Скачать fb2
Het pad van roem

Het pad van roem

Аннотация

    BENT U EEN LAFAARD? Dan is dit niet voor u. Wij hebben dringend behoefte aan een dappere man. Hij moet tussen de 23 en de 25 zijn, in blakende gezondheid verkeren, alle wapens kunnen hanteren. Moet bereid zijn te reizen, geen banden hebben, onweerstaanbaar dapper, knap van uiterlijk, en volmaakt gebouwd zijn. Vaste baan, zeer hoog loon, roemrijk avontuur, groot gevaar.
    Met deze mysterieuze advertentie beginnen de heldhaftige avonturen van vechtjas Gordon. Gordon,aardbewoner, is een stoutmoedige huurling, dorstend naar gevaar, bloed, roem, en vrouwen, belust op rijkdom en buit. Hij reageert op de advertentie en enkele tellen later staat hij in een bloedstollend oerwoud op een andere planeet, in gezelschap van de mooiste vrouw aan deze zijde van de Melkweg. Op die plek begint het Pad van Roem — een met duizenden gevaren bezaaide weg over tientallen planeten. Als het hem lukt de edelvrouwe naar het eindpunt te brengen staat hem daar een geweldige beloning te wachten. Na talloze ontberingen en ijselijke ontmoetingen bereikt hij zijn doel. Hij neemt zijn schat in ontvangst. Maar als hij op aarde terugkeert wacht hem een nieuw, maar onoverwinlijk gevaar: de IVDB…


Robert A. Heinlein Het pad van roem

    BRITANNUS (geschokt): Caesar, dit is niet zoals het hoort.
    THEODOTUS (heftig verontwaardigd): Wat zegt u daar ?
    CAESAR (zijn zelfbeheersing herkrijgend): Neem het hem niet kwalijk, Theodotus: hij is een barbaar en denkt dat de gewoonten van zijn stam en zijn eiland wetten van de natuur zijn.
Caesar en Cleopatra, 2e akte
— GEORGE BERNARD SHAW

I

    Ik weet een plek waar geen luchtvervuiling is en geen parkeerprobleem en geen bevolkingsexplosie... geen koude oorlog, geen H-bommen, en geen TV-reclame... geen topconferenties, geen ontwikkelingshulp, geen BTW — geen inkomstenbelasting. Het klimaat is er zoals Florida en Californië beweren het te hebben (geen van beide heeft het), de omgeving is er prachtig, de mensen vriendelijk en gastvrij voor vreemdelingen, de vrouwen zijn er mooi en bijzonder verlangend om te behagen...
    Ik zou terug kunnen gaan. Ik zou...
    Het was het verkiezingsjaar met de gebruikelijke leuzen, zo van ik-kan-alles-beter-dan-jij, tegen een achtergrond van biep-biepende spoetniks. Ik was eenentwintig, maar kon niet besluiten tegen welke partij ik zou stemmen.
    Ik belde daarom het plaatselijk recruteringsbureau en vroeg ze me een formulier te sturen.
    Ik heb net zoveel bezwaar tegen de dienstplicht als een kreeft tegen kokend water; het mag dan misschien zijn schoonste uur zijn, maar hij heeft het niet zelf gekozen. Niettemin houd ik van mijn land. Ja werkelijk, ondanks de propaganda die je je hele schooltijd te horen krijgt over vaderlandsliefde die verouderd is. Eén van mijn overgrootouders is bij Gettysburg gesneuveld en mijn vader heeft die lange mars terug van Inchon Reservoir meegemaakt en daarom moest ik niets van die nieuwe denkbeelden hebben. Ik betwistte ze op school — tot ik een vier voor sociale wetenschappen kreeg. Toen hield ik mijn mond en kreeg mijn diploma.
    Maar ik paste mijn oordeel niet aan aan dat van een leraar die het verschil niet kende tussen Little Round Top en Seminary Ridge.
    Bent u van mijn generatie? Zo niet, weet u dan waardóór we zulke dwarsdrijvers geworden zijn? Of hebt u ons eenvoudig afgeschreven als ‘langharig werkschuw tuig’?
    Ik zou een boekdeel kunnen schrijven. Mens nog toe! Maar ik zal één essentieel punt vaststellen: als je jarenlang geprobeerd hebt een jongeman van zijn vaderlandsliefde te genezen moet je niet verwachten dat hij van vreugde zal jubelen als hij een bericht ontvangt dat begint: ‘Hierbij wordt u aangewezen voor opkomst in het leger der Verenigde Staten.’
    Dat gepraat over de Verloren Generatie! Ik heb die praatjesmakers van na de eerste wereldoorlog gelezen — Fitzgerald en Hemingway en zo — en het komt me voor dat ze zich alleen maar zorgen maakten over de hoeveelheid ethylalcohol in hun gesmokkelde drank. Ze hadden de wereld overwonnen — waar kankerden ze dan nog over?
    Natuurlijk, Hitler en de malaise hadden ze nog tegoed. Maar dat wisten ze niet. Wij hadden Kroetsjef en de H-bom en dat wisten we verdomd goed.
    Maar wij waren geen ‘Verloren Generatie’. Wij waren erger; wij waren de ‘Veilige Generatie’. Niet de beatniks. De beatniks zijn nooit meer dan een paar honderd op miljoenen geweest. O, we spraken beatnik-taal en draaiden ‘cool’ stereoplaten en we bestreden de uitslag van de enquête van Playboy over jazzmusici met een ernst alsof het er iets op aankwam. We lazen Salinger en Kerouac en gebruikten taal die onze ouders schokte en kleedden ons als beatniks. Maar we vonden niet dat bongo’s en een baard het konden opnemen tegen geld op de bank. Wij waren geen opstandelingen. Wij waren net zo conformistisch als de stumpers in het leger. ‘Geborgenheid’ was ons onuitgesproken parool.
    De meeste van onze motto’s werden niet uitgesproken, maar we voelden ons pas in ons element als we ons eraan konden houden. ‘Bestrijd de Gemeenteraad niet.’ ‘Smeed het ijzer als het heet is.’ ‘Zorg dat je niet gesnapt wordt.’ Dat zijn verheven oogmerken, grote morele waarden, en ze betekenen allemaal ‘Geborgenheid.’ ‘Vaste Verkering’ (de bijdrage van mijn generatie aan het Amerikaans Ideaal) was gebaseerd op geborgenheid, op zekerheid: het gaf de verzekering dat zaterdagavond niet de eenzaamste avond van de week zou zijn. Als je vaste verkering had was de concurrentie uitgeschakeld.
    Maar we hadden ambities. Jazeker! Voorkom de dienstplicht en ga studeren. Ga trouwen en zorg dat ze zwanger wordt en laat beide families je helpen om een voor de dienst ongrijpbare student te blijven. Zorg dat je een baantje krijgt dat welgevallig is in de ogen van de keuring, laten we zeggen bij een maatschappij die projectielen fabriceert. Het is nog beter na je studie te gaan werken als je ouders (of de hare) dat kunnen betalen en zorg dat je nog een kind krijgt en veilig de dienstplichtige leeftijd overschrijdt. Bovendien is een academische graad een paspoort voor promotie en salaris en pensioen.
    Op een zwangere vrouw met welgestelde ouders na lag de grootste zekerheid in afkeuring. Doorboorde trommelvliezen waren prachtig maar een allergie was het beste. Een van mijn buurjongens leed vreselijk aan astma tot zijn zesentwintigste verjaardag. Dat was geen voorwendsel — hij was allergisch voor keuringslokalen. Je kon ook de dans ontspringen door een militaire psychiater ervan te overtuigen dat je belangstelling meer uitging naar Buitenlandse Zaken dan naar het Leger. Meer dan de helft van mijn generatie was ‘ongeschikt voor militaire dienst.’
    Dat verbaast me niets. Er bestaat een oude film over mensen die met een slee door een dicht bos reizen — nagezeten door wolven. Af en toe grijpen ze een van hun medereizigers en gooien hem voor de wolven. Dat is dienstplicht, zelfs als je het ‘selectieve dienst’ noemt en het opdoft met afdelingen voor Welzijnszorg en ‘toelagen voor oud-militairen’. Het is een minderheid voor de wolven gooien terwijl de rest doelbewust doorgaat met het streven naar de garage voor drie auto’s, het zwembad en de veilige en zekere pensioenrechten. Ik sta nu niet het heilige boontje uit te hangen; ik zat ook achter die garage voor drie auto’s aan.
    Maar mijn ouders konden me niet laten studeren. Mijn stiefvader was adjudant onderofficier bij de Luchtmacht en kon amper schoenen voor zijn eigen kinderen kopen. Toen hij vlak voor mijn laatste jaar op de middelbare school naar Duitsland werd overgeplaatst en ik werd uitgenodigd bij de zuster van mijn vader en haar man in te trekken waren we allebei opgelucht.
    Ik ging er financieel niet op vooruit, want mijn oom moest zijn eerste vrouw onderhouden — volgens de wet van Californië kwam dat neer op een soort slavenarbeid als van voor de Burgeroorlog. Maar ik had $35 per maand als ‘overlevende nabestaande van een overleden militair’. (Geen ‘oorlogswees’, dat is een ander zaakje dat meer opbrengt.) Mijn moeder was er zeker van dat vaders dood het gevolg was geweest van verwondingen maar de Vereniging van Oudstrijders dacht daar anders over, en daarom was ik alleen maar een ‘overlevende nabestaande’.
    $35 kon het gat niet stoppen dat ik in hun levensmiddelen sloeg en er werd stilzwijgend aangenomen dat ik na mijn eindexamen voor mijn eigen kostje zou zorgen. Ongetwijfeld in militaire dienst — maar ik had een eigen plan: ik speelde rugby en eindigde het seizoen met een record en een gebroken neus — en begon de volgende herfst aan de plaatselijke Staats Universiteit met een baantje om ‘het gymnastieklokaal aan te vegen’ voor $10 per maand meer dan dat pensioen, plus fooien.
    Ik wist nog niet wat het worden zou maar mijn plan stond vast: met hand en tand blijven vasthouden en voor ingenieur studeren. De militaire dienst en het huwelijk vermijden. Na mijn studie een baan met status in het vooruitzicht. Geld sparen en ook nog jurist worden — want in Homestead, Florida had een leraar verkondigd dat ingenieurs wel geld verdienden, maar dat de grote salarissen en de belangrijke banen voor de juristen waren weggelegd. Ik zou het wel maken. Een held als Horatio Alger worden. Ik had linea recta aan die rechtenstudie willen beginnen, maar op die universiteit werd geen rechten gegeven.
    Aan het eind van het seizoen, na mijn tweede jaar, raakte rugby in diskrediet.
    We hadden een prachtseizoen gehad — geen overwinningen. ‘Flash’ Gordon (dat ben ik — in de sportartikelen) stond nummer één op de scorelijst; niettemin waren de coach en ik onze baantjes kwijt. O, ik ‘veegde de gymnastiekzaal’ de rest van het jaar met basketbal, schermen en baansporten, maar de oudleerling die voor de kosten opdraaide was niet geïnteresseerd in een basketbalspeler die maar 1.82 meter was. Ik bracht die zomer door met een dom baantje en trachtte ergens anders iets gedaan te krijgen. Ik werd die zomer eenentwintig, wat ook een eind maakte aan die $35 per maand. Kort na de Dag van de Arbeid trok ik me terug op van tevoren gereedgemaakte stellingen, dwz. ik pleegde dat telefoontje naar de keuring.
    Wat ik me voorstelde was een jaar bij de Luchtmacht, me dan door een examen laten aanwijzen voor de officiersopleiding bij de Luchtmacht — astronaut en beroemd in plaats van rijk worden.
    Nou ja, we kunnen niet allemaal astronaut worden. Het quotum van de Luchtmacht was vol of zoiets. Ik zat in het Leger voor ik goed en wel mijn koffers had kunnen pakken. Dus stelde ik me ten doel de beste aalmoezeniersklerk in het hele Leger te worden; ik zorgde ervoor dat typen als een van mijn bekwaamheden werd vermeld. Als ik er iets over te vertellen had zou ik mijn tijd uitdienen op Fort Carson met het typen van keurige kopieën en daarnaast een avondschool bezoeken.
    Ik had er niet iets over te vertellen.
    Ben je ooit in Zuidoost Azië geweest? Daarbij vergeleken is Florida een woestijn. Als je een stap verzet bubbelt het. In plaats van tractors gebruiken ze karbouwen. Het kreupelhout zit vol insecten en inboorlingen die op je schieten. Het was geen oorlog — zelfs geen ‘Politionele Actie’. We waren ‘Militaire Adviseurs’. Maar een Militaire Adviseur die vier dagen dood is stinkt in die hitte net zo als een lijk in een echte oorlog.
    Ik werd bevorderd tot korporaal. Ik werd zeven maal bevorderd. Tot korporaal.
    Ik had de goede houding niet. Dat zei mijn compagniescommandant tenminste. Mijn vader was marinier geweest en mijn stiefvader was bij de Luchtmacht; mijn enige verlangen in het Leger was geweest aalmoezeniersklerk te zijn in de Verenigde Staten. Ik moest niets van het Leger hebben. Mijn compagniescommandant ook niet; hij was een eerste luitenant die het niet had gepresteerd kapitein te worden en elke keer dat hij erover begon te piekeren raakte Korporaal Gordon zijn strepen kwijt.
    De laatste keer verloor ik ze omdat ik hem vertelde dat ik naar de vertegenwoordiger van mijn Staat in het Congres zou schrijven om erachter te komen waarom ik in heel Z.O. Azië de enige was die wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn ontslag uit dienst zou krijgen, in plaats van naar huis gestuurd te worden als mijn tijd er op zat — en dat maakte hem zo kwaad dat hij me niet alleen een dreun gaf, maar er op uit trok en een held werd en toen was hij dood. En zo kom ik aan dat litteken over mijn gebroken neus, omdat ik ook een held was en het Legioen van Eer had moeten krijgen maar er was geen mens die het zag.
    Tenslotte, terwijl ik herstelde, besloten ze me naar huis te sturen.
    Majoor Ian Hay heeft al in ‘De oorlog om een eind te maken aan de oorlog’ de opbouw van militaire organisaties beschreven: ondanks alle organisatietabellen bestaan alle militaire bureaucratieën uit een Afdeling Verrassingen, een Afdeling Poetsen Bakken, en een Afdeling Toverfee. De eerste twee behandelen de meeste zaken, omdat de derde erg klein is; de Afdeling Toverfee bestaat uit éen bedaagde typiste die meestal met ziekteverlof is.
    Maar als ze achter haar lessenaar zit legt ze haar breiwerkje wel eens opzij en kiest een van de namen uit die op haar tafel terechtkomen en doet dan iets plezierigs. Je hebt gezien hoe me door de Afdelingen Verrassingen en Poetsen Bakken de das om werd gedaan; maar nu koos Afdeling Toverfee Soldaat 1e klas Gordon uit.
    Dat ging zo: toen ik wist dat ik naar huis zou gaan zodra mijn gezicht was genezen (de kleine bruine broeder had zijn mes niet ontsmet) diende ik een verzoekschrift in om in Wiesbaden gedemobiliseerd te worden, waar mijn familie zat, en niet in Californië, land van herkomst. Ik heb geen kritiek op de kleine bruine broeder; het was zijn bedoeling niet geweest dat ik genezen zou — en zijn plan zou nog zijn gelukt ook als hij mijn compagniescommandant niet had gedood en het niet te druk had om mij goed te pakken te nemen. Ik had mijn bajonet ook niet ontsmet, maar hij had geen klachten, hij zuchtte alleen maar en viel in elkaar als een pop waar het zaagsel uitloopt. Ik was hem dankbaar; hij had niet alleen de kaarten zo geschud dat ik uit het Leger kon, hij had me ook op een prachtidee gebracht.
    Hij en de hospitaalchirurg — De chirurg had gezegd: ‘Je wordt wel weer beter, jongeman. Maar je zult een litteken houden als een student uit Heidelberg.’
    Wat me aan het denken zette — Je kon geen behoorlijke baan krijgen zonder academische graad, net zo min als je stukadoor kon worden als je geen zoon of neef was van iemand in de stukadoorsvakbond. Maar er zijn graden en graden. Sir Isaac Newton had met een graad van een boerenuniversiteit als de mijne flessen kunnen spoelen voor Jan Linkerhand — als Jan een graad van een Europese Universiteit had gehad.
    Waarom Heidelberg niet? Ik was van plan mijn militaire faciliteiten uit te buiten; dat had ik in mijn hoofd gehad toen ik dat overijlde telefoontje naar het plaatselijk recruteringsbureau pleegde.
    Volgens mijn moeder was alles goedkoper in Duitsland. Misschien kon ik die toelagen die ik zou krijgen wel uitsmeren tot ik een doctorsgraad had. Herr Doktor Gordon, mit littekens op der gezicht uit Heidelberg nog wel! — Dat zou bij iedere projectielenfabriek een extra $3000 per jaar opbrengen.
    Verdomme, ik zou aan een paar studentenduels meedoen en echte Heidelberglittekens krijgen om het prachtstuk dat ik al had kracht bij te zetten. Schermen was een sport waar ik echt van hield. Sommige mensen kunnen niet tegen messen, zwaarden, bajonetten, tegen niets scherps; psychiaters hebben er een woord voor: aichmofobie. Idioten die met hun auto’s honderdvijftig kilometer per uur rijden op wegen met een snelheidslimiet van tachtig kilometer raken niettemin in paniek als ze een getrokken lemmet zien.
    Daar heb ik nooit last van gehad en daarom leef ik nog, en het is één van de redenen waarom ik steeds weer tot korporaal werd bevorderd. Een ‘Militair Adviseur’ kan zich niet veroorloven bang voor messen, bajonetten, en dergelijke te zijn; hij moet er tegen opgewassen zijn. Ik ben er nooit bang voor geweest omdat ik er altijd van overtuigd ben geweest dat ik een ander kan aandoen wat hij wil dat mij geschiedt. Ik heb altijd gelijk gehad, behalve die keer dat ik de fout maakte een held te zijn en dat was nog niet zo’n slechte fout. Als ik had getracht hem te smeren in plaats van te blijven om hem zijn ingewanden uit te snijden had hij mijn ruggengraat in tweeën gespleten. Zoals het nu uitviel kon hij me niet goed te grazen nemen; zijn rimboemes gaf alleen maar een jaap in mijn gezicht terwijl hij in elkaar zakte — en hij knapte me op met een lelijke wond waar infectie bij kwam lang voor de helikopters arriveerden. Maar ik had het niet eens gevoeld. Ik werd alleen maar duizelig en ging in de modder zitten en toen ik weer bijkwam gaf een hospik me bloedplasma.
    Ik verheugde me erop een duel in Heidelberg te proberen. Ze beschermen je lichaam en arm en nek (met kussentjes) en je krijgt een stalen bescherming voor je ogen en neus en over je oren — dat is wat anders dan zo’n ontmoeting met een pragmatische marxist in de rimboe. Ik had eens zo’n zwaard als ze in Heidelberg gebruiken in handen gehad, het was een lichte, rechte sabel, scherp op de snede, van achteren ook een paar centimeter scherp — maar met een stompe punt! Speelgoed, alleen maar geschikt om mooie littekens te maken om door de meisjes te laten bewonderen.
    Ik zocht een landkaart op en wat had je gedacht! — Heidelberg ligt vlak bij Wiesbaden. Daarom vroeg ik demobilisatie aan in Wiesbaden.
    De legerarts zei: ‘Je bent een optimist, jongeman,’ maar hij parafeerde. De sergeant die over de medische papierwinkel ging zei: ‘Geen sprake van, soldaat.’ Ik wil niet zeggen dat er geld aan te pas kwam, maar de aanbeveling die de commandant van het militaire hospitaal tekende vermeldde: DOORGEZONDEN. De hele zaal was het erover eens dat ik niet goed wijs was; Uncle Sam geeft Soldaten 1e klas geen reizen om de wereld cadeau.
    Ik was er al zover omheen dat ik net zo dicht bij Hoboken zat als bij San Francisco — en dichter bij Wiesbaden. Het beleid vereiste echter dat demobilisanten verscheept werden via de Stille Zuidzee. Militaire beleidslijnen zijn als kanker: niemand weet waar ze vandaan komen, maar je kunt ze niet negeren.
    De Afdeling Toverfee werd wakker en raakte me met haar toverstaf aan.
    Ik stond op het punt me in te schepen op een notendop genaamd Generaal Jones die naar Manilla, Taipei, Yokohama, Pearl Harbour en Seattle voer toen er een officieel schrijven kwam waarin aan al mijn grillen en meer tegemoet gekomen werd. Mij werd bevolen me voor demobilisatie naar het Hoofdkwartier USAREUR, Heidelberg, Duitsland te begeven, op eigen verzoek zie verwijzing foxtrot. Opgespaard verlof kon opgenomen worden of uitbetaald, zie verwijzing bravo. Betrokkene werd gemachtigd via beschikbaar militair transport binnen twaalf maanden na demobilisatie naar de Binnenlandse Zone (de V.S.) terug te keren zonder verdere kosten voor de regering. Einde citaat.
    De sergeant van de administratie riep me binnen en liet het me zien met een gezicht dat gloeide van onschuldige vreugde. ‘Alleen is er geen ‘beschikbaar transport’, Soldaat — maak dus als de donder dat je op de Generaal Jones komt. Je gaat naar Seattle, net als ik gezegd heb.’
    Ik begreep wat hij bedoelde: het enige transport dat sinds lange, lange tijd naar het westen voer was zesendertig uur eerder naar Singapore vertrokken. Ik staarde naar de kennisgeving, denkend aan kokende olie, en ik vroeg me af of hij het net zo lang had achtergehouden tot ik er geen gebruik meer van kon maken.
    Ik schudde het hoofd. ‘Ik ga de Generaal Smith in Singapore pakken. Doe eens een keer alsof je een mens bent, sergeant, en schrijf me daarvoor een marsorder uit.’
    ‘Je marsorder is uitgeschreven. Voor de Jones. Naar Seattle.’
    ‘Verdorie,’ zei ik bedachtzaam. ‘Ik geloof dat ik maar eens bij de aalmoezenier ga uithuilen.’ Ik ging er snel van door maar niet naar de aalmoezenier; ik ging naar het vliegveld. Het kostte me vijf minuten om er achter te komen dat er geen burger- of militaire vlucht naar Singapore was waarmee ik op tijd kon komen.
    Maar er zou die avond een Australisch militair transport naar Singapore vertrekken. Aussies waren niet eens ‘Militaire Adviseurs’, maar ze waren vaak in de buurt, als ‘Militaire Waarnemers’. Ik vond de piloot van het vliegtuig, een kapitein-vlieger, en legde hem de situatie uit. Hij grinnikte en zei: ‘Er kan altijd nog wel een vent bij. De wielen worden waarschijnlijk kort na theetijd ingetrokken. Als het ouwetje tenminste wil vliegen.’
    Ik wist dat ze zou willen vliegen; het was een Gooney Bird, een C-47, die voornamelijk uit lapwerk bestond en God weet hoeveel miljoenen kilometers gevlogen had. Als het moest zou ze op één motor naar Singapore vliegen. Ik wist dat ik geluk had zodra ik die grootse verzameling wind|els en lijm op het veld zag staan.
    Vier uur later zat ik erin en werden de wielen ingetrokken. Ik meldde me de volgende morgen aan boord van het USMTS Generaal Smith, nogal nat, want de Trots van Tasmanië was de vorige avond door stormen gevlogen en de enige zwakheid van Gooney Birds is dat ze lekken. Maar wat kan schone regen je schelen na de modder van de rimboe? Het schip vertrok die avond, wat goed nieuws was.
    Singapore is net als Hongkong, alleen vlak; één middag was genoeg. Ik dronk een borrel in het oude Raffles Hotel en nog een in het Adelphi, regende nat in het Great World Lunapark, liep door de Steeg van de Geldwisselaars met één hand op mijn geld en de andere op mijn marsorder — en kocht een lot van de Ierse Sweepstake.
    Ik gok niet, als je het ermee eens bent dat pokeren een behendigheidsspel is. Maar dit was een huldeblijk aan Vrouwe Fortuna, een bedankje voor een hele reeks bofferijen. Als ze verkoos dat te beantwoorden met US $140.000 zou ik haar die niet in het gezicht gooien. Deed ze het niet... nou ja, de nominale waarde was een pond, US $2.80; ik betaalde 9 Singapore dollar ofwel US f3.00 — een klein gebaar van iemand die zojuist een gratis reis om de wereld heeft gewonnen — om er maar over te zwijgen dat ik levend uit de rimboe was gekomen.
    Maar het was me al direct drie dollar waard toen ik uit de Steeg wegvluchtte om te ontkomen aan twee dozijn andere wandelende banken, die er tuk op waren mij meer loten, Singapore dollars, alle mogelijke andere valuta — en mijn pet, als ik die even losliet — te verkopen. Ik bereikte de straat, riep een taxi aan en zei tegen de chauffeur me naar de haven te brengen. Dit was een overwinning van de geest op het vlees, omdat ik overdacht had of ik niet van de gelegenheid gebruik zou maken om een geweldige biologische aandrang te lenigen. Die goeie ouwe Gordon met zijn litteken was vreselijk lang padvinder geweest en Singapore is een van de Zeven Zondige Steden, waar je Alles kunt krijgen.
    Ik wil niet beweren dat ik Mijn Buurmeisje trouw gebleven was. Het meisje thuis dat me bijna, alles over de Wereld, het Vlees en de Duivel had geleerd, met een verbijsterend afscheid op de avond voor ik in dienst ging, had me al tijdens mijn oefentijd afgeschreven; ik voelde dankbaarheid maar geen loyaliteit. Ze trouwde spoedig daarna, en heeft nu twee kinderen, geen van beide van mij.
    De werkelijke reden van mijn biologische onrust was geografisch. Die kleine bruine broeders waarmee en waartegen ik gevochten had hadden allemaal kleine bruine zusters, waarvan er tegen een zekere prijs heel wat te krijgen waren, of zelfs wel pour l’amour ou pour le sport.
    Maar een hele tijd was dat het enige lokale talent geweest. Verpleegsters? Verpleegsters zijn officier — en de zeldzame variété artieste die zover van de V.S. belandde werd nog strenger bewaakt dan de verpleegsters.
    Ik had geen bezwaar tegen kleine bruine zusters omdat ze bruin waren. Ik was in mijn gezicht net zo bruin, afgezien van dat rose litteken. Ik stelde er paal en perk aan omdat ze klein waren.
    Ik woog vijfentachtig kilo in louter spieren (geen vet) en ik kon mezelf er nooit van overtuigen dat een vrouwtje van een meter vijftig dat minder woog dan veertig kilo en er uitzag alsof ze twaalf was werkelijk een vrijwillig toestemmende volwassene was. Voor mij voelde het aan als een grimmig soort wettelijk toegestane verkrachting, en het bracht psychische impotentie teweeg.
    Singapore zag er wel uit alsof je daar een groot meisje zou kunnen vinden. Maar toen ik aan de Steeg van de Geldwisselaars ontsnapte moest ik plotseling niets van mensen hebben, groot of klein, man of vrouw, en ik zette koers naar het schip — en behoedde me waarschijnlijk voor pokken, Cupido’s katarre, zachte sjanker, Chinese ziekte, zoutwaterjeuk en voetschimmel — het meest wijze besluit dat ik had genomen nadat ik op veertienjarige leeftijd een aanbod had afgewezen om met een krokodil van middelbare grootte te worstelen.
    Ik vertelde de chauffeur in het Engels welke kade ik hebben moest, herhaalde het in uit het hoofd geleerd Kantonees (niet al te best; het is een taal met negen tonen en op school heb ik alleen maar Frans en Duits gehad) en liet hem een kaart zien waarop de kade was aangestreept, en waarop de naam in het Engels gedrukt en in het Chinees getekend was.
    Iedereen die het schip verliet kreeg zo’n kaart. In Azië spreekt iedere taxichauffeur genoeg Engels om je naar de rosse buurt te brengen en naar winkels waar je ‘koopjes’ kunt halen. Maar hij is nooit in staat je haven of je kade te vinden. Mijn chauffeur luisterde, wierp een blik op de kaart en zei: ‘Oké maat. Gesnopen,’ en startte en nam met gierende banden een bocht, terwijl hij schreeuwde tegen snorrende taxi’s, koelies, kinderen en honden. Ik ontspande me, blij dat ik deze taxichauffeur uit duizenden gevonden had.
    Plotseling ging ik overeind zitten en riep hem toe te stoppen.
    Ik moet iets uitleggen: ik kan niet verdwalen. Je kunt het een psi-talent noemen, zoiets als ze op Duke Universiteit bestuderen. Moeder placht te zeggen dat haar zoontje een ‘richtingsknobbel’ had. Noem het wat je wilt, ik was zes of zeven voor ik besefte dat andere mensen wel konden verdwalen. Ik weet altijd waar het noorden is, de richting van mijn uitgangspunt, en hoe ver dat weg is. Ik kan rechtstreeks terugkeren of langs de weg waarlangs ik gekomen ben, zelfs in het donker en in de rimboe. Dat was de voornaamste reden dat ik altijd weer tot korporaal werd bevorderd en meestal een sergeantsbaantje toegeschoven kreeg. Patrouilles die ik leidde kwamen altijd terug — ik bedoel de overlevenden. Dat was een bemoedigende gedachte voor stadsjongens die toch al helemaal niet in die rimboe hadden willen zijn. Ik had geroepen omdat de chauffeur naar rechts draaide terwijl hij naar links had moeten draaien en op het punt stond zijn eigen spoor terug te volgen.
    Hij ging sneller rijden.
    Ik schreeuwde weer. Hij snapte geen Engels meer. Anderhalve kilometer en ettelijke bochten later moest hij wel stoppen vanwege een verkeersopstopping. Ik stapte uit en hij sprong eruit en begon in het Kantonees te schreeuwen en naar de meter in zijn taxi te wijzen. We werden omringd door Chinezen die tot de herrie bijdroegen en kleinere die aan mijn kleren plukten. Ik hield mijn hand op mijn geld en was wat blij toen ik een politieagent in het oog kreeg. Ik riep en trok zijn aandacht.
    Hij kwam zwaaiend met een lange stok door de menigte. Hij was een Hindoe en ik zei tegen hem: ‘Spreekt u Engels?’
    ‘Jazeker. En ik versta Amerikaans.’ Ik legde mijn moeilijkheden uit, toonde hem de kaart en zei dat de chauffeur me in de Geldwisselaarssteeg had opgepikt en had rondgereden.
    De agent knikte en sprak met de chauffeur in een derde taal — ik vermoed Maleis. Tenslotte zei de agent: ‘Hij verstaat geen Engels. Hij dacht dat u zei dat u naar Johore wilde.’
    De brug naar Johore ligt op de grootste afstand van de haven die je kunt afleggen zonder het eiland van Singapore te verlaten. Ik zei boos: ‘Onzin, dat hij geen Engels verstaat.’
    De agent haalde zijn schouders op. ‘U heeft hem gehuurd, u moet hem betalen wat de meter aangeeft. Dan zal ik hem uitleggen waar u heen wilt en een vast bedrag met hem afspreken.’
    ‘Ik zie hem nog liever in de hel!’
    ‘Dat is best mogelijk. Het is maar een korte afstand — in deze wijk. Ik zou u willen voorstellen te betalen. De wachttijd loopt op.’
    Er komt een tijd dat een man op zijn rechten moet staan, omdat hij het anders niet kan opbrengen zichzelf in de spiegel aan te kijken als hij zich scheert. Ik had me al geschoren, dus ik betaalde — 18.50 Singapore-dollar voor het verspillen van een uur en voor het nog verder van de haven verwijderd zijn. De chauffeur wilde een fooi hebben, maar de agent bracht hem tot zwijgen en liet mij met zich meelopen.
    Met beide handen beschermde ik mijn marsorder en mijn geld en het lot van de Sweepstake dat bij mijn geld zat opgevouwen. Maar mijn pen verdween en mijn sigaretten en mijn zakdoek en een Ronsonaansteker. Toen ik spookvingers aan mijn horlogebandje voelde ging ik in op het voorstel van de agent dat hij een neef had, een eerlijk man, die mij naar de kade zou rijden tegen een vastgesteld en schappelijk bedrag. De ‘neef’ kwam toevallig net de straat inrijden; een half uur later was ik aan boord. Ik zal Singapore nooit vergeten. Een stad waar je veel kunt leren.

II

    Twee maanden later was ik aan de Franse Rivièra. De Afdeling Toverfee beschermde me de Indische Oceaan over, de Rode Zee door en veilig tot Napels. Ik leidde een gezond leven, ’s morgens lichaamsoefeningen en zonnen, ’s middags slapen en ’s avonds pokeren. Er zijn veel mensen die de kansen (niet veel, maar berekenbaar) niet kennen om een spel door bijkopen te verbeteren, maar het graag willen leren. Toen we in Italië aankwamen was ik mooi gebruind en had ik een aanzienlijk appeltje voor de dorst. Toen we nog maar pas onderweg waren raakte er iemand blut en wilde hij een lot voor de Sweepstake in het spel brengen. Na wat geharrewar werden Sweepstake-loten als valuta geaccepteerd met een korting, US $2.00 per lot. Ik eindigde de reis met drieënvijftig loten.
    Het kostte me maar een paar uur om met een vliegtuig een lift van Napels naar Frankfurt te krijgen. Toen gaf de Afdeling Toverfee me terug aan de Afdelingen Verrassingen en Poetsen Bakken.
    Voor ik naar Heidelberg ging wipte ik even over naar Wiesbaden om mijn moeder, mijn stiefvader en de kinderen op te zoeken — om daar te horen dat ze net naar Amerika waren vertrokken op weg naar de vliegbasis Elmendorf in Alaska.
    Dus ging ik naar Heidelberg om afgehandeld te worden en bekeek de stad terwijl de papierwinkel werd uitgezocht.
    Een mooie stad — prachtig kasteel, goed bier en gróte meisjes met appelwangen en vormen als een coca-colafles — ja, dit leek een beste plaats om een graad te behalen. Ik begon te informeren naar kamers en dergelijke en ontmoette een jonge mof met een studentenpet op en net zulke lelijke littekens in zijn gezicht als ik — de zaken begonnen er beter voor te staan.
    Ik besprak mijn plannen met de eerste sergeant van de doorgangscompagnie.
    Hij schudde het hoofd. ‘Och, jij arme jongen!’
    Waarom? Geen militaire toelagen voor Gordon — ik was geen ‘oudstrijder’.
    Dat litteken had niets te beduiden. Het had niets te beduiden dat ik te velde meer mannen gedood had dan je in — nou ja, het had niets te beduiden. Dit was geen ‘oorlog’ en het Congres had nog geen wet aangenomen waarbij ons ‘Militaire Adviseurs’ onderwijstoelagen werden verschaft.
    Het zal mijn eigen schuld wel geweest zijn. Mijn hele leven waren er ‘militaire toelagen’ geweest — ik had in het scheikundelokaal in één bank gezeten met een oudstrijder die de school bezocht volgens de Militaire Toelagenwet.
    Deze vaderlijke sergeant zei: ‘Trek het je niet aan, jongen. Ga naar huis, zoek een baantje, wacht een jaar. Ze nemen hem heus wel aan en vrijwel zeker met terugwerkende kracht. Je bent nog jong.’
    Daarom was ik nu aan de Rivièra, een burger die van Europa genoot alvorens gebruik te maken van dat transport naar huis. Van Heidelberg was geen sprake. O, de soldij die ik in de rimboe niet had kunnen opmaken plus uitbetaald verlof plus mijn pokerwinsten vormden samen een bedrag waarvan ik in Heidelberg een jaar had kunnen leven. Maar het zou nooit uitgesmeerd kunnen worden tot ik afgestudeerd was. Ik had gerekend op die mythische ‘Militaire Toelagenwet’ om mijn eten te betalen en op mijn contanten als een spaarpotje.
    Mijn (herziene) plan lag voor de hand. Die reis naar huis aangrijpen voor mijn jaar om was — voor het cursusjaar begon. Het geld dat ik had gebruiken om Oom en Tante kost en inwoning te betalen, volgende zomer werken en afwachten wat zich voordeed. Nu de dienst niet meer als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd hing, kon ik wel een manier vinden om dat laatste jaar uit te zweten, al kon ik dan geen ‘Herr Doktor Gordon’ worden.
    Maar de curcus begon pas in de herfst en nu was het lente. Ik zou verdomme wel wat van Europa willen zien voor ik in het gareel ging lopen; misschien zou er zich nooit meer zo’n kans voordoen.
    Er was nog een reden om te wachten: die Sweepstakeloten. Het trekken van de paarden zou al gauw gebeuren.
    De Ierse Sweepstake begint als een loterij. Eerst verkopen ze genoeg loten om het Centraal Station mee te behangen. De Ierse ziekenhuizen krijgen 25 procent en zijn de enige die zeker zijn van een prijs. Kort voor de rennen trekken ze de paarden. Laten we zeggen dat er twintig paarden meedoen. Als je lot geen paard trekt is het scheurpapier. (O ja, er zijn onbelangrijke troostprijzen).
    Maar als je wel een paard trekt, heb je nog niet gewonnen. Sommige paarden verschijnen helemaal niet aan de start. Van de andere lopen de meeste achter de andere paarden aan. Maar ieder lot dat dan een paard trekt, al is het een geit die amper naar de baan kan strompelen, krijgt plotseling een waarde van duizenden dollars tussen de trekking en de rennen. Hoeveel precies hangt ervan af hoe goed het paard is. Maar de prijzen zijn hoog en het is voorgekomen dat het slechtste paard won.
    Ik had drieënvijftig loten. Als er op een daarvan een paard viel, kon ik dat lot verkopen voor genoeg geld om in Heidelberg af te studeren.
    Daarom bleef ik en wachtte de trekking af. Europa hoeft niet duur te zijn. Een jeugdherberg is luxe voor iemand die uit de rimboe van Z.O. Azië komt en zelfs de Franse Rivièra is niet duur als je hem van onderaf benadert.
    Ik logeerde niet op La Promenade des Anglais; ik had een klein kamertje op de vierde verdieping, twee kilometer van het strand af en ik had het medegebruik van sanitaire inrichtingen. Er zijn prachtige nachtclubs in Nice, maar daar hoef je niet heen te gaan, omdat de floorshows op het strand net zo goed zijn... en gratis. Ik heb nooit beseft wat een grote kunst de waaierdans kan zijn voor ik voor het eerst een Frans meisje haar kleren uit en haar bikini aan zag trekken in het volle gezicht van ingezetenen, toeristen, gendarmes, honden — en mij — en dat alles zonder de toegeeflijke Franse zeden omtrent ‘onbetamelijke ontbloting’ te schenden. Of althans maar eventjes.
    Heus, er is aan de Franse Rivièra een heleboel te zien en te doen zonder geld uit te geven.
    De stranden zijn vreselijk. Stenen. Maar stenen zijn beter dan rimboemodder en ik deed een zwembroek aan en genoot van de floorshow en werd nog bruiner. Het was lente, nog geen toeristenseizoen en nog niet overvol, maar het was warm en zomerachtig en droog. Ik lag in de zon en voelde me gelukkig, en mijn enige luxe was een kluis bij American Express en de Parijse editie van de New York Herald Tribune en The Stars and Stripes. Die keek ik vluchtig door om te zien hoe de boven ons gestelde machten de wereld nu weer wanbeheerden, dan keek ik wat er voor nieuws was over de niet-oorlog waaruit ik pas was losgelaten (gewoonlijk werd die niet vermeld, hoewel ze ons verteld hadden dat we ‘de beschaving redden’) en dan wierp ik me op het belangrijke nieuws, d.w.z. nieuws over de Ierse Sweepstake plus de mogelijkheid dat The Stars and Stripes zou aankondigen dat het allemaal een boze droom geweest was en dat ik tenslotte toch in aanmerking kwam voor onderwijstoelagen.
    Daarna kwamen kruiswoordpuzzels en persoonlijke advertenties. Die las ik altijd; die geven een naakte blik op privé-levens. Bijvoorbeeld: M.L. bel R.S. voor twaalf uur. Geld. Dan vraag je je af wie wie wat aangedaan heeft en wie er betaald wordt.
    Kort daarop vond ik een nog goedkopere manier van leven met een nog betere floorshow. Heb je ooit van l’Île du Levant gehoord? Het is een eiland voor de kust van de Rivièra tussen Marseille en Nice en het lijkt veel op Catalina. Aan het ene eind ligt een dorp en de Franse Marine heeft het andere eind in beslag genomen voor geleide projectielen; de rest is heuvels en stranden en grotten. Er zijn geen auto’s, zelfs geen fietsen. De mensen die daar heengaan willen niet aan de buitenwereld worden herinnerd.
    Voor tien dollar per dag kun je je baden in weelde die overeenkomt met veertig dollar per dag in Nice. Of je kunt vijf cent per dag voor een camping betalen en leven van een dollar per dag — wat ik deed — en er zijn altijd goede goedkope restaurants als je geen zin hebt om te koken.
    Het is een plekje dat geen enkele regel schijnt te kennen. Wacht even: er is er toch een. Buiten het dorp, Heliopolis, staat een bord ‘LE NU INTEGRAL EST FORMELLEMENT INTERDIT’. (’Volkomen naaktheid is strikt verboden’)
    Dat betekent dat iedereen, man of vrouw een driehoekje stof, een cache-sexe, een vendoshi moet aantrekken alvorens het dorp te betreden.
    Elders, op de stranden, op de campings en verder op het eiland hoef je niets te dragen en dat doet ook niemand.
    Behalve wat betreft de afwezigheid van auto’s en kleren lijkt het Eiland van de Levant precies op ieder ander plaatsje op het platteland van Frankrijk. Er is een tekort aan leidingwater, maar de Fransen drinken geen water en je baadt in de Middellandse Zee en voor een franc kun je genoeg water kopen om twaalf maal het zout af te sponzen. Je neemt de trein van Nice of Marseille, je stapt uit in Toulon en neemt de bus naar Lavandou, dan een boot (een uur en een paar minuten) naar l’Île du Levant — en dan werp je je zorgen tegelijk met je kleren van je af.
    Ik ontdekte dat ik de Herald Tribune, een dag oud, in het dorp kon kopen in dezelfde winkel (’Au Minimum’, Mme. Alexandre) waar ik een tent en kampeergerei had gehuurd. Ik kocht kruidenierswaren bij La Brise-Marine en kampeerde boven La Plage des Grottes, dicht bij het dorp en installeerde me en liet mijn zenuwen zich ontspannen terwijl ik van de floorshow genoot.
    Er zijn mensen die afgeven op de goddelijke vrouwelijke vorm. Seks is veel te goed voor ze; ze hadden oesters moeten zijn. Alle vrouwen zijn prettig om naar te kijken (inbegrepen kleine bruine zusters, al was ik dan bang van ze); het enige verschil is dat sommige mooier zijn dan andere. Er waren dikke en magere en oude en jonge. Er waren er die er uitzagen of ze zo uit de Folies Bergère gestapt waren. Met een van hun raakte ik bekend en ik had het nog niet zo ver mis; het was een Zweeds meisje dat een ‘nue’ was in een andere Parijse revue. Ze oefende haar Engels op mij en ik oefende mijn Frans op haar en ze beloofde Zweeds voor me te zullen koken als ik ooit in Stockholm kwam en ik kookte voor haar boven een spirituslamp en we kregen de slappe lach bij een vin ordinaire en ze wilde weten hoe ik aan mijn littekens gekomen was en ik diste wat leugens op. Marjatta was goed voor de zenuwen van een oude soldaat en het deed me verdriet toen ze weg moest.
    Maar de floorshow ging door. Drie dagen later zat ik op het Grottenstrand tegen een rots geleund met een kruiswoordpuzzel toen ik plotseling scheel keek door een poging niet naar de meest aanstaarbare vrouw te staren die ik ooit van mijn leven had gezien.
    Vrouw, meisje — ik was er niet zeker van. Op het eerste gezicht dacht ik dat ze achttien was, misschien twintig; later, toen ik haar recht in haar gezicht kon kijken leek ze nog achttien maar had ze veertig kunnen zijn. Of honderdveertig. Ze had de tijdloosheid van volkomen schoonheid. Zoals Helena van Troje of Cleopatra. Het scheen best mogelijk dat ze Helena van Troje was, maar ik wist dat ze Cleopatra niet was, omdat ze geen rood haar had; ze was een natuurlijke blondine. Ze had over haar hele lichaam de kleur van geroosterd brood zonder enig spoor van de aftekening van een bikini en haar haar had dezelfde kleur twee tinten lichter. Het stroomde onbelemmerd in sierlijke golven over haar rug en scheen nooit geknipt geweest te zijn.
    Ze was groot, niet veel kleiner dan ik en niet al te veel lichter. Niet dik, helemaal niet dik behalve die sierlijke opvulling die de vrouwelijke gestalte zo vloeiend maakt en de spieren daaronder verdoezelt — ik was er zeker van dat er spieren onder zaten; ze bewoog zich met de ontspannen kracht van een leeuwin.
    Haar schouders waren breed voor een vrouw, net zo breed als haar zeer vrouwelijke heupen; haar middel zou bij een kleinere vrouw misschien zwaar geleken hebben, bij haar was het verrukkelijk smal. Haar buik was helemaal niet uitgezakt maar droeg de lieflijke dubbelgewelfde ronding van volmaakte spierkracht. Haar borsten — slechts haar grote borstkas kon zulke grote dragen zonder dat het te veel van het goede leek. Ze stonden stevig vooruit en bewogen slechts heel weinig wanneer ze zich bewoog en ze werden bekroond door rozig bruine snoepjes die ronduit tepels waren, vrouwelijk en niet maagdelijk.
    Haar navel was dat juweel dat de Perzische dichters zo bezongen hebben.
    Haar benen waren lang voor haar lengte; haar handen en voeten waren niet klein, maar slank, sierlijk. Ze was helemaal sierlijk, het was onmogelijk je haar voor te stellen in een ongracieuze houding. Toch was ze zo lenig en soepel dat ze zich als een kat in elke stand had kunnen ineenstrengelen. Haar gezicht — hoe beschrijf je volmaakte schoonheid behalve door te zeggen dat je die niet kunt miskennen als je haar ziet? Ze had volle lippen en een nogal grote mond. Die was zwak gebogen in de schaduw van een glimlach zelfs als haar gelaatstrekken in rust verkeerden. Haar lippen waren rood, maar als ze enige make-up gebruikte was die zo bekwaam aangebracht dat ik het niet ontdekken kon — en alleen dat zou haar al uitzonderlijk gemaakt hebben want het was een jaar dat alle andere vrouwen ‘Continentale’ make-up gebruikten, zo kunstmatig als een corset en zo brutaal als de glimlach van een hoer.
    Haar neus was recht en groot genoeg voor haar gezicht, geen knopje. Haar ogen —
    Ze merkte dat ik naar haar staarde. Natuurlijk verwachten vrouwen dat er naar ze gekeken wordt en dat verwachten ze ongekleed evenzeer als wanneer ze voor een bal zijn gekleed. Maar het is onbeleefd om openlijk te staren. Ik had de strijd binnen tien seconden opgegeven en trachtte me haar, iedere lijn, iedere ronding, te herinneren.
    Haar ogen ontmoetten de mijne en ze staarde terug en ik begon te blozen maar kon mijn blik niet afwenden. Haar ogen waren zo diep blauw dat ze donker leken, donkerder dan mijn eigen bruine ogen.
    Ik zei hees: ‘Pardonnez-moi, mamselle,’ en slaagde er in mijn ogen af te wenden.
    Ze antwoordde in het Engels : ‘O, ik vind het niet erg. Kijk maar zoveel u wilt,’ en nam me net zo nauwkeurig van het hoofd tot de voeten op als ik het haar gedaan had. Haar stem was een warme, volle alt, verrassend diep in de laagste tonen. Ze deed twee stappen naar me toe en stond bijna over me heen. Ik begon op te staan en ze wenkte me te blijven zitten met een gebaar dat gehoorzaamheid verwachtte, alsof ze gewend was bevelen te geven. ‘Blijf liggen waar u ligt,’ zei ze.
    De bries bracht haar geur naar me over en ik kreeg overal kippevel. ‘U bent Amerikaan.’
    ‘Ja.’ Ik was er zeker van dat zij geen Amerikaanse was en toch was ik er even zeker van dat ze geen Française was. Niet alleen was er geen spoor van een Frans accent, maar ook — nou ja, Franse vrouwen provoceren altijd, althans lichtelijk; daar kunnen ze niets aan doen, het is in de Franse cultuur ingeworteld. Er was niets provocerends aan deze vrouw — behalve dat haar bestaan alleen al aanleiding zou geven tot relletjes.
    Maar zonder provocerend te zijn had ze die zeldzame gave voor onmiddellijke intimiteit; ze sprak tegen me zoals een heel oude vriendin zou kunnen doen, vrienden die elkaars zwakste punten kennen en tête-à-tête volkomen op hun gemak zijn. Ze stelde me vragen over mezelf, sommige bepaald persoonlijk en ik beantwoordde ze allemaal eerlijk, en het kwam helemaal niet bij me op dat ze het recht niet had me te ondervragen. Ze vroeg me niet naar mijn naam en ik de hare niet — ik vroeg haar helemaal niets.
    Tenslotte zweeg ze en bekeek me weer zorgvuldig en ernstig. Toen zei ze bedachtzaam: ‘Je bent bijzonder mooi,’ en voegde er aan toe: ‘Au ‘voir,’ — keerde zich om en liep over het strand het water in en zwom weg.
    Ik was te verbijsterd om me te bewegen. Niemand had me ooit ‘knap’ genoemd, zelfs niet voor mijn neus gebroken was. En wat ‘mooi’ betreft!
    Maar ik geloof niet dat ik er iets aan gehad had haar te achtervolgen, zelfs als ik daar tijdig aan had gedacht. Die zus kon zwemmen.

III

    Ik bleef tot zonsondergang op de plage wachten tot ze terug zou komen. Toen at ik een haastig maal van brood en kaas en wijn, deed mijn vendoshi aan en wandelde de stad in. Daar zwierf ik door bars en restaurants en kon haar niet vinden; ondertussen keek ik overal naar binnen in de villaatjes waarvan de gordijnen niet dichtgetrokken waren. Toen de bistro’s begonnen te sluiten gaf ik het op, ging terug naar mijn tent, schold mezelf uit voor alles wat mooi en lelijk was — (waarom had ik niet het benul gehad om te zeggen: ‘Hoe heet U en waar woont U en waar bent U als U hier bent’?) — stapte in mijn slaapzak en ging slapen.
    Ik was bij zonsondergang al op en controleerde de plage, ontbeet, controleerde de plage weer, ‘kleedde’ me en ging naar het dorp, controleerde de winkels en het postkantoor en kocht mijn Herald Tribune.
    Toen werd ik geconfronteerd met een van de moeilijkste beslissingen van mijn leven: ik had een paard getrokken.
    Ik was er eerst niet zeker van omdat ik die drieënvijftig volgnummers niet uit mijn hoofd geleerd had. Ik moest naar mijn tent terughollen, een aantekenboek opscharrelen en het controleren — en het was zo! Het was een nummer dat in mijn geheugen was blijven hangen vanwege de vorm: XDY 34555. Ik had een paard!
    Hetgeen ettelijke duizenden dollars betekende, hoeveel wist ik niet precies. Maar genoeg om in Heidelberg af te studeren — als ik het meteen te gelde maakte. De Herald Tribune kwam hier altijd een dag later, wat betekende dat de trekking minstens twee dagen eerder plaats gevonden had — en in die tussentijd kon die knol een been breken of op negen andere manieren beschadigd worden. Mijn lot vertegenwoordigde alleen maar een aanzienlijk bedrag zolang ‘Geluksster’ te boek stond als deelnemer.
    Ik moest ijlings naar Nice om er achter te komen waar en hoe je een gelukslot het voordeligst kon verkopen. Het lot uit mijn kluis halen en het verkopen!
    Maar hoe moest het dan met ‘Helena van Troje’?
    Shylock met zijn hartverscheurende kreet van ‘O, mijn dochter! O, mijn dukaten!’ kon niet meer in tweestrijd gestaan hebben dan ik.
    Ik gooide het op een akkoordje. Ik schreef een moeilijk briefje, legde uit wie ik was, vertelde haar dat ik plotseling weggeroepen was en smeekte haar óf te wachten tot ik morgen terug was óf op zijn allerminst een briefje achter te laten om me te vertellen waar ik haar kon vinden. Ik liet het achter bij de directrice van het postkantoor, met een beschrijving — blond, zo groot, zulk lang haar, prachtige poitrine — en twintig franc met de belofte van tweemaal zoveel als ze het afleverde en voor een antwoord zorgde. De directrice zei dat ze haar nooit had gezien, maar als cette grande blonde ooit een stap in het dorp zou zetten zou het briefje afgeleverd worden.
    Toen had ik nog net tijd genoeg om terug te vliegen, kleren aan te trekken die geschikt waren om het eiland mee te verlaten, mijn kampeergerei bij Mme. Alexandre achter te laten en de boot te halen. Toen had ik drie uur reistijd om te tobben en te piekeren.
    De moeilijkheid was dat Geluksster niet werkelijk een knol was. Mijn paard werd niet lager aangeslagen dan nummer vijf of zes, wie dat ook uitmaakte. Dus? Ophouden nu ik gewonnen had en mijn winst opstrijken?
    Of alles of niets?
    Het was niet eenvoudig. Laten we aannemen dat ik het lot voor US $10.000 verkopen kon. Zelfs als ik geen konkelefoesjes met de fiscus uithaalde, zou ik daar het grootste deel van overhouden en mijn studie kunnen afmaken.
    Maar ik zou de school in ieder geval al afmaken — en wilde ik nu wel zo graag naar Heidelberg? Die student met de littekens was een knoeier geweest met zijn valse trots op zijn littekens uit namaakgevaar.
    Stel, dat ik het vasthield en de grote prijs won, £50,000 of US 140.000 —
    Weet je hoeveel belasting een vrijgezel betaalt over $140.000 in het Land van de Dapperen en het Vaderland van de Vrijen?
    $103.000, dit betaalt hij.
    Dan heeft hij $37.000 over.
    Wilde ik $10.000 verwedden tegen de kans om $37.000 te winnen — een kans van 1 op 15?
    Kerel, dat is bijkopen met een kleine straat. Het principe is hetzelfde of het nu om 37 mille gaat of om twee boeren bij een inzet van een kwartje.
    Maar als ik het nu klaarspeelde om op de een of andere manier aan de fiscus te ontkomen, en dus $10.000 verwedde om $140.000 te winnen? Dan stond de mogelijke winst in dezelfde verhouding — en $140.000 was geen zakcentje tijdens mijn studie, maar een fortuin dat elk jaar vier of vijfduizend dollar zou opbrengen.
    Ik zou Uncle Sam er niet mee ‘beduvelen’; de Verenigde Staten had niet meer aanspraak op dat geld (als ik het won) dan ik op het Heilige Roomse Rijk had. Wat had Uncle Sam voor mij gedaan? Hij had mijn vaders leven opgeknapt met twee oorlogen, waarvan we er één niet mochten winnen — en het daardoor voor mij moeilijk gemaakt om de universiteit te bezoeken, nog helemaal afgezien van wat een vader in geestelijke ontastbaarheden voor zijn zoon waard is (dat wist ik niet en ik zou het nooit weten) — toen had hij mij van school gehaald en me uitgezonden om weer een niet-oorlog te voeren en me bijna laten sneuvelen en me beroofd van mijn meisjesachtig lachen.
    Dus waarom zou Uncle Sam in aanmerking komen om $103.000 in te pikken en mij aan het kortste eind te laten trekken? Om het aan Polen te ‘lenen’? Of het aan Brazilië te geven? Mij niet gezien!
    Er was wel een manier om het allemaal te houden (als ik won) en net zo wettig als een huwelijk. Een jaar in het goeie, ouwe, belastingvrije Monaco gaan wonen. En daarna kon je het overal mee naar toe nemen.
    Misschien naar Nieuw Zeeland. In de Herald Tribune hadden de gebruikelijke koppen gestaan, alleen nog een beetje erger dan anders. Het zag er naar uit dat de jongens die de leiding van deze planeet hebben op het punt stonden die grote oorlog te gaan voeren, die met de intercontinentale raketten en de H-bommen.
    Als je zover naar het zuiden ging als Nieuw Zeeland, zou er misschien nog iets over zijn nadat de fallout verdwenen was. Ze zeggen dat Nieuw Zeeland erg mooi is en ze zeggen dat een hengelaar daar een forel van twee kilo te klein vindt om mee naar huis te nemen.
    Ik had eens een forel van bijna een kilo gevangen.
    En toen deed ik een vreselijke ontdekking. Ik wilde helemaal niet terug naar school, winnen of niet winnen. Garages voor drie auto’s en zwembaden noch enig ander statussymbool of ‘zekerheid’ konden me nog iets verdommen. Er was geen zekerheid in deze wereld en alleen stomme idioten en muizen dachten dat die er wel kon zijn.
    Ergens in de rimboe had ik al dergelijke idealen van me afgeschud. Ik was te vaak beschoten en ik had mijn belangstelling verloren in supermarkten en villawijken en vanavond is het ouderavond, vergeet het niet, lieve, je hebt het beloofd.
    O, ik was niet van plan me in een klooster terug te trekken, ik wilde nog steeds —
    Wat wilde ik eigenlijk?
    Ik wilde een witte raaf. Ik wilde een harem overvol schone odalisken die minder waren dan het stof onder de wielen van mijn zegewagen, minder dan het roest dat mijn zwaard nooit zou bevlekken. Ik wilde ruw rood goud in klompen zo groot als je vuist en de vent die mijn claim probeerde af te pakken kon voor de honden geworpen worden! Ik wilde kwiek opstaan om een paar lansen te breken en dan een veelbelovend meisje uitzoeken voor mijn droit de seigneur — ik wilde de Kasteelheer tarten en zorgen dat hij met zijn poten van mijn meisje afbleef! Ik wilde het purperen water tegen de huid van de Nancy Lee horen kabbelen in de koelte van de morgenwacht en geen enkel ander geluid of beweging behalve de trage wiekslag van de albatros die ons de laatste duizend kilometer had vergezeld.
    Ik wilde de wervelende manen van Barsoom. Ik wilde Storisende en Poictesme en Holmes die me wakker schudde om te vertellen: ‘Het spel gaat beginnen!’ Ik wilde de Mississippi afzakken op een vlot en aan de menigte ontkomen in gezelschap van Graaf Bilgewater en de Verdwenen Dauphin.
    Ik wilde Prester John, en het zwaard Excalibur dat door een lelieblanke arm uit het meer omhooggeheven werd. Ik wilde meevaren met Odysseus en met Tros van Samothrace en lotus eten in een land waar het altijd namiddag scheen te zijn. Ik wilde de aanraking van romantiek en het gevoel van het wonderlijke dat ik als kind gehad had. Ik wilde de wereld zoals ze me beloofd hadden dat die zijn zou — in plaats van de bezoedelde, ellendige rotzooi die er van gemaakt is.
    Ik had één kans gehad — gisterenmiddag gedurende tien minuten. Helena van Troje, wat je ware naam ook moge zijn — en ik had het geweten... en ik had het door mijn handen laten glippen.
    Misschien krijg je nooit meer dan éen kans.
    De trein reed Nice binnen.
    In het kantoor van American Express ging ik naar de Bank-afdeling en naar mijn kluis, haalde mijn lot er uit en vergeleek het met de Herald Tribune — XDY 34555, já! Om mijn beven te laten ophouden vergeleek ik de andere loten ook en die waren scheurpapier net zoals ik gedacht had. Ik legde ze terug in de doos en vroeg naar de directeur.
    Ik had een financieel probleem en American Express is een bank, niet alleen een reisbureau. Ik werd het kantoor van de directeur binnengeleid en we stelden ons aan elkaar voor.
    ‘Ik wilde advies vragen,’ zei ik. ‘Ziet U, ik heb een van de winnende Sweepstakeloten.’
    Hij begon te grinniken. ‘Gefeliciteerd! U bent de eerste sinds een hele tijd die hier met goed nieuws komt en niet met een klacht.’
    ‘Dank u. Eh, mijn probleem is het volgende. Ik weet dat een lot dat een paard getrokken heeft aardig wat waard is tot de rennen. Het hangt natuurlijk van het paard af.’
    ‘Natuurlijk,’ stemde hij toe. ‘Welk paard hebt u getrokken?’
    ‘Nogal een goede, Geluksster — en dat maakt het juist zo moeilijk. Als ik H-bom getrokken had of een van de drie favorieten — nu ja, u begrijpt het wel. Ik weet niet of ik het verkopen moet of het vast moet houden omdat ik de kansen niet ken. Weet u wat er voor Geluksster geboden wordt?’
    Hij legde zijn vingers tegen elkaar. ‘Meneer Gordon, American Express geeft geen tips over paardenrennen en we behandelen de verkoop van Sweepstake-loten ook niet. Maar — Hebt u het lot bij u?’
    Ik haalde het tevoorschijn en overhandigde het hem. Het had aan pokerspelletjes meegedaan en had zweetvlekken en was gekreukt. Maar het gelukkige nummer was onmiskenbaar.
    Hij keek er naar. ‘Hebt u uw ontvangstbewijs?’
    ‘Dat heb ik niet bij me.’ Ik wilde beginnen uit te leggen dat ik het adres van mijn stiefvader gegeven had — en dat mijn post doorgezonden was naar Alaska. Hij viel me in de rede.
    ‘Dat is wel in orde.’ Hij raakte een schakelaar aan. ‘Alice, wil je M’sieur Renault vragen even binnen te komen?’ Ik begon me af te vragen of het inderdaad in orde was. Ik was zo pienter geweest om namen en nieuwe ontvangstbewijzen van de oorspronkelijke eigenaars te vragen en ze hadden allemaal beloofd me hun ontvangstbewijs te sturen als ze dat ontvingen — maar er hadden me geen bewijzen bereikt. Misschien in Alaska — ik had dit lot nagekeken toen ik in de kluis was; het was gekocht door een sergeant die nu in Stuttgart was. Misschien zou ik hem wat moeten betalen of misschien zou ik hem zijn arm moeten breken.
    Meneer Renault zag er uit als een vermoeide schoolmeester.
    ‘M’sieur Renault is onze expert op dit gebied,’ legde de directeur uit. ‘Wilt u hem dit lot eens laten bekijken?’
    De Fransman keek ernaar en toen klaarde zijn gezicht op en hij tastte in zijn zak, bracht een juweliersloep tevoorschijn en schroefde die in zijn oog. ‘Prachtig!’ zei hij waarderend. ‘Een van de beste. Misschien uit Hongkong?’
    ‘Ik heb het in Singapore gekocht.’
    Hij knikte en glimlachte. ‘Dat komt op hetzelfde neer.’
    De directeur glimlachte niet. Hij haalde een ander Sweepstakelot uit zijn schrijftafel en overhandigde het mij. ‘Meneer Gordon, dit heb ik in Monte Carlo gekocht. Wilt U ze vergelijken?’
    Volgens mij zagen ze er hetzelfde uit behalve de volgnummers en het feit dat het zijne glad en nieuw was. ‘Waar moet ik naar kijken?’
    ‘Misschien dat dit helpt.’ Hij reikte me een groot vergrootglas aan.
    Een Sweepstakelot is gedrukt op speciaal papier, er staat een gravure op en het is in meerdere kleuren uitgevoerd. Het is mooier graveer- en drukwerk dan vele landen voor hun bankbiljetten gebruiken.
    Ik had al lang geleerd dat je een twee niet in een aas kunt veranderen door er naar te staren. Ik gaf hem het lot terug. ‘Het mijne is een vervalsing.’
    ‘Dat heb ik niet gezegd, Meneer Gordon. Ik zou U willen voorstellen het oordeel van een derde te vragen. Bijvoorbeeld bij de Bank van Frankrijk.’
    ‘Ik kan het zien. De graveerlijnen zijn op het mijne niet scherp en gelijk. Op sommige plaatsen zijn ze onderbroken. Onder het vergrootglas kun je zien dat er vegen op zitten.’ Ik keerde me om. ‘Heb ik gelijk, Meneer Renault?’
    De expert haalde deelnemend zijn schouders op. ‘Het is mooi werk in zijn soort.’
    Ik bedankte ze en verliet de bank. Ik controleerde het bij de Bank van Frankrijk, niet omdat ik aan de uitspraak twijfelde, maar omdat je je geen been laat amputeren of $140.000 in het water gooit voor je een tweede oordeel gevraagd hebt. Hun expert haalde er niet eens een loep bij. ‘Contrefait,’ verkondigde hij. ‘Waardeloos.’
    Ik kon die avond niet meer terug naar l’Île du Levant. Ik ging eten en toen naar mijn vroegere hospita. Mijn bezemkast was leeg en ik kon er die nacht logeren. Ik lag niet lang wakker.
    Ik was niet zo terneergedrukt als ik had verwacht. Ik voelde me ontspannen, bijna opgelucht. Een poosje had ik het heerlijke gevoel gehad rijk te zijn — en ik had er de tegenhanger, de zorgen van rijkzijn, van meegemaakt — en beide gevoelens waren belangwekkend, maar ik had er geen zin in ze te herhalen, althans niet direct.
    Nu had ik geen zorgen. Het enige wat vastgesteld moest worden was, wanneer naar huis te gaan en met het zo goedkope leven op het eiland was daar geen haast bij. Het enige waar ik over tobde was dat ik door naar Nice te vliegen ‘Helena van Troje’ gemist had, cette grande blonde!... si grande... si belle... si majestueuse! Ik viel in slaap terwijl ik aan haar dacht.
    Ik was van plan geweest de vroege trein en dan de eerste boot te nemen. Maar de vorige dag had ik bijna al het geld opgemaakt dat ik bij me had en ik was zo stom geweest geen contanten op te nemen terwijl ik bij American Express was. Bovendien had ik niet naar post gevraagd. Ik verwachtte geen post, behalve van mijn moeder en misschien van mijn tante — de enige goede vriend die ik in het Leger had gehad, was zes maanden tevoren gesneuveld. Maar als ik toch op mijn geld moest wachten kon ik net zo goed kijken of er post was.
    Dus tracteerde ik mezelf op een weelderig ontbijt. De Fransen denken dat een man de dag in het gezicht kan zien op cichorei en melk en een croissant, wat wellicht de reden van hun zwakke politiek is. Ik zocht een caféterras bij een grote kiosk, de enige in Nice waar ze The Stars and Stripes hadden en waar de Herald Tribune verkocht zou worden zodra hij aankwam; ik bestelde meloen, café complet voor twee personen en een omelette aux fines herbes; en maakte het me gemakkelijk om van het leven te genieten.
    Toen de Herald Tribune kwam deed die afbreuk aan mijn Sybaritische genoegens. De koppen waren erger dan ooit en herinnerden me eraan dat ik tegen de wereld opgewassen moest zijn; ik kon niet eeuwig op 1’Île du Levant blijven.
    Maar waarom zou ik daar niet zo lang mogelijk blijven? Ik wilde nog steeds niet terug naar school en dat garage-voor-drie-auto’s-ideaal had net zo afgedaan als dat Sweepstakelot. Als de Derde Wereldoorlog op het punt stond uit te breken had het geen zin ingenieur te worden voor zes of achtduizend dollar per jaar in Santa Monica alleen maar om door de vuurgloed weggevaagd te worden.
    Het zou veel beter zijn een lustig leventje te leiden, roze-knoppen te vergaren, die goeie diem te carpen, met dollars en tijd genoeg in plaats van — nou ja, misschien dienst nemen bij de Mariniers zoals mijn vader. Misschien kon ik wel korporaal worden — en het blijven.
    Ik vouwde de krant om de persoonlijke advertenties te lezen. Het waren mooie. Behalve de gebruikelijke aanbiedingen van helderzienden en hoe-leer-ik-yoga en de verbloemde berichten van het ene stel initialen aan het andere waren er verschillende nieuwe. Zoals —
    BELONING! Bent U van plan zelfmoord te plegen? Draag de huur van Uw flat aan mij over en ik zal U Uw laatste dagen in weelde laten baden. Postbus 323, H-T.
    Of: Hindoe heer, niet-vegetarisch, wenst kennis te maken met beschaafde Europese, Afrikaanse of Aziatische dame in het bezit van sportwagen. Doel: bevordering van internationale verhoudingen. Postbus 107. Hoe doe je dat in een sportwagen?
    Eén was er onheilspellend — Hermafrodieten aller landen, verenigt U! U hebt niets te verliezen dan Uw ketenen. Tel. Opera 59-09.
    De volgende begon:
    BENT U EEN LAFAARD?
    Ja, natuurlijk. Als ik de kans krijg. Ik las verder:
    BENT U EEN LAFAARD? Dan is dit niet voor U bestemd. Wij hebben dringend behoefte aan een dapper man. Hij moet 23 à 25 jaar zijn, kerngezond, minstens één meter tachtig, 85 kilo, vloeiend Engels en enige kennis van Frans, bedreven op alle wapens, enige kennis van bouwkunde en wiskunde is een vereiste, moet willen reizen, geen familie of andere banden, onbedwingbaar moedig en knap van gezicht en postuur. Vaste betrekking, zeer hoog salaris, roemrijke avonturen, grote gevaren. Persoonlijk aanmelden, rue Dante 17, Nice, 2me étage, appt. D.
    Ik las die vereiste voorwaarde over gezicht en postuur met grote opluchting. Gedurende een duizelingwekkend ogenblik had het me toegeschenen alsof iemand met een scheef gevoel voor humor die paardenmop op mij gemunt had. Iemand die mijn gewoonte kende om de persoonlijke advertenties te lezen.
    Dat adres was maar honderd meter verwijderd van de plaats waar ik zat. Ik las de advertentie nog eens.
    Toen betaalde ik de addition, gaf een uitgedokterde fooi, liep naar de kiosk en kocht de Stars and Stripes, wandelde naar American Express, haalde geld en mijn post, en ging daarna naar het station. Het duurde nog een uur voor de trein naar Toulon vertrok, dus ging ik de bar binnen, bestelde een glas bier en ging zitten lezen.
    Het speet moeder dat ik ze in Wiesbaden gemist had. Haar brief somde de ziekten van de kinderen op, de hoge prijzen in Alaska en uitte haar spijt dat ze Duitsland hadden moeten verlaten. Ik stopte hem in mijn zak en pakte de Stars and Stripes op.
    Even later las ik: BENT U EEN LAFAARD? — tot het laatste woord dezelfde advertentie.
    Ik gooide de krant met een snauw op de grond.
    Er waren nog drie brieven. Een ervan nodigde me uit een bijdrage te geven voor de sportvereniging van mijn vroegere school; de tweede offreerde me advies in de keuze van mijn beleggingen tegen een speciaal tarief van $48 per jaar; de laatste was een enveloppe zonder postzegel, kennelijk afgegeven bij American Express.
    Er zat alleen een krantenknipsel in, dat begon: BENT U EEN LAFAARD?
    Het was hetzelfde als de twee andere advertenties, behalve dat er in de laatste zin iets was onderstreept: Persoonlijk aanmelden —
    Ik smeet geld weg aan een taxi naar de rue Dante. Als ik me haastte was er nog tijd genoeg om deze warboel te ontwarren en toch de trein naar Toulon nog te halen. No. 17 was een flat zonder lift; ik liep naar boven en toen ik appartement D naderde ontmoette ik een jongeman die er uit kwam. Hij was een meter tachtig, knap van gezicht en postuur en zag er uit alsof hij best hermafrodiet kon zijn.
    Op de deur stond: Dr. BALSAMO — BEZOEK VOLGENS AFSPRAAK, in het Frans en het Engels. De naam kwam me bekend en lichtelijk vals voor, maar ik bleef niet staan om het uit te puzzelen: ik ging naar binnen.
    In het kantoor was een rommel geschapen op een manier die alleen bekend is aan oude Franse advocaten en expediteurs. Achter het bureau zat een dwergachtige vent met een vrolijke glimlach, harde ogen, het roodste gezicht en schedel die ik ooit had gezien en een franje van slordig wit haar. Hij keek me aan en giechelde: ‘Welkom! Dus U bent een held?’
    Plotseling trok hij een revolver tevoorschijn die half zo lang was als hijzelf en zeker zo zwaar en richtte die op me. Je zou een Volkswagen de loop in hebben kunnen rijden.
    ‘Ik ben geen held,’ zei ik onbeschoft. ‘Ik ben een lafaard. Ik kwam hier alleen maar om te kijken wat er achter steekt.’ Ik maakte een zijwaartse beweging terwijl ik dat afschuwelijke stuk geschut de andere kant op zwaaide, sloeg hem op zijn pols en nam het hem af. Toen gaf ik het hem weer terug. ‘Daar moet je niet mee spelen, anders zal ik het in je strot douwen. Ik heb haast. Bent U Dr. Balsamo? Hebt U die advertentie geplaatst?’
    ‘Kom, kom,’ zei hij, helemaal niet geërgerd. ‘De onstuimige jeugd. Nee, Dr. Balsamo is daarbinnen.’ Hij wees met zijn wenkbrauwen naar twee deuren in de linkermuur en drukte toen op een bel — het enige ding in de kamer dat dateerde van na Napoleon. ‘Ga maar naar binnen. Ze verwacht je.’
    ‘Zij? Welke deur?’
    ‘Aha, de Dame of de Tijger? Komt het er op aan? Op de lange duur? Een held moet het weten. Een lafaard zou de verkeerde kiezen, omdat hij zou denken dat ik lieg. Allez-y! Vite, vite! Schnell! Schiet een beetje op, vriend.’
    Ik snoof en rukte de rechterdeur open.
    De dokter stond met haar rug naar me toe bij een toestel tegen de tegenovergestelde muur en ze droeg een van die witte jassen met een boord die doktoren plegen te dragen. Links van me stond een onderzoektafel, rechts een modern-Zweedse rustbank; er waren kasten van roestvrij staal en glas en enkele ingelijste diploma’s; de hele kamer was zo modern als het kantoor niet was.
    Toen ik de deur sloot keerde ze zich om, keek me aan en zei kalm: ‘Ik ben erg blij dat je gekomen bent.’ Toen glimlachte ze en zei zachtjes: ‘Je bent mooi,’ en liet zich in mijn armen vallen.

IV

    Ongeveer een minuut en veertig seconden en vele eeuwen later verwijderde ‘Dr. Balsamo-Helena van Troje’ haar mond een paar centimeter van de mijne en zei: ‘Laat me alsjeblieft los, kleed je uit en ga op de onderzoektafel liggen.’
    Ik voelde me alsof ik negen uur geslapen had, een krachtige douche genomen had en drie borrels ijskoude akwavit op een nuchtere maag had gedronken. Ik wilde alles doen wat ze wilde. Maar de situatie vroeg eenvoudig om een geestig antwoord.
    ‘Hè?’ zei ik.
    ‘Alsjeblieft. Jij bent het, maar ik moet je toch onderzoeken.’
    ‘Nou... goed dan,’ gaf ik toe. ‘Jij bent de dokter,’ voegde ik er aan toe en begon mijn overhemd los te knopen. ‘Je bént toch een dokter? Medisch dokter bedoel ik.’
    ‘Ja. Onder andere.’
    Ik schopte mijn schoenen uit. ‘Maar waarom wil je mij onderzoeken?’
    ‘Misschien op hersentekens. O, die zal ik niet vinden, dat weet ik wel. Maar ik moet ook naar andere dingen zoeken. Voor je eigen bestwil.’
    Die tafel voelde koud aan tegen mijn huid. Waarom bekleden ze die dingen niet? ‘Is je naam Balsamo?’ ‘Eén van mijn namen,’ zei ze verstrooid terwijl ze me met voorzichtige vingers hier en daar aanraakte. ‘Het is een familienaam.’
    ‘Wacht eens even. Graaf Cagliostro!
    ‘Een van mijn ooms. Ja, hij heeft die naam gebruikt. Oom Jozef is een heel ondeugende man en nogal leugenachtig.’ Ze raakte een klein oud litteken aan. ‘Je blindedarm is verwijderd.’
    ‘Ja.’
    ‘Goed. Laat me je tanden zien.’
    Ik sperde mijn mond wijd open. Mijn gezicht mag dan niet veel voorstellen, met mijn tanden kan ik reclame maken voor Prodent. Even later knikte ze. ‘Fluoridesporen. Goed. Nu moet ik je bloed hebben.’
    Ze had er me voor in mijn hals mogen bijten en dan zou ik het nog niet erg gevonden hebben. Het zou me ook niet verwonderd hebben. Maar ze deed het op de gewone manier, ze nam tien cc. uit mijn linkerarm. Ze pakte het buisje en zette het in het toestel tegen de muur. Dat snorde en gonsde en ze kwam weer naar me toe. ‘Luister eens, Prinses,’ zei ik.
    ‘Ik ben geen prinses.’
    ‘Nou... ik weet je voornaam niet en je hebt laten doorschemeren dat je achternaam niet echt ‘Balsamo’ is — en ik wil je geen ‘Dok’ noemen.’ Ik wilde haar om de dooie dood geen ‘Dok’ noemen — niet het mooiste meisje dat ik ooit gezien had of kon hopen nog ooit te zien... niet na een kus die de herinnering aan iedere andere kus die ik ooit ontvangen had had uitgewist. Nee.
    Ze overdacht het. ‘Ik heb vele namen. Hoe zou je me willen noemen?’
    ‘Is één ervan Helena?’
    Ze glimlachte als een zonnestraal en ik zag dat ze kuiltjes had. Ze zag eruit of ze zestien was en haar eerste baljurk droeg.
    ‘Je bent heel galant. Nee, zij is zelfs geen familie. Dat is heel, heel lang geleden.’ Haar gezicht nam een nadenkende uitdrukking aan. ‘Zou je me ‘Etarre’ willen noemen?’
    ‘Is dat één van je namen?’
    ‘Het lijkt erg op éen ervan, als je de verschillende spelling en klemtoon in aanmerking neemt. Of ‘Esther’ zou er net zo dichtbij komen. Of ‘Aster’. Of zelfs ‘Estrellita’.’
    ‘Aster,’ herhaalde ik. ‘Ster. Geluksster!’
    ‘Ik hoop dat ik je geluksster zal zijn,’ zei ze ernstig. ‘Zoals je wilt. Maar hoe zal ik jou noemen?’
    Daar dacht ik over na. Ik was bepaald niet van plan met ‘Flash’ op de proppen te komen — ik ben geen stripverhaal. De Leger-bijnaam die ik het langst gedragen had was volkomen ongeschikt om aan een dame te vertellen. Maar die prefereerde ik nog boven mijn eigen voornaam. Mijn vader was trots op een paar van zijn voorouders geweest — maar is dat een excuus om je zoon met ‘Evelyn Cyril’ op te zadelen? Het had me gedwongen te leren vechten voor ik had leren lezen.
    De naam die ze me in het hospitaal gegeven hadden, kon er mee door. Ik haalde mijn schouders op. ‘O, maar...’
    ‘Omar,’ herhaalde ze, de A een beetje rekkend en met de klemtoon op beide lettergrepen. ‘Een edele naam. De naam van een held. Omar.’ Ze streelde hem met haar stem.
    ‘Nee, nee! Geen Omar —’
    ‘Omar is je naam,’ zei ze beslist. ‘Omar en Aster.’ Ze raakte mijn litteken aan. ‘Mishaagt het heldenteken je? Zal ik het verwijderen?’
    ‘Hè? O, nee, ik ben er nu aan gewend. Daardoor herken ik mezelf als ik in de spiegel kijk.’
    ‘Goed. Ik houd ervan, je had het toen ik je voor het eerst zag. Maar als je van mening verandert, laat me het dan weten.’
    Het spul tegen de muur zei hoesj, klink! Ze keerde zich om en nam er een lange strook uit en floot zachtjes terwijl ze die bestudeerde.
    ‘Dit duurt maar even,’ zei ze vrolijk en rolde het toestel naar de tafel. ‘Blijf stil liggen terwijl de slangen met je verbonden zijn, heel stil en haal licht adem.’ Ze verbond een zestal slangen met me; ze bleven vastzitten waar ze ze plaatste. Ze trok iets over haar hoofd wat ik dacht dat een luxe stethoscoop was, maar toen ze hem aan had bedekte hij haar ogen.
    Ze lachte. ‘Je bent van binnen ook mooi, Omar. Nee, niet praten.’ Ze liet een hand op mijn arm rusten en ik wachtte. Vijf minuten later haalde ze haar hand weg en verwijderde de verbindingen. ‘Dat is alles,’ zei ze vrolijk. ‘Je zult nooit meer verkouden zijn, mijn held, en van die dysenterie die je in de rimboe opgedaan hebt zul je ook geen last meer hebben. Nu gaan we naar de andere kamer.’
    Ik stapte van de tafel af en greep mijn kleren. Ster zei: ‘Die heb je niet nodig, waar wij heengaan. Er zullen je volledige kleding en wapens verschaft worden.’
    Ik bleef staan met mijn schoenen in de ene en mijn slip in de andere hand. ‘Ster —’
    ‘Ja, Omar?’
    ‘Wat is er allemaal aan de hand? Heb jij die advertentie geplaatst? Was die voor mij bedoeld? Wilde je me werkelijk ergens voor in dienst nemen?’
    Ze slaakte een diepe zucht en zei nuchter: ‘Ik heb geadverteerd. Het was voor jou bedoeld en alleen voor jou. Ja, er is werk te doen... als mijn ridder. Er zullen grootse avonturen te beleven zijn... en nog grotere schatten te behalen... en zelfs nog groter gevaar te trotseren — ik ben zeer bevreesd dat we het geen van beiden zullen overleven.’ Ze keek me in de ogen. ‘Wat zegt U ervan, Heer?’
    Ik vroeg me af hoe lang ik al opgesloten zat in de getraliede ziekenzaal. Maar dat zei ik niet tegen haar, want als dat waar was, was zij er helemaal niet. En ik wilde dat ze er wél was, meer dan ik ooit iets gewenst had. Ik zei: ‘Prinses... je hebt een knaap in dienst genomen.’
    Ze ademde weer. ‘Ga gauw mee. Er is weinig tijd.’ Ze leidde me door een deur achter de modern-Zweedse rustbank, knoopte haar jas en ritste haar rok los terwijl ze liep en liet overal kledingstukken vallen. Vrijwel onmiddellijk was ze precies zoals ik haar voor het eerst op de plage had gezien.
    De kamer had donkere muren en geen ramen en een zacht licht dat nergens vandaan kwam. Er stonden twee lage rustbanken naast elkaar, ze waren zwart en leken op lijkbaren, en er stond geen ander meubilair. Zodra de deur zich achter ons sloot was ik me er plotseling van bewust dat de kamer schrijnend, pijnlijk geluiddood was; de naakte muren weerkaatsten geen geluid.
    De rustbanken stonden in het midden van een cirkel, die deel uitmaakte van een grote tekening in kalk of witte verf op de naakte vloer. We betraden de tekening; ze draaide zich om, hurkte neer en maakte een lijn af, waarmee ze de cirkel sloot — en het was waar; ze was niet in staat ongracieus te zijn, zelfs toen haar borsten neerhingen toen ze zich voorover boog.
    ‘Wat is het?’ vroeg ik.
    ‘Een kaart die ons moet brengen waar we heengaan.’
    ‘Het lijkt meer op een pentagram.’
    Ze haalde haar schouders op! ‘Goed, het is een pentagram van macht. Een schematisch kringdiagram zou een betere naam zijn. Maar, mijn held, ik heb geen tijd om het uit te leggen. Ga alsjeblieft dadelijk liggen.’
    Ik ging op de rechterbank liggen zoals ze me beduidde, maar ik kon mijn mond niet houden. ‘Ster, ben je een heks?’
    ‘Als je het zo noemen wilt. Alsjeblieft, nu niet meer praten.’ Ze ging liggen en strekte haar hand uit. ‘En geef me je hand, mijn heer; dat is nodig.’
    Haar hand was zacht en warm en bijzonder sterk. Even later werd het licht rood en stierf toen weg. Ik viel in slaap.

V

    Toen ik wakker werd zongen er vogels.
    Haar hand lag nog in de mijne. Ik draaide mijn hoofd om en ze glimlachte tegen me. ‘Goedemorgen, mijn heer.’
    ‘Goedemorgen, Prinses.’ Ik keek om me heen. We lagen nog op die zwarte banken, maar ze stonden buiten, in een grazig dal, een open ruimte tussen bomen naast een zacht kabbelende stroom — een plaats zo nonchalant mooi dat het leek alsof alles blad voor blad door oude en ongehaaste Japanse tuinlieden bij elkaar gebracht was.
    Warme zonneschijn scheen door de bladeren en maakte lichtplekken op haar gouden lichaam. Ik keek naar de zon en toen weer naar haar. ‘Is het ochtend?’ Het was een uur of twaalf geweest of nog later en die zon hoorde — leek — onder te gaan — niet op te komen —
    ‘Hier is het weer ochtend.’
    Plotseling begon mijn richtingsknobbel rond te tollen en ik voelde me duizelig. Gedesoriënteerd — een gevoel dat nieuw voor me was en bijzonder onaangenaam. Ik kon het noorden niet vinden.
    Toen kwam alles weer in evenwicht. Dáár was het noorden, stroomopwaarts — en de zon kwam op, het was misschien negen uur in de morgen, en zou zich langs het nóórden verplaatsen. Zuidelijk halfrond. Geen moeilijkheden.
    Er was niets aan — je geeft de sufferd een spuitje terwijl je hem onderzoekt, sleurt hem aan boord van een 707 en vliegt hem naar Nieuw Zeeland, je geeft hem naar behoefte telkens weer een spuitje. Je maakt hem wakker als je hem nodig hebt.
    Maar dat zei ik niet en ik heb het ook nooit gedacht. En het was ook niet waar.
    Ze ging rechtop zitten. ‘Heb je honger?’
    Ik besefte plotseling dat een omelet een paar — hoeveel? — uur geleden niet genoeg was voor een jongen in de groei. Ik ging overeind zitten en zwaaide mijn benen op het gras. ‘Ik zou een paard opkunnen.’
    Ze lachte. ‘De winkel van La Société Anonyme de Hippophage is gesloten, vrees ik. Kun je het met forel doen? We moeten toch wachten, dus we kunnen net zo goed eten. En maak je niet bezorgd, deze plek is verdedigd.’
    ‘Verdedigd?’
    ‘Veilig.’
    ‘Goed. Eh, maar heb je een hengel en haken?’
    ‘Ik zal het je laten zien.’ Wat ze me liet zien was geen visgerei, maar hoe je forellen moest verschalken. Maar dat wist ik wel. We waadden die mooie rivier in, die heerlijk koel was, bewogen ons zo snel mogelijk en zochten een plaats onder een overhangende rots, een plaats waar forellen zich graag verzamelen om na te denken — het vissen-equivalent van een herensocieteit.
    Je verschalkt forellen door hun vertrouwen te winnen en dat dan te beschamen. Binnen ongeveer twee minuten had ik er één van één à anderhalf kilo en wierp die op de oever en Ster had er een die bijna net zo groot was. ‘Hoeveel kun je er op?’ vroeg ze.
    ‘Ga jij er maar uit om je af te drogen,’ zei ik. ‘Ik vang er nog wel één.’
    ‘Maak er maar twee of drie van,’ verbeterde ze. ‘Rufo komt ook.’ Ze waadde rustig naar de kant.
    ‘Wie?’
    ‘Je kamerheer.’
    Ik ging er niet op in. Ik was bereid om voor het ontbijt zeven onmogelijke dingen te geloven, dus ging ik door met het vangen van het ontbijt. Ik liet het bij twee, omdat de laatste de grootste forel was die ik ooit had gezien. Die stakkers stonden gewoon in de rij om gevangen te worden.
    Inmiddels had Ster een mooi vuurtje gaande en maakte ze vis schoon met een scherpe steen. Nou ja, iedere padvindster of heks kan vuur maken zonder lucifers. Dat kon ik ook, als ik enige uren de tijd en een heleboel geluk had, door twee droge gemeenplaatsen tegen elkaar aan te wrijven. Maar ik zag dat de twee lijkbaren verdwenen waren. Nou ja, ik had ze niet besteld. Ik hurkte neer en nam het schoonmaakwerk over.
    Ster kwam even later terug met vruchten die op appels leken, maar donkerpaars van kleur waren en met een heleboel kleine paddenstoelen. Ze droeg de buit op een groot blad, zoiets als een blad van een canna of een koolpalm, maar dan groter. Meer een pisangblad.
    Ik begon te watertanden. ‘Hadden we maar zout!’
    ‘Ik zal het halen. Ik ben alleen bang, dat het nogal zanderig zal zijn.’
    Ster roosterde de vis op twee manieren, boven het vuur aan een getande groene tak en op de hete platte kalkstenen waar het vuur op had gebrand. Ze schoof het vuur telkens verder weg als ze er nieuwe takken op deed en legde de vis en de paddenstoelen te sissen waar het vuur geweest was. Dat was het lekkerste, vond ik. Kort fijn gras bleek het plaatselijke bieslook te zijn en kleine klaver smaakte en zag eruit als zuring. Dat maakte met het zout (dat korrelig en ruw was en waaraan wel dieren gelikt zouden hebben voor wij het kregen — niet dat mij dat wat kon schelen) de forel tot de lekkerste die ik ooit geproefd had. Nou ja, het weer en het landschap en het gezelschap hadden er ook heel wat mee te maken, vooral het gezelschap.
    Ik trachtte een werkelijk dichterlijke manier te verzinnen om te zeggen: ‘Wat zou je ervan zeggen hier de volgende tienduizend jaar samen te blijven? Wettig of niet — ben je getrouwd?’ toen we gestoord werden. Wat jammer was want ik had net wat mooie, spiksplinternieuwe praatjes bedacht voor het oudste en meest praktische voorstel ter wereld.
    De oude kaalkop, de dwerg met het meer dan levensgrote pistool stond achter me te vloeken.
    Ik was ervan overtuigd dat hij vloekte hoewel de taal nieuw voor me was. Ster draaide haar hoofd om, sprak een kalm verwijt in dezelfde taal, maakte plaats voor hem en bood hem een forel aan. Hij nam hem aan en peuzelde er heel wat van op voor hij in het Engels zei: ‘Volgende keer betaal ik hem niets. Dat zul je beleven.’
    ‘Je moet hem niet trachten te bedriegen, Rufo. Neem wat paddenstoelen. Waar is de bagage? Ik wil me kleden.’
    ‘Daar verderop.’ Hij ging door met vis te verslinden. Rufo was er het bewijs van dat sommige mensen kleren moeten dragen. Hij was overal roze en had nogal een dikke buik. Hij was echter verrassend gespierd, wat ik niet verwacht had, anders zou ik wel voorzichtiger zijn geweest toen ik dat kanon van hem afpakte. Ik besloot vals te spelen als hij een robbertje zou willen worstelen.
    Hij keek me aan langs anderhalf pond forel heen en zei: ‘Wenst U thans gekleed te worden, Heer?’
    ‘Hè? Eet je ontbijt op. En wat moet dat gedoe met Heer? De laatste keer dat ik je gezien heb zwaaide je met een revolver voor mijn gezicht.’
    ‘Het spijt me, Heer. Maar Zij zei dat ik het doen moest... en wat Zij zegt moet gedaan worden. Dat begrijpt U wel.’
    ‘Dat vind ik uitstekend. Iemand moet de teugels in handen hebben. Maar noem me maar Omar.’
    Rufo keek naar Ster, ze knikte. Hij grinnikte. ‘Oké, Omar. Even goede vrienden?’
    ‘Natuurlijk.’
    Hij legde zijn vis neer, veegde zijn hand schoon aan zijn dij en stak hem uit. ‘Mieters! Jij slaat ze neer en ik dans op ze.’ We schudden elkaar de hand en probeerden allebei de knok-kelkraakgreep. Ik geloof dat ik het iets beter deed, maar ik kwam toch wel tot de overtuiging dat hij ooit van zijn leven smid moest zijn geweest.
    Ster keek bijzonder verheugd en vertoonde weer kuiltjes. Ze had lui bij het vuur gelegen als een bergnimf tijdens de koffiepauze; nu strekte ze plotseling haar arm uit en legde haar sterke, slanke hand op onze ineengestrengelde vuisten.
    ‘Mijn dappere vrienden,’ zei ze ernstig. ‘Mijn goede jongens. Rufo, het zal goed gaan.’
    ‘Heb je een Visioen?’ vroeg hij gretig.
    ‘Nee, alleen een gevoel. Maar ik maak me geen zorgen meer.’
    ‘We kunnen niets doen,’ zei Rufo somber, ‘voor we met Igli afgerekend hebben.’
    ‘Omar zal met Igli afrekenen.’ Toen stond ze met één soepele beweging overeind. ‘Stop die vis in je mond en ga uitpakken. Ik heb kleren nodig.’ Ze zag er plotseling heel verlangend uit.
    Ster vertegenwoordigde meer verschillende vrouwen dan een peloton Marva’s — wat maar betrekkelijk, bij wijze van spreken is. Op dat moment was ze iedere vrouw vanaf Eva die een keus maakt tussen twee vijgebladen en een moderne vrouw wier liefste wens is naakt met een chequeboek losgelaten te worden in een warenhuis. Toen ik haar voor het eerst ontmoette had ze nogal bezadigd geleken en leek ze niet meer belang in kleren te stellen dan ik. Ik had nooit de kans gehad om belang in kleren te stellen. Dat ik een lid van de slordige generatie was was op school een weldaad voor mijn zakgeld geweest; een spijkerbroek was au fait en een vuile sweater stijlvol.
    De tweede keer dat ik haar zag was ze gekleed geweest, maar in die laboratoriumjas en rechte rok was ze zowel een beroepsvrouw als een hartelijke vriendin geweest. Maar vandaag — die morgen, wanneer dat dan ook was — werd ze hoe langer hoe vrolijker. Ze had het zo leuk gevonden om vis te vangen dat ze kreten van plezier had moeten onderdrukken. En daarna was ze de volmaakte padvindster geweest met roetvegen op haar gezicht en haar haar achterover om het niet in het vuur te laten hangen terwijl ze bakte.
    Nu was ze de vrouw aller tijden die eenvoudig nieuwe kleren in handen wil hebben. Ik vond dat Ster kleden net was als het opverven van de kroonjuwelen — maar ik moest toegeven dat er, als we niet onmiddellijk in dat dal tot de dood ons scheidde de rollen van ‘Ik Tarzan, jij Jane’ zouden opnemen, enigerlei kleren nodig waren, al was het maar om haar volmaakte huid tegen brandnetels te beschermen.
    Rufo’s bagage bleek een kleine zwarte doos te zijn, in vorm en grootte ongeveer gelijk aan een draagbare schrijfmachine.
    Hij opende hem.
    En opende hem nog eens.
    En bleef hem openen —
    En bleef de zijkanten ontvouwen en platleggen tot het verdomde ding de grootte van een kleine verhuiswagen had en nog voller was. Daar ik de bijnaam ‘Eerlijke Jan’ had gekregen zodra ik had leren praten moet u nu wel aannemen dat ik het slachtoffer was van een zinsbegoocheling veroorzaakt door hypnose en/of bedwelmende middelen.
    Ikzelf ben daar niet zo zeker van. Iedereen die wiskunde gestudeerd heeft weet dat de inhoud in theorie niet kleiner behoeft te zijn dan de omtrek en iedereen die het twijfelachtige voorrecht heeft gehad een dikke vrouw zich in of uit een strak corset te zien worstelen weet dat dat ook in de praktijk waar is. Rufo’s bagage voerde het principe alleen maar verder door.
    Het eerste dat hij eruit haalde was een grote teakhouten kist. Ster opende hem en begon er ragfijne gewaden uit te halen.
    ‘Omar, wat vind je hiervan?’ Ze hield een lange groene japon tegen zich aan met de rok over éen heup om hem te laten zien. ‘Vind je het mooi?’
    Natuurlijk vond ik het mooi. Als het een origineel was — en op de een of andere manier wist ik dat Ster nooit kopieën droeg — wilde ik er niet over denken wat het gekost moest hebben. ‘Het is een geweldig mooie japon,’ zei ik. ‘Maar — luister eens, gaan we op reis?’
    ‘Zometeen.’
    ‘Ik zie geen taxi’s. Denk je niet, dat je hem scheuren zult?’
    ‘Het kan niet scheuren. Maar het was niet mijn bedoeling hem aan te trekken; ik wilde hem je alleen maar laten zien. Is hij niet beeldig? Zal ik hem voor je showen? Rufo, ik moet die hooggehakte sandalen met de smaragden hebben.’
    Rufo antwoordde in die taal waarin hij gevloekt had toen hij aankwam. Ster haalde haar schouders op en zei: ‘Wees niet ongeduldig, Rufo; Igli kan wachten. Hoe dan ook, we kunnen toch niet eerder met Igli praten dan morgenochtend; Heer Omar moet eerst de taal leren.’ Maar ze legde de groene pracht terug in de kist.
    ‘En dit is een pakje,’ vervolgde ze terwijl ze het omhoog hield, ‘dat alleen maar ronduit ondeugend is; dat is het enige doel ervan.’
    Dat kon ik zien. Het bestond voornamelijk uit een rok, met een klein lijfje dat steunde zonder te verbergen — een mode die naar ik hoor in het oude Griekenland de voorkeur had en nog populair is in de Overseas Weekly, Playboy en vele nachtclubs. Een stijl die het uitgezakte opvijzelt. Niet dat Ster dat nodig had.
    Rufo tikte me op de schouder. ‘Baas? Wil je het geschut bekijken en uitzoeken wat je nodig hebt?’
    Ster zei verwijtend: ‘Rufo, het leven is om genoten te worden, niet voortgedreven.’
    ‘We zullen heel wat meer leven hebben om van te genieten als Omar uitzoekt wat hij het best gebruiken kan.’
    ‘Hij heeft geen wapens nodig vóór we met Igli tot overeenstemming gekomen zijn.’ Maar ze drong er niet op aan me meer kleren te laten zien en hoewel ik het heerlijk vond om naar Ster te kijken, ik houd ook van het bekijken van wapens, zeker als ik ze zal moeten gebruiken, zoals het werk leek te vereisen.
    Terwijl ik naar Sters modeshow keek, had Rufo een verzameling neergelegd die een kruising leek tussen een dumpwinkel en een museum — zwaarden, pistolen, een lans die wel zeven meter lang was, een vlammenwerper, twee bazooka’s naast een Tommygun, boksbeugels, een kapmes, granaten, pijlen en bogen, een misericorde —
    ‘Je hebt geen katapult meegebracht,’ zei ik beschuldigend.
    Hij keek zelfvoldaan. ‘Welk soort wil je hebben, Omar? De gevorkte? Of een echte slinger?’
    ‘Neen me de opmerking niet kwalijk. Met geen van tweeën zou ik de grond zelfs maar kunnen raken.’ Ik pakte de Tommy op, controleerde dat hij ongeladen was en begon hem uit elkaar te halen. Hij scheen zo goed als nieuw, net genoeg ingeschoten om de bewegende delen goed te laten werken. Een Tommygun is niet veel nauwkeuriger dan een gemikte baseball en heeft ook niet veel meer doelmatige draagwijdte. Maar hij heeft voordelen — als je er iemand mee raakt, valt hij neer en blijft liggen. Hij is kort en niet te zwaar en heeft korte tijd een heleboel vuurkracht. Het is een rimboewapen of een wapen voor allerlei ander soort werk op korte afstand.
    Maar ik houd van iets met een bajonet eraan, voor het geval ze intiem willen worden — en dat iets wil ik dan graag nauwkeurig op de lange afstand hebben voor het geval de buren uit de verte onvriendelijk worden. Ik legde hem neer en raapte een Springfield op — Rock Island Arsenaal, zoals ik aan het serienummer zag, maar toch een Springfield. Ik denk net zo over een Springfield als over een Gooney Bird; sommige machinerieën zijn het toppunt van volmaaktheid in hun soort, de enig mogelijke verbetering is een radicale wijziging van het ontwerp.
    Ik opende de grendel, stak mijn duimnagel in de kamer, keek door de loop. De loop blonk en de boring was onbeschadigd — en de tromp had dat kleine sterretje; dit was pas een gevechtswapen!
    ‘Rufo, door wat voor soort land gaan we trekken? Zoals dit hier?’
    ‘Vandaag wel. Maar —’ Hij nam mij het wapen verontschuldigend af. ‘Het is hier verboden vuurwapens te gebruiken. Zwaarden, messen, pijlen — alles wat snijdt of steekt of toetakelt door je eigen spierkracht. Geen geweren.’
    ‘Wie zegt dat?’
    Hij huiverde. ‘Dat moet je Haar maar vragen.’
    ‘Als we ze niet kunnen gebruiken, waarom heb je ze dan meegebracht? En bovendien zie ik nergens ammunitie.’
    ‘Meer dan genoeg ammunitie. Over een poos zullen we — ergens anders zijn, waar wel vuurwapens gebruikt mogen worden. Als we dan nog leven. Ik liet je alleen maar zien wat we hebben. Wat prefereer je van de wettige wapens? Ben je een boogschutter?’
    ‘Dat weet ik niet. Laat me eens zien hoe het moet.’ Hij wilde iets zeggen, haalde toen zijn schouders op en koos een boog uit, liet een leren beschermer over zijn linkerpols glijden en raapte een pijl op. ‘Die boom,’ zei hij, ‘die met die witte steen er onder. Ik zal mikken op de hoogte vanaf de grond waar iemands hart zou zitten.’
    Hij zette de pijl op de pees, hief de boog, spande hem en liet los, alles met één soepele beweging.
    De pijl stond op ongeveer een meter twintig van de grond af in de boomstam te trillen.
    Rufo grinnikte. ‘Proberen of je het net zo goed kunt?’
    Ik antwoordde niet. Ik wist dat ik het niet kon, behalve per ongeluk. Ik had eens een boog gehad, een verjaarsgeschenk. Ik had er niet veel mee geraakt en de pijlen waren al spoedig weggeraakt. Niettemin maakte ik een hele vertoning van het uitzoeken van een boog en koos de langste en zwaarste.
    Rufo schraapte verontschuldigend zijn keel. ‘Als ik een opmerking mag maken, die zal nogal moeilijk zijn — voor een beginneling.’
    Ik spande hem. ‘Geef me een leren beschermer.’
    Het leer gleed over mijn arm alsof het voor me gemaakt was en misschien was het dat wel. Ik zocht een bijbehorende pijl uit, er nauwelijks naar kijkend omdat ze allemaal recht en zuiver leken. Ik verwachtte niet in het minst dat ik die verdomde boom zou raken; hij stond op vijftig meter afstand en was niet meer dan dertig centimeter dik. Ik was gewoon van plan een beetje hoog op de boom te mikken en te hopen dat zo’n zware boog me een vlakke baan zou geven. Ik wilde voornamelijk opzetten, spannen en loslaten in één beweging, zoals Rufo gedaan had — eruit te zien als Robin Hood, al was ik dat niet.
    Maar toen ik die boog ophief en spande en de kracht ervan voelde, voelde ik een opwelling van verrukking — dit werktuig was voor me gemaakt! We hoorden bij elkaar.
    Ik liet los zonder er bij te denken.
    Mijn pijl plofte op een handbreed van de zijne.
    ‘Goed schot!’ riep Ster uit.
    Rufo keek naar de boom en knipperde met zijn ogen, keek toen verwijtend naar Ster. Ze keek hooghartig terug. ‘Dat heb ik niet gedaan,’ verkondigde ze. ‘Je weet best dat ik dat niet doen zou. Het was een eerlijke krachtmeting... en strekt jullie beiden tot eer.’
    Rufo keek me bedachtzaam aan. ‘Hmmm — Zou je willen wedden — jij mag zeggen waarom — dat je dat geen tweede keer kunt?’
    ‘Ik wed niet,’ zei ik. ‘Ik ben laf.’ Maar ik raapte nog een pijl op en zette die op mijn boog. Ik hield van die boog, ik hield zelfs van de manier waarop de pees tegen de beschermer om mijn arm dreunde; ik wilde hem weer proberen, me er weer vertrouwd mee voelen.
    Ik schoot.
    De derde pijl stond tussen de twee eerste in, maar dichter bij de zijne.
    ‘Mooie boog,’ zei ik. ‘Ik houd hem. Geef me de pijlen.’
    Rufo liep zwijgend weg. Ik ontspande de boog, en begon de ijzerwaren te bekijken. Ik hoopte dat ik nooit meer een pijl zou hoeven schieten; een gokker kan niet verwachten dat hij iedere keer een goede hand krijgt — mijn volgende schot zou waarschijnlijk terugkomen als een boemerang.
    Er was teveel rijkdom aan snijkanten en punten, vanaf een slagzwaard voor twee handen, geschikt om bomen te vellen tot een kleine dolk die in een dameskous zou passen. Maar ik pakte ze allemaal op en woog ze in mijn handen... en daar vond ik het zwaard dat bij me paste zoals Excalibur bij Arthur.
    Ik heb er nooit precies zo een gezien, dus ik weet niet goed hoe ik het moet noemen. Een sabel, denk ik, omdat het lemmet zwak gekromd was en op de snede zo scherp als een scheermes en aan de achterkant ook vrij ver scherp. Maar de punt was zo dodelijk als van een rapier en de kromming was niet voldoende om het niet te gebruiken voor uitval en tegenstoot en het was net zo goed geschikt om mee te hakken als een keukenbijl. De beschermer was een bol die over de knokkels teruggebogen was tot een half korfgevest, maar voldoende uitgesneden om volledig te kunnen pareren vanuit elke gevechtsstand.
    Het bleef op de bovenkling in evenwicht op minder dan vijf centimeter van de beschermer, maar toch was het lemmet zwaar genoeg om beenderen te versplinteren. Het was het soort zwaard dat aanvoelt als een verlengstuk van je lichaam.
    De greep was naar mijn hand gevormd. Er was een leus in het lemmet gegroefd, maar die was door zoveel tierelantijnen omgeven dat ik me niet de tijd gunde het uit te puzzelen. Dit was van mij, we hoorden bij elkaar! Ik legde hem terug en gespte de riem en de schede om mijn naakte middel, ik wilde de aanraking voelen en me voelen als Kapitein John Carter en de drie musketiers in éen.
    ‘Wil je je niet kleden, Heer Omar?’ vroeg Ster.
    ‘Hè? O, natuurlijk — ik paste maar even. Maar — heeft Rufo mijn kleren meegebracht?’
    ‘Heb je dat, Rufo?’
    ‘Zijn kleren? Die dingen die hij in Nice droeg wil hij toch zeker niet hebben!’
    ‘Wat is er verkeerd aan een leren broek en een prethemd?’ vroeg ik.
    ‘Wat? O, niets, Heer Omar,’ antwoordde Rufo haastig. ‘Leven en laten leven zeg ik altijd. Ik heb eens een man gekend, die droeg — nou ja. Ik zal je laten zien wat ik voor je heb meegebracht.’
    Ik kon kiezen uit alles vanaf een plastic regenjas tot volledige wapenrusting. Dat laatste vond ik deprimerend omdat de aanwezigheid ervan insloot dat het nodig kon zijn. Behalve een legerhelm had ik nooit een harnas gedragen, wilde het niet en wist niet hoe — en ik wenste niet om te gaan met woestelingen die een dergelijke bescherming wenselijk maakten.
    Bovendien zag ik geen paarden, b.v. een Percheron of een Clydesdale in de buurt, en ik zag mezelf nog niet in een van die blikken pakken rondwandelen. Ik zou zo langzaam zijn alsof ik op krukken liep, zo luidruchtig als de metro en het zo warm hebben als in een telefooncel. Ik zou binnen vijf kilometer tien pond afvallen. De gewatteerde lange onderbroek die bij die ijzerwaren hoorde zou alleen al te veel geweest zijn in dat mooie weer; daar nog staal overheen zou een lopende oven van me maken en me te zwak en onhandig maken om een misverstand over een parkeerbon uit te vechten.
    ‘Ster, je hebt gezegd dat —’. Ik zweeg. Ze was klaar met kleden en had niet overdreven. Zachte leren wandelschoenen — eigenlijk halve laarzen — bruine maillot en een kort groen bovenkleed tussen een jasje en een schaatspakje in. Dit werd bekroond door een eigenwijs hoedje en het hele kostuum deed haar lijken op de variété-versie van een vliegtuigstewardess, chique, schattig, gezond en sexy.
    Of misschien op Diana, want ze had er een boog met een dubbele bocht aan toegevoegd, ongeveer half zo groot als de mijne, een pijlkoker en een dolk. ‘Jij,’ zei ik, ‘ziet er uit als de oorzaak van de relletjes.’
    Ze kreeg kuiltjes in haar wangen en maakte een reverence. (Ster huichelde nooit. Ze wist dat ze vrouwelijk was, ze wist dat ze mooi was, zo wilde ze het graag.) ‘Je hebt er daarstraks iets over gezegd,’ vervolgde ik, ‘dat ik voorlopig geen wapens nodig heb. Is er enige reden waarom ik zo’n ruimtepak zou moeten dragen. Ze zien er niet bepaald gemakkelijk uit.’
    ‘Ik verwacht vandaag niet veel gevaar,’ zei ze langzaam. ‘Maar dit is geen omgeving waar je de politie kunt roepen. Jij moet beslissen wat je nodig hebt.’
    ‘Maar — verdorie, Prinses, jij kent deze omgeving en ik niet. Ik heb raad nodig.’
    Ze gaf geen antwoord. Ik wendde me tot Rufo. Hij bestudeerde zorgvuldig een boomtop. Ik zei, ‘Rufo, kleed je aan.’
    Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Heer Omar?’
    ‘Schnelll Vite, vite! Opschieten!’
    ‘Oké.’ Hij kleedde zich snel aan in een uitrusting die de mannelijke tegenhanger was van hetgeen Ster gekozen had, met een korte broek in plaats van een maillot.
    ‘Kies je wapens,’ zei ik en begon me op dezelfde manier te kleden, behalve dat ik van plan was soldatenlaarzen te dragen. Er was echter een paar van die halve laarzen die precies mijn maat leken te zijn, dus die paste ik aan. Ze omsloten mijn voeten als handschoenen en mijn voetzolen waren bovendien zo vereelt door een maandlang blootsvoets leven op 1’Île du Levant dat ik geen zware laarzen nodig had. Ze waren niet zo middeleeuws als ze leken; aan de voorkant zat een ritssluiting en van binnen stond er Fabriqué en France in.
    Pappie Rufo had de boog genomen die hij eerder gebruikt had, koos een zwaard uit en had er een dolk aan toegevoegd. Inplaats van een dolk koos ik een Solingen jachtmes. Ik keek verlangend naar een dienst .45, maar raakte hem niet aan. Als ‘ze’, wie dat dan ook waren, een plaatselijke ontwapeningswet hadden, zou ik het spelletje wel mee spelen.
    Ster zei tegen Rufo dat hij in moest pakken en ging toen met mij op een zanderige plek aan de rivier zitten en tekende een kaart — naar het zuiden, de hellingen af langs de rivier, behalve als we een stuk konden afsnijden tot we de Zingende Wateren bereikten. Daar konden we die nacht kamperen.
    Ik stampte het in mijn hoofd. ‘Oké. Iets waar je me voor waarschuwen moet? Schieten wij eerst? Of wachten we tot ze ons bombarderen?’
    ‘Ik verwacht vandaag niets. O ja, er is een carnivoor, ongeveer drie maal zo groot als een leeuw. Maar dat is een grote lafaard; die valt geen bewegende prooi aan.’
    ‘Een beest naar mijn hart. Goed, we zullen in beweging blijven.’
    ‘Als we mensen zien — dat verwacht ik niet — is het beter om een pijl op je boog te zetten... maar je boog niet op te heffen voor je denkt dat het nodig is. Maar ik vertel je niet wat je doen moet, Omar; dat moet jij beslissen. Rufo zal ook niet schieten voor hij ziet dat jij op het punt staat dat te doen.’
    Rufo was klaar met pakken. ‘Oké, laten we gaan,’ zei ik. We gingen op weg. Rufo’s kleine zwarte doos was nu in elkaar gezet als een ransel en ik vroeg me maar niet af hoe hij een paar ton op zijn schouders kon torsen. Misschien een anti-zwaartekrachtfoefje. Koelie-bloed. Zwarte kunst. Verdomme, alleen die teakhouten kist had nog voor geen dertigste gedeelte in die ransel gekund, om nog maar te zwijgen van het arsenaal en andere bijkomstigheden.
    Het heeft geen zin om je af te vragen waarom ik Ster niet ondervroeg over waar we waren, waarom we daar waren, hoe we daar gekomen waren, wat we gingen doen, en de bijzonderheden van de gevaren die ik werd verwacht onder ogen te zien. Kijk eens, vriend, als je de meest verrukkelijke droom van je leven hebt en bijna aan het voornaamste toe bent, vertel je jezelf dan dat het logisch gesproken onmogelijk is dat die speciale griet bij je in bed ligt — om je daardoor wakker te maken? Ik wist, logisch gesproken, dat alles wat er gebeurd was nadat ik die idiote advertentie gelezen had onmogelijk gebeurd kon zijn.
    Dus had ik de logica overboord gegooid.
    Logica is een zwakke strohalm, vriend. ‘Logica’ heeft bewezen dat vliegtuigen niet kunnen vliegen en dat H-bommen niets kunnen uitwerken en dat er geen stenen uit de lucht komen vallen. Logica is een manier om te zeggen dat wat er gisteren niet gebeurd is morgen ook niet zal gebeuren.
    Ik vond de situatie prachtig. Ik wilde helemaal niet wakker worden, of het nu in bed was of in een psychiatrische inrichting. En vóór alles wilde ik niet wakker worden nog in de rimboe, misschien met die wond pas toegebracht en een helikopter in de buurt. Misschien had de kleine bruine broeder zijn werk volledig gedaan en me naar het Walhalla gezonden. Nou, ik vond het fijn in het Walhalla.
    Ik liep met veerkrachtige passen met een lief zwaard tegen mijn dij botsend en een nog veel liever meisje dat mijn passen bijhield en een lijfeigene-slaaf-kamerheer-iets die achter ons aan zwoegde, alles droeg en onze ‘achterhoede’ vormde. De vogels zongen en het landschap was aangelegd door meester-tuinarchitecten en de lucht rook zoet en goed. Als ik nooit meer een taxi hoefde te ontwijken of nooit meer een krantenkop hoefde te lezen dan vond ik dat best.
    Die handboog was lastig, maar dat is een M-l ook. Ster had haar kleine boog op haar rug hangen, van de schouder tot de heup. Dat probeerde ik ook, maar hij bleef overal aan haken. Bovendien maakte het me zenuwachtig hem niet paraat te hebben omdat ze toegegeven had dat er een kans was dat hij gebruikt moest worden. Dus maakte ik hem weer los en droeg hem in mijn linkerhand, gespannen en paraat.
    Gedurende die morgenwandeling was er één alarm. Ik hoorde Rufo’s boogpees zwwoengg! gaan — en ik had me met een zwaai omgedraaid met mijn boog gereed, de pijl aangebracht voor ik zag wat er aan de hand was.
    Of liever, wat er op de grond lag. Een vogel als een donkere korhoen, maar groter. Rufo had hem van een tak geschoten, recht door zijn hals. Ik maakte een notitie dat ik me nooit meer met hem moest meten op boogschuttersgebied maar me door hem de fijne kneepjes moest laten bijbrengen.
    Hij smakte met zijn lippen en grinnikte. ‘Avondmaal!’ In de volgende kilometer plukte hij de vogel terwijl we voortliepen en hing hem aan zijn riem.
    We pauzeerden om een uur of één op een picnic-plek waarvan Ster me verzekerde dat hij veilig was en Rufo opende zijn doos ter grootte van een handvalies om ons onze lunch te serveren: koud vlees, kruimelige Provençaalse kaas, knapperig Frans brood, peren, en twee flessen Chablis. Na de lunch stelde Ster een siësta voor. Het was een aantrekkelijk idee; ik had stevig gegeten en alleen maar kruimeltjes aan de vogeltjes gegeven, maar ik was verbaasd. ‘Moeten we niet voortmaken?’
    ‘Je moet een taalles hebben, Omar.’
    Ik moet ze op de middelbare school van Ponce de Leon vertellen wat de beste manier is om talen te leren. Je gaat op een prachtige dag op zacht gras naast een kabbelende rivier liggen en de mooiste vrouw in enige wereld buigt zich over je heen en kijkt je in de ogen. Ze begint zachtjes te spreken in een taal die je niet verstaat.
    Na een poosje worden haar ogen steeds groter, steeds groter... en groter... en je zinkt erin weg.
    Toen zei Rufo een hele poos later, ‘Erbas, Omar, ’t knila voorsht.
    ‘Oké,’ antwoordde ik, ‘Ik sta al op. Haast me niet zo.’
    Dat is het laatste woord dat ik neer zal schrijven in een taal die niet geschikt is voor ons alfabet. Ik had nog verscheidene lessen, maar ik zal daar ook niet over praten en van toen af aan spraken we die taal, behalve als ik moeilijkheden moest overbruggen door in het Engels vragen te stellen. Het is een taal die rijk is aan godslasteringen en aan liefdewoorden, en rijker dan Engels op het gebied van sommige technische onderwerpen — maar er zijn verrassende hiaten in. Er is bijvoorbeeld geen woord voor ‘advocaat’.
    Ongeveer een uur voor zonsondergang bereikten we de Zingende Wateren.
    We waren over een beboste hoogvlakte getrokken. De beek waar we op forellen gevist hadden had gezelschap gekregen van andere rivieren en was nu een grote kreek. Verderop, op een plaats die we nog niet bereikt hadden stortte hij over hoge klippen naar beneden als een super-Niagara. Maar hier, waar wij bleven kamperen had het water een inkeping in het plateau gemaakt en vormde kleine watervalletjes alvorens die diepe duik te nemen.
    ‘Kleine watervalletjes’ is een zwakke voorstelling. Stroomopwaarts, stroomafwaarts, overal waar je keek, zag je watervallen — grote van tien of vijftien meter hoogte, kleine, waar een muis tegenop zou kunnen springen en daartussen alle maten. Er waren terrassen en trappen van glad water, groen gekleurd door het gebladerte erboven en water zo wit als geslagen room als het in dicht schuim uiteenspatte.
    En je kon ze horen. Kleine watervallen tinkelden als zilveren sopranen, grote rommelden als diepe bassen. Op de grazige bergtop waar wij kampeerden was het een alomtegenwoordig koraalgezang; te midden van de watervallen moest je schreeuwen om je verstaanbaar te maken.
    Coleridge was er geweest, in een van zijn dromen:
Er waren wouden oud als heuvels
Die zonnige plekken groen omvatten,
Maar o, die diepe romantische kloof die helde naar
De groene heuvel over een cederhouten schuilplaats
Een wilde plek! zo heilig en vol tover
Als ooit een minderende maan beneden zich zag spoken
Een vrouw die weende om haar minnaar die een duivel bleek
En van die kloof ziedde met onophoudelijke beroering —

    Coleridge moet deze weg gevolgd en de Zingende Wateren bereikt hebben. Geen wonder dat hij die ‘man van Porlock’ wilde vermoorden die hem stoorde in zijn mooiste droom. Als ik op sterven lig, leg me dan naast de Zingende Wateren en laat zij het laatste zijn dat ik hoor en zie.
    We hielden halt op een grasvlakte, zo plat als een gemeenplaats en zo zacht als een kus, en ik hielp Rufo uitpakken. Ik wilde er achter komen wat voor foefje hij uithaalde met die doos. Het lukte me niet. Iedere kant vouwde zo natuurlijk en vanzelfsprekend open als het openvouwen van een strijkplank — en als je dan verder vouwde ging het even natuurlijk en vanzelfsprekend.
    We zetten eerst een tent voor Ster op — en dat was er niet een uit een legerdump; het was een sierlijke tent van geborduurde zij en het tapijt dat we er als vloerbedekking in uitspreidden moet drie generaties Bokhara-artiesten werk bezorgd hebben. Rufo zei tegen me: ‘Wil jij een tent hebben, Omar?’
    Ik keek naar de lucht en de nog niet ondergaande zon. De lucht was melkwarm en ik kon niet geloven dat het zou gaan regenen. Ik ben niet graag in een tent als er maar de minste kans op een verrassende aanval bestaat. ‘Gebruik jij een tent?’
    ‘Ik? O, nee! Maar Zij moet altijd een tent hebben. En dan is er alle kans op dat Zij zal besluiten buiten op het gras te slapen.’
    ‘Ik heb geen tent nodig.’ Laat eens zien, slaapt een ‘ridder’ voor de deur van de slaapkamer van zijn Vrouwe met de wapens in de aanslag? Ik was niet erg op de hoogte van de etiquette in dit verband; dat leren ze je niet in een cursus sociale wetenschappen!
    Toen kwam ze terug en zei tegen Rufo: ‘Veilig. De bewaking was in orde.’
    ‘Weer ingeschakeld?’ tobde hij.
    Ze trok hem aan zijn oor. ‘Ik ben niet seniel.’ Ze voegde er aan toe: ‘Zeep, Rufo. En kom mee, Omar, dat is Rufo’s werk.’
    Rufo haalde een stuk Lux uit de bepakking te voorschijn en gaf het haar, toen bekeek hij mij bedachtzaam en overhandigde me een stuk Lifebuoy.
    Er is niets zo heerlijk om in te baden als de Zingende Wateren in hun eindeloze verscheidenheid.
    Stille plassen om pootje in te baden en diepten waar je zwemmen kon, zitbaden om je huid te laten tintelen, douches met een heel klein straaltje tot bruisende stralen die je hersens zouden kunnen beschadigen als je er te lang onder bleef staan.
    En je kon kiezen welke temperatuur je hebben wilde. Boven de waterval waar wij waren voegde een warme bron zich bij de grote Stroom en beneden aan die waterval welde ijskoud een koude bron op. Geen gezeur met kranen, je hoefde je alleen maar te verplaatsen om de temperatuur te hebben die je wenste — of je ging stroomafwaars waar de temperatuur versmolt tot de zachte warmte van een moederkus.
    We speelden een poosje, Ster gilde en giechelde terwijl ik haar nat spatte, wat ze beantwoordde door me kopje onder te duwen. We speelden allebei als kinderen: ik voelde me zo en Ster zag ernaar uit en ze speelde ruw met stalen spieren onder fluweel.
    Even later ging ik de zeep halen en we wasten ons. Toen ze haar haar begon in te zepen, ging ik achter haar staan om te helpen. Dat liet ze toe want ze had wel hulp nodig bij die weelderige haardos, wel zes keer zoveel als de meeste meisjes tegenwoordig genoeg vinden.
    Dat zou een mooie gelegenheid geweest zijn (Rufo had het druk en bleef uit de buurt) om haar te grijpen en te omhelzen en dan stoer over te gaan tot andere zaken. En ik weet nog niet zo zeker of ze zelfs maar een symbolisch protest geuit zou hebben; ze zou vermoedelijk van harte meegewerkt hebben. Verdorie, ik wéét, dat ze geen ‘symbolisch’ bezwaar gemaakt zou hebben. Ze zou me óf op mijn plaats gezet hebben met een koude opmerking of een klap in mijn gezicht — of meegewerkt hebben.
    Ik kon het niet. Ik kon niet eens beginnen.
    Ik weet niet waarom. Mijn bedoelingen tegenover Ster hadden heen en weer geschommeld van oneerbaar naar eerbaar en weer terug, maar waren vanaf het moment dat ik haar voor het eerst zag duidelijk geweest. Nee, laat me het zo stellen: Mijn bedoelingen waren altijd volkomen oneerbaar geweest, maar met de volstrekte wil om ze later, zodra we een ambtenaar van de burgerlijke stand konden opduikelen in eerbaar om te zetten.
    Toch merkte ik dat ik haar met geen vinger kon aanraken, behalve om de zeep uit haar haar te wassen. Terwijl ik me hier het hoofd over brak met beide handen begraven in zwaar blond haar en me afvroeg wat me belette mijn armen om dat tengersterke middel te slaan, dat maar een paar centimeter van me verwijderd was, hoorde ik een doordringend gefluit en mijn naam — mijn nieuwe naam. Ik keek om.
    Rufo, een bepaald niet mooi naakt, stond met handdoeken over zijn schouder op de oever op drie meter afstand en trachtte het gedonder van het water te overschreeuwen om mijn aandacht te trekken.
    Ik liep een paar passen naar hem toe. ‘Wat moet je?’ Het was net geen snauw.
    ‘Ik zei: Wil je geschoren worden? Of laat je je baard staan?’
    Ik was me onbehaaglijk bewust geweest van de stoppels op mijn gezicht, terwijl ik overpeinsde of ik over zou gaan tot aanranding en dat onbehagen had er toe bijgedragen me te weerhouden — Gillette, Aqua Velva, Burma Shave e.d. hebben de overdonderde Amerikaan — ik bedoel mezelf — bang gemaakt om een poging te doen tot verleiding en/of verkrachting tenzij hij glad geschoren is. En ik had een baard van twee dagen.
    ‘Ik heb geen scheermes,’ riep ik terug.
    Hij antwoordde door een ouderwets scheermes op te heffen.
    Ster kwam naast me staan. Ze hief haar hand op en nam mijn kin tussen duim en wijsvinger. ‘Je zou koninklijk zijn met een baard,’ zei ze. ‘Misschien een korte puntbaard met een grote snor.’
    Dat vond ik ook, als zij dat vond. Bovendien zou dat het grootste deel van dat litteken verbergen. ‘Net zoals je wilt, Prinses.’
    ‘Maar ik heb toch liever dat je blijft zoals ik je het eerst gezien heb. Rufo is een goede barbier.’ Ze wendde zich tot hem. ‘Help me, Rufo. En geef me mijn handdoek.’
    Ster wandelde terug naar het kamp terwijl ze zich met haar handdoek droog wreef — als ze het gevraagd had had ik graag geholpen. Rufo zei vermoeid: ‘Waarom heb je je niet laten gelden? Maar Zij zegt dat je geschoren moet worden, dus nu moet ik wel — en me ook nog met mijn eigen bad haasten om Haar niet te laten wachten.’
    ‘Als je een spiegel hebt kan ik het zelf wel.’
    ‘Heb je ooit een gewoon scheermes gebruikt?’
    ‘Nee, maar dat kan ik leren.’
    ‘Je zou je hals afsnijden, en dat zou Zij niet prettig vinden. Hier aan de oever waar ik in het warme water kan staan. Nee, nee! Je moet niet gaan zitten, ga liggen met je hoofd over de rand. Ik kan niet iemand scheren die rechtop zit.’ Hij begon schuim in mijn kin te wrijven.
    ‘Weet je waarom niet? Ik heb het op lijken geleerd, daarom, ik maakte ze mooi, zodat hun geliefden trots op ze konden zijn. Stil liggen! Je was bijna een oor kwijt. Ik scheer graag lijken; ze hebben geen klachten, ze stellen niets voor, ze praten niet terug — en ze liggen altijd stil. Beste baan die ik ooit gehad heb. Maar neem deze baan nu eens —’ Hij zweeg met het lemmet tegen mijn Adamsappel en begon zijn moeilijkheden op te sommen.
    ‘Heb ik een vrije zaterdag? Ik heb verdomme nog niet eens een vrije zondag! En de werkuren! Ik heb pas gelezen dat een zaak in New York — ben je wel eens in New York geweest?’
    ‘Ik ben in New York geweest. En haal die guillotine van mijn hals als je zo met je armen zwaait.’
    ‘Als je blijft doorpraten krijg je natuurlijk af en toe een haal. Die zaak heeft een contract getekend voor een vijfentwintig-urige werkweek. Wéék! Ik zou graag akkoord gaan met een vijfentwintig-urige werkdag. Weet je hoe lang ik nu al achter elkaar in touw ben?’
    Ik zei dat ik het niet wist.
    ‘Daar, nou heb je weer gepraat. Meer dan zeventig uur en ik lieg niet. En waarvoor? Roem? Is er roem te behalen aan een stapeltje verbleekte beenderen? Rijkdom? Omar, ik vertel je de waarheid: ik heb meer lijken afgelegd dan een sultan concubines heeft en het kon geen van hun een doorweekte krakeling verdommen of ze getooid werden met robijnen ter grootte van jouw neus en twee keer zo rood — of met lompen. Wat heeft een dode aan rijkdom? Zeg het me, Omar, als man tegen man terwijl Zij het niet horen kan: waarom heb je je ooit door Haar laten bepraten?’
    ‘Ik geniet er tot nu toe van.’
    Hij snoof. ‘Dat zei die man ook toen hij langs de vijftigste verdieping van het Empire State Building kwam. Maar evengoed lag het trottoir op hem te wachten. Maar,’ voegde hij er somber aan toe, ‘tot je met Igli afgerekend hebt is er geen probleem. Als ik mijn spullen bij me had, zou ik dat litteken zo volmaakt kunnen wegwerken dat iedereen zou zeggen: ‘Ziet hij er niet natuurlijk uit?’
    ‘Laat maar. Zij houdt van dat litteken.’ (Verdomme, nu had hij mij ook al zover.)
    ‘Echt iets voor Haar. Wat ik je aan je verstand probeer te brengen, als je het Pad van de Roem volgt, kun je er zeker van zijn voornamelijk over stenen te gaan. Maar ik heb hem nooit willen volgen. Mijn idee van een plezierige levenswijze is een rustige, kleine begrafenisonderneming, de enige in de stad met een collectie doodkisten en een calculatie die een beetje armslag bood om de diepbedroefde nabestaanden het vel niet over de oren te halen. Afbetaling voor hen die voldoende vooruitziende blik hebben hun plannen van te voren vast te leggen — want we moeten allemaal sterven, Omar, we moeten allemaal sterven en een verstandig man zou er goed aan doen bij een vriendschappelijk glas bier plannen te maken met een gevestigde zaak die hij vertrouwen kan.’
    Hij boog zich vertrouwelijk naar me over. ‘Kijk eens, Heer Omar... als we hier als door een wonder levend doorheen komen, zou je een goed woordje voor me kunnen doen bij Haar. Haar laten begrijpen dat ik te oud ben voor het Pad van de Roem. Ik kan een heleboel doen om de dagen die je nog resten gemakkelijk en prettig te maken... als je vriendschappelijke gevoelens voor me koestert.’
    ‘Hebben we daar elkaar de hand niet opgegeven?’
    ‘O ja, dat is waar.’ Hij zuchtte. ‘Een voor allen en allen voor een, enzovoort. Je bent klaar.’
    Het was nog licht en Ster was in haar tent toen we terugkwamen — en mijn kleren waren klaargelegd. Ik begon bezwaren te maken toen ik ze zag maar Rufo zei streng: ‘Zij heeft gezegd ‘onder ons’ en dat betekent een smoking.’
    Het lukte me allemaal, zelfs de manchetknopen (wat verbijsterend grote zwarte parels waren) en die smoking was óf voor me gemaakt óf een confectiepak dat iemand gekocht had die mijn lengte, gewicht, schouder- en taillewijdte kende. De naam in het jasje luidde The English House, Copenhagen.
    Maar de das was me de baas. Rufo verscheen terwijl ik ermee worstelde, liet me gaan liggen (ik vroeg niet waarom) en had hem in een oogwenk gestrikt. ‘Wil je je horloge hebben, Omar?’
    ‘Mijn horloge?’ Voor zover ik wist lag dat in de onderzoekkamer van een dokter in Nice. ‘Heb je dat dan?’
    ‘Ja, meneer. Ik heb alles van je meegebracht behalve je’ — hij huiverde — ‘je kleren.’
    Hij overdreef niet. Alles was er, niet alleen de inhoud van mijn zakken, maar ook de inhoud van mijn kluis bij American Express: contanten, paspoort, identiteitskaart enzovoort, zelfs die Sweepstakeloten uit Singapore.
    Ik stond op het punt hem te vragen hoe hij in de kluis gekomen was maar besloot het niet te doen. Hij had de sleutel gehad en het kon best iets eenvoudigs geweest zijn als een vervalste machtiging. Of iets ingewikkelds als zijn zwarte toverdoos. Ik bedankte hem en hij ging weer terug naar zijn kokerij.
    Ik stond op het punt die rommel weg te gooien, alles behalve het geld en mijn paspoort. Maar op zo’n mooie plek als de Zingende Wateren kun je geen schillen en dozen achterlaten. Aan de riem van mijn zwaard zat een leren buidel; daar stopte ik het in, zelfs het horloge, dat stil was blijven staan. Rufo had een tafel neergezet voor Sters sierlijke tent en aan een boom erboven een lamp vastgemaakt en kaarsen op tafel gezet. Het was donker voor ze buiten kwam... en bleef staan wachten. Ik besefte tenslotte dat ze er op wachtte dat ik haar mijn arm zou aanbieden. Ik leidde haar naar haar plaats en trok haar stoel voor haar achteruit en dat deed Rufo voor mij. Hij droeg een pruimkleurig lakeienuniform.
    Het wachten op Ster was de moeite waard geweest; ze droeg de groene japon die ze eerder voor me had willen showen. Ik weet nog steeds niet of ze schoonheidsmiddelen gebruikte maar ze leek helemaal niet meer op de vrolijke Ondine die me een uur tevoren ondergedompeld had. Ze zag eruit alsof ze onder een glazen stolp bewaard zou moeten worden. Ze zag eruit als Eliza Doolittle op het Bal.
    ‘Dinner in Rio’ begon te spelen en smolt samen met de Zingende Wateren.
    Witte wijn bij de vis, rosé bij het gevogelte, rode wijn bij het vlees — Ster babbelde en lachte en was geestig. Een keer fluisterde Rufo terwijl hij zich over me heen boog om me te bedienen: ‘De ter dood veroordeelden aten een stevig maal.’
    Tussen half gesloten lippen zei ik dat hij naar de hel kon lopen.
    Champagne bij het nagerecht en Rufo toonde plechtig de fles ter goedkeuring. Ik knikte. Wat zou hij gedaan hebben als ik hem had afgekeurd? Een ander jaar aangeboden hebben? Napoleon cognac bij de koffie. En sigaretten.
    Ik had de hele dag aan sigaretten gedacht. Dit waren Benson & Hedges No. 5... en ik had die zwarte Franse dingen gerookt om geld te sparen.
    Terwijl we zaten te roken complimenteerde Ster Rufo met het diner en hij nam haar complimenten ernstig in ontvangst en ik voegde de mijne er aan toe. Ik weet nog steeds niet wie die hedonistische maaltijd klaargemaakt heeft. Rufo had er veel aan gedaan maar het is best mogelijk dat Ster het moeilijkste gedaan heeft terwijl ik geschoren werd. Nadat we een hele tijd lui en gezellig waren blijven zitten met koffie en cognac, de bovenlamp gedoofd en met maar één brandende kaars die haar juwelen deed glinsteren en licht op haar gezicht wierp maakte Ster een lichte beweging alsof ze op wou staan en ik kwam snel overeind om haar naar haar tent te brengen. Ze bleef bij de ingang staan. ‘Heer Omar —’
    Dus kuste ik haar en volgde haar naar binnen.
    Dat had je gedacht! Ik was zo vervloekt gehypnotiseerd dat ik me over haar hand boog en er een kus op drukte. En dat was dat.
    Toen had ik niets anders te doen dan dat geleende apenpakje uit te trekken, het aan Rufo terug te geven en een deken van hem te krijgen. Hij had een slaapplaats uitgezocht bij de zijkant van haar tent, dus nam ik de andere kant en strekte me uit. Het was nog zo heerlijk warm dat je niet eens een deken nodig had.
    Maar ik viel niet in slaap. Het zit namelijk zo, dat ik een vaste gewoonte heb, een gewoonte erger dan marijuana, maar niet zo duur als heroïne. Ik kan me er wel tegen verzetten en toch in slaap vallen — maar dat ik licht en een silhouet dat geen japon meer aan had in Sters tent kon zien droeg daar niet toe bij.
    Het zit zo dat ik gedwongen ben om te lezen. Met het eerste het beste goedkope pocketboekje val ik zo in slaap. Of met Perry Mason. Maar ik lees nog liever de advertenties in een oude Paris Match die ze gebruikt hebben om haring in te verpakken dan dat ik niets te lezen heb.
    Ik stond op en liep de tent om. ‘Psst! Rufo!’
    ‘Ja, Heer.’ Hij stond meteen overeind met een dolk in zijn hand.
    ‘Luister eens, is er hier ook wat te lezen?’
    ‘Wat voor lectuur?’
    ‘Alles, alles is goed. Als het maar woorden op een rij zijn.’
    ‘Een ogenblikje.’ Hij bleef even weg. Hij gebruikte een zaklantaren bij de stapel buit op de oever. Hij kwam terug en bood me een boek aan en een kampeerlamp. Ik bedankte hem, liep terug en ging liggen.
    Het was een interessant boek, geschreven door Albertus Magnus en klaarblijkelijk gestolen uit het Britse Museum. Albert somde een hele lijst op van recepten om onwaarschijnlijke dingen te doen: hoe je stormen moest laten liggen en boven de wolken kon vliegen, hoe je vijanden moest overwinnen en hoe je kon zorgen dat een vrouw je trouw zou blijven —
    Hier volgt dat laatste: ‘Als gij wenst dat een vrouw niet met ondeugden behept zal zijn noch mannen zal begeren, neem dan de geslachtsdelen van een Wolf en de haren die op zijn wangen groeien of zijn wenkbrauwen en de haren onder zijn kin en verbrand dit altesamen en geef het haar te drinken zonder dat zij het weet en zij zal geen andere man begeren.’
    Daar zou die wolf de pest wel over in hebben. En als ik het meisje was zou het me ook niet bevallen; het lijkt me een walgelijk brouwsel. Maar dat is precies de formule, dus als je er moeite mee hebt haar in het gareel te houden en je hebt een wolf bij de hand, kun je het proberen. Laat mij dan het resultaat weten. Per post, niet persoonlijk.
    Er waren verschillende recepten om een vrouw die dat niet doet je te laten beminnen, maar een ‘Wolf’ was verreweg het eenvoudigste ingrediënt. Tenslotte legde ik het boek weg, deed het licht uit en keek naar het bewegende silhouet op de doorschijnende zij. Ster borstelde haar haar.
    Toen hield ik op mezelf te martelen en keek naar de sterren. Ik heb de sterren van het zuidelijk halfrond nooit leren kennen; je ziet zelden sterren op een plek waar het zo nat is als in Z.O. Azië en iemand met een richtingsknobbel heeft ze niet nodig.
    Maar die zuidelijke hemel was prachtig. Ik keek naar een bijzonder heldere ster of planeet (hij scheen een ring te hebben) toen ik plotseling besefte dat hij zich bewoog.
    Ik ging overeind zitten. ‘Hé! Ster!’
    Ze riep terug: ‘Ja, Omar?’
    ‘Kom eens kijken! Een spoetnik. Een hele grote!’
    ‘Ik kom.’ Het licht in haar tent ging uit, ze kwam vlug naar me toe en goeie ouwe Pappie Rufo ook, gapend en zich krabbend. ‘Waar, Heer?’ vroeg Ster.
    Ik wees. ‘Daar! Achteraf gezien is het misschien toch geen spoetnik; het kan er wel een van onze reeks Echo’s zijn. Hij is vreselijk groot en helder.’
    Ze keek me aan en wendde zich af. Rufo zei niets. Ik staarde er nog een poos naar en keek toen naar haar. Ze keek naar mij, niet omhoog. Ik keek weer en zag het bewegen tegen de achtergrond van sterren.
    ‘Ster,’ zei ik, ‘dat is geen spoetnik. En geen Echoballon ook.
    Het is een maan. Een echte maan.’
    ‘Ja, Heer Omar.’
    ‘Dan is dit de aarde niet.’
    ‘Zo is het.’
    ‘Hmmm.’ — Ik keek weer naar de kleine maan die zich zo snel van west naar oost tussen de sterren bewoog.
    Ster zei rustig: ‘Je bent niet bang, mijn held?’
    ‘Waarvan?’
    ‘Omdat je in een vreemde wereld bent.’
    ‘Het lijkt nogal een aangename wereld.’
    ‘Dat is het ook,’ gaf ze toe, ‘over het algemeen.’
    ‘Ik houd er van,’ gaf ik toe. ‘Maar misschien wordt het wel tijd dat ik er wat meer over hoor. Waar zijn we? Hoeveel lichtjaren, of wat het zijn, verwijderd en in welke richting?’
    Ze zuchtte. ‘Ik zal het proberen, Heer. Maar het is niet eenvoudig; je hebt geen metafysische meetkunde gestudeerd — en vele andere dingen ook niet. Denk aan de bladzijden van een boek —’. Ik had dat kookboek van Albert de Grote nog steeds onder mijn arm; dat pakte ze. ‘De ene bladzijde kan erg veel op de andere lijken. Of heel verschillend zijn. De ene bladzijde kan zo dicht tegen de andere aanliggen dat ze elkaar overal raken — en toch niets met die andere bladzijde te maken hebben. Wij zijn — op dit moment — net zo dicht bij de Aarde als twee opvolgende bladzijden in een boek. En toch zijn we er zo ver van verwijderd dat het niet in lichtjaren is uit te drukken.’
    ‘Luister eens,’ zei ik, ‘je hoeft niet zo ingewikkeld te doen. Ik placht altijd naar ‘Twee-Duuster’ te kijken. Je bedoelt een andere dimensie. Ik snap het.’
    Ze keek bekommerd. ‘Dat is wel zo ongeveer het idee, maar-’
    Rufo onderbrak haar. ‘Je mag er wel aan denken dat we morgenochtend Igli nog voor de boeg hebben.’
    ‘Ja,’ gaf ik toe. ‘Als we morgenochtend met Igli moeten praten, hebben we vermoedelijk wel slaap nodig. Het spijt me. Apropos, wie is Igli eigenlijk?’
    ‘Dat zul je wel merken,’ zei Rufo.
    Ik keek omhoog naar die wervelende maan. ‘Ongetwijfeld. Nou, het spijt me dat ik jullie allebei gestoord heb met een domme vergissing. Welterusten, mensen.’ Dus kroop ik weer in mijn zijden slaapplaats, zoals het een held betaamt (die hebben gewoonlijk alleen maar spieren en geen geslachtsklieren) en zij gingen ook slapen. Ster deed het licht niet meer aan dus ik had niets om naar te kijken behalve de wervelende manen van Barsoom. Ik was met mijn neus in een boek gevallen.
    Nou, ik hoopte dat het een succes zou zijn en dat de schrijver me gedurende een heleboel vervolgen in leven zou houden. Het ging de held nogal voor de wind, tot en met dit hoofdstuk tenminste. Op nog geen zeven meter afstand lag Dejah Thoris in haar zijden lakens gerold.
    Ik dacht er ernstig over om naar de opening van haar tent te kruipen en haar toe te fluisteren dat ik een paar vragen te stellen had over metafysische meetkunde en dergelijke zaken. Liefdesdranken bijvoorbeeld. Of alleen maar zeggen dat het buiten koud was en of ik binnen mocht komen?
    Maar ik deed het niet. Goeie ouwe getrouwe Rufo lag vlak naast de tent en hij had de ontstellende gewoonte om zeer snel wakker te worden met een dolk in zijn hand. En hij schoor graag lijken. Zoals ik al gezegd heb, als ik het voor het kiezen heb, ben ik laf.
    Ik bleef naar de wervelende manen van Barsoom liggen kijken tot ik in slaap viel.

VI

    Zingende vogels zijn plezieriger dan wekkers en zo mooi als hier is het op Barsoom nooit geweest. Ik rekte me tevreden uit en rook koffie en vroeg me af of er tijd zou zijn om voor het ontbijt een duik te nemen. Het was weer een prachtige dag, blauw en helder en de zon was net op en ik voelde me alsof ik voor de lunch draken zou kunnen verslaan. Kleintjes dan.
    Ik onderdrukte een geeuw en kwam overeind. De mooie tent was verdwenen en de zwarte doos weer bijna helemaal ingepakt; hij was niet groter dan een pianokist. Ster knielde bij een vuurtje en verzorgde de koffie. Die ochtend was ze een holenvrouw, gekleed in een prachtige huid maar niet zo prachtig als haar eigen huid. Misschien afkomstig van een ocelot. Of van Du Pont.
    ‘Hallo, Prinses,’ zei ik. ‘Wat krijgen we voor ontbijt? En waar is je kok?’
    ‘We ontbijten later,’ zei ze. ‘Je krijgt nu alleen een kop koffie, te warm en te zwart — je zult wel uit je humeur zijn. Rufo is de onderhandelingen met Igli begonnen.’ Ze gaf me de kop koffie in een kartonnen bekertje.
    Ik dronk het kopje half leeg, brandde mijn mond en spuugde het koffiedik uit. Je hebt koffie in vijf aflopende kwaliteiten: Goud, zilver, paars, rood en pikzwart. Dit spul was hooguit van de vierde kwaliteit.
    Toen hield ik op, omdat ik Rufo in het oog had gekregen. En bezoek, een heleboel bezoek. Iemand had langs de rand van ons terras de Ark van Noach uitgeladen. Er was van alles, van aardvarkens tot zeboes, de meeste met lange gele tanden. Rufo stond op drie meter afstand met zijn gezicht naar de troepen gekeerd en tegenover een uitzonderlijk grote en woeste ingezetene. Ongeveer op dat moment viel het bekertje in mijn handen uit elkaar en ik brandde mijn vingers.
    ‘Wil je nog wat?’ vroeg Ster.
    Ik blies op mijn vingers. ‘Nee, dank je. Is dát Igli?’
    ‘Alleen die in het midden waar Rufo het tegen heeft. De rest is alleen maar gekomen om het spul te bekijken. Hun kun je negeren.’
    ‘Enkele zien er hongerig uit.’
    ‘De meeste van die grote zijn als de duivel van Cuvier, herbivoren. Die abnormaal grote leeuwen zouden ons opeten — als Igli wint. Maar alleen dan. Het gaat om Igli.’
    Ik bekeek Igli eens wat nauwkeuriger. Hij leek op die telg van de man van Dundee, een heleboel kin en geen voorhoofd, en hij verenigde de minder aantrekkelijke gelaatstrekken van reuzen en menseneters uit het Rode Sprookjesboek in zich. Ik heb nooit veel van dat boek moeten hebben.
    Hij was vagelijk menselijk, als je dat woord ruim opvat. Hij was wel een meter groter dan ik en woog wel honderdveertig à honderdtachtig kilo meer, maar ik ben veel knapper. Er groeide haar op hem in bosjes, net een slecht onderhouden grasveld; en je wist gewoon, zonder dat het je verteld werd, dat hij nooit een mannen-deodorant voor mannelijke mannen gebruikte. Op zijn spierbundels lagen nog eens bundels en de nagels van zijn tenen waren niet geknipt.
    ‘Ster,’ zei ik, ‘wat hebben we eigenlijk tegen hem?’
    ‘Je moet hem doden, Heer.’
    Ik keek nog eens naar hem. ‘Kunnen we er geen vreedzame coëxistentie van maken? Wederzijdse inspecties, culturele samenwerking en dergelijke?’
    Ze schudde het hoofd. ‘Daar is hij niet pienter genoeg voor. Hij is hier om ons te beletten in het dal af te dalen — en óf hij sterft óf wij sterven.’
    Ik haalde diep adem. ‘Prinses, ik heb een besluit genomen. Iemand die zich altijd aan de wet onderwerpt is nog dommer dan iemand die de wet zo vaak breekt als hij er de kans voor krijgt. Dit is geen ogenblik om ons druk te maken over die plaatselijke ontwapeningswet. Ik wens de vlammenwerper, een bazooka, een paar granaten en het zwaarste geweer in die wapenfabriek. Kun je me laten zien hoe ik ze eruit moet halen?’
    Ze porde in het vuur. ‘Mijn held,’ zei ze langzaam, ‘het spijt me heus erg — maar zo eenvoudig is het niet. Heb je gisteravond toen we zaten te roken gemerkt dat Rufo onze sigaretten met een kaars aanstak? Dat hij zelfs geen aansteker gebruikte?’
    ‘Nou... nee. Ik heb er niet op gelet.’
    ‘Deze regel tegen vuurwapens en springstof is geen wet zoals jullie op de Aarde hebben. Het is meer dan dat; het is onmogelijk om hier die dingen te gebruiken. Anders zouden ze tegen ons gebruikt worden.’
    ‘Bedoel je dat ze niet zouden werken?’
    ‘Ze werken niet. Misschien is ‘behekst’ het juiste woord.’
    ‘Ster. Kijk me aan. Misschien geloof jij in betoveringen. Maar ik niet. En ik wed zeven tegen twee dat Tommyguns er ook niet in geloven. Het is mijn plan om daar achter te komen. Wil je me helpen uitpakken?’
    Voor het eerst leek ze werkelijk van streek. ‘O, Heer, ik smeek je dat niet te doen!’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Zelfs een poging zou rampzalig zijn. Geloof je dat ik meer afweet van de risico’s en gevaren — en wetten — van deze wereld dan jij? Wil je me geloven als ik zeg dat ik niet wil dat je sterft, dat het de plechtige waarheid is dat mijn eigen leven en veiligheid afhankelijk zijn van het jouwe? Alsjeblieft.’
    Het is onmogelijk om Ster niet te geloven als ze het er dik oplegt. Ik zei bedachtzaam: ‘Misschien heb je gelijk — want anders zou die vent daar wel een vijftien centimeter mortier als handwapen dragen. Eh, Ster, ik heb een beter idee. Waarom smeren we ‘m niet terug langs de weg waarlangs we gekomen zijn en koloniseren die plek waar we gevist hebben? Binnen vijf jaar hebben we een hele boerderij. Binnen tien jaar, als het eenmaal bekend geworden is, hebben we ook een leuk motel met een zwembad zonder formaliteiten en een golfveld.’
    Ze glimlachte nauwelijks. ‘Heer Omar, er is geen weg terug.’
    ‘Waarom niet? Ik kan hem vinden met mijn ogen dicht.’
    ‘Maar zij zouden óns vinden. Igli niet, maar anderen als hij zouden gezonden worden om ons te kwellen en te doden.’
    Ik zuchtte weer. ‘Zoals je wilt. Ze zeggen toch dat motels die van de grote weg afliggen een riskante zaak zijn. Er zit een strijdbijl in die duffelzak. Misschien kan ik hem zijn voeten afhakken voor hij me in de gaten heeft.’
    Ze schudde weer het hoofd. Ik zei: ‘Wat is er nu weer? Moet ik met hem vechten met mijn ene voet in een emmer? Ik dacht dat alles wat sneed of stak — alles wat ik met eigen spierkracht doe — geoorloofd was?’
    ‘Het is geoorloofd, Heer. Maar het zou niet werken.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Igli kan niet gedood worden. Zie je, hij leeft niet echt. Hij is een constructie en voor dit speciale doel onkwetsbaar gemaakt. Zwaarden of messen en zelfs bijlen kunnen hem niet deren: ze schampen af. Ik heb het zien gebeuren.’
    ‘Bedoel je dat hij een robot is?’
    ‘Niet als je daarbij denkt aan schakelaars en raderwerk en gedrukte circuits. ‘Golem’ komt er dichter bij. De Igli is een nabootsing van het leven.’ Ster voegde er aan toe: ‘Beter dan het leven in zekere zin omdat er geen enkele manier is — die ik althans ken — om hem te doden. Maar ook slechter omdat Igli niet erg pienter is en ook niet erg evenwichtig. Hij is verwaand maar zonder inzicht. Daar werkt Rufo nu op om hem voor jou op temperatuur te brengen, hem zo kwaad te maken dat hij niet meer ordelijk kan denken.’
    ‘Doet-ie dat? Gut! Ik moet niet vergeten Rufo daarvoor te bedanken. Ik denk, een beetje overdreven te bedanken. Nu, Prinses, wat wordt er nu van me verwacht?’
    Ze spreidde haar handen uit alsof het vanzelf sprak. ‘Als je klaar bent zal ik de bewaking opheffen — en dan moet je hem doden.’
    ‘Maar je hebt net gezegd —’ Ik zweeg. Toen ze het Franse Vreemdelingenlegioen ophieven bleven er voor ons romantici nog maar weinig gemakkelijke baantjes over. Umbopa had het kunnen doen. Conan zeker. Of Hawk Carse. Of zelfs Don Quichotte, want dat geval was bijna zo groot als een windmolen. ‘Goed, Prinses, laten we beginnen. Mag ik in mijn handen spugen? Of is dat vals spelen?’
    Ze glimlachte zonder dat haar kuiltjes zich vertoonden en zei ernstig: ‘Heer Omar, we spugen allemaal in onze handen; Rufo en ik zullen naast je strijden. Of we winnen... of we sterven alle drie.’
    We liepen naar Rufo toe. Hij maakte met zijn vingers langs zijn hoofd het gebaar van ezelsoren naar Igli en schreeuwde: ‘Wie was je vader, Igli? Je moeder was een vuilnisemmer, maar wie was je vader? Moet je hem zien! Geen navel! Hihihi!’
    Igli antwoordde vinnig: ‘Jóuw moeder blaft! Je zuster geeft groen af!’ — maar ik vond het nogal zwakjes klinken. Het was duidelijk dat die opmerking over zijn navel hem diep had gekrenkt — hij had er geen. Nogal wiedes, dunkt me.
    Het bovenstaande is niet precies wat die beiden zeiden, behalve de opmerking over de navel. Ik wou dat ik het in het origineel kon vertellen, omdat in het Neviaans de belediging een grote kunst is, tenminste gelijk aan de dichtkunst. Het is in feite het toppunt van letterkundige kunst om je vijand toe te spreken in de een of andere moeilijke versvorm, b.v. sestina’s waarbij ieder woord druipt van vitriool.
    Rufo snaterde vrolijk. ‘Maak er een, Igli! Druk je vinger naar binnen en maak er een! Ze hebben je in de regen laten liggen en toen ben je ‘m gesmeerd. Ze hebben vergeten je af te maken. Noem je dat een neus?’ Tegen mij zei hij terzijde in het Engels: ‘Hoe wil je hem hebben, baas? Rauw? of doorgebakken?’
    ‘Houd hem aan de praat terwijl ik de situatie opneem. Verstaat hij geen Engels?’
    ‘Geen woord.’
    ‘Goed. Hoe dicht kan ik bij hem komen zonder gegrepen te worden?’
    ‘Net zo dicht als je wilt zolang de bewaking nog ingeschakeld is. Maar, baas — kijk, ik mag je eigenlijk geen advies geven — maar als het zover is, laat je dan niet te grazen nemen.’
    ‘Ik zal het proberen.’
    ‘Wees voorzichtig.’ Rufo draaide zijn hoofd om en schreeuwde : ‘Jaaa! Igli peutert in zijn neus en eet het op!’ Hij voegde er aan toe, ‘Zij is een goede dokter, de allerbeste, maar wees toch maar voorzichtig.’
    ‘Dat zal ik.’ Ik liep dichter naar de onzichtbare slagboom en keek naar het schepsel op. Hij keek woedend op me neer en maakte grommende geluiden, dus ik trok een lange neus tegen hem en joelde hem uit. De wind was mijn kant uit en het leek waarschijnlijk dat hij in geen dertig of veertig jaar een bad genomen had; hij stonk erger dan een kleedkamer tijdens de rust.
    Dat gaf me de kiem van een idee. ‘Ster, kan dat engeltje zwemmen?’
    Ze keek verwonderd. ‘Dat weet ik werkelijk niet.’ ‘Misschien hebben ze wel vergeten hem daarvoor te programmeren. En jij, Rufo?’
    Rufo keek zelfvoldaan. ‘Stel me op de proef, stel me alleen maar op de proef. Ik zou het een vis kunnen leren. Igli! Vertel ons eens waarom de zeug je geen zoen wou geven!’
    Ster kon zwemmen als een vis. Mijn stijl is meer die van een veerboot, maar ik kom er mee. ‘Ster, misschien kan dat ding wel niet gedood worden, maar het haalt adem. Het heeft een soort stofwisseling waar zuurstof aan te pas komt, al loopt hij op petroleum. Als we z’n hoofd een poosje onder water hielden — zo lang als nodig is — wed ik dat het vuur zou doven!’
    Ze keek me met grote ogen aan. ‘Heer Omar... mijn ridder... ik wist wel dat ik me niet in je vergist had.’
    ‘Het zal wél een heel gedoe zijn. Heb je wel eens waterpolo gespeeld, Rufo?’
    ‘Ik heb het uitgevonden.’
    Dat was wat ik gehoopt had. Ik had het ook gespeeld — één keer. ‘Rufo, kun je onze vriend naar de oever lokken? Ik neem aan dat de slagboom langs deze rij behaarde en gevederde vrienden loopt? Als dat zo is, kunnen we hem bijna bij dat hoge stuk oever krijgen met dat diepe meer eronder — weet je wel, Ster, waar je me de eerste keer hebt ondergedompeld.’
    ‘Niets aan,’ zei Rufo. ‘Als wij ons bewegen gaat hij wel mee.’ ‘Ik zou willen dat hij hard liep. Ster, hoeveel tijd kost het je dat hek uit te schakelen?’
    ‘Ik kan de bewaking in een handomdraai opheffen, Heer.’
    ‘Oké, dit is het plan. Rufo, ik wil dat Igli je achtervolgt, zo hard mogelijk — en jij zet het op een lopen naar die hoge oever vlak voor je aan de rivier komt. Ster, als Rufo dat doet, hak jij onmiddellijk de slagboom omver — hef je de bewaking op. Niet wachten tot ik het zeg. Rufo, jij neemt een duik en zwemt als de wiedeweerga; laat hij je niet te pakken krijgen. Als we geluk hebben zal Igli als hij zich snel beweegt, zo groot en lomp als hij is, er ook invallen of hij wil of niet. Maar ik zal je bijhouden, naast en een beetje achter je. Als Igli erin slaagt zich in te houden zal ik hem tackelen en hem er inslaan. En dan gaan we allemaal waterpolo spelen.’
    ‘Ik heb nog nooit waterpolo gezien,’ zei Ster twijfelend.
    ‘Er is geen scheidsrechter. Het betekent deze keer alleen maar dat we alle drie in het water bovenop hem springen en zijn hoofd onderduwen en het onderhouden — en dat we elkaar helpen hem ervan te weerhouden dat hij ónze hoofden onderduwt. Tenzij hij beter kan zwemmen dan wij zal hij, zo groot als hij is, in een verschrikkelijk nadelige positie verkeren. We gaan ermee door tot hij slap is en slap blijft, en zorgen ervoor dat hij geen enkele keer adem kan halen. En om zeker te zijn verzwaren we hem dan met stenen — het komt er niet op aan of hij echt dood is of niet. Nog vragen?’
    Rufo grinnikte als een waterspuger. ‘Dat kan leuk worden!’
    Allebei die pessimisten dachten dat het zou werken, dus we begonnen. Rufo schreeuwde een aantijging over Igli’s persoonlijke gewoonten die zelfs door Olympia Press gecensureerd zou worden en daagde Igli toen uit om het hardst met hem te lopen met een obscene onwaarschijnlijkheid als prijs. Igli had er een onbehouwen lange tijd voor nodig om dat karkas in beweging te krijgen, maar toen hij eenmaal op gang was was hij sneller dan Rufo en liet verschrikte dieren en vogels in zijn kielzog achter. Ik ben vrij snel maar het kostte me heel wat moeite om die reus bij te houden, naast en een beetje achter hem, en ik hoopte dat Ster de bewaking niet zou opheffen als het leek alsof Igli Rufo op het droge te pakken zou krijgen.
    Maar Ster hief de bewaking op zodra Rufo het op een lopen zette naar de slagboom en Rufo bereikte de oever en nam een volmaakte duik zonder stil te blijven staan, allemaal volgens plan.
    Maar verder ging er niets volgens plan.
    Ik denk dat Igli te stom was om meteen te snappen dat de slagboom neer was. Hij deed nog een paar stappen nadat Rufo zijdelings links verdwenen was en maakte toen een scherpe linkse bocht. Maar hij had vaart verloren en het kostte hem geen moeite op het droge te blijven.
    Ik tackelde hem, ongeoorloofd en laag en hij viel — maar niet in het water. En plotseling had ik twee armen vol worstelende en zwaar stinkende golem.
    Maar ik had onmiddellijk een wilde kat als hulp en al spoedig deed Rufo, drijfnat, ook een duit in het zakje.
    Maar het stond remise en we moesten uiteindelijk wel verliezen. Igli woog meer dan wij bij elkaar en scheen niets dan spieren en stank en nagels en tanden te zijn. We kregen builen, kneuzingen en vleeswonden — en we brachten Igli geen enkele beschadiging toe. O, hij schreeuwde elke keer dat we een oor of een vinger omdraaiden als een televisie-lawaaimaker, maar we brachten hem geen werkelijk letsel toe en dat deed hij ons bepaald wel. Er was geen kans op dat gevaarte in het water te sleuren.
    Ik was begonnen met mijn armen om zijn knieën en daar bleef ik, uit noodzaak, zo lang ik kon, terwijl Ster probeerde een van zijn armen omlaag te houden en Rufo de andere. Maar de situatie veranderde steeds; Igli slingerde heen en weer als een ratelslang met een gebroken rug en kreeg telkens een van zijn ledematen los en trachtte te wurgen en te bijten. Dat bracht ons in vreemde houdingen en op een gegeven moment had ik een eeltige voet vast en probeerde die los te draaien terwijl ik in zijn open mond staarde, die zo wijd open stond als een berenval maar minder aanlokkelijk. Hij mocht zijn tanden wel eens poetsen. Dus duwde ik de teen van zijn voet in zijn mond. Igli schreeuwde, dus ik bleef duwen en al spoedig had hij geen ruimte meer om te schreeuwen. Ik bleef duwen. Toen hij zijn eigen linkerbeen tot de knie verzwolgen had, slaagde hij er in zijn rechterarm van Ster te bevrijden en greep naar zijn verdwijnende been — en ik greep zijn pols.
    ‘Help me!’ piepte ik tegen Ster. ‘Duwen!’
    Ze snapte het en duwde mee. Die arm verdween tot de elleboog in zijn mond en het been ging ook verder, een heel stuk dij. Inmiddels werkte Rufo mee en forceerde Igli’s linkerhand langs zijn wang zijn kaken binnen. Intussen worstelde Igli niet zo hard meer tegen, gebrek aan lucht vermoedelijk, dus zijn rechterteen in zijn mond krijgen was nog maar een kwestie van vastberadenheid; Rufo hield hem achterover aan zijn harige neusgaten en ik hield hem onder met een knie op zijn kin en Ster duwde.
    We bleven hem centimeter voor centimeter zonder ophouden in zijn mond stoppen. Hij trilde nog en probeerde nog los te komen toen we hem tot zijn heupen hadden opgerold en zijn stinkende oksels op het punt stonden te verdwijnen. Het was als het tegenovergestelde van het maken van een sneeuwbal, hoe meer we duwden, hoe kleiner hij werd en hoe verder zijn mond zich sperde — het lelijkste wat ik ooit gezien heb. Al spoedig had hij nog maar de grootte van een strandbal... en toen een voetbal... toen een baseball en ik rolde hem tussen mijn handen en bleef flink duwen... een golfbal, een knikker, een erwt... en tenslotte had ik alleen nog maar wat vettig smeersel in mijn handen.
    Rufo slaakte een diepe zucht. ‘Dat zal hem wel leren niet op zijn nagels te kluiven in tegenwoordigheid van zijn meerderen. Wie voelt er wat voor ontbijt?’
    ‘Ik wil eerst mijn handen wassen,’ zei ik.
    We gingen allemaal baden met een heleboel zeep en Ster verzorgde onze wonden en liet Rufo de hare behandelen volgens haar aanwijzingen. Rufo heeft gelijk; Ster is de allerbeste dokter. Het spul waar ze ons mee insmeerde stak niet, de wonden sloten zich, de soepele verbanden die ze erop legde hoefden niet verwisseld te worden en vielen ter gelegener tijd af zonder infectie en zonder littekens achter te laten. Rufo had een lelijke beet, er was ter waarde van negentig cent biefstuk tartaar uit zijn linkerbil gebeten, maar toen Ster hem behandeld had kon hij zitten en het scheen hem niet te hinderen.
    Rufo gaf ons kleine gouden pannenkoekjes en grote braadworsten die barstten van het vet en liters goede koffie. Het was bijna twaalf uur eer Ster de bewaking weer ophief en we op weg gingen voor de afdaling langs de klip.

VII

    De helling langs de grote waterval naar het dal van Nevia is driehonderd meter hoog en meer dan steil; de klip helt naar voren en je moet afdalen met een touw, als een langzaam draaiende spin aan een draad. Ik zou het je niet aanraden; je wordt er duizelig van en ik was bijna die heerlijke pannenkoeken kwijt geraakt.
    Het uitzicht is adembenemend. Je ziet de waterval van opzij, vooruitspattend zonder de klip te bevochtigen en zo diep vallend dat hij zichzelf in nevelen hult voor hij de bodem raakt. Als je dan je gezicht van de klip afwendt heb je een vergezicht over een vallei die te weelderig en groen en schoon is om in te kunnen geloven — moeras en bos aan de voet van de klip, bebouwde velden op enkele kilometers afstand en dan heel ver weg, wazig aan de voet maar met scherpafgetekende pieken een machtige wand van met sneeuw bedekte bergtoppen.
    Ster had de vallei voor me getekend. ‘Eerst vechten we ons een weg door het moeras. Daarna gaat het vanzelf — we moeten alleen goed uitkijken voor bloedgieren. Want dan komen we aan een weg van bakstenen, heel prettig.’
    ‘Een weg met gele bakstenen?’ vroeg ik.
    ‘Ja. Zo is de klei hier. Komt het er wat op aan?’
    ‘Ik denk van niet. Als je er maar geen gewoonte van maakt. En daarna?’
    ‘Daarna overnachten we bij een familie, de grondbezitter van het land hier. Beste mensen, je zult ze aardig vinden.’
    ‘En daarna wordt de weg zwaar,’ voegde Rufo er aan toe.
    ‘Rufo, je hoeft geen moeilijkheden op te roepen,’ berispte Ster hem. ‘Wees zo goed je van commentaar te onthouden en laat Omar zijn problemen oplossen als hij ermee geconfronteerd wordt, uitgerust, met een heldere blik en onbekommerd. Ken jij iemand anders die met Igli had kunnen afrekenen?’
    ‘Nou ja, als je het zo stelt... nee.’
    ‘Ik stel het inderdaad zo. We slapen vannacht allemaal gerust. Is dat niet genoeg? Jij zult dat net zo prettig vinden als ieder ander.’
    ‘Jij ook.’
    ‘Wanneer heb ik ooit iets niet prettig gevonden? Houd je mond. Nu, Omar, aan de voet van de klip bevinden zich de Gehoornde Geesten — er is geen mogelijkheid om ze te ontlopen, ze zien ons afdalen. Als we geluk hebben zien we niemand van de Koud Water Bende; die blijven in de nevelen. Maar als we het ongeluk hebben ze allebei tegen het lijf te lopen kunnen we het geluk hebben dat ze tegen elkaar gaan vechten en ons laten ontkomen. Het pad door het moeras is verraderlijk; je moet deze tekening maar bestuderen tot je hem uit je hoofd kent. Er is alleen vaste grond waar kleine gele bloemen groeien, hoe stevig en droog een ander stuk er ook uitziet. Maar zoals je ziet, zijn er, zelfs als je zorgvuldig op de veilige plaatsen blijft zoveel zijpaden en doodlopende paden dat we de hele dag zouden kunnen ronddolen en door het donker overvallen worden — en er nooit meer uit komen.’
    Dus daar had je me, het eerst afdalend, omdat, de Gehoornde Geesten beneden zouden staan wachten. Mijn voorrecht.
    Was ik soms geen ‘Held’? Had ik Igli zichzelf niet laten verslinden?
    Maar ik wilde wel dat de Gehoornde Geesten echt geesten waren. Het waren tweebenige wezens, omnivoren. Ze aten alles, met inbegrip van elkaar, en reizigers in het bijzonder.
    Ze waren me beschreven als van de buik naar boven veel weg te hebben van de Minotaurus; naar beneden waren ze saters met gespleten hoeven. Hun bovenste ledematen waren korte armen, maar zonder echte handen — geen duimen. Maar o, die horens! Ze hadden horens als de lang-gehoornde koeien in Texas, maar ze staken omhoog en vooruit.
    Er is echter een manier om van een Gehoornde Geest een echte geest te maken. Hij heeft een zachte plek op zijn schedel, net als een baby, tussen die horens. Omdat de woesteling je aanvalt met zijn kop naar beneden om te proberen je te spietsen, is dat de enige bereikbare kwetsbare plaats. Je hoeft alleen maar stand te houden, niet terug te deinzen, op dat plekje mikken — en het raken.
    Dus had ik een eenvoudige taak. Als eerste naar beneden, er zoveel mogelijk doden om Ster van een veilige plaats om neer te komen te verzekeren, dan stand houden en haar beschermen tot Rufo beneden was. Daarna waren we vrij om ons een weg door het moeras naar de veiligheid te banen. Als de Koud Water Bende zich niet bij het feest aansloot — Ik trachtte mijn houding in de lus waarin ik hing wat gemakkelijker te maken — mijn linkerbeen sliep — en keek naar beneden. Een meter of dertig lager had het ontvangstcomité zich verzameld.
    Het leek wel een aspergeveld. Van bajonetten.
    Ik seinde dat ze moesten stoppen met takelen. Ver boven me hield Rufo het touw tegen; daar hing ik te slingeren en probeerde te denken. Als ik me midden in die menigte liet zakken, kon ik er misschien een of twee doorsteken voor ze me spietsten. En misschien wel geen een — het enige wat zeker was, was dat ik dood zou zijn lang voor mijn vrienden me konden bereiken.
    Aan de andere kant had ieder van die wildemannen behalve een zachte plek tussen de horens ook een zachte onderbuik, die gewoon vroeg om pijlen. Als Rufo me nog wat kon laten zakken —
    Ik gaf hem een seintje. Ik begon langzaam, een beetje schokkend te zakken en bijna miste hij mijn teken om weer op te houden. Ik moest mijn voeten optrekken; een paar van die liefjes liepen grommend en steigerend rond en verdrongen elkaar voor een kans om me te doorboren. Een Nijinsky onder hun slaagde erin langs de zool van mijn linkerlaars te schrammen waardoor ik kippenvel kreeg tot aan mijn nek. Dat was aanleiding genoeg om me hand over hand aan het touw omhoog te trekken, zover dat ik mijn voeten in de lus kon krijgen in plaats van mijn achterwerk. Me aan het touw vasthoudend stond ik om de beurt op de ene en de andere voet om het slapen van de ledematen te voorkomen. Toen maakte ik mijn boog los en spande die. Deze prestatie zou een geoefend acrobaat waardig geweest zijn — maar heb je ooit geprobeerd een boog te spannen en af te schieten terwijl je in de lus van een driehonderd meter lang touw staat en je met je ene hand aan dat touw vastklemt?
    Op die manier verlies je je pijlen. Ik verloor er drie en mezelf ook bijna.
    Ik probeerde mijn riem om het touw te gespen. Daardoor kwam ik onderste boven te hangen en verloor mijn Robin Hood hoed en nog meer pijlen. Dat vond mijn publiek mooi: ze applaudisseerden — ik geloof tenminste dat het applaus was — dus bij wijze van toegift probeerde ik de riem om mijn borst te schuiven waardoor ik min of meer rechtop kon hangen — en misschien een paar pijlen kon afschieten. Mijn zwaard verloor ik net niet.
    Tot dusver was het enige resultaat geweest dat ik meer bekijks gekregen had (’Mammie, kom eens naar die gekke man kijken!’) en dat ik heen en weer zwaaide als een slinger.
    Hoe beroerd dat laatste ook was, het bracht me op een idee. Ik begon het zwaaien te versterken, net als met een kinderschommel. Dat ging langzaam en het duurde een poosje eer ik het goed te pakken had, want de slingertijd van die slinger waarvan ik het gewicht was, was meer dan een minuut — en het helpt je niets om te proberen een slinger te haasten; je moet mee-, niet tegenwerken. Ik hoopte dat mijn vrienden goed genoeg konden zien om te begrijpen wat mijn bedoeling was en het zaakje niet te verknallen.
    Na een onredelijk lange tijd zwaaide ik heen en weer in een platte boog van ongeveer dertig meter lengte. Bij het dieptepunt van iedere schommeling scheerde ik in snelle vaart rakelings over de hoofden van mijn publiek, en minderde dan vaart tot ik aan het eind van iedere schommeling stil stond.
    In het begin trachtten die spies-koppen met me mee te lopen, maar daar kregen ze gauw genoeg van en ze gingen in het midden zitten om toe te kijken; terwijl ik schommelde bewogen hun koppen zich als de hoofden van de toeschouwers bij een slow-motion tennismatch.
    Maar er is altijd wel een verrekte nieuwlichter. Het was mijn bedoeling me aan het ene einde van de boog vlak bij de klip te laten vallen en daar stand te houden met mijn rug tegen de muur. De grond was daar hoger, ik zou niet zo erg ver hoeven te vallen. Maar een van die gehoornde griezels snapte het en wandelde naar die kant van de boog. Hij werd door twee of drie anderen gevolgd.
    Dat gaf de doorslag; ik zou me aan de andere kant moeten laten vallen. Maar de jonge Archimedes had dat ook al uitgeknobeld. Hij verliet zijn vriendjes bij de klip en wandelde achter me aan. Ik kwam hem voor bij het dieptepunt — maar kreeg toen minder vaart en lang voor het dode punt op het eind had hij me ingehaald. Hij hoefde maar dertig meter in ongeveer dertig seconden af te leggen — een wandelpasje. Hij stond onder me toen ik aankwam.
    Het zou er niet beter op worden; ik schopte mijn voeten los, bleef aan één hand hangen, trok mijn zwaard gedurende die al te langzame tocht en liet me toch maar vallen. Het was mijn bedoeling dat zwakke plekje op zijn hoofd te doorsteken voor mijn voeten de grond geraakt hadden. Maar ik miste en hij miste en ik sloeg hem tegen de grond en rolde achter hem aan, kwam overeind en holde naar de wand van de klip die het dichtst bij me was, terwijl ik dat genie met mijn zwaard in zijn buik porde zonder stil te blijven staan.
    Die vuile slag redde me. Zijn vrienden en familieleden bleven staan om er ruzie over te maken wie de mooiste karbonaadjes zou krijgen voor een kluit van hun zich in mijn richting bewoog. Dat gaf mij tijd om op een stapel losse stenen aan de voet van de klip te gaan staan, waar ik ‘Kasteelheer’ kon spelen, mijn zwaard in de schede te steken en een pijl op te zetten.
    Ik wachtte niet tot ze me aanvielen. Ik wachtte alleen maar tot ze zo dichtbij waren dat ik niet kon missen, mikte op het vorkbeen van de oude stier die hen aanvoerde, als hij tenminste een vorkbeen had, en schoot die pijl af met alle kracht van die zware boog.
    De pijl ging dwars door hem heen en bleef steken in zijn achterbuurman.
    Dit veroorzaakte een nieuwe ruzie over de prijs van koteletten. Ze aten hem met huid en haar op. Dat was hun zwakheid: een heleboel eetlust en te weinig hersens. Als ze hadden samengewerkt hadden ze me met één aanval te pakken gehad toen ik op de grond kwam. Maar in plaats daarvan gingen ze schaften.
    Ik keek naar boven. Hoog boven me was Ster een spinnetje aan een draad; ze werd snel groter. Ik liep zijdelings langs de wand tot ik bij het punt kwam, vijftien meter van de klip verwijderd, waar ze zou neerkomen.
    Toen ze ongeveer op een hoogte van vijftien meter gekomen was beduidde ze Rufo het takelen te staken, trok haar zwaard en bracht me een saluut. ‘Schitterend, mijn Held!’ We droegen alledrie zwaarden; Ster had een duelleer-zwaard uitgezocht met een lemmet van 85 cm. — een groot zwaard voor een vrouw, maar Ster is een grote vrouw. Ze had de buidel aan haar riem ook volgestopt met verbandmiddelen, een veeg teken als ik het gemerkt had, maar toen had ik het nog niet gemerkt.
    Ik trok mijn zwaard en beantwoordde haar saluut. Ze vielen me nog niet lastig, hoewel enkelen die klaar waren met hun lunch of weggedrongen waren, rondliepen en me bekeken. Toen deed ik het zwaard weer in de schede en zette een pijl op. ‘Zwaaien, Ster, naar me toe. Laat Rufo je nog wat laten zakken.’
    Ze deed haar zwaard in de schede en seinde Rufo. Hij liet haar langzaam zakken tot ze ongeveer drie meter van de grond was, toen beduidde ze hem te stoppen. ‘Zwaaien!’ riep ik uit. Die bloeddorstige inboorlingen waren mij vergeten; ze keken naar Ster, tenminste zij die het niet druk meer hadden met het opeten van Neef Hannes of Achteroom Jan.
    ‘Goed,’ antwoordde ze. ‘Maar ik heb een werplijn — kun je die vangen?’
    ‘O!’ Die pientere schat had mijn manoeuvres gezien en begrepen wat er nodig was. ‘Wacht nog even. Ik zal ze afleiden.’ Ik greep over mijn schouder en telde op de tast mijn pijlen — zeven. Ik was begonnen met twintig en had er één gebruikt; de rest was gevallen, verloren.
    Ik gebruikte er snel achter elkaar drie, rechts, links en in het midden, zocht doelen die zo ver weg waren als ik durfde riskeren, mikte in het midden en vertrouwde op die geweldige boog om die pijlen rechtstreeks te laten vliegen. En inderdaad, de menigte wierp zich op nieuw vlees alsof het een bedeling van de regering was. ‘Nu!’
    Tien seconden later had ik haar in mijn armen opgevangen en kreeg ik een kus van een onderdeel van een seconde als beloning.
    Tien minuten later was Rufo door middel van dezelfde tak-tiek beneden ten koste van drie van mijn pijlen en twee van Sters kleinere. Hij moest zichzelf laten zakken terwijl hij in de lus zat en het losse einde van het touw onder zijn oksels had; zonder hulp zou hij een gemakkelijk doel geweest zijn.
    Zodra hij zich van het touw bevrijd had begon hij het van de klip naar beneden te trekken en rolde het op.
    ‘Laat dat liggen,’ zei Ster scherp. ‘Daar hebben we geen tijd voor en het is te zwaar om mee te dragen.’
    ‘Ik stop het in de ransel.’
    ‘Nee.’
    ‘Het is goed touw,’ hield Rufo vol. ‘We zullen het nog nodig hebben.’
    ‘Je zult een doodshemd nodig hebben als we voor donker niet door het moeras heen zijn.’ Ster wendde zich tot mij. ‘Hoe lopen we, Heer?’
    Ik keek om me heen. Voor ons en links van ons liepen nog een paar grappenmakers rond, kennelijk aarzelend om dichterbij te komen. Rechts van ons en boven ons weefde de grote wolk aan de voet van de waterval veelkleurige kant tegen de lucht. Ongeveer honderd meter voor ons was de plek waar we tussen de bomen door moesten en vlak daarachter begon het moeras.
    We liepen dicht bij elkaar de heuvel af, ikzelf voorop, Rufo en Ster opzij achter me, allen met pijlen op de boog. Ik had ze gezegd hun zwaard te trekken als een van de Gehoornde Geesten binnen vijftien meter afstand kwam. Dat deden ze geen van allen. Eén idioot kwam recht op ons af, alleen, en Rufo liet hem op tweemaal die afstand met een pijl in het zand bijten. Toen we bij het lijk kwamen trok Rufo zijn dolk. ‘Laat hem met rust,’ zei Ster. Ze leek zenuwachtig.
    ‘Ik wil alleen de klompen pakken om ze aan Omar te geven.’
    ‘En ons allemaal laten vermoorden. Als Omar klompen wil hebben, kan hij ze krijgen.’
    ‘Wat voor klompen?’ vroeg ik zonder stil te staan. ‘Goud, baas. Die snuiters hebben spiermagen, net als vogels. Maar goud is alles wat ze erin bewaren. De oude hebben soms wel twintig, dertig pond bij zich.’
    Ik floot.
    ‘Goud komt hier veel voor,’ legde Ster uit. ‘Er bevindt zich een heleboel aan de voet van de watervallen, binnen in de wolk, dat daar sinds eeuwen aangeslibd is. Het veroorzaakt gevechten tussen de Geesten en de Koud Water Bende, omdat de Geesten die vreemde begeerte hebben en zich soms in de wolk wagen om er aan toe te geven.’
    ‘Ik heb nog niemand van de Koud Water Bende gezien,’ merkte ik op.
    ‘Bid God dat dat niet gebeuren zal,’ antwoordde Rufo.
    ‘Des te meer reden diep in het moeras door te dringen,’ voegde Ster er aan toe. ‘De Bende gaat daar niet in en zelfs de Geesten niet ver. In weerwil van hun gespleten hoeven kunnen ze naar beneden gezogen worden.’
    ‘Is er iets gevaarlijks in het moeras zelf?’
    ‘Meer dan genoeg,’ zei Rufo tegen me. ‘Dus denk er aan dat je op de gele bloemen stapt.’
    ‘Kijk jij zelf maar waar je loopt. Als die kaart goed was, zal ik wel zorgen dat we niet verdwalen. Hoe ziet een Koud Water Bendelid eruit?’
    Rufo keek nadenkend. ‘Heb je wel eens iemand gezien die een week in het water had gelegen?’ Ik ging er niet op door.
    Voor we bij de bomen waren liet ik ons onze bogen aan de schouder hangen en onze zwaarden trekken. Toen we net de bescherming van de bomen bereikt hadden besprongen ze ons. Gehoornde Geesten, bedoel ik, niet de Koud Water Bende. Een hinderlaag van alle kanten, ik weet niet hoeveel er waren. Rufo doodde er vier of vijf en Ster minstens twee en ik danste in het rond, deed alsof ik erg actief was en trachtte het leven er niet bij in te schieten.
    Om verder te gaan moesten we op en over lijken klimmen, te veel om te tellen.
    We gingen verder het moeras in, volgden de kleine gouden padvinderbloemetjes en de krommingen en bochten van de kaart in mijn hoofd. Na een half uur kwamen we bij een open plek, zo groot als een dubbele garage. Ster zei zwakjes: ‘Hier zijn we ver genoeg.’ Ze had met een hand tegen haar zij gedrukt gelopen maar had niet eerder halt willen houden, ofschoon er bloedvlekken op haar tuniek zaten en er bloed langs de linkerpijp van haar maillot druppelde.
    Ze liet zich eerst door Rufo behandelen, terwijl ik de smalle ingang naar de open plek bewaakte. Ik was opgelucht dat me niet werd gevraagd te helpen want toen we voorzichtig haar tuniek uitdeden werd ik misselijk toen ik zag hoe erg ze doorboord was — en ze had geen kik gegeven. Dat gouden lichaam — gewond!
    Als dolende ridder stelde ik niets voor.
    Maar ze kikkerde weer op toen Rufo haar aanwijzingen had gevolgd. Ze behandelde Rufo en toen mij — ieder een vijftal wonden, maar schrammetjes vergeleken bij de lelijke wond die zij opgelopen had.
    Toen ze me eenmaal had opgelapt zei ze: ‘Heer Omar, hoe lang duurt het voor we door het moeras heen zijn?’
    Ik trok er in gedachten door. ‘Wordt het terrein slechter?’
    ‘Iets beter.’
    ‘Minder dan een uur.’
    ‘Mooi. Trek die smerige kleren niet meer aan. Rufo, pak een beetje uit, dan hebben we schone kleren en meer pijlen. Omar, die hebben we nodig voor de bloedgieren, als we eenmaal onder de bomen uit zijn.’
    De kleine zwarte doos besloeg bijna de hele open plek voor hij zover uitgevouwen was dat Rufo bij de kleren en het arsenaal kon komen. Maar schone kleren en een volle pijlenkoker maakten een nieuw mens van me, en zeker toen Rufo een halve liter cognac te voorschijn haalde en we die onder ons drieën verdeelden, klok-klok-klok! Ster vulde haar verbandzak aan en toen hielp ik Rufo de bagage op te vouwen.
    Misschien was Rufo duizelig door de cognac terwijl hij niets had gegeten. Of misschien door bloedverlies. Het kan ook de pech van een onopgemerkte plek gladde modder geweest zijn. Hij had de doos in zijn armen, op het punt de laatste sluiting dicht te maken waardoor hij weer op ranselgrootte zou zijn toen hij uitgleed, zich met geweld herstelde — en de doos zeilde uit zijn armen in een chocoladebruine plas.
    Hij lag ver buiten bereik. Ik schreeuwde: ‘Rufo, doe je riem af!’ Ik greep naar de gesp van de mijne.
    ‘Nee, nee,’ schreeuwde Rufo. ‘Achteruit. Breng je in veiligheid!’
    Er was nog een hoekje van de doos te zien. Ik wist dat ik hem eruit kon krijgen met een veiligheidsgordel om me heen, zelfs al had de plas helemaal geen bodem. Dat zei ik ook, nijdig.
    ‘Nee, Omarl’ zei Ster dringend. ‘Hij heeft gelijk. We gaan. Snel.’
    Dus we gingen — ik voorop, Ster vlak op mijn hielen en Rufo vlak achter haar.
    We hadden honderd meter gelopen toen er achter ons een modder-uitbarsting was. Niet veel lawaai, alleen een diep gerommel en een lichte aardbeving, daarna wat heel vieze regen. Ster haastte zich niet meer en zei vrolijk: ‘Nou, dat was dat.’
    Rufo zei: ‘En alle drank zat erin!’
    ‘Dat vind ik niet erg,’ antwoordde Ster. ‘Drank kunnen we overal krijgen. Maar ik had er nieuwe kleren in zitten, mooie, Omar. Die had ik je willen laten zien; toen ik ze kocht heb ik aan jou gedacht.’
    Ik antwoordde niet. Ik dacht aan een vlammenwerper en een M-1 en een paar kisten ammunitie. En de drank, natuurlijk.
    ‘Heb je gehoord wat ik zei, Heer?’ hield ze vol. ‘Ik wilde ze voor jou dragen.’
    ‘Prinses,’ antwoordde ik, ‘je hebt je mooiste kleren altijd bij je.’
    Ik hoorde het gelukkige lachje dat bij haar kuiltjes hoort. ‘Dat heb je vast al vaker gezegd. En ongetwijfeld met veel succes.’
    Lang voor het donker was waren we het moeras uit en even later bereikten we de bakstenen weg. Bloedgieren vormen geen probleem. Dat zijn zulke moordzuchtige dingen, die gieren: als je een pijl in de richting van zijn vlucht schiet zwenkt hij en vangt hij hem midden in de lucht op, midden in zijn slokdarm. We konden de pijlen gewoonlijk bergen. Spoedig nadat we de weg bereikt hadden liepen we door bebouwde velden en de bloedgieren werden minder. Precies bij zonsondergang zagen we bijgebouwen en lichten in het riddergoed waar we volgens Ster de nacht zouden doorbrengen.

VIII

    Heer Doral ’t Giuk Dorali had een man uit Texas kunnen zijn. Ik bedoel niet dat je hem voor iemand uit Texas zou kunnen aanzien, maar hij bezat die jij-hebt-de-lunch-betaald-laat-mij-nu-voor-de-Cadillacs-betalen hartelijkheid.
    Zijn boerderij was zo groot als een circustent en zo weelderig als een Kerstdiner — rijk, kostbaar, mooi houtsnijwerk en ingelegde juwelen. Toch zag het er slordig en bewoond uit en als je niet uitkeek waar je je voeten neerzette trapte je op een brede, welvende trap op een stukje speelgoed en kon je een gebroken sleutelbeen oplopen. Er liepen overal kinderen en honden voor je voeten en de jongsten daarvan waren nog niet zindelijk. Daar trok de Doral zich niets van aan. De Doral trok zich nergens iets van aan, hij genoot van het leven.
    We hadden kilometers lang door zijn velden gelopen (zo vruchtbaar als de beste akkers in Iowa en er waren geen winters; Ster vertelde me dat er vier maal per jaar geoogst werd) — maar het was laat en we zagen slechts hier en daar een boerenknecht, en een wagen die we op de weg tegenkwamen. Ik dacht dat die getrokken werd door een span van twee paar paarden. Ik vergiste me, het was maar één paar en de dieren waren geen paarden, ze hadden ieder acht benen.
    Zo is het in de hele Nevia-vallei, het alledaagse komt voor naast het buitensporig andere. Mensen waren mensen, honden waren honden — maar paarden waren geen paarden. Net als Alice die de Flamingo probeerde te begrijpen, dacht ik telkens dat ik het doorhad en dan ontsnapte het me weer.
    De man die die paardachtige duizendpoten aan de teugel had staarde naar ons, maar niet omdat we vreemd gekleed waren; hij was net eender gekleed als ik. Hij staarde naar Ster, en wie zou dat niet doen? De mensen die op de akkers werkten waren over het algemeen gekleed geweest in een soort lava-lava. Dit kledingstuk, een soort sarong die om het middel wordt vastgeknoopt, is in Nevia het equivalent van een overall of een spijkerbroek, voor mannen zowel als vrouwen; wat wij droegen kwam overeen met Het Grijze Pak of het eenvoudige zwarte damesjaponnetje. Wat feest- of galakleding betreft — dat is een heel ander verhaal.
    Toen we het terrein van het riddergoed opliepen kregen we een hele sleep kinderen en honden achter ons aan. Eén van de kinderen holde vooruit en toen we het brede terras voor het hoofdgebouw bereikten kwam Heer Doral zelf de voordeur uit. Ik zag hem niet aan dat hij Heer van het riddergoed was; hij droeg een van die korte sarongs, was blootsvoets en blootshoofds. Hij had dik peper-en-zout haar, een indrukwekkende baard en leek op Generaal U.S. Grant.
    Ster wuifde en riep: ‘Jock! O, Jocko!’ (De naam was ‘Giuk’, maar ik ving hem op als ‘Jock’ en Jock blijft het.)
    De Doral staarde naar ons en dreunde toen als een logge tank op ons af: ‘Nee maar! Wat heerlijk om je mooie blauwe ogen weer te zien! En je hupse gatje! Waarom heb je het me niet laten wéten?’ (Ik moet dit enigszins kuisen omdat het dialect van Nevia niet met het onze overeen komt. Probeer maar eens om bepaalde Franse zegswijzen letterlijk te vertalen dan begrijp je wel wat ik bedoel. De Doral was niet ordinair; hij was officieel en hoffelijk beleefd tegen een oude en bijzonder gewaardeerde vriendin.)
    Hij omhelsde Ster, tilde haar van de grond, kuste haar op beide wangen en op de mond, knabbelde aan een van haar oren en zette haar toen neer met een arm om haar heen.
    ‘Spelen en feesten! Drie maanden vakantie! Iedere dag rennen en fuiven, iedere avond drinkgelagen! Prijzen voor de sterkste, de mooiste, de geestigste —’
    Ster bracht hem tot zwijgen: ‘Heer Doral —’
    ‘Wat? En de grootste prijs voor de eerste baby die geboren wordt —’
    ‘Lieve Jocko! Ik houd erg veel van je, maar morgen moeten we verder. We willen alleen maar een bot om op te kluiven en een hoekje om te slapen.’
    ‘Onzin! Dat kun je me niet aandoen.’
    ‘Je weet dat ik niet anders kan.’
    ‘Die vervloekte politiek! Ik zal aan je voeten sterven, liefje. Het hart van die arme oude Jocko zal stil blijven staan. Ik voel al een aanval opkomen.’ Hij tastte over zijn borst. ‘Hier ergens —’
    Ze gaf hem een por in zijn buik. ‘Jij oude bedrieger. Jij zult sterven zoals je geleefd hebt en niet aan een gebroken hart. Heer Doral —’
    ‘Ja, Vrouwe?’
    ‘Ik heb een Held meegebracht.’
    Hij knipperde met zijn ogen. ‘Je hebt het toch niet over Rufo? Hallo, Rufe, ouwe bunzing! Heb je de laatste tijd nog goede bakken gehoord? Ga maar naar de keuken en zoek een vrolijk meisje uit.’
    ‘Dank U, Heer Doral.’ Rufo maakte ‘een dienaar’ met een diepe buiging en verliet ons.
    Ster zei streng: ‘Als het de Doral behaagt.’
    ‘Ik luister.’
    Ster maakte zich los uit zijn arm, ging rechtop staan en begon op zingende toon te declameren:
‘Naar de Zingende Lachende Wateren
‘Kwam een Held, Schoon en Onvervaard.
‘Omar heette de nobele krijger,
‘Wijs en Sterk en Onversaagd,
‘Lokte Igli met een vraag in de val,
‘Bestreed hem met paradoxen,
‘Sloot Igli’s mond met Igli.
‘Voerde hem zichzelf met huid en haar!
‘Nimmermeer zullen de Zingende Wateren...’

    Zo ging het door, het waren geen leugens, maar toch was het niet helemaal waar — gekleurd als een bijdrage van een persagentschap. Ster vertelde hem bijvoorbeeld dat ik zevenentwintig Gehoornde Geesten gedood had, waarvan één met mijn blote handen. Zoveel herinner ik me er niet en wat die ‘blote handen’ betreft, dat was per ongeluk. Ik had net zo’n stuk ongedierte doorstoken toen er een ander aan mijn voeten viel, die van achteren een duw gekregen had. Ik had geen tijd om mijn zwaard los te trekken, daarom zette ik een voet op een van de horens en trok met mijn linkerhand hard aan de andere en zijn kop spleet als een kippenbotje. Maar ik had het uit wanhoop gedaan, niet uit vrije keuze.
    Ster improviseerde zelfs een lange strofe over de heldhaftigheid van mijn vader en beweerde dat mijn grootvader de aanval op San Juan Hill had aangevoerd en begon toen over mijn overgrootvaders. Maar toen ze hem vertelde hoe ik dat litteken had opgelopen dat van mijn linkeroog naar mijn rechterkaak loopt trok ze pas goed alle registers open.
    Moet je luisteren, Ster had me de eerste keer dat we elkaar ontmoetten ondervraagd en gedurende die lange wandeling van de vorige dag had ze me aangemoedigd haar meer te vertellen. Maar het meeste van de onzin die ze de Doral voorschotelde had ik haar niet verteld. Ze moet de Sureté, de F.B.I. en Archie Goodwin maanden achter me aan gestuurd hebben. Ze noemde zelfs de club waartegen we speelden toen mijn neus gebroken werd en dat had ik haar nooit verteld.
    Ik stond te blozen terwijl de Doral me van het hoofd tot de voeten bekeek met gefluit en waarderend gegrom. Toen Ster eindigde met een eenvoudig: ‘Zo is het gekomen,’ slaakte hij een lange zucht en zei: ‘Zou je dat gedeelte over Igli nog eens kunnen vertellen?’
    Ster voldeed daaraan, zong andere woorden en gaf meer bijzonderheden. De Doral luisterde fronsend en knikte goedkeurend. ‘Een heldhaftige oplossing,’ zei hij. ‘Dus hij is ook wiskundige. Waar heeft hij gestudeerd?’
    ‘Een natuurtalent, Jock.’
    ‘Dat lijkt wel zo.’ Hij liep op me toe, keek me in de ogen en legde zijn handen op mijn schouders. ‘De Held die Igli vernietigt kan zich ieder huis kiezen. Maar zal hij mijn huis vereren door de gastvrijheid van onderdak... en tafel... en bed te accepteren?’
    Hij sprak heel ernstig en liet mijn blik niet los; ik kon niet naar Ster kijken voor een aanwijzing. En ik had een aanwijzing nodig. Degene die zelfvoldaan zegt dat goede manieren overal hetzelfde en mensen overal mensen zijn is nooit verder van Lutjebroek verwijderd geweest dan de eerste bushalte. Ik ben niet wereldwijs maar ik had genoeg rond gekeken om dat te begrijpen. Het was een officiële redevoering vol protocol en vroeg om een officieel antwoord.
    Ik deed het zo goed mogelijk. Ik legde mijn handen op zijn schouders en zei plechtig: ‘Die eer is veel meer dan ik verdien, Heer.’
    ‘Maar je aanvaardt het?’ zei hij gretig.
    ‘Ik aanvaard het van ganser harte.’ (’Hart’ komt er dicht genoeg bij, ik had een beetje moeite met de taal).
    Hij scheen een zucht van verlichting te slaken. ‘Geweldig!’ Hij sloeg zijn grote armen om me heen, kuste me op beide wangen en slechts door snel weg te duiken kon ik het vermijden op mijn mond gekust te worden.
    Toen ging hij rechtop staan en schreeuwde: ‘Wijn! Bier! Jenever! Wie is er hier voor de drommel aan het luiwammesen? Ik zal iemand levend villen met een roestige nagelvijl ! Stoelen! Bediening voor een Held! Waar hangt iedereen uit?’
    Dat laatste zei hij zonder reden; terwijl Ster verhaald had wat een geweldige kerel ik ben hadden zich achttien of vijftig mensen op het terras verzameld, elkaar verdringend om beter te kunnen zien. Daaronder moet zich het dienstpersoneel van die dag bevonden hebben want er werd me een kroes bier in de hand gedrukt en een dubbele borrel 110-proof vuurwater in de andere voor de baas uitgeschreeuwd was. Jocko dronk ad fundum dus deed ik dat ook en was toen blij dat ik op een stoel kon gaan zitten die al achter me stond, want mijn tanden gingen los zitten, mijn schedel werd gelicht en het bier begon net het vuur te doven.
    Anderen overstelpten me met stukken kaas, koud vlees, ingelegd zus en zo en ongeïdentificeerde drankjes die allemaal heerlijk smaakten. Ze wachtten niet tot ik iets aannam maar stopten het in mijn mond als ik die maar opende om ‘Prosit!’ te zeggen. Ik at wat me gegeven werd en dat begon al spoedig het fluorwaterstof op te slurpen.
    Inmiddels stelde de Doral zijn huishouding aan me voor. Het zou beter geweest zijn als ze chevrons hadden gedragen, want ik heb ze nooit uit elkaar leren houden. Kleren waren ook geen hulp, want zoals de kasteelheer als een landbouwer gekleed was kon het tweede hulpje van de keukenmeid zich met gouden sieraden en haar mooiste feestjurk tooien (en dat deed ze soms ook.) Ze werden ook niet in volgorde van rang voorgesteld.
    Ik snapte amper wie de Vrouwe van het Riddergoed was, Jocko’s vrouw — zijn voornaamste vrouw. Ze was een bijzonder knappe oudere vrouw, die wat te zwaar was maar die overtollige ponden waren zeer aantrekkelijk verdeeld. Ze was net zo nonchalant gekleed als Jocko, maar ik kreeg haar gelukkig in de gaten, omdat ze Ster meteen ging begroeten, ze omhelsden elkaar hartelijk als twee oude vriendinnen. Dus ik spitste mijn oren toen ze een ogenblik later aan me werd voorgesteld — als (en dat ving ik op) dé Doral (net als Jocko dé Doral was) maar met de vrouwelijke uitgang.
    Ik sprong overeind, greep haar hand, boog me er overheen en drukte mijn lippen erop. Dit is in de verste verte geen Neviaans gebruik, maar het werd bejubeld en Mevrouw Doral bloosde en keek verheugd en Jocko grinnikte trots.
    Zij was de enige voor wie ik opstond. Alle mannen en jongens maakten met een diepe buiging een dienaar voor me; alle vrouwen van zes tot zestig maakten een reverence — niet zoals wij die kennen maar in de Neviaanse stijl. Het had meer van een pas van de Twist. Balanceer op één voet, leun zover achterover als je kunt, balanceer dan op de andere voet terwijl je voorover buigt en al die tijd moet je langzaam een golvende beweging maken. Dit klinkt niet erg elegant maar het is het wel, en het bewees dat er op het hele landgoed van de Doral geen reumatiek of hernia voorkwam.
    Jocko maakte zich bijna nooit druk over namen. De vrouwen waren ‘Liefje’ en ‘Schatje’ en ‘Snoezepoes’ en hij noemde alle mannen, zelfs zij die ouder schenen te zijn dan hij ‘Zoon’.
    Vermoedelijk waren de meesten zijn zonen. Ik heb de situatie in Nevia nooit helemaal begrepen. Het leek op een feodale gemeenschap uit onze eigen geschiedenis — en misschien was het dat ook wel — maar of deze troep de slaven, de lijfeigenen, de knechten van de Doral waren of allemaal leden van éen grote familie, heb ik nooit uit kunnen puzzelen. Ik denk dat het een mengelmoes was. Titels hadden niets te beduiden. De enige titel die Jocko voerde was dat hij door een grammaticale verbuigingsvorm bestempeld werd als dé Doral en niet een van de honderden andere Dorals. Ik heb in deze memoires hier en daar het etiket ‘Heer’ gebruikt, omdat Ster en Rufo dat gebruikten, maar het was niets dan een beleefde aanspreektitel, die overeenkwam met iets dergelijks in het Neviaans. ‘Freiherr’ betekent niet ‘vrij man’ en ‘monsieur’ betekent niet ‘mijn heer’ — je kunt die dingen niet goed vertalen. Ster doorspekte haar woorden met ‘heren’ omdat ze veel te beleefd was om zelfs tegen haar boezemvrienden ‘Hé daar!’ te zeggen.
    (De allerbeleefdste vriendelijkheden in het Neviaans zouden je in Amerika een klap in je gezicht bezorgen.)
    Toen iedereen was voorgesteld aan de Gordon, Held Eerste Klas, gingen we uiteen om ons voor te bereiden voor het banket dat Jocko, beroofd van zijn drie maanden braspartijen in de plaats gesteld had van zijn eerste plan. Ik werd gescheiden van Ster zowel als van Rufo; ik werd naar mijn appartementen geleid door mijn twee dienaressen.
    Jawel, dat zei ik. Vrouwelijk. Meervoud. Het was maar goed dat ik gewend was aan de Europese gewoonte van damesbedienden in herentoiletten. Z.O. Azië en 1’Île du Levant hadden me aan nog meer gewend; op Amerikaanse scholen leren ze je niet hoe je met dienaressen moet omgaan. Zeker niet als ze jong en schattig zijn en uitzonderlijk verlangend om te behagen... en ik had een lange, gevaarlijke dag achter de rug. Toen ik de eerste keer op patrouille was heb ik al geleerd dat niets die bekende biologische aandrang zo verhoogt als beschoten worden en het overleven.
    Als er maar één geweest was, was ik misschien te laat voor het diner gekomen. In dit geval chaperonneerden ze elkaar, hoewel niet expres, geloof ik. Ik gaf de roodharige een klap op haar achterwerk toen de andere niet keek en ik dacht dat we een afspraakje hadden voor later.
    Nou, je rug laten wassen is ook leuk. Ik werd gewassen, geschoren, gepoetst, gedouched, geurend als een strijdlustige roos en uitgedost met de fraaiste opschik sinds Cecil B. deMille de Bijbel herschreef op tijd door hun afgeleverd bij de feestzaal.
    Maar het gala-uniform van een stadhouder dat ik droeg was een werkpak vergeleken bij Sters uitrusting. Ze was eerder op de dag al haar mooie kleren kwijt geraakt, maar onze gastvrouw was erin geslaagd wat voor haar op te scharrelen.
    Eerst een japon die Ster van de kin tot de enkels bedekte — als spiegelglas. Het leek op blauwe rook, het omsloot haar nauw en golfde van achteren uit. Daaronder zat ‘lingerie’. Ze scheen omwikkeld te zijn met omstrengelende klimop — maar deze klimop was van goud, afgezet met saffieren. Het boog om haar mooie buik, verdeelde zich in snoeren en omvatte haar borsten. De hele bedekking was minimaal als een bikini, maar veel opzienbarender en veel doeltreffender.
    Haar schoenen waren sandalen in een S-bocht van iets doorschijnends en elastisch. Ze schenen nergens door vastgehouden te worden, geen bandjes en geen gespen; haar mooie voeten rustten er naakt op. Daardoor leek het alsof ze ongeveer tien centimeter van de grond op haar tenen liep.
    Haar weelderige blonde haar was opgemaakt in een bouwsel dat net zo ingewikkeld was als een volledig opgetuigd schip en bezaaid met saffieren. Ze droeg ook enkele fortuinen aan saffieren hier en daar over haar lichaam verspreid; ik zeg niet waar.
    Ze zag me op het zelfde ogenblik dat ik haar in de gaten kreeg. Haar gezicht verhelderde en ze riep in het Engels: ‘Mijn Held, wat ben je móói!’
    Ik zei, ‘Hè —’
    Toen voegde ik er aan toe: ‘Jij hebt je tijd ook niet verspild. Zit ik naast jou? Je zult me wel moeten helpen.’
    ‘Nee, nee! Jij zit bij de heren, ik zit bij de dames. Je zult geen moeilijkheden hebben.’
    Dit is helemaal geen gekke manier om een banket aan te richten. We hadden allebei gescheiden lage tafels, de mannen op een rij tegenover de dames, met zo’n vijf meter er tussen. Het was niet nodig om met de dames te keuvelen en ze waren allemaal het aankijken waard. De Vrouwe Doral zat tegenover me en stak Ster naar de kroon om de Gouden Appel. Haar toilet was op sommige plaatsen ondoorschijnend, maar niet op de gebruikelijke plaatsen. Het bestond voornamelijk uit diamanten. Ik denk tenminste dat het diamanten waren; ik geloof niet dat ze zulke grote rijnstenen maken.
    Er zaten ongeveer twintig mensen aan; twee of drie maal zoveel bedienden liepen in het rond. Drie meisjes deden niets anders dan zorgen dat ik niet van honger of dorst omkwam — ik hoefde niet te leren hoe je hun tafelzilver moest gebruiken; ik raakte het niet eens aan. De meisjes lagen naast me geknield; ik zat op een groot kussen. Later op de avond lag Jocko plat op zijn rug met zijn hoofd op een schoot zodat zijn dienaressen voedsel in zijn mond konden stoppen of een glas aan zijn lippen konden brengen.
    Jocko had drie dienaressen net als ik; Ster en Mevrouw Jocko allebei twee; de rest moest zich met een per persoon behelpen. Deze dienaressen toonden aan waarom ik moeite had de spelers uit elkaar te houden zonder programma. Mijn gastvrouw en mijn Prinses waren fantastisch uitgedost, natuurlijk — maar één van mijn lakeien, een zestienjarige zware concurrente voor Miss Nevia, droeg alleen maar juwelen, maar zoveel dat ze fatsoenlijker gekleed was dan Ster of Doral Letva, Vrouwe Doral.
    Ze gedroegen zich ook niet als bedienden, afgezien van hun hartstochtelijke vastberadenheid om te zorgen dat ik dronken werd en me overat. Ze kwebbelden onder elkaar in een tienertaalje en debiteerden geestigheden over de omvang van mijn spieren, enz., alsof ik er niet bij was. Klaarblijkelijk wordt van helden niet verwacht dat ze praten, want elke keer dat ik mijn mond open deed werd er wat in gestopt.
    Er was aldoor iets gaande — dansers, goochelaars, declameren van gedichten — in de ruimte tussen de tafels. Er dwaalden kinderen rond die lekkere hapjes van de schotels gristen voor ze de tafels bereikten. Eén poppetje van een jaar of drie ging op haar hurken tegenover me zitten, één en al grote ogen en open mond en staarde naar me terwijl de dansers maar moesten zien hoe ze haar zo goed mogelijk konden ontwijken. Ik probeerde haar naar me toe te lokken, maar ze bleef alleen maar staren en speelde met haar teentjes.
    Een jonkvrouw met een hakkebord liep tussen de tafels rond. Het zou een hakkebord geweest kunnen zijn en het zou een jonkvrouw geweest kunnen zijn.
    Toen het feest een uur of twee aan de gang was, stond Jocko op, brulde om stilte, boerde luid, schudde de meisjes van zich af die hem wilden ondersteunen en begon te reciteren. Hetzelfde vers, andere melodie — hij reciteerde mijn wapenfeiten. Ik had gedacht dat hij te dronken was om een limerick op te zeggen, maar hij stak eindeloos de loftrompet, in volmaakte scandering, met ingewikkelde rijmen en kabbelende alliteraties, een verbazingwekkende prestatie van virtuositeit in welsprekendheid.
    Hij hield zich aan Sters verhaal, maar borduurde er op voort. Ik luisterde met stijgende bewondering zowel voor hem als dichter als voor die goeie ouwe Gordon, het een-mans-leger. Ik kwam tot de conclusie dat ik een held van jewelste moest zijn, dus toen hij ging zitten, stond ik op.
    De meisjes waren er beter in geslaagd me dronken te voeren dan me te laten eten. Het meeste voedsel was vreemd, maar gewoonlijk smakelijk. Maar er was een koude schotel binnengebracht, kleine kikkerachtige wezentjes op ijs, die in hun geheel werden opgediend. Je moest ze in een saus dopen en ze in twee happen opeten.
    De griet met de juwelen greep er een, doopte het in de saus en hief het op om me ervan te laten happen. En toen werd het wakker.
    Het kleine ding — we zullen hem Elmer noemen — Elmer rolde met zijn ogen en keek me aan, net toen ik in hem wilde bijten.
    Ik had plotseling geen honger meer en trok mijn hoofd terug. Juffrouw Juwelierswinkel lachte hartelijk, doopte hem nog eens in en wees me hoe ik het doen moest. Weg Elmer — Ik at een hele poos niets en dronk veel te veel. Iedere keer dat me een hapje aangeboden werd zag ik Elmers pootjes verdwijnen, slikte en nam nog een slok.
    Daarom stond ik op.
    Toen ik eenmaal stond, viel er een ademloze stilte. De muziek stopte omdat de musici afwachtten wat ze moesten improviseren als achtergrond bij mijn gedicht. Ik besefte plotseling dat ik niets te zeggen had. Helemaal niets. Er was geen schijn van kans dat ik een dankdicht zou kunnen improviseren, een elegant compliment aan mijn gastheer — in het Neviaans. Verdorie, in het Engels zou ik het zelfs niet gekund hebben.
    Sters ogen waren op me gericht. Ze keek ernstig en vol vertrouwen.
    Dat gaf de doorslag. Ik waagde het niet in het Neviaans; ik wist niet eens meer hoe je de weg naar het herentoilet moest vragen. Dus ging ik met alle registers open in het Engels op ze los. Vachel Lindsay’s ‘Congo’.
    Zoveel ervan als ik me herinneren kon, zeg een bladzij of vier. Wat ik reciteerde was dat stuk meeslepend ritme en rijm, dubbelzinnigheden debiterend en verzinnend als ik het niet meer precies wist, en werkelijk al mijn kracht inzettend bij ‘op de tafel slaan met een bezemsteel! Boem! Boem! Boemele boem!’ en het orkest begreep de stemming en we lieten de borden rinkelen.
    Het applaus was geweldig en Juffrouw Tiffany greep mijn enkel en drukte er een kus op.
    Dus bracht ik bij wijze van dessert E.A. Poe’s ‘Klokken’.
    Jocko kuste me op mijn linkeroog en snikte op mijn schouder.
    Toen stond Ster op en verklaarde scanderend en op rijm dat ik in mijn eigen land, in mijn eigen taal, onder mijn eigen volk, allen krijgers en artiesten, net zo beroemd was als dichter als als held (wat waar was: nul is gelijk aan nul) en dat ik hen de eer had aangedaan mijn grootste werk te componeren in de parelen van mijn moedertaal, een passende dank voor de Doral en huize Doral voor de gastvrijheid van dak, van tafel en van bed — en dat ze te gelegener tijd haar best zou doen mijn gedicht in hun taal over te zetten.
    We kregen samen de Oscar.
    Toen brachten ze het pièce de résistance binnen, een in zijn geheel geroosterd dier dat door vier man werd binnengedragen. Naar de grootte en de vorm te oordelen had het geroosterde boer kunnen zijn. Maar het was dood en het rook heerlijk en ik at er een heleboel van en dat ontnuchterde me. Na het vlees kwamen er nog maar acht of negen gangen, soepen en sorbets en dergelijke liflafjes. Het feest werd ongedwongener en de mensen bleven niet meer aan hun eigen tafels zitten. Een van mijn meisjes viel in slaap en liet mijn wijnglas omvallen en toen merkte ik dat de meesten waren weggegaan.
    Doral Letva leidde me, geflankeerd door twee meisjes, naar mijn kamer en bracht me naar bed. Ze doofden de lichten gedeeltelijk en trokken zich terug terwijl ik nog trachtte een hoffelijk welterusten in hun taal onder woorden te brengen. Ze kwamen terug nadat ze alle juwelen en andere beletselen afgelegd hadden en poseerden naast mijn bed, de Drie Gratiën. Ik was tot de conclusie gekomen dat de jongeren mama’s dochters waren. Het oudste meisje was misschien achttien, rijp, en een beeld van wat mama op die leeftijd geweest moest zijn; de jongste scheen vijf jaar jonger, amper huwbaar, voor haar leeftijd net zo mooi en heel zelfbewust. Ze bloosde en liet haar ogen zakken toen ik naar haar keek. Maar haar zuster keek, brutaal provocerend, met zwoele ogen terug.
    Hun moeder legde, met een arm om hun middel, eenvoudig maar op rijm uit dat ik hun dak en hun tafel eer had aangedaan — en nu hun bed. Wat behaagde een Held? Eén? Of twee? Of alle drie?
    Ik ben benauwd. Dat weten we al. Als die kleine zuster niet net ongeveer zo groot geweest was als de kleine bruine zusters, waar ik in het verleden bang van was geweest, had ik misschien meer aplomb kunnen tonen.
    Maar, verdomme, die deuren konden niet op slot. Het waren alleen maar open bogen. En Jocko, die vent, kon elk ogenblik wakker worden; ik wist niet waar hij was. Ik zal niet zeggen dat ik nooit met een getrouwde vrouw naar bed ben geweest of met iemands dochter in zijn eigen huis — maar in die kwesties gebruikte ik de Amerikaanse camouflage-gewoonten. Dit botte aanbod maakte me banger dan de Gehoornde Geiten. Ik bedoel ‘Geesten’.
    Ik deed mijn best mijn besluit in dichterlijke taal in te kleden. Daar slaagde ik niet in, maar ze begrepen dat het negatief was.
    Het kleine meisje begon te grienen en nam de vlucht. Haar zuster keek woedend, snauwde: ‘Héld!’ en ging achter haar aan. Mama keek me alleen maar aan en verliet de kamer. Een minuut of twee later kwam ze terug. Ze sprak heel officieel, hield zich kennelijk sterk in bedwang en wenste te weten of een andere vrouw in dit huis de goedkeuring van de Held had kunnen wegdragen? Haar naam, alstublieft? Of kon ik haar beschrijven? Of wilde ik ze laten aantreden zodat ik haar aan kon wijzen?
    Ik deed mijn best om uit te leggen, dat als er sprake van keuze was, zij mijn keus zou zijn — maar dat ik moe was en alleen wenste te slapen.
    Letva pinkte tranen weg, wenste me de rust die een held toekomt en verdween voor de tweede keer en zelfs nog sneller. Ik dacht een ogenblik dat ze me een klap in mijn gezicht zou geven.
    Vijf seconden later stond ik op en probeerde haar te achterhalen. Maar ze was weg, de galerij was donker.
    Ik viel in slaap en droomde over de Koud Water Bende. Ze waren zelfs nog lelijker dan Rufo aangegeven had en ze trachtten me grote goudklompen te laten eten, die allemaal de ogen van Elmer hadden.

IX

    Rufo schudde me wakker, ‘Baas! Sta op! Nu direct!’
    Ik verstopte mijn hoofd onder de lakens. ‘Ga weg!’ Ik had een smaak in mijn mond als van bedorven kool, mijn hoofd bonsde en mijn oren zaten achterstevoren.
    ‘Nu diréct! Zij wil het.’
    Ik stond op. Rufo droeg ons Robin Hoodkostuum en zijn zwaard, dus kleedde ik me ook zo en gespte mijn zwaard om. Mijn dienaressen schitterden door afwezigheid evenals mijn geleende opschik. Ik strompelde achter Rufo aan naar de grote eetzaal. Daar stond Ster in reistoilet en met een ernstig gezicht. De fraaie meubels van de vorige avond waren verdwenen; het was er zo somber en kaal als in een verlaten schuur. Een kale tafel, dat was alles, met een groot stuk vlees erop, koud in gestold vet met een mes ernaast.
    Ik keek er zonder trek naar. ‘Wat is dat?’
    ‘Je ontbijt, als je het hebben wilt. Maar ik blijf niet onder dit dak om genadebrood te eten.’ Het was een toon, een gedrag dat ik niet van haar kende.
    Rufo trok aan mijn mouw: ‘Baas. Laten we ‘m smeren. Nu.’
    En dat deden we. Er was binnen of buiten geen mens te zien, zelfs geen kinderen of honden. Maar er stonden drie vurige strijdrossen te wachten. Die achtbenige tandemponies, bedoel ik, de paarden-uitgave van een takshond, gezadeld en gereed om te bestijgen. De tuigage was ingewikkeld; ieder paar benen had een schouderstuk en de belasting werd gelijkelijk verdeeld door een zijdelings buigbare dissel aan weerskanten en daarop was een zetel aangebracht met een rugleuning, een beklede zitting en armleuningen. Naar iedere armleuning liep een teugel.
    Een hendel links was zowel rem als versnelling en ik vertel maar liever niet hoe de bedoelingen naar het beest werden overgebracht. De ‘paarden’ schenen er echter geen aanstoot aan te nemen.
    Het waren geen paarden. Hun hoofden waren vagelijk paardachtig, maar ze hadden meer klauwen dan hoeven en het waren omnivoren, ze liepen niet op hooi. Maar je gaat van die dieren houden. De mijne was zwart met witte vlekken — heel mooi. Ik noemde haar ‘Ars Longa’. Ze had zielvolle ogen.
    Rufo bond mijn boog en pijlkoker op een bagagerek achter mijn stoel en wees me hoe ik op moest stijgen, mijn veiligheidsgordel vast moest maken en hoe ik gemakkelijk kon gaan zitten met mijn voeten op een bankje, niet in stijgbeugels, en met een steuntje in mijn rug. Zo gemakkelijk als een eersteklas stoel in een vliegtuig. We gingen snel op weg met een gestadige vaart van vijftien kilometer per uur in telgang (de enige gang die die langpaarden kennen) maar vereffend door die acht ophangpunten zodat het wel een auto op een grindpad leek.
    Ster reed voorop, ze had geen woord meer gesproken. Ik probeerde tegen haar te praten maar Rufo trok me aan mijn mouw. ‘Baas, niet doen,’ zei hij kalm. ‘Als Zij in die stemming is kun je alleen maar afwachten.’
    Toen we eenmaal onderweg waren, Rufo en ik naast elkaar en Ster buiten gehoorsafstand, zei ik: ‘Rufo, wat ter wereld is er gebeurd?’
    Hij zweeg en ik ook. Had Jocko zich aanstotelijk gedragen tegenover Ster? Hij was inderdaad dronken geweest en hij had best verliefd kunnen gaan doen. Maar ik kon me niet voorstellen dat Ster een man niet in toom zou kunnen houden en verkrachting vermijden zonder zijn gevoelens te kwetsen.
    Dat leidde tot verdere beroerde gedachten. Als de oudste zuster alleen gekomen was — als Juffrouw Tiffany niet onder de tafel gevallen was — als mijn dienares met het vuurrode haar verschenen was om me uit te kleden, zoals ik begrepen had dat ze doen zou — o, verdomme!
    Even later stelde Rufo zijn veiligheidsgordel ruimer, liet zijn rugleuning zakken, stelde zijn voetenbank hoger om te kunnen liggen, legde een zakdoek over zijn gezicht en begon te snurken. Na een poosje deed ik hetzelfde; het was een korte nacht geweest, geen ontbijt en ik had een kater als een koningstijger. Mijn ‘paard’ had geen hulp nodig; ze oriënteerden zich allebei op Sters rijdier.
    Toen ik wakker werd voelde ik me beter, afgezien van honger en dorst. Rufo sliep nog; Sters strijdros liep nog altijd vijftig passen voorop. Het landschap was nog steeds weelderig en misschien een kilometer verderop lag een huis — geen vorstelijk riddergoed, maar een boerderij. Ik kon een bron zien borrelen en dacht aan bemoste emmers, koel en nat en stinkend naar typhus — nou ja, ik had mijn cocktail-injecties in Heidelberg gehad; ik had dorst. In water bedoel ik. Nog liever bier — ze hadden hier heerlijk bier.
    Rufo geeuwde, haalde zijn zakdoek weg en stelde zijn stoel hoger. ‘Moet in slaap gesukkeld zijn,’ zei hij met een dwaze grijns.
    ‘Rufo, zie je dat huis?’
    ‘Ja. Wat zou dat?’
    ‘Lunch, dat zou het. Ik heb nu ver genoeg gereisd op een lege maag. Ik heb zo’n dorst dat ik een steen zou kunnen uitwringen en er de wei van drinken.’
    ‘Dat moet je dan maar doen.’
    ‘Hé?’
    ‘Heer, het spijt me — ik heb ook dorst — maar we houden hier geen halt. Dat zou Zij niet willen.’
    ‘Dat zou ze niet, hè? Rufo, je moet één ding goed begrijpen. Het feit, dat Mevrouw Ster een boze bui heeft is voor mij geen reden om de hele dag zonder eten en drinken door te rijden. Jij doet maar wat je niet laten kunt; ik blijf hier eten. Eh, heb je geld bij je? Plaatselijk geld?’
    Hij schudde het hoofd. ‘Dat kun je niet doen, hier niet, Baas. Wacht nog een uur. Alsjeblieft.’
    ‘Waarom?’
    ‘Omdat we nog op het land van de Doral zijn, daarom. Ik denk niet dat hij bericht vooruit gezonden heeft om ons op het eerste gezicht neer te schieten; Jock is een goedhartige oude schooier. Maar ik zou toch liever een harnas aan hebben; een zwerm pijlen zou me niet verbazen. Of een valnet op het moment dat we onder die bomen komen.’
    ‘Denk je dat echt?’
    ‘Hangt er van af hoe boos hij is. Ik herinner me dat de Doral op een keer toen iemand hem wérkelijk beledigd had die arme sufferd naakt liet uitkleden en liet binden met zijn familiejuwelen en hem liet plaatsen — nee, ik kan het niet vertellen.’ Rufo slikte en keek alsof hij misselijk was. ‘Groot feest gisteravond, ik ben mezelf niet. Laten we maar liever over plezieriger dingen praten. Je had het over wei uit een steen wringen. Je dacht ongetwijfeld aan de Sterke Muldoon?’
    ‘Verdomme, verander niet van onderwerp!’ Mijn hoofd bonsde. ‘Ik ga niet onder die bomen rijden en de kerel die een pijl op me afschiet moet zijn eigen huid maar eens nakijken of er soms gaten inzitten. Ik heb dorst.’
    ‘Baas,’ smeekte Rufo. ‘Zij zal op het land van de Doral eten noch drinken — al smeekten ze haar er om. En Zij heeft gelijk. Jij kent de gebruiken niet. Hier aanvaardt men wat vrijwillig aangeboden wordt... maar zelfs een kind is te trots om iets aan te raken wat misgund wordt. Nog zeven kilometer. Kan de held die Igli voor het ontbijt doodde het geen zeven kilometer meer volhouden?’
    ‘Nou ja... goed, goed! Maar je moet toegeven dat dit een raar land is. Volkomen krankzinnig.’
    ‘Mmmm...’ antwoordde hij. ‘Ben je wel eens in Washington (D.C.) geweest?’
    ‘Nou ja —’ Ik grinnikte zuur. ‘Touché! En ik dacht er niet aan dat dit jouw vaderland is. Ik wilde je niet beledigen.’
    ‘O, maar dat is het niet. Waarom dacht je dat?’
    ‘Wel —’ Ik trachtte te denken. Rufo noch Ster had het gezegd, maar — ‘Je kent de gebruiken, je spreekt de taal als een inboorling.’
    ‘Heer Omar, ik weet niet meer hoeveel talen ik spreek. Als ik er een hoor, kan ik hem spreken.’
    ‘Nou, je bent geen Amerikaan. Een Fransman ook niet, denk ik.’
    Hij grinnikte vrolijk. ‘Ik zou je geboortebewijzen van beide landen kunnen tonen — tenminste voor we onze bagage verloren. Maar nee, ik kom niet van de Aarde.’
    ‘Waar dan wel vandaan?’
    Rufo aarzelde. ‘Het is beter dat je de feiten van Haar hoort.’
    ‘Onzin! Mijn voeten zijn allebei gebonden en ik heb een zak over mijn hoofd. Dit is belachelijk.’
    ‘Baas,’ zei hij ernstig. ‘Zij zal alle vragen beantwoorden die je haar stelt. Maar je moet ze stellen.’
    ‘Dat zal ik zeker!’
    ‘Laten we dus over iets anders praten. Je had het over de Sterke Muldoon —’
    ‘Daar had jij het over.’
    ‘Nou, misschien wel. Ik heb Muldoon zelf nooit ontmoet, hoewel ik wel in dat gedeelte van Ierland geweest ben. Een prachtig land en de enige werkelijk logische mensen op Aarde. Feiten brengen hun niet van hun apropos af als ze geconfronteerd worden met hogere waarheden. Een bewonderenswaardig volk. Ik hoorde over Muldoon van een van mijn ooms, een waarheidslievend man die vele jaren spookschrijver van politieke redevoeringen geweest is. Maar deze keer was hij, tengevolge van een ongelukje bij het schrijven van redevoeringen voor concurrerende kandidaten, met vakantie als free lance correspondent voor een Amerikaans syndicaat dat zich toelegde op verhalen voor de zondagsbladen. Hij hoorde van de Sterke Muldoon, en spoorde hem op; hij nam de trein naar Dublin, toen een plaatselijke bus en tenslotte de benenwagen. Hij ontmoette een man die een akker beploegde met een ploeg voor één paard... maar die man duwde de ploeg zelf voort zonder hulp van een paard en maakte keurige voren van twintig centimeter. ‘Aha!’ zei mijn oom en riep uit: ‘Meneer Muldoon!’
    ‘De boer hield op en riep terug: ‘Wees gezegend voor je vergissing, vriend!’, greep de ploeg met één hand, wees ermee en zei: ‘Je zult Muldoon die kant op vinden. Hij is sterk.’
    ‘Mijn oom bedankte hem en liep verder tot hij een andere man vond die palen voor een hek aanbracht door ze met zijn blote handen in de grond te schuiven... en in een steenachtige bodem, zo is het. Dus weer begroette mijn oom hem als Muldoon.
    ‘De man schrok zo dat hij de tien of twaalf palen van vijftien centimeter dik die hij onder zijn andere arm had liet vallen.
    ‘Loop heen met die vleierij!’ riep hij terug. ‘Je zult toch wel weten dat Muldoon verderop aan deze zelfde weg woont. Hij is stérk.’
    ‘De volgende ingezetene die mijn oom zag was een muur aan het bouwen. Een muur zonder specie en keurig netjes. Die man hakte de stenen zonder gebruik te maken van hamer of troffel, hij spleet ze met de zijkant van zijn hand en werkte ze af door er stukjes af te breken met zijn vingers. Dus weer sprak mijn oom die man aan met die roemvolle naam.
    ‘De man begon te praten, maar hij had een droge keel van dat steengruis; zijn stem begaf het. Dus pakte hij een grote steen, kneep daarin zoals jij Igli geknepen hebt — dreef er met geweld water uit alsof het een veldfles van geitenleer geweest was en dronk. Toen zei hij: ‘Ik niet, vriend. Hij is stérk, zoals iedereen weet. Wel, ik heb hem vaak zijn pink zien steken in —’
    Mijn aandacht werd van deze reeks leugens afgeleid door een griet die aan de andere kant van de greppel langs de weg hooi aan het opsteken was. Ze had opmerkelijke borstspieren en een lava-lava stond haar uitstekend. Ze zag dat ik naar haar keek en ze keek meteen terug en heupwiegde nog op de koop toe.
    ‘Wat zei je?’ vroeg ik.
    ‘Hè? — alleen het eerste lid... en dan hield hij zich urenlang horizontaal gestrekt!’
    ‘Rufo,’ zei ik, ‘ik geloof niet dat het meer dan een paar minuten zou kunnen duren. Druk op de weefsels en zo.’
    ‘Baas,’ antwoordde hij op gekrenkte toon, ‘ik zou je precies naar de plek kunnen brengen waar de Machtige Dugan dat nummer placht uit te voeren.’
    ‘Je zei dat de naam Muldoon was.’
    ‘Hij was een Dugan van moeders kant en hij was erg trots op haar. Het zal U behagen te horen, Heer, dat de grens van het land van de Doral nu in zicht is. Lunch over een paar minuten.’
    ‘Daar ben ik aan toe. Met een liter nattigheid, al is het maar water.’
    ‘Bij acclamatie aangenomen. Om je de waarheid te zeggen, Heer, ben ik vandaag niet op mijn best. Ik heb eten en drinken en een lange siësta nodig voor het vechten begint, anders zou ik gapen als ik pareren moest. Die fuif was te veel.’
    ‘Ik heb je niet aan het banket gezien.’
    ‘Ik was er in de geest. In de keuken is het eten warmer, is er meer keus en het gezelschap minder officieel. Maar het lag helemaal niet in mijn bedoeling er nachtwerk van te maken. Vroeg naar bed is mijn motto. Alles met mate. Epictetus. Maar de banketbakster — nou, die deed me denken aan een ander meisje dat ik eens gekend heb, mijn partner in een wettig zaakje, smokkelen. Maar haar motto was dat alles dat waard was gedaan te worden waard was te veel gedaan te worden — en dat deed ze. Ze smokkelde bij het smokkelen, een eigen bijbaantje, waar ze mij niets van vertelde en waar geen rekening mee werd gehouden — want ik maakte overal een lijst van voor de douane-ambtenaren, een kopie bij de steekpenningen, zodat ze wisten dat ik eerlijk was.
    ‘Maar een meisje kan niet zo dik als een gevulde gans door de poort lopen en dan twintig minuten later zo plat als een strijkplank — niet dat ze dat was, dat is maar bij wijze van spreken — weer terugwandelen zonder bedenkelijke blikken te oogsten. Als die hond ’s nachts dat vreemde niet gedaan had, hadden de stille dienders ons gesnapt.’
    ‘Wat voor vreemds deed die hond ’s nachts?’
    ‘Precies wat ik vannacht gedaan heb. Het lawaai wekte ons en we konden over het dak ontsnappen, maar het enige resultaat van zes maanden hard werken waren geschaafde knieën. Maar die banketbakster — je hebt haar gezien, Heer. Bruin haar, blauwe ogen, haar haar groeit uit in een punt op haar voorhoofd en de rest is opmerkelijk gelijk aan Sophia Loren.’
    ‘Ik herinner me vaag zo iemand.’
    ‘Dan heb je haar niet gezien, er is niets vaags aan Nalia. Hoe dan ook, het was mijn bedoeling geweest vannacht een kuis leven te leiden, omdat ik wist dat er vandaag bloed vergoten zou worden. Je weet:
‘Eens per avond en het licht uit;
Eéns in de morgen bij een nieuwe dageraad’

    — zoals de Wijze aanraadde. Maar ik had geen rekening met Nalia gehouden. Aldus zie je me nu zonder slaap en zonder ontbijt en als ik voor de nacht valt dood zal liggen in een plas van mijn eigen bloed zal dat gedeeltelijk Nalia’s schuld zijn.’
    ‘Ik zal je lijk scheren, Rufo, dat beloof ik je.’ We waren de grenspaal van de volgende provincie gepasseerd, maar Ster minderde geen vaart. ‘Apropos, waar heb je eigenlijk het vak van begrafenisondernemer geleerd?’
    ‘Het wát? O! Dat was nog eens ver weg. Op de top van die helling, achter die bomen, staat een huis en daar zullen we lunchen. Aardige mensen.’
    ‘Mooi zo!’ De gedachte aan een lunch was weer een lichtpuntje, omdat ik mijn padvinders-optreden van de vorige nacht weer betreurde. ‘Rufo, je had het helemaal verkeerd over dat vreemde dat de hond ’s nachts deed.’
    ‘Heer?’
    ‘De hond heeft helemaal niets gedaan, dat was het vreemde.’
    ‘Nou, zo klónk het niet bepaald,’ zei Rufo twijfelend.
    Een andere hond en een andere ver verwijderde plaats. Neem me niet kwalijk. Wat ik wilde zeggen was: Er is me gisterenavond op weg naar bed iets eigenaardigs overkomen — en ik ben kuis geweest.’
    ‘Inderdaad, Heer?’
    ‘Inderdaad, zo niet in gedachten.’ Ik moest het iemand vertellen en Rufo was een schavuit die ik kon vertrouwen. Ik vertelde hem het Sprookje van de Drie Poezen.
    ‘Ik had het erop moeten wagen,’ besloot ik. ‘En geloof me, dat zou ik gedaan hebben als dat jonge ding in bed gestopt was — alleen — toen het haar bedtijd was. Dat denk ik althans, zonder me te bekommeren om Blanke Ganzeroer of uit het raam springen. Rufo, waarom hebben de mooiste meisjes altijd vaders of echtgenoten? Maar ik vertel je de waarheid, daar stonden ze — de Grote Poes, de Tussen-in Poes en de Kleinste Poes, zo dicht bij dat ik ze kon aanraken en alle drie maar al te verlangend om mijn bed te verwarmen — en ik deed verdomme niets! Ga je gang, lach maar. Dat heb ik verdiend.’
    Hij lachte niet. Ik draaide me naar hem om en hij keek me vol medelijden aan. ‘Heer! Mijn kameraad Omar! Zeg dat het niet waar is!’
    ‘Het is wel waar,’ zei ik boos. ‘En ik had er direct spijt van. Te laat. En dan moet jij klagen over jóuw nacht!’
    ‘O, mijn God!’ Hij gaf zijn rijdier de sporen en ging er vandoor. Ars Longa keek vragend over haar schouder en vervolgde toen haar weg.
    Rufo haalde Ster in; ze bleven staan voor het huis waar we zouden lunchen. Ze bleven wachten en ik voegde me bij ze. Sters gezicht was uitdrukkingloos: Rufo zag er ondraaglijk verward uit.
    Ster zei: ‘Rufo, ga een lunch voor ons vragen. Breng het hierheen. Ik zou graag alleen met de Heer willen spreken.’
    ‘Ja, Vrouwe!’ Hij maakte zich uit de voeten. Ster zei, nog steeds zonder uitdrukking, tegen me: ‘Heer Held, is het waar? Wat je kamerheer me verteld heeft?’
    ‘Ik weet niet wat hij verteld heeft.’
    ‘Het ging over je fiasco — je zogenaamde fiasco — van vannacht.’
    ‘Ik weet niet wat je met ‘fiasco’ bedoelt. Als je wilt weten wat ik na het feestmaal gedaan heb... Ik ben alleen gaan slapen. Punt.’
    Ze zuchtte maar haar gelaatsuitdrukking veranderde niet. ‘Ik wilde het van je eigen lippen horen. Om rechtvaardig te zijn.’ Toen veranderde haar uitdrukking wel en ik heb nog nooit zo’n woede gezien. Met een lage, bijna koude stem begon ze me uit te foeteren:
    ‘Jij held. Jij ongelooflijk stomme sufferd. Onhandige, blunderende, lummelachtige, mottige, rauwe, te veel gespierde, idiote —’
    ‘Schei uit!
    ‘Stil, ik ben nog niet met je klaar. Drie onschuldige dames beledigen, een trouwe vriend krenken —’
    ‘HOUD JE MOND!!!’
    De windstoot blies haar haar naar achteren. Ik begon voor ze weer van leer kon trekken. ‘Spreek nooit meer op die manier tegen me, Ster. Nooit meer.’
    ‘Maar —’
    ‘Houd je mond, jij humeurige kwaje meid! Je hebt het recht niet op die manier tegen me te spreken. En geen enkele vrouw zal dat recht ooit verkrijgen. Je zult me altijd — altijd! — beleefd en met respect aanspreken. Nog één zo’n onbeschoft lomp woord en je krijgt een pak rammel dat je tranen zal kosten.’
    ‘Dat zou je niet dúrven!’
    ‘Haal je hand van dat zwaard of ik pak het je af, stroop je je broek hier midden op de weg naar beneden en geef je daar een pak rammel mee. Tot je billen rood zijn en je om genade smeekt. Ster, ik vecht niet met vrouwen — maar stoute kinderen straffen doe ik wel. Dames behandel ik als dames. Verwende meiden behandel ik als verwende meiden. Ster, je kon de Koningin van Engeland en de Oppermeesteres van de Melkweg tegelijk zijn — maar Nog een ongepast woord van je en omlaag gaat je maillot en dan zul je een week niet kunnen zitten. Begrepen?’
    Tenslotte zei ze met een klein stemmetje: ‘Ik heb het begrepen, Heer!’
    ‘En bovendien neem ik mijn ontslag uit dat heldengedoe. Ik luister geen twee maal naar dergelijke woorden en ik werk niet voor iemand die me zelfs maar één maal zo behandelt.’
    Ik zuchtte en besefte dat ik mijn korporaalsstrepen weer eens kwijt geraakt was. Maar ik had me altijd gemakkelijker en vrijer zonder gevoeld.
    ‘Ja, Heer.’ Ik kon haar nauwelijks horen. Het kwam bij me op dat het een hele reis was, terug naar Nice. Maar daar bekommerde ik me niet om.
    ‘Goed, laten we er niet meer over praten.’
    ‘Ja, Heer.’ Ze voegde er rustig aan toe: ‘Maar mag ik uitleggen, waaróm ik zo gesproken heb?’
    ‘Nee.’
    ‘Goed, Heer.’
    Een hele — zwijgende — poos later kwam Rufo terug. Hij bleef buiten gehoorsafstand staan en ik wenkte hem bij ons te komen.
    We aten zwijgend en ik at niet veel, maar het bier was best. Rufo probeerde één keer te keuvelen over een onmogelijkheid van één van zijn andere ooms. In Staphorst had het niet minder opgang kunnen maken.
    Na de lunch keerde Ster haar rijdier — die ‘paarden’ zijn gemakkelijk draaibaar voor hun wielbasis, maar om ze rechtsomkeert te laten maken als er weinig ruimte is is het gemakkelijker om ze aan de toom te houden. Rufo zei: ‘Vrouwe?’
    Ze zei onverstoorbaar: ‘Ik ga terug naar de Doral.’
    ‘Vróuwe! Alsjeblieft niet!’
    ‘Lieve Rufo,’ zei ze hartelijk maar bedroefd. ‘Je kunt in dat huis op me wachten — en als ik over drie dagen niet terug ben, ben je vrij.’ Ze keek naar mij en wendde haar blik af.
    ‘Ik hoop, dat het Heer Omar zal behagen me te begeleiden. Maar dat vraag ik niet. Daar heb ik het recht niet toe.’ Ze begaf zich op weg.
    Het duurde lang voor ik Ars Longa gekeerd had; ik had het nog niet te pakken. Ster was al een eind op weg; ik volgde haar.
    Rufo stond op zijn nagels bijtend te wachten tot ik gekeerd was, toen steeg hij plotseling op en haalde me in. We reden naast elkaar, zorgvuldig vijftig passen achter Ster. Tenslotte zei hij: ‘Dit is zelfmoord. Dat weet je toch?’
    ‘Nee, dat weet ik niet.’
    ‘Nou, maar het is het wel.’
    Ik zei: ‘Vind je het daarom niet nodig om ‘Heer’ te zeggen?’
    ‘Hè?’
    ‘’Hè, Heer,’ alsjeblieft. Om in training te blijven. Maar van nu af aan, al leven we nog maar dertig minuten. Omdat ik nu de leiding van het spul heb — en niet alleen maar haar stroman ben. Ik wens dat er bij jou geen twijfel over bestaat wie de baas is als het eenmaal op vechten aankomt. Anders kun je omkeren en dan zal ik je rijdier een klap op zijn gat geven om op gang te komen. Heb je me gehoord?’
    ‘Ja, Heer Omar.’ Hij voegde er bedachtzaam aan toe: ‘Ik wist dat jij de baas was zodra ik terug kwam. Maar ik begrijp niet hoe je het hem geleverd hebt. Heer, ik heb Haar nog nooit gedwee gezien. Mag men informeren?’
    ‘Dat mag men niet. Maar je hebt mijn toestemming om er bij haar naar te informeren. Als je denkt dat je dat veilig doen kunt. Vertel me nu eens wat over dat ‘zelfmoord’-gedoe — en zeg niet dat Zij niet wil dat je me van advies dient. Van nu af aan zul je me raad geven elke keer dat ik erom vraag — en je kiezen op elkaar houden als ik dat niet doe.’
    ‘Ja, Heer. Goed, de kansen op zelfmoord. De risico’s zijn niet te berekenen. Het hangt ervan af hoe boos de Doral is. Maar het zal geen gevecht zijn, dat is onmogelijk. Of we worden doodgeslagen op het moment dat we onze neus laten zien... of we zijn veilig tot we zijn land weer verlaten, zelfs als hij ons zegt om te keren en weg te rijden.’ Rufo keek zeer bedachtzaam. ‘Heer, als je een gissing in het wilde weg wilt — nou, me dunkt, dat je de Doral erger beledigd hebt dan hij ooit in de loop van een lang en lichtgeraakt leven gekrenkt is. Dus is het negentig tegen tien dat we zodra we van de weg af zijn allemaal meer pijlen in ons lichaam zullen hebben dan Sint Sebastiaan.’
    ‘Ster ook? Zij heeft niets gedaan. En jij ook niet.’ (En ik ook niet, voegde ik er tot mezelf aan toe. Wat een land!)
    Rufo zuchtte. ‘Heer, iedere wereld heeft zijn eigen gebruiken. Jock zal Haar niet willen kwetsen. Hij mag Haar graag. Hij is verschrikkelijk dol op Haar. Je zou kunnen zeggen dat hij van Haar houdt. Maar als hij jou doodt, móét hij Haar doden. Naar zijn maatstaven zou iets anders onmenselijk zijn — en hij is een moreel hoogstaande kerel; daar staat hij om bekend. En mij moet hij natuurlijk ook doden, maar ik tel niet mee. Hij móét Haar doden zelfs als dat een reeks gebeurtenissen teweegbrengt die hem zullen vernietigen als het nieuws eenmaal bekend wordt. De vraag is: moet hij jóu doden? Me dunkt van wel, die mensen kennende. Het spijt me... Heer.’
    Dat overdacht ik. ‘Waarom ben je dan hier, Rufo?’
    ‘Heer?’
    ‘Éénmaal ‘Heer’ per uur is genoeg. Waarom ben je hier? Als je raming goed is, kunnen jouw ene zwaard en ene boog geen invloed hebben op het resultaat. Ze heeft je een eerlijke kans gegeven om je terug te trekken. Wat is het dan? Trots? Of ben jij verliefd op haar?’
    ‘O, mijn God, nee!’
    Alweer zag ik Rufo werkelijk geschokt. ‘Neem me niet kwalijk,’ vervolgde hij. ‘Je had me te pakken terwijl ik niet op mijn hoede was.’ Hij dacht er over na. ‘Twee redenen, geloof ik. De eerste is dat als Jock ons toestaat te onderhandelen — nou, Zij kan goed praten. In de tweede plaats’ — hij wierp een blik op me — ‘ik geef toe dat ik bijgelovig ben. Jij bent iemand die geluk heeft. Dat heb ik gezien. Daarom wil ik in jouw nabijheid zijn, zelfs al zegt mijn verstand dat ik er beter vandoor kan gaan. Je zou in een beerput kunnen vallen en —’
    ‘Onzin. Je moest mijn pech-verhalen eens horen.’
    ‘In het verleden misschien. Maar ik gok op de dobbelstenen terwijl ze rollen.’ Hij zweeg.
    Een poosje later zei ik: ‘Jij blijft hier.’ Ik versnelde mijn vaart en reed naar Ster. ‘Dit zijn de plannen,’ zei ik tegen haar. ‘Als we er zijn, blijf jij met Rufo op de weg. Ik ga alleen naar binnen.’
    Ze hapte naar adem. ‘O, Heer! Nee!’
    ‘Ja.’
    ‘Maar —’
    ‘Ster, wil je me terug hebben? Als je ridder?’
    ‘Van ganser harte!’
    ‘Goed. Doe het dan op mijn manier.’
    Ze wachtte even voor ze antwoord gaf. ‘Omar —’
    ‘Ja, Ster.’
    ‘Ik zal doen wat je zegt. Maar wil je me alles laten uitleggen voor je beslist wat je zult zeggen?’
    ‘Ga door.’
    ‘In deze wereld dient een dame naast haar ridder te rijden. En daar zou ik willen zijn, mijn Held, als er gevaar dreigt. In het bijzonder als er gevaar dreigt. Maar ik smeek niet om gevoel en ook niet om lege formaliteiten. Wetend wat ik nu weet kan ik met zekerheid voorspellen dat jij, als je eerst naar binnen gaat, zult sterven en ik zal sterven — en Rufo ook — zodra ze ons gevangen hebben. Dat zal snel zijn, onze rijdieren zijn moe. Aan de andere kant, als ik alleen naar binnen ga —’
    ‘Nee.’
    ‘Alsjeblieft, Heer. Het was geen voorstel van me. Als ik alleen naar binnen ging, zou ik waarschijnlijk evenveel kans lopen onmiddellijk te sterven als jij. Of misschien zou hij me, in plaats van me als voer voor de varkens te gooien, eenvoudig de varkens laten hoeden en me als speelgoed aan de varkenshoeders geven — eerder een genadig lot in plaats van koude rechtvaardigheid, in aanmerking genomen mijn volslagen vernedering als ik zonder jou terug kom. Maar de Doral houdt van me en ik geloof wel dat hij me zou laten leven... als een varkenshoedster en niet beter dan varkens. Dit zou ik zo nodig riskeren en mijn kans om te ontsnappen afwachten, want ik kan me geen trots veroorloven; ik heb geen trots, alleen noodzaak.’ Haar stem was hees van tranen.
    ‘Ster! Ster!’
    ‘Mijn lieveling!’
    ‘Hè? Je zei —’
    ‘Mag ik het zeggen? Misschien hebben we niet veel tijd meer. Mijn Held... mijn lieveling.’ Ze strekte blindelings haar arm uit, ik greep haar hand; ze boog zich naar me over en drukte mijn hand tegen haar borst.
    Toen ging ze rechtop zitten, maar bleef mijn hand vasthouden. ‘Ik ben nu weer in orde. Ik ben een vrouw, als ik het het minst verwacht. Nee, mijn liefste Held, er is maar één manier voor ons om naar binnen te gaan en dat is trots naast elkaar. Dat is niet alleen het veiligste, maar ook de enige manier waarop ik het zou willen — als ik me trots veroorloven kon. Ik kan me niets anders veroorloven. Ik zou de Eiffeltoren voor je kunnen kopen om mee te spelen en voor een nieuwe zorgen als je hem kapot maakte. Maar geen trots.’
    ‘Waarom is het het veiligste?’
    ‘Omdat hij ons misschien — ik zeg ‘misschien’ — zal laten onderhandelen. Als ik tien woorden in het midden kan brengen, zal hij me er honderd toestaan. Daarna duizend. Ik zal misschien in staat zijn zijn gekrenktheid te genezen.’
    ‘Goed. Maar — Ster, wat heb ik gedaan om hem te krenken? Dat héb ik niet gedaan. Ik heb me een heleboel moeite getroost om hem niét te krenken.’
    Ze zweeg een poosje, toen — ‘Je bent Amerikaan.’
    ‘Wat heeft dat ermee te maken? Dat weet Jock niet.’
    ‘Misschien heeft het er alles mee te maken. Nee, Amerika is hooguit een naam voor de Doral, want al heeft hij de Universa bestudeerd, hij heeft nooit gereisd. Maar — zul je niet weer boos op me worden?’
    ‘Eh... laten we daar maar over zwijgen. Zeg alles wat je zeggen moet, maar leg het me uit. Als je me maar niet uitfoetert. O, verdorie, foeter me wel uit als je wilt — deze ene keer. Maak er alleen geen gewoonte van... mijn lieveling.’ Ze kneep in mijn hand. ‘Dat zal ik nooit meer doen! De vergissing lag in het feit dat ik me niet realiseerde dat je Amerikaan bent. Ik ken Amerika niet, niet zoals Rufo het kent. Als Rufo erbij geweest was — maar hij was er niet bij; hij zat achter de meisjes aan in de keuken. Ik vermoed dat ik aannam dat je je, toen je tafel en dak en bed werd aangeboden, zou gedragen als een Fransman. Ik had niet kunnen dromen dat je het zou weigeren. Als ik dat geweten had, had ik duizend excuses voor je kunnen verzinnen. Een eed die je afgelegd had. Een heiligendag van jouw godsdienst. Jock zou teleurgesteld geweest zijn, maar niet gekrenkt; hij is een man van eer.’
    ‘Maar — verdorie, ik snap nog steeds niet waarom hij me dood wil schieten voor iets dat ik niét gedaan heb. Thuis zou ik verwachten dat hij me dood zou willen schieten omdat ik het wél gedaan had. Is een man in dit land gedwongen ieder voorstel aan te nemen dat een meisje maakt? En waarom is ze er vandoor gegaan om te klagen? Waarom heeft ze het niet geheim gehouden? Verdorie, ze heeft er niet eens moeite voor gedaan. Ze sleepte haar dochters er bij.’
    ‘Maar, lieveling, het is nooit een geheim gewéést. Hij vroeg het jou in het publiek en je hebt het in het publiek aangenomen. Hoe zou jij je voelen als je bruid je in je huwelijksnacht de slaapkamer uitgooide? ‘Tafel, dak en bed’. Je hebt het aangenomen.’
    ‘Bed’. Ster, in Amerika zijn bedden meubelstukken die voor velerlei doeleinden worden aangewend. Soms slapen we erin. Alleen maar slapen. Ik heb het niet gesnapt.’
    ‘Dat weet ik nu. Je kende de uitdrukking niet. Mijn schuld. Maar begrijp je nu waarom hij zich zo volslagen — en publiekelijk — vernederd voelde?’
    ‘Nou, ja, maar hij heeft het aan zichzelf te wijten. Hij vroeg het me in het openbaar. Het zou veel erger geweest zijn als ik toen nee gezegd had.’
    ‘Helemaal niet. Je hoefde het niet te aanvaarden. Je had op een elegante manier kunnen weigeren. Misschien is het de elegantste manier al is het een leugentje om bestwil, voor een held om zijn tragische onbekwaamheid — tijdelijk of blijvend — te betuigen; te wijten aan wonden die hij juist heeft opgelopen in de strijd waaruit hij als held tevoorschijn is getreden.’
    ‘Dat zal ik onthouden. Maar nu begrijp ik nog niet waarom hij in eerste instantie zo verbazingwekkend goedgunstig is geweest.’
    Ze keerde zich om en keek me aan. ‘Mijn lieveling, mag ik zeggen dat jij mij iedere keer dat ik met je heb gepraat verbaasd hebt doen staan? En ik had gedacht dat ik jaren geleden al nergens meer verbaasd over kon zijn.’
    ‘Dat is wederkerig. Jij verbaast mij altijd. Maar ik vind het prettig — op één keer na.’
    ‘Mijn Heer Held, hoe vaak denk je dat een eenvoudige landjonker de kans heeft voor zijn familie het kind van een Held te verkrijgen en het als het zijne op te voeden? Kun je zijn als gal zo bittere teleurstelling niet aanvoelen over wat je hem onthield nadat hij dacht dat je hem dit buitenkansje beloofd had? Zijn schaamte? Zijn woede?’
    Ik overpeinsde het. ‘Nou breekt mijn klomp. Het gebeurt in Amerika ook wel. Maar ze gaan er niet prat op.’
    ‘Andere landen, andere zeden. Op zijn allerminst had hij gedacht dat hem de eer te beurt viel dat een held hem als een broeder behandelde. En met een beetje geluk verwachtte hij een kind van een held voor huize Doral.’
    ‘Wacht eens even! Stuurde hij er daarom drié? Om de kansen te verbeteren?’
    ‘Omar, hij zou je er graag dértig gestuurd hebben... als je een wenk gegeven had dat je je heldhaftig genoeg voelde om dat te ondernemen. In dit geval zond hij je zijn hoofd-vrouw en zijn twee meest geliefde dochters.’ Ze aarzelde. ‘Wat ik nog steeds niet begrijp —’ Ze zweeg en stelde me toen ronduit een vraag.
    ‘Welnéé!’ protesteerde ik blozend. ‘Niet sinds ik vijftien was. Maar wat me ervan weerhield was dat jonge kind. Ze is nog een kind. Denk ik.’
    Ster haalde haar schouders op. ‘Misschien wel. Maar ze is geen kind; in Nevia is ze een vrouw. En zelfs als ze nu nog maagd is verwed ik er wat om dat ze binnen het jaar moeder is. Maar als je er afkerig van was wat met haar te beginnen, waarom heb je haar dan niet weggestuurd en haar oudere zuster genomen? Die meid is al geen maagd meer zolang ze borsten heeft, dat weet ik zeker — en ze zeggen dat Muri een ‘stuk’ is, als dat de Amerikaanse uitdrukking is.’
    Ik mompelde wat. Ik had hetzelfde gedacht. Maar daar wilde ik niet met Ster over praten.
    Ze zei: ‘Pardonne-moi, mon cher? Tu as dit?
    ‘Ik zei dat ik geen lustmisdaden bega tijdens de Vasten.’
    Ze keek verbijsterd. ‘Maar de Vasten is al voorbij. Zelfs op de Aarde. En hier bestaat dat helemaal niet.’
    ‘Neem me niet kwalijk.’
    ‘Toch doet het me genoegen dat je niet aan Muri de voorkeur hebt gegeven boven Letva; Muri zou na iets dergelijks ondraaglijk verwaand hebben gedaan tegenover haar moeder. Maar ik heb toch goed begrepen dat je het in orde zult maken, als ik alles in het reine kan brengen?’ Ze voegde er aan toe: ‘Het maakt een groot verschil in de wijze waarop ik diplomatiek te werk moet gaan.’
    (Ster, Ster — ik wil met jóu naar bed!) ‘Is dat wat je wenst... mijn lieveling?’
    ‘O, het zou zo’n hulp zijn!’
    ‘Oké. Jij bent de dokter. Eén... drie... dertig — al moet ik er aan sterven. Maar geen kleine meisjes!’
    ‘Dat is geen probleem. Laat me nadenken. Als de Doral me maar vijf woorden in het midden laat brengen —’
    Ze zweeg verder. Haar hand voelde aangenaam warm aan. Ik dacht ook na. Die vreemde gewoonten hadden consequenties, en door sommige daarvan had ik me nog laten afschrikken. Hoe kon het, als Letva haar echtgenoot onmiddellijk had laten weten wat een sufferd ik was, dat —
    ‘Ster? Waar heb jij vannacht geslapen?’
    Ze keek me scherp aan. ‘Heer... is het mij toegestaan je te vragen je alsjeblieft met je eigen zaken te bemoeien?
    ‘Ik denk van wel. Maar iedereen schijnt zich met de mijne te bemoeien.’
    ‘Het spijt me. Maar ik heb een heleboel moeilijkheden en mijn grootste moeilijkheden weet je nog niet eens. Het was een openhartige vraag en verdient een openhartig antwoord. Gastvrijheid is een evenwicht en eer telt naar twee kanten. Ik heb vannacht in het bed van de Doral geslapen. Maar, als dat er iets op aan komt — en voor jou doet het dat misschien wel; ik begrijp Amerikanen nog steeds niet — ik ben gisteren gewond en daar had ik nog last van. Jock is een lieve, goedige ziel. We hebben geslapen. Alleen maar geslapen.’
    Ik trachtte er nonchalant over te doen. ‘Het spijt me van die wond. Doet hij nog pijn?’
    ‘Helemaal niet. Morgen zal het verband eraf vallen. Maar — vannacht was het niet de eerste keer dat ik in huize Doral in het genot van dak en tafel en bed gesteld werd. Jock en ik zijn oude vrienden, boezemvrienden — daarom denk ik dat ik het erop kan wagen dat hij me een paar seconden zal toestaan alvorens me te doden.’
    ‘Nou, dat had ik ook wel zowat uitgepuzzeld.’
    ‘Omar, naar jouw maatstaven — de manier waarop je bent opgevoed — ben ik een slet.’
    ‘O, helemaal niet. Een Prinses.’
    ‘Een slet. Maar ik kom niet uit jouw land en ik ben volgens een andere gedragslijn opgevoed. Volgens mijn eigen maatstaven, en die schijnen mij goed toe, ben ik een zedelijke vrouw. Nu... ben ik nu nog ‘je lieveling’?’
    ‘Mijn lieveling!’
    ‘Mijn liefste Held. Mijn ridder. Buig je naar me toe en kus me. Als we moeten sterven zou ik willen dat mijn mond nog warm is van jouw lippen. De ingang is om de volgende hoek.’
    ‘Dat weet ik.’
    Enkele ogenblikken later reden we met het zwaard in de schede en ongespannen boog trots het doelgebied binnen.

X

    Drie dagen later reden we er weer uit.
    Deze keer kregen we een weelderig ontbijt. Deze keer stonden er muzikanten langs de uitgang. Deze keer reed de Doral met ons mee.
    Deze keer wankelde Rufo naar zijn rijdier, elke arm om een meisje, een fles in elke hand, en werd toen na zoenen van nog een dozijn andere meisjes op zijn stoel getild en in liggende houding vastgegespt. Hij viel in slaap en snurkte voor we op weg waren.
    Ik werd vaker vaarwel gekust dan ik kon tellen, en door enkelen die geen enkele reden hadden om dat zo van harte te doen — want ik was nog maar een held in de leer, ik moest het vak nog onder de knie krijgen.
    Het is geen gek vak, in weerwil van de lange werkdag, de risico’s van het bedrijf en volslagen gebrek aan zekerheid; er zijn bijkomstigheden, vele vacatures en snelle bevordering voor iemand met energie die bereid is om te leren. De Doral leek nogal met me in zijn schik.
    Aan het ontbijt had hij mijn bekwaamheden tot op dat moment bezongen met een duizendtal ingewikkelde regels.
    Maar ik was nuchter en kwam door zijn loftuitingen niet onder de indruk van mijn eigen grootsheid; ik wist wel beter. Iemand had hem kennelijk geregeld rapport uitgebracht — maar die iemand was een leugenaar. Jan Henk de IJzeren Man zou niet hebben kunnen doen wat Jocko’s ode aan mij toeschreef.
    Maar ik aanvaardde het met mijn heldhaftige gelaatstrekken in een nobele en onverstoorbare plooi, toen stond ik op en bracht ‘Casey at the Bat’, waarbij ik hart en ziel legde in ‘Mighty Casey has struck OUT!’
    Ster gaf er een vrije vertaling van. Ik had (zong ze) me lovend uitgelaten over de dames van huize Doral en ze in verband gebracht met Madame de Pompadour, Nell Gwynn, Theodora, Ninon de l’Enclos en Rangy Lil. Ze noemde deze beroemde dames niet; in plaats daarvan noemde ze bijzonderheden in een Neviaanse lofrede die François Villon versteld zou hebben doen staan.
    Dus moest ik nog een toegift geven. Ik bracht ‘Reilly’s Daughter’, en daarna ‘Jabberwocky’ met gebaren.
    Ster had me in de geest vertolkt; ze had gezegd wat ik gezegd zou hebben als ik in staat geweest was gedichten te improviseren. Laat op de tweede dag was ik Ster toevallig tegengekomen in het Turkse bad van het riddergoed. Een uur lang lagen we in lakens gewikkeld op platte stenen naast elkaar om uit te zweten en de weefsels te herstellen. Na een poosje flapte ik er uit hoe verbaasd — en verrukt — ik was. Ik deed het schaapachtig, maar Ster was iemand voor wie ik mijn ziel durfde blootleggen.
    Ze had ernstig geluisterd. Toen ik uitgerateld was zei ze kalm: ‘Mijn Held, zoals je weet ken ik Amerika niet. Maar volgens wat Rufo me verteld heeft is jullie beschaving enig in de Universa.’
    ‘Nou ja, ik besef wel dat de USA in dergelijke dingen niet wereldwijs is, niet zoals Frankrijk dat is.’
    ‘Frankrijk!’ Ze haalde haar mooie schouders op. ‘Romanen zijn ijselijk slechte minnaars. Dat heb ik ergens gehoord en ik kan bevestigen dat het waar is. Omar, voor zover ik weet is jullie cultuur de enige semi-beschaafde waarin liefde niet erkend wordt als de hoogste kunst en waar ze niet zo ernstig wordt bestudeerd als ze verdient.’
    ‘Je bedoelt, zoals ze het hier doen. Wow! Veel te goed voor het gewone volk!’
    ‘Nee, ik bedoel niet zoals ze het hier doen.’ Ze sprak Engels. ‘Hoeveel ik ook van onze vrienden hier houd, dit is een barbaarse cultuur en hun kunst is barbaars. O, goede kunst in zijn soort, heel goede; hun benadering is oprecht. Maar — als we dit overleven, als we onze moeilijkheden achter de rug hebben — wil ik je door de Universa laten reizen. Dan zul je wel zien wat ik bedoel.’ Ze stond op en vouwde haar laken als een toga. ‘Ik ben blij dat het je genoegen doet, mijn Held. Ik ben trots op je.’
    Ik lag daar nog een poosje te overdenken wat ze gezegd had. De ‘hoogste kunst’ en thuis maakten we er niet eens een studie van, en we piekerden er nog minder over om er les in te geven. Ballet kost jaren en jaren. En ze nemen je ook niet aan om in de Metropolitan Opera te zingen omdat je een harde stem hebt.
    Waarom zou liefde geclassificeerd worden als een instinct? De begeerte naar seks is inderdaad een instinct — maar maakte een andere begeerte iedere lekkerbek een fijnproever, iedereen die patates bakte een driesterrenkok? Verdorie, je moest zelfs een diploma hebben om patates te bakken!
    Ik liep ‘De Beste Dingen in het Leven zijn Gratis’ fluitend het Turkse bad uit — en beet dat toen af in plotseling medelijden met al mijn arme, ongelukkige landgenoten die door de meest geweldige fopperij in de geschiedenis van hun geboorterecht beroofd zijn.
    Toen we anderhalve kilometer onderweg waren nam de Doral afscheid van ons; hij omarmde mij, kuste Ster en maakte haar haar in de war; toen trokken hij en zijn geleide hun zwaarden en bleven saluerend staan tot we over de volgende helling verdwenen waren. Ster en ik reden naast elkaar terwijl Rufo achter ons lag te snurken.
    Ik keek naar haar en ze trok met haar mond. Ze ving mijn blik op en zei preuts: ‘Goedemorgen, Heer.’
    ‘Goedemorgen, Vrouwe. Heb je goed geslapen?’
    ‘Heel goed, dank je, Heer. En jij?’
    ‘Eveneens, dank je.’
    ‘Ja? Wat deed de hond ’s nachts voor vreemds?’
    ‘De hond heeft ’s nachts niets gedaan, dat was het vreemde,’ antwoordde ik met een strak gezicht.
    ‘Werkelijk? Zo’n vrolijke hond? Wie was die ridder dan die ik met een dame heb gezien?’
    ‘Het was geen nacht, het was ochtend.’
    ‘En je functioneerde nog! Mijn flinke jongen!’
    ‘Tracht nu niet je avontuurtjes op mij af te schuiven, jij dartel wijf,’ zei ik streng. ‘Ik heb relaties, ik heb — ik heb een alibi. Bovendien mijn kracht is tienvoudige kracht omdat ik rein van hart ben.’
    ‘En de regel daarvoor. Ja, ik weet het; je vriendinnen hebben het me verteld, Heer.’ Plotseling lachte ze, gaf me een klap op mijn dij en begon het refrein van ‘Reilly’s Daughter’ te zingen. Vita Brevis snoof; Ars Longa zette haar oren overeind en keek afkeurend achterom.
    ‘Schei uit,’ zei ik. ‘Je brengt de paarden in verlegenheid.’
    ‘Het zijn geen paarden en je kunt ze niet in verlegenheid brengen. Heb je gezien hoe zij het doen, Heer? In weerwil van al die benen? Eerst —’
    ‘Houd je mond! Ars Longa is een dame, als jij het dan niet bent.’
    ‘Ik heb je verteld dat ik een slet ben. Eerst loopt ze schuchter naar hem toe —’
    ‘Ik heb het gezien. Muri dacht dat ik het leuk zou vinden. In plaats daarvan gaf het me een minderwaardigheidscomplex, dat de hele middag geduurd heeft.’
    ‘Ik waag het te betwijfelen dat het de héle middag was, Heer Held. Laten we dan over Reilly zingen. Begin jij maar, ik zal je begeleiden.’
    ‘Nou — niet te hard, anders maken we Rufo wakker.’
    ‘Wel nee, die is gebalsemd.’
    ‘Dan maak je mij wakker, wat nog erger is. Ster, lieveling, wanneer en waar is Rufo begrafenisondernemer geweest? En hoe is hij daar vandaan hierin verzeild geraakt? Hebben ze hem de stad uitgewezen?’
    Ze keek verbijsterd. ‘Begrafenisondernemer? Rufo toch zeker niet.’
    ‘Hij heeft het met alle bijzonderheden verteld.’
    ‘Werkelijk? Heer, Rufo heeft vele ondeugden. Maar de waarheid spreken behoort daar niet toe. Bovendien, ons volk heeft geen begrafenisondernemers.’
    ‘O, nee? Wat doen jullie dan met overgebleven lijken? Je kunt ze moeilijk in de salon proppen. Slordig.’
    ‘Dat vind ik ook, maar dat doen we nu precies: we houden ze in de salon. Tenminste gedurende een paar jaar. Een overdreven sentimenteel gebruik, maar we zijn een sentimenteel volk. Maar toch kun je overdrijven. Een van mijn oudtantes hield al haar vroegere echtgenoten in haar slaapkamer — het was er afschuwelijk volgepropt en vervelend ook, want ze praatte altijd over ze, ze herhaalde zichzelf en overdreef. Ik ging niet meer naar haar toe.’
    ‘Zo. Stofte ze ze af?’
    ‘O, ja. Ze was een pietluttige huisvrouw.’
    ‘Eh — Hoeveel waren er?’
    ‘Zeven of acht, ik heb ze nooit geteld.’
    ‘Zo. Ster? Is er zwarteweduwenbloed in je familie?’
    ‘Wat? O! Maar lieveling, iedere vrouw heeft zwarteweduwenbloed.’ Ze kreeg kuiltjes in haar wangen, reikte naar me en klopte me op mijn knie. ‘Maar Tante heeft ze niet vermoord. Geloof me, mijn Held, de vrouwen in mijn familie houden veel te veel van de mannen om ze te verspillen. Nee, Tante vond het gewoon verschrikkelijk om ze te laten gaan. Dat vind ik dwaas. Je moet vooruit kijken, niet terug.’
    ‘En het dode verleden zijn doden laten begraven. Luister eens, als jullie lijken in huis houden, moeten jullie begrafenisondernemers hebben. Of althans balsemers. Of heeft de lucht er geen vat op?’
    ‘Balsemen? O, nee. Je geeft ze gewoon een stasis, als je er eenmaal zeker van bent dat ze dood zijn. Of stervend. Dat kan een schooljongen.’ Ze voegde er aan toe: ‘Misschien heb ik Rufo onrecht aan gedaan. Hij heeft heel wat tijd op jullie Aarde doorgebracht — hij vindt het daar prettig, het fascineert hem — en misschien heeft hij het ondernemen van begrafenissen wel geprobeerd. Maar mij dunkt dat het een te eerlijke en oprechte betrekking is om hem te kunnen boeien.’
    ‘Je hebt me nog niet verteld wat jullie tenslotte met een lijk doen.’
    ‘We begraven het niet. Dat zou ze de stuipen op het lijf jagen.’ Ster huiverde. ‘Mij zelfs, en ik heb alle Universa bereisd, heb geleerd onverschillig te zijn tegenover vrijwel ieder gebruik.’
    ‘Maar wat dan?’
    ‘Het komt erg overeen met wat jij met Igli gedaan hebt. Er een meetkundige formule op toepassen en het kwijt raken.’
    ‘O. Ster, waar is Igli heengegaan?’
    ‘Ik heb niet het flauwste idee, Heer. Ik heb geen kans gehad om het te berekenen. Misschien weten zij die hem gemaakt hebben het. Maar ik denk dat die nog meer verrast waren dan ik.’
    ‘Ik geloof dat ik traag van begrip ben, Ster. Jij noemt het meetkunde; Jocko had het over mij als over een ‘wiskundige’. Maar ik heb alleen gedaan waar ik door de omstandigheden toe werd gedwongen; ik begréép niet wat ik deed.’
    ‘Waartoe Igli gedwongen werd, moet je zeggen, Heer Held. Wat gebeurt er als je een niet te dragen druk uitoefent op een massa, zó dat die niet kan blijven waar hij is? Terwijl je hem geen ruimte geeft om zich te verplaatsen? Dat is een schooljongensprobleem in metafysische meetkunde en de oudste proto-paradox, die van de onweerstaanbare kracht en het onwrikbare lichaam. De massa barst in. Hij wordt uit zijn eigen wereld in een andere gedrukt. Dit is vaak de methode waardoor de bewoners van een heelal de Universa ontdekken — maar gewoonlijk is het net zo rampzalig als waar jij Igli toe dwong; er kunnen tienduizenden jaren over heen gaan voor ze het kunnen beheersen. Het kan heel lang op de grens blijven hangen als ‘toverij’, soms werken en soms falen en soms zijn terugslag hebben op de tovenaar.’
    ‘En dat noem jij ‘wiskunde’?’
    ‘Wat anders?’
    ‘Ik zou het toverij noemen.’
    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik tegen Jocko heb gezegd, jij bent een natuurtalent. Je zou een groot tovenaar kunnen zijn.’
    Ik haalde in onbehagen mijn schouders op. ‘Ik geloof niet in toverij.’
    ‘Ik ook niet,’ antwoordde ze, ‘op de manier zoals jij bedoelt. Ik geloof in hetgeen bestáát.’
    ‘Dat bedoel ik juist, Ster. Ik geloof niet in hocus pocus. Wat er met Igli gebeurd is — ik bedoel, ‘wat er met Igli scheen te gebeuren’ — kan niet gebeurd zijn omdat het de wet van het behoud van arbeidsvermogen geweld zou aandoen. Er moet een andere verklaring voor zijn.’
    Ze zweeg beleefd.
    Dus kwam ik met het stoere gezonde verstand van onwetendheid en vooroordeel op de proppen. ‘Kijk eens, Ster, ik ben niet van plan het onmogelijke te geloven alleen maar omdat ik het gezien heb. Een natuurwet is een natuurwet. Dat zul je moeten toegeven.’
    We reden enkele roeden voor ze antwoordde: ‘Hoe Heer Held erover denken mag, de wereld is niet wat we zouden wensen dat die was. Hij is wat hij is. Nee, ik matig me teveel aan. Misschien is hij inderdaad zoals wij hem ons wensen. Hoe dan ook, hij is wat hij is. Le voilà ! Aanschouw hem zoals hij zichzelf ten toon spreidt. Das Ding an sich. Bijt er in. Hij bestaat. Ai-je raison? Spreek ik de waarheid?’
    ‘Maar dat is precies wat ik gezegd heb! Het heelal is wat het is en kan niet veranderd worden door hocus pocus. Het werkt volgens vaste regels, net als een machine.’ (Ik aarzelde, ik herinnerde me een auto, die we eens gehad hadden, die een hypochonder was. Hij werd ziek, en werd weer beter zodra een monteur hem trachtte aan te raken.) Ik vervolgde vastberaden: ‘Een natuurwet wordt nooit uitgeschakeld. De constantheid van natuurwetten is de hoeksteen van de wetenschap.’
    ‘Dat is ook zo.’
    ‘Nou dan?’ vroeg ik.
    ‘Zo veel te beroerder voor de wetenschap.’
    ‘Maar —’ Ik zweeg en reed gekrenkt en zwijgend verder.
    Even later streelde er een slanke hand over mijn onderarm.
    ‘Zo’n sterke rechterarm,’ zei ze zachtjes. ‘Heer, mag ik het uitleggen?’
    ‘Ga je gang,’ zei ik. ‘Als je mij kunt omverpraten, kun je de Paus tot het Mormonisme bekeren. Ik ben halsstarrig.’
    ‘Zou ik je uit honderden miljarden als mijn ridder verkozen hebben als je dat niet was?’
    ‘Honderden miljarden?’ Je bedoelt zeker honderden miljoenen?’
    ‘Luister naar me, Heer. Geef me mijn zin. Laten we Socratisch zijn. Ik zal de bedrieglijke vragen stellen en jij geeft de domme antwoorden — en zo zullen we erachter komen wat er eerder was, de kip of het ei. Daarna is het jouw beurt en zal ik de domme stroman zijn. Oké?’
    ‘Goed, stop maar een munt in de gleuf.’
    ‘Nou dan. Vraag: Zijn de gebruiken in huize Doral de gebruiken waar je thuis aan gewend was?’
    ‘Wat? Je weet dat dat niet zo is. Ik heb nooit zo verstomd gestaan sinds de dochter van de dominee me mee naar de toren nam om me de Heilige Geest te laten zien.’ Ik grinnikte schaapachtig. ‘Ik zou er nu nog om moeten blozen, maar mijn zekeringen zijn doorgebrand.’
    ‘Toch ligt het fundamentele verschil tussen Neviaanse gebruiken en de jouwe slechts in één punt. Heer, er zijn werelden waarin de mannetjes de vrouwtjes doden zodra er eieren zijn gelegd — en andere waarin de vrouwtjes de mannetjes doden terwijl ze bevrucht worden’- zoals die zwarte weduwe, die je voor een nichtje van me aanzag.’
    ‘Dat heb ik niet gemeend, Ster.’
    ‘Ik heb het me niet aangetrokken, mijn liefste. Een belediging is als een borrel, die heeft alleen invloed op je als je hem aanvaardt. En trots is te zware bagage voor mijn reis; die heb ik niet. Omar, zou je dergelijke werelden vreemder vinden dan deze?’
    ‘Je hebt het over spinnen of iets dergelijks. Niet over mensen.’
    ‘Ik heb het over mensen, het dominerende ras op elk van zijn werelden. Hoog beschaafd.’
    ‘Hù!’
    ‘Je zult geen ‘hù’ meer zeggen als je ze gezien hebt. Ze zijn zo verschillend van ons dat hun huiselijk leven voor ons niet van belang kan zijn. Daarentegen lijkt deze planeet heel veel op jouw Aarde — maar jullie gebruiken zouden de oude Jocko zo schokken dat hij er zijn stem van kwijt zou raken. Lieveling, jouw wereld heeft een gebruik dat uniek is in de Universa. Dat wil zeggen, de Twintig Universa die mij bekend zijn van de duizenden of miljoenen of triljoenen die er bestaan. In de bekende Twintig Universa kent alleen de Aarde dit verbijsterende gebruik.’
    ‘Bedoel je Oorlog?’
    ‘O, nee! De meeste werelden kennen oorlogen. Deze planeet Nevia is een van de weinige waar meer en détail gedood wordt dan en gros. Hier zijn Helden, er wordt met hartstocht gedood. Dit is een wereld van liefde en doodslag, beide vrolijk en ongedwongen. Nee, ik bedoel iets veel stuitenders. Kun je het niet raden?’
    ‘Eh... televisiereclame?’
    ‘Naar de aard ben je er dichtbij, maar je slaat de plank helemaal mis. Jullie hebben een uitdrukking ‘het oudste beroep’. Hier — en in alle andere bekende werelden is het nog niet eens het jongste. Niemand heeft er ooit van gehoord en ze zouden het niet geloven als ze ervan hoorden. De enkelen van ons die de Aarde bezoeken praten er niet over. Niet dat het er iets op aan zou komen; de meeste mensen geloven reisverhalen niet.’
    ‘Ster, probeer je me te vertellen dat er elders in het Universum geen prostitutie is?’
    ‘De Universa, mijn lieveling. Nergens.’
    ‘Weet je,’ zei ik nadenkend, ‘dat zal een schok zijn voor mijn eerste sergeant. Helemaal nergens?’
    ‘Ik bedoel,’ zei ze ronduit, ‘dat hoereren uitgevonden schijnt te zijn door de bevolking van de Aarde en door niemand anders — en het denkbeeld zou de oude Jocko zo schokken dat hij er impotent van zou worden. Hij is een streng moralist.’
    ‘Nou breekt m’n klomp! Wij zijn een stelletje viezerikken!’
    Ik wilde je niet beledigen, Omar; ik noemde alleen maar feiten. Maar dit vreemde van de Aarde is in zijn eigen verband niet zo vreemd. Iedere koopwaar wordt altijd verkocht — gekocht, verkocht, gehuurd, verhuurd, verruild, verhandeld, in prijs verlaagd, opgedreven, gesmokkeld, gewettigd — en de ‘koopwaar’ van een vrouw, zoals het op de Aarde in eerlijker dagen genoemd werd, maakt daar geen uitzondering op. Het enige wonderlijke is het krankzinnige idee om het als koopwaar te beschouwen. Wel, het verwonderde me dermate, dat ik een keer zelfs — maar dat komt er niet op aan. Overal kan koopwaar van gemaakt worden. Ik zal je nog wel eens beschavingen laten zien die in de ruimte wonen, niet op planeten — zonder enig soort fundament; niet alle universa hebben planeten — beschavingen waar de levenslucht wordt verkocht zoals ze in de Provence een kilo boter verkopen. Andere plaatsen, die zo overbevolkt zijn dat het voorrecht om in leven te blijven aan belasting onderworpen is — en degenen die er zich aan onttrekken worden op staande voet gedood door het Departement van Eeuwig Inkomen en de huurlieden komen niet alleen niet tussenbeide, ze zijn er blij mee.’
    ‘Goede God! Waarom?’
    ‘Zij hebben het raadsel van de dood opgelost, Heer, en de meesten van hen willen niet emigreren, hoewel er planeten zijn met veel meer ruimte. Maar we hadden het over de Aarde. Niet alleen is hoereren elders onbekend, maar ook wat er mee samen hangt — bruidschat, bruidsprijs, alimentatie, duurzame scheiding, alle verscheidenheden die alle instellingen op Aarde kenmerken — alle gebruiken die maar in de verte verwant zijn aan het ongelooflijke denkbeeld dat datgene wat alle vrouwen mateloos in voorraad hebben, koopwaar zou zijn, die gehamsterd en geveild wordt.’
    Ars Longa snoof van afkeer. Nee, ik geloof niet dat ze het verstond. Ze verstaat wel wat Neviaans, maar Ster sprak Engels; Neviaans heeft er geen woorden voor.
    ‘Zelfs jullie bijkomstige gebruiken,’ vervolgde ze, ‘worden gevormd door die unieke instelling. Kleding — je hebt wel gemerkt dat er hier geen werkelijk verschil is in de manier waarop de beide sexen zich kleden. Ik heb vanochtend een maillot aan en jij een korte broek, maar als het andersom zou zijn, zou niemand dat gemerkt hebben.’
    ‘Dat had je gedacht! Jouw maillot zou me niet passen.’
    ‘Het is een stretch-maillot. En de gêne om het lichaam, wat een onderdeel is van de kleding die op seks is gericht. Hier is naaktheid net zo min opmerkenswaardig als op dat mooie eilandje waar ik je gevonden heb. Alle onbehaarde mensen dragen soms kleren en alle mensen, hoe behaard ze ook zijn dragen sieraden, maar het taboe van de naaktheid wordt alléén gevonden waar het koopwaar is die verpakt en tentoongesteld wordt... dat wil zeggen, op de Aarde. Het komt overeen met ‘Niet in de tomaten knijpen’ en het aanbrengen van dubbele bodems in manden met aardbeien. Als ergens nooit over gekibbeld wordt heeft het geen zin er een mysterie van te maken.’
    ‘Dus als we ons van onze kleren ontdoen, zijn we de prostitutie kwijt?’
    ‘Hemel, nee! Je bekijkt het achterstevoren.’ Ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik zie niet in hoe de Aarde prostitutie kwijt kan raken; het maakt teveel deel uit van alles wat jullie doen.’
    ‘Ster, toch zijn je feiten niet juist. In Amerika bestaat bijna geen prostitutie.’
    Ze keek verbaasd. ‘Meen je dat? Maar — is ‘alimentatie’ geen Amerikaans woord? En ‘chequeboekpoes’? En ‘debutantenbal’?
    ‘Ja, maar de prostitutie is vrijwel uitgestorven. Ik zou echt niet weten hoe ik een bordeel moest vinden, zelfs in een garnizoensstad. Ik zeg niet, dat je toch niet in bed terecht komt. Maar het is geen handeltje. Ster, als je een Amerikaans meisje van wie bekend is dat ze het niet zo nauw neemt vijf dollar zou aanbieden — of twintig — zou ze je tien tegen éen een klap in je gezicht geven.’
    ‘Hoe gaat het dan?’
    ‘Je doet aardig tegen haar. Je neemt haar mee uit eten, misschien naar een voorstelling. Je koopt bloemen voor haar, meisjes zijn gek op bloemen. En dan ga je beleefd tot het onderwerp over.’
    ‘Omar, kost dat etentje en die voorstelling en eventueel bloemen niet meer dan vijf dollar? Of zelfs meer dan twintig dollar? Ik heb begrepen dat de prijzen in Amerika ongeveer gelijk zijn aan die in Frankrijk.’
    ‘Nou ja, jazeker, maar je kunt niet zomaar aan je hoed tikken en verwachten dat een meisje meteen op haar rug gaat liggen. Een schrielhannes —’
    ‘Ik heb niets meer in te brengen. Ik probeerde alleen maar aan te tonen dat gebruiken enorm kunnen verschillen in verschillende werelden.’
    ‘Dat is waar, zelfs op Aarde. Maar —’
    ‘Alsjeblieft, Heer. Ik wil de deugd van Amerikaanse vrouwen niet in het geding brengen en ik wilde ook geen kritiek leveren. Als ik in Amerika opgevoed was denk ik dat ik minstens een armband met smaragden zou willen hebben in plaats van een etentje en een voorstelling. Maar ik wilde het gesprek op het onderwerp ‘natuurwetten’ brengen. Is de onveranderlijkheid van natuurwetten geen onbewezen stelling? Zelfs op de Aarde?’
    ‘Nou — Je hebt het niet helemaal eerlijk gesteld. Ik geloof wel dat het een stelling is. Maar er is nooit een geval geweest waarin het niet bleek te kloppen.’
    ‘Geen witte raven? Zou het ook kunnen zijn dat een waarnemer die een uitzondering gezien heeft er de voorkeur aan gaf zijn ogen niet te geloven? Net zoals jij niet wilt geloven dat Igli zichzelf opgegeten heeft, zelfs hoewel jij, mijn Held, hem daartoe gedwongen hebt? Het hindert niet. Laten we Socrates aan zijn Xantippe overlaten. Natuurwetten kunnen in een heel universum onveranderlijk zijn — en dat schijnen ze in starre universa ook inderdaad te zijn. Maar het staat vast dat natuurwetten van universum tot universum verschillen — en dat móet je geloven, Heer, anders zullen we geen van beiden lang meer leven!’
    Ik overpeinsde het. Verdorie, waar was Igli gebleven? ‘Bijzonder verwarrend.’
    ‘Als je er eenmaal aan gewend bent is het niet verwarrender dan het wisselen van taal en gebruiken als je naar een ander land gaat. Hoeveel chemische elementen bestaan er op de Aarde?’
    ‘Eh, tweeënnegentig en nog een stelletje nieuwe. Honderdzes of -zeven.’
    ‘Hier ook zowat. Niettemin zou een scheikundige van de Aarde wel een paar schokken te verwerken krijgen. De elementen zijn niet precies hetzelfde en ze gedragen zich ook niet precies eender. H-bommen werken hier niet en dynamiet ontploft niet.’
    Ik zei scherp: ‘Wacht eens even! Probeer je me te vertellen dat elektronen en protonen hier niet hetzelfde zijn, om het elementair te houden?’
    Ze haalde haar schouders op. ‘Misschien wel, misschien niet. Wat is een elektron anders dan een mathematisch begrip? Heb je er pas nog een geproefd? Of zout gelegd op de staart van een golfdeeltje? Komt het er veel op aan?’
    ‘En óf het er op aan komt. Je kunt net zo goed sterven door gebrek aan sporenelementen als door gebrek aan brood.’
    ‘Dat is waar. Naar sommige universa moeten wij mensen voedsel meenemen, als we er heengaan — wat we soms wel moeten, al is het maar om een aansluiting te halen. Maar hier, en in alle universa en op de talloze planeten waar wij mensen wonen, hoef je je geen zorgen te maken; je zult geen last van het plaatselijke voedsel hebben. Ja natuurlijk, als je hier vele jaren bleef, dan naar de Aarde terugkeerde en spoedig daarna zou sterven en er een lijkschouwing zou plaats vinden met vergaande micro-analyse, zou de analist de resultaten waarschijnlijk niet geloven. Maar je maag zou er zich niet om bekommeren.’
    Daar dacht ik over na met mijn maag vol heerlijk eten en zoete, frisse lucht om me heen. Mijn lichaam bekommerde zich er inderdaad niet om als er werkelijk verschillen waren als waar Ster over sprak.
    Toen herinnerde ik me één aspect van het leven waarin kleine verschillen grote verschillen veroorzaken. Ik vroeg er Ster naar.
    Ze keek minzaam onschuldig. ‘Kan het je wat schelen, Heer? Je bent al lang weg eer Doral er zich druk over maakt. Ik dacht dat het deze drie dagen alleen maar je bedoeling geweest was mij met mijn problemen te helpen ? Met plezier in je werk, dat besef ik wel — je hebt jezelf bijzonder energiek in de strijd geworpen.’
    ‘Verdomme, houd me niet voor de gek! Ik heb het gedaan om jou te helpen. Maar je vraagt je zoiets nu eenmaal af.’
    Ze sloeg me op mijn dij en lachte. ‘O, wat ben je toch een schat! Pieker er maar niet meer over; de menselijke rassen van alle Universa kunnen met elkaar gekruist worden. Sommige kruisingen dragen slechts zelden vrucht en sommige produceren bastaarden. Maar deze niet. Je zult hier voortleven, al kom je nooit meer terug. Je bent niet steriel; dat was één van de vele dingen die ik heb gecontroleerd toen ik je mooie lichaam in Nice onderzocht. Je weet nooit hoe een dubbeltje rollen kan, maar — ik denk niet dat de Doral teleurgesteld zal zijn.’
    Ze leunde naar me over. ‘Wil je je dokter meer nauwkeurige gegevens verstrekken dan die welke Jock bezongen heeft? Dan kan ik misschien een statistische waarschijnlijkheid noemen. Of zelfs een Visioen.’
    ‘Nee, dat wil ik niet! Nieuwsgierig Aagje!’
    ‘Zoals je wilt, Heer. Op een minder persoonlijk vlak is het feit van kruisingen tussen mensen — en sommige dieren, zoals honden en katten — van verschillende universa een zeer belangwekkende kwestie. De enige zekerheid is dat mensen alleen tieren in die universa die een zo gelijke chemie hebben dat de elementen waaruit het DNA is samengesteld praktisch gelijk zijn. Wat de rest betreft houdt iedere geleerde er zijn eigen theorie op na. Sommigen houden zich aan een teleologische verklaring die beweert dat de Mens in alle fundamentele bijzonderheden in elk universum waar hij kan leven gelijk tot ontwikkeling komt tengevolge van een Goddelijk Plan — of tengevolge van een onduidelijke noodzaak, dat hangt er van af of de geleerde zijn godsdienst puur of aangelengd consumeert.
    ‘Sommigen denken dat we maar eenmaal tot ontwikkeling gekomen zijn — of geschapen, dat hangt ervan af — en ons over andere universa hebben verspreid. Daarna maken ze er ruzie over welk universum de bakermat van het ras geweest is.’
    ‘Hoe kan daar ruzie over ontstaan?’ wierp ik tegen. ‘De Aarde heeft fossiele bewijzen van de evolutie van de mens. Andere planeten hebben die wel of niet, dat zou de doorslag moeten geven.’
    ‘Ben je daar zo zeker van, Heer? Ik dacht dat de stamboom van de mens op Aarde net zoveel stippellijntjes vertoont als er bastaarden zijn in de koninklijke huizen van Europa.’
    Ik hield mijn mond. Ik had alleen maar wat populaire boeken gelezen. Misschien had ze gelijk; een ras dat het er nog niet eens over eens kon worden wie wie wat aangedaan heeft in een oorlog die nog maar twintig jaar achter ons ligt wist waarschijnlijk ook niet wat Hupsakee een miljoen jaar geleden met het kamermeisje heeft gedaan, als het bewijsmateriaal uit wat verspreide beenderen bestaat. Waren er geen fopperijen geweest? De Piltdown Man, of zoiets?
    Ster vervolgde: ‘Wat de waarheid ook moge zijn, er zijn lekken tussen de werelden. Op jouw eigen planeet komen honderdduizenden verdwijningen voor en dat zijn heus niet allemaal mensen die met de noorderzon vertrekken of hun vrouw in de steek laten; kijk maar in het archief van een willekeurig politiebureau. Een gebruikelijke plaats is het slagveld. De spanning wordt te groot en een man glipt door een gat waarvan hij niet wist dat het er was en eindigt als ‘vermist’. Soms — niet vaak — ziet men iemand verdwijnen.
    Eén van jullie Amerikaanse schrijvers, Bierce of Pierce, ging er belang in stellen en verzamelde dergelijke gevallen. Hij verzamelde er zoveel, dat hij zelf ook verdween. En jullie Aarde ondervindt ook lekkages andersom, de ‘Kaspar Hausers’, mensen die nergens vandaan komen, geen enkele bekende taal spreken en nooit rekenschap omtrent zichzelf kunnen geven.’
    ‘Wacht eens even? Waarom alleen mensen?’
    ‘Ik heb niet gezegd ‘alleen mensen’. Heb je nooit gehoord van het regenen van kikvorsen? Of stenen? Of bloed? Wie vraagt zich af waar een zwerfkat vandaan komt? Zijn alle vliegende schotels gezichtsbedrog? Ik verzeker je van niet; sommige zijn arme verdwaalde astronauten die de weg naar huis pogen terug te vinden. Mijn volk maakt maar heel weinig gebruik van ruimtereizen omdat sneller-dan-het-licht de gemakkelijkste manier is om te verdwalen tussen de Universa. We geven de voorkeur aan de veiliger methode van metafysische geometrie — of ‘toverij’ in de volksmond.’
    Ster keek nadenkend. ‘Heer, jouw Aarde kan best de bakermat van de mensheid zijn. Er zijn geleerden die dat denken.’
    ‘Waarom?’
    ‘Hij is met zoveel andere werelden in aanraking. Hij staat bovenaan de lijst als overstapstation. Als zijn bevolking hem ongeschikt maakt om op te leven — onwaarschijnlijk, maar mogelijk — zal dat het verkeer van een twaalftal universa ontredderen. De Aarde heeft al eeuwenlang heksenringen en Poorten en Regenboog-bruggen gehad; die welke wij in Nice gebruikt hebben was er al voor de Romeinen kwamen.’
    ‘Ster, hoe kun je er nu over praten dat er op de Aarde punten zijn die in ‘aanraking’ zijn met andere planeten — al eeuwen achter elkaar? De Aarde beweegt zich om de zon met een snelheid van dertig kilometer per seconde of zo iets, en draait om zijn as, om nog maar niet te spreken van andere bewegingen die in een ingewikkelde bocht resulteren met een ondenkbare snelheid. Hoe kan hij dan in ‘aanraking’ zijn met andere werelden?’
    Weer reden we zwijgend verder. Tenslotte zei Ster: ‘Mijn Held, hoe lang heh je er over gedaan om differentiaalrekenen te leren?’
    ‘Wel dat heb ik niet geleerd. Ik heb het een paar jaar gestudeerd.’
    ‘Kun je me vertellen hoe een deeltje een golf kan zijn?’
    ‘Wat? Ster, dat is theoretische mechanica, geen differentiaalrekenen. Ik zou een verklaring kunnen geven, maar die zou niets te beduiden hebben; zoveel wiskunde ken ik niet. Dat heeft een ingenieur niet nodig.’
    ‘Het zou het eenvoudigste zijn,’ zei ze bedeesd, ‘je vraag te beantwoorden door ‘toverij’ te zeggen net zoals jij de mijne beantwoordde met ‘theoretische mechanica’. Maar je hoort dat woord niet graag, dus alles wat ik kan zeggen is dat ik je, nadat je hogere meetkunde, metafysische en conjecturale zowel als topologische en judiciële hebt gestudeerd — als je daar zin in hebt — graag zal antwoorden. Maar dan hoef je het niet meer te vragen.’
    (Hebben ze wel eens tegen je gezegd: ‘Wacht maar tot je groot bent, liefje; dan begrijp je het wel.’? Als kind moest ik er al niets van hebben als volwassenen dat zeiden; ik moest er nog veel minder van hebben toen een meisje waarop ik verliefd was dat zei toen ik volwassen was.)
    Ster liet me niet mokken; ze veranderde van onderwerp. ‘Sommige kruisingen komen noch door toevallige vergissingen noch door vooropgezet plan. Heb je wel eens van incubi en succubi gehoord?’
    ‘Ja, natuurlijk. Maar ik bekommer me nooit om sprookjes.’
    ‘Het zijn geen sprookjes, lieveling, hoe vaak het verhaal ook gebruikt is om pijnlijke omstandigheden te verklaren. Heksen en tovenaars zijn niet altijd heiligen en sommigen krijgen de smaak van verkrachten te pakken. Iemand die geleerd heeft Poorten te openen kan zich aan dergelijke ondeugden overgeven; hij — of zij — kan iemand — maagd, kuise echtgenote, ongerepte jongeling — besluipen, hem of haar zijn wil opleggen en verdwenen zijn voor de haan kraait.’ Ze huiverde. ‘Zonde op zijn gemeenst. Als we ze snappen, doden we ze. Ik heb er een paar gesnapt en die heb ik gedood. Zonde op zijn ergst, zelfs als het slachtoffer het prettig gaat vinden.’ Ze huiverde weer.
    ‘Ster, wat is jouw definitie van ‘zonde’?’
    ‘Kan er dan meer dan één zijn? Zonde is wreedheid en onrechtvaardigheid, al het andere zijn pekelzonden. O, je krijgt een gevoel van zonde als je de gebruiken van je stam geweld aandoet. Maar zondigen tegen een gebruik is geen zonde, al geeft het je dat gevoel; zonde is een ander onrecht aandoen.’
    ‘En ‘zondigen tegen God’ dan?’ hield ik vol. Ze keek me scherp aan. ‘Gaan we de barbier weer scheren? Vertel me eerst, Heer, wat je met ‘God’ bedoelt.’
    ‘Ik wilde alleen maar kijken of je erin zou lopen.’
    ‘Daar ben ik al heel wat jaren niet meer ingelopen. Ik zou net zo lief met een gekromde pols stoten of een pentagram betreden met kleren aan. Over pentagrammen gesproken, mijn Held, onze bestemming is niet meer wat het drie dagen geleden was. Nu gaan we naar een Poort die ik niet verwacht had te zullen gebruiken. Gevaarlijker, maar er is niets aan te doen.’
    ‘Mijn schuld! Het spijt me, Ster!’
    ‘Mijn schuld, Heer. Maar het is niet louter verlies. Toen we onze bagage kwijt raakten was ik bezorgder dan ik durfde tonen — zelfs al voelde ik me niet op mijn gemak omdat we vuurwapens vervoerden door een wereld waar ze niet gebruikt mogen worden. Maar onze vouwdoos had nog veel meer dan vuurwapens, dingen zonder welke we kwetsbaar zijn. De tijd die jij doorgebracht hebt met de gekrenktheid van de dames Doral te verzachten heb ik — gedeeltelijk — doorgebracht met de Doral een nieuwe uitrusting af te troggelen, bijna alles wat je hart kan begeren, behalve vuurwapens. Niet louter verlies.’
    ‘Gaan we nu naar een andere wereld?’
    ‘Niet later dan morgenochtend bij zonsopgang, als we nog in leven zijn.’
    ‘Verdomme, Ster, jij en Rufo praten allebei alsof iedere ademtocht onze laatste kan zijn.’ ‘Wat heel goed mogelijk is.’
    ‘Je verwacht nu geen hinderlaag; we zijn nog op het land van de Doral. Maar Rufo zit even vol ijselijke voorspellingen als een goedkoop melodrama. En jij bent bijna net zo erg.’
    ‘Het spijt me. Rufo tobt altijd — maar hij is een goede achterhoede als er zich moeilijkheden voordoen. Wat mij betreft, ik heb geprobeerd eerlijk te zijn, Heer, je te laten weten wat je verwachten kunt.’
    ‘In plaats daarvan breng je me in verwarring. Vind je niet dat het tijd wordt dat je open kaart speelt?’
    Ze keek bekommerd. ‘En als de Beul de eerste kaart is die ik openleg?’
    ‘Dat kan me geen lor schelen! Ik kan moeilijkheden tegemoet treden zonder flauw te vallen —’
    ‘Dat weet ik, mijn ridder.’
    ‘Dank je. Maar als ik niet weet waar ik aan toe ben, word ik nerveus. Spreek dus.’
    ‘Ik zal elke vraag beantwoorden, Heer Omar. Daar ben ik altijd toe bereid geweest.’
    ‘Maar je weet dat ik niet weet welke vragen ik moet stellen. Misschien hoeft een postduif niet te weten waarom er oorlog wordt gevoerd, maar ik voel me als een mus die in een badmintonspel terechtgekomen is. Begin dus bij het begin.’
    ‘Zoals je wilt, Heer. Ongeveer zevenduizend jaar geleden —’ Ster zweeg. ‘Omar, wil je — nu — alle wisselwerkingen van de politiek weten van myriaden werelden en twintig universa gedurende tienduizenden jaren die tot de huidige crisis geleid hebben? Ik zal het proberen als jij het zegt, maar zelfs in grote trekken zou het meer tijd kosten dan ons rest voor we door die Poort heen móeten. Jij bent mijn trouwe ridder; mijn leven hangt van jouw moed en bekwaamheid af. Wil je de politieke achtergrond weten van mijn huidige hulpeloosheid, mijn bijna hopeloos hachelijke positie — als jij er niet was! Of zal ik me concentreren op de tactische situatie?’
    (Verdomme! Ik hoefde het hele verhaal niet te weten.) ‘Laten we ons maar aan de tactische situatie houden. Voorlopig.’
    ‘Ik beloof je,’ zei ze plechtig, ‘dat ik je als we het overleven alle bijzonderheden zal vertellen. De situatie is deze: het was mijn bedoeling geweest Nevia per boot over te steken, dan door de bergen naar een Poort achter de Eeuwige Toppen te gaan. Die route is minder riskant, maar lang. ‘Maar nu moeten we ons haasten. We verlaten vanmiddag laat de weg en trekken dan door woest land en na donker zal het nog woester zijn. De Poort daar moeten we voor dageraad bereiken; als we geluk hebben kunnen we slapen. Ik hoop het, omdat deze Poort ons naar een andere wereld brengt via een veel gevaarlijker uitgang.
    ‘Als we daar eenmaal zijn, in die andere wereld — die wordt Hokesh genoemd, of Karth — in Karth-Hokesh, dan zijn we dicht, veel te dicht bij een hoge, anderhalve kilometer hoge toren en als we die bereiken beginnen onze moeilijkheden pas. Daarin bevindt zich de Nooit-Geborene, de Zielenverslinder —’
    ‘Ster, probeer je me bang te maken?’
    ‘Ik zou liever willen dat je nu bang bent, als dat mogelijk zou zijn, dan dat je later overrompeld wordt. Het was mijn bedoeling geweest, Heer, je over ieder gevaar te vertellen als we er aan toe waren, zodat je je op ieder gevaar afzonderlijk kon concentreren. Maar je hebt me anders bevolen.’
    ‘Misschien had je gelijk. Geef me de afzonderlijke bijzonderheden dan maar als we er aan toe komen en nu alleen de grote lijnen. Dus ik moet de Zielenverslinder bevechten, hè? De naam boezemt me geen vrees in; als hij mijn ziel tracht te verslinden, wordt hij misselijk. Waarmee moet ik hem bevechten? Spuug?’
    ‘Dat is een manier,’ zei ze ernstig, ‘maar met een beetje geluk zullen we hem — het — helemaal niet hoeven te bevechten. We willen hebben wat het bewaakt.’
    ‘En wat is dat?’
    ‘Het Ei van de Feniks.’
    ‘De Feniks legt geen eieren.’
    ‘Dat weet ik, Heer. Dat alleen al maakt het zo waardevol.’
    ‘Maar —’
    Ze vervolgde snel. ‘Zo wordt het genoemd. Het is een klein voorwerp, iets groter dan een struisvogelei en zwart. Als ik het niet te pakken krijg, zullen er vele verschrikkelijke dingen gebeuren. Onder meer iets minder belangrijks: dan zal ik sterven. Dat vermeld ik omdat dat voor jou misschien wel belangrijk is — mijn lieveling! — en omdat het gemakkelijker is om dat ene feit te vermelden dan uit te leggen waar het allemaal precies om gaat.’
    ‘Oké. We stelen het Ei. En dan?’
    ‘Dan gaan we naar huis. Naar mijn huis. Waarna jij naar het jouwe mag terugkeren. Of bij mij blijven. Of gaan waarheen je wilt, door Twintig Universa en myriaden werelden. Wat de keus ook zal zijn, je krijgt alle schatten die je maar wilt hebben; die zul je verdiend hebben en meer dan dat... zowel als mijn diepgevoelde dank, Heer Held en alles wat je van me hebben wilt.’
    (De grootste blanco cheque die ooit geschreven is — als ik hem zou kunnen innen.) ‘Ster, je schijnt niet te geloven dat we het zullen overleven.’
    Ze slaakte een diepe zucht. ‘Er is weinig kans op, Heer. Ik zeg de waarheid. Mijn flater heeft ons voor een uitermate wanhopig alternatief gesteld.’
    ‘Juist. Ster, wil je met me trouwen? Vandaag?’
    Toen zei ik: ‘Voorzichtig! Niet vallen!’ Ze had geen gevaar gelopen om te vallen; de veiligheidsgordel hield haar vast.
    Maar ze zakte er tegen aan. Ik boog me naar haar over en legde mijn arm om haar schouders. ‘Er is niets om om te huilen. Je hoeft alleen maar ja of nee te zeggen — en vechten doe ik toch wel voor je. O, dat ben ik vergeten, ik houd van je. Tenminste, ik denk dat het liefde is. Een raar fladderig gevoel, elke keer dat ik naar je kijk of aan je denk — wat bijna aldoor is.’
    ‘Ik houd van je, Heer,’ zei ze hees. ‘Ik heb van je gehouden vanaf de eerste keer dat ik je zag. Ja, een ‘raar, fladderig gevoel’ alsof ik van binnen weg zal smelten.’
    ‘Nou, dat niet precies,’ zei ik. ‘Maar dat is waarschijnlijk een kwestie van tegenovergestelde polen. Fladderig wel. Rillingen en bliksemschichten. Hoe kunnen we in deze buurt trouwen?’
    ‘Maar, Heer — mijn liefste — je laat me altijd versteld staan. Ik wist wel dat je van me hield. Ik hoopte dat je me dat zou vertellen, voor — nou ja, op tijd. Laat me het eenmaal horen. Ik verwachtte niet dat je me zou vragen met je te trouwen!’
    ‘Waarom niet? Ik ben een man, jij bent een vrouw. Het is gebruikelijk.’
    ‘Maar — O, mijn liefste, ik heb het je toch verteld! Het is niet nodig om met me te trouwen. Volgens jouw maatstaven... ben ik een slet.’
    ‘Slet, heks, je zegt het maar. Wat heb je toch, schat? Dat heb jij gezegd, ik niet. Je hebt me er wel zowat van overtuigd dat de maatstaven die ik heb geleerd barbaars zijn en dat de jouwe de goede zijn. Snuit je neus maar eens — hier, wil je mijn zakdoek hebben?’
    Ster veegde haar ogen af en snoot haar neus, maar in plaats van het ja-lieveling dat ik wilde horen zat ze rechtop en glimlachte niet. Ze zei vormelijk: ‘Heer Held, zou je de wijn niet proeven voor je er een heel vat van koopt?’
    Ik deed alsof ik het niet begreep.
    ‘Alsjeblieft, Heer,’ drong ze aan. ‘Ik meen het. Iets verderop is er aan jouw kant een grasveld aan de kant van de weg. Daar kun je me op dit moment mee naar toe nemen en ik zal maar al te graag met je mee gaan.’
    Ik rekte me uit en deed alsof ik er naar uitkeek. ‘Het lijkt op klitgras. Jeukerig.’
    ‘Z-z-zoek je eigen gras dan maar uit! Heer... ik ben bereid en verlangend en niet onknap — maar je zult merken dat ik een zondagsschilder ben vergeleken met artiesten die je nog zult ontmoeten. Ik ben een werkende vrouw. Ik heb geen tijd gehad aan de kwestie de toegewijde studie te geven die hij verdient. Geloof me! Nee, beproef me. Je kunt niet weten of je wel met me wilt trouwen.’
    ‘Dus je bent een koude en onhandige deern, hè?’
    ‘Nou... dat heb ik niet gezegd. Ik ben alleen volkomen ongeschoold — maar ik ben wel geestdriftig.’
    ‘Ja, zoals je tante met de volle slaapkamer — het zit in de familie, dat heb je verteld. Neem nu maar aan dat ik met je wil trouwen in weerwil van je kennelijke fouten.’
    ‘Maar —’
    ‘Ster, je praat te veel.’
    ‘Ja, Heer,’ zei ze deemoedig.
    ‘We gaan trouwen. Hoe doen we dat? Is de plaatselijke jonker ook vrederechter? Als dat zo is komt er niets van het droit du seigneur; we hebben geen tijd voor beuzelachtigheden.’
    ‘Iedere jonker is vrederechter,’ gaf Ster nadenkend toe, ‘en sluit huwelijken, hoewel de meeste Nevianen zich daar niet druk over maken. Maar — nou ja, hij zou het droit du seigneur verwachten en, zoals je opmerkte, we hebben geen tijd te verspillen.’
    ‘Bovendien is dat niet mijn opvatting van wittebroodsweken. Ster — kijk me aan. Ik zal je niet in een kooi stoppen; ik weet dat je zo niet bent opgevoed. Maar we gaan niet naar de jonker. Wat voor soort geestelijke hebben ze hier? Bij voorkeur een aanhanger van het celibaat.’
    ‘Maar de jonker is ook de geestelijke. Niet dat godsdienst veel tijd in beslag neemt in Nevia; vruchtbaarheidsriten zijn alles waar ze zich om bekommeren. Heer liefste, het eenvoudigste is, over je zwaard te springen.’
    ‘Is dat een huwelijksceremonie waar jij vandaan komt, Ster?’
    ‘Nee, dat is iets uit jouw wereld:
‘Spring, hoer en spring, schavuit,
‘Nu is ze voor altijd je bruid —’

    ‘— het is heel oud.’
    ‘Mm — de trouwakte lijkt me niet. Ik mag dan wel een schavuit zijn, maar ik weet hoe jij over hoeren denkt. Wat zijn er nog meer voor mogelijkheden?’
    ‘Laat eens kijken. Er is een dorpsomroeper in een dorp waar we kort na de lunch doorheen trekken. Die trouwen soms dorpelingen die het aan de grote klok willen hangen; bij de dienst is het bekendmaken van het nieuws inbegrepen.’
    ‘Wat voor dienst?’
    ‘Dat weet ik niet. En dat kan me ook niet schelen, Heer liefste. Trouwen zullen we!’
    ‘Zo mag ik het horen! De lunch slaan we over.’
    ‘Nee, Heer,’ zei ze streng, ‘als ik je vrouw word, zal ik een goede vrouw zijn en je niet toestaan maaltijden over te slaan.’
    ‘Ik zit nu al onder de plak. Ik geloof, dat ik je een pak slaag moet geven.’
    ‘Zoals je wilt, Heer. Maar je moet eten, je zult je kracht nodig hebben —’
    ‘Dat zeker!’
    ‘— om te vechten. Nu verlang ik tien keer zo vurig dat we het beiden overleven. Hier is een plekje om te lunchen.’ Ze wendde Vita Brevis van de weg af; Ars Longa volgde. Ster keek over haar schouder en kreeg kuiltjes in haar wangen.
    ‘Heb ik je vandaag al verteld, dat je mooi bent... mijn liefste!’

XI

    Rufo’s langpaard volgde ons de grazige berm op die Ster had uitgekozen om te lunchen. Hij was nog zo slap als een vaatdoek en snurkte. Ik zou hem hebben laten slapen, maar Ster schudde hem door elkaar.
    Hij was meteen wakker, greep naar zijn zwaard en schreeuwde: ‘A moi! M’aidez! Les vaches!’ Gelukkig had de een of andere vriend zijn zwaard en gordel buiten zijn bereik op het achterste bagagerek geborgen, met zijn boog, pijlenkoker en onze nieuwe vouwdoos.
    Toen schudde hij het hoofd en zei: ‘Hoeveel waren er?’
    ‘Kom tot je positieven,’ zei Ster vrolijk. ‘We gaan eten.’
    ‘Eten!’ Rufo slikte en huiverde. ‘Alsjeblieft Vrouwe. Geen onfatsoenlijke praatjes.’ Hij frommelde aan zijn gordel en liet zich uit het zadel vallen; ik hielp hem overeind te blijven. Ster zocht in haar zak; ze trok er een flesje uit en bood het Rufo aan. Hij deinsde terug. ‘Vrouwe!’ ‘Zal ik je neus dichthouden?’ vroeg ze liefjes.
    ‘Ik ben zo weer in orde. Ik heb maar een ogenblikje nodig... en een borrel.’
    ‘Natuurlijk kom je weer in orde. Zal ik Heer Omar vragen om je armen vast te houden?’
    Rufo keek smekend naar mij; Ster opende het flesje. Het schuimde en er rolden wolken uit naar de grond. ‘Nú!’
    Rufo huiverde, hield zijn neus dicht en sloeg het achterover. Ik wil niet zeggen dat er rook uit zijn oren kwam. Maar hij zwaaide met zijn armen als een kapot stuk zeildoek in een storm en maakte afschuwelijke geluiden.
    Toen kwam hij plotseling in focus, net als een televisiebeeld. Hij leek zwaarder en centimeters groter en was steviger geworden. Zijn huid had een rozige gloed in plaats van een lijkachtige bleekheid. ‘Dank je, Vrouwe,’ zei hij vrolijk; zijn stem was krachtig en mannelijk. ‘Eens hoop ik je ook zo van dienst te zijn.’
    ‘Ja, als Kerstmis en Sint Juttemis samenvallen,’ stemde ze in. Rufo zette de langpaarden opzij en gaf ze voer; daarvoor opende hij de vouwdoos en haalde er brokken bloederig vlees uit. Ars Longa at een centenaar en Vita Brevis en Mors Profunda nog meer; onderweg moeten die dieren veel proteïnen hebben. Toen hij dat gedaan had begon hij fluitend de tafel en de stoelen voor Ster en mij op te zetten.
    ‘Liefje,’ zei ik tegen Ster, ‘wat zit er in dat opkikkertje?’
    ‘Een oud familierecept:
‘Salamanderoog en van kikvors een teen,
‘Vleermuisvlerk en hagedissenbeen,
‘Uilendons en hondenwang,
‘Worms angel en gespleten tong van slang —’ ’

    ‘Shakespeare!’ zei ik. ‘Macbeth.’
    ‘ ‘Koelen met bavianenbloed —’ Nee, Will had het van mij, Heer liefste. Dat doen schrijvers altijd; ze stelen wat ze kunnen, vijlen de serienummers eraf en beweren dat het van hun is. Ik heb het van mijn tante — een andere tante — die professor in de interne geneeskunde was. Het rijmpje is een ezelsbruggetje voor de werkelijke ingrediënten die veel ingewikkelder zijn — je weet nooit wanneer je een drankje tegen een kater nodig zult hebben. Ik heb het gisterenavond gebrouwen, wetend dat Rufo vandaag in ons aller belang op z’n best zou moeten zijn — ik heb eigenlijk twee porties gemaakt, voor het geval jij er een nodig zou hebben. Je hebt me verrast, mijn liefste; je legt op de vreemdste ogenblikken adeldom aan de dag.’
    ‘Dat zit in de familie. Ik kan er niets aan doen.’
    ‘De lunch is gereed, Vrouwe.’
    Ik bood Ster mijn arm aan. Warme schotels waren warm, koude gekoeld; deze nieuwe vouwdoos, in groen versierd met het zegel van de Doral, had uitrustingsstukken die in de oude ontbraken. Alles was heerlijk en de wijnen waren geweldig. Rufo at flink van zijn dientafel terwijl hij oplette wat hij voor ons doen kon. Hij was naar ons toegekomen om de witte wijn bij de sla in te schenken toen ik met het nieuws op de proppen kwam. ‘Rufo, ouwe jongen, Vrouwe Ster en ik gaan vandaag trouwen. Ik wil dat jij mijn bruidsjonker bent om me overeind te houden.’
    Hij liet de fles vallen.
    Toen sloofde hij zich uit om mij af te vegen en de tafel droog te maken. Toen hij tenslotte sprak was het tegen Ster.
    ‘Vrouwe,’ zei hij gespannen, ‘ik heb zonder te klagen veel over mijn kant laten gaan om redenen die ik niet te berde hoef te brengen. Maar dit gaat te ver. Ik zal niet —’
    ‘Houd je tong in bedwang!’
    ‘Ja,’ stemde ik in, ‘houd hem in bedwang, terwijl ik hem uit kan snijden. Wil je hem gebakken hebben? Of gekookt?’
    Rufo keek me aan en haalde zwaar adem. Toen verliet hij ons pardoes en trok zich terug achter zijn dientafel. Ster zei zachtjes: ‘Heer Liefste, het spijt me.’
    ‘Wat mankeerde hem ineens?’ zei ik verwonderd. Toen dacht ik aan het voor de hand liggende. ‘Ster! Is Rufo jaloers?’
    Ze keek verbaasd, begon te lachen en hield op. ‘Nee, nee, lieveling! Dat is het helemaal niet. Rufo — nou ja, Rufo heeft zijn zwakheden maar hij is uiterst betrouwbaar als het er op aan komt. En we hebben hem nodig. Negeer het maar. Alsjeblieft, Heer.’
    ‘Zoals je wilt. Er is meer voor nodig om me vandaag ongelukkig te maken.’
    Rufo kwam terug met een ondoorgrondelijk gezicht en bediende ons verder. Hij pakte in zonder te spreken en we gingen op weg.
    De weg liep om het dorpsplein; daar lieten we Rufo achter en gingen naar de omroeper zoeken. Zijn winkel, die een bochtig pad verder lag, was gemakkelijk te vinden; er stond een leerjongen voor op de trom te roffelen en nieuwtjes te schreeuwen naar een menigte dorpelingen. We baanden ons er een weg doorheen en gingen naar binnen.
    De meester-omroeper las iets dat hij in twee handen hield terwijl er een derde perkamentrol tegen zijn voeten op de lessenaar stond. Hij keek, liet zijn voeten op de grond vallen, sprong op en maakte een dienaar terwijl hij ons stoelen aanwees.
    ‘Kom binnen, kom binnen, voorname lieden,’ riep hij uit. ‘U doet me grote eer aan, mijn dag is goed! Maar als ik het zeggen mag bent U naar de juiste plaats gekomen wat uw probleem wat uw behoefte ook moge zijn U hebt het maar te zeggen goed nieuws slecht nieuws alles behalve droevig nieuws herstel van reputaties opsieren van gebeurtenissen herschrijven van geschiedenis bezingen van grote daden en alles gegarandeerd door het langst gevestigde nieuwsagentschap in Nevia nieuws uit alle werelden alle universums aan de man brengen uitroeien ongedaan maken in bepaalde kanalen leiden van propaganda tevredenheid verzekerd eerlijk duurt het langst maar de klant is koning dat hoeft U me niet te vertellen dat weet ik wel ik heb spionnen in alle keukens verspieders in alle slaapkamers ongetwijfeld de Held Gordon en Uw roem behoeft geen herauten Heer maar ik ben vereerd dat u mij heeft opgezocht misschien een levensgeschiedenis om uw ongeëvenaarde daden te evenaren compleet met de oude baker die zich in haar dunne en oude maar o zo overredende stem de tekenen en voortekenen bij Uw geboorte herinnert —’
    Ster onderbrak hem. ‘We willen trouwen.’
    Zijn mond sloot zich, hij keek scherp naar Sters middel wat hem bijna een klap in zijn gezicht opleverde. ‘Het is een genoegen te onderhandelen met mensen die weten wat ze willen. En ik moet eraan toevoegen dat ik een dergelijk van burgerzin getuigend plan onderschrijf. Al dat moderne gedoe en geknuffel en er vandoor gaan zonder dat er zelfs maar gejubeld wordt, alles zomaar, dat maakt de belastingen hoger en de winsten lager, dat is logisch. Ik wou alleen maar dat ik zelf tijd had om te trouwen, zoals ik al zo vaak tegen mijn vrouw gezegd heb. Nu wat Uw plannen betreft, als ik een bescheiden aanwijzing mag geven —’
    ‘We willen trouwen volgens de gebruiken van de Aarde.’
    ‘O, ja, natuurlijk.’ Hij keerde zich naar een ladenkast bij zijn bureau en draaide aan schakelaars. Na een poosje zei hij: ‘Neem me niet kwalijk, lieden, maar mijn hoofd zit volgepropt met biljoenen feiten, groot en klein en — die naam? Begint die met één ‘R’ of met twee?’
    Ster ging naar hem toe, bekeek de schakelaars en stelde ze in.
    De omroeper knipperde met zijn ogen. ‘Dát universum? Daar wordt weinig naar gevraagd. Ik heb dikwijls gewenst dat ik tijd had om te reizen, maar zaken zijn zaken — BIBLIOTHEEK!’
    ‘Ja, Meester?’ antwoordde een stem.
    ‘De planeet Aarde, Huwelijksgebruiken van — dat is een hoofdletter ‘Aar’ en een zachte delta.’ Hij voegde er een serienummer van vijf cijfers aan toe. ‘Een beetje vlug!’
    Heel kort daarna kwam er een leerjongen aanhollen met een dunne perkamentrol. ‘Bibliothecaris zegt of U er voorzichtig mee wilt zijn. Erg bros zegt hij. Hij zegt —’
    ‘Stil. Neem me niet kwalijk, lieden.’ Hij bevestigde de rol in een leesapparaat en begon hem af te tasten.
    Zijn ogen puilden uit en hij boog zich voorover. ‘Ongeloof —’
    Toen mompelde hij: ‘Verbijsterend! Hoe zijn ze daar ooit op gekomen?’ Gedurende verscheidene minuten scheen hij te vergeten dat wij er waren en gaf hij lucht aan: ‘Verwonderlijk! Fantastisch!’ en dergelijke uitdrukkingen.
    Ik trok hem aan zijn elleboog. ‘We hebben haast!’
    ‘Hè? Ja, ja, Heer Held Gordon — Vrouwe.’ Schoorvoetend verliet hij de aftaster, legde zijn handpalmen tegen elkaar en zei, ‘U bent naar het juiste adres gekomen. Geen enkele andere omroeper in heel Nevia zou een onderneming van deze grootte kunnen behandelen. Nu dacht ik — alleen de grote lijn, ik denk hardop — voor de stoet zullen we een beroep moeten doen op het omringende platteland hoewel we ons voor de ketelmuziek zouden kunnen behelpen met dorpelingen als U het bescheiden wilt houden in overeenstemming met Uw reputatie voor waardige eenvoud — zeg één dag voor de optocht en tenminste twee avonden hoempa-muziek met een gagarandeerde geluidssterkte van —’
    ‘Wacht even!’
    ‘Heer? Ik verdien hier niets aan; het zal een kunstwerk zijn, een liefdewerk — alleen maar een onkostenvergoeding en een kleinigheid voor mijn vaste uitgaven. Het is ook mijn beroepsoordeel dat een voorafgaande Samoase ceremonie oprechter, roerender ook zou zijn dan de facultatieve Zoeloeritus. Voor een komisch intermezzo — zonder extra onkosten; toevallig is één van mijn kantoormeisjes zeven maanden onderweg, zij zou best het gangpad willen aflopen en de ceremonie onderbreken — en dan is er natuurlijk nog de kwestie van getuigen voor de gemeenschapsvoltrekking, hoeveel voor ieder van U, maar dat hoeven we deze week nog niet te beslissen; we moeten eerst aan de straatversiering denken, en-’
    Ik nam haar bij de arm. ‘We gaan weg.’
    ‘Ja, Heer,’ stemde Ster toe.
    Hij liep ons, schreeuwend over verbroken contracten achterna, ik greep naar mijn zwaard en toonde tien centimeter van het lemmet; zijn gegil werd afgebroken. Rufo scheen zijn boze bui te boven te zijn; hij begroette ons beleefd, zelfs vrolijk. We stegen op en verlieten het dorp. We hadden een paar kilometers zuidwaarts gereden toen ik zei: ‘Ster, lieveling —’
    ‘Heer liefste?’
    ‘Dat ‘springen over het zwaard’ — is dat werkelijk een huwelijksceremonie?’
    ‘Een heel oude, liefste. Ik geloof dat het nog dateert van de Kruisvaarders.’
    ‘Ik heb aangepaste bewoordingen bedacht:
‘Spring schelm, spring prinses met lichte voet
‘Mijn vrouw ben jij en dat voor goed!’

    ‘— staat je dat aan?’
    ‘Ja, ja!’
    ‘Maar als tweede regel moet jij zeggen:
    ‘Je vrouw ben ik en dat voor goed.’
    ‘Heb je het?’
    Ster haalde snel adem. ‘Ja, mijn liefste!’
    We lieten Rufo achter bij de langpaarden, gaven hem geen verklaring en beklommen een lage beboste heuvel. Heel Nevia is mooi, nergens een bierblikje of vuile Kleenex om de schoonheid van dit Eden te ontsieren, maar hier vonden we een tempel in de buitenlucht, een vlakke grazige plek omgeven door overhangende bomen, een betoverde schuilplaats.
    Ik trok mijn zwaard en keek er langs, voelde het volmaakte evenwicht terwijl ik de zwakke golvingen weer zag die de vederzachte hamerslagen van een meestersmid hadden achtergelaten. Ik gooide het op en ving het bij de kling.
    ‘Lees de leuze, Ster.’
    Ze ontcijferde het. ‘ ‘Dum Vivimus, vivamus!’ — ‘Laten we léven zolang we leven!’ Ja, mijn liefste, ja!’ Ze drukte er een kus op en overhandigde het mij. Ik legde het op de grond.
    ‘Ken je je rol?’ vroeg ik.
    ‘Die is in mijn hart gegrift.’
    Ik nam haar hand in de mijne. ‘Spring hoog. Eén... twee... drie!’

XII

    Toen ik mijn bruid met een arm om haar middel die gezegende heuvel afgeleid had hielp Rufo ons zonder commentaar opstijgen. Maar het kon hem nauwelijks ontgaan dat Ster me nu aansprak als: ‘Heer Echtgenoot’. Hij steeg op en ging in de achterhoede rijden, op eerbiedige afstand, buiten gehoor.
    We reden zeker een uur hand in hand. Elke keer dat ik naar haar keek glimlachte ze; elke keer dat ze mijn blik opving kreeg ze kuiltjes in haar wangen. Ik vroeg op een keer: ‘Hoe spoedig moeten we op ons quivive zijn?’
    ‘Niet voor we de weg verlaten, Heer Echtgenoot.’
    Zo ging het nog een kilometer. Tenslotte zei ze bedeesd: ‘Heer Echtgenoot?’
    ‘Ja, vrouw?’
    ‘Denk je nog dat ik ‘een koude en onhandige deern’ ben?’
    ‘Mmm...,’ antwoordde ik bedachtzaam, ‘ ‘koud’ — nee, ik kan niet naar eer en geweten zeggen dat je koud bent. Maar ‘onhandig’ — Nou ja, vergeleken bij een artieste als bijvoorbeeld Muri —’
    ‘Heer Echtgenoot!’
    ‘Ja, ik zei —’
    ‘Solliciteer je naar een trap in je maag?’ Ze voegde er aan toe: ‘Amerikaan!’
    ‘Vrouw... zou je me in mijn maag trappen?’
    Ze antwoordde niet direct en haar stem was erg laag. ‘Nee, Heer Echtgenoot. Nooit.’
    ‘Het doet me genoegen dat te horen. Maar als je het deed, wat zou er dan gebeuren?’
    ‘Jij — Jij zou me een pak slaag geven. Met mijn eigen zwaard. Maar niet met jouw zwaard. Alsjeblieft, nooit met jouw zwaard... mijn echtgenoot.’
    ‘Met jouw zwaard ook niet. Met mijn hand. Hard. Eerst zou ik je een pak slaag geven. En dan —’
    ‘En wat dan?’
    Ik vertelde het haar. ‘Maar geef me er geen reden toe. Volgens plan moet ik nog vechten. En val me voortaan niet in de rede.’
    ‘Goed, Heer Echtgenoot.’
    ‘Juist. Laten we Muri nu een willekeurig cijfer tien geven. Op die schaal zou jij verdienen — Laat me nadenken.’
    ‘Drie of vier, misschien? Of zelfs wel vijf?’
    ‘Stil. Ik schat het op ongeveer duizend. Ja, duizend, misschien een puntje meer of minder. Ik heb geen rekenliniaal.’
    ‘O, wat een mispunt ben je, mijn lieveling! Kom dicht bij me en kus me — en wacht maar tot ik dat aan Muri vertel.’
    ‘Je vertelt niets aan Muri, mijn bruid, want anders krijg je klappen. En niet naar complimentjes vissen. Je weet best wat je bent, jij over-zwaarden-springende-deern.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Mijn prinses.’
    ‘O.’
    ‘Een nerts met een brandende staart — en dat weet je best.’
    ‘Is dat wat goeds? Ik heb het Amerikaans dialect wel bestudeerd, maar soms ben ik er niet zeker van.’
    ‘Het wordt als het einde beschouwd. Bij wijze van spreken dan, ik heb nooit een nerts zo intiem gekend. En denk nu eens over andere dingen anders wordt je nog weduwe op je huwelijksdag. Je had het over draken?’
    ‘Pas nadat het donker is, Heer Echtgenoot — en het zijn geen echte draken.’
    ‘Zoals jij ze beschreven hebt, kan het verschil alleen van belang zijn voor een andere draak. Bijna drie meter tot de schouders, ieder een paar ton en tanden zolang als mijn onderarm — ze hoeven alleen nog maar vuur te spuwen.’
    ‘O, maar dat doen ze. Heb ik je dat niet verteld?’
    Ik zuchtte. ‘Nee, dat heb je niet.’
    ‘Ze spuwen niet echt vuur. Daar zouden ze aan dood gaan. Ze houden hun adem in als ze vlammen werpen. Het is moerasgas — methaan — uit het spijsverteringskanaal. Het is een willekeurige oprisping met zelfontbranding door een enzyme dat afgescheiden wordt tussen de eerste en tweede rij tanden. Het gas ontvlamt als het aan de lucht wordt blootgesteld.’
    ‘Het kan me niets schelen hoe ze het doen; het zijn vlammenwerpers. Nou? Hoe verwacht je dat ik met ze zal afrekenen?’
    ‘Ik had gehoopt dat je daar je eigen denkbeelden over had. Zie je,’ voegde ze er verontschuldigend aan toe, ‘ik had dit niet bedoeld. Ik verwachtte niet dat we langs deze weg zouden komen.’
    ‘Nou — vrouw, laten we terug gaan naar dat dorp. Dan gaan we onze vriend de omroeper beconcurreren — ik wed dat we beter kunnen kletsen dan hij.’
    ‘Heer Echtgenoot!’
    ‘Laat maar. Als je wenst dat ik elke woensdag en zaterdag draken dood, sta ik tot je dienst. Dat brandende methaan — spuiten ze dat aan weerskanten?’
    ‘O, alleen maar van voren. Hoe zou het nu aan weerskanten kunnen?’
    ‘Gemakkelijk. Moet je het model van volgend jaar maar eens zien. Stil nu; ik denk over de te volgen tactiek. Ik zal Rufo nodig hebben. Ik neem aan dat hij al eerder draken gedood heeft!’
    ‘Ik geloof niet dat iemand er ooit een gedood heeft, Heer Echtgenoot.’
    ‘Zozo. Mijn prinses, ik ben gevleid door het vertrouwen dat je in me stelt. Of is het wanhoop? Antwoord maar niet, ik wil het niet horen. Houd je koest en laat me denken.’
    Bij de volgende boerderij werd Rufo naar binnen gestuurd om regelingen te treffen voor het terugzenden van de langpaarden. Ze waren van ons, geschenken van de Doral, maar we moesten ze terugzenden omdat ze niet zouden kunnen leven waar wij heengingen — Muri had me beloofd dat ze een oogje op Ars Longa zou houden en haar zou afrijden. Rufo kwam terug met een boerenkinkel op een zwaar ploeg-dier zonder zadel — hij verschoof telkens tussen het tweede en derde paar benen om de rug van het dier te sparen en hij hield het door zijn stem in bedwang.
    Toen we waren afgestegen, onze bogen en pijlenkokers gepakt hadden en op het punt stonden om op weg te gaan, kwam Rufo naar ons toe. ‘Baas, Mest Poot verlangt vurig de held te begroeten en zijn zwaard aan te raken. Zal ik hem afpoeieren?’
    Rang brengt verplichtingen zowel als voorrechten met zich mee. ‘Laat hem maar komen.’
    De jongen, uit zijn krachten gegroeid en met dons op zijn kin naderde gretig, struikelde over zijn voeten en maakte toen zo’n overdreven dienaar dat hij bijna viel. ‘Ga staan, jongeman,’ zei ik. ‘Hoe heet je?’
    ‘Rakker, Heer Held,’ antwoordde hij met schelle stem. (’Rakker’ moet volstaan. De Neviaanse betekenis was net zo ruig als Jocko’s moppen.)
    ‘Een stoere naam. Wat wil je worden als je volwassen bent?’
    ‘Een held, Heer! Net als U.’
    Ik dacht erover hem over de stenen op de Roemvolle Weg te vertellen. Maar die zou hij gauw genoeg vinden als hij die weg ooit aflegde — en het zou hem óf niet kunnen schelen óf hij zou omdraaien en het hele dwaze gedoe vergeten. Ik knikte goedkeurend en verzekerde hem dat er voor een flinke kerel altijd ruimte aan de top was in het Helden-beroep — en dat hoe lager het begin was hoe groter de glorie... werk dus hard en studeer hard en wacht de goede gelegenheid af. Hij moest op zijn hoede zijn maar altijd tegen vreemde dames praten; hij zou het avontuur op zijn weg vinden. Toen liet ik hem mijn zwaard aanraken, maar het niet in zijn hand nemen. Vrouwe Vivamus is van mij en ik zou liever mijn tandenborstel uitlenen.
    Toen ik jong was ben ik eens voorgesteld aan een Congreslid. Hij had hetzelfde vaderlijke geklets opgedist waar ik nu plagiaat op pleegde. Net als bidden; baat het niet, het schaadt ook niet en ik merkte dat ik oprecht was toen ik het zei en dat was die Congresman ongetwijfeld ook. Och, misschien zou het enige schade kunnen aanrichten want de jongeman zou op de eerste kilometer van die weg gedood kunnen worden. Maar dat is beter dan op je oude dag bij het vuur te zitten, op je tandvlees te zuigen en na te denken over alle kansen die je gemist hebt en alle meisjes waarmee je niet naar bed bent geweest. Vind je ook niet?
    Ik kwam tot de conclusie dat de gelegenheid Rakker zo belangrijk voorkwam, dat er iets speciaals moest gebeuren, dus grabbelde ik in mijn zak en vond een Amerikaans kwartje. ‘Hoe heet je verder, Rakker?’
    ‘Alleen maar ‘Rakker’ Heer. Van het huis Lerdki, natuurlijk.’
    ‘Voortaan zul je drie namen dragen, want ik zal je een van de mijne geven.’ Ik had er een die ik niet nodig had, ik vond Omar Gordon mooi genoeg. ‘Flash’ niet, omdat ik die naam nooit erkend heb. Mijn bijnaam uit het Leger ook niet; die zou ik nog niet op de muur van een latrine schrijven. ‘Easy’ was degene die ik over had. Ik had ‘E.C.Gordon’ altijd liever gebruikt dan ‘Evelyn Cyril Gordon’ en op school was mijn naam van ‘E.C.’ ‘Easy’ geworden vanwege mijn stijl van leven — ik liep nooit harder en drukte me nooit meer dan de gelegenheid vereiste.
    ‘Bij volmacht mij verleend door het Hoofdkwartier U.S.-Leger Commando Z.O. Azië verordonneer ik, Held Omar, dat gij van nu af aan bekend zult staan als Lerdki ’t Rakker Easy. Draag de naam met ere.’
    Ik gaf hem het kwartje en toonde hem George Washington op de voorkant. ‘Dat is de vader van mijn huis, een groter held dan ik ooit zijn zal. Hij was groot en trots, sprak de waarheid en vocht voor het recht zoals hij dat zag tegen een geweldige overmacht. Tracht op hem te lijken. En hier — ik draaide het om — is het zegel van mijn huis, het huis dat hij stichtte. De vogel vertegenwoordigt moed, vrijheid en verheven idealen.’ (Ik vertelde hem niet dat de Amerikaanse Adelaar krengen eet, nooit iets aanvalt dat net zo groot is als hij en spoedig uitgestorven zal zijn — hij vertegenwoordigt die idealen werkelijk. Een symbool vertegenwoordigt elke betekenis die je eraan hecht.)
    Rakker Easy knikte heftig en de tranen begonnen te vloeien. Ik had hem niet aan mijn bruid voorgesteld; ik wist niet of zij hem wenste te ontmoeten. Maar ze deed een stap vooruit en zei vriendelijk: ‘Rakker Easy, onthoud de woorden van Heer Held. Bewaar ze als een schat en je zult er je hele leven plezier van hebben.’
    De jongen liet zich op zijn knieën vallen. Ze raakte zijn haar aan en zei: ‘Sta op, Lerdki ’t Rakker Easy. Sta rechtop.’
    Ik nam afscheid van Ars Longa en zei dat ik als ze een braaf meisje was nog wel eens terug zou komen. Rakker Easy keerde terug met de langpaarden achter zich aan en wij trokken de bossen in met pijlen op onze bogen en Rufo als achterhoede. Er stond een bord waar we de weg van gele baksteen verlieten; vrij vertaald luidde het: GIJ DIE HIER BINNENTREEDT, LAAT ALLE HOPE VAREN.
    (Een letterlijke vertaling doet denken aan Yellowstone Park: ‘Waarschuwing — de dieren in deze bossen zijn niet tam. Reizigers worden gewaarschuwd de weg niet te verlaten, aangezien hun stoffelijk overschot niet aan de nabestaanden zal worden teruggegeven. De Lerdki, Zijn zegel.’)
    Even later zei Ster: ‘Heer Echtgenoot —’
    ‘Ja, liefje?’ Ik keek niet naar haar; ik keek uit naar mijn kant en een beetje naar de hare en ook nog naar omhoog, want we konden hier gebombardeerd worden — zoiets als bloedgieren maar kleiner en ze hebben het op je ogen gemunt.
    ‘Mijn Held, je bent waarlijk nobel en je hebt je vrouw heel trots gemaakt.’
    ‘Hè? Hoe dan?’ Ik was met mijn gedachten bij doelwitten — er waren er hier twee soorten op de grond: een rat groot genoeg om katten te eten en bereid om mensen te eten, en een wild varken van ongeveer dezelfde grootte en die heeft nergens een broodje ham aan zich, alleen slagtanden en een slecht humeur. Ze hadden me verteld dat de zwijnen een gemakkelijker doel vormden omdat ze recht op je af komen. Maar je moet niet missen. En zorg dat je bij je zwaard kunt, want je kunt geen tweede pijl opzetten.
    ‘Die jongen, Rakker Easy. Wat je voor hem gedaan hebt.’
    ‘Hij? Ik heb hem de gebruikelijke kletskoek opgedist. Dat kost niets.’
    ‘Het was een vorstelijke daad, Heer Echtgenoot.’
    ‘Kom, onzin, schatje. Hij verwachtte grote woorden van een held, dus die heb ik hem gegeven.’
    ‘Omar, geliefde, mag een trouwe vrouw haar echtgenoot erop wijzen als hij nonsens over zichzelf vertelt? Ik heb vele helden gekend en sommige waren zulke uilskuikens dat je ze aan de keukendeur afgescheept zou hebben als hun daden hun geen aanspraak gaven op een plaats aan tafel. Ik heb weinig mannen gekend die nobel waren, want nobelheid is veel schaarser dan heldhaftigheid. Maar ware nobelheid is altijd te herkennen... zelfs bij iemand die er zo strijdlustig van afschrikt het te tonen. De jongen verwachtte het, dus deed je het — maar noblesse oblige is een gevoelen dat alleen zij kennen die nobel zijn.’
    ‘Nou ja, misschien. Ster, je praat weer te veel. Denk je niet dat dat gedierte oren heeft?’
    ‘Vergeef me, Heer. Ze hebben zulke goede oren dat ze door de grond heen voetstappen horen lang voordat ze stemmen horen. Laat mij het laatste woord hebben omdat het vandaag mijn huwelijksdag is. Als je — nee, wanneer je hoffelijk bent tegenover de een of andere schoonheid, laten we zeggen Letva — of Muri, vervloekt zijn haar mooie ogen — geldt dat voor mij niet als nobelheid; het wordt geacht voort te komen uit een heel wat alledaagser gevoelen dan noblesse oblige. Maar als je tegen een boerenkinkel spreekt met varkensmest aan zijn voeten, die een knoflookadem heeft en helemaal naar zweet stinkt en puisten op zijn gezicht heeft — als je daar vriendelijk tegen spreekt en hém voor een ogenlik laat denken dat hij even nobel is als jij en hem laat hopen dat hij eens je gelijke zal kunnen worden — dan weet ik dat het niet is omdat je hoopt hem in je bed te krijgen.’
    ‘Nou, dat weet ik nog zo net niet. Jongens van die leeftijd worden in sommige kringen als iets heel bijzonders beschouwd. Geef hem een bad, parfumeer hem, zet krullen in zijn haar —’
    ‘Heer Echtgenoot, is het mij toegestaan erover te denken dat ik je een trap in je maag geef?’
    ‘Je kunt niet voor de krijgsraad gebracht worden om wat je denkt, dat is het enige wat ze je niet kunnen afnemen. Oké, ik geef de voorkeur aan meisjes; ik heb geen afwijkingen en ik kan er niets aan doen. Wat zei je over Muri’s ogen? Meisje met je lange benen, ben je jaloers?’
    Ik kon haar kuiltjes horen, al kon ik me niet omkeren om ze te zien. ‘Alleen op mijn trouwdag, Heer Echtgenoot; de andere dagen zijn van jou. Als ik je snap als je grapjes uithaalt, zal ik het óf niet zien óf je feliciteren, al naar het uitkomt.’
    ‘Ik denk niet dat je me zult snappen.’
    ‘En ik geloof dat jij mij niet zult snappen, Heer schavuit,’ antwoordde ze bedaard.
    Ze had het laatste woord want juist op dat ogenblik zei Rufo’s boogpees Zwoeng! Hij riep: ‘Hebbes!’ en toen kregen we het erg druk. Zwijnen zo lelijk dat varkens met scherpe ruggen er engelen bij leken. Ik kreeg er een te pakken met een pijl door zijn slobberende bek en doorboorde zijn broertje een fractie van een seconde later met mijn zwaard. Ster raakte de hare maar het schot schampte af op een bot en hij kwam naderbij en ik gaf hem een trap tegen zijn schouder omdat ik nog bezig was mijn lemmet uit zijn neefje te trekken. Het staal tussen zijn ribben bracht hem tot rust en Ster zette bedaard een nieuwe pijl op en schoot terwijl ik hem doodde. Ze kreeg er nog een te pakken met haar zwaard, ze liet als een matador de punt erin glijden op het juiste moment, sprong opzij terwijl hij op haar af kwam, reeds dood, maar niet bereid het toe te geven.
    Het gevecht was afgelopen. De oude Rufo had er zonder hulp drie te grazen genomen en een lelijke wond opgelopen; ik had een schram en mijn bruid was ongedeerd, wat ik verifieerde zodra alles weer rustig was. Toen ging ik de wacht houden terwijl onze dokter Rufo behandelde, waarna ze mijn veel minder belangrijke snee verbond.
    ‘Wat denk je, Rufo?’ vroeg ik. ‘Kun je lopen?’
    ‘Baas, ik zou nog niet in dit bos blijven, al moest ik kruipen. Laten we voortmaken. Hoe dan ook,’ voegde hij er aan toe terwijl hij wees naar het waardeloze varkensvlees om ons heen, ‘we zullen voorlopig niet lastig gevallen worden door ratten.’
    Ik keerde de volgorde om, plaatste Rufo en Ster vooraan met zijn gezonde been aan de buitenkant en ik nam de achterhoede, wat ik van het begin af aan had moeten doen. In de meeste gevallen is de achterhoede iets veiliger dan vooraan, maar dit waren de meeste gevallen niet. Ik had mijn oordeel laten beïnvloeden door mijn allesoverheersende behoefte om mijn bruid persoonlijk te beschermen.
    Toen ik de gevaarlijkste plaats ingenomen had werd ik bijna scheel van het proberen om niet alleen achteruit, maar ook vooruit te kijken om snel bij de hand te zijn als Ster — ja, en Rufo ook — in moeilijkheden kwamen te verkeren. Gelukkig konden we even op adem komen en werd ik weer verstandig genoeg om de eerste les van patrouille lopen ter harte te nemen : je kúnt het karwei van de ander niet opknappen. Toen besteedde ik al mijn aandacht aan onze achterhoede. Rufo zou, oud en gewond als hij was niet sterven zonder een erewacht te vernietigen om hem in stijl naar de hel te begeleiden — en Ster was geen flauwvallende heldin. Ik zou tien tegen één op haar wedden als ze te maken kreeg met iemand van hetzelfde gewicht, op welk wapen dan ook of met haar blote handen, en ik beklaag de man die ooit geprobeerd zou hebben haar te verkrachten; hij zoekt vermoedelijk nog naar zijn cojones.
    We werden niet meer door zwijnen lastig gevallen maar naarmate het donkerder werd zagen we die reuzenratten en we hoorden ze nog vaker; ze hielden ons bij, gewoonlijk uit het gezicht; ze vielen nooit in het wilde weg aan zoals de zwijnen hadden gedaan; ze wachtten hun kans af, zoals ratten altijd doen.
    Van ratten krijg ik de zenuwen. Toen ik een jongen was, mijn vader al gestorven en mijn moeder nog niet hertrouwd, hadden we op een keer geen cent en woonden op een zolder van een onbewoonbaar verklaarde woning. Je kon de ratten achter het behang horen en tweemaal liepen er ratten over me heen in mijn slaap.
    Ik word nog wel eens gillend wakker.
    Een rat gaat er niet op vooruit als je hem opblaast tot de grootte van een prairiewolf. Dit waren echte ratten tot hun snorharen toe en ze waren gevormd als ratten behalve dat hun poten en klauwen te groot waren — misschien werkt de wet van de derde machtsverhoudingen van dierlijke proporties overal.
    We verspilden geen pijl aan een rat tenzij het een zeker schot was en liepen zigzag om voordeel te trekken van die open plekken die het bos had — wat het risico van boven vergrootte. Maar het bos was zo dicht dat aanvallen van bovenaf niet onze eerste zorg waren.
    Ik kreeg één rat te pakken die me te dicht volgde en miste er één op een haar na. We moesten er wel een pijl aan spenderen als ze te brutaal werden; dan werden de andere voorzichtiger. En een keer toen Rufo zijn boog spande om er een te pakken te nemen en Ster met haar zwaard klaarstond om hem te helpen dook een van die venijnige kleine haviken op Rufo neer.
    Ster sloeg hem uit de lucht op het dieptepunt van zijn vlucht. Rufo had hem niet eens gezien; hij was druk bezig broertje rat vast te nagelen.
    We hoefden ons geen zorgen te maken over struikgewas; dit woud was als een park, bomen en gras, geen dicht kreupelhout. Dat stuk was nog niet zo gek, behalve dat we tekort aan pijlen kregen. Daar liep ik over te tobben toen ik iets opmerkte. ‘Hé, jullie daar vooraan! Jullie zijn de goede richting kwijt. Je moet naar rechts aanhouden.’ Ster had de richting voor me aangegeven toen we de weg verlieten maar ik moest de richting aanhouden; haar richtingknobbel stelde niet veel voor en Rufo was net eender.
    ‘Het spijt me, Heer leider,’ riep Ster terug. ‘Het lopen ging een beetje moeilijk.’
    Ik liep naar ze toe. ‘Rufo, hoe gaat het met je been?’ Er stonden zweetdruppels op zijn voorhoofd.
    In plaats van me te antwoorden zei hij: ‘Vrouwe, het zal spoedig donker zijn.’
    ‘Dat weet ik,’ zei ze rustig. ‘Het wordt dus tijd voor het avondeten. Heer Echtgenoot, die grote platte rots daarboven lijkt een goede plek.’
    Ik dacht dat ze in de war was en dat dacht Rufo ook, maar om een andere reden. ‘Maar, Vrouwe, we zijn ver op het tijdschema ten achter.’
    ‘En dat zal nog veel erger worden tenzij ik je been weer behandel.’
    ‘Laat me maar liever achter,’ mompelde hij.
    ‘Houd jij maar liever je mond tot je advies wordt gevraagd,’ zei ik tegen hem. ‘Ik zou nog geen Gehoornde Geest achterlaten om door de ratten opgegeten te worden. Ster, hoe zullen we dit doen?’
    De grote platte rots die als een schedel uit de bomen voor ons oprees was het bovengedeelte van een kalkstenen rolkei waarvan het onderste gedeelte in de grond gezonken was. Ik hield er midden op de wacht terwijl Rufo naast me zat en Ster op kardinale en semikardinale punten bewaking inschakelde. Ik kon niet zien wat ze deed omdat ik uit mijn doppen moest kijken naar alles achter haar met een pijl op mijn boog, gereed om het neer te slaan of af te schrikken terwijl Rufo op de andere kant lette. Maar Ster heeft me later verteld dat de bewaking in de verste verte geen ‘toverij’ is maar binnen het bereik van de technologie van de Aarde, zodra er maar een pientere jongen op het idee komt — een ‘geëlektrificeerd hek’ zoals een radio een telefoon is zonder de draden, een overeenkomst die niet opgaat.
    Maar het was maar goed dat ik eerlijk op wacht stond en niet trachtte uit te vinden hoe zij die tovercirkel construeerde, want ze werd aangevallen door de enige rat die we ontmoet hadden die geen verstand had. Hij kwam recht op haar af, mijn pijl langs haar oor waarschuwde haar en ze maakte hem af met haar zwaard. Het was een heel oud mannetje, zonder tanden en met witte snorharen en vermoedelijk niet goed bij zijn verstand. Hij was zo groot als een wolf en met twee dodelijke wonden toch nog een roodogige schurftige furie.
    Toen de laatste bewaking ingeschakeld was zei Ster tegen me dat ik me niet druk meer hoefde te maken over de lucht; omdat de bewaking niet alleen een hek om maar ook een dak boven de cirkel vormde. Zoals Rufo zegt, als Zij het zegt geeft dat de doorslag. Rufo had de vouwdoos gedeeltelijk uitgepakt terwijl hij oplette; ik haalde er haar dokterstas uit, meer pijlen voor ons allemaal en eten. Geen onzin over dienaar en voorname lui, we aten samen, zittend of liggend en Rufo languit om zijn been een kans te geven terwijl Ster hem bediende en hem soms hapjes in zijn mond stopte volgens de regels van de Neviaanse gastvrijheid. Ze had een hele tijd aan zijn been besteed terwijl ik haar bijlichtte en haar dingen aangaf. Ze bedekte de wond met een lichte gelei voor ze er een verband over aanbracht. Als het pijn deed praatte Rufo daar niet over.
    Terwijl we zaten te eten werd het donker en langs het onzichtbare hek verschenen ogen, die naar ons gloeiden met de weerkaatsing van het licht waar wij bij aten en bijna net zo talrijk als de menigte op de ochtend dat Igli zichzelf opat. Ik dacht dat het merendeel ratten was. Eén groepje hield zich apart met aan weerskanten een opening in de cirkel; ik kwam tot de conclusie dat dat zwijnen moesten zijn; de ogen waren verder van de grond verwijderd.
    ‘Vrouwe liefste,’ zei ik, ‘houdt die bewaking het de hele nacht uit?’
    ‘Ja, Heer Echtgenoot.’
    ‘Dat moet ook. Het is te donker voor pijlen en ik zie ons ons nog geen weg door die menigte hakken. Ik ben bang dat je je tijdschema weer zult moeten herzien.’
    ‘Dat kan ik niet, Heer Held. Maar je kunt die beesten wel vergeten. Nu gaan we vliegen.’
    Rufo kreunde. ‘Daar was ik al bang voor. Je weet, dat ik er zeeziek van word.’
    ‘Arme Rufo,’ zei Ster zachtjes. ‘Wees niet bevreesd, oude vriend. Ik heb een verrassing voor je. Voor het geval er iets dergelijks zou gebeuren heb ik in Cannes dramamine gekocht — je weet wel, dat middel dat de invasie in Normandië op de Aarde heeft gered. Of misschien weet je dat ook wel niet.’
    Rufo antwoordde:’ ‘Weten?’ Ik was bij die invasie, Vrouwe — en ik ben allergisch voor dramamine; ik heb de hele reis naar Omaha Beach over de reling gehangen. Ergste nacht die ik ooit gehad heb — wel, ik zou nog liever hier zijnl’
    ‘Rufo,’ vroeg ik, ‘ben je werkelijk op Omaha Beach geweest?’
    ‘Verdorie, jazeker, Baas. Ik deed al Eisenhowers denkwerk voor hem.’
    ‘Maar waarom? Het was geen gevecht waar jij wat mee te maken had.’
    ‘Vraag jezelf maar eens af waarom jij in dit gevecht gewikkeld bent, Baas. In mijn geval waren het Franse grieten. Aards en onbelemmerd en ze vinden het altijd leuk en ze willen graag wat bijleren. Ik herinner me één kleine mademoiselle van Armentières’ — hij sprak het goed uit — ‘Die niet —’
    Ster onderbrak hem. ‘Terwijl jullie tweeën vrijgezellenherinneringen ophalen, zal ik het vlieggerei in orde brengen.’ Ze stond op en ging naar de vouwdoos.
    ‘Ga door, Rufo,’ zei ik, me afvragend hoe ver hij met dit verhaal zou gaan.
    ‘Nee,’ zei hij korzelig. ‘Zij zou het niet prettig vinden. Dat kan ik zien. Baas, je hebt de meest vervloekte invloed op haar gehad. Elk ogenblik damesachtiger en dat is helemaal niets voor Haar. Voor je het weet is ze op Vogue geabonneerd en dan weet je helemaal niet meer hoe ver het gaan zal. Ik begrijp het niet, zo’n knappe jongen ben je nou ook niet. Dat is niet als een belediging bedoeld.’
    ‘Zo vat ik het ook niet op. Nou, vertel het me dan een andere keer maar eens. Als je het je nog herinneren kunt.’
    ‘Ik zal haar nooit vergeten. Maar, Baas, zeeziekte is nog niet de helft. Jij denkt dat deze bossen vergeven zijn. Nou, in die bossen waar we heengaan — met knikkende knieën, ik tenminste — in die bossen zitten draken.’
    ‘Dat weet ik.’
    ‘Dus dat heeft Zij je verteld? Maar je moet het zien voor je het kunt geloven. De bossen zitten er vol mee. Meer dan er Jansens in Amsterdam zijn. Grote, kleine en de tweetons tiener-maat, die eeuwig en altijd honger hebben. Jij vindt het misschien leuk om door een draak te worden opgegeten; ik niet. Het is vernederend. En afdoend. Ze moesten draken-vergif sproeien, dat moesten ze doen. Het moest bij de wet verboden worden.’
    Ster was teruggekomen. ‘Nee, het zou niet bij de wet verboden moeten worden,’ zei ze streng. ‘Rufo, je moet niet te keer gaan over dingen die je niet begrijpt. Het verstoren van het ecologische evenwicht is de grootste fout die een regering zou kunnen maken.’
    Rufo hield verder tegenmompelend zijn mond. Ik zei: ‘Mijn enige liefste, wat heb je aan een draak? Leg me dat eens uit.’
    ‘Ik heb nooit een balans over Nevia opgemaakt, dat is mijn verantwoordelijkheid niet. Maar ik kan me de verschuivingen in het evenwicht voorstellen die het gevolg zouden zijn van een poging om de draken kwijt te raken — wat de Nevianen best zouden kunnen; je hebt gezien dat er met hun technologie niet valt te spotten. Die ratten en zwijnen vernielen de oogst. Ratten helpen de zwijnen in toom te houden door biggen op te eten. Maar voor de oogst zijn ratten nog erger dan zwijnen. Overdag grazen de draken in deze zelfde bossen — draken zijn dagdieren, ratten zijn nachtdieren en gaan op het heetst van de dag hun holen in. De ratten en de zwijnen vreten het struikgewas weg en de draken bijten de onderste takken af. Maar draken lusten ook wel een smakelijk ratje, dus als er een een rattenhol ontdekt spuwt hij er een vlam in, doodt niet altijd de volwassen ratten omdat ze voor ieder nest twee gangen graven, maar hij dood zeker alle kleintjes — en dan graaft de draak zich in en doet zich te goed aan zijn meestgeliefde hapje. Er bestaat al tijden lang een afspraak die neerkomt op een verdrag dat de mensen de draken niet zullen lastig vallen zolang ze op hun eigen terrein blijven en de ratten in toom houden.’
    ‘Maar waarom zou je de ratten niet doden en dan met de draken afrekenen?’
    ‘En de zwijnen hun gang laten gaan? Alsjeblieft, Heer Echtgenoot, in deze kwestie weet ik alle antwoorden niet; ik weet alleen maar dat het verstoren van een natuurlijk evenwicht een zaak is die slechts met angst en beven — en een veelzijdige computer — benaderd kan worden. De Nevianen schijnen er zich bij neer te leggen de draken niet lastig te vallen.’
    ‘Wij gaan ze kennelijk wel lastig vallen. Zal dat het verdrag verbreken?’
    ‘Het is geen echt verdrag, van de Nevianen is het volkswijsheid en van de draken een voorwaardelijke reflex — of misschien instinct. En we gaan geen draken lastig vallen als we het kunnen vermijden. Heb je de plannen met Rufo besproken? Als we er zijn is er geen tijd meer voor.’
    Dus besprak ik met Rufo hoe we draken zouden doden terwijl Ster toeluisterde en haar laatste voorbereidingen beëindigde. ‘Goed,’ zei Rufo somber, ‘het is beter dan rustig zitten afwachten zoals een oester in zijn halve schelp wacht tot hij wordt opgegeten. Waardiger. Ik ben een beter boogschutter dan jij — of althans net zo goed — dus ik zal de achterkant nemen omdat ik vanavond niet zo behendig ben als anders.’
    ‘Als je maar klaar staat om te ruilen als hij zich omdraait.’
    ‘Zorg jij maar dat je klaar staat, Baas. Ik zal klaar zijn om de allerbeste reden die er is — mijn geliefde huid.’
    Ster was klaar en Rufo had de vouwdoos ingepakt en op zijn rug gebonden terwijl we het een en ander bespraken. Ze bevestigde ronde kousenbanden boven iedere knie van ieder van ons, liet ons toen op de rots zitten met het gezicht naar onze bestemming gekeerd. ‘Die eikenhouten pijl, Rufo.’
    ‘Ster, is dit niet uit het boek van Albertus Magnus?’
    ‘Zoiets,’ zei ze. ‘Mijn formule is betrouwbaarder en de ingrediënten die ik op de kousenbanden gebruik, bederven niet. Alsjeblieft, Heer Echtgenoot, ik moet me concentreren op mijn toverij. Leg de pijl zo neer dat hij naar de grot wijst.’
    Dat deed ik. ‘Is het zo nauwkeurig?’ vroeg ze.
    ‘Als de kaart die je me hebt laten zien nauwkeurig is, dan wel. Hij is precies gericht op wat mijn doel geweest is sinds we de weg verlaten hebben.’
    ‘Hoe ver weg is het Bos van de Draken?’
    ‘Eh, luister eens, mijn liefste, als we toch door de lucht gaan, waarom gaan we dan niet rechtstreeks naar de grot en slaan we de draken over?’
    Ze zei geduldig: ‘Ik wou dat dat kon. Maar dat woud is van boven zo dicht dat we bij de grot niet recht kunnen dalen, daar is geen ruimte voor. En de dingen die hoog boven in die bomen wonen zijn erger dan draken. Ze —’
    ‘Alsjeblieft!’ zei Rufo. ‘Ik bén al zeeziek en we zijn nog niet eens van de grond.’
    ‘Later, Omar, als je het dan nog weten wilt. In ieder geval kunnen we niet het risico lopen ze tegen te komen — en dat zal ook niet gebeuren; ze blijven hoger dan de draken kunnen komen, dat moeten ze wel. Hoe ver is het naar het woud?’
    ‘Mmm, dertien kilometer volgens die kaart en de afstand die we afgelegd hebben — en dan niet meer dan drie naar de Grot van de Poort.’
    ‘Goed. Jullie moeten allebei je armen stevig om mijn middel leggen en onze lichamen moeten elkaar zoveel mogelijk raken; het moet op ons allemaal evenveel inwerken.’ Rufo en ik omarmden haar ieder met een arm en sloegen onze handen om haar buik in elkaar. ‘Zo is het goed. Stevig vasthouden.’ Ster schreef getallen op de rots naast de pijl.
    Hij zeilde de nacht in en wij er achter aan. Ik begrijp niet hoe je kunt vermijden dit toverij te noemen, omdat ik geen enkele manier weet om Buck Rogers-gordels in elastieken kousenbanden in te bouwen. O, als je dat liever wilt, dan hypnotiseerde Ster ons en gebruikte daarna psi-krachten om ons dertien kilometer ver te dragen. ‘Psi’ is een beter woord dan ‘toverij’; eenlettergrepige woorden zijn sterker dan meerlettergrepige — zie Winston Churchills redevoeringen. Ik begrijp geen van beide woorden, net zomin als ik uit kan leggen waarom ik nooit verdwaal. Ik vind het alleen maar belachelijk dat anderen wel verdwalen.
    Als ik in dromen vlieg, doe ik dat op twee manieren: de ene is een zwanenduik en dan schiet ik neer en dwarrel en maak bokkensprongen: de andere is zitten op de Turkse manier net als de Kleine Verlamde Prins en voortzeilen louter door de kracht van je persoonlijkheid.
    Wij deden het op de laatste manier, alsof we vlogen in een zweefvliegtuig zonder zweefvliegtuig. Het was een prachtige nacht om te vliegen (alle nachten in Nevia zijn prachtig; ze hebben me verteld dat het er in het regenseizoen vlak voor de dageraad regent) en de grootste maan verzilverde de grond onder ons. De bossen werden minder dicht en werden bosjes bomen; het woud waar we heen koersten tekende zich zwart af tegen het verschiet, veel hoger en geweldig veel indrukwekkender dan de mooie bossen achter ons. Ver weg naar het westen ving ik een glimp op van de velden van het huis Lerdki.
    We waren ongeveer twee minuten in de lucht geweest toen Rufo zei: ‘Neem me niet kwalijk’ en zijn hoofd omkeerde. Hij moet geen zwakke maag hebben; we kregen geen spatje. Het leek wel een boog van een fontein. Dat was het enige incident gedurende een volmaakte vlucht.
    Vlak voor we de hoge bomen bereikten zei Ster krachtig: ‘Amech! We bleven hangen als een helikopter en maakten ons gereed voor een loodrechte drie-achtersten-landing. De pijl lag voor ons op de grond, weer volkomen levenloos. Rufo borg hem weer in zijn pijlenkoker. ‘Hoe voel je je?’ vroeg ik. ‘En hoe gaat het met je been?’
    Hij slikte. ‘Been gaat goed. De grond gaat op en neer.’
    ‘Stil!’ fluisterde Ster. ‘Hij is zo weer in orde. Maar stil, als je leven je lief is.’
    Enige ogenblikken later gingen we op weg, ikzelf met getrokken zwaard voorop, Ster achter me en Rufo haar als een schaduw volgend met een pijl op zijn boog en paraat. De verandering van maanlicht in zware schaduwen was verblindend en ik kroop voorwaarts voelend naar boomstammen en biddend dat er geen draak op het pad zat dat mijn richtingknobbel aangaf. Ik wist natuurlijk wel dat draken ’s nachts slapen, maar ik stel geen vertrouwen in draken. Misschien stonden de vrijgezellen wel op wacht, net als vrijgezellenbavianen doen. Ik wilde de ereplaats wel aan St. Joris afstaan en genoegen nemen met een plaatsje meer achteraan.
    Eén keer hield mijn neus me tegen; een wolkje oude muskus. Ik bleef staan en werd me langzaam bewust van een vorm ter grootte van een makelaarskantoor — een draak die lag te slapen met zijn kop op zijn staart. Ik leidde ze er omheen zonder leven te maken en hopend dat mijn hart niet zo luidruchtig bonsde als het leek.
    Mijn ogen waren nu beter aangepast, maakten gebruik van iedere manestraal die omlaag druppelde — en toen gebeurde er wat anders. De grond was bemost en een beetje fosforiserend zoals een rottende boomstam soms is. Niet veel. O, maar heel weinig. Maar het was net als met een donkerekamer-lamp, die bijna niets is als je binnengaat maar later meer dan genoeg licht geeft. Ik kon nu bomen zien en de grond — en draken.
    Ik had eerder gedacht, o, wat zijn een paar dozijn draken in een groot bos? Er is veel kans op dat we er geen één zien, net zo als je bijna nooit herten ziet in een bos waar herten voorkomen.
    De vent die de parkeervergunning voor de hele nacht pacht in dat bos kan een fortuin maken als hij eenmaal verzonnen heeft hoe hij draken moet laten betalen. Toen we eenmaal goed konden zien was er altijd wel een in de buurt.
    Het zijn natuurlijk geen draken. Nee, ze zijn veel lelijker. Het zijn hagedisachtigen, lijken nog het meest op tyrannosaurus rex — een groot achterdeel en zware achterpoten, een zware staart en kortere voorpoten, die ze of gebruiken om te lopen of om hun prooi vast te houden. De kop bestaat voornamelijk uit tanden. Het zijn omnivoren terwijl ik begrepen heb dat t.rex alleen maar vlees at. Daar schiet je niets mee op; de draken eten vlees als ze het te pakken kunnen krijgen, ze geven er de voorkeur aan. Bovendien hebben deze niet-zo-erge-namaak-draken het charmante kunstje geleerd hun eigen rioolgas te verbranden. Maar geen enkele evolutionaire spitsvondigheid kan als vreemd beschouwd worden als je het vergelijkt met de manier waarop octopi de liefde bedrijven.
    Eén keer ontvlamde er ver naar links een geweldige straal, met een grommend gebrul, net een heel oude krokodil. Het licht bleef verscheidene seconden schijnen en stierf toen weg. Je moet het mij niet vragen — misschien twee mannetjes die ruzie maakten om een wijfje. We bleven verder gaan, maar ik liep langzamer toen het licht doofde, want zelfs zo weinig was genoeg om invloed te hebben op onze ogen tot ons nachtelijk gezicht zich herstelde.
    Ik ben allergisch voor draken — letterlijk, ik bedoel niet alleen dat ik er als de dood voor was. Allergisch op de manier die de arme oude Rufo voor dramamine was, maar meer zoals de invloed die kattenhaar op sommige mensen heeft.
    Mijn ogen begonnen te tranen zodra we in dat woud waren, toen begon mijn voorhoofdsholte verstopt te raken en voor we een halve kilometer ver waren wreef ik met mijn linkervuist zo hard mogelijk over mijn bovenlip, met moeite trachtend niezen te voorkomen. Tenslotte kon ik het niet meer inhouden en duwde mijn vingers in mijn neusgaten en beet op mijn lippen en de ingehouden uitbarsting deed mijn trommelvliezen bijna barsten. Het gebeurde terwijl we om de achterkant trokken van een geval ter grootte van een vrachtauto-met-aanhangwagen; ik bleef stokstijf staan en zij ook en we wachtten af. Hij werd niet wakker.
    Toen ik weer verder ging, kwam mijn geliefde dichter bij me en greep mijn arm; ik bleef weer staan. Ze greep in haar zak, vond iets zonder leven te maken, wreef het op mijn neus en in mijn neusgaten en beduidde toen met een zacht duwtje dat we verder konden gaan.
    Eerst werd mijn neus ijskoud, net als met Vicks, toen verstijfde hij en even later was hij niet meer verstopt.
    Na meer dan een uur van dit eindeloos durende spookachtige gesluip door hoge bomen en reusachtige gestalten dacht ik dat we ‘buut vrij’ gehaald hadden. De Grot van de Poort moest nu op niet meer dan honderd meter van ons verwijderd liggen en ik kon het hellen van de grond zien waar de ingang zou zijn — en er was maar één draak in de weg en die lag niet eens op ons pad.
    Ik haastte me.
    En daar had je dat kleine ding, niet groter dan een kleine kangoeroe en ongeveer dezelfde vorm afgezien van melktandjes van tien centimeter lengte. Misschien was hij nog zo jong dat hij ’s nachts nog wakker werd om een plasje te doen, dat weet ik niet. Ik weet alleen maar dat ik vlak langs een boom liep waar hij achter zat en dat ik op zijn staart trapte en dat hij piepte!
    Daar had hij volkomen het recht toe. Maar toen brak de hel los. De volwassen draak tussen ons en de grot werd onmiddellijk wakker. Geen grote — zeg veertien meter met de staart inbegrepen.
    De goede oude Rufo bond de strijd aan alsof hij eindeloos tijd gehad had om te repeteren. Hij vloog naar de achterkant van het beest met een pijl op zijn gespannen boog, gereed om bliksemsnel te schieten. ‘Laat ‘m zijn staart omhoog houden!’ riep hij uit.
    Ik holde naar de voorkant en trachtte het beest in het harnas te jagen door te schreeuwen en met mijn zwaard te zwaaien, terwijl ik me afvroeg hoever die vlammenwerper kon spugen. Er zijn maar vier plaatsen waar je in een Neviaanse draak een pijl kunt plaatsen; de rest is gepantserd als een rhinoceros, maar zwaarder. Die vier zijn zijn bek (als die open staat), zijn ogen (een moeilijk schot: het zijn kleine varkensoogjes), en die plek vlak onder zijn staart waar bijna alle dieren kwetsbaar zijn. Ik had bedacht dat een pijl in dat tere gebied machtig zou bijdragen tot dat ‘jeukende, branderige’ gevoel waar ze het in de kleine advertenties op de achterpagina’s van kranten over hebben, die waarin staat ‘VERMIJD EEN OPERATIE!’
    Het was mijn bedoeling dat de draak, niet al te pienter, als hij aan twee kanten tegelijk ondraaglijk geërgerd werd zijn coördinatie volkomen kwijt zou raken en wij op hem in zouden kunnen hakken tot hij volkomen onbruikbaar was of tot hij er misselijk van werd en er vandoor zou gaan. Maar ik moest hem zijn staart omhoog laten steken, om Rufo de kans te geven te schieten. Deze schepsels, topzwaar door hun buidel net als die ouwe t. rex vallen aan met kop en voorpoten omhoog en houden zich dan in evenwicht door hun staart omhoog te steken.
    De draak stond met zijn kop heen en weer te zwaaien en ik probeerde de andere kant uit heen en weer te zwaaien om niet geraakt te worden als hij de vlammen aanschakelde — toen ik plotseling mijn eerste lading methaan te pakken kreeg, ik rook het voor het ontvlamde en ik trok me zo snel terug dat ik tegen die baby opbotste waar ik eerst op getrapt had, er overheen viel, op mijn schouders terecht kwam en omverrolde, en dat redde me. Die vlammen schieten zowat zeven meter vooruit. De volwassen draak steigerde en had me nog kunnen verbranden, maar de baby zat in de weg. Hij beet de vlam af — maar Rufo schreeuwde, ‘In de roos!’
    De reden waarom ik me op tijd terugtrok was onzuivere adem. Ze zeggen dat ‘zuivere methaan een kleurloos, reukloos gas’ is. Dit spijsverteringsmethaan was niet zuiver; het zat zo vol met zelfgemaakte ketonen en aldehyden dat een plee zonder ongebluste kalk erbij vergeleken naar Chanel No. 11 rook.
    Ik geloof, dat het feit dat Ster me die zalf had gegeven voor mijn verstopte neus mijn leven gered heeft. Als mijn neus verstopt is kan ik mijn eigen bovenlip niet eens ruiken.
    De strijd werd niet gestaakt terwijl ik dit uitpuzzelde; al het denkwerk deed ik ervoor of erna, niet tijdens. Kort nadat Rufo in de roos geschoten had kreeg het beest een uiterst verontwaardigde blik in zijn ogen, opende zijn bek weer zonder vuur te spugen en trachtte met zijn beide voorpoten zijn achterwerk te bereiken. Dat kon hij niet — voorpoten te kort — maar hij probeerde het wel. Ik had mijn zwaard snel in de schede gestoken toen ik eenmaal de lengte van die vuurstraal gezien had en naar mijn boog gegrepen. Ik had net de tijd één pijl in zijn bek te krijgen — vermoedelijk de linkeramandel.
    Dit drong sneller tot hem door. Met een kreet van woede die de grond deed trillen kwam hij vuurspuwend op me af — en Rufo jubelde.
    Ik had het te druk om hem te feliciteren; die schepsels zijn snel voor hun grootte. Maar ik ben ook vlug en ik had er meer reden toe. Iets dat zo groot is kan niet vlug van richting veranderen maar het kan wel met zijn kop zwaaien en dus met zijn vlam. Mijn broek werd geschroeid en ik verplaatste me nog sneller, trachtend achter hem te komen.
    Ster plaatste zorgvuldig een pijl in de andere amandel, precies waar de vlam uitkwam, terwijl ik me bukte. Toen probeerde dat arme draakje zó erg om beide kanten om te draaien naar ons beiden, dat hij zich in zijn poten verwarde en ondersteboven viel, een kleine aardbeving. Rufo schoot nog een pijl in zijn tere achterste en Ster schoot er een af die door zijn tong heen ging en in zijn verhemelte bleef steken. Hij ondervond er geen schade van maar het ergerde hem verschrikkelijk.
    Hij vormde zich zelf tot een bal, stond op, steigerde en probeerde weer een vlam naar me te spuwen. Ik zag wel dat hij niets van me hebben moest.
    En toen ging de vlam uit.
    Dat was iets waarop ik gehoopt had. Een echte draak, met kastelen en gevangen prinsessen heeft net zoveel vuur als hij nodig heeft, net als pistolen in televisiestukken. Maar deze schepsels fermenteerden hun eigen methaan en konden geen al te groot reservereservoir hebben en ook geen al te hoge druk — hoopte ik. Als we er een zo konden tergen dat hij snel al zijn ammunitie verbruikte moest er wel een pauze komen voor hij weer opgeladen was.
    Intussen gaven Rufo en Ster hem geen rust met hun speldenkussentactiek. Hij deed verschrikkelijk zijn best om weer te ontvlammen terwijl ik snel omliep, trachtend die piepende baby draak tussen mij en de grote te houden, en hij gedroeg zich als een bijna droge Ronson; de vlam flikkerde en bleef steken, schoot een armzalige twee meter uit en doofde. Maar hij deed zo’n moeite om me met die laatste flikkering te bereiken dat hij weer omver viel.
    Ik nam het risico dat hij een paar seconden traag zou reageren zoals een man die flink getackled is, holde naar hem toe en stak mijn zwaard in zijn rechteroog.
    Hij gaf één geweldige stuiptrekking en gaf het op.
    (Een gelukkige stoot. Ze zeggen dat zulke grote dinosaurussen hersens hebben ter grootte van een kastanje. Laten we aannemen dat dit beest ze had ter grootte van een meloen — dan is het niets anders dan puur geluk als je door een oogkas steekt en meteen de hersens raakt. Niets wat we tot op dat moment gedaan hadden was meer dan muggenbeten. Maar hij stierf aan die ene stoot.)
    En Rufo schreeuwde: ‘Baas! Gauw naar huis!’
    Een slipjacht draken kwam op ons af. Het was net zo’n gevoel als bij die oefening tijdens de basisopleiding als ze je een eenmansbunker laten graven en dan een tank over je heen laten gaan.
    ‘Deze kant!’ schreeuwde ik. ‘Rufo! Deze kant, niet die kant!’
    ‘Ster! Rufo maakte glijdend halt, we zetten alledrie koers in dezelfde richting en ik zag de opening van de grot, zo zwart als de zonde en zo gastvrij als de armen van een moeder. Ster bleef achter; ik duwde haar naar binnen en Rufo struikelde achter haar aan en ik keerde me om om nog meer draken het hoofd te bieden voor mijn teerbeminde.
    Maar zij schreeuwde: ‘Heer! Omar! Naar binnen, idioot! Ik moet de bewaking inschakelen!
    Dus ging ik als de bliksem naar binnen en zij ook en ik heb haar niet eens uitgefoeterd omdat ze haar echtgenoot een idioot had genoemd.

XIII

    Het kleinste draakje volgde ons naar de grot, niet strijdlustig (hoewel ik niets vertrouw dat zulke grote tanden heeft) maar ik geloof meer zoals een jong eendje achter iedereen aanloopt. Het probeerde achter ons naar binnen te lopen, trok zich plotseling terug toen zijn snuit het onzichtbare gordijn aanraakte zoals een poesje dat getroffen wordt door een statische lading. Toen bleef hij buiten rondhangen met droevige zachte geluiden.
    Ik begon me af te vragen of Sters bewaking al of niet vlammen zou tegenhouden. Dat ontdekte ik toen er vlak daarop een oude draak verscheen, zijn kop in de ingang stak, hem verontwaardigd met een schok terugtrok net als het kleintje had gedaan, ons toen bekeek en zijn vlammenwerper inschakelde.
    Nee, de bewaking houdt geen vuur tegen.
    We bevonden ons ver genoeg naar binnen om niet geschroeid te worden, maar de rook en de stank en de hitte waren afschuwelijk en net zo dodelijk als het lang zou door gaan.
    Er zoefde een pijl langs mijn oor en die draak had verder geen belangstelling meer voor ons. Zijn plaats werd ingenomen door een andere die niet overtuigd was. Rufo, of mogelijk Ster overtuigde hem voor hij de tijd had zijn soldeerlamp aan te steken. De nevel trok op; van ergens binnen in tochtte het naar buiten.
    Intussen had Ster licht gemaakt en de draken hielden een protestvergadering. Ik wierp een blik achter me — een smalle, lage gang die afhelde en een bocht maakte. Ik besteedde geen aandacht meer aan Ster en Rufo en het interieur van de grot; er kwam weer een comité op bezoek. Ik trof de voorzitter in zijn zachte verhemelte voor hij kon oprispen. De vicevoorzitter nam zijn plaats in en legde een korte verklaring van ongeveer vijf meter af voor ook hij van gedachten veranderde. Het comité trok zich terug en brulde slechte raadgevingen tegen elkaar.
    De babydraak bleef rondhangen terwijl dit allemaal gebeurde. Toen de volwassenen zich terugtrokken kwam hij weer naar de ingang, vlak bij de plek waar hij zijn neus had gebrand. ‘Koe-wiep?’ zei hij klaaglijk. ‘Koe-wiep? Kiet!’ Het was duidelijk dat hij binnen wilde komen.
    Ster raakte mijn arm aan. ‘Als het Heer Echtgenoot behaagt, we zijn klaar.’
    ‘Kiet!
    ‘Direct,’ gaf ik toe en schreeuwde toen: ‘Smeer ‘m, kleintje. Ga naar je moeder!’
    Naast me stak Rufo zijn hoofd naar buiten. ‘Kan hij vermoedelijk niet,’ verklaarde hij. ‘Dat zal zijn moeder wel geweest zijn, die we vernietigd hebben.’
    Daar antwoordde ik niet op, omdat het logisch leek; de volwassen draak die we afgemaakt hadden was onmiddellijk wakker geworden toen ik op de staart van het kleintje trapte. Dat klinkt als moederliefde, als draken tenminste aan moederliefde doen — hoe zou ik dat moeten weten.
    Maar het is toch wel het toppunt als je niet eens een draak kunt doden zonder je daarna op je gemak te voelen.
    We liepen langs een bochtig pad die heuvel in, bukten voor stalactieten en liepen om stalagmieten heen, terwijl Rufo voorop liep met een fakkel. We arriveerden in een overwelfd vertrek, waarvan de vloer glad gepolijst was door ongekende jaren van kalkafzetting. Er waren stalactieten in pasteltinten langs de muren en er hing een prachtige, bijna symmetrische kroonluchter in het midden, maar daar stond geen stalagmiet onder. Ster en Rufo hadden op een twaalftal plaatsen in het vertrek brokken lichtgevende stopverf aangebracht, die in Nevia de gebruikelijke verlichting vormen; de kamer baadde in zacht licht, dat de stalactieten duidelijk deed uitkomen.
    Rufo liet me zien dat er spinnenwebben tussen zaten. ‘Die spinnen zijn onschadelijk,’ zei hij. ‘Alleen maar groot en lelijk. Ze bijten niet eens als een spin. Maar — pas opl’ Hij trok me terug. ‘Die dingen zijn al giftig als je ze alleen maar aanraakt. Hazelwormen. Daarom zijn we zo lang bezig geweest. We moesten er zeker van zijn dat er geen waren voor we de bewaking konden inschakelen. Maar nu Zij de bewaking aan de ingang opstelt, zal ik hier nog even goed rondkijken.’
    De zogenaamde hazelwormen waren doorschijnende, regen-boogkleurige dingen ter grootte van een grote ratelslang en slijmerig zacht als aaswormen; ik was blij dat ze dood waren. Rufo spietste ze aan zijn zwaard, een griezelige shishkebab en droeg ze naar buiten door de ingang waardoor we waren binnengekomen.
    Hij kwam snel terug en Ster voltooide de bewaking. ‘Zo is het beter,’ zei hij met een zucht toen hij zijn lemmet begon schoon te maken. ‘We moeten hun reuk niet in huis hebben. Ze ontbinden nogal vlug en dat doet me denken aan ongelooide huiden. Of aan kopra. Heb ik je wel eens verteld dat ik eens als kok op een schip Sydney verlaten heb? We hadden een tweede stuurman aan boord die nooit een bad nam en een pinguin in zijn hut hield. Een vrouwtje, natuurlijk. Die vogel was niets zindelijker dan hij en die —’
    ‘Rufo,’ zei Ster, ‘wil je met de bagage helpen?’
    ‘Ik kom al, Vrouwe.’
    We haalden er eten, slaapmatten, meer pijlen en dingen die Ster nodig had voor haar toverij of zoiets uit en veldflessen om met water te vullen, dat ook uit de vouwdoos kwam. Ster had me van te voren gewaarschuwd dat Karth-Hokesh een plaats was waar de plaatselijke chemie niet aangepast was aan menselijk leven; alles wat we aten en dronken moesten we bij ons hebben.
    Ik bekeek die literflessen met tegenzin. ‘Liefje, ik geloof dat we wel erg kleine voedsel- en waterrantsoenen meenemen.’
    Ze schudde het hoofd. ‘Meer hebben we niet nodig, echt niet.’
    ‘Lindbergh is over de Atlantische Oceaan gevlogen met alleen maar een broodje met pindakaas bij zich,’ merkte Rufo op. ‘Maar ik heb er bij hem op aangedrongen om meer mee te nemen.’
    ‘Hoe weet je dat we niet meer nodig zullen hebben?’ hield ik vol. ‘Vooral water.’
    ‘Ik vul de mijne met cognac,’ zei Rufo. ‘Als jij dan met mij deelt, deel ik met jou.’
    ‘Heer liefste, water is zwaar. Als we proberen alles tegen elke noodtoestand om ons heen te hangen, net als de Witte Ridder, zijn we te zwaar bepakt om te vechten. Ik moet toch al het uiterste vergen om er drie mensen, wapens en een minimum aan kleding doorheen te krijgen. Levende lichamen zijn het gemakkelijkst; ik kan kracht aan jullie beiden ontlenen. Dan komen materialen die geleefd hebben; ik denk dat je wel gemerkt zult hebben dat onze kleren van wol zijn, onze bogen van hout en de pezen zijn darmen. Dingen die nooit geleefd hebben zijn het moeilijkst, vooral staal, maar toch moeten we zwaarden hebben en als we nog vuurwapens hadden zou ik alles op alles zetten om ze er doorheen te krijgen, want die hebben we nu nodig. Heer Held, ik deel je dit echter alleen maar mee. Jij moet beslissen — en ik ben er zeker van dat ik, o, nog wel een halve centenaar van dode dingen kan vervoeren als het nodig is. Als jij wilt uitkiezen wat je genie je voorschrijft.’
    ‘Mijn genie is met de muziek mee. Maar, lieve Ster, er is een eenvoudig antwoord. Neem alles mee.’
    ‘Heer?’
    ‘Jocko heeft ons zo te zien een halve ton aan voedsel meegegeven en genoeg wijn om een slagschip van stapel te laten lopen. Plus een grote verscheidenheid aan Nevia’s beste gereedschappen om te doden, steken en verminkingen te veroorzaken. Zelfs bepantsering. En nog veel meer. In die vouw-doos zit genoeg om een beleg te overleven, zonder iets van Karth-Hokesh te eten of te drinken. Het mooie er van is dat het ingepakt maar ongeveer zeven kilo weegt — geen vijftig, zoals jij zei dat je er met veel moeite wel doorheen zou kunnen krijgen. Ik zal het zelf op mijn rug binden en ik zal het niet eens merken. Ik zal er niet langzamer door lopen; en het kan me behoeden voor een aanval in mijn rug. Staat je dat aan?’
    Sters gelaatsuitdrukking zou gepast hebben bij een moeder, wier kind net achter het fabeltje van de ooievaar gekomen is en zich nu afvraagt hoe ze een moeilijk onderwerp moet aanpakken. ‘Heer Echtgenoot, de massa is veel te groot. Ik betwijfel of er één heks of tovenaar bestaat die het zonder hulp in beweging zou kunnen krijgen.’
    ‘Maar ingevouwen?’
    ‘Dat verandert het niet, Heer; de massa blijft — en gevaarlijker. Denk aan een krachtige veer, die heel strak en klein is opgewonden, waardoor er veel energie in is opgenomen. Er is geweldige kracht voor nodig om een vouwdoos in zijn compacte vorm over te brengen, anders ontploft hij.’
    Ik herinnerde me een moddervulkaan die ons doorweekt had en sprak niet meer tegen. ‘Goed, ik heb ongelijk. Maar nog één vraag — als de massa altijd aanwezig blijft, waarom weegt het dan zo weinig als het ingevouwen is?’
    Ster kreeg weer dezelfde bekommerde uitdrukking. ‘Vergeef me, Heer, maar we hebben geen gemeenschappelijke taal — mathematische taal — waarin ik zou kunnen antwoorden. Nog niet, bedoel ik; ik beloof je dat je een kans krijgt om het te bestuderen als je dat wilt. Stel het je maar voor als een famme ruimtekromming. Of denk maar dat de massa zo oneindig ver weg is — in een nieuwe richting — van de zijkanten van de vouwdoos dat de plaatselijke zwaartekracht er nauwelijks vat op heeft.’
    (Ik herinnerde me dat mijn grootmoeder me eens had gevraagd haar de televisie uit te leggen — het inwendige, niet de gekke plaatjes. Er zijn dingen die niet onderwezen kunnen worden in tien korte lessen, en ook niet populair gemaakt kunnen worden voor de massa; er zijn jaren ingespannen studie voor nodig. Dat is verraad in een tijd waarin de onwetendheid weer in ere hersteld is en het oordeel van de een net zo zwaar telt als dat van de ander. Maar zo is het. Zoals Ster zegt, de wereld is wat hij is — en permitteert geen onwetendheid.)
    Maar ik was nog steeds nieuwsgierig. ‘Ster, kun je me op de een of andere manier vertellen waarom sommige dingen er gemakkelijker doorheen komen dan andere? Hout gemakkelijker dan ijzer, bijvoorbeeld?’
    Ze keek treurig. ‘Nee, omdat ik dat zelf niet weet. Toverij is geen wetenschap, het is een verzameling van manieren om dingen te doen — manieren die werken, maar we weten vaak niet waarom.’
    ‘Lijkt veel op machinebouw. Ontwerp theoretisch en zie dan maar hoe je het klaarspeelt.’
    ‘Ja, Heer Echtgenoot. Een tovenaar is een praktische, maar onwetenschappelijke ingenieur.’
    ‘En,’ bracht Rufo te berde, ‘een filosoof is een geleerde zonder praktische oogmerken. Ik ben een filosoof. Het mooiste van alle beroepen.’
    Ster negeerde hem en haalde een schetsblok te voorschijn en liet me zien wat ze wist van de grote toren waaruit we het Ei van de Feniks moesten stelen. Dat blok scheen een grote kubus van Plexiglas te zijn; het leek er op, voelde net zo aan en je liet er ook vingerafdrukken op achter. Maar ze had een lange stok die hem doorboorde alsof het blok van lucht was. Met de punt daarvan kon ze in drie dimensies tekenen; hij liet een dunne gloeiende streep achter waar ze die hebben wilde — een driedimensionaal schoolbord. Dat was geen toverij; het was vergevorderde technologie — en het zal onze methoden van bouwkundig tekenen de das omdoen zodra we het ook leren, speciaal bij ingewikkelde samenstelsels zoals vliegtuigmotoren en UHF-stroomkringen. Het blok had een ribbe van ongeveer vijfenzeventig centimeter en de tekening van binnen kon vanuit iedere hoek bekeken worden — je kon het zelfs omdraaien en het van onderen bestuderen.
    De Anderhalve Kilometer Hoge Toren was geen spits maar een massaal blok, net zoiets als die gebouwen in New York, maar geweldig veel groter.
    Van binnen was het een doolhof.
    ‘Heer Ridder,’ zei Ster verontschuldigend, ‘toen we Nice verlieten hadden we in onze bagage een uitgewerkte schets van de Toren. Nu moet ik met mijn geheugen werken. Ik heb de schets echter zo verschrikkelijk lang bestudeerd dat ik geloof dat ik de verhoudingen wel goed heb, al zullen de proporties niet helemaal kloppen. Ik ben zeker van de goede paden, de paden die naar het Ei leiden. Het is mogelijk dat de verkeerde en doodlopende paden niet zo volledig zullen zijn; die heb ik niet zo diepgaand bestudeerd.’
    ‘Ik zie niet in dat dat er wat op aan komt,’ verzekerde ik haar. ‘Als ik de goede paden ken zijn alle die ik niet ken de verkeerde. En die gebruiken we niet. Behalve om ons in uiterste nood in te verstoppen.’
    Ze tekende de goede paden in gloeiend rood, de verkeerde in groen — en er was heel wat meer groen dan rood. De vent die die toren ontworpen heeft had een kronkel in zijn hersens. Bij wat de hoofdingang scheen te zijn liep een pad naar binnen, steeg, vertakte zich en kwam weer in één punt samen, liep vlak langs het Vertrek van het Ei — daalde dan met een omweg weer af en zette je weer buiten, net als een doolhofpuzzel.
    Andere routes gingen naar binnen en lieten je verdwalen in doolhoven die niet waren op te lossen door steeds de linkerwand te volgen. Als je dat deed, zou je van honger omkomen. Zelfs de routes die in rood waren aangegeven waren bijzonder ingewikkeld. Tenzij je wist waar het Ei bewaakt werd kon je op de juiste wijze binnentreden en toch het hele jaar en de komende januari besteden aan vruchteloos zoeken.
    ‘Ster, ben jij wel eens in de Toren geweest?’
    ‘Nee, Heer. Ik ben in Karth-Hokesh geweest. Maar ver weg in de Grottenheuvels. Ik heb de Toren alleen maar van heel uit de verte gezien.’
    ‘Iemand moet er toch in geweest zijn. Je — tegenstanders — hebben je deze kaart toch zeker niet gestuurd.’
    Ze zei nuchter: ‘Heer, er zijn drieënzestig dappere mannen gestorven om de inlichtingen te verkrijgen die ik je nu aanbied.’
    (Dus dit wordt dan de vierenzestigste!) Ik zei: ‘Is er een manier om alleen de rode paden te bestuderen?’
    ‘Zeker, Heer.’ Ze raakte een schakelaar aan en de groene lijnen verdwenen. De rode paden begonnen alle drie bij een van de drie openingen, een ‘deur’ en twee ‘ramen’.
    Ik wees naar de onderste verdieping. ‘Is dit de enige van de dertig of veertig deuren die naar het Ei leidt?’
    ‘Zo is het.’
    ‘Dan zullen ze ons vlak achter die deur opwachten om ons neer te slaan.’
    ‘Dat lijkt heel waarschijnlijk, Heer.’
    ‘Hmmm...’ Ik wendde me tot Rufo. ‘Rufo, heb je ook lang, sterk, licht touw in je bagage?’
    ‘Ik heb wel wat, dat Jocko gebruikt om dingen mee op te hijsen. Net zoiets als vislijn, het breekpunt ligt ongeveer bij zevenhonderd kilo.’
    ‘Goed zo!’
    ‘Ik dacht wel dat je dat zou willen gebruiken. Is duizend meter genoeg?’
    ‘Ja. Heb je nog iets lichters?’
    ‘Wat zijden forellenlijn.’
    Binnen een uur hadden we alle voorbereidingen gemaakt die ik verzinnen kon en ik had dat doolhof net zo vast in mijn gedachten als het alfabet. ‘Ster, liefje, we zijn klaar om weg te gaan. Wil je met je toverformule op de proppen komen?’
    ‘Nee, Heer.’
    ‘Waarom niet? Het kan beter snel gebeuren.’
    ‘Omdat ik dat niet kan, mijn lieveling. Deze Poorten zijn geen gewone poorten; er is altijd de kwestie van de juiste tijd. Deze hier zal over ongeveer zeven uur gereed zijn om zich enkele minuten te openen, en kan dan gedurende meerdere weken niet geopend worden.’
    Er viel me een bittere gedachte in. ‘Als de kerels waar wij het op gemunt hebben dat weten, zullen ze toeslaan als we eruit komen.’
    ‘Dat hoop ik niet, Heer Ridder. Als het goed is, verwachten ze ons uit de Grottenheuvels te zien verschijnen, omdat ze weten dat we ergens in die heuvels een Poort hebben — en dat is ook de Poort die ik had willen gebruiken. Maar deze Poort, als ze er überhaupt van afweten, is zo slecht gesitueerd — voor ons — dat ik niet geloof dat ze denken dat we het zullen durven.’
    ‘Je kikkert me steeds meer op. Heb je nog iets bedacht dat je me kunt vertellen over hetgeen ons te wachten staat? Tanks? Cavalerie? Grote groene griezels met haar uit hun oren?’
    Ze keek bekommerd. ‘Alles wat ik zeg zou je misleiden, Heer. We kunnen aannemen dat hun manschappen eerder constructies zullen zijn dan werkelijk levende wezens... wat betekent dat ze elke vorm kunnen hebben. Ook kan alles gezichtsbedrog zijn. Heb ik je over de zwaartekracht verteld?’
    ‘Dat geloof ik niet.’
    ‘Vergeef me, ik ben moe en ik denk niet zo helder. De zwaartekracht wisselt, soms in het wilde weg. Een horizontaal vlak kan een dalende helling lijken en dan snel weer stijgen. Andere dingen... die allemaal gezichtsbedrog kunnen zijn.’
    Rufo zei: ‘Baas, als het beweegt, schiet je het neer. Als het spreekt, snijd je het de keel af. Daar heeft het meeste gezichtsbedrog niet van terug. Je hebt geen programma nodig; er is niemand anders dan wij — en alle anderen. Als je dus twijfelt, dood je het. Geen moeilijkheden.’
    Ik grinnikte tegen hem. ‘Geen moeilijkheden. Oké, we zullen ons wel zorgen maken als we er zijn. Laten we er dus maar niet meer over praten.’
    ‘Ja, Heer Echtgenoot,’ viel Ster me bij. ‘We moesten maar liever een paar uur gaan slapen.’
    Iets in haar stem was veranderd. Ik keek naar haar en ze zag er ook bijna onmerkbaar anders uit. Ze leek kleiner, zachter, vrouwelijker en meer meegaand dan de Amazone die minder dan twee uur geleden pijlen had afgeschoten op een beest dat honderd keer zo groot was als zij.
    ‘Een goed idee,’ zei ik langzaam en keek om me heen. Terwijl Ster de doolhoven van de Toren had getekend, had Rufo weer ingepakt wat we niet mee konden nemen en — dat merkte ik nu pas — één slaapzak aan een kant van de grot neergelegd en de andere twee naast elkaar zo ver mogelijk van de eerste verwijderd.
    Ik ondervroeg haar stilzwijgend door naar Rufo te kijken en mijn schouders op te halen, wat wilde zeggen: ‘Wat nu?’
    Haar beantwoordende blik zei ja noch nee. In plaats daarvan riep ze: ‘Rufo, ga naar bed en geef dat been een kans. Ga er niet op liggen. Ga op je buik liggen of met je gezicht naar de muur.’
    Voor het eerst toonde Rufo zijn afkeuring over hetgeen we gedaan hadden. Hij antwoordde kortaf, niet op hetgeen Ster had gezegd maar op hetgeen ze bedoeld had kunnen hebben: ‘Met geld toe zou ik nog niet kijken I’
    Ster zei met een stem die zo zacht klonk dat ik haar nauwelijks kon horen: ‘Vergeef hem, Heer Echtgenoot. Hij is een oude man, hij heeft zijn nukken. Als hij eenmaal in bed ligt, zal ik de lichten uitdoen.’
    Ik fluisterde: ‘Ster, mijn geliefde, toch is het niet mijn idee van het doorbrengen van je wittebroodsweken.’ Ze keek me onderzoekend aan. ‘Wil jij het zo, Heer liefste?’
    ‘Ja. Het voorschrift vereist een kroes wijn en een snee brood. Er staat nergens iets over een chaperonne. Het spijt me.’
    Ze legde een slanke hand tegen mijn borst en keek naar me op. ‘Ik ben er blij om, Heer.’
    ‘Meen je dat?’ ik begreep niet waarom ze dat zei.
    ‘Ja. We hebben allebei slaap nodig. Voor wat morgen brengen zal. Dat jouw sterke arm ons nog vele morgens brengen zal.’
    Ik voelde me prettiger en keek glimlachend op haar neer. ‘Oké, mijn prinses. Maar ik betwijfel of ik zal slapen.’
    ‘O, dat zul je zeker!’
    ‘Wedden?’
    ‘Luister naar me, Heer. Morgen... nadat je de overwinning hebt behaald... gaan we snel naar mijn huis. Geen wachten meer, geen moeilijkheden meer. Ik zou graag willen dat je mijn taal spreekt, zodat je je niet vreemd zult voelen. Ik wil dat het direct jouw huis is. Dus? Wil Heer Echtgenoot zich gereed maken om naar bed te gaan? Gaan liggen en mij hem een taalles laten geven? Je zult slapen, dat weet je best.’
    ‘Nou... het is een pracht-idee. Maar jij hebt zelfs nog meer slaap nodig dan ik.’
    ‘Neem me niet kwalijk, Heer, maar dat is niet waar. Na vier uur slaap heb ik weer een veerkrachtige gang en kan ik weer zingen.’
    ‘Nou dan...’
    Vijf minuten later lag ik uitgestrekt te staren in de mooiste ogen van alle werelden en luisterde naar haar geliefde stem die zacht tot me sprak in een taal die mij vreemd was...

XIV

    Rufo schudde me bij mijn schouder. ‘Ontbijt, Baas!’ Hij stopte me een broodje in mijn hand en een kan bier in de andere. ‘Dat is genoeg om op te vechten en de lunch is ingepakt. Ik heb schone kleren neergelegd en je wapens en ik zal je aankleden zodra je klaar bent. Maar haast je wel. Over een paar minuten moeten we opkomen.’ Hij was al gekleed en gewapend.
    Ik geeuwde en nam een hap van het broodje (ansjovis, ham en mayonaise en iets dat niet helemaal sla en tomaten was) — en keek om me heen. De plaats naast me was leeg, maar Ster scheen net opgestaan te zijn; ze was niet gekleed. Ze lag op haar knieën in het midden van het vertrek en tekende het een of andere grote patroon op de vloer.
    ‘Goedemorgen, kletskous,’ zei ik. ‘Pentagram?’
    ‘Mmm —’ antwoordde ze zonder op te kijken. Ik ging naar haar toe en bekeek haar werk. Wat het ook was, het was niet gebaseerd op een vijf-puntige ster. Het had drie hoofdpunten, was erg ingewikkeld, er stonden hier en daar aantekeningen — en ik kende de taal noch het schrift — en het enige wat ik eruit kon opmaken was dat het een vooraanzicht van een vierdimensionale kubus scheen te zijn. ‘Heb je al ontbeten, liefje?’
    ‘Ik vast vanmorgen.’
    ‘Je bent al mager. Is dat een tesseract?’
    ‘Hou op!
    Toen streek ze haar haar achterover, keek op en glimlachte treurig. ‘Het spijt me, lieveling. De heks is een kreng, dat is een feit. Maar kijk alsjeblieft niet over mijn schouder. Ik moet dit uit mijn geheugen doen; ik heb mijn boeken in het moeras verloren — en het is moeilijk. En nu geen vragen, toe, alsjeblieft. Je zou mijn zelfvertrouwen aan het wankelen kunnen brengen — en ik moet volstrekt zelfvertrouwen hebben.’
    Ik maakte een dienaar. ‘Neem me niet kwalijk, Vrouwe.’
    ‘Doe niet zo formeel tegen me, lieveling. Houd nu maar van me en geef me vlug een kus — en laat me dan met rust.’
    Dus boog ik me voorover en gaf haar een kus met hoge calorische waarde — met mayonaise — en liet haar met rust.
    Ik kleedde me terwijl ik het broodje en het bier soldaat maakte en ging toen naar een natuurlijke nis vlak bij de bewaking in de gang, die als herentoilet aangewezen was. Toen ik terugkwam stond Rufo te wachten met de riem van mijn zwaard. ‘Baas, jij zou nog te laat zijn als je opgehangen werd.’
    ‘Dat zou ik hopen.’
    Een paar minuten later stonden we op dat diagram, Ster als spil en Rufo en ik als links- en rechtsback. Hij en ik hadden van alles aan ons hangen, ik twee veldflessen en de riem van Sters zwaard (op het laatste gaatje) zowel als de mijne, Rufo droeg Sters boog over zijn schouder en twee pijlenkokers plus haar verbandtrommel en de lunch. We hadden allebei de handboog gespannen onder onze linkerarm; we hadden allebei ons zwaard getrokken. Sters maillot zat vanachteren in mijn riem als een slordige staart, haar jasje zat in Rufo’s riem gesjord terwijl haar halve laarzen en hoed in zakken zaten gepropt — enz. We leken wel een uitdragerij.
    Maar daardoor hadden Rufo en ik onze linkerhand vrij. We gingen met ons gezicht naar buiten gekeerd met getrokken zwaard staan, strekten onze linkerhand achteruit en die greep Ster stevig vast. Ze stond precies in het midden, met haar benen gespreid en stevig neergepoot. Ze was gekleed in hetgeen beroepshalve voor heksen vereist is als ze zwaar werk te doen hebben, n.1. nog geen haarspeld. Ze zag er luisterrijk uit, verward haar, schitterende ogen en verhit gezicht en ik betreurde het dat ik haar mijn rug moest toekeren.
    ‘Klaar, mijn dappere ridders?’ vroeg ze; er klonk opwinding in haar stem.
    ‘Klaar,’ verklaarde ik.
    ‘Ave, Imperatrix, nos morituri te —’
    ‘Scheid daarmee uit, Rufo! Stilte!’ Ze begon zangerig te spreken in een mij onbekende taal. De haren in mijn nek gingen overeind staan.
    Ze zweeg, kneep veel harder in onze handen en riep, ‘Nu!
    Zo plotseling als een dichtgesmeten deur bevind ik me als een Booth Tarkington-held in een Mickey Spillane-situatie.
    Ik heb niet eens tijd om te kreunen. Daar is dat ding voor me, gereed om me neer te slaan, dus ik steek mijn zwaard in zijn ingewanden en ruk het weer los terwijl hij besluit naar welke kant hij om zal vallen; dan dien ik zijn maat dezelfde dosis toe. Een ander zit neergehurkt en tracht langs de benen van zijn bendegenoten heen op mijn benen te schieten. Ik heb het zo druk als een eenarmige bever die aan het behangen is en merk nauwelijks de ruk aan mijn riem, als Ster haar zwaard terugpakt.
    Dan merk ik het wel, omdat zij de vijand doodt die me wil neerschieten. Ster is overal tegelijk, zo naakt als een kikker en twee maal zo levendig. Tijdens de overgang had ik een gevoel gehad als in een dalende lift en de plotseling verminderde zwaartekracht had vervelend kunnen zijn als we de tijd gehad hadden om er aan toe te geven.
    Ster maakt er gebruik van. Na de knaap neergestoken te hebben die trachtte me neer te schieten, zeilt ze over mijn hoofd en het hoofd van een nieuwe lastpost, steekt hem in zijn nek terwijl ze hem passeert en dan is hij geen lastpost meer.
    Ik denk dat ze Rufo te hulp komt, maar ik heb geen tijd om te kijken. Ik hoor hem achter me grommen en daardoor weet ik dat hij nog steeds meer uitdeelt dan hij incasseert.
    Plotseling gilt hij: ‘Liggen!’ en er komt iets tegen mijn kuiten aan en ik val — ik kom slap neer zoals het hoort en sta op het punt weer overeind te komen als ik besef dat Rufo er de oorzaak van is. Hij ligt op zijn buik naast me en schiet met wat een geweer moet zijn op een bewegend doel buiten op de vlakte, hij ligt zelf achter het lijk van een van onze speelgenoten. Ster ligt ook op de grond, maar ze vecht niet. Iets heeft een gat gemaakt door haar rechterarm tussen de elleboog en de schouder.
    Om me heen scheen er niets anders in leven te zijn, maar op honderdvijftig tot tweehonderd meter afstand waren doelen, die snel naderbij kwamen. Ik zag er een vallen, hoorde Zzzzt en rook bij me in de buurt verzengd vlees. Er lag een van die geweren over een lijk links van me; ik greep het en probeerde te begrijpen hoe het werkte. Het had een schouderband en een buis, die een loop zou moeten zijn; verder zag niets er bekend uit.
    ‘Zo, mijn Held.’ Ster krabbelde naar me toe met haar gewonde arm achter zich aanslepend en een spoor van bloed achterlatend. ‘Aanleggen als een geweer en zo richten. Er is een knopje onder je linkerduim. Druk daarop. Dat is alles — geen afwijking, geen elevatie.’
    En geen terugslag zoals ik ondervond toen ik een van de hollende gestalten met het vizier volgde en op het knopje drukte. Er spoot rook uit en hij viel. ‘Dodelijke straal’ of laserstraal of wat dan ook — aanleggen, op het knopje drukken en iedereen die aan de andere kant staat verlaat het feest met een brandgat.
    Ik kreeg er nog een paar te pakken, ik werkte van rechts naar links en tegen die tijd had Rufo me de doelen voor de voeten weggemaaid. Nergens bewoog zich nog iets, voor zover ik zien kon.
    Rufo keek om zich heen. ‘Blijf maar liever liggen, Baas.’ Hij rolde naar Ster, opende haar verbandtrommel aan zijn riem en bracht provisorisch en snel een kompres op haar arm aan. Toen wendde hij zich tot mij. ‘Hoe erg ben jij gewond, Baas?’
    ‘Ik? Geen schrammetje.’
    ‘Wat is dat dan op je tuniek? Ketchup? Vandaag of morgen zal iemand je licht nog eens uitblazen. Laat eens kijken.’
    Ik liet hem mijn jasje opendoen. Iemand had met een zaag een gat in mijn linkerzij onder de ribben gemaakt. Ik had het niet gemerkt en niet gevoeld — tot ik het zag en toen deed het pijn en voelde ik me misselijk. Ik keur geweld dat me aangedaan wordt ten sterkste af. Terwijl Rufo het verbond keek ik om me heen om te vermijden er naar te kijken.
    We hadden er een stuk of twaalf om ons heen gedood en nog een stuk of zes die gevlucht waren — en ik denk dat we allen gedood hadden die op de vlucht geslagen waren. Hoe? Hoe kan een hond van dertig kilo, die als wapens alleen maar zijn tanden heeft een gewapende man aanvallen, neerslaan en gevangen houden? Antw: door zich met hart en ziel voor de aanval in te zetten.
    Ik denk dat we arriveerden toen de wacht werd afgelost op de plek die bekend staat als een Poort — en als we met onze zwaarden in de schede gearriveerd waren zouden we verslagen zijn. Zoals de zaken stonden hadden we er al een hoop gedood voor de meesten wisten dat er een gevecht aan de gang was. Ze waren totaal verslagen, gedemoraliseerd, en we slachtten de rest af, met inbegrip van hen die trachten ‘m te smeren. Karate en vele serieuze vormen van gevecht (boksen is niet serieus, dat is niets dat aan regels gebonden is) — werken allemaal op dezelfde manier: alles of niets, met hart en ziel tot de aanval overgaan zonder angst. Dit zijn niet zozeer bekwaamheden als een geesteshouding.
    Ik had tijd om wijlen onze vijanden te onderzoeken; er lag er een met zijn gezicht naar me toe met zijn buik open. ‘Igli’s’ zou ik ze willen noemen, maar dan het goedkope model. Geen schoonheid en geen navels en niet veel hersens — vermoedelijk geconstrueerd om één ding te doen: vechten en trachten in leven te blijven. Wat ook een beschrijving van ons is — maar wij deden het sneller.
    Ik werd misselijk van naar ze te kijken dus keek ik naar de lucht. Geen verbetering — het was geen fatsoenlijke lucht en ik kon hem maar niet scherp krijgen. Hij krioelde en de kleuren waren verkeerd, ze vloekten als sommige abstracte schilderijen. Ik keek weer naar onze slachtoffers, die er bijna plezierig uitzagen vergeleken bij die ‘lucht’.
    Terwijl Rufo mij behandelde sjorde Ster zich in haar maillot en trok haar laarzen aan. ‘Kan ik rechtop gaan zitten om mijn jasje aan te trekken?’ vroeg ze.
    ‘Nee,’ zei ik. ‘Misschien denken ze dat we dood zijn.’ Rufo en ik hielpen haar zich verder aan te kleden zonder dat een van ons boven de barrikade van lijken uit kwam. Ik ben er zeker van dat we haar arm pijn deden maar ze zei alleen maar: ‘Bevestig mijn zwaard voor mijn linkerhand. Wat nu, Omar?’
    ‘Waar zijn de kousenbanden?’
    ‘Die heb ik. Maar ik ben er niet zeker van dat ze zullen werken. Dit is een zeer merkwaardige plaats.’
    ‘Zelfvertrouwen,’ zei ik tegen haar. ‘Dat heb je een paar minuten geleden tegen mij gezegd. Laat die hersentjes van je geloven dat je het doen kunt.’ We stelden ons en onze bagage, die nu vermeerderd was met drie ‘geweren’ plus vuistwapens van hetzelfde soort, op en richtten toen de eikenhouten pijl op de Anderhalve-Kilometer Hoge Toren. Die overheerste een hele kant van het landschap, het was meer een berg dan een gebouw, zwart en monsterachtig.
    ‘Klaar?’ vroeg Ster. ‘Nu moeten jullie beiden ook geloven!’ Ze krabbelde met haar vinger in het zand. ‘Vooruit!’
    We gingen. Toen we eenmaal in de lucht waren realiseerde ik me wat een open doel we vormden — maar op de grond vormden we ook een doel voor iedereen die in de toren zat en als we waren gaan lopen was het nog erger geweest.
    ‘Vlugger!’ schreeuwde ik Ster in het oor. ‘Zorg dat we sneller gaan!’
    Dat gebeurde. De wind snerpte langs onze oren en we steigerden en doken en slipten terwijl we over die wisselingen in de zwaartekracht vlogen, waar Ster me voor gewaarschuwd had — en misschien was dat onze redding; we vormden een zigzaggend doel. Maar als we de hele wacht te pakken hadden gekregen was het mogelijk dat niemand in de Toren wist dat we er waren.
    De grond onder ons was grijs-zwarte woestijn omgeven door een ringmuur van bergen net als een maankrater, en de Toren nam de plaats in van de bergtop in de krater. Ik waagde nog een blik naar de lucht en trachtte het te begrijpen. Geen zon. Geen sterren. Geen zwarte of blauwe lucht — het licht kwam overal vandaan en de lucht bestond uit strepen en kokende vormen en schaduwgaten in alle kleuren.
    ‘Wat is dit in Godsnaam voor een planeet?’ vroeg ik.
    ‘Het is geen planeet,’ schreeuwde ze terug. ‘Het is een plaats in een ander soort universum. Het is ongeschikt voor bewoning.’
    ‘Toch woont er iemand.’ Ik wees op de Toren.
    ‘Nee, nee, daar woont niemand. Dat is alleen gebouwd om het Ei te bewaken.’
    De monsterachtigheid van dat denkbeeld drong toen niet direct tot me door. Ik herinnerde me plotseling dat we hier niets durfden te eten of te drinken — en begon me af te vragen of we de lucht wel konden inademen als het hier allemaal zo giftig was. Mijn borst voelde beklemd en begon te branden. Dus vroeg ik er Ster naar en Rufo begon te kreunen. (Een beetje kreunen kwam hem wel toe; hij had niet overgegeven. Ik geloof tenminste van niet.)
    ‘O, minstens twaalf uur,’ zei ze. ‘Denk er maar niet aan. Het is van geen belang.’
    Waarop mijn borst echt pijn ging doen en ik ook kreunde.
    Vlak daarop werden we op de top van de Toren neergezet; Ster kon amper op tijd ‘Amech!’ uitbrengen om er niet voorbij te vliegen.
    De top was vlak, scheen uit zwart glas te bestaan en was ongeveer tweehonderd meter in het vierkant — en er was helemaal niets om een touw aan te bevestigen. Ik had minstens op een ventilatiepijp gerekend.
    Het Ei van de Feniks bevond zich op ongeveer honderd meter recht naar beneden. Ik had twee plannen bedacht voor als we ooit de Toren bereikten. Er waren drie openingen (uit honderden) die met goede paden naar het Ei leidden — en naar de Nooit-Geborene, de Zielenverslinder, de M.P. die het bewaakte. Een was er op de begane grond en die nam ik helemaal niet in aanmerking. Een tweede was een honderd meter van de grond af en daar had ik ernstig over gedacht: een pijl afschieten met een dunne lijn er aan zodat het touw over een uitsteeksel boven dat gat terecht kwam; dan dat gebruiken om het sterke touw daar te krijgen en dan langs het touw omhoog-geen moeilijkheid voor een kampioen alpinist, wat ik niet, maar Rufo wel was.
    Maar de grote Toren bleek geen uitsteeksels te hebben, echt moderne eenvoud van ontwerp — te ver doorgevoerd. Het derde plan was ons, als we de top konden bereiken, aan een touw neer te laten naar de derde geen-namaak-ingang die zich bijna ter hoogte van het Ei bevond. Dus daar waren we dan, alles in orde — en niets om iets aan vast te binden.
    Gedachten achteraf zijn geweldig — waarom had ik Ster ons niet recht in dat gat in de muur laten vliegen?
    Nou, die gekke pijl had wel erg fijn ingesteld moeten zijn; we hadden in het verkeerde gat terecht kunnen komen. Maar het belangrijkste was dat ik er niet aan gedacht had.
    Ster zat haar gewonde arm te verzorgen. Ik zei: ‘Liefje, kun je ons langzaam en voorzichtig een paar verdiepingen lager vliegen, naar dat gat dat we hebben moeten?’
    Ze keek met een betrokken gezicht op. ‘Nee.’
    ‘O. Dat is jammer.’
    ‘Ik vind het naar om het je te zeggen — maar op die snelle vlucht zijn de kousenbanden doorgebrand. Die deugen nergens voor voor ik ze weer kan opladen. Geen dingen die ik hier kan krijgen. Groene bijvoet, hazenbloed — dat soort dingen.’
    ‘Baas,’ zei Rufo, ‘als we nu eens de hele top van de Toren als paal gebruikten om het touw aan te binden?’ ‘Hoe bedoel je dat?’
    ‘We hebben een heleboel touw.’
    Het was een bruikbaar idee — met het touw om de hele Toren heenlopen terwijl iemand anders het bittere einde vasthield, het dan aan elkaar binden en afdalen langs wat er overbleef. Dat deden we — en we kwamen maar een meter of dertig tekort terwijl het een touw van duizend meter was.
    Ster zat naar ons te kijken. Toen ik moest toegeven dat dertig meter te kort net zo beroerd was als helemaal geen touw zei ze nadenkend: ‘Ik vraag me af of Aarons Staf zou helpen?’
    ‘Vast wel, als hij boven op deze uit zijn krachten gegroeide pingpong tafel stond. Wat is Aarons Staf?’
    ‘Die maakt stijve dingen slap en slappe dingen stijf. Nee, nee, dat niet. Nou ja, dat ook, maar wat ik bedoel is dit touw over het dak leggen en het aan de andere kant een meter of drie laten afhangen. Dan dat eind en het stuk wat er overheen ligt zo hard als staal maken — een soort haak.’
    ‘Kun je dat?’
    ‘Ik weet het niet. Het is uit de Sleutel van Salomo en het is een toverformule. Het hangt ervan af of ik me die kan herinneren — en of zulke dingen werken in dit universum.’
    ‘Zelfvertrouwen! Zelfvertrouwen! Natuurlijk kun je het.’
    ‘Ik weet niet eens meer hoe het begint. Lieveling, kun je hypnotiseren? Rufo kan het niet — mij althans niet.’
    ‘Ik weet er niets van af.’
    ‘Je moet precies doen wat ik met jou doe voor een taalles. Me in de ogen kijken, zacht spreken en me zeggen dat ik me de woorden moet herinneren. Misschien is het beter dat je eerst het touw klaar legt.’
    Dat deden we en ik gebruikte dertig meter in plaats van drie voor de ankerlip van de haak, volgens het meer-is-beter-principe. Ster ging achterover liggen en ik begon tegen haar te praten, zachtjes (en zonder overtuiging), maar steeds weer hetzelfde.
    Ster sloot haar ogen en scheen te slapen. Plotseling begon ze in een vreemde taal te mompelen.
    ‘Hé, Baas! Het verdomde ding is zo hard als een steen en zo stijf als een hark!’
    Ik zei tegen Ster dat ze moest ontwaken en we gleden zo snel mogelijk naar een lagere verdieping, biddend dat het touw niet ineens slap zou worden. We verplaatsten het touw niet; ik liet Ster gewoon nog een stuk stijf laten worden, toen daalde ik af, overtuigde me ervan dat we de goede opening te pakken hadden, drie rijen naar beneden en veertien opzij, toen gleed Ster naar beneden en ik ving haar in mijn armen op; Rufo liet de bagage, voornamelijk wapens, zakken en volgde. We waren in de Toren en we waren nog niet langer op de planeet — correctie: de ‘plaats’ — nog niet langer op de plaats genaamd Karth-Hokesh geweest dan veertig minuten.
    Ik bleef staan, vergeleek het gebouw in gedachten met de schetsblok-kaart, stelde de richting en de ligging van het Ei vast en de ‘rode streep’ route, het goede pad er naar toe.
    Oké, een paar honderd meter naar binnen, het Ei van de Feniks gappen en wegwezen! Mijn borst deed geen pijn meer.

XV

    ‘Baas,’ zei Rufo, ‘kijk eens over de vlakte.’
    ‘Waarnaar?’
    ‘Naar niets,’ antwoordde hij. ‘Die lijken zijn verdwenen. Die zou je vast en zeker moeten kunnen zien tegen dat zwarte zand, terwijl er nog geen struik in je gezichtsveld staat.’
    Ik keek niet. ‘Dat is een probleem voor iemand anders, verdomme. Wij hebben wel wat anders te doen. Ster, kun je schieten met je linkerhand? Eén van die pistool-gevallen?’
    ‘Jazeker, Heer.’
    ‘Jij blijft drie meter achter me en schiet op alles wat zich beweegt. Rufo, jij volgt Ster met je boog paraat en een pijl erop. Mik op alles wat je ziet. Hang een van die geweren aan je schouder — maak een lus van een stuk touw.’ Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘We zullen het meeste van dit spul moeten achterlaten. Ster, jij kunt geen boog spannen, laat die dus achter, als is hij ook nog zo mooi en je pijlenkoker ook. Rufo kan mijn koker bij de zijne hangen; we gebruiken dezelfde pijlen. Ik vind het beroerd om mijn boog achter te laten, ik ben er zo aan gewend. Maar het moet. Verdomme.’
    ‘Ik zal hem wel dragen, mijn Held.’
    ‘Nee, alle rommel die we niet gebruiken kunnen moeten we afdanken.’ Ik maakte mijn veldfles los, nam een flinke slok en gaf hem door. ‘Maken jullie hem leeg en gooi hem weg.’ Terwijl Rufo dronk, hing Ster mijn boog om. ‘Heer Echtgenoot? Op deze manier weegt hij niets en zit hij de arm waarmee ik schiet niet in de weg. Dus?’
    ‘Nou ja — als je er last van krijgt, snij het koord dan door en vergeet hem verder. Drink volop en dan gaan we.’ Ik tuurde door de gang waarin we ons bevonden — vijf meter breed en net zo hoog, nergens vandaan verlicht en een bocht naar rechts makend, wat overeenkwam met het beeld in mijn gedachten. ‘Klaar? Dicht bij elkaar blijven. Als we het niet kapot kunnen snijden, het neerschieten of met een pijl afmaken, zullen we het begroeten.’ Ik trok mijn zwaard en we gingen in een snel marstempo op weg.
    Waarom mijn zwaard en niet een van die dodelijke straalgeweren? Ster had er daar een van en wist er veel meer van af dan ik. Ik wist niet eens hoe je kon zien dat het geladen was, en ik kon ook niet beoordelen hoe lang je op die knop moest drukken. Zij kon schieten, dat bewees haar boogschutterskunst en ze was in het gevecht minstens zo kalm als Rufo of ik.
    Ik had de wapens en de manschappen ingedeeld zo goed ik kon. Rufo, in de achterhoede met een voorraad pijlen, kon ze gebruiken als dat nodig was en zijn positie gaf hem de tijd om over te gaan of tot zijn zwaard of het Buck Rogersgeweer als hij dat nodig oordeelde — en dat hoefde ik hem heus niet te vertellen; hij zou het echt wel doen.
    Dus ik werd bijgestaan door antieke zowel als ultramoderne wapens op de lange afstand, in handen van mensen die wisten hoe ze te gebruiken en het passende temperament bezaten — dat laatste was het belangrijkste. (Weet je hoeveel mannen in een peloton werkelijk schieten tijdens een gevecht? Misschien zes. Vermoedelijk maar drie. De rest verstijft.)
    Maar toch, waarom stak ik mijn zwaard niet in de schede en gebruikte ik niet een van die wonderwapens? Een juist uitgebalanceerd zwaard is het meest veelzijdige wapen voor een handgemeen dat ooit uitgevonden is. Pistolen en geweren zijn allemaal offensief, niet defensief; als je hem snel benadert kan een man met een geweer niet schieten, hij moet je tegenhouden voor je hem bereikt. Benader een man met een lemmet in zijn hand en je wordt gespietst als een kip aan het spit — tenzij je ook een lemmet hebt en het beter kunt gebruiken dan hij.
    Een zwaard blijft nooit steken, hoeft nooit opnieuw geladen te worden, staat altijd klaar. De grootste tekortkoming is dat het grote vaardigheid vereist en geduldige, liefdevolle oefening om die vaardigheid te bereiken; je kunt het ongeoefende rekruten niet in een paar weken leren, niet eens in een paar maanden.
    Maar voor alles (en dat was de ware reden) gaf de greep van Vrouwe Vivamus en het voelen van haar verlangen om toe te bijten me moed als mijn mond droog was van angst.
    Ze (wie ‘ze’ ook mochten zijn) konden ons uit een hinderlaag beschieten, ons vergassen, booby-traps voor ons leggen, van alles. Maar dat konden ze allemaal ook als ik een van die vreemde geweren droeg. Met het zwaard in de hand voelde ik me ontspannen en onbevreesd — en dat was veiliger voor mijn kleine ‘onderdeel’. Als een bevelvoerend officier een konijnenpootje nodig heeft, dan moet hij dat bij zich dragen — en de greep van dat zoete zwaard hielp veel beter dan alle konijnenpootjes in Kansas.
    De gang strekte zich voor ons uit, zonder onderbreking, zonder geluid, zonder bedreiging. Spoedig zou de opening naar de buitenwereld niet meer te zien zijn. De grote Toren voelde leeg aan, maar niet levenloos; hij leefde zoals een museum ’s nachts leeft, vol met geesten en oud kwaad. Ik greep mijn zwaard stevig vast, ontspande me toen bewust en boog mijn vingers.
    We kwamen bij een scherpe bocht naar links. Ik bleef plotseling staan. ‘Ster, dit stond niet op je kaart.’ Ze antwoordde niet. Ik hield vol: ‘Nou, het stond er niet op. Of wel?’
    ‘Ik ben er niet zeker van, Heer.’
    ‘Nou, ik wel. Hmm —’
    ‘Baas,’ zei Rufo, ‘ben je er absoluut van overtuigd dat we door het goede gat zijn binnengekomen?’
    ‘Ik ben ervan overtuigd. Ik kan ongelijk hebben, maar ik ben ervan overtuigd — en als ik ongelijk heb zijn we toch ten dode opgeschreven. Mmm — Rufo, pak je boog, zet je hoed erop en steek hem om die hoek waar een staande man om de hoek zou kijken — en doe het op het moment dat ik om de hoek kijk, maar lager.’
    Ik ging op mijn buik liggen.
    ‘Klaar... nu!’ Ik keek heimelijk om de hoek op vijftien centimeter boven de vloer terwijl Rufo hoger probeerde vuur te trekken.
    Niets te zien, alleen de lege gang, die nu weer recht was.
    ‘Oké, volg me!’ We liepen haastig de hoek om. Na enkele passen bleef ik staan. ‘Wat is er verdorie aan de hand?’
    ‘Gaat er iets verkeerd, Baas?’
    ‘Een heleboel.’ Ik keerde me om en snoof. ‘Zo fout als het maar kan. Het Ei is daarboven,’ zei ik wijzend, ‘op misschien tweehonderd meter afstand — volgens die schetsblok-kaart.’
    ‘Is dat niet goed?’
    ‘Ik ben er niet zeker van. Want het bevond zich in dezelfde richting en onder dezelfde hoek, naar links, vóór we die hoek omgingen. Dus nu zou het rechts moeten zijn.’
    Rufo zei: ‘Kijk eens, Baas, waarom volg je niet gewoon de gangen die je uit je hoofd geleerd hebt? Misschien herinner je je niet ieder klein —’
    ‘Hou op. Kijk jij vooruit, de gang langs. Ster ga daar op de hoek staan en kijk naar me. Ik ga iets proberen.’
    Ze namen hun plaatsen in, Rufo ‘gericht’ en Ster waar ze beide kanten op kon kijken, bij de rechte hoek. Ik liep terug naar het eerste gedeelte van de gang en keerde me toen om. Vlak bij de hoek deed ik mijn ogen dicht en liep door. Na een twaalftal passen bleef ik staan en deed mijn ogen open. ‘Dat bewijst het,’ zei ik tegen Rufo.
    ‘Wat bewijst het?’
    ‘Die gang maakt geen hoek.’ Ik wees naar de hoek.
    Rufo zag er bekommerd uit. ‘Baas, hoe voel je je?’ Hij trachtte mijn wang te voelen.
    Ik trok me terug. ‘Ik heb geen koorts. Gaan jullie allebei met me mee.’ Ik nam ze mee terug de hoek om, liep nog een vijftien meter en bleef toen staan. ‘Rufo, schiet een pijl naar de muur tegenover ons bij de hoek. Richt hem zo dat hij de muur op een hoogte van drie meter raakt.’
    Rufo zuchtte, maar deed het. De pijl verhief zich en verdween in de muur. Rufo haalde zijn schouders op. ‘Moet daarboven nogal zacht zijn. Je bent een pijl kwijt, Baas.’
    ‘Misschien. Neem je plaatsen in en volg me.’ We gingen weer die hoek om en daar lag de gebruikte pijl iets verder op de vloer dan de afstand tussen het afvuren en de hoek. Ik liet Rufo hem oprapen; hij tuurde naar het zegel van de Doral bij de pluim en stopte hem terug in zijn koker. Hij zei niets. We liepen verder.
    We bereikten een plek waar treden naar beneden leidden — maar waar de kaart in mijn gedachten opgaande treden vereiste. ‘Pas op de eerste tree,’ riep ik achterom. ‘Voel er met je voet naar en val niet.’
    De treden voelden normaal aan voor neergaande treden — behalve dat mijn richtingknobbel me vertelde dat we klommen, en onze plaats van bestemming wijzigde dienovereenkomstig van hoek en afstand. Ik sloot mijn ogen om snel een proef te nemen en merkte dat ik inderdaad klom, alleen werden mijn ogen misleid. Het was net een van die ‘scheve huizen’ in lunaparken waarin een ‘horizontale’ vloer allesbehalve horizontaal is — net zo, maar dan tot de nde macht.
    Ik trok de nauwkeurigheid van Sters kaart niet meer in twijfel en volgde het pad in mijn gedachten, wat mijn ogen me ook vertelden. Toen de gang zich in vieren splitste, terwijl mijn geheugen slechts een tweesprong toonde, waarvan een tak dood liep, sloot ik zonder aarzelen mijn ogen en volgde mijn neus — en het Ei bleef waar het in mijn gedachten hoorde.
    Maar het Ei kwam niet noodzakelijkerwijs met iedere bocht en hoek dichterbij behalve in die zin dat een rechte lijn niet de kortste afstand tussen twee punten vormt — is dat wel ooit zo? Het pad kronkelde als ingewanden; de architect had een krakeling als liniaal gebruikt. Wat nog erger was, toen we een trap ‘opklommen’ — op een stuk dat volgens de kaart horizontaal was — kreeg een anomalie van de zwaartekracht ons met een hoek van honderdtachtig graden te pakken en gleden we plotseling over het plafond.
    Er werd geen schade aangericht, behalve dat het weer van richting veranderde toen we op de grond terecht kwamen en ons van het plafond op de vloer gooide. Zorgvuldig rondkijkend hielp ik Rufo met het verzamelen van zijn pijlen en we gingen weer verder. We kwamen nu dicht bij het hol van de Nooit-Geborene — en het Ei.
    De gangen begonnen smal en steenachtig te worden, de verkeerde nepbochten werden krap en moeilijk te nemen — en het werd donkerder.
    Dat was nog niet het ergste. Ik ben niet bang van het donker en van beklemmende plaatsen; er is een lift in een warenhuis tijdens de uitverkoop voor nodig om mij claustrofobie te geven. Maar ik begon ratten te horen.
    Ratten, een heleboel ratten, hollend en piepend in de muren om ons, onder ons, en boven ons. Ik begon te zweten en betreurde het dat ik zoveel water had gedronken. De duisternis en het benauwende werden erger, tot we door een ruwe tunnel in de rotsen kropen, toen schoven we centimeter voor centimeter vooruit op onze buik in volkomen duisternis alsof we door een tunnel Château d’If ontvluchtten... en de ratten liepen nu piepend en met hun tanden klapperend rakelings langs ons heen.
    Nee, ik gilde niet. Ster kroop achter me en zij gilde niet en klaagde niet over haar gewonde arm — dus ik kon niet gillen. Iedere keer dat ze iets vooruit kwam, klopte ze me op mijn voet om me te vertellen dat alles met haar in orde was en te rapporteren dat Rufo ook in orde was. We verspilden onze krachten niet met praten.
    Ik zag iets vaags, twee spookachtige lichten voor me uit en ik bleef liggen en staarde ernaar en knipperde met mijn ogen en staarde weer. Toen fluisterde ik tegen Ster: ‘Ik zie iets. Verroer je niet, terwijl ik verder ga om te kijken wat het is. Hoor je me?’
    ‘Ja, Heer Held.’
    ‘Zeg het ook tegen Rufo.’
    Toen deed ik het enige werkelijk moedige dat ik ooit van mijn leven heb gedaan: ik kroop verder. Moed houdt zich op de een of andere manier staande, ook als je zo doodsbang bent dat je sluitspier het niet meer houdt en je geen adem kunt halen en je hart dreigt stil te staan en dat is een exacte beschrijving van dat gewichtige ogenblik voor ex-Soldaat Eerste Klas E.C. Gordon, held van beroep. Ik was er zo goed als zeker van wat die twee flauwe lichten waren en hoe dichter ik erbij kwam hoe zekerder ik ervan werd — ik kon het vervloekte ding ruiken en zijn omtrekken onderscheiden.
    Een rat. Niet de gewone rat die in achterbuurten van steden leeft en soms aan baby’s knabbelt, maar een reuzenrat, groot genoeg om dat rattenhol te blokkeren, maar zoveel kleiner dan ik dat hij ruimte had om zich te bewegen als hij me aanviel — ruimte die ik helemaal niet had. Het beste wat ik kon doen was naar voren te friemelen met mijn zwaard voor me uit en te trachten de punt zo te houden dat ik hem ermee kon raken, hem staal kon laten proeven — want als hij die punt kon ontwijken zou ik niets anders hebben dan mijn blote handen en geen ruimte om ze te gebruiken. Dan zou hij me in mijn gezicht vliegen.
    Ik slikte zuur speeksel door en ging voetje voor voetje verder. Zijn ogen daalden iets alsof hij in elkaar kromp voor de aanval.
    Maar er kwam geen aanval. De lichten werden duidelijker en kwamen verder van elkaar te staan en toen ik nog een halve meter verder drong besefte ik met bevende opluchting dat het geen rattenogen waren, maar iets anders — wat dan ook, het kon me niet schelen wat.
    Ik bleef voetje voor voetje verdergaan. Niet alleen bevond het Ei zich in die richting, maar ik wist nog steeds niet wat dit was en dat moest ik toch weten voor ik Ster verder liet gaan.
    De ‘ogen’ waren twee speldenprikken in een tapijt dat voor de uitgang van dat rattenhol hing. Ik kon het geborduurde weefsel zien en ik merkte dat ik door een van de slijtgaten heen kon kijken toen ik er dichterbij kwam.
    Daar achter lag een grote kamer, de vloer bijna een meter lager dan waar ik me bevond. Aan de andere kant, vijftien meter van me verwijderd, stond een man bij een bank een boek te lezen. Terwijl ik naar hem keek sloeg hij zijn ogen op en wierp een blik in mijn richting. Hij scheen te aarzelen. Ik niet. Het gat was zoveel breder geworden, dat ik erin slaagde een voet onder me te krijgen en ik sprong vooruit met mijn zwaard terwijl ik het gobelin opzijzwaaide. Ik struikelde en kwam in gevechtshouding op mijn voeten terecht.
    Hij was minstens zo snel. Hij had het boek op de bank gesmeten en zelf ook zijn zwaard getrokken en kwam op me toe, terwijl ik uit dat gat sprong. Hij bleef staan met gebogen knieën, rechte pols, linkerarm achteruit, de punt van zijn zwaard naar me toe als een volmaakte schermmeester en bekeek me. Er was nog een ruimte van een meter of meer tussen onze zwaarden.
    Ik viel hem niet aan. Er is een alles-of-niets tactiek, die door de beste schermmeesters wordt onderwezen, die bestaat uit een onstuimige nadering met arm, pols en lemmet zo ver mogelijk uitgestrekt — alleen maar aanval en geen poging om te pareren. Maar die werkt alleen door volmaakt te timen wanneer je tegenstander een ogenblik verslapt. Anders is het zelfmoord.
    Deze keer zou het zelfmoord geweest zijn; hij was zo paraat als een kater met een gekromde rug. Dus taxeerde ik hem terwijl hij mij opnam. Hij was een nogal kleine, nette man met armen die lang waren voor zijn grootte — ik zou al of niet verder kunnen reiken dan hij, vooral omdat zijn rapier van een ouder model was, langer dan Vrouwe Vivamus (maar daardoor langzamer, tenzij hij een veel sterkere pols had) — en hij was meer gekleed voor het Parijs van Richelieu dan voor Karth-Hokesh. Nee, dat is niet eerlijk; de grote zwarte Toren kende geen mode, anders zou ik met mijn namaak Robin Hood uitrusting net zo uit de mode geweest zijn. De Igli’s die we gedood hadden hadden geen kleren gedragen.
    Hij was een lelijk eigenwijs mannetje met een vrolijke grijns en de grootste neus ten westen van Jimmy Durante — hij deed me denken aan de neus van mijn eerste sergeant, die was altijd op zijn teentjes getrapt als hij ‘Kokkerd’ werd genoemd. Maar daar hield de gelijkenis op; mijn eerste sergeant glimlachte nooit en had gemene varkensoogjes; deze man had vrolijke, trotse ogen.
    ‘Ben je Christen?’ vroeg hij.
    ‘Wat heb jij daarmee te maken?’
    ‘Niets. Bloed is bloed, hoe dan ook. Als je Christen bent, biecht dan. Als je heiden bent, roep je valse goden dan aan. Ik sta je niet meer dan drie strofen toe. Maar ik ben sentimenteel, ik weet graag wie ik dood.’
    ‘Ik ben Amerikaan.’
    ‘Is dat een land? Of een ziekte? En wat doe je in Hoax?’
    ‘ ‘Hoax’? Hokesh?’
    Hij haalde zijn schouders alleen met zijn ogen op, de punt van zijn zwaard bewoog niet. ‘Hoax, Hokesh — een kwestie van aardrijkskunde en accent; dit kasteel heeft eens in de Karpathen gestaan, dus zal het Hokesh heten als je dan vrolijker sterft. Komaan, laten we zingen.’ Hij naderde zo snel en glad dat hij voor me scheen te materialiseren, en onze lemmets klonken tegen elkaar terwijl ik zijn aanval pareerde in de zesde positie en terugstootte, opgevangen werd — remise, reprise, stoot en val aan — de frasering verliep zo glad en duurde zo lang en met zoveel variaties dat een toeschouwer gedacht zou kunnen hebben dat we een Groot Saluut maakten.
    Maar ik wist wel beter! Die eerste uitval was bedoeld om me te doden en dat was de bedoeling van ieder van zijn zetten tijdens de frasering. Tegelijkertijd taxeerde hij me, beproefde mijn pols, keek uit naar zwakheden, of ik bang was voor een lage aanval en altijd weer hoog terugstootte of dat ik speelde op ontwapening, ik deed geen enkele uitval, ik kreeg er geen enkele maal de kans voor; ieder onderdeel van de frasering werd me opgelegd, ik pareerde alleen maar, trachtend in leven te blijven.
    Ik wist binnen drie seconden dat ik een beter schermer tegenover me had dan ik ben, met een pols van staal maar toch zo lenig als een slang in de aanval. Hij was de enige schermer die ik ooit ontmoet heb die de eerste en achtste positie gebruikte — gebruikte bedoel ik, net zo lief als de zesde en de vierde. Iedereen leert ze en mijn eigen leermeester liet ze me net zoveel oefenen als de andere zes — maar de meeste schermers gebruiken ze niet; ze kunnen er wel toe gedwongen worden, onhandig en vlak voordat ze een punt verliezen.
    Ik zou geen punt, maar mijn leven verliezen — en ik wist, lang voor het einde van die eerste lange frasering dat het tien tegen één mijn leven was dat ik op het punt stond te verliezen.
    En toch begon die idioot bij het eerste gekletter te zingen!
‘Uitval, een ridder waardig,
‘Bezing me de logica van het staal,
‘Heer, gij spreekt toch ook die taal?
‘Heer, gij zijt werkelijk vaardig,
‘Die logica staat al eeuwen bekend als rechtvaardig.
‘Zullen we betogen zoals het moet
‘In strofen zo helder als blauwe luchten?
‘Zeg me, Heer, hoor ik U zuchten?
‘Tu es fatigui, sans doute?
‘Slaap maar, dan tel ik de poet.’

    Het bovenstaande was lang genoeg voor minstens dertig bijna geslaagde pogingen om me te doden en bij het laatste woord bevrijdde hij zich net zo glad en onverwacht als hij tot de aanval was overgegaan.
    ‘Kom, kom, knaap!’ zei hij. ‘Doe mee! Wou je me alleen laten zingen? Wou je sterven als een pias terwijl er dames toekijken? Zing! — en neem op elegante wijze afscheid, waarbij je laatste rijm je doodsgereutel evenaart.’ Hij stampte met zijn rechterlaars een flamencopas. ‘Probeer het! De prijs is toch hetzelfde.’
    Ik sloeg mijn ogen niet neer bij het geluid van zijn laars; het is een oud foefje, sommige schermers stampen bij iedere aanval, iedere schijnaanval, met de kans dat het lawaai zijn tegenstander zal doen schrikken, hem uit zijn evenwicht brengt of hem terug doet trekken, wat de ander dan een punt opbrengt. Daar was ik voor de laatste keer ingetrapt nog voor ik me begon te scheren.
    Maar zijn woorden brachten me op een idee. Zijn uitvallen waren kort — volledig uitstrekken is mooidoenerij voor schermdegens, veel te gevaarlijk voor het werk in ernst.
    Maar ik had me langzaam teruggetrokken met mijn rug tegen de muur. Weldra, als hij weer tot de aanval overging, zou ik een tegen die muur geprikte vlinder zijn of struikelen over iets wat ik niet zag, ondersteboven rollen en gespietst worden als papier in een park. Ik durfde die muur achter me niet te verlaten.
    Wat het ergste was, Ster kon nu elk ogenblik uit dat rattenhol achter me tevoorschijn komen en zou gedood kunnen worden terwijl ze opdook, zelfs als ik erin slaagde hem op hetzelfde ogenblik te doden. Maar als ik hem andersom kon dwingen — mijn geliefde was een praktische vrouw; geen ‘sportiviteit’ zou haar stalen lemmet uit zijn rug houden.
    Maar de gelukkige inval was dat als ik hem volgde in zijn waanzin, trachtte te rijmen en te zingen, hij me aan de gang zou houden, geamuseerd om te zien wat ik kon presteren voor hij me doodde.
    Maar ik kon me niet veroorloven er te lang over te doen. Zonder dat ik het gevoeld had, had hij me in mijn onderarm geprikt. Niets dan een bloedige schram die Ster in een kwestie van minuten kon helen — maar het zou spoedig mijn pols verzwakken en ik kwam erdoor in het nadeel voor de lagere stoten. Bloed maakt je greep glibberig.
    ‘Eerste strofe,’ kondigde ik aan, terwijl ik vooruit sprong en nauwelijks tot de aanval overging, floret-à-floret. Dat respecteerde hij, viel niet aan, speelde met de punt van mijn lemmet, kleine tegenstoten en parerend zo licht als een veertje. Zo wilde ik het hebben, ik begon in een cirkel te bewegen terwijl ik begon te reciteren — en hij liet me mijn gang gaan:
‘Jan Klaassen en Katrijn
‘Die gingen koeien stelen
‘Toen zei Jan Klaassen tegen Trien
‘Daar valt wat mee te stellen.’

    ‘Kom, kom, ouwe jongen!’ zei hij berispend. ‘Niet stelen. Eerlijk duurt te lang. En het rijm en de scandering gaan kreupel. Laat je lied dansend over je lippen komen.’
    ‘Ik zal het proberen,’ stemde ik toe, me nog steeds op de juiste manier bewegend. ‘Tweede strofe —
‘Ik zing van twee vrouwtjes uit Zwammerdam,
‘Zal ik vertellen wat hun overkwam?’ —

    en ik viel hem aan.
    Het ging niet helemaal op. Hij was, zoals ik gehoopt had, een heel klein beetje verslapt, kennelijk verwachtend dat ik voort zou gaan met schijnaanvallen, elkaar alleen met de punten rakend, terwijl ik reciteerde.
    Ik had hem nauwelijks overrompeld maar hij week niet terug, maar pareerde sterk en plotseling bevonden we ons in een onhoudbare toestand, corps-à-corps, forte-à-forte, bijna tête-à-tète.
    Hij lachte me in mijn gezicht uit en sprong tegelijk met mij achteruit, zodat we weer en garde stonden. Maar ik voegde er iets aan toe. We hadden alleen met de punt van het zwaard geschermd. De punt is sterker dan de snede maar mijn wapen had beide en iemand die gewend is aan de punt schrikt soms van een houw. Terwijl we uit elkaar gingen tikte ik met mijn lemmet tegen zijn hoofd.
    Het was mijn bedoeling het open te splijten. Daar had ik geen tijd voor, er zat geen kracht achter, maar hij kreeg rechts op zijn voorhoofd een snee tot bijna aan zijn wenkbrauw.
    ‘Touché!’ riep hij. ‘Goed gedaan. En goed gezongen. Laat me de rest horen.’
    ‘Goed,’ stemde ik toe, voorzichtig tijd trachtend te winnen. Ik wachtte er op dat het bloed in zijn ogen zou lopen. Een schedelwond is de bloederigste vleeswond en ik verwachtte hier heel wat van. En schermen is iets eigenaardigs ; je gebruikt je verstand eigenlijk niet, daar gaat het veel te vlug voor. Je pols denkt en vertelt je voeten en je lichaam wat ze moeten doen met voorbijgaan aan je hersens — alles wat jij denkt is voor later.
    Ik vervolgde:
‘Ze zitten nu in de nor
‘Omdat ze —’

    Ik raakte hem in zijn onderarm, zoals hij bij mij had gedaan, maar erger. Ik dacht dat ik hem te pakken had en buitte mijn voordeel uit. Maar hij deed iets waar ik wel van gehoord had, maar wat ik nooit had gezien : hij trok zich snel terug, gooide zijn zwaard op en ving het met zijn andere hand. Dat was niets voor mij — een rechtse schermer vindt het vreselijk het te moeten opnemen tegen een linkshandige; het brengt alles uit zijn evenwicht, terwijl een linkshandige gewend is aan de foefjes van de rechtse meerderheid — en deze zoon van een heks was net zo sterk, net zo vaardig met zijn linkerhand. Nog erger, hij keerde me nu zijn oog toe dat niet vol bloed zat.
    Hij raakte me weer, op mijn knieschijf, een brandende pijn, en het maakte me langzamer. In weerwil van zijn wonden, die veel erger waren dan de mijne, wist ik, dat ik het niet veel langer zou kunnen uithouden. We begonnen er ernstig werk van te maken.
    Er bestaat een tegenstoot in de tweede positie, wanhopig gevaarlijk, maar schitterend — als je het er goed afbrengt. Ik had er verscheidene wedstrijden en epée mee gewonnen als er niets anders op het spel stond dan een puntenaantal. Het begint uit de zesde positie; eerst pareert je tegenstander. Dan laat je je degen langs de zijne glijden, cirkelt er om heen en dringt tegelijkertijd op tot de punt doel treft. De tekortkoming ervan is, dat het, tenzij het op volmaakte wijze gedaan wordt, te laat is voor pareren en tegenstoot; je loopt met je borst in de punt van zijn zwaard.
    Ik probeerde niet er mee te beginnen, niet tegen deze schermmeester; ik dacht er alleen maar aan.
    We bleven tijd winnen, allebei uitstekend. Toen deed hij enigszins een stap terug terwijl hij pareerde en gleed bijna uit in zijn eigen bloed.
    Mijn pols nam de leiding; ik maakte een kurkentrekkerbeweging met een volmaakte volte naar de tweede positie — en mijn zwaard doorboorde zijn lichaam.
    Hij keek verbaasd, hief zijn zwaard als groet en zakte door zijn knieën toen het gevest hem uit de hand viel. Ik moest me met mijn zwaard vooruit bewegen terwijl hij viel en begon het toen uit hem te trekken.
    Hij greep het beet. ‘Nee, nee, mijn vriend, laat het daar alsjeblieft. Het houdt de wijn korte tijd onder de kurk. Je logica is scherp en treft mijn hart. Je naam, meneer?’
    ‘Omar van Gordon.’
    ‘Een goede naam. Je moet je nooit laten doden door een vreemdeling. Vertel me, Omar van Gordon, ben je in Carcassone geweest?’
    ‘Nee.’
    ‘Ga er heen. Een meisje liefhebben, een man doden, een boek schrijven, naar de Maan vliegen — ik heb het allemaal gedaan.’ Hij hijgde en er kwam rose schuim op zijn mond.
    ‘Ik heb zelfs meegemaakt dat er een huis boven me instortte. Wat een afschuwelijke geestigheid. Wat komt eer er nog op aan, als de kap op je kop kraakt? ‘Kop?’ ‘kip’, kap — kapper! — als de kap je kapper kraakt. Jij hebt mijn kop kaal geknipt.’ Hij snakte naar adem en vervolgde: ‘Het wordt donker. Laten we geschenken wisselen en als vrienden uit elkaar gaan, als je dat wilt. Eerst mijn geschenk, in twee delen: Punt één: Je hebt geluk, je zult niet in bed sterven.’
    ‘Dat denk ik ook niet.’
    ‘Toe. Punt twee: Broeder Guillaumes scheermes heeft de barbier nooit geschoren, het is veel te bot. En nu jouw geschenk, mijn oude — en wees snel, ik heb het nodig. Maar eerst — wat was het einde van die limerick?’
    Ik vertelde het hem. Hij zei heel zwak, bijna in een doodsgereutel, ‘Heel goed. Blijf pogen. Geef me nu je geschenk, het wordt meer dan tijd.’ Hij trachtte een kruis te slaan.
    Dus verleende ik hem absolutie, stond uitgeput op, liep naar de bank en viel er op neer, maakte toen beide zwaarden schoon. Ik veegde eerst de kleine Solingen af en verzorgde toen heel zorgvuldig Vrouwe Vivamus. Ik slaagde erin op te staan en voor hem te salueren met een schoon zwaard. Het was een eer geweest om hem te leren kennen.
    Het speet me dat ik zijn naam niet gevraagd had. Hij scheen te denken dat ik die wist.
    Ik ging vermoeid zitten en keek naar de gobelin die voor het rattenhol aan de andere kant van de kamer hing en vroeg me af waarom Ster en Rufo niet verschenen waren. Al dat kletterende staal en dat gepraat —
    Ik dacht erover erheen te lopen en ze te roepen. Maar ik was voorlopig nog te moe om me te bewegen. Ik zuchtte en sloot mijn ogen —
    Door pure jongensachtige vrolijkheid (en zorgeloosheid waar ik al meermalen een standje voor had gehad) had ik een dozijn eieren gebroken. Mijn moeder keek naar de rommel en ik kon zien dat ze op het punt stond in huilen uit te barsten. Dus betrok mijn gezicht ook. Ze verkropte haar tranen, legde zacht haar hand op mijn schouder en zei: ‘Het is niet zo erg, jongen. Zo belangrijk zijn eieren nu ook weer niet.’ Maar ik schaamde me, dus ik rukte me los en ging er vandoor.
    Ik holde de heuvel af, me nergens om bekommerend en bijna vliegend — toen was ik me er met een schok van bewust dat ik aan het stuur zat en dat ik de wagen niet in bedwang had. Ik zocht naar het rempedaal, kon het niet vinden en raakte in paniek... toen vond ik het — en voelde het wegzinken met die slapheid die betekent dat er geen druk meer is. Er was iets voor me op de weg en ik kon niet zien. Ik kon mijn hoofd niet eens omdraaien en mijn ogen werden verblind door iets dat er van mijn voorhoofd instroomde. Ik draaide aan het stuur en er gebeurde niets — de stuurstand deed het niet.
    Ik hoorde gegil toen we botsten! — en ik werd met een schok in bed wakker en het gillen deed ik zelf. Ik zou te laat op school komen, een ondraaglijke schande. Hoefde niet gedragen, schandelijke foltering, want het schoolplein was leeg; de andere kinderen zaten schoongeboend en deugdzaam op hun plaats en ik kon mijn klas niet vinden. Ik had niet eens tijd gehad om naar de W.C. te gaan en nu stond ik bij mijn lessenaar met mijn broek omlaag om te doen wat ik thuis niet had kunnen doen omdat ik zo’n haast had en alle andere kinderen staken hun vinger op, maar de juffrouw vroeg mij wat. Ik kón niet opstaan om iets op te zeggen; mijn broek was niet alleen omlaag, ik had er helemaal geen aan en als ik opstond zouden ze het zien, de jongens zouden me uitlachen en de meisjes zouden giechelen en de andere kant uitkijken en hun neus in de lucht steken. Maar de ondraaglijke schande was dat ik het antwoord niet wist!
    ‘Kom, kom!’ zei de juffrouw scherp. ‘Je moet de hele klas niet ophouden, E.C. Je hebt Je Huiswerk Niet Gemaakt.’
    Nou ja, dat had ik ook niet. Jawel, dat had ik wel, maar ze had ‘Sommen 1-6’ op het bord geschreven en dat had ik opgevat als ‘1 én 6’ — en dit was nummer 4. Maar dat zou Zij nooit geloven; het smoesje was te doorzichtig. We rekenen met getallen, niet met smoesjes.
    ‘Zo staan de zaken, Easy,’ vervolgde mijn Coach, zijn stem klonk eerder bedroefd dan boos. ‘Lange afstand is allemaal goed en wel, maar je verdient geen cent voor je de doellijn passeert met dat ei onder je arm. Hij wees naar de rugbybal op zijn bureau. ‘Daar ligt-ie. In het begin van het seizoen heb ik hem al laten vergulden en er zwarte letters op laten schilderen, je leek zo goed en ik had zoveel vertrouwen in je — hij was voor jou bedoeld aan het eind van het seizoen, bij een overwinningsfeest.’ Hij kreeg rimpels in zijn voorhoofd en hij sprak alsof hij trachtte rechtvaardig te zijn. ‘Ik zal niet zeggen dat je het alleen had kunnen opknappen. Maar je neemt de dingen te gemakkelijk op, Easy — misschien moest je een andere naam hebben. Als het tegenloopt, zou je je meer moeten inspannen.’ Hij zuchtte. ‘Mijn schuld, ik had harder tegen je moeten optreden. Maar ik heb geprobeerd een vader voor je te zijn. Maar ik wil je wel vertellen dat jij niet de enige verliezer bent — op mijn leeftijd is het niet zo makkelijk om een ander baantje te vinden.’
    Ik trok de dekens over mijn hoofd; ik kon het niet verduren om naar hem te kijken. Maar ze konden me niet met rust laten; er begon iemand aan mijn schouders te schudden.
    ‘Gordon!’
    ‘Lame met rust!’
    ‘Word wakker, Gordon, en maak als de bliksem dat je binnenkomt. Je zit in moeilijkheden.’
    Dat zat ik zeker, dat wist ik meteen toen ik het kantoor binnenkwam. Ik had de zure smaak van braaksel in mijn mond en ik voelde me verschrikkelijk — alsof er een kudde karbouwen over me heengegaan was en me nu en dan getrapt had. Smerige karbouwen.
    De Eerste Sergeant keek niet naar me toen ik binnenkwam; hij liet me eerst staan zweten. Toen hij opkeek nam hij me van het hoofd tot de voeten op voor hij wat zei.
    Toen sprak hij langzaam, zodat ieder woord kon inzinken. ‘Afwezig zonder toestemming, inheemse vrouwen schrik aanjagen en beledigen, onbevoegd gebruiken van regeringseigendom... schandelijk gedrag... ongehoorzame en onfatsoenlijke taal... verzetten tegen arrestatie... een M.P. geslagen — Gordon, waarom heb je geen paard gestolen? In deze contreien hangen ze paardendieven op. Dat zou het allemaal veel eenvoudiger maken.’
    Hij glimlachte om zijn eigen geestigheid. De oude schooier had zichzelf altijd een geestige vent gevonden. Hij had nog half gelijk ook.
    Maar het kon me niets verdommen wat hij zei. Ik besefte somber dat het allemaal een droom geweest was, gewoon weer een van die dromen die ik de laatste tijd zo vaak had, doordat ik uit die afschuwelijke rimboe weg wilde. Zelfs Zij was niet echt geweest. Mijn — hoe heette ze? — zelfs haar naam had ik verzonnen. Ster. Mijn Geluksster — O, Ster, mijn lieveling, je bestaat niet!’
    Hij vervolgde: ‘Ik zie dat je je chevrons hebt afgedaan. Nou, dat spaart tijd maar dat is het enige goede. Zonder uniform. Ongeschoren. En je kleren zijn smerig! Gordon, je bent een schande voor het Leger van de Verenigde Staten. Dat weet je toch, hè? En hier kun je je niet uitsmoezen. Geen identiteitsplaatje bij je, geen pas, je hebt een naam genoemd die niet de jouwe was, nou, Evelyn Cyril, mooie jongen, we zullen nu je ware naam gebruiken. Officieel.’
    Hij draaide zich om in zijn draaistoel — daar had hij zijn dikke gat nog niet uit gehad sinds hij in Azië was, voor hem geen patrouilles. ‘Er is maar één ding waar ik nieuwsgierig naar ben. Waar heb je dat vandaan gehaald? En wat heeft je in Godsnaam bezield om het te proberen te stelen?’ Hij knikte naar een archiefkast achter zijn bureau.
    Ik herkende wat erop stond al was het de laatste keer dat ik me herinnerde het gezien te hebben verguld geweest terwijl het nu bedekt was met die speciale zwarte kleverige modder die ze in Z.O. Azië hebben. Ik ging er op af. ‘Dat is van mij!’
    ‘Nee, nee!’ zei hij scherp. ‘Stoute jongen!’ Hij legde de rugbybal verder achteruit. ‘Stelen maakt het je eigendom niet. Ik heb het onder mijn beheer genomen als bewijsmateriaal. Ik wil je wel mededelen, jij namaakheld, dat de dokter denkt dat hij dood zal gaan.’
    ‘Wie?’
    ‘Wat zou het jou ook kunnen schelen wie? Ik wed twee kwartjes tegen een tikal dat je zijn naam niet wist toen je er op los beukte. Je kunt maar niet rechts en links op inboorlingen losbeuken alleen maar omdat je je flink voelt — ze hebben ook rechten, misschien had je dat nog niet gehoord. Je wordt geacht er alleen op los te beuken wanneer en waar je dat bevolen wordt.’
    Plotseling glimlachte hij. Daardoor werd hij er niet beter op. Met zijn lange scherpe neus en kleine bloeddoorlopen oogjes realiseerde ik me plotseling hoe veel hij op een rat leek. Maar hij bleef glimlachen en zei: ‘Evelyn, mijn jongen, misschien heb je je chevrons wel te vroeg afgelegd.’
    ‘Hè?’
    ‘Ja. Er zou een uitweg uit deze rotzooi kunnen zijn. Ga zitten.’ Hij herhaalde scherp: ‘Ga zitten, zei ik. Als het aan mij lag zou ik je wegens ongeschiktheid uit het leger ontslaan en je verder vergeten — als ik je maar kwijt was. Maar de compagniescommandant denkt er anders over — hij heeft een schitterend idee, waardoor je hele dossier misschien afgesloten kan worden. Er is voor vanavond een overval op touw gezet. Dus —’ Hij boog zich voorover en haalde een fles Four Roses en twee bekers uit zijn bureau, schonk twee borrels in — ‘pak een borrel.’
    Iedereen wist van die fles af — iedereen behalve misschien de compagniescommandant. Maar de eerste sergeant had niemand nog ooit een borrel aangeboden — op één keer na toen hij daarna zijn slachtoffer verteld had dat hij voor de krijgsraad zou moeten komen.
    ‘Nee, dank je.’
    ‘Vooruit, neem er een. Je zult het nodig hebben. En daarna ga je een douche nemen en zorgen dat je er fatsoenlijk uitziet al ben je dat dan niet, voor je naar de compagniescommandant gaat.’
    Ik stond op. Ik wilde die borrel hebben, ik had hem nodig. Ik zou genoegen genomen hebben met het slechtste bocht — en Four Roses is nogal duur — maar ik zou genoegen genomen hebben met dat vuurwater dat die oude — hoe heette hij ook weer? — gebruikt had om mijn trommelvliezen te laten barsten.
    Maar met hem wilde ik niet drinken. Ik moest hier helemaal niets drinken. En niets eten —
    Ik spuwde hem in zijn gezicht.
    Hij keek uiterst geschokt en scheen te smelten. Ik trok mijn zwaard en viel hem aan.
    Het werd donker maar ik bleef om me heen slaan waarbij ik soms iets raakte en soms niet.

XVI

    Ik werd door iemand aan mijn schouders geschud. ‘Wakker worden!’
    ‘Laat me met rust!’
    ‘Je moet wakker worden. Baas, word alsjeblieft wakker.’
    ‘Ja, mijn Held — alsjeblieft!’
    Ik opende mijn ogen, glimlachte tegen haar en trachtte toen om me heen te kijken. Allemaáachtig, wat een janboel! Er midden in stond een zuil van zwart glas, breed en ongeveer anderhalve meter hoog. Er boven op stond het Ei. ‘Is het dat?’
    ‘Ja,’ gaf Rufo toe. ‘Dat is het!’ Hij zag er gehavend maar vrolijk uit.
    ‘Ja, mijn Held Ridder,’ bevestigde Ster. ‘Dat is het echte Ei van de Feniks. Ik heb het geverifieerd.’
    ‘Eh —’ Ik keek om me heen. ‘Waar is de oude Zielenverslinder dan?’
    ‘Die heb je gedood. Voor we kwamen. Je had je zwaard nog in je hand en het Ei stevig onder je linker arm. Het was erg moeilijk om ze los te krijgen zodat ik je kon behandelen.’ Ik keek omlaag en zag wat ze bedoelde en wendde gauw mijn hoofd af. Ik houd nu eenmaal niet van rood. Om chirurgie uit mijn gedachten te verbannen zei ik tegen Rufo: ‘Waarom zijn jullie zo lang weggebleven?’
    Ster antwoordde: ‘Ik dacht dat we je nooit zouden vinden!’
    ‘Hoe hebben jullie me dan gevonden?’
    Rufo zei: ‘Baas, we konden je eigenlijk niet missen. We hoefden je bloedspoor maar te volgen — zelfs als het doodliep tegen naakte muren. Zij is halsstarrig.’
    ‘Eh... heb je nog doden gezien?’
    ‘Drie of vier. Vreemdelingen, hadden we niets mee te maken. Vermoedelijk constructies. We hebben er onze tijd niet aan verbeuzeld.’ Hij voegde er aan toe: ‘En we zullen ook niet talmen met hier weg te komen als je genoeg bent opgelapt om te kunnen lopen. We hebben weinig tijd.’
    Ik boog voorzichtig mijn rechterknie. Hij deed nog pijn waar ik een prik in de knieschijf gekregen had maar wat Ster had gedaan deed de pijn verdwijnen. ‘Mijn benen zijn in orde. Ik zal kunnen lopen zodra Ster klaar is. Maar’ — ik fronste mijn voorhoofd — ‘Ik voel er niets voor om weer door die rattentunnel te gaan. Ratten werken op mijn zenuwen.’
    ‘Wat voor ratten, Baas? In welke tunnel?’ Dus vertelde ik het hem.
    Ster gaf geen commentaar, ging gewoon door me met pleisters en verband te behandelen. Rufo zei: ‘Baas, je ging op je knieën kruipen — in een gang die precies was als alle andere. Ik kon het nut er niet van inzien maar je had bewezen dat je wist wat je deed, dus we kletsten niet maar deden het ook. Toen je tegen ons zei dat we moesten wachten terwijl jij op verkenning uitging, deden we dat ook — tot we heel lang gewacht hadden en Zij besloot dat we naar je moesten gaan zoeken.’
    Ik ging er niet op door.
    We gingen vrijwel direct op weg, naar de ‘voordeur’ en we hadden geen moeilijkheden, geen gezichtsbedrog, geen vallen, niets dan het feit dat het ‘goede pad’ lang en vervelend was. Rufo en ik bleven op onze hoede, in dezelfde formatie met Ster in het midden met het Ei.
    Ster noch Rufo wist of er kans was dat we nog aangevallen zouden worden en we hadden ook niets kunnen afslaan dat sterker was dan een troep Welpen. Alleen Rufo kon een boog spannen, en ik kon geen zwaard meer hanteren. Maar het enige noodzakelijke was Ster de tijd te geven het Ei te vernietigen voor het in verkeerde handen kon vallen. ‘Maar daar hoef je je geen zorgen over te maken,’ verzekerde Rufo me. ‘Dat is net zoiets alsof je vlak naast een atoombom zit. Je zult er niets van merken.’
    Toen we eenmaal buiten waren was het nog een hele wandeling naar de Grottenheuvels en de andere Poort. We lunchten terwijl we doorliepen — ik had een vreselijke honger — en we verdunden Rufo’s cognac met Sters water — met niet te veel water. Ik voelde me weer aardig opgeknapt toen we de grot van deze Poort bereikten; ik trok me niet eens wat aan van lucht die geen lucht was maar een soort dak en ook niet van de eigenaardige wijzigingen van de zwaartekracht.
    In die grot was al een diagram of ‘pentagram’. Ster hoefde het alleen maar een beetje bij te werken toen we even moesten wachten — daarom hadden we ons zo moeten haasten, om er te komen voor de ‘Poort’ geopend kon worden; hij zou weken of misschien wel maanden daarna niet te openen zijn — veel te lang voor mensen om op Karth-Hokesh te kunnen leven.
    We stonden een paar minuten te vroeg op onze plaatsen. Ik was gekleed als de Tovenaar van Mars — ik, mijn riem en het zwaard. We gooiden allemaal zoveel mogelijk ballast over boord omdat Ster moe was en het overbrengen van levende dingen al inspannend genoeg zou zijn. Ster wilde mijn geliefde boog redden, maar daar sprak ik het veto over uit. Ze drong er op aan dat ik Vrouwe Vivamus zou houden en dat sprak ik niet al te hard tegen; ik wilde nooit meer scheiden van mijn zwaard. Ze raakte het aan en zei dat het geen dood metaal was, maar nu een onderdeel van mij was geworden. Rufo droeg alleen zijn onfraaie Adamskostuum en verbanden ; zijn opvatting was dat een zwaard een zwaard was en dat hij thuis veel betere had. Ster droeg beroepshalve niets meer.
    ‘Hoe lang nog?’ vroeg Rufo terwijl we elkaar de hand reikten.
    ‘Voor de aftelling zijn we nu bij minus twee minuten,’ antwoordde ze. De klok in Sters hoofd is net zo accuraat als mijn richtingsknobbel. Ze draagt nooit een horloge.
    ‘Heb je het hem verteld?’ zei Rufo. ‘Nee.’
    Rufo zei: ‘Schaam je je dan helemaal niet? Vind je niet dat je hem lang genoeg voor de gek gehouden hebt?’ Hij sprak verbijsterend nors en ik stond op het punt hem te vertellen dat hij die toon niet tegen haar kon aanslaan. Maar Ster legde hem het zwijgen op.
    ‘STILTE!’
    Ze begon te intoneren. Toen — ‘Nú!’
    Plotseling was het een andere grot. ‘Waar zijn we?’ vroeg ik. Ik voelde me zwaarder.
    ‘Op Nevia’s planeet,’ antwoordde Rufo. ‘Aan de andere kant van de Eeuwige Toppen — en ik heb veel zin om uit te stappen en Jocko op te zoeken.’
    ‘Doe dat dan,’ zei Ster boos. ‘Je praat te veel.’
    ‘Alleen als mijn vriend Omar meegaat. Heb je zin, ouwe kameraad? Ik kan je er in zowat een week heenbrengen. Geen draken. Ze zullen blij zijn je te zien — vooral Muri.’
    ‘Laat Muri er buiten!’ Sters stem snerpte gewoon.
    ‘Dat kun je niet hebben, hè?’ zei hij bitter. ‘Een jongere vrouw en zo.’
    ‘Je weet best dat het daar niet om gaat!’
    ‘O, en of het dat is!’ antwoordde hij. ‘En hoe lang denk je dat je dit spelletje kunt spelen? Het is niet eerlijk, het is nooit eerlijk geweest. Het —’
    ‘Stilte! Het aftellen begint nu!’ We legden onze handen weer in elkaar en hup! we waren ergens anders. Dit was weer een andere grot waarvan één zijde gedeeltelijk open was; de lucht was erg ijl en het was bitter koud en er was sneeuw binnengedwarreld. Het diagram was in ruw goud in de rots aangebracht. ‘Waar is dit?’ wilde ik weten.
    ‘Op jouw planeet,’ antwoordde Ster. ‘Een plaats die Tibet heet.’
    ‘En hier zou je kunnen overstappen,’ voegde Rufo er aan toe, ‘als Zij niet zo halsstarrig was. Of je zou er vandoor kunnen gaan — hoewel het een lange, zware wandeling is. Ik heb het een keer gedaan.’
    Ik kwam niet in de verleiding. Toen ik er het laatst van hoorde was Tibet in handen van vijandelijke vrede-lievenden. ‘Blijven we hier lang?’ vroeg ik. ‘Er moet hier centrale verwarming komen.’ Ik wilde alles liever horen dan meer geruzie. Ster was mijn geliefde en ik kon er niet kalm bij blijven staan als iemand anders onhebbelijk tegen haar was — maar Rufo was mijn bloedbroeder door veel vergoten bloed; hij had meer dan eens mijn leven gered.
    ‘Niet lang,’ antwoordde Ster. Ze zag er betrokken en moe uit.
    ‘Maar lang genoeg om dit recht te zetten,’ voegde Rufo er aan toe, ‘zodat je zelf een beslissing kunt nemen en niet als een kat in een zak wordt rondgesjouwd. Zij had het je al lang moeten vertellen. Zij —’
    ‘Op jullie plaatsen!’ snauwde Ster. ‘De aftelling begint. Rufo, als je je mond niet houd, laat ik je hier achter, en dan kun je weer gaan lopen — in diepe sneeuw, barrevoets tot aan je nek.’
    ‘Ga je gang,’ zei hij. ‘Dreigementen maken me net zo halsstarrig als jij bent. Wat niet te verwonderen valt. Omar. Zij is —’
    ‘STILTE!’
    ‘— Keizerin van de Twintig Universa —’

XVII

    We bevonden ons in een grote achthoekige kamer met weelderig mooie zilverachtige wanden. ‘ — en mijn grootmoeder,’ besloot Rufo.
    ‘Geen ‘Keizerin’,’ protesteerde Ster. ‘Dat is er een dwaas woord voor.’
    ‘Het komt er dicht genoeg bij.’
    ‘En wat het andere betreft, dat is mijn ongeluk, niet mijn schuld.’
    Ster sprong overeind, ze zag er niet langer moe uit, en ze legde een arm om mijn middel terwijl ik opstond terwijl ze het Ei in haar andere hand hield. ‘O, lieveling, ik ben zo gelukkig! Het is ons gelukt! Welkom thuis, mijn Held!’
    ‘Waar?’ Ik was traag van begrip — te veel tijdzones, te veel denkbeelden, te snel.
    ‘Thuis. Mijn huis. Nu ook jouw thuis — als je wilt. Ons thuis.’
    ‘Eh, juist... mijn Keizerin.’
    Ze stampvoette. ‘Noem me niet zo!’
    ‘De juiste aanspreektitel,’ zei Rufo, ‘is ‘Uwe Wijsheid’. Nietwaar, Uwe Wijsheid?’
    ‘O, Rufo, houd je mond. Ga kleren voor ons halen.’
    Hij schudde het hoofd. ‘De oorlog is voorbij en ik ben net gedemobiliseerd. Ga ze zelf maar halen, Oma.’
    ‘Rufo, je bent onmogelijk.’
    ‘Ben je boos op me, Oma?’
    ‘Dat word ik zeker als je me nog langer ‘Oma’ noemt!’ Plotseling overhandigde ze mij het Ei, sloeg haar armen om Rufo heen en gaf hem een kus. ‘Nee, Oma is niet boos op je,’ zei ze zacht. ‘Je bent altijd een ondeugend kind geweest en ik zal nooit echt vergeten dat je eens oesters in mijn bed gestopt hebt. Maar ik geloof dat je er eerlijk aankomt — van je grootmoeder.’ Ze kuste hem nog eens en maakte zijn franje van wit haar in de war. ‘Oma houdt van je. Oma zal altijd van je houden. Op Oma na, vind ik dat je bijna volmaakt bent — ervan afgezien dat je een ondraaglijke, leugenachtige, verwende, ongehoorzame, oneerbiedige kwajongen bent.’
    ‘Zo is het beter,’ zei hij. ‘Nou je het zegt, zo denk ik precies over jou. Wat wil je aantrekken?’
    ‘Mmm... haal maar een heleboel tevoorschijn. Het is zo lang geleden dat ik een fatsoenlijke garderobe gehad heb.’ Ze wendde zich weer tot mij. ‘Wat wil jij dragen, mijn Held?’
    ‘Ik weet het niet. Ik weet niets. Wat jij denkt dat passend is — Uwe Wijsheid.’
    ‘O, lieveling noem me alsjeblieft nooit zo. Nooit.’ Ze scheen plotseling op het punt in huilen uit te barsten.
    ‘Goed. Hoe zal ik je dan noemen?’
    ‘Ster is de naam die jij me gegeven hebt. Als je me anders wilt noemen, zou je me je ‘prinses’ kunnen noemen. Ik ben geen prinses — en ik ben ook geen ‘keizerin’; dat is een slechte vertaling. Maar ik vind het heerlijk om ‘jouw prinses’ te zijn — zoals jij het zegt. Of het kan ook ‘dartel wijfje’ zijn of welke ook van alle namen die je me genoemd hebt.’ Ze keek heel kalm naar me op. ‘Net als eerst. Voor altijd.’
    ‘Ik zal het proberen... mijn prinses.’
    ‘Mijn Held.’
    ‘Maar er schijnt zoveel te zijn dat ik niet weet.’
    Ze ging van Engels naar Neviaans over. ‘Heer Echtgenoot, ik wil je alles vertellen. Ik heb er naar gehunkerd het je te kunnen vertellen. En mijn Heer zal alles horen. Maar ik was doodsbang dat mijn Heer, als het hem te vroeg verteld werd, zou weigeren me te vergezellen. Niet naar de Zwarte Toren, maar hier naar toe. Ons thuis.’
    ‘Misschien heb je er wijs aan gedaan,’ antwoordde ik in dezelfde taal. ‘Maar nu ben ik hier, Vrouwe Echtgenote — mijn prinses. Dus spreek nu. Ik wens het.’
    Ze ging weer op Engels over. ‘Ik zal spreken, heus. Maar het zal tijd kosten. Lieveling, wil je nog wat langer geduld hebben? Nadat je al zo lang geduld — zo vreselijk veel geduld — met me gehad hebt?’
    ‘Oké,’ gaf ik toe. ‘Ik speel wel mee. Maar kijk eens, ik ken de weg niet in deze buurt, ik zal aanwijzingen nodig hebben. Vergeet de vergissing niet die ik met Jocko begaan heb doordat ik de plaatselijke gebruiken niet kende.’
    ‘Ja, lieve, dat zal ik doen. Maar maak je niet ongerust, de gebruiken zijn hier heel eenvoudig. Primitieve gemeenschappen zijn altijd ingewikkelder dan beschaafde — en deze is niet primitief.’ Toen liet Rufo een grote stapel kleren aan haar voeten vallen. Ze wendde zich, nog met een hand op mijn arm, af en legde met een strakke, bijna bekommerde blik een vinger tegen haar mond. ‘Laat me eens kijken. Wat zal ik aantrekken?’
    ‘Ingewikkeld’ is een betrekkelijk begrip; ik zal alleen de grote lijnen schetsen.
    Centrum is de hoofdplaneet van de Twintig Universa. Maar Ster was geen ‘Keizerin’ en het is geen Keizerrijk. Ik zal haar verder ‘Ster’ noemen, want ze had honderden namen en ik noem het een ‘keizerrijk’ omdat geen enkel ander woord er dicht genoeg bij komt en ik zal het hebben over ‘keizers’ en ‘keizerinnen’ — en over de Keizerin, mijn vrouw. Niemand weet hoeveel universa er zijn. In theorie is het aantal onbegrensd; alle en allerlei mogelijkheden, in onbeperkte aantallen combinaties van ‘natuur’-wetten, iedere groep passend bij zijn eigen universum. Maar dit is slechts theorie en Occams scheermes is veel te bot. Het enige wat bekend is in Twintig Universa is dat er twintig ontdekt zijn, dat ieder zijn eigen wetten heeft en dat de meeste ervan planeten hebben of soms ‘plaatsen’ waar menselijke wezens wonen. Ik zal niet trachten te vertellen wat er elders woont.
    De twintig Universa omvatten vele echte keizerrijken. Onze Melkweg in ons universum heeft zijn sterren — keizerrijken — maar onze Melkweg is zo ontzaglijk groot dat ons menselijk geslacht misschien nooit in aanraking met een ander zal komen, behalve door de Poorten, die de verbinding tussen de universa vormen. Sommige planeten hebben geen bekende Poorten. De Aarde heeft er vele en dat is haar enige belang; verder wordt ze als een achterlijke achterbuurt beschouwd.
    Zevenduizend jaar geleden werd er een denkbeeld ontwikkeld om opgewassen te zijn tegen politieke problemen die te groot zijn om iets aan te doen. Het begon bescheiden: hoe kon een planeet bestuurd worden zonder hem te vernietigen? Onder de bevolking van deze planeet bevonden zich expert-cybernetici, maar overigens waren ze nauwelijks verder dan wij zijn; ze verbrandden de schuur nog om van de ratten af te komen en ze knelden hun duimen nog altijd in machines. Die experimenteerders kozen een eminente leider en trachtten hem te helpen.
    Niemand wist waarom die vent zo’n succes had, maar hij had het en dat was voldoende; ze waren niet zo dol op theorie. Ze gaven hem cybernetische hulpmiddelen, ze zetten alle crises in hun geschiedenis voor hem op de band, alle bekende bijzonderheden, wat er aan gedaan werd en wat de resultaten waren, alles zo geregeld dat hij alles kon raadplegen bijna zoals je je geheugen raadpleegt.
    Het werkte. Na een poos leidde hij de hele planeet — het was Centrum, maar dat heette toen nog anders. Hij regeerde niet, hij ontwarde alleen maar moeilijke gevallen.
    Ze zetten ook alles, goed en slecht, wat deze eerste ‘Keizer’ deed op de band als richtsnoer voor zijn opvolger.
    Het Ei van de Feniks is een cybernetisch archief van alle ervaringen van tweehonderddrie ‘keizers’ en ‘keizerinnen’, van wie de meesten over alle bekende universa ‘geregeerd’ hebben. Net als een vouwdoos is het van binnen groter dan van buiten. In gebruik heeft het meer de grootte van de Pyramide van Cheops.
    Overal in de universa wemelt het van legenden over de Feniks : het wezen dat sterft, maar onsterfelijk is en altijd weer verjongd uit zijn as herrijst. Het Ei is zo’n wonder, want het is nu veel meer dan een bibliotheek op de band; het is een beeld, met inbegrip van hun unieke persoonlijkheden, van alle ervaringen van die hele lijn vanaf Zijne Wijsheid IX tot Hare Wijsheid CCIV, mevrouw Omar Gordon.
    De functie is niet erfelijk. Onder Sters voorvaderen bevinden zich Wijsheid I en de meesten van de andere Wijsheden — maar er zijn millioenen anderen met evenveel ‘koninklijk’ bloed. Haar kleinzoon Rufo werd niet gekozen hoewel hij dezelfde voorouders heeft. Of misschien heeft hij het afgewezen. Ik heb het hem nooit gevraagd, dat zou hem maar herinnerd hebben aan iets onfatsoenlijks en onwaarschijnlijks dat een van zijn ooms op een keer gedaan had. Bovendien is het niet iets waar je naar vraagt.
    Als hij eenmaal aangewezen is omvat de opleiding van de kandidaat alles van de beste manier om pens te koken af tot de hoogste mathematica toe — met inbegrip van alle vormen van man-tegen-man gevechten, want duizenden jaren geleden werd al beseft dat het slachtoffer, hoe goed hij ook bewaakt werd, het langer uit zou houden als hij zelf kon vechten als een nijdige cirkelzaag. Dat kwam ik toevallig te weten doordat ik mijn geliefde een onhandige vraag stelde.
    Ik trachtte er nog aan te wennen dat ik getrouwd was met een grootmoeder met een kleinzoon die er ouder uitzag dan ik en zelfs nog ouder was dan hij eruit zag. De mensen van Centrum leven toch al langer dan wij en zowel Ster als Rufo hadden een ‘Lang Leven’-behandeling ondergaan. Daar moet je aan wennen. Ik vroeg Ster: ‘Hoe lang leven jullie ‘wijsheden’?’
    ‘Niet zo erg lang,’ antwoordde ze bijna scherp. ‘Gewoonlijk worden we vermoord.’
    (Ik met mijn grote bek —)
    De opleiding van een kandidaat omvat reizen door vele werelden — niet alle planeten-plaatsen die door mensen bewoond worden; zo lang leeft niemand. Maar vele. Nadat een kandidaat dit alles voltooid heeft en als hij tot erfgenaam gekozen wordt, begint het eigenlijke werk pas: het Ei. De erfgenaam (erfgename) worden alle herinneringen, de persoonlijkheden zelf van vroegere keizers ingeprent. Hij (Zij) wordt een integratie van hen allemaal. Ster-Plus. Een supernova. Hare Wijsheid.
    De levende persoonlijkheid domineert, maar die hele andere troep is er ook. Zonder gebruik te maken van het Ei kon Ster zich ervaringen herinneren van mensen die al vele eeuwen dood waren. Mét het Ei — als ze verbonden was met het cybernetwerk — had ze zevenduizend jaren scherpe, net-of-het-gisteren-was herinneringen.
    Ster bekende me dat ze tien jaar geaarzeld had voor ze de benoeming aannam. Ze had al die mensen niet willen zijn; ze had verder willen leven als zichzelf, doen waar ze zin in had. Maar de methoden volgens welke kandidaten worden uitgekozen (ik ken ze niet, ze zijn in het Ei gedeponeerd) schijnen vrijwel onfeilbaar te zijn, slechts drie hebben ooit geweigerd.
    Toen Ster Keizerin werd, was ze nauwelijks met de tweede helft van haar opleiding begonnen, waren haar nog maar zeven van haar voorvaderen ingeprent. Inprenten duurt niet lang, maar het slachtoffer moet er tussendoor telkens weer op verhaal komen — want ze krijgt ieder vervloekt voorval wat hem ooit overkomen is, slecht en goed: die keer dat hij als kind wreed geweest is tegen een huisdier en hoe hij zich daar op rijpere leeftijd over schaamde, het verlies van zijn maagdelijkheid, het ondraaglijk tragische uur dat hij iets werkelijk belangrijks volkomen verprutste — álles.
    ‘Ik moet hun fouten ervaren,’ vertelde Ster me. ‘Fouten zijn het beste om iets van te leren.’
    Dus het hele vermoeiende systeem is gebaseerd op het blootstellen van één persoon aan alle ellendige fouten van zevenduizend jaar.
    Gelukkig hoeft het Ei niet vaak gebruikt te worden. Meestal kon Ster zichzelf zijn en bekommerde ze zich niet meer over ingeprente herinneringen dan jij doet over die rotopmerking in de tweede klas. De meeste problemen kon Ster zo wel oplossen — zonder haar toevlucht te nemen tot de Zwarte Kamer en een volledige aansluiting.
    Want het voornaamste dat naar voren trad naarmate deze empirische wijze om een keizerrijk te regeren zich ontwikkelde was dat de oplossing van de meeste problemen was:
    Niets doen.
    Altijd — ‘Leven en laten leven’. ‘Het betere is de vijand van het kwade’. ‘De tijd heelt alle wonden’. ‘Geen slapende honden wakker maken’. ‘Laat ze met rust en dan komen ze wel terug met de staart tussen de benen’.
    Zelfs positieve bevelschriften van het Keizerrijk waren gewoonlijk in negatieve vorm gesteld: Gij Zult Uws Naasten Planeet Niet Opblazen. (Met je eigen planeet moet je het zelf weten). Bemoei je niet met de wachters van de Poorten. Eis geen gerechtigheid, je zult ook zelf geoordeeld worden. Boven alles, laat het volk nooit stemmen over ernstige vraagstukken. O, er is geen wet tegen plaatselijke democratie, alleen maar bij zaken die het keizerrijk aangaan. De oude Rufo — neem me niet kwalijk; Doctor Rufo, een uitermate eminente vergelijkend culturoloog (met een ordinair zwak om in achterbuurten rond te hangen) — Rufo heeft me verteld dat ieder menselijk ras alle staatkundige vormen probeert en dat democratie in vele primitieve gemeenschappen gebruikt wordt... maar hij kende geen enkele beschaafde planeet waar het gebruikt werd, omdat Vox Populi Vox Dei geïnterpreteerd wordt als: ‘Mijn God, hoe zijn we in déze rotzooi terechtgekomen!’
    Maar Rufo beweerde dol op democratie te zijn — elke keer dat hij zich gedeprimeerd voelde ging hij naar Washington, en de capriolen van het Franse Parlement deden alleen maar onder voor de capriolen van de Franse vrouwtjes.
    Ik vroeg hem hoe beschaafde gemeenschappen regeerden. Hij trok rimpels in zijn voorhoofd. ‘Dat doen ze over het algemeen niet.’
    Dat beschreef de Keizerin van de Twintig Universa: over het algemeen deed ze het niet.
    Maar soms wel. Ze kon b.v. zeggen: ‘Die janboel zal opgeruimd zijn als jullie die lastpost daar — hoe heet jij? Jij met die sik — mee naar buiten nemen en hem doodschieten. Doe het nu maar.’ (Ik was erbij. Ze deden het nu maar. Hij was het hoofd van de delegatie die haar het probleem voorgelegd had — een of andere moeilijkheid tussen inter-melkweg handelskeizerrijken van het VIIe Universum — en zijn plaatsvervanger hield zijn armen vast en de leden van zijn eigen delegatie sleurden hem naar buiten en doodden hem. Ster bleef koffie drinken. Het is betere koffie dan wij thuis hebben en ik was zo ontdaan dat ik mezelf een kopje inschonk.)
    Een Keizer heeft geen macht. Maar toch, als Ster zou beslissen dat een bepaalde planeet verwijderd moest worden, dan gingen de mensen aan het werk en verscheen er een nova aan de hemel. Dat heeft Ster nooit gedaan, maar in het verleden is het wel gebeurd. Niet vaak — Zijne Wijsheid zal lang bij zijn ziel (en het Ei) te rade gaan voor hij iets zo definitiefs beveelt, zelfs als zijn supergezond verstand hem zegt dat het de enige oplossing is.
    De Keizer is de enige bron van de Keizerlijke wetten, de enige rechter, de enige uitvoerder — en doet heel weinig en kan op geen enkele manier de hand houden aan zijn beslissingen. Wat hij of zij wel heeft is geweldig veel prestige door een systeem dat zevenduizend jaar gewerkt heeft. Dit on-systeem houdt zich staande door geen saamhorigheid te hebben, geen eenvormigheid, nooit naar volmaaktheid te streven, geen Utopia’s — alleen maar oplossingen die de moeite waard zijn, met een heleboel ruimte voor gebruiken en opvattingen.
    Plaatselijke kwesties zijn plaatselijk. Kindermoord? — het zijn jullie baby’s, jullie planeet. Ouderavonden, filmcensuur, hulp bij rampen — het Keizerrijk is niet hulpvaardig.
    De Crisis van het Ei begon lang voor ik geboren werd. Zijne Wijsheid CCIII werd vermoord en tegelijkertijd werd het Ei gestolen. Enkele snoodaards wensten de macht aan zich te trekken — en het Ei heeft, door zijn unieke bronnen latent de sleutel tot een macht waar zelfs Genghis Khan nooit van gedroomd heeft.
    Waarom zou iemand macht willen bezitten? Ik begrijp het niet. Maar sommige mensen willen dat en zij wilden het.
    Dus trad Ster half-opgeleid in functie en werd geconfronteerd met de grootste cisis die het Keizerrijk ooit had meegemaakt en ze was afgesneden van haar pakhuis met Wijsheid. Maar ze was niet hulpeloos. Haar was de ervaring van zeven hypersensitieve mannen ingeprent en ze had het hele cyber-computerstelsel tot haar beschikking behalve dat unieke gedeelte dat bekend stond als het Ei. Ten eerste moest ze uitzoeken wat er met het Ei gebeurd was. Ze konden de planeet van de snoodaards niet aanvallen; dat zou het Ei kunnen vernietigen.
    Er bestonden wel manieren om iemand te laten praten, als het je niet kon schelen of hij erin bleef. Dat kon Ster niet schelen. Ik bedoel niet zulke ruwe dingen als pijnbanken en zo. Dit leek meer op het pellen van een ui, en er werden er verscheidene gepeld.
    Karth-Hokesh was zo dodelijk, dat het genoemd werd naar de enige ontdekkingsreizigers die het bezochten en levend terugkwamen. (Wij waren in een ‘tuin-afdeling’ geweest; de rest is veel erger.) De snoodaards deden geen poging om er te blijven; ze verborgen het Ei en zetten er wachten en boobytraps omheen en op de wegen die erheen leidden.
    Ik vroeg Rufo: ‘Wat voor nut had het Ei daar?’
    ‘Geen enkel,’ gaf hij toe. ‘Maar ze hadden al gauw in de gaten dat het nergens nut had — zonder Haar. Ze moesten of de staf van cybernetici hebben... of ze moesten Hare Wijsheid zelf hebben. Ze konden het Ei niet open krijgen. Zij is de enige die dat zonder hulp kan. Dus legden ze een hinderlaag voor Haar. Hare Wijsheid gevangen nemen, of Haar doden — liefst gevangen nemen en haar doden als de nood aan de man kwam en dan proberen mensen in sleutelposities hier in Centrum te pakken te krijgen. Maar dat laatste durfden ze niet te proberen terwijl Zij nog leefde.’
    Ster ging op onderzoek uit om de beste manier te ontdekken om het Ei terug te krijgen. Een invasie in Karth Hokesh? De computers zeiden, ‘Ben je bedonderd?’ Dat zou ik ook zeggen.
    Hoe organiseer je een invasie ergens heen waar niemand niet alleen niets plaatselijks kan eten of drinken, maar de lucht slechts een paar uur kan inademen? Als een zware aanval zal vernietigen wat je te pakken wilt krijgen? Als je landingsplaatsen alleen maar twee beperkte Poorten zijn? De computers bleven met een dwaas antwoord op de proppen komen, hoe de vragen ook gesteld werden.
    Mij.
    Dat wil zeggen, een ‘Held’ — iemand met een sterk lichaam, een zwakke geest en grote consideratie voor zijn eigen huid. Plus nog enkele andere trekken. Een overval door een dergelijke man zou, als hij werd bijgestaan door Ster zelf, kunnen slagen. Rufo werd eraan toegevoegd door een ingeving van Ster (ingevingen van Hunne Wijsheden kwamen overeen met geniale zetten) en de machines bevestigden dat.
    ‘Ik werd geronseld,’ zei Rufo. ‘Dus ik weigerde. Maar ik heb nooit enig verstand kunnen opbrengen als het om Haar gaat, verdomme; Zij heeft me verwend toen ik nog klein was.’
    Toen volgden er jaren van zoeken naar de bedoelde man. (Ik weer — ik zal nooit weten waarom). Intussen onderzochten dappere mannen de situatie en brachten tenslotte de Toren in kaart. Ster ging zelf op verkenning uit en maakte ook kennissen in Nevia.
    (Is Nevia een onderdeel van het ‘Keizerrijk’? Ja en neen. De planeet van Nevia heeft de enige Poorten naar Karth Hokesh, behalve die op de planeet van de snoodaards; dat is zijn belang voor het Keizerrijk — en het Keizerrijk is van geen enkel belang voor Nevia.)
    Deze ‘Held’ zou vermoedelijk gevonden kunnen worden op een barbaarse planeet, zoals de Aarde. Ster controleerde dat en wees ettelijke kandidaten van vele wilden volken af voor haar neus haar vertelde dat ik het wel eens zou kunnen zijn. Ik heb Rufo gevraagd welke kans de machines ons gaven.
    ‘Waarom vraag je dat?’ vroeg hij. ‘Nou ja, ik weet wel iets van cybernetica af.’
    ‘Dat denk je. Maar toch — er was een voorspelling. Dertien procent succes, zeventien procent remise — en zeventig procent de dood voor ons alledrie.’
    Ik floot. ‘Jij moet vooral fluiten!’ zei hij verontwaardigd. ‘Jij wist niets meer dan een paard van de cavalerie weet. Jij had niets om bang voor te zijn.’
    ‘Maar ik was wél bang.’
    ‘Daar had je geen tijd voor. Zo was het ook bedoeld. Onze enige kans lag in roekeloze snelheid en volkomen verrassing. Maar ik wist het. Jongen, toen je ons zei te wachten, daar in die Toren, en verdween en niet terugkwam, nou, toen was ik zo benauwd, dat ik me herinnerde waar ik allemaal spijt van moest hebben.’
    Toen we eenmaal begonnen waren, gebeurde de overval zoals ik het heb verteld. Of ongeveer zo, hoewel ik misschien gezien heb wat mijn verstand kon aanvaarden en niet precies wat er gebeurde. Ik bedoel ‘toverij’. Hoe vaak zijn wilden niet tot de conclusie gekomen dat iets ‘toverij’ was, als een beschaafde op de proppen kwam met iets dat de wilde niet kon begrijpen? Hoe vaak is een etiket, zoals b.v. ‘televisie’ niet door beschaafde wilden (die niettemin schakelaars omdraaien) aanvaard, als ‘toverij’ een eerlijker woord geweest zou zijn?
    Maar Ster drong nooit aan op dat woord. Ze aanvaardde het toen ik er op aandrong.
    Maar ik zou teleurgesteld zijn als álles wat ik gezien heb iets blijkt te zijn dat Western Electric zal bouwen, zodra de Bell Laboratoria de moeilijkheden overwonnen hebben. Er moet toch érgens enige toverij zijn, om er een pikant tintje aan te geven.
    O, ja, dat ze me lieten slapen voor de eerste overgang was alleen maar om deze wilde niet krankzinnig van angst te maken. De ‘zwarte lijkbaren’ kwamen helemaal niet over — dat was posthypnotische suggestie door een expert: mijn vrouw.
    Heb ik je verteld wat er met de snoodaards gebeurde? Niets. Hun Poorten werden vernietigd; ze zijn geïsoleerd tot ze het sterrenreizen ontwikkelen. Dat is meer dan genoeg volgens de slordige normen van het Keizerrijk. Hunne Wijsheden koesteren nooit wrok.

XVIII

    Centrum is een heerlijke planeet, hij lijkt op de Aarde, maar dan zonder de fouten van de Aarde. Er is duizenden jaren aan gedokterd om er een Droomland van te maken. Van woestijnen, sneeuw en oerwoud werd genoeg gespaard voor recreatie; men heeft het klaar gespeeld overstromingen en andere rampen te voorkomen.
    Het is niet overbevolkt, maar heeft een grote bevolking voor zijn grootte — die van Mars maar met oceanen. De zwaartekracht aan de oppervlakte is ongeveer die van de Aarde (een hogere constante, voor zover ik begrepen heb.) Ongeveer de helft van de bevolking is op doorreis, omdat het vele natuurschoon en de unieke culturele bezittingen — middelpunt van twintig universa — het tot een paradijs voor toeristen maken.
    Alles wordt gedaan voor het comfort van bezoekers met de allesomvattende grondigheid van de Zwitsers maar met behulp van een technologie die op Aarde niet bekend is.
    Ster en ik hadden op een dozijn plaatsen over de hele planeet woningen (en nog talloze andere in andere universa); ze varieerden van paleizen tot een kleine vissershut, waar Ster zelf kookte. Meestal woonden we in een flat in een kunstmatige berg waar Het Ei en zijn personeel waren ondergebracht; de belendende percelen waren hallen, vergaderzalen, secretariaat, enz. Als Ster zin had om te werken wilde ze zulke dingen graag in de buurt hebben.
    Maar de ambassadeur van een stelsel of de keizer van een honderdtal stelsels die op bezoek was, had net zoveel kans om bij ons thuis uitgenodigd te worden als een landloper aan de achterdeur van een villa in Beverly Hills heeft om in de salon te worden genodigd.
    Maar als Ster hem mocht, bracht ze hem wel eens mee om ’s avonds laat een hapje te eten. Dat heeft ze eens gedaan — een grappige kabouter met vier armen en de gewoonte zijn gebaren te tapdansen. Maar ze deed niet aan officiële ontvangsten, redevoeringen, ontvangsten van Padvindsters, het leggen van eerste stenen, het uitroepen van speciale ‘Dagen’, het afleggen van ceremoniële bezoeken, het tekenen van papieren, het ontkennen van geruchten, noch aan een van die tijdverspillende zaken waaraan heersers en V.I.P.’s op Aarde doen.
    Ze raadpleegde personen, liet ze dikwijls van andere universa komen, en ze had al het nieuws van overal tot haar beschikking, georganiseerd in een systeem dat in de loop van eeuwen was ontwikkeld. Door middel van dit systeem besliste ze welke problemen aandacht verdienden. Eén chronische klacht was dat het Keizerrijk ‘levensbelangrijke kwesties’ negeerde — en dat was ook zo. Hare Wijsheid sprak zich alleen uit over problemen die ze zelf uitzocht; het kardinale punt van het systeem was dat de meeste problemen zichzelf oplosten.
    We gingen veel uit; we hielden allebei van feesten en voor Hare Wijsheid en Haar Gemaal was er keuze in overvloed. Er bestond één negatief protocol: Ster accepteerde noch bedankte voor uitnodigingen, ze kwam als ze er zin in had en stond niet toe dat er drukte om haar gemaakt werd. Dit was een drastische wijziging voor het gezelschapsleven in de hoofdstad, omdat haar voorganger een formeler protocol had opgelegd dan dat van het Vaticaan.
    Een gastvrouw klaagde tegen mij dat het sociale leven zo saai was geworden onder de nieuwe regering — kon ik daar niet wat aan doen?
    Dat deed ik. Ik ging op zoek naar Ster en vertelde haar de opmerking, waarop we vertrokken en naar een dronkemansartiestenbal gingen — een luau!
    Centrum is een dergelijk ratjetoe van culturen, rassen, gebruiken en stijlen, dat er weinig regels zijn. Het voornaamste onveranderlijke gebruik was: leg mij jóuw gebruiken niet op.
    De mensen droegen wat ze thuis gewend waren, of ze experimenteerden met andere modes; iedere bijeenkomst leek op een gekostumeerd bal zonder vastgestelde vermommingen.
    Een gast kon spiernaakt op een sjiek feest verschijnen zonder dat daar over gepraat werd — en sommigen deden dat ook, een kleine minderheid. Ik bedoel geen niet-menselijken of behaarde mensen; die dragen geen kleren. Ik bedoel mensen die er in New York in Amerikaanse kleren zouden uitzien alsof ze thuis waren — en anderen die zelfs op 1’Île du Levant de aandacht zouden trekken omdat ze helemaal geen haar hebben, zelfs geen wenkbrauwen. Dat is voor hen een bron van trots; het toont hun ‘superioriteit’ over ons behaarde apen, ze zijn er net zo trots op als de arme blanken in Georgia er trots op zijn dat ze geen negers zijn. Daarom verschijnen ze vaker naakt dan andere menselijke rassen. Ik vond hun verschijning verbijsterend, maar je raakt eraan gewend.
    Ster droeg buitenshuis kleren, dus ik ook. Ster liet nooit een gelegenheid voorbijgaan om zich op te doffen, een beminnelijke zwakheid die het soms mogelijk maakte haar Keizerlijke status te vergeten. Ze droeg nooit twee maal hetzelfde en probeerde telkens weer wat nieuws — en was teleurgesteld als ik het niet merkte. Sommige dingen die ze uitzocht zouden zelfs op een strand aan de Rivièra hartverlammingen veroorzaakt hebben. Ze vond dat het toilet van een vrouw een fiasco was tenzij de mannen het van haar lichaam wilden rukken.
    Eén van Sters meest geslaagde uitrustingen was het eenvoudigste. Rufo was toevallig bij ons en ze kreeg het plotseling in haar hoofd zich te kleden zoals we gekleed waren geweest bij de opsporing van het Ei — en patsboem er waren kostuums beschikbaar, of misschien wel naar maat gemaakt; Neviaanse kleding is bijzonder ongewoon op Centrum. Met dezelfde spoed werden bogen, pijlen en pijlkokers tevoorschijn gebracht en we waren weer Robin Hoods. Ik vond het heerlijk om Vrouwe Vivamus om te gespen; ze had sedert de grote zwarte Toren onaangeraakt aan de muur van mijn studeerkamer gehangen.
    Ster stond met haar voeten gespreid, vuisten op de heupen, hoofd achterover met glinsterende ogen en een verhit gezicht. ‘O, dit is enig! Ik voel me heerlijk, ik voel me jóng! Lieveling, beloof me, beloof me plechtig dat we op een keer weer op avontuur zullen uitgaan! Ik krijg er zo schoon genoeg van om verstandig te zijn.’
    Ze sprak Engels, omdat de taal van Centrum zich slecht leent voor dergelijke denkbeelden. Het is een mengtaal met import en wijzigingen van duizenden jaren, en heeft geen verbuigingen, is vlak.
    ‘Mij best,’ gaf ik toe. ‘Wat zeg jij ervan, Rufo? Ga je weer mee over de Roemvolle Weg?’
    ‘Als ze die geasfalteerd hebben.’
    ‘Onzin. Je gaat mee, ik ken jou. Waar en wanneer, Ster? Het komt er niet op aan ‘waarheen’ — alleen maar ‘wanneer’. Sla het feest over en laten we nu gaan.’
    Plotseling was ze niet vrolijk meer. ‘Lieveling, je weet dat ik dat niet kan. Ik ben nog niet op een derde van mijn opleiding.’
    ‘Ik had dat Ei kapot moeten slaan, toen ik het vond.’
    ‘Wees niet boos, lieveling. Laten we naar het feest gaan en pret maken.’
    Dat deden we. Reizen op Centrum geschiedt door materialisatie, kunstmatige ‘Poorten’ die geen ‘toverij’ (of misschien juist meer) vereisen; je stelt je bestemming in zoals je op een knopje in een lift drukt, dus in de steden is geen verkeersprobleem — en duizenden andere onaangename dingen zijn er ook niet. Vanavond verkoos Ster nog voor de plaats van bestemming uit te stappen, een eind door een park te lopen en een grootse entree te maken. Ze weet hoe goed een maillot haar lange benen en stevige billen doet uitkomen; ze wiegde met haar heupen als een Hindoevrouw.
    Mensen, we waren een sensatie! Er worden op Centrum geen zwaarden gedragen, behalve misschien door bezoekers. Pijlen en bogen zijn ook een rara avis. We waren zo opvallend als een geharnaste ridder op Fifth Avenue.
    Ster was zo gelukkig als een kind met nieuw speelgoed. Ik ook. Ik voelde weer wapens over mijn schouders en wilde op draken gaan jagen.
    Het was een bal dat veel leek op een bal op Aarde. (Volgens Rufo hebben alle rassen overal dezelfde recreatie: in drommen samenkomen om te dansen, te drinken en te kletsen. Hij beweerde dat herenfuiven en dameskransjes symptomen zijn van een ongezonde beschaving. Ik zal hem niet tegenspreken.) We liepen trots een staatsie-trap af, de muziek hield op, de mensen staarden en snakten naar adem — en Ster genoot ervan een sensatie te zijn. De muzikanten begonnen ongelijk weer te spelen en de gasten keerden terug tot de negatieve beleefdheden die de Keizerin gewoonlijk eiste. Maar we bleven de aandacht trekken. Ik had gedacht dat het verhaal van de Opsporing van het Ei een staatsgeheim was omdat ik er nooit over had horen praten. Maar zelfs als het wel bekend was, zou ik toch verwacht hebben dat de bijzonderheden alleen aan ons drieën bekend waren.
    Zo was het niet. Iedereen wist wat die kostuums te betekenen hadden en nog veel meer. Ik stond bij het buffet cognac naar binnen te slaan en een reuzensandwich te eten die ik zelf had verzonnen toen ik aangesproken werd door de zuster van Sheherezade, de mooie. Ze behoorde tot een van de menselijke-maar-anders-dan-wij rassen. Ze was gekleed in robijnen zo groot als je duim en redelijk ondoorschijnende stof. Ze was op blote voeten ongeveer één meter twee-en-zestig, woog misschien vijftig kilo en haar middel kon niet meer dan achtendertig centimeter geweest zijn, wat twee andere maten die dat helemaal niet nodig hadden nog beter deed uitkomen. Ze was een brunette met de scheefste ogen die ik ooit gezien had. Ze zag eruit als een mooie poes en ze keek naar me zoals een kat naar een vogeltje kijkt.
    ‘Zelf,’ verkondigde ze.
    ‘Spreek.’
    ‘Sverlani. Wereld —’ (Naam en code — ik had er nooit van gehoord.) ‘Studente Voedselontwerper, mathematico-sybaritisch.’
    ‘Omar Gordon. Aarde. Militair.’ Ik liet de identificatie van de Aarde achterwege: ze wist wel wie ik was.
    ‘Vragen?’
    ‘Vraag.’
    ‘Is zwaard?’
    ‘Is.’
    Ze keek ernaar en haar pupillen verwijdden zich. ‘Is-was zwaard vernietigen constructiebewaker Ei?’ (’Is dit hier aanwezige zwaard afgezien van theoretische afwijkingen ontstaan door de overgangen tussen universa, in opeenvolgende ruimte-tijd de directe opvolger van het zwaard dat gebruikt is om de Nooit-geborene te doden?’ De dubbele tijd van het werkwoord, tegenwoordig-verleden, bepaalt en negeert het begrip dat identiteit een onbetekenende abstractie is — is dit het zwaard dat je daadwerkelijk gebruikt hebt in de alledaagse betekenis en houd me niet voor de gek, soldaat, ik ben geen kind meer.)
    ‘Was-is,’ stemde ik toe. (Ik was er en ik garandeer dat ik het aldoor tot hier toe gevolgd heb, dus het is het nog.’)
    Ze hijgde een beetje en haar tepels werden hard. Om elke tepel was het multi-universele patroon geschilderd, of misschien wel getatoeeerd, dat we ‘De Muren van Troje’ noemen — en haar reactie was zo hevig dat Iliums wallen het weer begaven.
    ‘Aanraken?’ vroeg ze smekend.
    ‘Aanraken.’
    ‘Twéémaal aanraken?’ (’Mag ik het alsjeblieft aanraken om het te kunnen voelen? Ik wil het zo heel erg graag! Ik vraag te veel en je hebt het recht te weigeren, maar ik garandeer dat ik het niet zal beschadigen.’) — ze kunnen een heleboel zeggen met een paar woorden, maar het gaat om de manier waarop.
    Ik wilde het liever niet, niet Vrouwe Vivamus. Maar ik ben nu eenmaal als was in de handen van mooie meisjes. ‘Aanraken... tweemaal,’ gaf ik met tegenzin toe. Ik trok mijn zwaard en overhandigde het haar met de stootplaat naar haar toe, op mijn hoede om het te grijpen voor ze iemand in zijn oog of zichzelf in haar voet stak.
    Ze nam het behoedzaam aan met opengesperde ogen en open mond, greep het bij de stootplaat in plaats van bij het gevest. Ik moest het haar tonen. Haar hand was veel te klein; haar handen en voeten waren net als haar middel ultraslank. Ze ontdekte het opschrift. ‘Betekent?’
    Dum vivimus, vivamus is niet gemakkelijk te vertalen, niet omdat ze het niet zouden begrijpen, maar omdat het is als water naar de zee dragen. Hoe anders zouden ze leven? Maar ik probeerde het. ‘Tweemaal leven aanreiken. Eten. Drinken. Lachen.’
    Ze knikte bedachtzaam, stak toen in de lucht met gekromde pols en een uitstekende elleboog. Ik kon het niet verdragen, dus ik nam het haar af, zakte langzaam in een scherm-gevechtsstand, deed een hoge uitval, en herstelde me — een zo elegante beweging dat zelfs grote ruige mannen er voordelig in uitkomen. Daarom leren balletdanseressen schermen.
    Ik bracht het saluut en gaf het haar terug, en zorgde toen dat haar rechterelleboog en -pols en linkerarm op hun plaats kwamen — daarom betalen balletdanseressen maar half tarief, het is enig voor de schermmeester. Ze deed een uitval en prikte bijna een gast in zijn linkerbil.
    Ik nam het terug, wreef het af en stak het in de schede.
    ‘Zelf springen over zwaard?’
    Ik verslikte me. Als ze de betekenis ervan begreep — of als ik dat deed — werd me op de meest subtiele manier die ik op Centrum ooit had meegemaakt een oneerbaar voorstel gedaan. Gewoonlijk is het recht op de man af. Maar Ster zou de bijzonderheden van onze huwelijksceremonie toch zeker niet rondverteld hebben? Rufo? Ik had het hem niet verteld, maar Ster misschien wel.
    Toen ik niet antwoordde, maakte ze het duidelijk en dempte haar stem niet. ‘Zelf nietmaagd nietmoeder nietzwanger vruchtbaar.’
    Ik verklaarde zo beleefd als de taal toestaat, en dat is niet erg beleefd, dat ik al een afspraak had. Ze liet het onderwerp varen en keek naar mijn sandwich. ‘Bijten aanraken proeven?’
    Dat was een andere kwestie; ik gaf hem haar. Ze nam een flinke hap, kauwde nadenkend en keek aangenaam verrast.
    ‘Vreemdsoortig. Primitief. Fors. Grote onenigheid. Goede kunst.’ Toen verdween ze, me verbaasd achter latend.
    Binnen tien minuten werd de vraag me weer gesteld. Er werden me meer voorstellen gedaan dan op enig ander feest op Centrum en ik ben ervan overtuigd dat het zwaard verantwoordelijk was voor de grote vraag. Op elke bijeenkomst werden me natuurlijk voorstellen gedaan; ik was de gemaal van Hare Wijsheid. Ik had een orang-oetan kunnen zijn en dan waren me nog aanbiedingen gedaan. Sommige behaarden leken op orang-oetans en werden als gezelschap geaccepteerd, maar ik had er ook nog als een kunnen ruiken. En me slechter gedragen. De waarheid was dat vele dames nieuwsgierig waren naar waar de Keizerin mee naar bed ging en het feit dat ik een wilde, of op z’n best een barbaar was, maakte ze nog nieuwsgieriger. Er bestond geen taboe tegen het aanbod op een presenteerblaadje en ik kreeg er heel wat.
    Maar ik was nog in de wittebroodsweken. Trouwens, als ik al die voorstellen had aangenomen zou ik op mijn wenkbrauwen gelopen hebben. Maar ik vond het leuk om ze te horen toen ik eenmaal niet meer in elkaar kromp bij de ‘Soda? — of ginger ale?’ — ronduitheid er van; het is goed voor de moraal om gevraagd te worden.
    Toen we ons die avond uitkleedden zei ik: ‘Plezier gehad, schat?’
    Ster geeuwde en grinnikte: ‘Dat heb ik zeker. En jij ook, oude Padvinder. Waarom heb je dat poesje niet thuisgebracht?’
    ‘Welk poesje?’
    ‘Je weet best welk poesje. Dat je schermen leerde.’
    ‘Miauw!
    ‘Nee, nee, lieve. Je had haar moeten laten komen. Ik hoorde haar haar beroep noemen en er is een sterk verband tussen goed koken en goed —’
    ‘Vrouw, je praat te veel!’
    Ze ging van Engels over tot Neviaans. ‘Ja, Heer Echtgenoot. Ik zal geen geluid te berde brengen dat niet ongevraagd aan door liefde gekwelde lippen ontspringt.’
    ‘Geliefde Vrouwe Echtgenote... waterfee van de Zingende Wateren —’
    Neviaans is nuttiger dan het dieventaaltje dat ze op Centrum spreken.
    Centrum is een vermaakcentrum en een gemaal van een Wijsheid heeft het er heel prettig. Na ons eerste bezoek aan Sters vissershutje merkte ik op hoe prettig het zou zijn een keer terug te gaan naar die prachtige plek, de Poort waardoor we Nevia waren binnengegaan om wat forellen te vangen.
    ‘Ik wou dat het op Centrum was.’
    ‘Dat zal gebeuren.’
    ‘Ster? Zou je het willen verhuizen? Ik weet dat sommige Poorten, handelspoorten, een grote massa kunnen verwerken maar zelfs dan —’
    ‘Nee, nee. Maar net zo mooi. Laat eens kijken. Het zal een paar dagen kosten om de vorm vast te stellen en het op te meten en het luchttype te bepalen en zo voort. Waterstromingen en dat soort dingen. Maar intussen — achter die muur is niet veel bijzonders, alleen maar een krachtcentrale en zo. Zeg hier een deur en de plek waar we de vis geroosterd hebben een honderd meter verderop. Kan in een week klaar zijn, anders nemen we een andere architect. Goed?’
    ‘Ster, dat doe je niet.’
    ‘Waarom niet, lieveling?’
    ‘Het hele huis ondersteboven halen om mij een forellenbeek te bezorgen. Te gek om over te praten!’
    ‘Ik vind van niet.’
    ‘Nou, dat is het wel. Hoe dan ook, liefje, het gaat er niet om die beek hierheen te verplaatsen, maar daarheen te gaan. Een vakantie.’
    Ze zuchtte. ‘Wat zou ik graag met vakantie gaan.’
    ‘Je bent vandaag ingeprent. Je stem klinkt anders.’
    ‘Dat gaat wel over, Omar.’
    ‘Ster, je neemt er te veel achter elkaar. Je put je zelf uit.’
    ‘Misschien wel. Maar dat moet ik zelf beoordelen, zoals je weet.’
    ‘Zoals ik niet weet! Je kunt de hele vervloekte schepping beoordelen — zoals je doet en dat weet ik — maar ik, je echtgenoot, zal beoordelen of je je overwerkt en daar een stokje voorsteken.’
    ‘Lieveling, lieveling!’ Zulke incidenten kwamen te vaak voor.
    Ik was niet jaloers op haar. Met dat spook uit mijn barbaars verleden was in Nevia afgerekend, ik werd er niet meer door bezocht.
    Centrum is ook geen plaats waar je een dergelijk spook gauw zou tegenkomen. Centrum heeft zoveel huwelijksgebruiken als het beschavingen telt — duizenden. Ze vallen tegen elkaar weg. Sommige mensen daar zijn monogaam door instinct, zoals van zwanen gezegd wordt. Daarom kan dat geen ‘deugd’ worden genoemd. Zoals moed brutaliteit is die geconfronteerd wordt met angst, zo is deugd goed gedrag dat geconfronteerd wordt met verleiding. Als er geen verleiding is, kan er geen deugd zijn. Maar die onverzettelijke monogamisten vormden geen risico. Als iemand door onwetendheid een van die ingetogen dames een oneerbaar voorstel deed, liep hij het risico van een klap in zijn gezicht noch van een mes; ze zou hem afwijzen en rustig doorpraten. Het zou ook niets geven als haar echtgenoot het hoorde; jaloezie komt niet voor bij een automatisch monogaam ras. Niet dat ik het ooit op de proef gesteld heb; voor mij leken ze op — en roken ze naar — bedorven brooddeeg. Waar geen verleiding bestaat is ook geen deugd.
    Maar ik had gelegenheden om ‘deugd’ te tonen. Dat katje met de wespentaille had me in verleiding gebracht — en ik hoorde dat ze tot een beschaving behoorde waar vrouwen niet mogen trouwen voor ze bewezen hebben vruchtbaar te zijn, zoals in streken van de Zuidzee en bepaalde plaatsen in Europa; zij brak geen taboes van haar stam. Ik werd nog meer in verleiding gebracht door een andere griet, een liefje met een prachtig figuur, een geweldig gevoel voor humor, en een van de beste danseressen in welk universum dan ook. Ze timmerde niet aan de weg; ze liet me alleen maar weten dat ze het noch te druk had noch ongeïnteresseerd was, waarbij ze dat bargoens bekwaam, indirect gebruikte.
    Dat was verkwikkend. Echt ‘Amerikaans’. Ik informeerde naar de gebruiken van haar stam en ontdekte dat ze hoewel strikt waar het het huwelijk betrof, anderszins veel door de vingers zagen. Ik zou nooit in aanmerking komen als schoonzoon, maar het raam stond open al was de deur dan op slot.
    Dus piepte ik ‘m. Ik pleegde zelfonderzoek en moest nieuwsgierigheid bekennen die net zo ziekelijk was als die van alle vrouwen die me voorstellen hadden gedaan alleen omdat ik Sters gemaal was. De lieve kleine Zhai-ee was een van hen die geen kleren dragen. Die had ze altijd aan; van de punt van haar neus tot aan haar kleine teentjes was ze bedekt door zacht, glad, grijs bont, dat opmerkelijk op chinchilla leek. Prachtig!
    Ik had het hart niet, ze was een veel te aardig kind. Maar deze verleiding bekende ik aan Ster — en Ster liet vriendelijk doorschemeren dat ik zaagsel in mijn hoofd moest hebben; Zhai-ee was zelfs onder haar eigen volk, welks leden beschouwd werden als zeer talentvolle aanbidders van Eros, een opmerkelijk artieste.
    Ik bleef ‘m piepen. Bij een stoeipartijtje met zo’n lief kind zou liefde, althans een beetje liefde betrokken moeten zijn en het was geen liefde, alleen maar die mooie pels — en de angst dat een stoeipartijtje met Zhai-ee liefde zou kunnen worden — ze kon niet met me trouwen, zelfs al zou Ster me vrij laten.
    Of me niet zou vrij laten — Centrum heeft geen wet tegen polygamie. Er zijn godsdiensten die wetten hebben voor en tegen zus en zo maar deze mengelmoes van beschavingen heeft talloze godsdiensten en die heffen elkaar op zoals tegenstrijdige gebruiken. Culturologisten stellen een ‘wet’ van godsdienstvrijheid waarvan ze zeggen dat die onveranderlijk is: godsdienstvrijheid in een cultureel geheel is omgekeerd evenredig aan de kracht van de sterkste godsdienst. Dit wordt geacht een geval van algemene onveranderlijkheid te zijn, dat alle vrijheden voortkomen uit culturele tegenstrijdigheden omdat een gebruik waar geen neutraliserend gebruik tegenover staat verplichtend is en altijd als een ‘natuurwet’ beschouwd wordt.
    Rufo was het daar niet mee eens; hij zei dat zijn collega’s vergelijkingen op stelden met termen die niet te berekenen en niet te definiëren waren — gaatjes in hun hoofd! — en dat vrijheid nooit meer was dan een gelukkig toeval omdat de huis-tuin-of-keuken-idioot, alle menselijke rassen, alle vrijheid haat en vreest, niet alleen voor zijn naasten maar ook voor zichzelf en het vernietigt waar dat maar mogelijk is. Terug naar Onderwerp ‘A’ — Centrumbewoners gebruiken alle soorten huwelijksovereenkomsten. Of geen enkel. Ze beoefenen huiselijk verkeer, coïtus, voortplanting, vriendschap en liefde — maar niet noodzakelijkerwijs allemaal tegelijk, noch met dezelfde persoon. Overeenkomsten konden zo ingewikkeld zijn als bedrijfsfusies, met vermelding van duur, doel, verplichtingen, verantwoordelijkheden, aantal en sekse van de kinderen, methoden om het geslacht te bepalen, of er koekoeksmoeders gehuurd zouden worden, voorwaarden voor de opzegging en de mogelijkheid van verlenging — alles, behalve ‘huwelijkstrouw’. Het is een axioma dat dit niet verplicht kan worden en daarom niet in een contract kan worden opgenomen.
    Maar huwelijkstrouw komt daar meer voor dan op Aarde: het wordt alleen niet in de wet opgenomen. Ze hebben een oud spreekwoord dat luidt Vrouwen en Katten. Het betekent: ‘Vrouwen en Katten doen waar ze zin in hebben en mannen en honden moeten zich daar maar bij neerleggen’. Er is ook een pendant! Mannen en het Weer, dat rechter op de man af is en zeker zo oud, want het weer hebben ze al lang onder controle.
    De gebruikelijke overeenkomst is geen overeenkomst: hij brengt zijn kleren naar haar huis en blijft er wonen — tot ze hem buiten de deur smijt. Deze vorm staat in hoog aanzien vanwege zijn stabiliteit: een vrouw die ‘zijn schoenen wegwerpt’ heeft het moeilijk om een andere man te vinden die moedig genoeg is het risico van haar humeur te dragen. Mijn ‘overeenkomst’ met Ster was niet meer dan dat, als overeenkomsten, wetten en gebruiken van toepassing waren op de Keizerin, wat ze niet waren en niet konden zijn. Maar dat was niet de bron van mijn toenemend gevoel van onbehagen.
    Geloof me, ik was niet jaloers.
    Maar ik tobde in toenemende mate over die doden die zich in haar gedachten verdrongen.
    Op een avond toen we ons kleedden voor de een of andere fuif snauwde ze tegen me. Ik had er over gebabbeld hoe ik mijn dag had doorgebracht, ik werd onderwezen in mathematica en ik was ongetwijfeld zo onderhoudend geweest als een kind dat het heeft over zijn dag op de kleuterschool. Maar ik was enthousiast, er opende zich een nieuwe wereld voor me — en Ster was altijd geduldig.
    Maar ze snauwde tegen me in een baritonstem.
    Ik verstijfde. ‘Je bent vandaag ingeprent!’
    Ik kon voelen dat ze overschakelde. ‘O, vergeef me, lieveling! Nee, ik ben mezelf niet. Ik ben Zijne Wijsheid CLXXXII.’
    Ik rekende snel. ‘Dat zijn er veertien die je opgenomen hebt sinds de Tocht — en in alle jaren daarvoor heb je er maar zeven opgenomen. Wat probeer je verdomme te doen? Jezelf verteren? Een idioot worden?’
    Ze wilde me bijtend van repliek dienen. Toen antwoordde ze zacht: ‘Nee, zoiets riskeer ik niet.’
    ‘Ik heb wel anders gehoord.’
    ‘Wat jij gehoord mag hebben legt geen gewicht in de schaal, Omar, want niemand anders kan — mijn capaciteit beoordelen noch wat het betekent een inprenting te ondergaan. Tenzij je met mijn erfgenaam hebt gepraat?’
    ‘Nee.’ Ik wist dat ze hem uitgekozen had en ik nam aan dat hij een of twee inprentingen had ondergaan — een standaardvoorzorgsmaatregel tegen moord. Maar ik had hem niet ontmoet, wilde dat ook niet en wist niet wie hij was.
    ‘Vergeet dan wat ze je verteld hebben. Het heeft geen enkele betekenis.’ Ze zuchtte. ‘Maar lieveling, als je het niet erg vindt, ga ik vanavond maar niet; het is veel beter als ik naar bed ga en ga slapen. Die oude Stinkerd CLXXXII is de onaangenaamste persoon die ik ooit geweest ben — een briljant succes in een kritieke tijd — je moet over hem lezen. Maar innerlijk was hij een opvliegend beest dat de mensen haatte die hij hielp. Hij zit vers in mijn geheugen, ik moet hem onder bedwang houden.’
    ‘Oké, laten we naar bed gaan.’
    Ster schudde het hoofd. ‘Slapen,’ zei ik. ‘Ik zal auto-suggestie gebruiken en dan weet je morgenochtend niet meer dat hij er ooit geweest is. Ga jij maar naar het feest. Zoek een avontuurtje en vergeet dat je een lastige vrouw hebt.’
    Ik ging, maar ik was veel te veel uit mijn humeur om zelfs maar te denken aan ‘avontuurtjes’.
    De Oude Naarling was de ergste niet. Ik kan me wel staande houden in een ruzie — en Ster, al was ze nog zo’n Amazone, was niet groot genoeg om me de baas te zijn. Als ze wild ging spelen zou ze eindelijk dat pak rammel krijgen. Ik hoefde ook niet bang te zijn voor tussenkomst van de wakers; dat was van het begin af aan afgesproken: als we samen alleen waren, waren we onder ons. Een derde er bij wijzigde dat en Ster alleen had ook geen privacy, zelfs in haar bad niet. Of haar bewakers mannen of vrouwen waren weet ik niet en dat zou haar ook niet hebben kunnen schelen. De bewakers waren nooit zichtbaar. Dus onze kibbelpartijtjes waren privé en deden ons allebei misschien wel goed, als een tijdelijke opluchting.
    Maar ‘de Heilige’ was moeilijker te aanvaarden dan de Oude Naarling. Hij was Zijne Wijsheid CXLI en zo vervloekt nobel en geestelijk en vromer-dan-gij dat ik drie dagen ging vissen.
    Ster zelf was sterk en opgekikkerd en vol levenslust; die vent dronk niet en rookte niet en kauwde geen kauwgum en uitte nooit een onvriendelijk woord — je kon Sters stralenkrans bijna zien, zo lang ze onder zijn invloed was. Wat erger was, hij had seks afgezworen toen hij zich aan de Universa wijdde en dit had een verbijsterende invloed op Ster; lieve onderworpenheid was haar stijl niet. Dus ging ik vissen.
    Er is één goed ding van de Heilige te zeggen. Ster zegt dat hij de minst geslaagde keizer in die hele lange linie geweest is, met een talent om het verkeerde te doen uit vrome overwegingen, dus van hem heeft ze meer geleerd dan van ieder ander; hij beging iedere vergissing die er maar begaan kon worden. Hij werd na slechts vijftien jaar door van walging vervulde klanten vermoord, wat niet lang genoeg is om van zo iets logs als een multi-universum keizerrijk een komplete rotzooi te maken.
    Zijne Wijsheid CXXXVII was een Zij — en Ster was twee dagen afwezig. Toen ze thuis kwam verklaarde ze dat. ‘Ik moest wel, lieve. Ik had altijd gedacht dat ik een woeste teef was — maar zij schokte mij zelfs.’
    ‘Hoe dan?’
    ‘Dat zeg ik niet, meneer. Ik heb mezelf intensief behandeld om haar zo ver te begraven dat je haar nooit zult tegenkomen.’
    ‘Ik ben nieuwsgierig.’
    ‘Dat weet ik en daarom heb ik haar een staak door het hart gedreven — helemaal niet leuk, ze was een directe voorouder van me. Maar ik was bang dat je haar liever zou mogen dan mij. Die onuitsprekelijke slet!’
    Ik ben nog steeds nieuwsgierig.
    De meesten van hun waren niet zulke vervelende kerels. Maar ons huwelijk zou gladder verlopen zijn als ik nooit geweten had dat ze er waren. Het is gemakkelijker om een vrouw te hebben die een beetje getikt is dan een vrouw die enkele pelotons is — voornamelijk mannen. Hun geestelijke aanwezigheid te beseffen, zelfs als Sters eigen persoonlijkheid de boventoon voerde, deed mijn libido geen goed. Maar ik moet toegeven dat Ster het mannelijke standpunt beter begreep dan welke vrouw in welke geschiedenis dan ook. Ze hoefde er niet naar te raden wat een man prettig zou vinden; ze wist er meer van af dan ik, uit ‘ondervinding’ — en ze kende absoluut geen remmingen om haar unieke kennis te delen.
    Ik hoorde niet te klagen.
    Maar dat deed ik wel, ik nam het haar kwalijk dat ze al die andere mensen was. Ze verdroeg mijn onredelijke klachten beter dan ik verdroeg wat ik voelde als een onrecht in mijn situatie tegenover die troep geesten.
    Die geesten waren niet het ergste roet in het eten. Ik had geen baan. Ik bedoel niet van-negen-tot-vijf en het gras maaien op zaterdag en ’s avonds dronken worden in de club; ik bedoel dat ik geen doel had. Heb je wel eens naar een leeuw in een dierentuin gekeken? Vers vlees op tijd, vrouwtjes ter beschikking, geen jagers om je druk over te maken — hij heeft het voor elkaar, vind je niet?
    Waarom ziet hij er dan zo verveeld uit ?
    In het begin wist ik niet dat ik met een probleem worstelde. Ik had een mooie en liefhebbende vrouw; ik was zo rijk dat het niet eens te tellen was; ik woonde in een uiterst luxueus huis in een stad die mooier was dan enige op Aarde; iedereen die ik ontmoette was aardig tegen me; en wat het beste was op alleen maar mijn geweldige vrouw na, ik had grenzeloze gelegenheden om ‘te gaan studeren’ op een wonderbaarlijke en on-Aardse manier zonder noodzaak om achter een bal aan te hollen. Noch achter een bul. Ik hoefde nooit op te houden en had alle denkbare hulp. Ik bedoel, stel je voor dat Albert Einstein alles laat schieten om jou met je algebra te helpen, maat, of dat de Rand Corporation en General Electric samenwerken om visuele hulpmiddelen te verzinnen om iets voor jou wat gemakkelijker te maken.
    Dat is grotere luxe dan rijkdom.
    Ik merkte al spoedig dat ik de oceaan niet kon leegdrinken, al werd die aan mijn lippen gehouden. Alleen al op Aarde is de kennis zo uit de hand gelopen dat niemand alles kan begrijpen — je kunt dus wel raden wat een hoeveelheid er is in Twintig Universa, ieder met zijn eigen wetten, zijn eigen geschiedenis en alleen Ster weet hoeveel beschavingen.
    In een taartjeswinkel wordt er bij het personeel op aangedrongen zoveel te snoepen als ze willen. Ze krijgen er gauw genoeg van.
    Ik heb er nooit volkomen genoeg van gekregen; kennis heeft meer afwisseling. Maar mijn studie had geen doel. De Geheime Naam van God is net zo min te vinden in twintig universa als in één — en alle andere onderwerpen zijn net zo moeilijk tenzij je een natuurlijke aanleg hebt.
    Ik had geen aanleg, ik was een dilettant — en dat realiseerde ik me toen ik merkte dat mijn leermeesters zich met me verveelden. Dus liet ik de meeste van hun gaan, hield me aan wiskunde en multi-universum-geschiedenis, hield er mee op te trachten alles te weten.
    Ik dacht erover in zaken te gaan. Maar om dat prettig te vinden moet je van huis uit een zakenman zijn (dat ben ik niet). Of je moet geld nodig hebben. Ik had geld; ik kon het alleen maar verliezen — of, als ik winst maakte, zou ik nooit weten of het bevel verspreid was (door welke regering dan ook, waar dan ook): Ga niet tegen de gemaal van de Keizerin in, wij zullen je verlies wel goed maken.
    Het was hetzelfde met pokeren. Ik introduceerde het spel en het kwam er snel in — en ik merkte dat ik het niet langer spelen kon. Pokeren moet je ernstig nemen anders is er niets aan — maar als je een oceaan met geld hebt, komt het er niets op aan of je er een paar druppels uithaalt of aan toevoegt. Ik moet wat uitleggen — de ‘civiele lijst’ van Hare Wijsheid is misschien niet zo groot geweest als de uitgaven van vele mensen op Centrum; het is een gemeenschap van rijke mensen. Maar hij was zo groot als Ster wilde, een bodemloze put met schatten. Ik weet niet hoeveel werelden het gelag betaalden, maar laten we zeggen twintig duizend met ieder drie miljard bewoners — het was meer dan dat.
    Een cent de man van 60.000.000.000.000 mensen is zeshonderd miljard gulden. De cijfers betekenen niets behalve om aan te tonen dat het zelfs als je het zo verdeelt dat niemand er wat van merkt meer geld betekent dan ik aankon. Sters niet-regering van haar niet-Keizerrijk was dunkt me, een uitgave — maar haar persoonlijke uitgaven en de mijne, hoe weelderig die ook waren, deden niets ter zake.
    Koning Midas verloor zijn belangstelling voor zijn spaarpot. Ik ook.
    O, ik gaf wel geld uit. (Ik raakte het nooit aan — dat was niet nodig.) Onze ‘flat’ (ik wil het geen paleis noemen) — ons huis had een gymnastieklokaal, met meer verbeeldingskracht gebouwd dan de gymnastiekzaal van welke universiteit dan ook; ik liet er een salle d’armes bijbouwen en schermde veel, bijna iedere dag, met allerlei wapens. Ik liet schermdegens maken die overeenkwamen met Vrouwe Vivamus en de beste schermmeesters uit diverse werelden kwamen me om de beurt helpen. Ik liet er ook een schietterrein bijbouwen en liet mijn boog halen uit de Poort-grot in Karth-Hokesh en oefende me in boogschieten en andere schutterswapens. O, ik gaf zoveel geld uit als ik wilde.
    Maar het was helemaal niet zo leuk.
    Op een dag zat ik in mijn studeerkamer niets anders te doen dan te piekeren terwijl ik met een kom vol juwelen speelde. Ik had een poos met het ontwerpen van juwelen gehannest. Ik had er op de middelbare school belang in gesteld: ik had een zomer bij een juwelier gewerkt. Ik kan tekenen en werd gefascineerd door mooie stenen. Hij had me boeken geleend en ik haalde er meer uit de bibliotheek — en één keer heeft hij een ontwerp van me gebruikt.
    Ik had een Roeping.
    Maar juweliers worden niet uitgesloten van de militaire dienst, dus ik liet het schieten — tot Centrum.
    Begrijp je, ik kon Ster geen geschenk geven tenzij ik het zelf maakte. Dat deed ik dus. Ik maakte namaak-juwelierswerk van echte stenen, bestudeerde het (hulp van experts zoals gebruikelijk), liet een overvloedige verzameling stenen komen, tekende ontwerpen, zond stenen en tekeningen op om gemaakt te worden.
    Ik wist dat Ster dol was op kleren met juwelen; ik wist dat ze ze graag ondeugend had — niet in de zin van het overtreden van taboes, die waren er niet — maar provocerend, de natuur willen overtreffen, de aandacht op datgene vestigend dat het nauwelijks nodig had.
    De dingen die ik ontworpen had zouden op hun plaats geweest zijn in een Franse revue — maar van echte stenen. Saffieren en goud stonden goed bij Sters blonde schoonheid en die had ik gebruikt. Maar ze kon iedere kleur dragen en ik had ook andere juwelen gebruikt.
    Ster was verrukt van mijn eerste poging en droeg het die avond. Ik was er trots op; ik had het ontwerp uit mijn geheugen nagemaakt van een kostuum dat gedragen werd door een revue-meisje in een nachtclub in Frankfurt op de eerste dag dat ik gedemobiliseerd was — iets van een lendedoek, een lange doorschijnende rok die aan een kant vanaf de heup openviel en met lovertjes erop (ik gebruikte saffieren), iets dat geen bustehouder was maar een blikvanger, helemaal bezet met juwelen en een bijpassend dingsigheidje in haar haar. Gouden sandalen met hoge saffieren hakken. Ster was van harte dankbaar voor andere die er op volgden. Maar ik kwam iets te weten. Ik ben geen juwelen-ontwerper.
    Ik zag geen kans om de beroepsmensen te evenaren die hun waren verkochten aan de rijken op Centrum. Ik besefte al spoedig dat Ster mijn ontwerpen droeg omdat ze een geschenk van mij waren, net zoals mammie de tekeningen die zoontjelief van de kleuterschool mee naar huis brengt tegen de muur plakt. Dus hield ik er mee op.
    Die kom met juwelen slingerde al wekenlang in mijn studeerkamer rond — vlammende opalen, sardonyx, kornalijnen, diamanten en turkooisen en robijnen, maanstenen en saffieren en granaten, groene olivijnen, smaragden, chrysolieten — vele, die geen Engelse namen hadden. Ik liet ze door mijn vingers lopen, keek naar de veelkleurige vuurvallen en had medelijden met mezelf. Ik vroeg me af hoeveel die mooie knikkertjes op Aarde zouden kosten? Ik kon het op geen miljoen dollar schatten.
    Ik borg ze ’s avonds niet eens achter slot en grendel. En ik was die vent die zijn studie moest afbreken bij gebrek aan lesgeld en ballen gehakt.
    Ik schoof ze opzij en liep naar mijn raam — dat was er omdat ik tegen Ster gezegd had dat ik het niet prettig vond dat er geen raam in mijn studeerkamer was. Dat was kort na mijn aankomst en ik heb maanden later pas ontdekt wat er allemaal tegen de grond gegooid was om mij te behagen. Ik had gedacht dat ze gewoon een gat in de muur gemaakt hadden.
    Het was een prachtig uitzicht, meer een park dan een stad, bezaaid maar niet volgepropt met mooie gebouwen. Het was moeilijk om te beseffen dat het een stad was die groter was dan Tokio; het ‘geraamte’ zag je niet en de bevolking werkte wel een halve planeet verderop.
    Er klonk een gemurmel zacht als bijengezoem, zoals het gedempte gedender dat je in New York nooit ontvluchten kunt — maar zachter, net voldoende om me te realiseren dat ik omgeven was door mensen, ieder met zijn baan, zijn doel, zijn functie.
    Mijn functie? Gemaal.
    Gigolo!
    Ster had, zonder het zich te realiseren, prostitutie ingevoerd in een wereld die dat nooit gekend had. Een onschuldige wereld, waar man en vrouw alleen maar samen naar bed gingen omdat ze dat allebei wilden.
    Een prins-gemaal is geen prostitué. Hij heeft zijn werk en dat is vaak vervelend; zijn doorluchtige levensgezellin vertegenwoordigen, eerste stenen leggen, redevoeringen afsteken. Bovendien is het zijn plicht er als koninklijke dekhengst voor te zorgen dat de tak niet uitsterft.
    Dat had ik allemaal niet. Zelfs niet de plicht om Ster aangenaam bezig te houden — verdorie, binnen een straal van vijftien kilometer waren er miljoenen mannen die de gelegenheid met beide handen zouden aangrijpen.
    De avond tevoren was een rotavond geweest. Het was slecht begonnen en het werd een van die bedsermoenen die echtparen soms afsteken en die lang niet zo gezond zijn als een laaiende ruzie. Wij hadden het gedaan, net zo huiselijk als een werkende idioot die zich zorgen maakt over rekeningen en over de baas.
    Ster had iets gedaan wat ze nooit eerder gedaan had: ze had werk mee naar huis genomen. Vijf mannen, die betrokken waren bij de een of andere inter-melkweg herrie — ik heb nooit geweten waar het over ging, want het gesprek had al uren geduurd en soms spraken ze een taal die ik niet kende. Ze negeerden me, ik was een meubelstuk. Op Centrum wordt zelden voorgesteld; als je tegen iemand wilt praten, zeg je ‘Zelf’ en wacht af. Als hij geen antwoord geeft, loop je verder. Als hij dat wel doet, wissel je identiteiten uit.
    Dat deden ze geen van allen en ik zou vervloekt zijn als ik er mee begon. Als vreemdelingen in mijn huis stond het aan hun. Maar ze gedroegen zich niet alsof het mijn huis was. Ik zat daar als de Onzichtbare Man en werd steeds nijdiger. Ze bleven redeneren terwijl Ster luisterde. Even later liet ze haar kameniersters komen en die begonnen haar uit te kleden en haar haar te borstelen. Centrum is geen Amerika, ik had geen reden om geschokt te zijn. Wat ze deed was onbeschoft tegenover hen, ze behandelde hén als meubelstukken (het was haar niet ontgaan hoe ze mij behandeld hadden). Een van hun zei humeurig: ‘Uwe Wijsheid, ik wou dat U luisterde, zoals U beloofd hebt.’
    Ster zei koeltjes: ‘Ik beoordeel mijn eigen gedrag. Daar is niemand anders toe in staat.’
    Dat was waar. Zij kon haar gedrag beoordelen, die kerels niet. En ik ook niet, besefte ik bitter. Ik was boos op haar geweest (zelfs al wist ik dat het er niet op aan kwam) omdat ze haar meisjes geroepen had en zich gereed maakte om naar bed te gaan, waar die uilskuikens bij waren — en ik had me voorgenomen haar te zeggen dat dat niet nog eens moest voorkomen. Ik besloot dit punt niet aan de orde te brengen.
    Kort daarna bracht Ster ze tot zwijgen. ‘Hij heeft gelijk. U heeft ongelijk. Regel het op die manier. Verdwijn.’
    Maar ik had me wel voorgenomen het zijdelings ter sprake te brengen door er bezwaar tegen te maken dat ze ‘neringdoenden’ mee naar huis bracht.
    Ster was me voor. Ogenblikkelijk toen we alleen waren zei ze: ‘Liefste, vergeef me. Ik had er in toegestemd die dwaze warboel aan te horen en ze bleven het maar rekken en toen dacht ik dat ik er snel een eind aan zou kunnen maken als ik ze maar uit hun stoelen kreeg en ze hier liet staan en ze duidelijk maakte dat het me de keel uithing. Ik had nooit gedacht dat ze nog een uur zouden blijven twisten voor dat ik het kardinale punt eruit had gekregen. En ik wist, dat als ik het tot morgen zou uitstellen ze er dan weer uren over zouden blijven doorgaan. Maar het was een belangrijk probleem, ik kon het niet laten schieten.’ Ze zuchtte. ‘Die belachelijke vent — toch klauteren dergelijke mensen naar topposities. Ik heb erover gedacht hem in het belang van het bedrijf te laten doden. In plaats daarvan moest ik hem zijn fout laten herstellen, anders zou dezelfde situatie weer ontstaan.’
    Ik kon er niet eens op zinspelen dat ze het oordeel dat ze geveld had, geveld had uit ergernis; de man over wie ze gekankerd had was degene in wiens voordeel ze had beslist. Dus zei ik, ‘Laten we naar bed gaan, je bent moe,’ — en toen was ik zo stom niet te kunnen nalaten zelf een oordeel over haar te vellen.

XIX

    We gingen naar bed.
    Even later zei ze: ‘Omar, je bent ontstemd.’
    ‘Dat heb ik niet gezegd.’
    ‘Dat kan ik voelen. Het gaat ook niet alleen om vanavond en die vervelende kwibussen. Je hebt je teruggetrokken en voelt je ongelukkig.’ Ze wachtte.
    ‘Er is niets.’
    ‘Omar, iets wat jou bekommert kan voor mij nooit ‘niets’ zijn. Hoewel ik het misschien niet besef voor ik weet wat het is.’
    ‘Nou dan — ik voel me zo vervloekt nutteloos!
    Ze legde haar zachte, sterke hand op mijn borst. ‘Voor mij ben je niet nutteloos. Waaróm voel je jezelf nutteloos?’
    ‘Nou — kijk eens naar dit bed!’ Het was een bed waarvan Amerikanen nooit gedroomd hebben; het kon alles behalve je een nachtkus geven — en, net als de stad, was het mooi, je zag het geraamte niet. ‘Deze brits zou thuis meer kosten — als ze het al zouden kunnen maken — dan het beste huis waar mijn moeder ooit in gewoond heeft.’
    Daar dacht ze over na. ‘Zou je geld naar je moeder willen sturen?’ Ze gebaarde naar de communicator naast het bed. ‘Is Elmendorf, Amerikaanse Luchtbasis genoeg als adres?’
    (Ik herinnerde me niet dat ik haar ooit verteld had waar Moeder woonde.) ‘Nee, nee!’ Ik gebaarde naar de spreekbuis en schakelde hem daarmee uit. ‘Ik wil haar geen geld sturen. Haar echtgenoot onderhoudt haar. Hij zou geen geld van mij aannemen. Daar gaat het ook niet om.’
    ‘Dan begrijp ik nog niet waar het om gaat. Bedden komen er niet op aan, het gaat er om wie er in ligt. Mijn lieveling, als je niet van dit bed houdt, nemen we een ander. Of we gaan op de vloer slapen. Bedden zijn niet belangrijk.’
    ‘Dit bed is oké. Het enige dat er verkeerd aan is, is dat ik het niet betaald heb. Dat heb jij gedaan. Dit huis. Mijn kleren. Het voedsel dat ik eet. Mijn — mijn speelgoed! Alles wat ik verdomme bezit, heb ik van jou gekregen. Weet je wat ik ben, Ster? Een gigolo! Weet je wat een gigolo is? Een enigszins-mannelijke prostitué.’
    Een van de meest ergerlijke gewoonten van mijn vrouw was soms te weigeren terug te snauwen als ze wist dat mijn handen jeukten om ruzie te maken. Ze keek me bedachtzaam aan. ‘In Amerika is het druk, hè? Iedereen werkt daar altijd, vooral de mannen.’
    ‘Nou... ja.’
    ‘Dat is niet overal gebruikelijk, zelfs op de Aarde niet. Een Fransman voelt zich niet ongelukkig als hij niets te doen heeft; hij bestelt nog een café au lait en laat de schoteltjes opstapelen. En ik ben ook niet zo dol op werken. Omar, ik heb onze avond bedorven uit luiheid, omdat ik er te veel op uit was te voorkomen dat ik morgen met een vermoeiende taak opnieuw beginnen moest. Die fout zal ik niet nog eens maken.’
    ‘Ster, dat geeft niet. Dat is voorbij.’
    ‘Dat weet ik. Het eerste geschilpunt is maar zelden het kardinale punt. Noch het tweede. Noch, soms, het tweeëntwintigste. Omar, je bent geen gigolo.’
    ‘Hoe noem jij het dan? Als het lijkt op een eend en kwaakt als een eend en zich gedraagt als een eend, noem ik het een eend. Noem jij het maar een bos rozen. Hij kwaakt toch nog.’
    ‘Nee. Dit allemaal om ons heen —’ Ze gebaarde. ‘Het bed. Dit mooie vertrek. Het voedsel dat we eten. Mijn kleren en de jouwe. Onze prachtige vijvers. De nacht-hofmeester die op wacht staat omdat jij of ik misschien wel een zangvogel of een rijpe meloen zouden willen hebben. Onze hangende tuinen. Alles wat we zien of aanraken of gebruiken of van houden — en nog duizend maal zoveel in verre landen, dat alles heb jij met je eigen sterke handen verdiend; het is rechtens van jou.’
    Ik snoof. ‘Het is zo,’ hield ze vol. ‘Dat was onze overeenkomst. Ik beloofde je grote avonturen en grotere schatten en nog grotere gevaren. Je stemde er mee in. Je hebt gezegd: ‘Prinses, je hebt een knaap in dienst genomen.’ Ze glimlachte. ‘En wat voor een knaap. Lieveling, ik geloof dat de gevaren groter waren dan jij dacht... dus was ik, tot nu toe, blij dat de schatten groter zijn dan je ooit had kunnen denken. Schrik er dus alsjeblieft niet voor terug ze aan te nemen. Je hebt ze verdiend, en meer dan dat — zoveel als je ooit zult willen aannemen.’
    ‘Eh — zelfs al heb je gelijk, dan is het nog te veel. Ik verdrink in suikergoed!’
    ‘Maar, Omar, je hoeft niets te accepteren wat je niet hebben wilt. We kunnen eenvoudig leven. In één kamer met een opklapbed tegen de muur als je dat graag wilt.’
    ‘Dat is geen oplossing.’
    ‘Misschien wil je liever vrijgezellenkamers, in de stad?’
    ‘ ‘Mijn schoenen wegwerpen’, hè?’
    Ze zei zonder stemverheffing: ‘Mijn echtgenoot, als je schoenen ooit worden weggeworpen, zul je ze zelf moeten wegwerpen. Ik ben over je zwaard gesprongen. Ik zal niet terugspringen.’
    ‘Kalmpjes aan!’ zei ik. ‘Het was jouw voorstel. Als ik het verkeerd begrepen heb, spijt me dat. Ik weet dat je je woord niet breekt. Maar je zou er spijt van kunnen hebben.’
    ‘Ik heb er geen spijt van. Jij wel?’
    ‘Nee, Ster, nee! Maar —’
    ‘Dat is een lang zwijgen na zo’n kort woord,’ zei ze. ernstig. ‘Wil je het me vertellen?’
    ‘Eh... dat is het juist. Waarom heb jíj het mij niet verteld?’
    ‘Wat verteld, Omar? Er zijn zoveel dingen te vertellen.’
    ‘Nou, een heleboel. Wat me te wachten stond. Dat jij de Keizerin van het hele spul bent in de eerste plaats... voor dat je me met je over het zwaard liet springen.’
    Haar gezicht veranderde niet maar er rolden tranen over haar wangen. ‘Ik zou kunnen antwoorden dat je het me niet gevraagd hebt —’
    ‘Ik wist niet wat ik moest vragen!’
    ‘Dat is waar. Ik zou naar waarheid kunnen verzekeren dat ik geantwoord zou hebben als je er naar gevraagd had. Ik zou kunnen aanvoeren dat ik je niet over het zwaard ‘liet’ springen, dat je al mijn tegenwerpingen van je afschoof, dat het niet nodig was me de eer van een huwelijk volgens de wetten van jouw volk aan te doen... dat ik een meid was waar je naar welgevallen mee naar bed kon gaan. Ik zou erop kunnen wijzen dat ik geen keizerin ben, niet koninklijk, maar een werkende vrouw met een baan die haar zelfs de luxe van nobel zijn niet toestaat. Dat is allemaal waar. Maar ik zal me er niet achter verstoppen. Ik zal je vraag beantwoorden.’ Ze ging over op het Neviaans. ‘Heer Held, ik vreesde zeer dat je me zou verlaten als ik me niet aan je wil onderwierp!’
    ‘Vrouwe Echtgenote, heb je werkelijk gedacht dat je ridder je in het uur van je nood zou verlaten?’ Ik vervolgde in het Engels: ‘Nou, dat doet de deur dicht. Je bent met me getrouwd omdat dat vervloekte Ei heroverd moest worden en Jouw Wijsheid je zei dat ik nodig was voor dat karwei — en ‘m wel eens zou kunnen smeren als je het niet deed. Nou, Uwe Wijsheid is niet pienter geweest op dat punt; ik ga er niet vandoor. Dom van me, maar ik ben halsstarrig.’ Ik begon op te staan.
    ‘Heer Geliefde!’ Ze huilde nu openlijk.
    ‘Neem me niet kwalijk. Ik moet een paar schoenen opzoeken. Kijken hoever ik ze weg kan werpen.’ Ik was zo onhebbelijk als alleen een man kan zijn wiens trots gekrenkt is.
    ‘Alsjeblieft, Omar, alsjeblieft. Luister eerst naar me.’
    Ik slaakte een zucht. ‘Ga je gang.’
    Ze greep mijn hand zo stevig dat ik vingers verloren zou hebben als ik getracht had me los te trekken. ‘Hoor me tot het einde toe aan. Mijn geliefde, dat was het helemaal niet. Ik wist dat je onze speurtocht niet zou opgeven voor het volbracht was of we dood waren. Dat wist ik. Niet alleen had ik rapporten gehad die jaren bestreken toen ik je nog nooit gezien had, maar we hadden samen blijdschap gekend en gevaar en ontberingen; ik kende je moed. Maar als het nodig was geweest had ik je kunnen omspinnen met een net van woorden, je kunnen overhalen toe te stemmen in alleen maar een verloving — tot na de tocht. Je bent romantisch, je zou er in toegestemd hebben. Maar lieveling, lieveling, ik wilde met je trouwen... je aan me binden volgens jouw wetten, zodat’ — ze zweeg om tranen terug te dringen — ‘zodat, wanneer je dat en dat en dat alles en de dingen die je ‘je speelgoed’ noemt zag, tóch nog bij me zou willen blijven. Het was geen politiek, het was liefde — romantische en onberedeneerde liefde, liefde voor je eigen lieve persoon.’
    Ze verborg haar gezicht in haar handen en ik kon haar nauwelijks verstaan. ‘Maar ik weet zo weinig van liefde. Liefde is een vlinder, die neerstrijkt waneer het hem zint, vertrekt wanneer hij verkiest; hij wordt nooit door ketenen gebonden. Ik heb gezondigd. Ik heb getracht je te binden. Onrechtvaardig wist ik dat het was, wreed tegenover jou begrijp ik nu dat het is.’ Ster keek op met een bittere glimlach. ‘Zelfs Hare Wijsheid ontbreekt het aan wijsheid als het er op aankomt vrouw te zijn. Maar wat een dwaze meid ik ook ben, ik ben niet te halsstarrig om te begrijpen dat ik mijn echtgenoot onrecht heb aangedaan als ik er met mijn neus word opgedrukt. Ga, ga je zwaard halen; ik zal er over terug springen en dan zal mijn ridder bevrijd zijn uit zijn zijden kooi. Ga, Heer Held, terwijl ik er nog de kracht voor heb.’
    ‘Ga je eigen zwaard maar halen, kwaje meid. Dat pak rammel is al veel te lang uitgesteld.’
    Plotseling grinnikte ze, een en al wildebras. ‘Maar, lieveling, mijn zwaard is in Karth Hokesh. Weet je dat niet meer?’
    ‘Deze keer zul je het niet kunnen voorkomen!’ Ik greep haar beet. Aan Ster heb je je handen vol, ze is zo glad als een aal en heeft verbijsterende spieren. Maar ik ben groter en ze stribbelde niet zo hard tegen als ze gekund zou hebben. Maar ik had toch ontvellingen en kneuzingen voor ik haar benen klem gezet had en haar een arm had omgedraaid. Ik gaf haar een paar flinke klappen, hard genoeg om van elke vinger een rode afdruk achter te laten en vond het toen welletjes. Zeg me nu eens, kwamen die woorden regelrecht uit haar hart — of speelde de pienterste vrouw in twintig universa toneel?
    Later zei Ster: ‘Ik ben blij dat je borst geen prikkend bos is, zoals bij sommige mannen, schoonheid.’
    ‘Ik ben ook z’n mooie baby geweest. Hoeveel borsten heb je gecontroleerd?’
    ‘Willekeurige staaltjes. Lieveling, heb je besloten me te houden?’
    ‘Nog een poosje. Als je je goed gedraagt, natuurlijk.’
    ‘Ik zou liever gehouden worden omdat ik me slecht gedraag. Maar — nu je murw bent — als je dat bent — moest ik je maar liever nog iets vertellen — en een pak slaag krijgen als het niet anders kan.’
    ‘Dat wil je veel te graag. Eens per dag is het maximum, hoor je?’
    ‘Zoals U wilt, Heer. Jewèl, Baas. Ik zal morgenochtend mijn zwaard laten halen en dan kun je me op je gemak slaag geven. Als je tenminste denkt dat je me krijgen kunt. Maar ik moet je dit vertellen om het van me af te wentelen.’
    ‘Er ligt niets op je. Tenzij —’
    ‘Toe! Je bent bij onze geneeskundigen geweest.’
    ‘Eens per week.’ Het eerste wat Ster bevolen had was een zo volledig medisch onderzoek dat een legerkeuring erbij vergeleken oppervlakkig was. ‘De Opper-Pil houdt vol dat mijn wonden nog niet genezen zijn, maar ik geloof hem niet; ik heb me nog nooit zo goed gevoeld.’
    ‘Hij houdt je aan het lijntje, Omar — op mijn bevel. Je bent genezen, ik ben niet onbedreven, ik ben erg precies geweest. Maar — lieveling, ik heb het uit een egoïstisch oogpunt gedaan en nu moet jij me zeggen of ik weer wreed en onrechtvaardig tegenover je heb gehandeld. Ik geef toe dat ik het heimelijk heb gedaan. Maar ik heb het met goede bedoelingen gedaan. Ik weet echter, omdat ik dat als eerste les van mijn beroep heb geleerd, dat goede bedoelingen de bron van meer dwaasheid zijn dan alle andere oorzaken tezamen.’
    ‘Ster, waar klets je toch over? Vrouwen zijn de bron van alle dwaasheid.’
    ‘Ja, liefste. Omdat ze altijd goede bedoelingen hebben — en dat kunnen bewijzen. Mannen handelen soms uit berekenend eigenbelang, wat veiliger is. Maar niet vaak.’
    ‘Dat komt doordat de helft van hun voorouders vrouwen zijn. Waarom moest ik telkens weer bij de dokter op bezoek terwijl dat niet nodig was?’
    ‘Ik heb niet gezegd dat het niet nodig was. Maar jij denkt er misschien anders over. Omar, je bent al een eind op weg met Lang-Leven behandelingen.’ Ze keek naar me alsof ze gereed was te pareren of zich terug te trekken.
    ‘Nou breekt mijn klomp!’
    ‘Heb je er bezwaar tegen? In deze fase kan het nog teruggeschakeld worden.’
    ‘Ik heb er niet over nagedacht.’ Ik wist dat Lang-Leven op Centrum beschikbaar was, maar ik wist ook dat het strikt beperkt was. Iedereen kon het krijgen — vlak voor zijn emigratie naar een dun bevolkte planeet. Permanente bewoners moesten oud worden en sterven. Dit was één zaak waarbij een van Sters voorgangers zich met een plaatselijke regering had bemoeid. Centrum, waar ziekten praktisch overwonnen waren, waar grote welvaart heerste, dat een baken vormde voor ontelbare volkeren, was overbevolkt geraakt, in het bijzonder toen Lang-Leven de gemiddelde sterfte-leeftijd omhoog joeg. Deze strenge wet had de menigte uitgedund. Er waren mensen die al jong tot Lang-Leven overgingen, door een Poort traden en het er in de wildernis op waagden. Er waren er meer, die wachtten op die eerste steek die het besef van de dood met zich meebrengt en dan tot de conclusie kwamen dat ze nog niet te oud waren voor een verandering. En sommigen hielden zich kalm en stierven wanneer hun tijd gekomen was.
    Ik kende die steek; hij was me door een mes in een rimboe toegebracht. ‘Ik geloof niet dat ik er bezwaar tegen heb.’
    Ze zuchtte van opluchting. ‘Dat wist ik niet en ik had het niet stiekem in je koffie mogen doen. Verdien ik een pak slaag?’
    ‘We zullen het op de lijst zetten van wat je toekomt en dan krijg je alles tegelijk. Dan zul je wel mank lopen. Ster, hoe lang is Lang-Leven?’
    ‘Dat is moeilijk te beantwoorden. Maar zeer weinigen van hen die het hebben zijn in hun bed gestorven. Als je zo’n actief leven leidt als ik weet dat jij zult doen — door je temperament — zul je waarschijnlijk niet van ouderdom sterven. En ook niet aan een ziekte.’
    ‘En zal ik nooit oud worden?’ Je moet er wel even aan wennen.
    ‘O, jawel, je kunt wel oud worden. Nog erger, seniliteit duurt in verhouding ook langer. Als je dat laat gebeuren. Of als de mensen om je heen het toestaan. Maar — Lieveling, hoe oud zie ik eruit? Vertel me dat niet naar wat je hart je ingeeft, maar naar wat je ogen zien. Naar Aardse normen. Wees eerlijk, ik weet het antwoord.’
    Het was altijd een vreugde om naar Ster te kijken, maar ik trachtte haar met een nieuwe blik te bezien, keek naar tekenen van de herfst — naar haar buitenste ooghoeken, haar handen, naar kleine wijzigingen in haar huid — verdorie, zelfs geen spoor van uitrekking, en toch wist ik dat ze een kleinkind had.
    ‘Ster, toen ik je voor het eerst zag, dacht ik achttien. Je keerde je om en ik verhoogde dat een beetje. Als ik je nu goed bekijk en zonder je complimentjes te maken — niet ouder dan vijfentwintig. En dat komt omdat je trekken rijp lijken. Als je lacht ben je een tiener; als je vleit of stomverbaasd kijkt of plotseling verrukt bent met een jong hondje of poesje of zo iets, ben je zowat twaalf. Van je hals af naar boven, bedoel ik; van je hals af naar beneden kun je niet voor minder dan achttien doorgaan.’
    ‘Een gezonde achttien,’ voegde ze er aan toe. ‘Vijfentwintig Aardse jaren — naar gelang van de groei op Aarde — is precies de roos waar ik op gemikt heb. De leeftijd waarop een vrouw niet meer groeit en begint te verouderen. Omar, je uiterlijke leeftijd bij Lang-Leven is een kwestie van voorkeur. Neem Oom Jozef — die welke zich soms ‘Graaf Cagliostro’ noemt. Hij heeft zich ingesteld op vijfendertig, omdat hij zegt dat iedereen die jonger is een kwajongen is. Rufo geeft er de voorkeur aan er ouder uit te zien. Hij zegt dat hij er eerbiedig door behandeld wordt en dat het hem afhoudt van vechtpartijen met jongere mannen — en dat hij toch een jongere man kan verbazen als die persé toch vechten wil, want zoals je weet bestaat Rufo’s hogere leeftijd voornamelijk van zijn hals naar boven.’
    ‘Of om jongere vrouwen te verbazen,’ opperde ik.
    ‘Met Rufo weet je het nooit. Liefste, ik ben nog niet klaar met mijn verhaal. Een onderdeel ervan is je lichaam te leren zichzelf te herstellen. De taallessen die je hier gehad hebt — bij elke daarvan stond er een hypnotherapeut te wachten om je lichaam een les te geven via je slapende verstand na je taalles. Een onderdeel van uiterlijke leeftijd is cosmetische therapie — Rufo hoeft niet kaal te zijn — maar meer wordt beheerst door het verstand. Als je besloten hebt welke leeftijd je hebben wilt, kunnen ze met inprentingen beginnen.’
    ‘Ik zal erover denken. Ik wil niet al te veel ouder lijken dan jij.’
    Ster keek verrukt. ‘Dank je, lieve. Nu zie je, hoe egoïstisch ik geweest ben.’
    ‘Hoe dan? Dat is me ontgaan.’
    Ze legde haar hand op de mijne. ‘Ik wilde niet dat je oud zou worden — en sterven! — terwijl ik jong bleef.’
    Ik knipperde met mijn ogen. ‘Gut, dame, dat was nog eens egoïstisch van je, vind je niet? Maar je had me kunnen vernissen en me in de slaapkamer houden. Net als je tante.’
    Ze trok een lelijk gezicht. ‘Je bent een akelige man. Ze heeft ze niet laten vernissen.’
    ‘Ster, ik heb hier nergens van die soevenirlijken gezien.’
    Ze keek verbaasd. ‘Maar dat is op de planeet waar ik geboren ben. Dit universum, een andere ster. Heb ik dat nooit verteld?’
    ‘Ster, mijn lieveling, meestal heb je niets verteld.’
    ‘Het spijt me. Omar, ik wil je nergens mee overrompelen. Stel me vragen. Vanavond. Wat je maar wilt.’
    Dat overdacht ik. Er was iets wat ik me afgevraagd had, een bepaald gemis. Of misschien hadden de vrouwen van haar deel van het ras een andere periode. Maar ik had gezwegen vanwege het feit dat ik met een grootmoeder getrouwd was — hoe oud? ‘Ster, ben je zwanger?’
    ‘Wel, nee, lieve. O! Wil je dat graag? Wil je dat we kinderen krijgen?’
    Ik stamelde, trachtend uit te leggen dat ik er niet zeker van geweest was dat het mogelijk was — of dat ze het misschien al was. Ster keek bekommerd. ‘Ik ga je weer van je stuk brengen. Ik moest het maar liever allemaal vertellen. Omar, ik ben net zo min voor weelde groot gebracht als jij. Een prettige jeugd, mijn ouders hadden een veefokkerij. Ik ben jong getrouwd en ik was een eenvoudige wiskundelerares met als hobby research in conjecturale en facultatieve geometrie. Toverij bedoel ik. Drie kinderen. Mijn man en ik konden het goed samen vinden... tot ik kandidaat gesteld werd. Niet verkozen, alleen maar voorgedragen voor onderzoek en eventuele training. Hij wist dat ik een erfelijke kandidaat was toen hij met me trouwde — maar dat waren miljoenen anderen ook. Het leek niet belangrijk.
    ‘Hij wilde dat ik weigerde. Dat had ik bijna gedaan. Maar toen ik accepteerde, nou — toen ‘wierp hij mijn schoenen weg’. We doen het daar officieel; hij plaatste een advertentie dat ik niet langer zijn vrouw was.’
    ‘Zo, deed hij dat? Vind je het goed dat ik hem ga opzoeken en hem zijn armen breek?’
    ‘Lieve, lieve! Dat is vele jaren geleden en heel ver weg; hij is al lang dood. Het komt er niet op aan.’
    ‘In ieder geval is hij dood. Je drie kinderen — was een van hen Rufo’s vader? of moeder?’
    ‘O, nee! Dat was veel later.’
    ‘Nou?’
    Ster slaakte een diepe zucht. ‘Omar, ik heb zo ongeveer vijftig kinderen.’
    Dat deed de deur dicht. Te veel schokken ineens en ik denk dat het aan me te zien was want Sters gezicht weerspiegelde grote bezorgdheid. Ze raffelde haar verklaring af.
    Toen ze tot erfgenaam werd uitgeroepen werden er veranderingen in haar aangebracht, chirurgisch, biochemisch en endocrien. Niets zo drastisch als sterilisatie en met een ander doel en door middel van technieken die veel gevoeliger zijn dan de onze. Maar het resultaat was dat er ongeveer tweehonderd kleine stukjes van Ster — levende en latente ova — op bijna het absolute nulpunt werden opgeborgen.
    Een stuk of vijftig ervan waren tot leven gebracht, voornamelijk door keizers die reeds lang dood waren, maar ‘leefden’ in hun bewaarde zaad — genetische gokken om een of meer toekomstige keizers voort te brengen. Ster had ze niet gebaard; de tijd van een erfgenaam is te kostbaar. De meeste had ze nooit gezien; Rufo’s vader was een uitzondering. Ze zei het niet, maar ik denk dat Ster het prettig vond om een kind over de vloer te hebben om mee te spelen en lief te hebben — tot de inspannende eerste jaren van haar regering en de Opsporing van het Ei haar geen tijd meer overlieten.
    De verandering had een tweeledig doel: een paar honderd kinderen van prima afkomst van een enkele moeder te krijgen en de moeder haar vrijheid te verzekeren. Door de een of andere endocriene regeling was Ster vrijgesteld van Eva’s cyclus maar bleef ze op alle manieren jeugdig — geen pillen of hormooninjecties; dit was permanent. Ze was gewoon een gezonde vrouw die nooit ‘vervelende dagen’ had. Dat was niet voor haar gemak maar om te verzekeren dat haar oordeel als Opperrechter nooit door haar klieren de das zou worden omgedaan. ‘Dat is verstandig,’ zei ze ernstig. ‘Ik herinner me nog wel dat er dagen waren dat ik mijn beste vriendin zonder reden afsnauwde en dan in tranen uitbarstte. Je kunt geen juist oordeel vellen als je zulke buien hebt.’
    ‘Eh, heeft het invloed op je belangstelling? Ik bedoel je verlangen om —’
    Ze grinnikte oprecht tegen me. ‘Wat dacht je?’ Ze voegde er aan toe: ‘Het enige dat invloed heeft op mijn libido — ten kwade, bedoel ik — zijn... is! — jouw taal is toch zo vreemd opgebouwd — is-zijn die beroerde inprentingen. Soms zijn ze opwekkend, soms deprimerend — en je zult je nog wel één vrouw herinneren wier naam we niet zullen noemen die zo’n verslindende invloed op me had dat ik niet bij je in de buurt durfde te komen voor ik haar zwarte ziel had uitgedreven! Een nieuwe inprenting heeft ook invloed op mijn oordeel, daarom behandel ik nooit een zaak voor ik de laatste verwerkt heb. Ik zal blij zijn als ze afgelopen zijn!’
    ‘Ik ook.’
    ‘Niet zo blij als ik zal zijn. Maar afgezien daarvan, lieveling, ben ik als vrouw niet zo veranderlijk en dat weet je wel. Gewoon mijn eigen ontuchtige ik, dat kleine jongetjes als ontbijt eet en ze er toe verleidt over zwaarden te springen.’
    ‘Hoeveel zwaarden?’
    Ze keek me scherp aan. ‘Sinds mijn eerste man me op straat gezet heeft ben ik niet getrouwd geweest tot ik met jou trouwde, Meneer Gordon. Als dat niet is wat je bedoelde, vind ik niet dat je me verwijten kunt maken over dingen die gebeurd zijn voor jij geboren bent. Als je vanaf die tijd bijzonderheden wenst, zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Je ziekelijke nieuwsgierigheid, mag ik wel zeggen.’
    ‘Je wilt opsnijden. Meid, daar geef ik je geen kans toe.’
    ‘Ik wil niet opsnijden. Ik heb niets om over op te snijden. De Crisis van het Ei liet me bijna geen tijd over om vrouw te zijn, verdomme! Tot Omar het konijn op het toneel verscheen. Welbedankt, meneer.’
    ‘En geen onfatsoenlijke praatjes!’
    ‘Ja, meneer. Zo’n lief konijn! Maar je hebt ons een eind van ons apropos gebracht, lieve. Als jij kinderen wilt hebben — ja, lieveling. Er zijn nog ongeveer tweehonderddertig eitjes over en die behoren mij. Niet het nageslacht. Niet het geliefde volk, lieve hebzuchtige schatjes dat het zijn! Niet die voor-God-spelende genetische manipulators. Mij! Het is alles wat ik bezit. Al het andere is ex officio. Maar die zijn van mij... en als jij wilt, zijn ze van jou, mijn enige liefste.’
    Ik had ‘Ja’ moeten zeggen en haar een kus geven. Maar wat ik zei was: ‘Eh, laten we niet te haastig zijn.’
    Haar gezicht betrok. ‘Zoals Heer Held Echtgenoot behaagt.’
    ‘Kijk eens, word nu niet Neviaans en officieel. Ik bedoel, nou, ik moet er aan wennen. Injectiespuiten en zo vermoed ik, en geknoei door technici. En, hoewel ik besef dat jij geen tijd hebt om zelf een kind te krijgen —’
    Ik probeerde te zeggen dat ik, zolang als ik niet meer in de ooievaar geloofde, de gebruikelijke situatie als vanzelfsprekend had aangenomen en dat kunstmatige inseminatie zelfs tegenover een koe een rotstreek was — en dat dit gedoe, waar aan beide zijden een derde aan te pas kwam, me deed denken aan automaten in een automatiek of aan een pak van een verzendhuis. Maar gun me de tijd en dan pas ik me wel aan. Net zoals zij zich had aangepast aan die vervloekte inprentingen —
    Ze greep mijn handen. ‘Lieveling, dat hoef je niet!’
    ‘Wat hoef ik niet?’
    ‘Aan je laten knoeien door technici. En ik neem gewoon de tijd om jouw baby te krijgen. Als je het niet erg vindt dat mijn lichaam lomp en kolossaal wordt — dat gebeurt, heus, dat weet ik nog goed — dan zal het me een vreugde zijn om het te doen. Het zal allemaal net zijn als bij andere mensen, voor zover jou betreft. Geen spuiten. Geen technici. Niets om je trots te krenken. O, ik zal bewerkt moeten worden. Maar ik ben er aan gewend te worden behandeld als een prijskoe; het betekent niet meer dan een bezoek aan de kapper.’
    ‘Ster, zou jij negen maanden ongemakken willen doorstaan — en misschien in het kraambed sterven — om mij een paar ogenblikken ergernis te besparen?’
    ‘Ik ga niet dood. Drie kinderen, weet je nog wel? Normale bevallingen, geen complicaties.’
    ‘Maar, zoals je gezegd hebt, dat was ‘vele jaren geleden’.’
    ‘Dat geeft niets.’
    ‘Eh, hoeveel jaar?’ (’Hou oud ben je, vrouw van me?’ De vraag die ik nooit heb durven stellen.)
    Ze keek van haar stuk gebracht. ‘Komt dat er op aan, Omar?’
    ‘Eh, ik geloof het niet. Jij weet meer van geneeskunde dan ik —’
    Ze zei langzaam: ‘Je vroeg me eigenlijk hoe oud ik ben, is het niet?’
    Ik zei niets. Ze wachtte en vervolgde toen: ‘Een oude spreuk uit je eigen wereld zegt dat een vrouw zo jong is als ze zich voelt. En ik voel me jong en ik bén jong en ik heb levenslust en ik kan een baby — of nog vele baby’s — in mijn eigen buik dragen. Maar ik weet — o, of ik dat weet — dat jij je er niet alleen om bekommert dat ik te rijk ben en een positie bekleed die niet gemakkelijk is voor een echtgenoot. Ja, dat weet ik maar al te goed; mijn eerste man heeft me er om verstoten. Maar hij was van mijn leeftijd. Het wreedste en onrechtvaardigste wat ik gedaan heb is dat ik wist dat mijn leeftijd je zou kunnen schelen — en dat ik mijn mond gehouden heb. Daarom was Rufo zo diep verontwaardigd. Nadat jij die avond in de grot van het Woud der Draken in slaap gevallen was, heeft hij me dat met scherpe woorden verteld. Hij zei dat hij wist dat ik het niet beneden mijn waardigheid achtte jonge jongens te verleiden maar dat hij nooit gedacht had dat ik zo laag zou zinken dat ik er een tot een huwelijk zou verlokken zonder het eerst te vertellen. Hij had nooit een hoge dunk van zijn oude grootmoeder gehad, zei hij, maar deze keer —’
    ‘Houd je mond, Ster!’
    ‘Ja, Heer.’
    ‘Het maakt geen steek verschil!’ en ik zei het zo vlak dat ik het geloofde — en ik geloof het nu nog. ‘Rufo weet niet wat ik denk. Jij bent jonger dan de dageraad van morgen — en dat zul je altijd blijven. En nu wil ik er geen woord meer over horen.’
    ‘Ja, Heer.’
    ‘En daar houd je ook mee op. Je kunt gewoon zeggen, ‘Oké, Omar’.’
    ‘Ja, Omar! Oké!’
    ‘Zo is het beter. Tenzij je weer op een pak slaag uit bent. En daar ben ik te moe voor.’ Ik veranderde van onderwerp. ‘Wat die andere kwestie betreft: het heeft geen zin jouw mooie buik uit te rekken als er andere methoden beschikbaar zijn. Ik ben een boertje van buuten, dat is het; ik ben niet gewend aan de gewoonten in de grote stad. Toen je voorstelde om het zelf te doen, bedoelde je toen dat ze je weer in elkaar kunnen zetten zoals je vroeger was?’
    ‘Nee. Ik zou gewoon een koekoeksmoeder zijn zowel als de genetische moeder.’ Ze glimlachte en ik begreep dat ik vorderingen maakte. ‘Maar ik zou heel wat van dat geld sparen dat jij niet wilt uitgeven. Die gezonde, stoere vrouwen die de kinderen van andere mensen krijgen rekenen een hoog tarief. Na vier baby’s kunnen ze met pensioen gaan — na tien zijn ze rijk.’
    ‘Dat zou ik ook denken, dat ze veel rekenen! Ster, ik heb geen bezwaar tegen geld uitgeven. Ik wil wel toegeven, als jij het zegt, dat ik meer verdiend heb door mijn werk als beroepsheid dan ik uitgeef. Dat is ook een zware baan.’
    ‘Je hebt het verdiend.’
    ‘Deze steedse manier van kinderen krijgen — kun je het uitzoeken? Een jongen of een meisje?’
    ‘Natuurlijk. Mannen-voortbrengende kronkelaars zwemmen sneller, ze kunnen gesorteerd worden. Daarom zijn Wijsheden gewoonlijk mannen — ik was geen vooraf beraamde kandidaat. Je zult een zoon hebben, Omar!’
    ‘Ik heb misschien wel liever een meisje. Ik heb een zwak voor kleine meisjes.’
    ‘Een jongen, een meisje — of allebei. Of net zoveel als je er hebben wilt.’
    ‘Ster, laat me erover nadenken. Er zijn zo veel gezichtspunten — en ik kan niet zo goed denken als jij.’
    ‘Poeh!’
    ‘Als je niet beter denkt dan ik, worden de klanten beduveld. Mmm, kan mannelijk zaad net zo gemakkelijk bewaard worden als eitjes?’
    ‘Veel gemakkelijker.’
    ‘Dat is alles wat we nu hoeven weten. Zó benauwd van spuiten ben ik nu ook weer niet; ik heb in het Leger genoeg in de rij gestaan. Ik zal naar de kliniek of wat het ook is gaan en daarna kunnen we het op ons gemak regelen. Als we een besluit genomen hebben’ — ik haalde mijn schouders op — ‘posten we een briefkaart en als je ‘klik!’ hoort, zijn we ouders. Of iets dergelijks. Daarna kunnen de technici en die potige grieten hun gang gaan.’
    ‘Ja, mijn — Oké, lieveling!’
    Het ging een stuk beter. Bijna haar kleine-meisjesgezicht. In ieder geval haar zestienjarig gezicht, met een nieuwe feestjurk en jongens nog maar een griezelig, verrukkelijk gevaar. ‘Ster, je hebt daarstraks gezegd dat het vaak niet het tweede, maar soms zelfs het tweeëntwintigste geschilpunt is dat er op aan komt.’
    ‘Ja.’
    ‘Ik weet wat er mis met me is. Ik kan het je vertellen — en misschien weet Hare Wijsheid dan een oplossing.’
    Ze knipperde met haar ogen. ‘Als je het me kunt vertellen, schat — Hare Wijsheid zal het oplossen al moet ik de hele tent afbreken en op een andere manier weer opbouwen — van hier tot aan de volgende melkweg — en anders trek ik me uit die Wijsheid-zaken terug.’
    ‘Dat klinkt meer als mijn Geluksster. Goed, het is niet dat ik een gigolo ben. Ik heb in ieder geval mijn koffie en gebakjes verdiend; het scheelde maar een haar of de Zielenverslinder had mijn ziel verslonden, hij was er precies van op de hoogte — hij... het — het wist dingen die ik al lang vergeten was. Het was zwaar werk en dat moet goed betaald worden. Het is ook je leeftijd niet, liefste. Wat kan het iemand schelen hoe oud Helena van Troje is? Jij hebt eeuwig precies de goede leeftijd — kan een man meer boffen? Ik ben niet jaloers op je positie; die zou ik nog niet willen hebben al zat er franje aan. Ik ben niet jaloers op de mannen in je leven — de geluksvogels! Nu zelfs niet, zolang ik maar niet over ze val als ik naar de badkamer ga.’
    ‘Er zijn nu geen andere mannen in mijn leven, Heer Echtgenoot.’
    ‘Ik heb geen reden om dat te denken. Maar volgende week is er ook nog en zelfs jij kunt daarover geen Visioen hebben, geliefde. Je hebt me verteld dat het huwelijk geen vorm van sterven is — en jij bent kennelijk niet dood, jij dartel wijfje.’ ‘Misschien geen Visioen,’ gaf ze toe. ‘Maar wel een gevoel.’
    ‘Ik zal er toch maar niet op wedden. Ik heb het Kinsey Rapport gelezen.’
    ‘Welk rapport?’
    ‘Hij heeft de Zeemeermintheorie weerlegd. Over getrouwde vrouwen. Vergeet het maar. Hypothetische vraag: Als Jocko op Centrum op bezoek kwam, zou je dan nog hetzelfde denken? We zouden hem moeten uitnodigen om hier te logeren.’
    ‘De Doral zal Nevia nooit verlaten.’
    ‘Ik geef hem geen ongelijk, Nevia is prachtig. Ik zei ‘Als’ — Als hij komt bied je hem dan ‘dak, tafel en bed’ aan?’
    ‘Dat moet jij beslissen, Heer,’ zei ze vastberaden. ‘Laten we het met andere woorden zeggen: Verwacht je van mij dat ik Jocko zal vernederen door zijn gastvrijheid niet op dezelfde manier te beantwoorden? De hoffelijke oude Jocko die ons in leven liet toen hij er recht op had ons te doden? Wiens milddadigheid — pijlen en vele andere zaken met inbegrip van een nieuwe verbandtrommel — ons in leven hield en ons hielp het Ei te heroveren?’
    ‘Volgens de Neviaanse gebruiken van dak en tafel en bed,’ hield ze vol, ‘neemt de echtgenoot de beslissing, Heer Echtgenoot.’
    ‘We zijn niet in Nevia, en hier heeft een vrouw zelf wat te vertellen. Je zoekt uitvluchten, meid.’
    Ze grinnikte ondeugend. ‘Omvat dat ‘Als’ van jou Muri? En Letva? Van hen houdt hij het meest, hij zou nooit zonder hun op reis gaan. En dan die kleine hoe-heet-ze-ook-weer? — die kleine Lolita?’
    ‘Ik geef het op. Ik wilde alleen maar proberen te bewijzen dat het springen over een zwaard van een dartel wijfje geen non maakt.’
    ‘Dat besef ik. mijn Held,’ zei ze zonder stemverheffing. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat ik van plan ben dat dit wijfje haar Held geen ogenblik ongerust zal maken — en mijn plannen worden meestal uitgevoerd. Ik ben niet voor niets ‘Hare Wijsheid’.’
    ‘Dat kan er mee door. Ik heb nooit gedacht dat je op die manier onrust zou veroorzaken. Ik trachtte aan te tonen dat de taak misschien niet te zwaar zal blijken. Verdorie, we zijn afgedwaald. Dit is mijn werkelijke probleem. Ik deug nergens voor. Ik ben waardeloos.’
    ‘Jawel, mijn liefste! Je bent mij een heleboel waard.’
    ‘Maar voor mezelf deug ik niet. Ster, gigolo of geen gigolo, ik kan geen schoothondje zijn. Zelfs het jouwe niet. Rijk eens, jij hebt je werk. Daar heb je je handen aan vol en het is belangrijk werk. Maar ik? Er is voor mij niets te doen, helemaal niets! — niets anders dan het ontwerpen van mislukt juwelierswerk. Weet je wat ik ben? Een beroepsheid, dat heb je tegen me gezegd; jij hebt me geronseld. Nu ben ik met pensioen. Kun je iets noemen in alle twintig universa, dat nuttelozer is dan een gepensioneerde held?’
    Ze noemde er een paar op. Ik zei: ‘Smoesjes. En hoe dan ook, ze verpesten de maagdelijkheid van de mannelijke borst. Ik meen het ernstig, Ster. Dit is het punt waardoor ik onmogelijk geworden ben om mee te leven. Lieveling, ik vraag je om je hele verstand hier voor in te zetten en al die geestelijke assistenten. Behandel het op de manier waarop je een probleem van het Keizerrijk behandelt. Houd rekening met mijn hele situatie — met alles wat je van me weet — en vertel me dan wat ik met mijn handen, mijn hoofd en mijn tijd kan doen wat de moeite waard is. Ik, zoals ik ben.’
    Ze bleef een hele tijd heel stil zitten, haar gezicht in die beroepskalmte die ik ook van haar gezien had, de keren dat ik bij haar werk tegenwoordig was geweest. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze tenslotte. ‘Op deze planeet is niets wat jouw gaven waard is.’
    ‘Wat moet ik dán doen?’
    Ze zei toonloos: ‘Je moet vertrekken.’
    ‘Hè?’
    ‘Denk je dat ik die oplossing prettig vind, mijn echtgenoot? Denk je dat ik de meeste oplossingen die ik moet geven prettig vind? Maar je hebt me gevraagd het beroepshalve in overweging te nemen. Ik heb gehoorzaamd. Dit is de oplossing. Je moet deze planeet verlaten — en mij.’
    ‘Dus mijn schoenen worden toch weggeworpen?’
    ‘Wees niet bitter, Heer. Het is de oplossing. In mijn privé-leven kan ik ontwijkend en vrouwelijk zijn; ik kan niet weigeren te denken als ik afgesproken heb dat te doen als ‘Hare Wijsheid’. Je moet me verlaten. Maar nee, nee, nee, je schoenen worden niet weggeworpen! Je zult gaan, omdat je moet. Niet omdat ik het wens.’ Haar gezicht bleef kalm, maar de tranen begonnen weer te stromen. ‘Je kunt niet op een kat rijden... noch een slak laten rennen... noch een slang vliegen leren. Noch van een Held een schoothondje maken. Ik heb het geweten, ik heb geweigerd het onder ogen te zien. Je zult doen wat je doen moet. Maar je schoenen zullen altijd bij mijn bed blijven staan, ik stuur je niet weg!’ Ze knipperde haar tranen weg. ‘Ik kan niet tegen je liegen, zelfs niet door te zwijgen. Ik kan niet zeggen dat er hier geen andere schoenen zullen staan... als je lang weg blijft. Ik ben eenzaam geweest. Er bestaan geen woorden om uit te drukken hoe eenzaam dit werk is. Als jij weggaat... zal ik eenzamer zijn dan ooit tevoren. Maar je zult je schoenen hier vinden als je terugkomt.’
    ‘Als ik terugkom? Heb je een Visioen?’
    ‘Nee, Heer Held. Ik heb alleen een voorgevoel... dat als je in leven blijft... dat je terug zult komen. Misschien vele malen. Maar Helden sterven niet in bed. Zelfs deze niet.’ Ze knipperde en de tranen droogden en haar stem klonk vast. ‘Nu, Heer Echtgenoot, als het je behaagt, zullen we dan de lichten doven en gaan rusten?’
    Dat deden we en ze legde haar hoofd op mijn schouder en ze huilde niet. Maar we sliepen ook niet. Na een pijnlijke stilte zei ik: ‘Ster, hoor jij wat ik hoor?’
    Ze hief haar hoofd op. ‘Ik hoor niets.’
    ‘De Stad. Hoor je dat niet? Mensen. Machines. Zelfs gedachten, zo zwaar dat je ze tot in je gebeente kunt horen en je oor ze bijna kan verstaan.’
    ‘Ja. Ik ken dat geluid.’
    ‘Ster, vind je het hier prettig?’
    ‘Nee. Het is nooit noodzakelijk geweest dat ik het hier prettig vond.’
    ‘Luister dan eens, verdorie! Je hebt gezegd dat ik heen zal gaan. Ga met me mee.’
    ‘O, Omar!’
    ‘Wat ben je hun verschuldigd? Is de herovering van het Ei niet voldoende? Laat ze een nieuw slachtoffer kiezen. Ga weer met me langs het Pad van Roem! Er moet in mijn vak toch wel ergens wat te doen zijn.’
    ‘Voor Helden is er altijd werk.’
    ‘Oké, we gaan in zaken, jij en ik. Held-zijn is niet zo’n slecht baantje. Je maaltijden krijg je ongeregeld en de betaling is onzeker — maar het is nooit vervelend. We plaatsen advertenties: ‘Gordon & Gordon, Heldendaden tegen redelijke prijzen. Geen taak te groot, geen taak te klein. Contractueel uitroeien van Draken, tevredenheid verzekerd of U krijgt Uw geld terug. Vrijblijvende begrotingen aangaande andere werkzaamheden. Opsporingen, bevrijden van maagden, dag en nacht opsporen van het gulden vlies.’ ’
    Ik trachtte Ster op te monteren, maar Ster laat zich niet opmonteren. Ze antwoordde met nuchtere ernst: ‘Omar, als ik me terugtrek moet ik eerst mijn erfgenaam opleiden. Inderdaad, niemand kan me iets bevelen — maar het is mijn plicht mijn vervanger op te leiden.’
    ‘Hoe lang zou dat duren?’
    ‘Niet lang. Ongeveer dertig jaar.’
    ‘Dertig jaar ?
    ‘Ik denk wel dat ik hem in vijfentwintig jaar zou kunnen klaarstomen.’
    Ik zuchtte. ‘Ster, weet je hoe oud ik ben?’
    ‘Ja. Nog geen vijfentwintig. Maar je zult niet ouder worden!’
    ‘Maar op dit moment heb ik die leeftijd nog. Die tijd is de enige tijd die ik ooit gekend heb. Na vijfentwintig jaar schoothondje zijn zal ik geen held, noch iets anders meer zijn. Dan zal ik mijn kleine beetje verstand volkomen verloren hebben.’
    Ze dacht er over na. ‘Ja. Dat is waar.’
    Ze keerde zich om, we gingen liggen als lepeltjes in een etui en deden alsof we sliepen.
    Later voelde ik haar schouders schokken en wist ik dat ze snikte. ‘Ster?’
    Ze keerde haar hoofd niet om. Ik hoorde alleen een verstikte stem: ‘O, mijn liefste, mijn enige liefste! Als ik zelfs maar honderd jaar jonger was!

XX

    Ik liet nutteloze edelstenen door mijn vingers druppelen en schoof ze lusteloos opzij. Als ik zelfs maar honderd jaar ouder was —
    Maar Ster had gelijk. Ze kon haar post niet verlaten zonder dat ze afgelost werd. Haar opvatting van aflossing, niet de mijne of die van iemand anders. En ik kon niet veel langer meer in deze gestoffeerde gevangenis blijven zonder met mijn hoofd tegen de tralies te lopen.
    Toch wilden we allebei graag bij elkaar blijven.
    Het werkelijk ellendige ervan was dat ik wist — net zoals zij het wist — dat we allebei zouden vergeten. Gedeeltelijk tenminste. Voldoende om er andere schoenen, andere mannen te laten zijn en dan zou ze weer lachen.
    En ik ook — Ze had dat begrepen en me ernstig, vriendelijk, met subtiele consideratie voor de gevoelens van een ander indirect te kennen gegeven dat ik me niet schuldig hoefde te voelen als ik een ander meisje, ergens, in een ander land, het hof maakte.
    Waarom voelde ik me dan als een schooier?
    Hoe was ik in de val gelopen. Waarom kon ik nergens heen zonder te moeten kiezen tussen mijn geliefde krenken of zelf stapelgek worden?
    Ik heb eens gelezen over een man die op een hoge berg woonde, omdat hij astma had, de verstikkende, dodelijke soort, terwijl zijn vrouw aan de kust onder hem woonde omdat ze een hartkwaal had en niet tegen de hoogte kon. Soms keken ze door telescopen naar elkaar.
    ‘s Morgens was er niet gepraat over een eventueel zich terugtrekken van Ster. Het niet onder woorden gebrachte quid-pro-quo was dat, als ze plannen maakte om zich terug te trekken, ik zou blijven rondhangen (dertig jaar!) tot ze zover was. Hare Wijsheid was tot de conclusie gekomen dat ik dat niet kon, en sprak er niet over. We aten een uitgebreid ontbijt en waren vrolijk, ieder met zijn eigen geheime gedachten.
    Over kinderen werd ook niet gepraat. O, ik zou wel naar die kliniek gaan en doen wat nodig was. Als ze haar hoge afkomst wilde mengen met mijn burgerbloed kon ze dat doen, morgen of over honderd jaar. Of ze kon teder glimlachen en het met de andere rommel laten weggooien. Niemand van mijn familie was ooit zelfs maar burgemeester van Lutjebroek geweest en een ploegpaard wordt niet voorbereid op de Ierse Sweepstake. Als Ster een kind samenstelde uit onze genen, zou dat sentiment zijn, een levende valentijn — een jonger schoothondje dat ze kon vertroetelen voordat ze het aan zijn lot overliet. Maar alleen maar sentiment, net zo plakkerig, zo niet zo ziekelijk als dat van haar tante met de dode echtgenoten, want het Keizerrijk zou mijn linkerschuinbalk in het blazoen niet kunnen gebruiken.
    Ik keek op naar mijn zwaard dat tegenover me hing. Ik had het niet aangeraakt sedert het feest, reeds lang geleden, toen Ster zich verkoos te kleden voor de Roemvolle Weg. Ik nam het van de muur, gespte het om en trok het — ik voelde die stroom van levend-zijn en had plotseling een visioen van een lange weg en een kasteel op een heuvel.
    Wat is een ridder zijn vrouwe verschuldigd als de queeste volbracht is?
    Geen smoesjes, Gordon! Wat is een echtgenoot zijn vrouw verschuldigd? Dit zelfde zwaard — ‘Spring, Prinses en spring, schavuit, Nu ben je voor altijd mijn bruid.’ — ‘rijker of armer, in voor- en tegenspoed... lief te hebben en te beminnen tot de dood ons scheidt.’ Dat had ik bedoeld met die rijmelarij en dat had Ster geweten en ik had het geweten en ik wist het nog.
    Toen we dit plechtig beloofd hadden, leek het waarschijnlijk dat we die zelfde dag door de dood gescheiden zouden worden. Maar dat verminderde de eed niet, noch de diepe gevoelens die ik er mee tot uitdrukking had gebracht. Ik was niet over het zwaard gesprongen om voor mijn dood nog een stoeipartijtje in het gras te kunnen hebben; dat had ik zo ook wel kunnen krijgen. Nee, ik wilde ‘— hebben en behouden, liefhebben en beminnen tot de dood ons scheidt’!
    Ster had zich aan de letter van de eed gehouden. Waarom stond ik dan te springen?
    Goed beschouwd, is een held innerlijk maar een schooier.
    En een gepensioneerde held was net zo dwaas als die werkeloze koningen die zich in Europa verdringen.
    Ik verliet snel onze ‘flat’, met mijn zwaard om, en het kon me niets verdommen dat ze ernaar staarden, materialiseerde me naar de geneeskundigen, vond uit waar ik zijn moest, ging erheen, deed wat gedaan moest worden, zei tegen de chef biotechnicus dat Hare Wijsheid ingelicht moest worden en veterde hem uit toen hij vragen stelde.
    Toen terug naar de naastbijzijnde materialisatie-cel — en daar aarzelde ik — ik had gezelschap nodig zoals een Anonieme Alcoholicus het nodig heeft dat iemand z’n hand vasthoudt. Maar ik had geen goede vrienden, alleen maar honderden kennissen. Het is niet gemakkelijk voor de gemaal van de Keizerin om vrienden te maken.
    Het zou Rufo moeten zijn. Maar gedurende alle maanden dat ik op Centrum geweest was was ik nog nooit bij Rufo thuis geweest. Op Centrum wordt het barbaarse gebruik van bij mensen binnenlopen niet beoefend en ik had Rufo alleen maar in het Paleis gezien of op feesten; Rufo had me nooit uitgenodigd bij hem thuis te komen. Nee, dat was geen onvriendelijkheid; we zagen hem dikwijls, maar hij was altijd bij ons gekomen.
    Ik zocht hem op in het materialisatieboek — pech gehad. Met de zie-spreeklijsten hetzelfde. Ik belde het Paleis en vroeg naar de communicatie-ambtenaar. Hij zei dat ‘Rufo’ geen achternaam was en probeerde me af te poeieren. Ik zei: ‘Wacht eens even, jij overbetaalde klerk! Als je afbreekt sta je binnen een uur aan het hoofd van de rooksignalen in Timboektoe. Luister. Die vent is op leeftijd, heeft een kale kop, ik denk dat een van zijn namen ‘Rufo’ is en hij is een bekend vergelijkend culturoloog. En hij is een kleinzoon van Hare Wijsheid. Ik denk dat je best weet wie hij is en je doet er alleen maar zolang over uit bureaucratische arrogantie. Ik geef je vijf minuten. Daarna vraag ik het aan Hare Wijsheid, terwijl jij je koffers pakt!’
    (’Stop! Jij gevaar! Ander oud kaal Rufo? top vergculturist. Wijsheid ei-sperma-ei. Vijf minuten. Leugenaar en/of idioot. Wijsheid? Ramp!’)
    Binnen vijf minuten vulde Rufo’s beeld het scherm. ‘Zo!’ zei hij. ‘Ik vroeg me al af wie er zoveel in de melk te brokkelen heeft dat hij mijn geheime nummer kreeg.’
    ‘Rufo, mag ik bij je komen?’
    Er kwamen rimpels op zijn schedel. ‘Moeilijkheden, jongeman? Je gezicht doet me denken aan die keer dat mijn oom —’
    ‘Toe nou, Rufo!’
    ‘Ja, jongen,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal de dansmeisjes naar huis sturen. Of zal ik ze laten blijven?’
    ‘Dat kan me niet schelen. Hoe kan ik je bereiken?’
    Hij vertelde het me, ik ponsde zijn code, voegde er het nummer van mijn betaalkaart aan toe en ik was er, vijftienhonderd kilometer voorbij de horizon. Rufo’s woning was een net zo weelderig landgoed als dat van Jocko en duizenden jaren beschaafder. Ik kreeg de indruk dat Rufo de grootste huishouding op Centrum had, allemaal vrouwen. Ik had ongelijk. Maar alle vrouwelijke bedienden, bezoeksters, nichten, dochters vormden zich tot een ontvangstcomité — om naar de bedgenoot van Hare Wijsheid te kijken. Rufo joeg ze weg en nam me mee naar zijn studeerkamer. Een dansmeisje (kennelijk een secretaresse) deed zenuwachtig met papieren en geluidsbanden. Rufo beduidde met een klap op haar achterwerk dat ze gaan kon, gaf me een makkelijke stoel, een borrel, zette sigaretten naast me neer, ging zitten en zei niets.
    Roken is op Centrum niet populair; wat ze bij wijze van tabak gebruiken is daar de reden van. Ik nam een sigaret. ‘Chesterfields ! Goeie God!’
    ‘Ik laat ze smokkelen,’ zei hij. ‘Maar zoiets als die Sweet Caporals maken ze niet meer. Aanveegsel en fijngehakt hooi.’
    Ik had in geen maanden gerookt. Maar Ster had me verteld dat ik kanker en dergelijke dingen kon vergeten. Dus ik stak hem op — en hoestte als een Neviaanse draak. Ondeugd moet voortdurend geoefend worden.
    ‘Wat is er voor nieuws in Rialto?’ informeerde Rufo. Hij wierp een blik op mijn zwaard.
    ‘O, niets bijzonders.’ Nadat ik Rufo in zijn werk gestoord had, schrok ik er nu voor terug mijn huiselijke moeilijkheden te openbaren.
    Rufo zat te roken en wachtte. Ik moest iets zeggen en door de Amerikaanse sigaret schoot me een gebeurtenis te binnen die had bijgedragen tot mijn labiele toestand. Een week tevoren had ik op een feest een man ontmoet die er als vijfendertig uitzag, uitgestreken, beleefd maar met dat hooghartige air, dat te kennen geeft: ‘Je gulp staat open, ouwe jongen, maar ik ben veel te beleefd om er iets van te zeggen.’
    Maar ik had het fijn gevonden hem te ontmoeten, hij had Engels gesproken!
    Ik had gedacht dat Ster, Rufo en ikzelf de enigen op Centrum waren die Engels spraken. We spraken het vaak, Ster om mij en Rufo omdat hij er zich graag in wilde oefenen. Hij sprak Cockney als een visventer, Bostonees als op Beacon Hill, Australisch als een kangoeroe; Rufo kende alle Engelse talen.
    Deze vent sprak goed Algemeen Beschaafd Amerikaans. ‘Nebbi is mijn naam,’ zei hij, terwijl hij handen schudde waar niemand handen schudt, ‘en U bent Gordon, dat weet ik. Het is me aangenaam kennis met U te maken.’
    ‘Mij ook,’ stemde ik in. ‘Het is een verrassing en een genoegen mijn eigen taal te horen.’
    ‘Beroepskennis, beste kerel. Vergelijkend culturoloog, linguïstisch-historisch-politisch. U bent Amerikaan, dat weet ik. Laat me eens vaststellen waar vandaan — Ver naar het zuiden, maar er niet geboren. Waarschijnlijk Nieuw Engeland. Overstemd door verdrongen Midden Westen, misschien Californië. Basisspraak gemengd lagere middenstand.’
    Die geslepen sukkel was goed. Moeder en ik hadden, in Boston gewoond terwijl mijn vader weg was, 1942-45. Die winters zal ik nooit vergeten; ik droeg van november tot april overschoenen. Ik had ver naar het zuiden gewoond, Georgia en Florida en in La Jolla in Californië gedurende de Koreaanse niet-Oorlog en later op de universiteit. ‘Lagere middenstand?’ Dat had moeder niet gevonden.
    ‘Aardig geraden,’ gaf ik toe. ‘Ik ken een van Uw collega’s.’ ‘Ik weet wie U bedoelt, ‘de Gekke Geleerde’. Fantastisch krankzinnige theoriën. Maar vertel me eens: Hoe stonden de zaken toen U wegging? In het bijzonder, hoe gaat het in de Verenigde Staten met het Nobele Experiment?’
    ‘ ‘Nobele Experiment’?’ Daar moest ik over nadenken; het Drankverbod was al van de baan voor ik geboren was. ‘O, dat is afgeschaft.’
    ‘Werkelijk? Ik moet toch weer eens op zakenreis. Wat hebben jullie nu? Een koning? Ik kon wel zien dat uw land die kant op ging maar zo snel had ik het niet verwacht.’
    ‘O, nee,’ zei ik. ‘Ik had het over het Drankverbod.’
    ‘O, dat. Symptomatisch, maar niet fundamenteel. Ik had het over dat amusante begrip van babbel regering. ‘Democratie.’ Een zonderling zelfbedrog — alsof het toevoegen van nullen iets kan opleveren. Maar het werd in Uw stamland op mammoetschaal geprobeerd. Voor Uw geboorte, ongetwijfeld. Ik dacht dat U bedoelde dat er helemaal niet meer aan gedaan werd.’ Hij glimlachte. ‘Dus ze hebben nog steeds verkiezingen en al die dingen meer?’
    ‘De laatste keer dat ik er was, wel.’
    ‘O, geweldig. Fantastisch, gewoon fantastisch. Nu, we moeten elkaar eens opzoeken, ik heb U heel wat te vragen. Ik heb al jaren een studie van Uw planeet gemaakt — de meest verbijsterende ziektebeelden van het ontdekte heelal. Tot ziens. Neem geen houten stuivers aan, zoals Uw stamgenoten zeggen.’
    Ik vertelde het aan Rufo. ‘Rufo, ik weet wel dat ik van een barbaarse planeet kom. Maar is dat een verontschuldiging voor zijn onbeschoftheid? Of was het geen onbeschoftheid? Ik ben er nog niet precies achter wat hier als goede manieren wordt beschouwd.’
    Rufo fronste zijn wenkbrauwen. ‘Het wordt overal als slechte manieren beschouwd om te spotten met iemands geboorteplaats, stam of gebruiken. Je doet het op je eigen risico. Als je hem doodt, zal je niets gebeuren. Het zou Hare Wijsheid een beetje van haar stuk kunnen brengen. Als zij van haar stuk gebracht kan worden.’
    ‘Ik zal hem niet doden, zo belangrijk is het niet.’
    ‘Vergeet het dan. Nebbi is een snob. Hij weet heel weinig, begrijpt niets en denkt dat de universa beter zouden zijn als hij ze ontworpen had. Negeer hem.’
    ‘Dat zal ik. Het was alleen — kijk eens, Rufo, mijn land is niet volmaakt . Maar ik vind het niet prettig dat van een vreemdeling te horen.’
    ‘Wie wel? Ik houd van je land, het heeft bouquet. Maar — ik ben geen vreemdeling en dit is geen spot. Nebbi had gelijk.’
    ‘Hè?’
    ‘Behalve dat hij alleen de oppervlakte ziet. Democratie kan niet slagen. Mathematici, boeren en dieren, dat is alles wat er is — dus democratie, een theorie die gebaseerd is op de veronderstelling dat mathematici en boeren elkaars gelijken zijn, kan nooit werken. Wijsheid kan niet worden opgeteld; het maximum is die van de wijste man in een gegeven groep. Maar een democratische vorm van regeren is oké, zolang het maar niet werkt. Iedere sociale organisatie doet het goed genoeg als hij maar niet star is. De opzet komt er niet op aan, zo lang er maar voldoende losheid is om één man in de menigte te veroorloven zijn genie te ontplooien. De meeste zogenaamde sociale geleerden schijnen te denken dat organisatie alles is. Het is bijna niets — behalve als het een dwangbuis is. Het is de invloed van helden die er op aan komt, niet de groep van nullen.’
    Hij voegde er aan toe: ‘Jouw land heeft een systeem dat los genoeg is om zijn helden hun vak te laten uitoefenen. Het zou het een hele poos moeten kunnen volhouden — tenzij de losheid van binnen uit vernietigd wordt.’
    ‘Ik hoop dat je gelijk hebt.’
    ‘Ik heb gelijk. Ik weet wat van het onderwerp af en ik ben niet dom, zoals Nebbi denkt. Hij heeft gelijk wat de nutteloosheid van ‘nullen toevoegen’ betreft — maar hij beseft niet dat hij een nul is.’
    Ik grinnikte. ‘Het heeft geen zin me op te winden over een nul.’
    ‘Geen enkele zin. In het bijzonder omdat jij er geen bent. Waar je ook heen gaat, je zult je altijd laten gelden; je zult nooit tot de kudde behoren. Ik respecteer je en ik respecteer niet veel mensen. En zeker geen mensen als massa, ik zou in de grond nooit een democraat kunnen zijn. Om te beweren dat je de grote massa met hun geklets aan de ene kant en hun zweetvoeten aan de andere kant ‘respecteert’ en zelfs ‘liefhebt’ vereist de sullige, onkritische, suikerzoete, blinde, sentimentele kwijlerigheid die aangetroffen wordt bij sommige leiders van kinderbewaarplaatsen, de meeste spaniels en alle zendelingen. Het is geen staatkundig systeem, het is een ziekte. Wees goedsmoeds; jouw Amerikaanse politici zijn immuun tegen deze ziekte... en jullie gebruiken geven de niet-nul armslag.’
    Rufo wierp weer een blik op mijn zwaard. ‘Oude vriend, je bent niet hier gekomen om over Nebbi te kankeren.’
    ‘Nee,’ ik keek neer op dat scherpe lemmet. ‘Ik heb dit meegebracht om je te scheren, Rufo.’
    ‘Hè?’
    ‘Ik heb je beloofd dat ik je lijk zou scheren. Dat ben ik je verschuldigd vanwege de keurige manier waarop je mij geschoren hebt. Daarom ben ik dus hier, om de barbier te scheren.’ Hij zei langzaam: ‘Maar ik ben nog geen lijk.’ Hij bewoog zich niet. Maar zijn ogen wel, die schatten de afstand tussen ons. Rufo rekende er niet op dat ik ‘ridderlijk’ zou zijn; daarvoor had hij te lang geleefd.
    ‘O, dat kan geregeld worden,’ zei ik vrolijk, ‘tenzij je me ronduit antwoordt.’
    Hij ontspande een beetje. ‘Ik zal het proberen, Omar.’
    ‘Meer dan ‘proberen’, alsjeblieft. Jij bent mijn laatste kans. Rufo dit moet geheim blijven. Zelfs Ster mag het niet weten.’
    ‘Onder de roos. Mijn woord er op.’
    ‘Ongetwijfeld met je vingers gekruist. Maar waag het niet, ik meen het ernstig. En ronduit antwoorden. Dat heb ik nodig. Ik wil je advies hebben over mijn huwelijk.’
    Hij keek sip. ‘En ik had vandaag nog wel uit willen gaan. Maar ik ben gaan werken. Omar, ik zou liever kritiek leveren op de eerstgeborene van een vrouw of zelfs op haar smaak in hoeden. Het is veel veiliger om een haai bijten te leren. En als ik weiger?’
    ‘Dan scheer ik je!’
    ‘Dat zou je doen ook, jij onhandige beul!’ Hij fronste.’ ‘Ronduit antwoorden —’ Dat wil je helemaal niet, je wilt een schouder om op uit te huilen.’
    ‘Dat misschien ook wel. Maar ik wil rechtstreekse antwoorden, geen leugens die jij zelfs in je slaap wel vertellen kunt.’
    ‘Dus verliezen doe ik altijd. Iemand de waarheid over zijn huwelijk vertellen staat gelijk aan zelfmoord. Ik geloof dat ik maar kalm afwacht of je werkelijk het hart zou hebben me in koelen bloede te vermoorden.’
    ‘Och, Rufo, je mag mijn zwaard achter slot en grendel sluiten, als je dat wilt. Je weet best dat ik het tegen jou nooit trekken zou.’
    ‘Dat weet ik helemaal niet,’ zei hij knorrig. ‘Eens moet de eerste keer zijn. Van schurken kun je voorspellen wat ze zullen doen, maar jij bent een man van eer en dat benauwt me. Kunnen we dit niet over de zie-spreek afhandelen?’
    ‘Stel je niet aan, Rufo. Ik heb niemand anders tot wie ik me kan wenden. Ik wil dat je eerlijk tegen me spreekt. Ik weet dat een adviseur in huwelijksmoeilijkheden het er dik moet opleggen, zijn cliënt niet moet sparen. Terwille van het bloed dat we samen verloren hebben vraag ik je me raad te geven. En eerlijk, natuurlijk!’
    ‘ ‘Natuurlijk’ ook nog? De laatste keer dat ik dat gewaagd heb, wilde je me mijn tong afsnijden.’ Hij keek me somber aan. ‘Maar ik ben altijd een idioot geweest als er vriendschap aan te pas komt. Luister, ik zal het goed met je maken. Jij praat, ik luister... en als je zo lang praat dat mijn vermoeide oude nieren zich beklagen en ik gedwongen ben je welkome gezelschap een ogenblik vaarwel te zeggen... nou, dan zul jij dat verkeerd begrijpen en in je wiek geschoten verdwijnen en dan praten we er niet meer over. Goed?’
    ‘Oké.’
    ‘De Voorzitter luistert. Gaat Uw gang.’
    Dus begon ik te praten. Ik praatte over mijn dilemma en mijn frustraties, waarbij ik mezelf noch Ster spaarde (het was ook om harentwille en er hoefde niet over onze intiemste zaken gesproken te worden; die waren althans prima). Maar ik vertelde over onze ruzies en over veel dingen die beter in de familie kunnen blijven, ik moest wel.
    Rufo luisterde. Na een korte tijd stond hij op en begon hij op en neer te lopen; hij zag er bedrukt uit. Hij was verontwaardigd over de mannen die Ster mee naar huis gebracht had. ‘Ze had haar kameniersters niet moeten laten binnenkomen. Maar vergeet dat maar, jongen. Zij denkt er nooit aan dat mannen verlegen zijn, terwijl vrouwen alleen maar gebruiken kennen. Laat ze zich dat maar veroorloven.’
    Later zei hij: ‘Op Jocko hoef je niet jaloers te zijn, jongeman. Die slaat punaises in met een voorhamer.’
    ‘Ik ben niet jaloers.’
    ‘Dat zei Menelaos ook. Maar je moet ruimte overlaten om te geven en te nemen. Dat moet in elk huwelijk.’
    Tenslotte was ik klaar, nadat ik hem Sters voorspelling dat ik weg zou gaan verteld had. ‘Ik geef haar nergens de schuld van en dat ik er over gepraat heb heeft me al een heleboel duidelijk gemaakt. Ik kan me er nu wel doorheen bijten, me goed gedragen en een goede echtgenoot zijn. Ze getroost zich verschrikkelijke opofferingen om haar werk te doen — en het minste wat ik kan doen is het gemakkelijker voor haar maken. Ze is zo lief en zacht en goed.’
    Rufo bleef staan, een eindje van me af met zijn rug tegen zijn bureau. ‘Vind je dat?’
    ‘Dat weet ik.’
    ‘Ze is een ouwe lellebel!
    Ik sprong met één beweging uit mijn stoel en op hem af. Ik trok mijn zwaard niet. Daar dacht ik helemaal niet aan en ik zou het trouwens toch niet gedaan hebben. Ik wilde hem in mijn handen krijgen en hem straffen omdat hij op die wijze over mijn geliefde had gesproken.
    Hij kaatste over het bureau als een bal en tegen de tijd dat ik de hele kamer door was, stond Rufo er achter, met één hand in een la.
    ‘Wat een stouterd,’ zei hij. ‘Omar, ik wil je helemaal niet scheren.’
    ‘Kom tevoorschijn en vecht als een man.’
    ‘Nooit, oude vriend. Eén stap dichterbij en je bent hondenvoer. Al die mooie beloften van je, al dat smeken van je. ‘Spaar me niet’ heb je gezegd. ‘Leg het er dik op’ heb je gezegd. ‘Spreek eerlijk,’ heb je gezegd. Ga in die stoel zitten.’
    ‘ ‘Eerlijk spreken’ betekent nog niet beledigen.’
    ‘Wie moet dat beoordelen? Kan ik mijn opmerkingen ter goedkeuring voorleggen voor ik ze maak? Herstel je gebroken belofte niet met kinderlijke on-logica. En zou je me willen dwingen een nieuw vloerkleed te kopen? Ik houd nooit een tapijt waarop ik een vriend gedood heb; de vlekken maken me somber. Ga in die stoel zitten.’
    Ik ging zitten.
    ‘Nu,’ zei Rufo, die bleef waar hij was, ‘zul jij luisteren terwijl ik praat. Of misschien zul je opstaan en verdwijnen. In welk geval ik waarschijnlijk zo blij zal zijn dat ik je lelijke gezicht voor het laatst gezien heb, dat het daarmee afgelopen is. Of het is mogelijk dat ik zo geërgerd zal zijn omdat je me onderbreekt, dat je in de deuropening dood valt, want ik heb een heleboel opgekropt en sta op uitbarsten. Net zoals je wilt.
    ‘Ik heb gezegd,’ vervolgde hij, ‘dat mijn grootmoeder een ouwe lellebel is. Ik heb het grof gezegd om je spanning te ontladen — en nu zul je vermoedelijk niet al te beledigd zijn over een heleboel beledigende dingen die ik nog te zeggen heb. Zeis oud, dat weet je, hoewel het je ongetwijfeld meestal gemakkelijk valt dat te vergeten. Ik vergeet het zelf meestal, terwijl ze zelfs al oud was toen ik een baby was die nog niet zindelijk was en kraaide als ik Haar zag. Een lellebel is Ze, dat weet je ook. Ik had kunnen zeggen ‘een vrouw met ervaring’, maar ik moest je ermee om je oren slaan; je hebt het aldoor ontweken zelfs terwijl je me vertelde hoe goed je het weet — en hoe weinig je erom geeft. Grootmoeder is een ouwe lellebel, daar beginnen we mee.
    ‘En waarom zou Zij iets anders zijn? Geef zelf het antwoord maar. Je bent geen idioot, je bent alleen maar jong. Gewoonlijk heeft Zij maar twee genoegens en aan een ervan kan ze niet toegeven.’
    ‘Wat is dat?’
    ‘Uit sadistische kwaadaardigheid verkeerde vonnissen vellen, daar kan Zij niet aan toegeven. Laten we dus dankbaar zijn dat er in Haar lichaam een onschadelijke veiligheidsklep is ingebouwd, anders zouden we allemaal afschuwelijk moeten lijden tot iemand er in slaagde Haar te vermoorden. Jongen, beste jongen, kun je bevroeden hoe dodelijk vervelend Zij de meeste dingen moet vinden? Je eigen animo is na een paar maanden al verdwenen. Bedenk eens wat het moet zijn om jaar na jaar dezelfde ellendige vergissingen aan te horen met niets anders om naar uit te zien dan een handige moordenaar. Wees dan dankbaar dat Zij nog steeds genoegen schept in één onschuldig genoegen. Dus is Zij een ouwe lellebel en dat bedoel ik niet oneerbiedig; ik breng een saluut aan een weldadig evenwicht tussen twee dingen die Zij zijn moet om haar werk te kunnen doen.
    ‘Dat ze met jou op een mooie dag op een heuvel een dwaas rijmpje heeft opgezegd heeft er geen eind aan gemaakt dat Zij is wat Zij is. Jij denkt dat Zij er sedertdien niet aan toegegeven heeft, dat Zij Zich alleen aan jou gehouden heeft. Mogelijk heeft Zij dat gedaan, als je Haar woorden juist hebt weergegeven en ik die op de juiste manier begrijp; Zij spreekt altijd de waarheid.
    ‘Maar nooit de hele waarheid — wie kan dat wel? — en Zij is door de waarheid te vertellen de meest bekwame leugenares die je ooit ontmoeten zult. Ik vrees dat je geheugen het een of andere woord ontgaan is waardoor ze kon ontsnappen zonder jouw gevoelens te kwetsen.
    ‘Als dat zo is, waarom zou Zij dan meer doen dan jouw gevoelens te ontzien? Ze houdt veel van je, dat is duidelijk — maar hoeft Zij daar zo fanatiek over te doen? Haar hele opleiding, Haar speciale aanleg zijn erop gericht fanatisme altijd te vermijden, de juiste oplossing te vinden. Zelfs als Zij tot nog toe geen schoenen door elkaar gegooid heeft, als je nog een week of een jaar of twintig jaar blijft en de tijd komt dat Zij het zal willen doen, dan zal Zij methoden weten te vinden, Zij zal in woorden niet tegen je liegen — en Zij zal Haar geweten geen geweld aandoen, omdat Zij dat niet heeft. Alleen maar Wijsheid, uiterst pragmatisch.’
    Rufo schraapte zijn keel. ‘En nu de weerleggingen, de contrapunten en de tegenstellingen. Ik mag mijn grootmoeder graag en ik houd zo veel van Haar als mijn schrale aard me toestaat en ik respecteer Haar tot in haar bedrieglijke ziel — en ik zou jou of ieder ander vermoorden die Haar een strobreed in de weg legt of Haar ongelukkig maakt — en dat wordt maar gedeeltelijk veroorzaakt doordat Zij me een schim van Haar eigen Ik heeft meegegeven zodat ik Haar begrijp. Als Zij lang genoeg ontkomt aan het mes van een moordenaar of een bom of vergif, zal Zij de geschiedenis ingaan als ‘De Grote’. Maar jij had het over Haar ‘verschrikkelijke opofferingen’. Belachelijk! Ze vindt het heerlijk om ‘Hare Wijsheid’ te zijn, het Middelpunt waar alle werelden om draaien. Ik geloof ook niet dat Zij dat zou opgeven voor jou of vijftig betere mannen. Nogmaals, Zij loog niet, zoals jij het verteld hebt — Zij zei ‘Als’... wetende dat er veel kan gebeuren in dertig jaar of in vijfentwintig, waaronder vrijwel de zekerheid dat je niet zo lang zou blijven. Zwendel.
    ‘Maar dat is de minste zwendel die Zij je geleverd heeft. Ze heeft je beduveld vanaf het eerste ogenblik dat je Haar hebt gezien en lang voor dien. Ze speelde vals, dwong je het kaf bij het koren te nemen, dreef je voort als het eerste het beste slachtoffer dat verlangend is er het beste van te maken, suste je in slaap toen je iets begon te vermoeden, bracht je weer in het gareel en tot je van tevoren befaamde lot — en zorgde dat je het prettig vond. Zij maakt Zich nooit druk over methoden en Zij zou in één adem de Maagd Maria beetnemen en een verdrag met de Duivel sluiten, als het in haar kraam te pas kwam. O, je werd er voor betaald, ja, en met gulle hand; Zij is in geen enkel opzicht klein. Maar het wordt tijd dat je weet dat je beduveld bent. Begrijp goed, ik lever geen kritiek op Haar, ik juich het toe — en ik heb geholpen... behalve dat zwakke moment toen ik medelijden met het slachtoffer had. Maar je was zo betoverd dat je niet wilde luisteren, dankzij mogelijke heiligen die meeluisterden. Ik raakte korte tijd mijn zelfbeheersing kwijt, toen ik dacht dat je een moeilijke dood tegemoet ging met je onschuldige ogen wijd open. Maar Zij was slimmer dan ik, dat is Zij altijd geweest.
    ‘Luister! Ik mag Haar. Ik respecteer Haar. Ik bewonder Haar. Ik houd zelfs een beetje van Haar. Van Haar helemaal, niet alleen de aangename punten maar ook de onzuiverheden die haar uithoudingsvermogen zo sterk maken als het zijn moet. En jij, meneer? Wat voel jij nu voor haar... nu je weet dat Zij je beduveld heeft, nu je weet wat Zij is?’
    Ik zat nog steeds. Mijn borrel stond naast me, die had ik gedurende die hele lange heftige toespraak niet aangeraakt. Ik pakte hem en stond op. ‘Op de meest grandioze ouwe lellebel in twintig universa!’
    Rufo kaatste weer terug over het bureau en greep zijn glas. ‘Zeg dat luid en dikwijls! En tegen Haar, Zij zou het fijn vinden! Moge God, Wie Hij ook is, haar zegenen en moge Zij behoed worden. We zullen jammer genoeg nooit meer zo iemand ontmoeten als Zij is! — want we hebben ze per gros nodig.’
    We sloegen onze borrels achterover en gooiden de glazen kapot. Rufo ging andere halen, schonk in, ging op zijn gemak in zijn stoel zitten en zei: ‘Nu kunnen we serieus gaan drinken. Heb ik je wel eens verteld van die keer, dat mijn —’
    ‘Ja. Rufo, ik wil meer over die zwendel weten.’
    ‘Wat dan?’
    ‘Nou, ik begrijp er een heleboel van. Neem nu die eerste keer dat we vlogen —’
    Hij huiverde. ‘Laten we dat niet doen.’
    ‘Ik heb me er toen niet over verwonderd. Maar, aangezien Ster hiertoe in staat is, hadden we Igli kunnen verslaan, en de Gehoornde Geesten, het moeras, de tijd die we verspild hebben bij Jocko —’
    ‘Verspild?’
    ‘Wat haar doel betreft, En de ratten en de zwijnen en mogelijk de draken. We hadden rechtstreeks van die eerste Poort naar de tweede kunnen vliegen. Ja of nee?’
    Hij schudde het hoofd. ‘Nee.’
    ‘Dat begrijp ik niet.’
    ‘Als we aannemen dat Zij ons zo ver had kunnen laten vliegen, een kwestie die ik nooit hoop vast te stellen, dan had Zij ons naar de Poort kunnen laten vliegen waaraan Zij de voorkeur gaf. Wat zou jij dan gedaan hebben? Als je regelrecht van Nice in Karth Hokesh was neergezet? Was je er op losgetrokken en had je als een veelvraat gevochten, zoals je nu hebt gedaan? Of had je gezegd: ‘Juffrouw, U heeft zich vergist. Waar is de uitgang van deze kermis — ik vind er niets aan.’?’
    ‘Nou — ik zou ‘m niet gesmeerd zijn.’
    ‘Maar zou je gewonnen hebben? Zou je zo fel paraat geweest zijn als nodig was?’
    ‘Ik begrijp het. Die eerste ronden waren oefeningen met echte ammunitie gedurende mijn opleiding. Of was het wel echt? Was dat hele eerste gedeelte zwendel? Misschien met hypnose, om het juist te laten aanvoelen? God weet, dat zij er expert in is. Was er geen gevaar voor we de Zwarte Toren bereikten?’
    Hij huiverde weer. ‘Nee, neet Omar, ieder van die dingen had ons kunnen doden. Ik heb nooit van mijn leven zo hard gevochten, noch ben ik ooit zo bang geweest. Niets kon worden overgeslagen. Ik begrijp al Haar motieven niet, ik ben Hare Wijsheid niet. Maar Zij zou Zichzelf nooit in de waagschaal stellen als het niet noodzakelijk was. Zij zou, zo nodig, tien miljoen dappere mannen opofferen en vinden dat dat goedkoper was. Zij weet wat Zij waard is. Maar Zij heeft naast ons gevochten met alles wat Zij in Zich had — dat heb je gezien! Omdat het moest!’
    ‘Toch begrijp ik het nog niet allemaal.’
    ‘Dat zul je ook nooit. Ik ook niet. Ze zou je alleen naar binnen gestuurd hebben, als dat mogelijk geweest was. En bij dat laatste opperste gevaar, dat ding, genaamd ‘Zielenverslinder’ omdat het precies dat bij zovele dapperen voor jou gedaan had... als je het daarvan verloren had, zouden Zij en ik getracht hebben ons vechtend een uitweg te banen — ik stond er ieder ogenblik gereed voor; dat kon ik je niet vertellen — en als we ontsnapt waren — onwaarschijnlijk — zou Ze geen tranen om je vergoten hebben. Althans niet veel. Dan zou ze weer twintig of dertig of honderd jaar gewerkt hebben om een andere ridder te zoeken en te beduvelen en te oefenen — en net zo hard hebben meegevochten aan zijn zijde. Ze heeft moed, die troela. Zij wist hoe weinig kans we hadden; jij niet. Heeft Zij geaarzeld?’
    ‘Nee.’
    ‘Maar jij was de sleutel, die eerst gevonden moest worden en toen zo bijgeschaafd tot hij paste. Jij handelt zelf, je bent nooit een marionet, anders had je nooit kunnen winnen. Zij was de enige die zo’n man in de goede richting kon sturen en hem in de situatie kon plaatsen waar hij inderdaad zou handelen; geen minder grote figuur dan Zij kon een held aanpakken van het formaat dat Zij nodig had. Daarom heeft ze gezocht tot Ze hem vond... en hem toen scherp geslepen. Vertel me eens, waarom ben je met schermen begonnen? Dat is niet gebruikelijk in Amerika.’
    ‘Wat?’ Daar moest ik over denken. Door het lezen van Koning Arthur en De Drie Musketiers en die prachtige boeken van Burroughs over Mars — Maar dat doet iedere jongen. ‘Toen we naar Florida verhuisden, ben ik Padvinder geworden. De Hopman was een Fransman, een leraar. Hij bracht enkelen van ons jongens ertoe. Ik hield ervan, het was iets dat ik goed kon. En toen op de universiteit —’
    ‘Heb je je wel eens afgevraagd hoe die immigrant die baan in die stad had gekregen? En bij de padvinderij ging? Of waarom jouw universiteit een schermploeg had, terwijl vele dat niet hebben? Het komt er niet op aan, als je ergens anders heen gegaan was zou er wel geschermd zijn bij de CJMV of zo iets. Heb jij niet meer gevechten meegemaakt dan de meesten van jouw lichting?’
    ‘Verdorie, nou en of!’
    ‘En je had telkens gedood kunnen worden ook — en Zij zou zich tot een andere kandidaat gewend hebben die al werd klaargestoomd. Zoon, ik weet niet hoe je gekozen bent, noch hoe je van een jonge snertvent werd veranderd in de held die je latent was. Mijn werk niet. Het mijne was eenvoudiger — wel wat gevaarlijker — jouw kamerheer en je ‘achterhoede’. Kijk eens om je heen. Luxe huisvesting voor een bediende, hè?’
    ‘Nou, dat zeker. Ik was bijna vergeten, dat je geacht werd mijn kamerheer te zijn.’
    ‘ ‘Geacht’, onzin! Ik was het. Ik ben drie keer naar Nevia geweest als Haar dienaar om te oefenen. Tot op de dag van vandaag weet Jocko het niet. Als ik terugging geloof ik dat ik welkom zou zijn. Maar alleen in de keuken.’
    ‘Maar waarom? Het lijkt dwaas.’
    ‘Was het dat wel? Toen we je strikten was je ego maar in zwakke conditie; die moest gevormd worden — en je ‘Baas’ noemen en je je maaltijden serveren, terwijl ik stond en jij zat, met Haar, was daar een onderdeel van.’ Hij beet op zijn knokkels en keek geërgerd. ‘Ik geloof nog altijd dat zij die twee eerste pijlen van je betoverd heeft. Ik zou nog wel eens een revanche willen hebben — als Zij niet in de buurt is.’
    ‘Je zou er misschien van opkijken. Ik heb geoefend.’
    ‘Nou, vergeet het dan maar. We hebben het Ei te pakken gekregen, dat is het belangrijkste. En deze fles hier is ook belangrijk.’ Hij schonk nog eens in. ‘Is dat alles, ‘Baas’?’
    ‘Verrek jij, Rufo! Ja, beste ouwe schooier. Je hebt de zaken weer voor me op een rijtje gezet. Of me weer beduveld, daar ben ik niet zeker van.’
    ‘Niet beduveld, Omar, bij het bloed dat we vergoten hebben. Ik heb de waarheid verteld, zo eerlijk als ik kan, hoewel het me pijn gedaan heeft. Ik wilde het liever niet, je bent mijn vriend. De herinnering aan die wandeling met jou langs die stenige weg zal ik mijn hele leven als een schat bewaren.’
    ‘Eh... ja. Ik ook. Helemaal.’
    ‘Waarom frons je dan?’
    ‘Rufo, ik begrijp haar nu — zo goed als een gewoon mens dat kan — en ik respecteer haar grenzeloos... en heb haar meer dan ooit lief. Maar ik kan niemands speelpop zijn. Zelfs niet van haar.’
    ‘Ik ben blij dat ik dat niet heb hoeven zeggen. Ja. Ze heeft gelijk. Ze heeft altijd gelijk, verdomme! Je moet weggaan. Terwille van jullie allebei. O, Zij zou er niet zoveel nadeel van ondervinden, maar blijven zou jou op den duur fnuiken. Te gronde richten, als je halsstarrig bent.’
    ‘Ik zal nu maar naar huis gaan — en mijn schoenen wegwerpen.’ Ik voelde me beter, alsof ik tegen de chirurg gezegd had; Goed, amputeren maar.
    ‘Dat moet je niet doen!’
    ‘Wat?’
    ‘Waarom zou je? Er is geen reden voor iets definitiefs. Als een huwelijk bedoeld is om lang te duren — en het jouwe zou zelfs wel eens heel lang kunnen duren — dan moeten de huwelijksvakanties ook lang zijn. En niet aan de ketting, zoon, geen vastgestelde datum waarop je terug moet komen en geen beloften. Zij weet dat een ridder die op avontuur uit is zijn nachten met avontuurtjes doorbrengt. Dat verwacht Zij. Zo is het altijd geweest, un droit de la vocation — en nodig. Alleen wordt het in de kinderverhaaltjes niet vermeld, waar jij vandaan komt. Ga dus kijken wat er elders in jou vak aan de gang is en maak je geen zorgen. Kom over vier of veertig jaar of zoiets terug, en dan zul je welkom zijn. Helden zitten altijd aan de voornaamste tafel, dat is hun recht. En ze gaan en komen zoals het hun belieft en dat is ook hun goed recht. Op kleinere schaal ben jij net zoiets als Zij.’
    ‘Dat is een groot compliment!’
    ‘Op ‘kleinere schaal’ heb ik gezegd. Mmm, Omar, een deel van je moeilijkheden is de behoefte om naar huis terug te keren. Je geboorteland. Om alles weer in de ware verhoudingen te zien en te ontdekken wie je eigenlijk bent. Alle reizigers kennen dat gevoel, ik heb het zelf van tijd tot tijd. Als het zich van me meester maakt, geef ik er aan toe.’
    ‘Ik had me niet gerealiseerd dat ik heimwee heb. Misschien is het wel zo.’
    ‘Misschien heeft Zij het Zich wel gerealiseerd. Misschien heeft Ze je een stootje in die richting gegeven. Ik zelf heb als regel dat ik iedere vrouw van me huwelijksvakantie geef zodra haar gezicht me te bekend wordt — want dan moet het mijne haar nog veel bekender voorkomen, als je rekent hoe ik eruit zie. Waarom niet, jongeman? Teruggaan naar de Aarde is niet hetzelfde als sterven. Ik ga er spoedig heen, daarom ben ik die papieren aan het opruimen. Het komt toevallig zo uit dat we er waarschijnlijk tegelijkertijd zullen zijn... en dat we samen een borrel of tien zullen kunnen drinken en lachen en verhalen vertellen. En de serveerster aanhalen en kijken wat ze ervan zegt. Waarom niet?’

XXI

    Oké, hier ben ik dan.
    Ik ben niet diezelfde week vertrokken maar spoedig daarna. Ster en ik hebben een glorieuze nacht vol tranen doorgebracht voor ik wegging en ze huilde toen ze me ‘Au ‘voir’ (niet ‘Vaarwel’) kuste. Maar ik wist dat haar tranen snel gedroogd zouden zijn als ik verdwenen was; zij wist dat ik het wist dat zij er zo de voorkeur aan gaf en daarom heb ik het gedaan. Zelfs hoewel ik ook heb gehuild.
    Pan American is niet zo snel als de handels-Poorten; ik werd er met drie maal snel overstappen zonder hocus pocus doorgeslingerd. Een meisje zei: ‘In positie, alstublieft’ — en hup twee!
    Ik arriveerde op de Aarde, gekleed in een Londens pak, paspoort en papieren in mijn zak, Vrouwe Vivamus in een valies dat er niet uitzag als het foedraal van een sabel, en in andere zakken wissels die veel goud vertegenwoordigden, want ik had ontdekt dat ik er geen bezwaar tegen had het honorarium van een held te accepteren. Ik kwam aan in de buurt van Zürich, het adres weet ik niet; daar zorgt de Poort-dienst voor. Maar ik kon wel berichten verzenden.
    Al spoedig werden die wissels genummerde rekeningen bij drie Zwitserse banken, behandeld door een adcovaat, die ze gezegd hadden dat ik moest opzoeken. Ik kocht op verschillende plaatsen reischeques en ik zond er enkele vooruit en droeg er enkele bij me, want ik was niet van plan Suikeroom Sam 91 procent te betalen.
    Je verliest de tijd uit het oog bij een andere jaartelling en een andere kalender; ik had nog twee weken om die gratis terugreis naar huis te maken, die op mijn marsorder vermeld stond. Het leek me wijs om daar gebruik van te maken — minder opvallend. Daarom deed ik het — een oud viermotorig transportvliegtuig, van Prestwick via Gander naar New York.
    De straten leken vuiler, de gebouwen niet zo hoog — en de krantenkoppen waren erger dan ooit. Ik stopte met kranten lezen, ik bleef er niet lang; ik beschouwde Californië als ‘thuis’. Ik telefoneerde naar Moeder; ze mopperde dat ik niet geschreven had en ik beloofde zo gauw ik kon naar Alaska te komen. Hoe ging het met hun allemaal? (Het speelde door mijn gedachten dat mijn halfbroers en -zusters tezijnertijd wel hulp nodig zouden hebben om te studeren).
    Ze mochten niet mopperen. Mijn stiefvader had vliegdienst en was in vaste dienst gekomen. Ik vroeg haar mijn post door te sturen naar mijn tante.
    Californië zag er beter uit dan New York. Maar het was geen Nevia. Zelfs geen Centrum. Het was er drukker dan ik me herinnerde. Het beste dat je van steden in Californië kunt zeggen is dat ze niet zo beroerd zijn als andere. Ik ging mijn oom en tante bezoeken omdat ze goed voor me geweest waren en ik dacht erover wat van dat goud in Zwitserland te gebruiken om zijn eerste vrouw af te kopen. Maar ze was gestorven en ze praatten over een zwembad.
    Dus hield ik mijn mond. Ik was bijna te gronde gericht door te veel geld, ik was er volwassener door geworden. Ik volgde de wet van Hunne Wijsheden; het betere is de vijand van het goede.
    De campus leek kleiner en de studenten zagen er zo jóng uit. Wederkerig, vermoed ik. Ik verliet de biertent tegenover de Administratie toen er twee studenten met letters op hun truien binnenkwamen; de ene duwde me opzij. De andere zei: ‘Uitkijken, pappie.’
    Ik liet hem in leven.
    Er werd weer meer nadruk gelegd op rugby, een nieuwe coach, nieuwe kleedkamers, gebouwen geverfd, er werd gepraat over een stadion. De coach wist wie ik was; hij kende het archief en wilde naam maken. ‘Je komt toch terug, hè?’
    Ik zei dat ik dacht van niet.
    ‘Onzin!’ zei hij. ‘Je moet je bul toch halen! Het stomste wat je doen kunt, er vanwege je diensttijd mee op te houden. Kijk nu eens —’ Hij begon zachter te praten.
    Geen onzin van ‘de gymnastiekzaal vegen’, daar hield de Conferentie niet van. Maar je kon bij een gezin inwonen — dat was wel te vinden. Wat kon het iemand schelen of je je leergeld in contanten betaalde? Kraaide geen haan naar — ‘Dan zijn je militaire uitkeringen zakgeld.’
    ‘Die krijg ik niet.’
    ‘Man, lees je geen kranten?’ Hij wist het precies: terwijl ik was weggeweest was die niet-Oorlog ook in aanmerking gekomen voor militaire uitkeringen.
    Ik beloofde dat ik erover zou denken.
    Maar ik was het helemaal niet van plan. Ik had wel besloten mijn ingenieurstitel te behalen. Ik maak de dingen graag af. Maar daar niet.
    Die avond kreeg ik bericht van Joan, het meisje dat me zo’n mooi afscheid bereid had en me daarna had afgeschreven. Ik was van plan geweest uit te vinden waar ze woonde en haar en haar man op te zoeken; ik wist alleen haar naam nog niet. Maar ze kwam bij het winkelen mijn tante tegen en telefoneerde me. ‘Easy!’ zei ze en ze klonk verrukt.
    ‘Wie — Wacht eens even, Joan!’
    Ik moest diezelfde avond komen eten. Ik zei ‘Graag’ en dat ik ernaar verlangde de gelukkige kerel te ontmoeten met wie ze getrouwd was.
    Joan zag er net zo lief uit als vroeger en gaf me een stevige pakkerd met haar armen om mijn hals, een welkom-thuis-kus, zusterlijk maar plezierig. Toen kreeg ik de kinderen te zien, een nog in de wieg en de tweede leerde net lopen. Haar man was in Los Angeles.
    Ik had mijn jas moeten pakken. Maar het was best trek je er niets van aan nadat ze mij gesproken had had Jim opgebeld om te zeggen dat hij nog één nacht moest wegblijven en natuurlijk was het uitstekend als ik haar mee uit eten nam hij had me rugby zien spelen en misschien wilde ik morgenavond wel kegelen ze had geen babysitter kunnen krijgen maar haar zuster en zwager kwamen een borrel halen konden niet blijven eten ze hadden al een afspraak tenslotte kennen we elkaar toch al heel lang lieve o, jij herinnert je mijn zuster ook nog wel daar staan ze al voor de deur en ik heb de kinderen nog niet in bed.
    Haar zuster en zwager bleven één drankje drinken; Joan en haar zuster brachten de kinderen naar bed terwijl de zwager bij mij bleef zitten en vroeg hoe de zaken er in Europa voorstonden hij had begrepen dat ik net terug was en toen vertelde hij mij hoe de zaken er in Europa voorstonden en wat er aan gedaan zou moeten worden. ‘Weet U, meneer Jordan,’ zei hij, me op mijn knie kloppend, ‘een makelaar in onroerende goederen zoals ik krijgt nogal een goede kijk op de menselijke natuur dat moet hij wel en al ben ik niet daadwerkelijk in Europa geweest zoals u ik heb er geen tijd voor gehad iemand moet toch hier blijven om belasting te betalen en te zorgen dat hier alles goed loopt terwijl jullie jonge boffers wat van de wereld zien maar mensen hebben overal dezelfde karakters en als we maar eens een klein bommetje gooiden op Minsk of Pinsk of een van die soort steden zouden ze gauw genoeg hun dwalingen inzien en dan konden we uitscheiden met al dat gedoe dat het maar moeilijk maakt voor een zakenman. Bent U het daar niet mee eens?’
    Ik zei dat er wat voor te zeggen viel. Ze gingen weg en hij zei dat hij me morgen op zou bellen en me een paar prima terreinen zou laten zien die gekocht konden worden tegen vrijwel niets in contanten en zeker in waarde zouden stijgen omdat er binnenkort hier een nieuwe fabriek van projectielen kwam. ‘Het is leuk geweest om naar Uw ervaringen te luisteren, Meneer Jordan, erg prettig. Ik moet U op een keer eens vertellen wat me overkomen is in Tijuana maar niet waar mijn vrouw bij is ha ha!’
    Joan zei: ‘Ik snap niet waarom ze met hem getrouwd is. Schenk me nog een borrel in, liefje, een dubbele, dat heb ik nodig. Ik zal de oven lager zetten, het eten kan wel wachten.’
    We namen allebei een dubbele en toen nog een en aten om een uur of elf. Joan werd huilerig toen ik er om een uur of drie op stond naar huis te gaan. Ze zei dat ik bang was en dat gaf ik toe; ze zei dat alles zo anders had kunnen lopen als ik er maar niet op gestaan had in dienst te gaan en dat gaf ik ook toe; ze zei dat ik door de achterdeur weg moest gaan en geen lichten aandoen en ze wilde me nooit meer zien en de zeventiende ging Jim naar Sausalito.
    De volgende dag nam ik een vliegtuig naar Los Angeles. Nou moet je goed begrijpen — ik geef Joan nergens de schuld van, ik mag Joan graag. Ik respecteer haar en zal haar altijd dankbaar zijn. Ze is een goed mens. Als ze jong bijzondere voordelen gehad had — bijvoorbeeld in Nevia — zou ze bepaald iets aparts zijn. Zelfs nu mag ze er best wezen. Haar huis was schoon, haar kinderen waren schoon en gezond en goed verzorgd. Ze is royaal en attent en goedgehumeurd.
    En ik voel mezelf ook niet schuldig. Als een man enige egards heeft voor de gevoelens van een meisje dan is er één ding dat hij niet weigeren kan: een revanche vrijpartijtje, als zij dat wenst. En ik zal ook niet doen alsof ik dat niet ook wilde. Maar ik voelde me de hele reis naar Los Angeles ontdaan. Niet vanwege haar man, die was niet gekrenkt. Niet vanwege Joanie, zij was niet overrompeld en het was ook niet waarschijnlijk dat ze berouw zou hebben. Joanie is een best kind en had haar karakter goed aangepast aan een onmogelijke gemeenschap.
    Maar ik voelde me toch ontdaan.
    Een man moet de meest vrouwelijke hoedanigheid van een vrouw niet hekelen. Ik wil het duidelijk maken dat kleine Joanie net zo lief en net zo mild geweest was als de jongere Joanie die me met zo’n grandioos gevoel het Leger in had gestuurd. De schuld lag bij mij; ik was veranderd. Mijn klachten zijn gericht tegen de hele beschaving zonder dat het individu meer dan een spikkeltje blaam treft. Ik zal die zeer bereisde culturoloog en losbol, Dr. Rufo, citeren:
    ‘Omar, als je thuiskomt, verwacht dan niet te veel van je vrouwelijke landgenoten. Je zult ongetwijfeld teleurgesteld worden en die arme lieverdjes treft geen blaam. Omdat de Amerikaanse vrouwen door de omstandigheden van hun seksuele instincten beroofd zijn, compenseren ze dat door dwang-belangstelling in rituelen bij het dode omhulsel van seks... en ieder van hen is ervan overtuigd dat ze ‘intuïtief’ het juiste ritueel kent om de dode tot leven te wekken. Dat weet ze en niemand hoeft haar wat anders te vertellen... zeker niet de man die het ongeluk heeft bij haar in bed te liggen. Probeer dat dus niet. Je maakt haar óf woedend óf je deprimeert haar. Daarmee doe je een aanval op die meest Heilige van alle Koeien: de mythe dat vrouwen alles van seks afweten, alleen al doordat ze vrouw zijn.’
    Rufo had zijn voorhoofd gefronst. ‘De gemiddelde Amerikaanse vrouw is er van overtuigd dat ze een genie is als couturière, als binnenhuis-architecte, als kookster van de haute cuisine en altijd als courtisane. Gewoonlijk heeft ze het op vier punten mis. Maar probeer niet haar dat aan het verstand te brengen.’
    Hij had er aan toegevoegd: ‘Tenzij je er een te pakken kunt krijgen die niet ouder is dan twaalf jaar en je haar kunt afzonderen, in het bijzonder van haar moeder — en zelfs dan is het vermoedelijk al te laat. Maar je moet me niet verkeerd begrijpen; het is gelijk verdeeld. De Amerikaanse man is ervan overtuigd dat hij een groot krijgsman, een groot staatsman en een groot minnaar is. Steekproeven bewijzen dat hij de plank net zo ver mis slaat als zij. Of nog verder. Historisch-cultureel gesproken zijn er duidelijke tekenen dat eerder de Amerikaanse man dan de vrouw in jouw land de seks heeft vermoord.’
    ‘Maar wat kan ik eraan doen?’
    ‘Wip af en toe over naar Frankrijk. De Franse vrouwen zijn bijna net zo onwetend, maar lang niet zo eigenwijs en vaak heel bevattelijk.’
    Toen mijn vliegtuig landde zette ik me het onderwerp uit het hoofd omdat ik van plan was een poosje als een kluizenaar te leven. Ik heb in het Leger geleerd dat geen seks gemakkelijker is dan een honger-rantsoen — en ik had serieuze plannen.
    Ik had besloten zo conventioneel te zijn als ik van nature ben, met hard werken en een levensdoel. Ik had die Zwitserse bankrekeningen kunnen gebruiken om de playboy uit te hangen. Maar ik was een playboy geweest en het is mijn stijl niet.
    Ik had de grootste plezierreis in de geschiedenis gemaakt — ik zou het niet geloven als ik niet zoveel buit had. Nu was het tijd om me te vestigen en lid te worden van Anonieme Helden. Een held zijn is oké. Maar een gepensioneerde held — eerst is hij een vervelende vent en dan wordt hij een schooier.
    Mijn eerste stopplaats was Caltech. Ik kon me nu het beste veroorloven en Caltechs enige mededinger is waar ze geprobeerd hebben seks volkomen buiten de wet te stellen. Ik had in 1942-45 genoeg van dat ellendige kerkhof gezien.
    De hoogleraar die over de toelatingen ging was niet bemoedigend. ‘Meneer, Gordon, weet U dat we er meer afwijzen dan we aannemen? Evenmin kunnen we Uw staat van dienst ten volle honoreren. Dat is geen blaam op Uw vorige universiteit — en we geven ex-militairen graag een kans — maar deze school stelt hogere normen. Nog iets, U zult Pasadena niet goedkoop vinden om te leven.’
    Ik zei dat ik graag zou beginnen op welk niveau ze me ook wilden plaatsen en toonde hem mijn banksaldo (een van mijn banksaldo’s) en bood hem een cheque aan voor een jaar collegegeld. Dat wilde hij niet accepteren, maar hij ontdooide wat. Ik verliet hem met de indruk dat er wel een plaatsje gevonden zou worden voor E. C. ‘Omar’ Gordon.
    Ik ging naar de benedenstad en zette de machinerie in werking om me wettelijk ‘Omar’ in plaats van ‘Evelyn Cyril’ te maken. Toen ging ik een baantje zoeken. Ik vond er een in de Vallei als jongste tekenaar bij een afdeling van een dochtermaatschappij van een handelsmaatschappij, die banden, machines voor voedsel fabrieken en andere dingen maakte — in dit geval projectielen. Dit was een onderdeel van het Rehabilitatie-Plan Gordon. Een paar maanden aan een tekenbord zouden me weer op dreef helpen en ik was van plan ’s avonds te studeren en me netjes te gedragen. Ik vond een gemeubileerde flat in Sawtelle en kocht een tweedehands Ford om te forensen.
    Toen voelde ik me ontspannen; ‘Heer Held’ was begraven. Alles wat daar van over was was Vrouwe Vivamus die boven de televisie hing. Maar ik had haar eerst in mijn hand gebalanceerd en dat deed me goed. Ik besloot een salle d’armes te zoeken en me bij een club aan te sluiten. Ik had in de Vallei ook een boogschuttersbaan gezien en de leden van de Amerikaanse Schietvereniging moesten ’s zondags toch ook ergens schieten. Ik hoefde niet opgeblazen te worden —
    Inmiddels zou ik de buit in Zwitserland vergeten. Die was betaalbaar in goud, niet in voddige papiertjes en als ik het met rust liet zou het waarschijnlijk meer — misschien veel meer — waard worden door inflatie dan door beleggingen. Op een goede dag zou het het kapitaal zijn om mijn eigen zaak te openen.
    Daar had ik mijn zinnen op gezet: baas. Een loonslaaf, zelfs in de schaal waar Uncle Sam hem meer dan de helft afpakt, is toch een slaaf. Maar ik had van Hare Wijsheid geleerd, dat een baas opgeleid moest worden; ik kon ‘Baas’ niet met goud kopen.
    Zo kwam ik tot rust. Mijn naamsverandering kreeg zijn beslag ; Caltech verklaarde dat ik uit kon zien naar een verhuizing naar Pasadena — en de nagezonden post kwam aan.
    Moeder stuurde die naar mijn tante, zij zond hem door naar het hoteladres dat ik eerst had opgeveven en tenslotte bereikte hij mijn flat. Een gedeelte bestond uit brieven die meer dan een jaar tevoren in Amerika gepost waren naar Z.O. Azië, toen naar Duitsland gezonden waren, daarna naar Alaska en nog meer tussenstations voor ik ze in Sawtelle las.
    Een ervan offreerde weer die goedkope beleggingsdienst; deze keer was het nog 10 procent voordeliger voor me. Een andere was van de coach van de universiteit — op blanco briefpapier en met een krabbel ondertekend. Hij vertelde dat bepaalde personen vastbesloten waren het seizoen met veel tamtam te openen. Zou $250 per maand me van gedachten doen veranderen? Ik moest hem thuis opbellen, op zijn kosten. Die verscheurde ik.
    De volgende was van de Veteranen-Administratie, gedateerd vlak na mijn demobilisatie. Naar aanleiding van een proces was uitgemaakt dat ik wettelijk een ‘oorlogswees’ was en recht had op $100/maand voor onderwijs tot drieëntwintig-jarige leeftijd.
    Ik lachte zo hard dat ik pijn in mijn kaken kreeg.
    Na wat rommel kwam er een van een Congreslid. Hij had de eer me mede te delen, dat hij, in samenwerking met de Veteranen van Oorlogen in den Vreemde een groep speciale wetsontwerpen had ingediend om onrechtvaardigheden te herstellen die voortgekomen waren uit tekortkomingen bij het op de juiste wijze vaststellen van personen die ‘Oorlogswezen’ waren, dat de wetsontwerpen met algemene stemmen waren aangenomen en dat het hem genoegen deed te kunnen zeggen dat een ervan die op mij betrekking had mij toestond mijn opleiding tot mijn zevenentwintigste verjaardag voort te zetten, aangezien mijn driëentwintigste verjaardag verstreken was voor de vergissing was hersteld. Ik verblijf, hoogachtend, enz.
    Daar kon ik niet meer om lachen. Ik bedacht hoeveel ik de zomer dat ik opgeroepen werd geslikt zou hebben als ik zeker was geweest van $100 per maand. Ik schreef dat Congreslid zo goed ik kon een bedankbrief.
    Het volgende exemplaar leek rommel. Die was van de Hospitalen Trust N. V. en dus een verzoek om een bijdrage of een folder over ziekenhuisverzekering — maar ik snapte niet waarom iemand in Dublin mij op zijn lijst gezet zou hebben. De Hospitalen Trust vroeg of ik het lot van de Ierse Hospitalen Sweepstake nummer zoveel in mijn bezit had en het officiële reçu? Het lot was verkocht aan J. L. Weatherby. Esq. Het nummer was getrokken in de tweede trekking en was het lot van het winnende paard geweest. J. L. Weatherby was op de hoogte gesteld en had de Hospitalen Trust N.V. medegedeeld dat hij het lot van de hand had gedaan aan E. C. Gordon en dat hij na ontvangst van het reçu dit aan betrokkene had toegezonden.
    Was ik die ‘E. C. Gordon’, had ik het lot, had ik het reçu? H.T.N.V. zou een spoedig antwoord op prijs stellen. Het laatste exemplaar van de stapel droeg een stempel van het Veldpostkantoor. Er zat een reçu van de Ierse Sweepstake in — en een briefje: Dit zou een lesje voor me moeten zijn om nooit meer te pokeren. Hoop dat je er wat op wint — J. L. WEATHERBY. Het poststempel was meer dan een jaar oud.
    Ik staarde ernaar en pakte toen de papieren die ik door de Universa had meegesjouwd. Ik vond het bijbehorende lot. Er zaten bloedvlekken op, maar het nummer was duidelijk. Ik keek naar de brief. Tweede trekking —
    Ik begon de loten onder fel licht te onderzoeken. De andere waren vervalsingen. Maar het watermek van dit lot en dit reçu was zo scherp als op een bankbiljet. Ik weet niet waar Weatherby dat lot gekocht had, maar hij had het niet gekocht van de dief die mij het mijne verkocht.
    Tweede trekking — ik had niet geweten dat er meer dan een was. Maar trekkingen zijn afhankelijk van het aantal loten dat er verkocht is, in eenheden van £120.000. Ik had alleen de resultaten van de eerste gezien.
    Weatherby had het reçu naar Moeders adres in Wiesbaden gestuurd en het moet in Elmendorf geweest zijn toen ik in Nice was — was toen naar Nice gegaan en weer terug naar Elmendorf omdat Rufo een doorzendadres achtergelaten had bij American Express ; Rufo had natuurlijk alles van me afgeweten en stappen genomen om mijn verdwijning te dekken.
    Op die morgen meer dan een jaar geleden toen ik in een café in Nice zat had ik een winnend lot en was het reçu al gepost. Als ik die Herald Tribune verder had in gekeken dan de persoonlijke advertenties zou ik de resultaten van de tweede trekking gevonden hebben en nooit op die advertentie hebben geantwoord.
    Ik zou $140.000 in ontvangst genomen hebben en Ster niet voor een tweede keer hebben gezien —
    Maar zou Hare Wijsheid haar hoop hebben lateni verijdelen? Zou ik geweigerd hebben mijn ‘Helena van Troje’ te volgen, alleen maar omdat ik mijn zakken vol geld had?
    Ik legde de twijfel in mijn voordeel uit. Ik zou die Roemvolle Weg in ieder geval gevolgd zijn!
    Dat hoopte ik tenminste.
    De volgende morgen telefoneerde ik de fabriek en ging toen naar een bank waar dezelfde procedure gevolgd werd die ik in Nice al twee maal had meegemaakt.
    Ja, het lot was in orde. Kon de bank van dienst zijn bij de in ontvangstname? Ik bedankte ze en ging weg. Een klein mannetje van de Fiscus stond me voor mijn deur op te wachten —
    Het scheelde niet veel — Hij belde aan toen ik naar de Hospitalen Trust N. V. zat te schrijven.
    Even later vertelde ik hem dat ik dat om de donder niet van plan was! Ik liet het geld in Europa en ze konden ernaar fluiten! Hij zei vriendelijk dat ik die houding niet moest aannemen, dat ik alleen maar uitraasde, dat de Fiscus het niet prettig vond geld aan aanbrengers te betalen, maar dat ze dat toch zouden doen als mijn daden aantoonden dat ik trachtte belasting te ontduiken.
    Ze hadden me te pakken. Ik ontving $140.000 en betaalde er Uncle Sam $103.000 van. Het vriendelijke kleine mannetje wees erop dat het zo beter was; er waren zo vaak mensen die de betaling uitstelden en dan in moeilijkheden kwamen.
    Als ik in Europa geweest was, zou het $140.000 in goud geweest zijn — maar nu was het $37.000 in papier — want vrije en soevereine Amerikanen mogen geen goud hebben. Ze mochten eens een oorlog beginnen, of communist worden of zoiets. Nee, ik kon de $37.000 niet in goud in Europa laten; dat was ook illegaal. Ze waren heel beleefd.
    Ik stuurde 10 procent, $3.700, naar Sgt. Weatherby en vertelde hem het verhaal. Ik nam $33.000 op en stichtte een studiefonds voor mijn bloedverwanten, dat zo gemanipuleerd werd dat mijn familie er pas van af zou weten als het nodig was. Ik deed een schietgebedje en hoopte dat het nieuws over het lot Alaska niet zou bereiken. In de kranten in Los Angeles heeft het nooit gestaan, maar het nieuws werd toch verspreid; ik merkte dat ik op talloze lijsten van klaplopers voorkwam, kreeg brieven die me gouden bergen beloofden, brieven die om leningen vroegen of geschenken eisten.
    Pas een maand later besefte ik dat ik de Inkomstenbelasting van de Staat Californië vergeten was. Uit de officiële papierentroep ben ik nooit wijs geworden.

XXII

    Ik keerde terug naar het tekenbord, zwoegde ’s avonds met mijn boeken, keek een beetje naar de televisie en ging in de weekends wat schermen.
    Maar ik had steeds die droom —
    De eerste keer was vlak nadat ik die baan gekregen had en nu had ik hem iedere nacht —
    Ik bevind me op die lange, lange weg en dan sla ik een bocht om en dan rijst daar een kasteel voor me op. Het is mooi, er wapperen wimpels van de torens en er slingert een oprijlaan naar de ophaalbrug. Maar ik weet, ik weet gewoon, dat er een prinses in de kerkers gevangen wordt gehouden.
    Dat gedeelte is altijd hetzelfde. De bijzonderheden wisselen. De laatste tijd verschijnt het vriendelijke mannetje van de Fiscus op de weg en zegt dat hier tol betaald moet worden — 10 procent meer dan wat ik ook heb.
    Andere keren is het een politie-agent en die leunt tegen mijn paard (dat heeft soms vier en soms acht benen) en schrijft een bon voor belemmering van het verkeer, rijden met een verlopen rijbewijs, geen gehoor geven aan een stopsein en onbeschofte insubordinatie. Hij wenst te weten of ik een vergunning heb om die lans te dragen? — en vertelt me dat de jachtwet vereist dat ik iedere draak die ik dood moet voorzien van een etiket.
    Andere keren dat ik die bocht omga komt er een dichte golf snelverkeer op me af, vijf rijen dik. Dat is de akeligste.
    Ik begon dit te schrijven nadat de dromen begonnen waren. Ik kon me niet naar een psychiater zien gaan en zeggen: ‘Luister eens, dok, ik ben held van mijn vak en mijn vrouw is Keizerin in een ander universum —’ en ik had er nog minder zin in op zijn divan te gaan liggen en hem te vertellen dat mijn ouders me als kind mishandelden (dat hebben ze niet gedaan) en hoe ik erachter ben gekomen wat kleine meisjes eigenlijk waren. (dat is mijn zaak).
    Ik besloot mijn gemoed te verlichten op een schrijfmachine. Ik kikkerde er wel wat van op maar het deed de dromen niet ophouden. Maar ik heb een nieuw woord geleerd: ‘geaccultureerd’. Dat is wat er gebeurt als iemand van de ene beschaving naar een andere overgaat met een ongelukkige overgangsperiode dat hij er niet bij hoort. Die Indianen die je in steden in Arizona ziet, die helemaal niets doen, alleen maar etalages kijken of zomaar staan te staan. Acculturatie. Ze horen er niet bij.
    Ik zat in een bus op weg naar mijn oor-neus-keel-arts — Ster heeft me toegezegd dat haar behandeling plus die op Centrum me voorgoed voor verkoudheid zou behoeden — en dat is ook zo; ik loop niets op. Maar zelfs geneeskundigen die Lang-Leven toedienen kunnen menselijke weefsels niet tegen gifgas beschermen; de smog in Los Angeles kreeg me te pakken. Mijn ogen brandden, mijn neus zat verstopt -twee maal per week werden er afschuwelijke dingen met mijn neus gedaan. Ik parkeerde mijn auto altijd en ging dan naar Wilshire met de bus, omdat dichtbij parkeren onmogelijk was.
    In de bus hoorde ik een gesprek van twee dames: ‘— hoe ik ook het land aan hun heb, je kunt eenvoudig geen cocktailparty geven zonder de Sylvesters te inviteren.’
    Het klonk als een vreemde taal. Toen speelde ik het terug en begreep de woorden.
    Maar waarom moest ze de Sylvesters inviteren?
    Als ze zo het land aan ze had, waarom negeerde ze hen dan niet óf liet ze geen rotsblok op hun hoofd vallen?
    In Godsnaam, waarom zou je een cocktailparty geven?
    Mensen die elkaar niet bijzonder mogen staan overal in het rond (nooit genoeg stoelen), praten over dingen waar ze geen belang in stellen, drinken drankjes die ze niet hebben willen (waarom een tijd vast te stellen om een borrel te pakken) en worden dronken om niet te merken dat ze geen plezier hebben. Waarom?
    Ik realiseerde me dat de acculturatie begonnen was. Ik hoorde er niet bij.
    Daarna vermeed ik bussen en kreeg vijf bekeuringen voor verkeersovertredingen en een deuk in mijn spatbord. Met studeren hield ik ook op. Boeken schenen geen betekenis te hebben. Zo had ik het op Centrum niet geleerd. Maar ik hield vol met het werk als tekenaar. Ik heb altijd kunnen tekenen en ik werd al spoedig bevorderd tot belangrijker werk.
    Op een dag riep de Chef Tekenaar me. ‘Hier, Gordon, die constructie die je getekend hebt —’
    Ik was trots op dat stuk. Ik had me iets herinnerd dat ik op Centrum gezien had en dat er in opgenomen, waardoor er minder bewegende delen nodig waren en een log ontwerp verbeterd werd tot iets waar ik blij mee was. Het luisterde erg nauw en ik had er een extra overzicht aan toegevoegd.
    ‘Ja?’
    Hij gaf het me terug. ‘Maak het over. Maak het in orde.’ Ik legde de verbetering uit en zei dat ik de tekening op een betere manier gemaakt had om —
    Hij onderbrak me. ‘We willen het niet op een betere manier hebben, we willen het op onze manier hebben.’
    ‘Dat is Uw goed recht,’ gaf ik toe en nam mijn ontslag door de deur uit te wandelen.
    Mijn flat leek vreemd op dat uur van een werkdag. Ik begon Sterkte van Materialen te bestuderen — en smeet het boek opzij. Toen stond ik op en keek naar Vrouwe Vivamus.
    ‘Dum Vivimus, Vivamus’. Fluitend gespte ik haar om, trok haar en voelde die stroom door mijn arm. Ik stak het zwaard weer in de schede, zocht een paar dingen bij elkaar, voornamelijk reischeques en contant geld en verliet de flat. Ik ging nergens heen, zomaar die kant op! Ik had misschien twintig minuten met grote stappen gelopen toen er een patrouilleauto stopte en me meenam naar het politiebureau.
    Waarom droeg ik dat ding? Ik verklaarde dat heren zwaarden dragen.
    Als ik hun wilde vertellen bij welk filmbedrijf ik hoorde, kon een telefoontje alles ophelderen. Of was het televisie? De Politie werkte mee, maar wilde wel ingelicht worden. Had ik een vergunning voor verborgen wapens? Ik zei dat het niet verborgen was. Zij zeiden van wel — door die schede. Ik maakte gewag van de Grondwet; men vertelde me dat de Grondwet om de bliksem niet betekende dat je op straat met zo’n slakkensteker kon rondwandelen. Een agent fluisterde tegen de sergeant: ‘Hier kunen we hem op vangen, sergeant. Het lemmet is langer dan —’ Ik geloof dat het acht centimeter was. Er ontstonden moeilijkheden toen ze probeerden Vrouwe Vivamus van me af te pakken. Ten slotte werd ik opgesloten met zwaard en al.
    Twee uur later kreeg mijn advocaat het gewijzigd in ‘wanordelijk gedrag’ en ik werd vrijgelaten maar ze hadden het over een onderzoek naar mijn verstandelijke vermogens. Ik rekende met hem af en bedankte hem en nam een taxi naar het vliegveld en nam een vliegtuig naar San Francisco. Op de vlieghaven kocht ik een grote tas, waar Vrouwe Vivamus diagonaal in kon.
    Die avond in San Francisco ging ik naar een feestje. Ik maakte kennis met die kerel in een bar en bestelde een drankje voor hem en hij bestelde er een voor mij en ik nodigde hem voor het eten uit en we kochten vier liter wijn en gingen naar dat feest. Ik had hem uitgelegd wat voor zin het had om naar school te gaan om een methode te leren terwijl er al veel betere methoden bestonden? Net zo dwaas als een Indiaan die leert buffels te roepen. Buffels zitten in dierentuinen ! Geaccultureerd, dat was het!
    Charlie zei dat hij het er volkomen mee eens was en dat zijn vrienden het graag zouden horen. Dus we gingen daarheen en ik betaalde de chauffeur om te blijven wachten, maar ik nam mijn tas mee naar binnen.
    Charlies vrienden wilden mijn theorieën helemaal niet horen, maar de wijn was welkom en ik ging op de grond naar volksliedjes zitten luisteren. De mannen droegen baarden en kamden hun haar niet. De baarden waren een hulp, zo kon je gemakkelijker zien wie de meisjes waren. Een baard stond op en reciteerde een gedicht. Oude Jocko zou het stomdronken beter kunnen, maar dat zei ik niet.
    Het leek niet op een feest in Nevia en zeker niet op een op Centrum, behalve één ding: er werd me een oneerbaar voorstel gedaan. Misschien zou ik het hebben overwogen als dat meisje geen sandalen had gedragen. Haar tenen waren vuil. Ik dacht aan Zhai-ee en haar sierlijke schone pels en zei, dank je, ik had een eed afgelegd.
    De baard die het gedicht had opgezegd kwam naar me toe en bleef voor me staan. ‘Man, bij wat voor rotzooi heb je dat litteken opgelopen?
    Ik zei dat het Z.O. Azië geweest was. Hij keek me minachtend aan. ‘Huurling!’
    ‘Nou, niet altijd,’ zei ik. ‘Soms vecht ik gratis. Zoals nu.’
    Ik smeet hem tegen een muur en nam mijn tas mee naar buiten en ging naar het vliegveld — en toen naar Seattle en Anchorage, Alaska en tenslotte de Vliegbasis Elmendorf, schoon, nuchter en met Vrouwe Vivamus vermomd als visgerei.
    Moeder was blij me te zien en de kinderen scheen het ook genoegen te doen — ik had cadeautjes gekocht toen ik in Seattle op aansluiting moest wachten — en mijn stiefvader en ik wisselden sterke verhalen uit.
    Ik deed iets belangrijks in Alaska; ik vloog naar Point Barrow. Daar vond ik iets van waar ik naar zocht: geen dwang, geen moeilijkheden, niet veel mensen. Je kijkt uit over het ijs en je weet dat die kant op alleen maar de Noordpool is en hier alleen maar een paar Eskimo’s en nog minder blanken. Eskimo’s zijn precies zo aardig als ze worden afgeschilderd. Hun baby’s huilen nooit, de volwassenen lijken nooit boos te zijn — alleen de honden die tussen de hutten aan palen vastgebonden zijn hebben een slecht humeur.
    Maar Eskimo’s zijn nu ‘beschaafd’; de oude gebruiken verdwijnen. In Barrow kun je een milkshake met chocola krijgen en er vliegen dagelijks vliegtuigen door een lucht, die morgen projectielen kan bevatten.
    Maar ze gaan nog steeds op de robbenjacht tussen de drijvende ijsvelden, het dorp is rijk als ze een walvis vangen en verhongert half als ze dat niet doen. Ze trekken zich niets van de tijd aan en ze schijnen zich nergens om te bekommeren — als je iemand vraagt hoe oud hij is, antwoordt hij: ‘O, ik heb al een hele leeftijd bereikt.’ Zo oud is Rufo ook. In plaats van vaarwel zeggen ze: ‘Een andere keer!’ Geen vastgestelde tijd en we zien je nog wel eens.
    Ze lieten me met ze dansen. Je moet handschoenen dragen (op hun manier zijn ze net zo formeel als de Doral) en je stampt met je voeten en zingt met de trommels mee — en ik merkte dat ik huilde. Ik weet niet waarom. De dans ging over een oud mannetje dat geen vrouw heeft en dan een zeehond ziet —
    Ik zei: ‘Een andere keer!’ — en ging terug naar Anchorage en naar Kopenhagen. Van 10.000 meter hoogte ziet de Noordpool eruit als een prairie die bedekt is met sneeuw, behalve zwarte strepen die water zijn. Ik had nooit verwacht de Noordpool nog eens te zien.
    Van Kopenhagen ging ik naar Stockholm, Marjatta was niet bij haar ouders, maar woonde maar een plein verder. Ze kookte dat Zweedse eten voor me en haar man is een beste vent. Vanuit Stockholm gaf ik telefonisch een ‘persoonlijke’ advertentie op voor de Parijse editie van de Herald-Tribune en ging toen naar Parijs.
    Ik liet de advertentie dagelijks opnemen en zat tegenover Les Deux Magots en stapelde schoteltjes op en trachtte niet te tobben. Ik keek naar de ma’m’selles en dacht erover na wat ik allemaal kon gaan doen.
    Als je je ergens een jaar of veertig wou vestigen, zou Nevia dan geen goede plek zijn? Oké, er zijn draken. Er zijn geen vliegen, noch muggen, noch smog. Noch parkeerproblemen, noch een snelverkeersnet dat lijkt op een diagram voor een buikoperatie. Er is nergens een verkeerslicht te bekennen.
    Muri zou blij zijn me te zien. Misschien trouwde ik wel met haar. En misschien ook wel met die kleine hoe-heet-ze-ook-weer, haar jongste zusje. Waarom niet? Huwelijksgebruiken zijn niet overal hetzelfde als op de Mookerhei. Het zou Ster genoegen doen; ze zou het fijn vinden door huwelijk geparenteerd te zijn aan Jocko.
    Maar eerst, of althans spoedig, zou ik Ster opzoeken en die stapel vreemde schoenen opzij schoppen. Maar ik zou niet blijven; het zou spoedig weer ‘Een andere keer’ zijn, wat Ster best zou vinden. Het is een zegswijze, een van de weinige, die nauwkeurig in het Centrale argot vertaald kan worden — en precies hetzelfde betekent.
    ‘Een andere keer’, omdat er elders nog meer maagden, of wat er heel aantrekkelijk voor door kan gaan, zijn, die bevrijd moeten worden. Ergens. En een man dient zijn vak uit te oefenen, zoals wijze vrouwen weten.
    ‘Ik kan het reizen niet laten; ik wil het leven tot de laatste druppel drinken’. Een lange weg, een spoor, een ‘Koninklijke Landloper’, zonder zekerheid van wat je zult eten of waar of niet, zonder te weten waar je zult slapen, noch met wie. Maar ergens is Helena van Troje met al haar vele zusters en er valt nog nobel werk te verrichten.
    Je kunt in een maand tijds een heleboel schoteltjes opstapelen en ik begon te koken in plaats van te dromen. Waarom verscheen Rufo verdomme niet? Ik maakte van pure zenuwen dit verslag tot zover af. Is Rufo teruggegaan? Of is hij dood? Of was hij ‘nooit geboren’? Ben ik uit een gekkenhuis ontslagen en wat is dat voor een tas die ik overal met me meesleep? Een zwaard? Ik durf niet te kijken, daarom doe ik het — en nu durf ik het niet te vragen. Ik heb eens een oude sergeant ontmoet, een man die er dertig jaar op had zitten, die ervan overtuigd was dat hij alle diamantmijnen in Afrika bezat; hij bracht zijn avonden door met de boeken ervan bij te houden. Heb ik net zo’n plezierige afwijking? Zijn deze francs wat erover is van mijn maandelijkse invaliditeitsuitkering?
    Krijgt iemand ooit een tweede kans? Is de Deur in de Wand altijd verdwenen als je weer kijkt? Waar vind je de boot naar het Land van Kokanje? Maat, het is net hetzelfde als het postkantoor in Brooklyn: dat kun je van hieruit niet bereiken!
    Ik zal Rufo nog twee weken geven —
    Ik heb bericht van Rufo gehad! Mijn advertentieknipsel was hem nagezonden, maar hij had een beetje moeilijkheden gehad. Hij wou telefonisch niet veel zeggen maar ik heb begrepen dat hij in aanraking is geweest met een verslindende Fraülein en dat hij vrijwel sans culottes de grens over is gekomen. Maar vanavond is hij hier. Hij voelt alles voor een verandering van planeten en universa en zegt dat hij iets interessants in zijn hoofd heeft. Misschien een beetje riskant, maar niet vervelend. Ik ben ervan overtuigd dat hij volkomen gelijk heeft. Rufo zal je misschien je sigaretten afpakken en zeker je meisje, maar het is nooit saai bij hem in de buurt — en hij zou zich doodvechten om je achterhoede te dekken.
    Dus morgen trekken we dat Pad van de Roem weer op, met stenen en al!
    Zijn er nog draken die U gedood had willen hebben?
Top.Mail.Ru