertje met het woord cunard op de zijkant. Ik opende het portier en pakte de pop van de stoelzitting. Vervolgens trok ik het koffertje van de hand en maakte het open. Er viel iets uit wat wegrolde op de vloermat. Ik raapte het op. Het leek verdacht veel op de ring die Deborah had gekregen toen ze haar schooldiploma had gehaald.
    In de binnenkant stond d.m. gegraveerd, Deborahs voorletters. Ik zeeg ineen op de stoel en klemde Barbie in mijn bezwete handen. Ik hield haar ondersteboven, boog de beentjes, zwaaide met het ene armpje.
    Wat heb jij gisteravond gedaan, Dexter? O, met mijn poppen gespeeld terwijl een vriend mijn zus in mootjes hakte.
    Ik twijfelde er geen seconde aan hoe Cruise Line Hooker Barbie in mijn auto terecht was gekomen. Dit was duidelijk een boodschap… of was het een aanwijzing? Maar aanwijzingen hoorden in een bepaalde richting te wijzen en ik had geen idee wat de richting van deze zou moeten zijn. Het was duidelijk dat hij Debbie had, maar wat moest ik met Cunard? Op welke manier paste dat bij de koude, kleine ruimte waar hij haar vasthield? Ik zag het verband niet. Er was in Miami maar een plek die daarbij paste.
    Ik reed Douglas Road op en sloeg bij Coconut Grove rechts af. Ik moest vaart minderen om me een weg te banen door de parade van stompzinnig grijnzende imbecielen die voor de winkels en de bars stonden te dansen.
    Volgens mij hadden ze allemaal te veel geld, te veel tijd en te weinig hersens, en het duurde een eeuwigheid voordat ik me erdoorheen had geworsteld, hoewel het weinig zin had om me daarover op te winden aangezien ik niet echt wist waar ik naartoe ging. Maar ik reed door, over Bayfront Drive, naar Brickle en ten slotte de binnenstad in. Ik zag geen reusachtige neonreclames met knipperende pijlen en bemoedigende woorden als: deze kant op! Maar ik reed door richting de American Airlines Arena en de MacArthur Causeway daarachter. Bij Government Cut kwam ik langs de Arena en zag ik een cruiseschip in aanbouw, natuurlijk geen cruiseschip van Cunard Lines maar desondanks zocht ik koortsachtig naar aanwijzingen. Het leek me onwaarschijnlijk dat ik werkelijk naar een cruiseschip werd gestuurd. Veel te vol, veel te veel mensen. Maar iets in de buurt van een cruiseschip misschien, iets wat ermee te maken had? Maar wat moest dat dan zijn? Ik had verder geen aanwijzingen. Ik staarde zo strak naar het cruiseschip, dat het dek ervan had moeten smelten, maar Deborah sprong niet tevoorschijn uit het ruim om een dansje over de galerijen te maken. Ik keek nog eens in het rond. Naast het schip stonden hoge bouwkranen die als kapotte robots uit Star Wars naar de donkere hemel wezen.
    Achter de kranen, nog net zichtbaar in het duister, stonden containers, kriskras naast en op elkaar alsof een heel groot en verveeld kind zijn doos met bouwblokken had laten vallen. Aan sommige van de containers zaten koelaggregaten bevestigd. En achter de containers…
    Wacht jij eens even, beste vriend.
    Wie fluisterde dat naar me, wie mompelde dat heel zacht naar de eenzaam ronddolende Dexter? Wie zat er achter me, wiens droge gegrinnik kwam er van de achterbank? En waarom? Welke boodschap probeerde mijn hersenloze, hol galmende hoofd binnen te dringen?
    Containers.
    Waarvan sommige met koelaggregaten.
    Nou en? Welke reden kon ik hebben om geinteresseerd te zijn in een of ander gekoeld roestig hok?
    O, juist. Nou, als u het zo stelt.
    Kon dit de plek zijn, het toekomstige thuis van het Dexter-museum?
    Met levensechte demonstraties waaronder een zeldzaam en uniek live optreden van Dexters enige zus?
    Ik gaf een ruk aan het stuur en sneed een bmw met een heel luide claxon. Ik stak mijn middelvinger naar hem op, gedroeg me voor een keer zoals dat van automobilisten in Miami wordt verwacht, trapte het gaspedaal in en schoot vooruit over de Causeway.
    Het cruiseschip bevond zich links van me. Het terrein met de containers was rechts ervan en het werd omringd met een hek van draadgaas met vlijmscherp prikkeldraad erbovenop. Ik reed de toegangsweg af en een stukje langs het hek terwijl ik me verzette tegen het opkomende tij van hoop en het aanzwellende gezang van de Zwarte Ruiter die zo te horen aan een recital van strijdliederen was begonnen. Een heel eind voor de containers liep de weg dood bij een wachthuisje. Er was een poort waarachter diverse mannen in uniform rondhingen en waar ik nooit doorheen zou komen zonder een aantal genante vragen te beantwoorden. Hallo, agent, ik vroeg me af of ik misschien even mocht binnenkomen om wat rond te kijken. Want ziet u, er bestaat een kans dat een vriend van me op deze plek mijn zus in mootjes aan het snijden is. Een meter of tien van de poort maakte ik een U-bocht, dwars door een rij oranje pylonen die het midden van de weg aangaven, en reed ik terug in de richting vanwaar ik was gekomen. Het cruiseschip lag nu rechts van me. Vlak voor de brug naar het vasteland sloeg ik links af en kwam ik op een groot terrein met een grote loods aan de ene kant en een gaashek aan de andere. Het hek was versierd met bordjes waarop met zware straffen werd gedreigd tegen iedereen die het lef had het terrein te betreden, ondertekend door de douane.
    Het hek liep door tot aan de hoofdweg, langs een groot parkeerterrein dat op dit uur van de nacht volkomen verlaten was. Ik reed erlangs en staarde naar de containers aan de andere kant. Deze waren waarschijnlijk afkomstig uit buitenlandse havens en hier neergezet zodat de douane de inhoud kon controleren. Het zou veel te moeilijk zijn om hier binnen te komen en weer weg te gaan, zeker met een lading lichaamsdelen. Dus ik moest of op zoek naar een andere plek, of toegeven dat het najagen van vage gevoelens ten gevolge van een paar duistere dromen en een hoerig gekleed popje pure tijdverspilling was. En hoe eerder ik dat toegaf, hoe groter de kans was dat ik Deb zou vinden. Hier was ze in ieder geval niet.
    Er was geen reden dat ze hier zou zijn.
    Eindelijk een logische gedachte. Ik voelde me meteen een stuk beter, zelfingenomen bijna. En op dat moment zag ik bij het hek een busje staan dat me bekend voorkwam, zo geparkeerd dat ik de letters op de zijkant kon zien. alonzo brothers, stond erop. Mijn prive-koor in het souterrain van mijn brein zong te hard om mezelf te horen grijnzen, dus reed ik mijn auto naar de kant en parkeerde. Mijn slimmere ik klopte op de voordeur van mijn brein en riep: schiet op! Schiet op! Doe iets! Maar achterin kroop de hagedis van mijn geest tegen het raam op en schoot het giftige tongetje in en uit zijn bek, zodat het lange tijd duurde voordat ik werkelijk uit de auto stapte.
    Ik liep naar het hek en bleef daar staan als een bijrolacteur in een krijgsgevangenenkamp in de Tweede Wereldoorlog, met mijn vingers in de mazen van het hek gehaakt en hongerig turend naar wat daarachter was, slechts een paar meter verderop maar desondanks onbereikbaar.
    Ik was ervan overtuigd dat er voor een meer dan gemiddeld intelligent mens als ik een heel simpele manier moest zijn om aan de andere kant te komen, maar het was illustratief voor de staat waarin ik me bevond dat ik de ene gedachte niet aan de volgende kon koppelen. Ik moest naar de andere kant maar ik kon het niet. En dus bleef ik daar staan, hield me vast aan het hek en tuurde erdoorheen, me volledig bewust dat alles wat ik nodig had zich vlak voor mijn neus bevond, op maar enkele meters afstand, en dat ik absoluut niet in staat was mijn kolossale brein op het probleem te werpen en daar een oplossing uit los te peuteren. De geest kiest soms wel heel ongeschikte momenten om een straatje om te gaan. Opeens had ik door waar ik mee bezig was. Ik moest hier weg en wel onmiddellijk. Ik hield me op verdachte wijze op in een goed bewaakte omgeving en het was nacht, dus ik kon ieder moment gezien worden door een van de bewakers. Ik moest weer in de auto stappen, een rondje rijden en een andere manier zien te vinden om binnen te komen. Ik deed een stap achteruit van het hek en wierp er nog een liefhebbende blik op. Onderaan, waar mijn voeten tegen het gaas hadden geduwd, zag ik een onregelmatigheid die met het blote oog maar net zichtbaar was. De mazen van het draadstaal waren doorgeknipt over een lengte en breedte die net groot genoeg was om een menselijk wezen — of een imitatie daarvan — binnen te laten. De flap werd op zijn plaats gehouden door het achterwiel van het busje zodat het gaas niet omhoog krulde en op die manier zou verraden waar de plek was. De opening moest kortgeleden zijn gemaakt, deze avond, nadat het busje hier was geparkeerd. Mijn laatste uitnodiging.
    Behoedzaam deed ik een stap achteruit terwijl er als vanzelf een gevoel van herkenning in me omhoog kroop en een achteloze glimlach zich als een vermomming om mijn mond nestelde. Goedenavond, agent, ik was gewoon een stukje aan het wandelen. Een mooie avond om iemand in mootjes te hakken, vindt u ook niet? Opgewekt liep ik terug naar mijn auto, ik keek om me heen maar zag niets anders dan de maan boven het water, floot een vrolijk deuntje terwijl ik instapte en reed weg. Niemand scheen ook maar enige belangstelling voor me te hebben, afgezien natuurlijk van het hallelujakoor in mijn hoofd. Ik reed het parkeerterrein bij het kantoor van de scheepvaartmaatschappij op, op een kleine honderd meter afstand van het zelfgemaakte deurtje naar het paradijs. Er stonden nog een paar auto’s dus de mijne zou niet echt opvallen. Maar toen ik wilde uitstappen, kwam er een andere auto op de plek naast de mijne staan, een donkerblauwe Chevy met een vrouw achter het stuur. Ik bleef even wachten. De vrouw wachtte ook. Toen opende ik het portier en stapte uit.
    En inspecteur LaGuerta stapte ook uit.

25

    Ik was altijd erg goed geweest in lastige, onverwachte ontmoetingen, maar ik moet toegeven dat ik deze keer volkomen verbijsterd was. Ik wist echt niet wat ik moest zeggen en staarde haar wezenloos aan. En zij staarde terug, zonder met haar ogen te knipperen en met ontblote hoektanden, als een roofdierenwije dat aarzelde of het je meteen zou verslinden of eerst nog wat met je wilde spelen. Ik kon geen enkele opmerking bedenken die niet met gestotter zou beginnen en zij scheen alleen maar geinteresseerd te zijn in mijn aanblik. Dus stonden we geruime tijd zwijgend tegenover elkaar. Ten slotte nam zij het voortouw.
    ‘Wat is daar?’ vroeg ze en ze knikte naar het hek, honderd meter verderop.
    ‘Kijk eens aan, inspecteur!’ riep ik uit, in de hoop dat ze zou vergeten wat ze had gevraagd. ‘Wat kom jij hier doen?’
    ‘Ik ben je gevolgd. Wat is daar?’
    ‘Waar? Daar?’
    Ik weet het. Een nogal stompzinnig antwoord, maar ik was gewoon door mijn voorraad snedigheden heen en er kan van mij niet verwacht worden dat ik in elke situatie iets goeds uit mijn mouw kan schudden.
    Ze hield haar hoofd schuin, stak haar tong een stukje uit, liet die langzaam heen en weer over haar onderlip gaan en haalde hem toen weer binnen. Daarna knikte ze weer. ‘Je denkt zeker dat ik gek ben,’ zei ze.
    Natuurlijk had ik die mogelijkheid een paar keer overwogen, maar het leek me onbeleefd om dat tegen haar te zeggen. ‘Je moet niet vergeten dat ik een volledig bevoegd rechercheur van de politie van Miami ben,’ vervolgde ze. ‘Hoe denk je dat ik dat ben geworden? Nou?’ ‘Door je uiterlijk misschien?’ probeerde ik, met een stralende glimlach. Het kan nooit kwaad om een vrouw een complimentje te geven. Ze liet me haar tanden weer zien, allemaal, en in het kille licht van de lantaarns op het parkeerterrein leken ze witter dan ooit. ‘Leuk geprobeerd,’ zei ze en ze plooide haar lippen in een vreemde halve glimlach die haar wangen hol maakte en waardoor ze er ouder uitzag. ‘Er is een tijd geweest dat ik voor dat soort onzin viel, toen ik dacht dat je me echt mocht.’ ‘Dat is ook zo, inspecteur,’ antwoordde ik, misschien iets te gretig, maar ze scheen me niet te horen.
    ‘Maar vervolgens haal je me onderuit alsof ik een of ander stom rund ben, en toen ben ik me gaan afvragen: is er iets mis met me? Stink ik uit mijn mond? Maar toen wist ik het opeens. Het ligt namelijk niet aan mij.
    Het ligt aan jou. Er is met jou iets mis.’
    Daar had ze natuurlijk gelijk in, maar het deed toch zeer om het zo uit haar mond te horen. ‘Ik… Wat bedoel je?’
    Ze schudde haar hoofd. ‘Brigadier Doakes zou niets liever willen dan jou doodschieten en hij heeft geen idee waarom. Ik had beter naar hem moeten luisteren. Er is iets mis met jou. En op de een of andere manier heb jij iets te maken met die hoerenmoorden.’
    ‘Ik? Ermee te maken? Wat bedoel je?’
    Ze glimlachte weer. Deze keer zag ik een vals, laatdunkend trekje op haar gezicht en hoorde ik de eerste spoortjes van haar accent in haar stem. ‘Voer dat grappige toneelspel maar op voor je advocaat. Of misschien voor de rechter. Want ik denk dat ik je deze keer te pakken heb.’
    Ze bleef me lange tijd aankijken en haar donkere ogen fonkelden. Ze zag er net zo onmenselijk uit als ik en ik voelde een koude rilling langs mijn rug naar de haartjes in mijn nek lopen. Had ik haar dan zo onderschat?
    Was ze echt zo goed?
    ‘En daarom ben je me gevolgd?’
    Weer die tanden. ‘Ja, dat klopt,’ zei ze. ‘Waarom stond je door dat hek te turen? Wat is daarachter?’
    Ik weet zeker dat ik hier onder normale omstandigheden rekening mee gehouden zou hebben, maar ik beroep me op inmenging van derden. Tot op dat moment had ik er echt geen seconde aan gedacht. Maar nu ik dat wel deed, was het alsof er een klein, pijnlijk fel lichtje ging branden. ‘Waar heb je me opgepikt? Bij mijn huis? Hoe laat?’ ‘Waarom verander je steeds van onderwerp? Er is daar iets, he?’ ‘Inspecteur, alsjeblieft, dit kan heel belangrijk zijn. Waar en wanneer ben je begonnen me te volgen?’
    Ze bleef me nog enige tijd aankijken en ik begon te beseffen dat ik haar echt had onderschat. Deze vrouw kon veel meer dan alleen politieke spelletjes spelen. Ze had blijkbaar toch kwaliteiten. Ik was er nog steeds niet van overtuigd of intelligentie daar ook toe behoorde, maar geduld had ze in ieder geval wel en in haar werk was dat soms belangrijker dan slimheid. Ze was bereid geweest om af te wachten, me te observeren en me net zolang haar vragen te blijven stellen totdat ze een antwoord kreeg. En als het zover was, zou ze me dezelfde vraag waarschijnlijk nog een paar keer stellen en opnieuw afwachten en me observeren om te zien wat ik zou doen. Normaliter zou ik haar intellectueel gemakkelijk de baas kunnen, maar dezelfde hoeveelheid geduld opbrengen, nee, dat zou me vanavond onmogelijk lukken. Dus keek ik zo nederig mogelijk en herhaalde: ‘Inspecteur, alsjeblieft…’
    Ze stak haar tong weer uit en borg hem ten slotte weer op. ‘Goed dan,’ zei ze. ‘Toen je zus een paar uur weg was en we niets van haar hadden gehoord, begon ik te vermoeden dat ze misschien van plan was zelf iets te ondernemen. En omdat ik weet dat ze dat niet in haar eentje kan, was er maar een plek waar ze naartoe kon zijn gegaan.’ Ze keek me aan met een opgetrokken wenkbrauw en vervolgde op triomfantelijke toon:
    ‘Naar jouw huis natuurlijk! Om met jou te praten!’ Ze hield haar hoofd schuin en was duidelijk ingenomen met haar eigen deductievermogen.
    ‘En daar ben ik toen over gaan nadenken. Over hoe jij altijd op plaatsen delict komt opdraven om er rond te kijken, ook als dat helemaal niet nodig is. Over hoe jij soms ideeen hebt over wie de dader van een seriemoord is, behalve deze keer. En over hoe je me hebt besodemieterd met die stomme lijst van je, waardoor ik mezelf voor gek heb gezet…’ Haar gelaatstrekken verhardden en ze zag er weer ouder uit. Toen glimlachte ze en vervolgde ze haar verhaal. ‘Ik zei er iets over in mijn kantoor, hardop, en toen zei brigadier Doakes: “Ik heb je voor hem gewaarschuwd, maar jij luistert niet.” En opeens kom jij overal opdraven, op plekken waar je niet hoort te zijn.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Dus ben ik ook naar jouw huis gereden.’
    ‘Wanneer? Weet je nog hoe laat dat was?’
    ‘Nee,’ zei ze. ‘Maar toen ik een minuut of twintig had gewacht, kwam jij naar buiten om met je barbiepop te spelen en vervolgens hiernaartoe te rijden.’
    ‘Twintig minuten…’ Dus was ze niet op tijd geweest om te zien wie of wat Deborah had meegenomen. En het was heel goed mogelijk dat ze de waarheid sprak en me alleen was gevolgd om te zien… Om wat te zien?’
    ‘Maar waarom ben je me gevolgd?’
    Ze haalde haar schouders weer op. ‘Jij hebt iets met deze zaak te maken. Misschien ben je de dader niet. Dat weet ik niet. Maar daar kom ik nog wel achter. En een deel van wat ik zal vinden, zal aan jou blijven kleven. Wat is daar, achter dat hek? Wat zit er in die containers? Ga je me dat nog vertellen of blijven we hier de hele avond staan?’
    Op haar eigen manier had ze haar vinger precies op de wond gelegd.
    We konden hier niet de hele avond blijven staan. We konden hier zelfs niet heel even blijven staan, want er konden ieder moment de meest vreselijke dingen met Deborah gebeuren. Als die niet al waren gebeurd.
    We moesten iets doen, nu meteen, we moesten de dader vinden en hem tegenhouden. Maar hoe kon ik dat doen met LaGuerta in mijn kielzog?
    Ik voelde me als een komeet met een staart die ik niet wenste. Ik haalde een keer diep adem. Rita had me een keer meegenomen naar een new-ageworkshop over gezondheidsbewustwording, waar de nadruk was gelegd op het belang van diep, reinigend ademhalen. Ik ademde nog een keer in. Ik voelde me niet veel schoner nadat ik dat had gedaan, maar het zorgde er in ieder geval voor dat mijn hersens wat zuurstof kregen en ik tot het besef kwam dat ik iets moest doen wat ik zelden had gedaan: de waarheid vertellen. LaGuerta stond me nog steeds aan te staren en wachtte op antwoord.
    ‘Ik denk dat de moordenaar daar is,’ zei ik tegen LaGuerta. ‘En ik denk dat hij agent Morgan heeft.’
    Zonder zich te verroeren bleef ze me even aanstaren. ‘Goed,’ zei ze toen. ‘En dus kom je hiernaartoe en ga je door een hek staan gluren?
    Omdat je zo veel van je lieve zusje houdt dat je wilt meekijken?’ ‘Nee, omdat ik dat terrein op wil. Ik was op zoek naar een manier om door dat hek te komen.’
    ‘Omdat je bent vergeten dat je voor de politie werkt?’
    Daar had ze natuurlijk gelijk in. Ze was meteen doorgestoten naar het feitelijke probleem, en helemaal op eigen kracht. Ik wist echt niet wat ik daarop moest antwoorden. Dit hele gedoe van de waarheid spreken leek onmogelijk zonder allerlei onaangename bijverschijnselen. ‘Ik eh…
    ik wilde eerst zeker van mijn zaak zijn voordat ik een hoop heibel ging maken.’
    Ze knikte. ‘Zo zo,’ zei ze. ‘Nou, ik zal je vertellen wat ik denk. Of je hebt iets slechts gedaan of je weet er iets van. En je probeert dat geheim te houden of je probeert eigenhandig de moordenaar te pakken.’ ‘Ik? Maar waarom zou ik dat willen?’
    Ze schudde haar hoofd om aan te geven hoe stompzinnig mijn ontkenning was. ‘Omdat alle eer dan naar jullie gaat. Naar jou en naar die zus van je. Geloof je nu echt dat ik dat niet inzie? Ik heb je gezegd dat ik niet dom ben.’
    ‘Ik ben de dader niet, inspecteur,’ zei ik, me overleverend aan haar genade maar ervan overtuigd dat ze dat begrip niet kende. ‘Maar ik denk dat ze daar is, in een van die containers.’
    Ze liet haar tong langs haar lippen gaan. ‘Waarom denk je dat?’ Ik aarzelde en ze bleef me aanstaren met haar reptielenogen, zonder te knipperen. Hoe onbehaaglijk ik me daardoor ook voelde, toch moest ik haar nog een stukje waarheid vertellen. Ik knikte naar het Allonzo Brothers-busje aan de andere kant van het hek. ‘Dat is zijn busje.’ ‘Ha!’ zei ze en eindelijk knipperde ze met haar ogen. Even liet haar blik me los en schenen haar gedachten af te dwalen naar iets wat veel belangrijker was. Haar haar? Haar make-up? Haar carriere? Ik wist het echt niet. Maar er waren een hoop moeilijke vragen die een goede rechercheur me op dat moment had kunnen stellen. Hoe wist ik dat dit zijn busje was? Hoe had ik het hier gevonden? Waarom was ik er zo zeker van dat hij het niet hier had gedumpt en zelf ergens anders naartoe was gegaan? De slotconclusie wees uit dat LaGuerta geen goede rechercheur was, want ze knikte alleen, haalde haar tong langs haar lippen en zei: ’Hoe moeten we hem daar vinden, met al die containers?’
    Ik had haar duidelijk weer onderschat. Zonder merkbare hapering was ze van ‘jij’ over geschakeld naar ‘wij’. ‘Ga je niet om assistentie verzoeken?’
    vroeg ik. ‘We hebben het hier over een heel gevaarlijke man.’ Ik geef toe dat ik haar alleen aan het stangen was, maar ze vatte het serieus op. ‘Als ik deze vent niet eigenhandig pak, werk ik binnen twee weken bij de parkeerpolitie,’ zei ze. ‘Ik heb mijn dienstwapen. Ik ben niet van plan hem te laten ontsnappen. Ik verzoek om assistentie zodra ik hem heb.’ Ze staarde me weer aan zonder met haar ogen te knipperen. ‘En als hij daar niet is, dan pak ik jou op.’
    Het leek me een goed idee om daar niet verder op in te gaan. ‘Kun je ons door de poort naar binnen krijgen?’
    Ze lachte. ‘Natuurlijk kan ik dat. Ik heb mijn politiepenning. Die krijgt ons overal binnen. Maar wat doen we daarna?’
    Dit was het riskante deel. Als ze voet bij stuk hield, was ik aan de goden overgeleverd. ‘We gaan ieder een kant op en zoeken totdat we hem vinden.’
    Ze bleef me aankijken. Op haar gezicht zag ik weer dezelfde trek die ik had gezien toen ze uit haar auto was gestapt, de blik van een roofdier dat zijn prooi inschat, overweegt waar en wanneer het zal toeslaan en met welke klauwen het de aanval zal inzetten. Het was doodeng en ik moet bekennen dat ik enige sympathie voor de vrouw begon te voelen. ‘Oke,’ zei ze ten slotte en ze knikte naar haar auto. ‘Stap in.’
    Ik stapte in haar auto. Ze reed terug over de toegangsweg en bracht ons naar de poort. Zelfs op dit uur was het er redelijk druk. Zo te zien voornamelijk mensen uit Ohio die op zoek waren naar hun cruiseschip en waarvan een deel voor de poort stond, waar de bewakers hen een voor een terugstuurden. Inspecteur LaGuerta boorde zich in de rij, duwde auto’s de weg af en worstelde haar grote Chevy erlangs totdat ze vooraan stond. De rijeigenschappen van deze mensen waren geen partij voor deze Cubaanse vrouw uit Miami, die een goede ziektekostenverzekering had en een auto waar ze weinig om gaf. Er werd nijdig getoeterd en gescholden, maar even later stonden we bij het huisje van de bewaking.
    Een bewaker, een magere maar gespierde zwarte man, kwam naar buiten. ‘Mevrouw, u kunt hier niet…’
    Ze hield haar penning omhoog. ‘Politie. Doe die poort open.’ Ze zei het op zo’n bikkelharde, autoritaire toon, dat ik bijna zelf uit de auto was gesprongen om de poort open te doen.
    Maar de bewaker verstrakte, ademde diep in door zijn mond en keek onzeker achterom in het wachthuisje. ‘Wat wilt u hier…’
    ‘Doe verdomme die poort open, huurling,’ riep ze en ze zwaaide de penning heen en weer voor zijn gezicht totdat hij ten slotte in beweging kwam. ‘Mag ik die penning even zien?’ vroeg hij. LaGuerta hield hem omhoog maar op zo’n manier dat hij een stap naar voren moest doen om hem te kunnen zien. Hij keek ernaar en kon er niets verdachts aan ontdekken. ‘Oke,’ zei hij. ‘Kunt u me vertellen wat u daarbinnen wilt?’ ‘Ik kan je vertellen dat als je niet binnen twee seconden die poort opendoet, ik je in de kofferbak van mijn auto stop, je opsluit in een cel vol homoseksuele motorduivels en de sleutel weggooi.’
    De bewaker was verontwaardigd. ‘Ik wil alleen maar helpen,’ zei hij, maar toen draaide hij zich om en riep: ‘Tavio, doe de poort open!’ De poort ging open en LaGuerta reed er met slippende banden doorheen. ‘Die vuile schoft vreet hier iets uit wat we niet mogen zien,’ zei ze.
    Er klonk zowel vrolijkheid als een toenemende opwinding door in haar stem. ‘Maar op dit moment ben ik niet geinteresseerd in smokkelwaar.’
    Ze keek me aan. ‘Waar gaan we naartoe?’
    ‘Dat weet ik niet,’ zei ik. ‘Ik denk dat we het best kunnen beginnen bij de plek waar hij het busje heeft neergezet.’
    Ze knikte, gaf gas en schoot tussen twee rijen containers door. ‘Als hij iemand moet dragen, parkeert hij het busje waarschijnlijk zo dicht mogelijk bij de plek waar hij naartoe wil.’ Toen we het hek zagen, minderde ze vaart en op ongeveer vijftien meter afstand van het busje stopte ze. Ze ramde de versnellingspook in de parkeerstand en was al uitgestapt voordat de auto goed en wel stilstond. ‘Laten we eerst maar eens naar dat hek gaan kijken,’ zei ze.
    Ik liep haar achterna. LaGuerta trapte in iets wat ze niet leuk vond en tilde haar voet op om onder haar schoen te kijken. ‘Verdomme,’ zei ze. Ik liep langs haar heen naar het busje en voelde mijn hart razendsnel bonken in mijn ribbenkast. Ik liep om het busje heen en ging na of de portieren open waren, maar die waren allemaal op slot. En hoewel er in de achterdeuren twee raampjes zaten, waren die aan de binnenkant dicht geschilderd. Ik ging op de bumper staan en probeerde er toch doorheen te kijken, maar het verfwerk was grondig gedaan en ik zag niets. Er was hier verder niets te zien, maar desondanks hurkte ik neer en keek ik of ik iets op de grond zag liggen. Ik voelde eerder dan ik hoorde dat LaGuerta achter me kwam staan.
    ‘Wat zie je?’ vroeg ze, en ik kwam overeind.
    ‘Niks,’ zei ik. ‘De achterramen zijn dicht geschilderd aan de binnen kant.’
    ‘Kun je aan de voorkant naar binnen kijken?’
    Ik liep naar de andere kant van het busje, want ik wist ook niets beters te bedenken. Aan de binnenkant van de voorruit hingen twee zonneschermen van het soort dat in Florida heel populair was, omlaag getrokken tot op het dashboard zodat ik niet in de cabine kon kijken. Ik ging op de voorbumper staan, klom op de stompe motorkap en kroop van links naar rechts, maar er waren nergens openingen om door naar binnen te kijken. ‘Ook niks,’ zei ik en ik sprong weer op de grond. ‘Oke,’ zei LaGuerta terwijl ze me met toegeknepen ogen aankeek en met het puntje van haar tong over haar onderlip ging. ‘Welke kant neem jij?’ Deze kant, fluisterde iemand in mijn achterhoofd. Neem deze kant.
    Ik keek naar rechts, waar mijn mentale vingers grinnikend naartoe hadden gewezen, en keek LaGuerta weer aan, die me opnieuw met haar hongerige roofdierenblik stond aan te staren. ‘Ik neem de linkerkant voor mijn rekening,’ zei ik. ‘We ontmoeten elkaar halverwege.’
    ‘Oke,’ zei LaGuerta met een valse glimlach, ‘maar ik neem de linkerkant.’
    Ik probeerde er verbaasd en teleurgesteld uit te zien en slaagde daar blijkbaar redelijk in, want ze keek me nog even aan en knikte toen. ‘Oke,’
    zei ze nog een keer en ze draaide zich om en liep naar de eerste rij containers.
    En toen was ik alleen met mijn verlegen, inwendige vriend. Maar wat nu? Nu ik LaGuerta zover had gekregen dat ik de rechterkant kon doen, hoe ging ik dat aanpakken? Ik had zelf ten slotte geen reden om te denken dat de rechterkant beter was dan de linker, of beter dan bij het hek te blijven staan en met een paar kokosnoten te jongleren. Ik had alleen mijn interne assistent om me de juiste kant op te sturen, maar was dat voldoende? Wanneer je een ijspilaar van pure redelijkheid bent, zoals ik altijd was geweest, zoek je natuurlijk eerst naar logische aanwijzingen voordat je tot actie overgaat. En het is net zo natuurlijk dat je geen aandacht schenkt aan het subjectieve, irrationele geneuzel en het schetterende hallelujakoor op de bodem van je brein, hoe hard en opgewonden beide ook tekeergaan onder het trillende licht van de maan. Dus restte er de nuchtere vraag welke kant ik op moest lopen. Ik keek om me heen, naar de lange, onregelmatige rij containers. Aan de linkerkant, waar LaGuerta op haar naaldhakken naartoe was gelopen, stonden vooral vrachtwagencontainers, allemaal in vrolijke kleuren geschilderd.
    En rechts, aan mijn kant, stonden de scheepscontainers.
    Opeens voelde ik me onzeker. Dat was een onaangenaam gevoel. Ik deed mijn ogen dicht. Zodra ik dat deed, zwol het gefluister aan tot een storm van geluid en zonder te weten waarom liep ik af op een stel scheepscontainers aan de waterkant. Ik had geen idee waarom deze specifieke containers anders of beter waren dan de andere of waarom ik zelfs maar deze kant op liep. Maar mijn voeten liepen er gewoon naartoe en ik moest wel mee. Het was alsof ze een pad volgden dat alleen mijn tenen konden zien, of dat ze een geheim patroon hadden ontdekt in het fluisterende gezang in mijn hoofd, dat naar bewegingen hadden vertaald en mij met zich mee voerden.
    En terwijl ze zich vooruit bewogen, nam het geluid in mijn hoofd toe tot een hilarisch gebrul dat me sneller naar voren trok dan mijn voeten konden bijbenen, zodat ik half struikelend tussen de containers door liep. En toch hoorde ik op hetzelfde moment ook een ander stemmetje, zacht en vol redelijkheid, dat me vertelde dat ik terug moest gaan, dat dit wel de laatste plek was waar ik wilde zijn, dat erop hamerde dat ik het op een lopen moest zetten en naar huis moest gaan, weg van deze plek, en dat net zo onlogisch klonk als al die andere stemmen. Ik werd op hetzelfde moment vooruit getrokken en achteruit geduwd en dat met zo’n kracht, dat ik mijn benen niet meer in de hand had, struikelde en languit in het grind viel. Met droge mond en een bonkend hart ging ik op mijn knieen zitten en keek naar het gat in mijn mooie Dracon-bowlinghemd.
    Ik stak mijn vinger door het gat en bewoog hem. Hallo, Dexter, waar ga je naartoe? Hallo, meneer Wijsvinger. Ik weet het niet, maar ik ben er bijna. Ik kan mijn vrienden al horen roepen.
    En dus krabbelde ik overeind op mijn onvaste benen en luisterde aandachtig. Ik kon het nu duidelijk horen, zelfs met mijn ogen open, en het was zo krachtig dat ik mijn benen niet meer kon bewegen. Ik bleef even tegen een van de containers geleund staan. Het was een heel ontnuchterend idee, alsof ik daar behoefte aan had. Er was iets geboren in dit lijf, iets wat geen naam had, een ding dat leefde in de donkere hoekjes van het ding dat Dexter heette, en voor het eerst in mijn leven was ik bang. Ik wilde hier niet zijn als hier allerlei enge dingen op de loer lagen. Maar dat moest wel, want ik moest Deborah vinden. Ik was geestelijk in tweeen gescheurd door een onzichtbare belager. Ik voelde me als het verwarde kind op zo’n ouderwetse Sigmund Freud-poster en wilde naar huis, naar bed!
    Maar de maan stond grommend aan de inktzwarte hemel, een zacht gehuil steeg op van het water in Government Cut en een zacht avondbriesje streelde me als een zwerm eles die me dwongen mijn ene voet voor de andere te zetten. En het gezang binnen in me zwol aan als dat van een reusachtig mechanisch koor, dwong me vooruit te lopen, wees me erop hoe ik mijn voeten moest bewegen en stuurde me met stramme knieen langs de rij containers. Mijn hart bonsde en kreunde, mijn gejaagde ademhaling klonk veel te hard en voor het eerst in mijn leven voelde ik me zwak, stuurloos en dom, als een mens, een heel klein, hulpeloos mens.
    Struikelend en op voeten die niet van mij waren, volgde ik een weg die me vreemd genoeg bekend voorkwam, totdat ik echt niet meer kon en mijn arm moest uitsteken om tegen een container te leunen. Het was er een met een koelaggregaat waarvan het zachte geronk zich vermengde met het gekrijs van de nacht en het gebons in mijn hoofd, dat nu zo hard was, dat ik bijna niets meer kon zien. En toen ik tegen de container aan leunde, zwaaide de deur open.
    Het interieur werd verlicht door een paar stormlampen op batterijen.
    Tegen de achterwand stond een geimproviseerde operatietafel, gemaakt van houten kratten.
    En op die tafel, vastgebonden en onbeweeglijk, lag mijn lieve zusje Deborah.

26

    Een paar seconden lang scheen het niet nodig te zijn om adem te halen. Ik keek alleen maar. Deborahs armen en benen waren vastgeplakt met lange stroken breed grijs plakband. Ze had glimmend gouden hotpants aan en een vliesdunne zijden blouse die boven haar middenrif was dichtgeknoopt. Haar haar was in een paardenstaart gebonden, haar ogen waren groter dan ooit en ze haalde gejaagd adem door haar neus aangezien ook haar mond was dichtgeplakt met een strook plakband die doorliep tot op de tafel om haar hoofd stil te houden.
    Ik probeerde iets te bedenken wat ik kon zeggen maar merkte dat mijn mond kurkdroog was, dus keek ik alleen maar. Deborah keek terug. Er waren diverse emoties in haar ogen te zien maar het sterkst vertegenwoordigd was angst, en dat zorgde ervoor dat ik roerloos in de deuropening bleef staan. Ik had die blik in haar ogen nooit eerder gezien en wist niet wat ik ervan moest denken. Ik deed een stapje haar kant op en Deborah rukte aan het plakband. Was ze bang? Natuurlijk was ze bang… Maar bang van mij? Ik was hier om haar te redden, tenminste, dat was de bedoeling. Waarom zou ze bang zijn van mij? Tenzij…
    Had ik dit gedaan?
    Tijdens mijn ‘dutje’ van deze avond? Was het mogelijk dat Deborah naar mijn huis was gekomen, zoals we hadden afgesproken, en daar was ontvangen door de Zwarte Ruiter in plaats van door mij? Had ik haar hiernaartoe gebracht en op die kisten vastgeplakt zonder het me bewust te zijn? Dat sloeg toch nergens op? Want was ik daarna dan weer snel naar huis gereden, had ik een barbiepop in mijn eigen auto neergelegd, was ik de trap op gerend, had ik me op mijn bed laten vallen en was ik vervolgens wakker geworden als mij? Dat kon toch niet? Maar… Hoe kon ik dan weten dat ik naar deze plek moest komen?
    Ik schudde mijn hoofd. Het was absoluut onmogelijk dat ik van alle plekken in Miami juist voor deze container had gekozen, tenzij ik al wist dat ze hier zou zijn. En ik had dat geweten. En dat kon maar een ding betekenen: dat ik hier eerder was geweest. En als dat niet vanavond en met Deb was geweest, wanneer en met wie dan wel?
    ‘Ik wist bijna zeker dat dit de goede plek zou zijn,’ zei een stem, een stem die zo veel op de mijne leek, dat ik heel even dacht dat ik het zelf had gezegd en me afvroeg wat ik daarmee bedoelde.
    De haartjes in mijn nek gingen rechtop staan, ik deed nog een stapje in de richting van Deborah en dat was het moment waarop hij uit het duister tevoorschijn kwam. Hij kwam het zachte licht van de stormlantaarns in en we keken elkaar aan. Even begon de ruimte in het rond te draaien en wist ik niet meer waar ik was. Mijn blik schoot heen en weer van mezelf bij de deur en hem bij de zelfgemaakte werktafel, en ik zag dat ik hem zag, en daarna zag ik dat hij mij zag. En toen, in een flits, zag ik mezelf op de grond zitten, onbeweeglijk, maar ik had geen idee wat dat visioen te betekenen had. Het was wel verontrustend. Maar ten slotte zag ik mezelf weer, hoewel ik niet goed meer wist wat dat betekende.
    ‘Bijna zeker,’ zei hij nog eens, met de zachte, prettige stem van de vriendelijke oom die een verdrietig kind geruststelt. ‘Maar je bent er nu, dus moet het de juiste plek wel zijn. Denk je ook niet?’
    Ik zeg het niet graag, maar de waarheid is dat ik hem met open mond stond aan te gapen. Ik ben er ook zeker van dat ik bijna kwijlde. Ik kon hem alleen maar aanstaren. Hij was het. Daar bestond geen enkele twijfel over. Dit was de man van de foto’s van de webcam, de man van wie zowel Deb als ik dacht dat ik het kon zijn.
    Van dichterbij kon ik zien dat hij mij niet was, niet echt, en dat besef bezorgde me een warm gevoel van dankbaarheid. Hoera, ik was iemand anders. Ik was dus niet hartstikke gek. Zwaar asociaal en af en toe moordlustig natuurlijk wel, maar daar was niets mis mee. Gek was ik in ieder geval niet. Er was iemand anders en hij was mij niet. Drie hoeratjes voor Dexters logica.
    Maar hij leek wel veel op mij. Hij was misschien een paar centimeter groter en wat breder in de schouders en borstkas alsof hij veel met gewichten had getraind. Dat, in combinatie met zijn bleke gezicht, bracht me op het idee dat hij misschien tot voor kort in de gevangenis had gezeten. Maar ondanks die bleke gelaatstint leek zijn gezicht heel erg op het mijne. Dezelfde neus en jukbeenderen, dezelfde ogen met die blik die zei dat er wel licht brandde maar niemand thuis was. Zelfs in zijn haar zat dezelfde slag als in het mijne. Hij leek niet sprekend op me, maar er waren wel veel overeenkomsten.
    ‘Ja,’ zei hij. ‘Het is wel even schrikken, he?’
    ‘Een beetje maar,’ zei ik. ‘Wie ben je? En waarom is dit allemaal zo…’ Ik maakte de zin niet af, want ik wist niet wat ‘dit allemaal’ inhield.
    Hij trok een gezicht, een heel teleurgesteld Dexter-gezicht. ‘O jeetje, en ik dacht dat je het allemaal al lang had uitgedokterd.’
    Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet niet eens hoe ik hier ben gekomen,’ zei ik.
    Hij glimlachte. ‘Misschien zat er vanavond iemand anders achter het stuur?’ En terwijl de haartjes in mijn nek weer overeind kwamen, grinnikte hij zacht, heel even maar, nauwelijks noemenswaardig behalve dat het exact overeenkwam met het reptielengegrinnik dat uit de bodem van mijn geest opklonk. ‘En het is niet eens volle maan.’
    ‘Maar geen lege maan ook,’ zei ik. Een compleet mislukte poging tot een snedig antwoord, wat tekenend was voor de situatie. Want ik was halfdronken van het besef dat hier eindelijk iemand was die het wist. Hij maakte niet zomaar een opmerking die me toevallig in de kern van mijn ziel raakte. Het was zijn ziel namelijk ook. Hij wist het. Voor het eerst in mijn leven kon ik dwars door het huizenhoge obstakel tussen mijn ogen en die van iemand anders kijken en met een gerust hart zeggen: hij is net zoals ik.
    Wat ik ook was, hij was er ook een.
    ‘Maar nu even serieus,’ zei ik. ‘Wie ben je?’
    Zijn gezicht plooide zich in een tevreden kattenglimlach, maar omdat die zozeer op de mijne leek, wist ik dat er geen echte vrolijkheid achter zat. ‘Wat herinner je je van vroeger?’ vroeg hij. En die vraag kaatste terug van de stalen wanden van de container en boorde zich in mijn hersenen.

27

    Wat herinner je je van vroeger, had Harry me gevraagd. Niks, pa.
    Behalve…
    Uit mijn onderbewustzijn borrelden beelden op. Visioenen? Dromen? Herinneringen? Wat ze ook waren, ze waren heel duidelijk. En ze gingen over hier… deze plek? Nee, dat kon toch niet? Deze container kon hier nog niet zo lang staan en ik wist zeker dat ik er nooit in was geweest. Maar de beperkte ruimte, de koele lucht die uit het ronkende aggregaat werd geblazen, het flauwe licht… Alles deed me denken aan vroeger en aan thuis. Natuurlijk was het niet deze container geweest… Maar de beelden waren zo helder, zo hetzelfde, zo onmiskenbaar bijna goed, behalve…
    Ik knipperde met mijn ogen, zag de flitsen van een beeld en deed mijn ogen dicht.
    Wat ik zag was de binnenkant van een andere container. Er stonden geen kratten in deze container. Maar er waren… dingen. Daar, bij… bij mama? Ik zag haar gezicht, maar ze had zich op de een of andere manier verstopt en gluurde over de… de dingen? Ik zag alleen haar gezicht, haar strakke, onbeweeglijke gezicht met de ogen die niet knipperden. En eerst wilde ik lachen omdat mama zich zo goed had verstopt. De rest van haar kon ik niet zien, alleen haar gezicht. Er zat zeker een gat in de bodem. Ze had zich daaronder verstopt en haar hoofd door het gat gestoken… maar waarom reageerde ze niet nu ik haar zag? Waarom knipoogde ze niet eens naar me? En waarom gaf ze geen antwoord, zelfs niet toen ik haar heel hard riep? Ze verroerde zich niet, keek me alleen maar aan. En zonder mijn mama was ik alleen.
    Maar nee… ik was niet helemaal alleen. Ik draaide mijn hoofd om en de herinnering draaide mee. Ik was niet alleen. Er was iemand bij me. Wat eerst heel verwarrend was, want ik was het zelf. Het was iemand anders, maar hij leek erg veel op mij… We leken allebei op mij… Maar wat deden we hier in deze container? En waarom bewoog mama zich niet? Zij kon ons helpen. We zaten in een grote plas… een plas… Als mama zich kon bewegen kon ze ons eruit halen, uit deze plas… ‘Bloed…?’ fluisterde ik.
    ‘Je weet het nog,’ zei hij achter me. ‘Daar ben ik zo blij om.’ Ik deed mijn ogen open. Mijn hoofd bonsde. Ik kon de omtrek van de andere container bijna in deze zien. En in die andere zat de kleine Dexter. Ik kon mijn voet op de plek zetten waar hij zat. En de andere ik zat naast me, maar hij was mij natuurlijk niet. Hij was iemand anders, iemand die ik net zo goed kende als mezelf en die ook een naam had… ‘Biney?’ zei ik aarzelend. De klank was goed, maar de naam leek niet helemaal te kloppen.
    Hij glimlachte breed en knikte. ‘Zo noemde jij me. Je kon toen nog geen Brian zeggen. Dus noemde je me Biney.’ Hij klopte zachtjes op mijn hand. ‘Dat was oke. Ik vond het wel leuk om een koosnaam te hebben.’ Hij zweeg, glimlachte, maar bleef me recht aankijken. ‘Mijn kleine broertje.’
    Ik ging op de grond zitten. Hij kwam naast me zitten.
    ‘Wat…?’ was het enige wat ik kon uitbrengen.
    ‘Broertje,’ herhaalde hij. ‘We waren een zogenaamde Ierse tweeling, want je werd amper een jaar na mij geboren. Onze moeder was wat slordig geweest.’ Zijn hele gezicht plooide zich in een uitgelaten, dolgelukkige glimlach. ‘Op meer dan een manier,’ zei hij.
    Ik probeerde te slikken maar dat lukte niet. Hij, Brian, mijn broer, vervolgde zijn verhaal.
    ‘Ik heb op een paar punten moeten gokken,’ zei hij. ‘Maar ik had tijd genoeg en toen men me aanmoedigde om een nuttig beroep te leren, heb ik dat gedaan. Ik ben heel goed geworden in het opzoeken van dingen met de computer. Ik heb de oude politiedossiers gevonden. Onze lieve mama ging met een stel heel akelige mensen om. Ze zat in de importhandel, net als ik. Maar hun product lag wat gevoeliger dan het mijne.’ Hij reikte achter zich in een kartonnen doos en haalde er een handvol petten uit. Op de voorkant zat de afbeelding van een springende panter. ‘Mijn spullen worden in Taiwan gemaakt, maar de hare kwamen uit Colombia. Ik denk dat mama en haar vrienden hebben geprobeerd een onafhankelijk handeltje op te zetten in producten die strikt gesproken niet van haar waren en dat haar zakelijke partners niet al te gelukkig waren met haar verlangen naar onafhankelijkheid, en dat ze toen hebben besloten haar een beetje te ontmoedigen.’
    Hij stopte de petten weer terug in de doos en ik voelde dat hij me aankeek, maar ik was zelfs niet in staat mijn hoofd om te draaien. Na een tijdje voelde ik zijn blik niet meer.
    ‘Ze hebben ons hier gevonden,’ zei hij. ‘Hier in deze container.’ Zijn hand ging naar de vloer en bleef rusten op de exacte plek waar die andere kleine ik die ik niet was zo lang geleden in die andere container had gezeten. ‘Tweeenhalve dag later. Vastgeplakt aan de vloer in een plas opgedroogd bloed.’ Zijn stem klonk opeens schril en afstotelijk, toen hij dat gruwelijke woord ‘bloed’ uitsprak, op precies dezelfde manier als ik het uitgesproken zou hebben, vol afkeer en verachting. ‘Volgens de politierapporten waren er hier ook diverse mannen geweest. Drie of vier, vermoedelijk. Het is heel goed mogelijk dat een of meer van hen onze vader was. Natuurlijk had de kettingzaag de identificatie flink bemoeilijkt. Maar ze waren er redelijk zeker van dat het om slechts een vrouw ging. Ons lieve moedertje. Jij was toen drie. Ik was vier.’
    ‘Maar…’ zei ik. Verder kwam er niets uit.
    ‘Helemaal waar,’ zei Brian. ‘En jij was ook heel moeilijk te vinden. Ze doen in deze staat zo moeilijk over adoptiegegevens. Maar ik heb je gevonden, broertje. Ik heb je toch gevonden, waar of niet?’ Hij klopte weer op mijn hand, een vreemd gebaar, dat ik in heel mijn leven nog niet had gezien. Aan de andere kant had ik ook nog nooit een echte broer van vlees en bloed gehad. Misschien was handje kloppen iets wat ik met mijn broer moest oefenen, of met Deborah, en op dat moment besefte ik dat ik Deborah helemaal was vergeten.
    Ik keek naar de tafel, een paar meter verderop, waarop ze lag vastgeplakt.
    ‘Ze ligt daar goed,’ zei mijn broer. ‘Ik wilde niet zonder jou beginnen.’ Als eerste samenhangende vraag zal hij u misschien heel vreemd in de oren klinken, maar ik vroeg: ‘Hoe wist je dat ik dat zou willen?’ Wat misschien klonk alsof dat echt zo was, terwijl ik er natuurlijk niet over peinsde om Deborah open te snijden. Absoluut niet. Aan de andere kant was hier mijn grote broer en hij wilde spelen, wat natuurlijk een zeldzame mogelijkheid was. Belangrijker dan onze familieband, veel belangrijker, was het feit dat hij net zo was als ik. ‘Dat kon je onmogelijk weten,’ zei ik, op veel onzekerder toon dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. ‘Ik wist het ook niet,’ zei hij. ‘Maar ik dacht dat er een goede kans was dat het wel zo zou zijn. We hebben allebei immers hetzelfde meegemaakt?’ Zijn glimlach werd breder en hij stak zijn wijsvinger op. ‘De “traumatische gebeurtenis”, ken je die term? Heb je boeken gelezen over monsters als wij?’
    ‘Ja,’ zei ik. ‘En Harry, mijn adoptiefvader, wist het ook, maar hij heeft me nooit willen vertellen wat er precies gebeurd is.’
    Brian gebaarde naar de kartonnen doos. ‘Ik heb je net verteld wat er gebeurd is, broertje. De kettingzaag, de lichaamsdelen die in het rond vlogen, het… het bloed…’ Hij sprak het laatste woord weer op die angstaanjagende manier uit. ‘Tweeenhalve dag hebben we in de smurrie gezeten. Nog een wonder dat we het overleefd hebben, denk je ook niet? Je zou er bijna door in God gaan geloven.’ Zijn ogen fonkelden en Deb koos dat moment om zich te bewegen en een gedempt gekreun te laten horen. Hij schonk er geen aandacht aan. ‘Ze dachten dat we jong genoeg waren om er ongeschonden uit te komen. Ik zat net iets over de grens. Maar we hebben allebei de klassieke traumatische gebeurtenis meegemaakt. De medische wetenschap is het daarover eens. Het heeft mij gemaakt tot wat ik ben… en ik dacht dat hetzelfde misschien voor jou zou opgaan.’
    ‘Dat is ook zo,’ zei ik. ‘Op exact dezelfde manier.’
    ‘Wat een geluk,’ zei hij. ‘Dan is er dus toch een familieband.’ Ik keek hem aan. Mijn broer. Dat nieuwe, totaal onbekende woord. Als ik het hardop had uitgesproken, zou ik zeker gestotterd hebben. Ik kon het onmogelijk geloven maar het was net zo absurd om het te ontkennen. Hij leek op me. We hielden van dezelfde dingen. Hij had zelfs mijn verwrongen gevoel voor humor.
    ‘Ik dacht alleen…’ Ik schudde mijn hoofd.
    ‘Ja,’ zei hij. ‘Het kost een minuutje om te wennen aan het idee dat we nu met zijn tweeen zijn, is het niet?’
    ‘Misschien iets langer,’ zei ik. ‘Ik weet niet of ik…’
    ‘O jeetje, raken we aan het twijfelen? Na wat er is gebeurd? Tweeenhalve dag hebben we daar gezeten, mannetje. Twee kleine jongetjes die tweeenhalve dag in het bloed moesten zitten.’ Ik voelde me misselijk en duizelig worden, mijn hart bonkte in mijn borstkas en mijn hoofd gonsde.
    ‘Nee,’ zei ik kokhalzend en ik voelde zijn hand op mijn schouder. ‘Het maakt niet uit,’ zei hij. ‘Wat uitmaakt is wat we nu gaan doen.’ ‘Gaan doen…?’ zei ik.
    ‘Ja, wat we nu gaan doen.’ Hij maakte een vreemd snuivend en gorgelend geluid dat vermoedelijk als gelach was bedoeld, maar misschien had hij de imitatie nog niet zo goed onder de knie als ik. ‘Ik geloof dat ik nu eigenlijk iets zou moeten zeggen als: “Hier heb ik mijn hele leven naartoe geleefd!” ’ Hij herhaalde het snuivende geluid. ‘Maar natuurlijk kunnen we daar geen van beiden het juiste gevoel bij passen. We kunnen immers niks voelen? We hebben allebei ons hele leven een rol gespeeld. We hebben langs de spelregels van het leven genavigeerd en gedaan alsof we thuishoorden in een wereld die voor mensen was bedoeld, maar zelf zijn we nooit echt mensen geweest. En altijd en eeuwig hebben we gezocht naar een manier om werkelijk iets te voelen! En gewacht, broertje, op een moment als dit! Op echt, onvervalst gevoel. Daar worden we even stil van, he?’
    Dat werd ik inderdaad. Mijn hoofd tolde en ik durfde mijn ogen niet meer dicht te doen uit angst voor wat er in het duister misschien op me zou wachten. En erger nog, mijn broer zat vlak naast me, observeerde me en verlangde van me dat ik mezelf was, dat ik net zo was als hij. En om mezelf te zijn, om zijn broer te zijn en te zijn wie ik was, moest ik… moest ik… tja, wat? Als vanzelf draaiden mijn ogen Deborahs kant op. ‘Ja,’ zei hij en ik hoorde nu de kille, gelukzalige woede van de Zwarte Ruiter in zijn stem. ‘Ik wist dat je het zou bedenken,’ zei hij. ‘Maar deze keer doen we het samen.’
    Ik schudde mijn hoofd, maar erg overtuigend zag het er niet uit. ‘Ik kan het niet,’ zei ik.
    ‘Je zult wel moeten,’ zei hij, en we hadden allebei gelijk. Ik voelde weer die vederlichte hand op mijn schouder, bijna tegelijk met het zwijgende protest van Harry, die dit nooit zou begrijpen, een gevoel dat net zo sterk was als dat van mijn broers hand, die me nu overeind trok en in de richting van de tafel duwde. Een stap, twee stappen… en Deborahs wijdopen ogen boorden zich in de mijne, maar met die andere aanwezigheid vlak achter me kon ik niet tegen haar zeggen dat ik absoluut niet van plan was om…
    ‘Samen,’ zei hij. ‘Nog een keer. Weg met het oude, klaar voor het nieuwe. Vooruit met de geit!’ Nog een half pasje. Deborahs ogen schreeuwden het uit maar…
    Hij kwam naast me staan en hield zijn hand op. Er lagen twee glanzende voorwerpen in. ‘Een voor allen, allen voor een! Heb je De drie musketiers gelezen?’ Hij gooide een van de messen in de lucht, liet het een salto draaien, ving het op in zijn linkerhand en stak het me toe. Het flauwe licht weerkaatste op het lemmet en brandde op mijn netvlies, net als de fonkeling in Brians ogen. ‘Kom, Dexter, broertje van me. Pak aan.’ Ook zijn tanden fonkelden. ‘Het is zover.’
    Deborah, in haar strakke, grijsplastic boeien, loeide een gedempt protest. Ik keek haar aan. Wat ik in haar ogen zag, was ergernis, ongeduld en ook een toenemende boosheid. Kom op, Dexter! Overwoog ik echt haar open te snijden? Maak haar onmiddellijk los en breng haar thuis. Heb je het gehoord, Dexter? Dexter? Hallo, Dexter? Ben jij het of niet?
    En dat wist ik dus niet.
    ‘Dexter,’ zei Brian, ‘ik wil je beslissing natuurlijk niet beinvloeden, maar zodra ik hoorde dat ik een broertje had dat net zo was als ik, was dit het enige waaraan ik nog kon denken. En jij voelt precies hetzelfde. Dat kan ik op je gezicht zien.’
    ‘Ja,’ zei ik, zonder mijn blik los te maken van Deborahs bezorgde gezicht, ‘maar moet zij het per se zijn?’
    ‘Waarom niet? Wat maakt haar voor jou zo speciaal?’
    Goeie vraag. Ik keek haar nog steeds aan. Ze was niet mijn zus, niet echt, en ook geen echte familie van me, helemaal niks eigenlijk. Ik was natuurlijk dol op haar, maar…
    Maar wat? Waarom aarzelde ik? Natuurlijk kon ik het niet doen. Dat was ondenkbaar. Zelfs eraan denken was ondenkbaar. Niet alleen omdat het Deb was, maar tegelijkertijd ook weer wel. Op dat moment drong een heel vreemde gedachte mijn arme, afgestompte hersens binnen, een gedachte die ik er niet meer uit kon krijgen. Wat zou Harry hiervan zeggen?
    En dus bleef ik aarzelend staan, want hoe graag ik ook zou willen beginnen, ik wist wat Harry ervan zou zeggen. Hij had het al een keer gezegd. Het was een onwrikbare Harry-waarheid: hak alleen de slechteriken in mootjes, Dexter, niet je zus. Maar Harry had een situatie als deze nooit kunnen voorzien. Dat kon gewoon niet. Toen Harry zijn ‘wetten’ schreef, had hij nooit kunnen vermoeden dat ik ooit voor een keuze als deze zou worden gesteld, om de kant te kiezen van Deborah — niet mijn echte zus — of om mee te doen met mijn honderd procent echte broer in een spel dat ik dolgraag wilde meespelen. En toen Harry me mijn weg in het leven wees, had hij dit nooit kunnen voorzien. Harry had nooit geweten dat ik een broer had die…
    Maar wacht eens even. Een ogenblikje, alstublieft. Harry had het wel geweten, want hij was erbij geweest toen het gebeurd was, nietwaar? En hij had het voor zichzelf gehouden, had me nooit verteld dat ik een broer had. Al die lange eenzame jaren waarin ik had gedacht dat ik de enige ik was, terwijl hij wist dat dat niet zo was maar er nooit iets over had gezegd. Zo’n enorm belangrijk feit voor mij — dat ik niet alleen was — en hij had het voor me verzwegen. Dus wat was ik Harry nu echt schuldig, na dit onthutsende verraad?
    En wat op dit moment meer terzake deed, wat was ik deze kermende klomp vlees schuldig, die hier worstelend onder mijn ogen lag, dit wezen dat zich voor mijn zus had uitgegeven? Wat kon ik haar in hemelsnaam meer schuldig zijn dan Brian, mijn bloedeigen broer, mijn eigen vlees en bloed, een levende replica van mijn allereigenste dna?
    Er rolde een zweetdruppel over Deborahs voorhoofd, die in haar ene oog terechtkwam. Ze knipperde verwoed met haar oog en trok allerlei rare gezichten om zowel mij te blijven aankijken als om het brandende vocht uit haar oog te krijgen. Ze maakte echt een deerniswekkende indruk zoals ze daar lag, vastgeplakt, hulpeloos en worstelend als een dom beest, een dom, menselijk beest. Ze was zo anders dan ik, en dan mijn broer, de slimme, nette, bloedeloze en vlijmscherpe Dexter en zijn bloedeigen broer.
    ‘Nou?’ vroeg hij en ik hoorde ongeduld en de eerste aanzet van teleurstelling in zijn stem.
    Ik deed mijn ogen dicht. De ruimte rondom me werd donkerder en ik kon me niet bewegen. Daar was mama weer. Ze keek naar me met haar starre ogen en ik deed mijn ogen weer open. Mijn broer stond zo dicht achter me, dat ik zijn adem in mijn nek voelde. Mijn zus lag me aan te kijken met grote ogen die net zo star waren als die van mama. En de blik in haar ogen hypnotiseerde me, net als die van mama dat had gedaan. Ik deed mijn ogen dicht. Mama. Ik deed ze weer open. Deborah.
    Ik pakte het mes aan.
    Er klonk een zacht gestommel en een vlaag warme lucht kwam de koele container in. Geschrokken draaide ik me om.
    LaGuerta stond in de deuropening met een gemeen uitziend automatisch pistooltje in haar hand.
    ‘Ik wist dat je iets als dit zou proberen,’ zei ze. ‘Ik zou jullie allebei moeten doodschieten. Of alle drie,’ vervolgde ze met een blik op Deborah, en daarna keek ze weer naar mij. ‘Ha!’ zei ze toen ze het mes in mijn hand zag. ‘Brigadier Doakes zou dit moeten zien. Hij had toch gelijk wat jou betreft.’ En haar pistool zwaaide even mijn kant op.
    Het was lang genoeg. Brian bewoog zich heel snel, sneller dan ik voor mogelijk had gehouden. Toch lukte het LaGuerta een schot te lossen en ik zag Brian wankelen toen hij het mes in LaGuerta’s middenrif stak. Zo bleven ze even staan, tegen elkaar aan, maar kort daarna vielen ze op de grond en bewogen ze zich niet meer.
    Een kleine plas bloed kroop over de stalen vloer van de container, vermengd bloed, van hen allebei, Brian en LaGuerta. Het was niet echt veel bloed en de plas werd niet groter, maar toch deinsde ik achteruit voor dat smerige spul en voelde ik iets wat verdacht veel op paniek leek. Ik deed twee stappen achteruit en botste tegen iets aan wat gedempte geluiden maakte die ook aan paniek deden denken.
    Deborah. Ik trok de strook plakband van haar mond.
    ‘Jezus christus, dat doet zeer,’ zei ze. ‘Nou, hou in godsnaam op met dat idiote gedoe en maak me los van die klotetafel.’
    Ik keek haar aan. Ze had een ring van bloed rondom haar lippen, walgelijk rood bloed dat me weer in mezelf keerde en me terugbracht naar die andere container met mijn moeder. En ze lag daar… net als mijn moeder. En net als de vorige keer blies de koele lucht in de container de haartjes in mijn nek overeind en dansten de donkere schaduwen om ons heen. Ze lag daar precies zoals de vorige keer, vastgeplakt en omhoog starend en wachtend als een…
    ‘Godverdomme,’ zei ze. ‘Schiet op, Dexter. Wakker worden!’ Maar deze keer had ik een mes, lag zij daar compleet hulpeloos en kreeg ik de kans om alles te veranderen. Ik kon…
    ‘Dexter?’ vroeg mama.
    Deborah, bedoel ik. Natuurlijk bedoelde ik dat. Niet mama, die ons hier had achtergelaten, op dezelfde plek waar het allemaal was begonnen en waar het nu wellicht zou eindigen, met het brandende verlangen, de absolute dwang om het te doen, al in het zadel van het grote zwarte paard dat onder die prachtige maan door galoppeerde terwijl binnen in mij duizend stemmen fluisterden: doe het… Doe het nu… Doe het en alles zal veranderen… Alles zal worden zoals het hoort te zijn…
    ‘Mama?’ vroeg iemand.
    ‘Dexter, kom op nou,’ zei mama, ik bedoel, Deborah. Maar het mes kwam omhoog. ‘Dexter, in godsnaam, hou op met die onzin! Ik ben het! Debbie!’
    Natuurlijk was het Deborah, maar ik schudde mijn hoofd, want ik kon het mes niet tegenhouden. ‘Dat weet ik, Deb. Het spijt me echt heel erg.’ Het mes ging verder omhoog. Ik kon er alleen maar naar kijken en het nu echt niet meer tegenhouden. Ik voelde nog steeds de vederlichte aanraking van Harry, die me opdroeg bij de les te blijven en te blijven nadenken, maar het was te licht en te zwak en de behoefte was groot en sterk, sterker dan ik ooit had meegemaakt, want dit was alles, het begin en het eind, en dat bracht me tot grotere hoogte, haalde me uit mezelf en zoog me terug in de tunnel tussen het jongetje in de plas bloed en de laatste kans om alles recht te zetten. Dit zou alles veranderen, zou mama terechtwijzen en haar laten zien wat ze me had aangedaan, want mama had ons moeten redden. Deze keer zou alles anders zijn. Zelfs Deb moest dat inzien.
    ‘Leg dat mes neer, Dexter.’ Haar stem klonk wat kalmer maar al die andere stemmen in mijn hoofd waren zo hard, dat ik haar bijna niet kon horen. Ik probeerde mijn hand naar beneden te doen om het mes neer te leggen, echt, maar verder dan een centimeter of vijf kwam ik niet.
    ‘Het spijt me, Deb, ik kan het niet,’ zei ik en ik moest mijn uiterste best doen om me verstaanbaar te maken boven het toenemende gehuil van de storm die 25 jaar de tijd had gehad om zich tot volle wasdom te ontwikkelen, en nu mijn broer en ik waren samengebracht als twee oceaanstoringen op een nacht bij volle maan…
    ‘Dexter!’ riep mijn verdorven moeder die ons hier alleen wilde achterlaten in die weerzinwekkende plas koud bloed, waarop de stem van mijn broer zich aansloot bij de mijne.
    ‘Rotwijf!’ snauwden we, en het mes ging verder omhoog… Vanachter me kwam een geluid. LaGuerta? Ik kon het niet zeggen en het maakte ook niet uit. Ik moest dit afmaken, moest dit doen, moest het nu laten gebeuren.
    ‘Dexter,’ zei Debbie. ‘Ik ben je zusje. Je wilt me dit niet aandoen. Wat zou papa ervan zeggen?’ En dat deed pijn, ik geef het toe, maar… ‘Leg dat mes neer, Dexter.’
    Weer een zacht geluid achter me, een gedempt gekreun. De hand met het mes ging nog steeds omhoog.
    ‘Dexter, kijk uit!’ riep Deborah en ik draaide me om.
    Inspecteur LaGuerta was half overeind gekrabbeld, op een knie, en kreunend van inspanning probeerde ze haar nu loodzware pistool te richten.
    Heel, heel langzaam kwam de loop omhoog, wees eerst naar mijn voet, toen naar mijn knie…
    Maar wat maakte het nog uit? Want het ging nu gebeuren en of LaGuerta’s vinger zich nu om de trekker spande of niet, het mes in mijn hand trok zich daar niets van aan.
    ‘Ze gaat je neerschieten, Dex!’ riep Deb en ze klonk angstig. De loop van het pistool wees nu naar mijn navel. LaGuerta’s gezicht was vertrokken van concentratie en de enorme krachtsinspanning die ze moest leveren, en het begon er echt op te lijken dat ze me ging neerschieten. Ik draaide me een kwartslag naar haar toe terwijl het mes in mijn hand aan zijn weg omlaag begon…
    ‘Dexter!’ riep mama/Deborah op de tafel, maar de Zwarte Ruiter riep nog harder, deed een stap naar voren, pakte mijn hand vast en begon het mes omlaag te duwen.
    ‘Dex…!’
    Je bent een goeie jongen, Dex, fluisterde Harry in mijn hoofd, zowel zacht als krachtig, en het was net genoeg om het mes weer een stukje omhoog te duwen.
    ‘Ik kan er niks aan doen,’ fluisterde ik terug, en mijn vingers spanden zich steeds strakker om het heft van het trillende mes.
    Kies wat… of wie… je vermoordt, zei hij terwijl het harde, diepe blauw van zijn ogen me aankeek vanuit Deborahs ogen, met een blik strak genoeg om het mes weer een paar centimeter omhoog te duwen. Er zijn genoeg mensen die het verdienen, zei Harry zacht, maar desondanks hoorbaar boven het woedende gestamp van de op hol geslagen kudde in mijn hoofd.
    De punt van het lemmet knipoogde naar me en kwam tot stilstand. De Zwarte Ruiter kon het niet verder omlaag duwen. En Harry kon het mes niet losmaken uit mijn hand. Een status quo.
    Achter me hoorde ik een schor, raspend geluid en een doffe bons, gevolgd door een kreun die zo levenloos klonk, dat ze als een zijden sjaal op spinnenpootjes om mijn schouders werd gelegd. Ik draaide me om. LaGuerta lag op de vloer, met het pistool in haar uitgestrekte arm, Brians mes in haar arm, haar tanden in haar bovenlip en haar ogen groot van pijn. Brian zat op zijn knieen naast haar en keek naar de angst op haar gezicht. Hij ademde zwaar en had een duistere grijns om zijn mond.
    ‘Zullen we de zaak afronden, broer?’ vroeg hij.
    ‘Ik… ik kan het niet,’ zei ik.
    Mijn broer krabbelde overeind, kwam naar me toe en bleef licht heen en weer deinend voor me staan. ‘Kan het niet?’ zei hij. ‘Ik geloof niet dat ik dat woord ken.’ Hij maakte het mes los uit mijn vingers en ik kon niets doen om hem tegen te houden of hem te helpen.
    Zijn ogen waren op Deborah gericht, maar zijn stem kwam van alle kanten en vuurde op Harry’s onzichtbare vingers op mijn schouder. ‘Je moet, broertje. Dit is een absolute must. Er is geen andere mogelijkheid.’ Hij kreunde, boog dubbel, bleef even zo staan, strekte zich ten slotte en bracht langzaam het mes omhoog. ‘Moet ik je herinneren aan hoe belangrijk familie is?’
    ‘Nee,’ zei ik, met mijn beide families om me heen, de levenden en de doden, en allemaal tegelijk schreeuwend wat ik wel en niet moest doen. Maar na een allerlaatste fluistering van Harry’s blauwe ogen in mijn herinnering begon mijn hoofd als vanzelf te schokken en zei ik het nog een keer. ‘Nee,’ zei ik, en deze keer meende ik het. ‘Nee, ik kan het niet. Niet met Deborah.’
    Mijn broer staarde me aan. ‘Jammer dan,’ zei hij. ‘Je stelt me diep teleur.’
    En het mes kwam omlaag.

Epiloog

    Ik weet dat het een bijna menselijke zwakheid is, of misschien is het alleen maar platvloerse sentimentaliteit, maar ik ben altijd gek op begrafenissen geweest. Ze zijn altijd zo schoon en netjes, verlopen zo ordelijk en volgens de regels van de geplande plechtigheden. En deze begrafenis was een heel goede. Met rijen politiemannen en -vrouwen, die allemaal strak, ernstig en plechtig voor zich uit keken. En dan de diverse rituelen: de saluutschoten, het zorgvuldig opvouwen van de vlag, alle toespraken… Een gepast en mooi vertoon voor de overledene. Ze was tenslotte iemand van ons geweest, een vrouw die deel had uitgemaakt van de trotse elite. Of waren dat de mariniers? Hoe dan ook, ze had voor de politie van Miami gewerkt en de politie van Miami wist hoe je een begrafenis voor een van hun mensen moest houden. Ze hadden genoeg kans gehad om te oefenen.
    ‘O, Deborah,’ zuchtte ik heel zacht, en ik wist dat ze me niet kon horen, maar het leek op dit moment het juiste om te doen en ik wilde dit graag goed doen.
    Meer dan ooit wenste ik dat ik een paar traantjes kon wegpinken. Zij en ik waren tenslotte heel close geweest. En ze was een bloederige, onaangename dood gestorven, een gruwelijke manier voor een politieambtenaar om zo te moeten sterven, in stukken gehakt door een moordlustige gestoorde. Hulp was te laat gekomen. Het was allemaal allang voorbij voordat iemand iets had kunnen doen. En toch, door haar vertoon van belangeloze moed en inzet, had ze bijgedragen aan het voorbeeld van hoe een politieambtenaar moest leven en sterven. Ik citeer natuurlijk uit een van de toespraken, maar dit was waar het min of meer op neerkwam. Echt heel interessant, ontroerend zelfs, onder voorwaarde dat je iets in je hebt wat geroerd kan worden. Wat bij mij dus niet het geval is, maar dat betekent nog niet dat ik geen kwaliteit kan herkennen, en dit was dat absoluut. Ik werd gewoon meegesleept door de stilzwijgende moed van al die politiemensen in het blauw en door de huilende burgers daarachter, zo erg dat ik me even liet gaan. ‘O, Deborah,’ zuchtte ik weer, iets harder deze keer, en bijna had ik het gevoel dat daarbij hoort. ‘Lieve, lieve Deborah.’
    ‘Hou je kop, idioot!’ fluisterde ze en ze gaf me een harde por met haar elleboog. Ze zag er echt prachtig uit in haar nieuwe uniform, dat van brigadier, wat wel het minste was wat ze voor haar hadden kunnen doen na al het werk dat ze had gedaan om de Tamiami Butcher te identificeren en bijna te arresteren. Met het opsporingsbevel dat was uitgegaan zou mijn arme broer vroeg of laat ongetwijfeld worden gepakt, tenminste, als hij hen niet eerst pakte, natuurlijk. Maar aangezien ik er op zo’n krachtige wijze aan was herinnerd dat familie belangrijk was, hoopte ik dat ze hem niet zouden vinden. En Deborah zou wel bijdraaien nu ze eindelijk haar promotie had. Ze was echt bereid me te vergeven en was al voor een deel overtuigd van de wijsheid van Harry. Wij waren tenslotte ook familie, en dat had uiteindelijk voor de goede afloop gezorgd, waar of niet? Het was toch niet te veel gevraagd dat ze mij accepteerde zoals ik was? De dingen waren zoals ze waren. Sterker nog, ze waren zoals ze altijd geweest waren.
    Ik zuchtte weer. ‘Hou daarmee op!’ beet ze me toe, en ze knikte naar het eind van de rij politiemensen die kaarsrecht en roerloos naast elkaar stonden. Ik keek in de richting die ze aangaf en zag dat brigadier Doakes naar me stond te kijken. Hij had me geen seconde uit het oog verloren, gedurende de hele plechtigheid niet, zelfs niet toen hij een handje aarde op de kist van inspecteur LaGuerta liet vallen. Hij was er zo zeker van dat de dingen anders waren dan ze leken te zijn. Ik was er honderd procent zeker van dat hij op me zou blijven loeren, me zou blijven achtervolgen als de bloedhond die hij was, aan mijn voetsporen zou ruiken en me zou opjagen om me verantwoording te laten afleggen voor wat ik had gedaan en voor wat ik in de toekomst ongetwijfeld weer zou doen.
    Ik kneep in de hand van mijn zus en met de vingers van mijn andere hand betastte ik de koele harde rand van het objectglaasje in de zak van mijn jasje, met daarop een enkele druppel opgedroogd bloed die niet met LaGuerta het graf in zou gaan maar die voor altijd zou voortleven in mijn collectie. Dat stelde me gerust en om brigadier Doakes, of wat hij dacht of deed, maakte ik me niet druk. Waarom zou ik? Hij had net zomin invloed op wie hij was en wat hij deed als ieder ander. Hij zou me blijven achtervolgen, absoluut, want wat kon hij anders doen?
    Wat kan eenieder van ons eraan doen? We zijn allemaal even hulpeloos en evenzeer ten prooi aan onze eigen stemmetjes binnen in ons, dus wat kunnen we eraan doen?
    Ik had zo graag een traan willen wegpinken. Het was allemaal zo prachtig. Bijna net zo prachtig als de volgende volle maan zou zijn, wanneer ik op bezoek zou gaan bij brigadier Doakes. En alles zou gewoon doorgaan zoals het altijd was gegaan, onder die mooie, heldere maan.
    Die beeldschone, dikke, zingende, rode maan.
Top.Mail.Ru